{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Medewerkers kunnen vooraf hun wensen kenbaar maken over de invulling van hun roostervrije tijd. Zo mogelijk wordt met deze wensen rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van ziekte op een geplande roostervrije dag kan deze op een ander moment in het jaar worden opgenomen. dit geldt voor maximaal vijf dagen per jaar. Niet opgenomen roostervrije dagen kunnen niet worden meegenomen naar een volgend jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het dienstbelang vereist, dat iemand werkt op een geplande roostervrije dag, wordt dit vooraf besproken met de sectordirecteur. Deze beslist over de noodzaak daarvan en over de wijze van compensatie van de roostervrije tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deeltijders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de arbeidsduur van deeltijders zal worden uitgedrukt in een aantal te werken uren per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deeltijder maakt deel uit van het afdelingsrooster. In het kader van een adequate bezetting van de afdeling kan zij op andere tijden worden ingezet dan de werktijden, die voor 1 januari 1997 gebruikelijk waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkpatronen van part-timers zullen echter zo veel mogelijk worden gerespecteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoeveelheid roostervrije tijd is naar rato van de omvang van de deeltijdfunctie en afgeleid van de beschikbare roostervrije tijd van een fulltimer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opnemen van de roostervrije tijd gelden dezelfde regels, zoals aangegeven bij de full-timers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlofrechten worden uitgedrukt in uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlof wordt berekend tegen 7,2 uur per dag dat recht op verlof bestaat. Uitgaande van het basisverlof van 22 werkdagen bestaat derhalve op jaarbasis recht op 158,4 uur verlof, eventueel aangevuld met extra verlofrechten tegen 7,2 uur per dag in verband met inschaling, leeftijd en of diensttijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opnemen van verlof wordt dit afgeboekt op basis van de genormeerde werkdag, zijnde acht uur verlof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Duur vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1 , indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantieverlofregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlofregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regelen wordt verstaan onder \"ambtenaar\" hij/zij die in tijdelijke of vaste dienst der gemeente Soest werkzaam is met een volledige dagtaak en op wie de CAR/UWO van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantieverlofregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlofregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie van de ambtenaar, die niet met een volledige week- of jaartaak is belast, wordt bepaald in evenredigheid met het aantal dagen waarop hij recht zou hebben indien hij met een volledige taak was belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantieverlofregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlofregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie is afhankelijk van de bezoldiging, zoals vastgelegd in hoofdstuk 3 \"Bezoldigingsverordening 1988\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een ambtenaar die wordt bezoldigd naar de salarisschaal 9 en hoger bedraagt de duur 23 werkdagen en voor een ambtenaar die wordt bezoldigd naar salarisschaal 8 of lager bedraagt de duur 22 werkdagen per kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantieverlofregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlofregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De volgens artikel 3 vastgestelde duur van de vakantie wordt verhoogd met 3, 3, 3, 3, 2, of 1 dienstdag(en) per kalenderjaar, indien de ambtenaar een leeftijd heeft van onderscheidenlijk 15, 16, 17, 18, 19 of 20 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De volgens artikel 3 vastgestelde duur van de vakantie wordt verhoogd met 2, 4 of 6 dienstdagen per kalenderjaar, indien de ambtenaar de leeftijd van onderscheidenlijk 35, 45 of 55 jaar heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijke vermeerdering van de duur van de vakantie, vindt plaats indien een ambtenaar die deze leeftijd nog niet heeft bereikt, een diensttijd in overheidsdienst van onderscheidenlijk 15, 25 of 30 jaar heeft volbracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantieverlofregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlofregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als maatstaf voor de bepaling van de duur van de vakantie geldt de toestand op 1 januari van het kalenderjaar of in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar de toestand op het tijdstip van indiensttreding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aaneengesloten periode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopbouw tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op zoveel maal 1/12 gedeelte van de vakantie als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de ambtenaar; in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste oefening; indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2 , tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet verleende vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op verzoek van de ambtenaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Derving voordelen uit betrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar die in de van toepassing zijnde maand 21 jaar of ouder is ten minste een bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimumvakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Aan de ambtenaar die jonger is dan 21 jaar wordt ten minste een bedrag uitbetaald gelijk aan de in dit lid sub a bedoelde minimumvakantietoelage verminderd met 10% voor elk leeftijdsjaar of gedeelte van een leeftijdsjaar dat hij jonger is dan 21 jaar, met een maximumaftrek van 45% en met dien verstande dat het bedrag waarop hij alsdan aanspraak heeft naar evenredigheid wordt verminderd bij het vervullen van een onvolledige betrekking.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 , wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Artikel 6:3 , alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2 , vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1 , derde lid, toegelaten organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Tijdens de periode van geheel of gedeeltelijk buitengewoon verlof, anders dan voor het vervullen van een politieke functie waarin pensioenaanspraken worden verkregen, is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Het in de vorige volzin bedoelde verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste veertien kalenderdagen is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college verleend aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registreren van het partnerschap zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Langdurig zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van Zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van der achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakbondsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Centrales van overheidspersoneel:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>v oor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>o m, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>l id is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1 , tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1 , tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8 Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kortdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz .</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Non-activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof is geen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5</span><span class=\"lf-art-t\">(Betaald) ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voorzover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof vastgesteld of gewijzigd wordt, over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling, heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling, heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90, 85 of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen. (LOGA CvA/2002004755 19 december 2002)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar die gebruik maakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste drie maandenvoor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar die voor een kind van al dan niet betaald ouderschapsverlof gebruik heeft gemaakt, heeft niet nogmaals voor datzelfde kind recht op al dan niet betaald ouderschapsverlof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Meerlingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op gedeeltelijke doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 6:5 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De bepalingen uit artikel 6:5:1 , 6:5:3 , 6:5:4 , 6:5:6 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw vakantie en vakantie-toelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in artikel 6:5 , tweede, respectievelijk derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Terugbetaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die gedurende het ouderschapsverlof of binnen zes maanden nadat hij betaald ouderschapsverlof op grond van deze regeling heeft genoten ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1 , eerste lid, of artikel 8:13 , is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1 , eerste lid, het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De ambtenaar die gedurende het ouderschapsverlof of binnen drie maanden nadat hij betaald ouderschapsverlof op grond van deze regeling heeft genoten op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, dient de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De ambtenaar die van het ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:5:6 vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Financiering loopbaanonderbreking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar geheel of gedeeltelijk doorbetaald verlof geniet en in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 7 en de Waz , geschiedt deze doorbetaling slechts voor zover het deze uitkering te bovengaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Betrokkene is wanneer hij geheel of gedeeltelijk betaald verlof opneemt, verplicht eraan mee te werken dat hij voor loopbaanonderbrekingsfinanciering in aanmerking komt. De financiering zal uitbetaald worden via de werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:8</span><span class=\"lf-art-t\">Adoptie- en pleegzorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De Waz -uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz -uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Waz -uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz -uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz -uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijn van 18 maanden als bedoeld in artikel 7:3 niet op.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6a. De gemeentelijke levensloopregeling.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">1  Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">2  Doel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">3  Verzoek tot deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">4  Voorwaarden deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">5  Inleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">6  Bronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: het salaris; de vakantietoelage; de eindejaarsuitkering; de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7; de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1; het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7  Levensloopbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">7a Uitbetaling levensloopbijdrage 2008</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar 2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment van juli naar december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met december 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">8  Beëindiging deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden Lid 2 Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast: bij overlijden van de ambtenaar; bij ontslag van de ambtenaar; de dag voordat de ambtenaar 65 jaar wordt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">9  Opname levenslooptegoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6; ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6a</span><span class=\"lf-art-t\">10  Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, vierde lid; scholing in het kader van de reïntegratie: scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, vierde lid; arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in: de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of; in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht; en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisverzekering: verzekering conform de Zvw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende verzekering: verzekering die wordt afgesloten door de ambtenaar naast de basisverzekering waarbij het verzekeringspakket - tezamen met het pakket van de basis verzekering - tenminste gelijk is aan het verzekeringspakket dat in 2005 werd aangeboden op grond van de Gemeenschappelijke regeling zorgverzekering ambtenaren Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geselecteerde zorgverzekeraar: Als geselecteerde zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar N.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbo-dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Consulteren arts door ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Periodiek geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging Lid 5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij: zijn arbeid verricht; passende arbeid verricht; werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht; scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8 De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% va nzijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 9 De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend nar rato van zijn formele arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 12 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 14 Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 , met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 , met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WAO-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WAO-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekend invaliditeitspensioen ingevolge het pensioenreglement, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer:</p>\n<p class=\"lf-p\">95% 65 tot 80% 68,875% 55 tot 65% 57% 45 tot 55% 47,5% 35 tot 45% 38% 25 tot 35% 28,5% 15 tot 25% 19% Lid 3 De aanvullende uitkering eindigt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of invaliditeitspensioen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar die recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 7:5 overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, dan wordt aan diegene die, in verband met dit overlijden, uit hoofde van het dienstverband van de ambtenaar, een nabestaandenpensioen geniet, een uitkering verleend ten bedrage van 18% van dit nabestaandenpensioen. Op deze uitkering worden de bepalingen inzake inbouw AOW/ANW en bepalingen inzake vermindering met de franchise niet toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De uitkering op grond van dit artikel eindigt;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>indien de weduwe of weduwnaar aan wie een nabestaandenpensioen werd toegekend hertrouwt, dan wel een geregistreerd partnerschap aangaat. De uitkering eindigt dan op de eerste dag van de maand volgende op de dag van het hertrouwen, dan wel het aangaan van een geregistreerd partnerschap.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid; zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden hervat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12 , sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3 , eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:13:2</span><span class=\"lf-art-t\">Staken van doorbetaling de bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3 , wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten; weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b. weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1 , 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1 , 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van opdragen passende en gangbare arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen: door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Na 24 maanden van ziekte kan passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar worden opgedragen in een andere betrekking, door wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:17</span><span class=\"lf-art-t\">Terugkeer in betrekking na ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:18:1</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:19</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:20</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:21</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van de WIA</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:22</span><span class=\"lf-art-t\">WAJONG/WAZ</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG-of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:23</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:23:1</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:24</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming ziektekosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als een aanvullende verzekering afsluit bij de geselecteerde zorgverzekeraar, wordt een tegemoetkoming in zijn ziektekosten verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand februari uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in ziektekosten. Uitbetaling vindt plaats in de maand februari van het kalenderjaar na indiensttreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Bij uitdiensttreding van de ambtenaar na 1 januari van een kalenderjaar vindt verrekening van de tegemoetkoming plaats. De tegemoetkoming die gerelateerd is aan het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar niet in dienstverband werkzaam is geweest, moet worden terugbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In 2007 bedraagt de tegemoetkoming in ziektekosten € 162,- per jaar In 2008 bedraagt de tegemoetkoming in ziektekosten € 168,- per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In 2007 bedraagt de tegemoetkoming in ziektkosten € 286,-- per jaar indien de ambtenaar het voorafgaande kalenderjaar een bezoldiging heeft ontvangen die lager of gelijk is aan het maximum bedrag van schaal 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2008 bedraagt de tegemoetkoming in ziektekosten € 296,-- per jaar indien de ambtenaar het voorafgaande kalenderjaar een bezoldiging heeft ontvangen die lager of gelijk is aan het maximum bedrag van schaal 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Bij de vaststelling of de bezoldiging van de ambtenaar lager of gelijk is aan schaal 6 wordt uitgegaan van de daadwerkelijk ontvangen bezoldiging over het voorafgaande kalenderjaar. Hierbij worden tevens in aanmerking genomen inkomsten die een ambtenaar geniet uit hoofde van een andere dienstbetrekking. De ambtenaar is verplicht de gemeente te informeren over dergelijke inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Bij de bepaling van het maximum bedrag van schaal 6 wordt uitgegaan van de daadwerkelijk vastgestelde bedragen per maand zoals die golden in het voorafgaande kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Voor de hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in de leden 1 en 2 en voor de bepaling van de hoogte van het maximumbedrag van schaal 6 als bedoeld in de leden 2, 3 en 4 wordt geen rekening gehouden met de omvang van de betrekking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25a</span><span class=\"lf-art-t\">Meerdere dienstverbanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24 en artikel 7:25. De ambtenaar is verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25b</span><span class=\"lf-art-t\">Inhouding ziektekostenpremies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de geselecteerde zorgverzekeraar worden door het college op de bezoldiging van de desbetreffende ambtenaar ingehouden en afgedragen aan de geselecteerde zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de geselecteerde zorgverzekeraar heeft meegedeeld hiertegen bezwaar te hebben, of tenzij de som van de af te dragen premies hoger is dan de netto bezoldiging van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:25:4</span><span class=\"lf-art-t\">Compensatie premie AOW/ANW</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Aan de ambtenaar die deelnemer is aan de IZA-regeling en over het werkgeversaandeel in de bijdrage aan die ziektekostenvoorziening premie AOW/ANW is verschuldigd, terwijl hij niet reeds op grond van zijn inkomen uit zijn dienstbetrekking bij de gemeente de maximaal verschuldigde premie AOW/ANW betaalt, wordt een compensatie verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gewezen ambtenaren met aanspraak op een uitkering ter zake van werkloosheid, vervroegde uittreding en invaliditeit, alsmede op nabestaanden van ambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De in het eerste lid bedoelde compensatie is gelijk aan het bedrag dat aan premie AOW/ANW is verschuldigd over het werkgeversaandeel in de bijdrage aan de IZA-regelingen en waarmee het op grond van zijn inkomen, bedoeld in het vorige lid, verschuldigde bedrag aan premie AOW/ANW wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het bedrag van de compensatie wordt aan het eind van het kalenderjaar uitbetaald. Bij in dienst treden of ontslag in de loop van een kalenderjaar vindt, voor zover het bepaalde in het eerste lid van toepassing is, vaststelling van de compensatie plaats over het gewerkte aantal kalendermaanden in dat jaar. Bij ontslag vindt de uitbetaling plaats in de maand volgend op de maand, waarin het dienstverband wordt beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 In 2003 wordt het bedrag van de compensatie zoals die wordt vastgesteld op basis van het derde lid voor tweederde deel uitbetaald. In 2004 wordt het bedrag van de compensatie zoals die wordt vastgesteld op basis van het derde lid voor eenderde deel uitbetaald. Vanaf 1 januari 2005 bestaat geen aanspraak meer op compensatie premie AOW/ANW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:26</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:27</span><span class=\"lf-art-t\">Garantie-uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6 , tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De garantie-uitkering eindigt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>bij ontslag.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:28</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsartikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:28:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005, van toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:29</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling werkgeversbijdrage 2006</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tegemoetkoming conform artikel 7:24 en 7:25 voor het kalenderjaar 2006 wordt in plaats van in februari 2006 uitbetaald in april 2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-29-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:29:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling 1%-regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar kan tot 1 juli 2006 een verzoek indienen op grond van artikel 7:25:2, zoals dat luidde voor 1 januari 2006. De ambtenaar kan bij het indienen van dit verzoek een opeenvolgende periode van 12 maanden kiezen die uiterlijk eindigt op 31 december 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar die reeds over een gedeelte van 2005 een vergoeding op basis van artikel 7:25:2 heeft ontvangen, kan over de resterende periode in 2005 nog aanspraak maken op een vergoeding mits de periode die hij kiest direct aansluit bij de periode van het vorige verzoek en eindigt op 31 december 2005. Zowel voor wat betreft de bepaling van de lasten als het inkomen van de ambtenaar wordt uitgegaan van de periode zoals bepaald op grond van de vorige volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Ontslag</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag op verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt. (LOGA ARZ/2000004977 10 november 2000)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag op verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1 , wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens ouderdompensioen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Aan de ambtenaar die de volgens artikel 6.1 van het pensioenreglement voor het recht op ouderdomspensioen vereiste leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de bedoelde leeftijd is bereikt eervol ontslag verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens ouderdomspensioen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de leeftijd van 65 jaar in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FLO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn bepaald voor de vervulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig nader omschreven betrekkingen, wordt de ambtenaar die een zodanige betrekking vervult en de daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden, eervol ontslag verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het college verleent geen ontslag op de in het eerste lid genoemde grond aan de ambtenaar die geboren is na 1949 en aan de ambtenaar die is geboren vóór 1950 maar op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens reorganisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens reorganisatie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Lid 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag op een van de in artikel 8:4 genoemde gronden kan slechts plaatsvinden indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 vervallen en vernummering lid 3,4 en 5 tot 2,3 en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Over het plan, bedoeld in artikel 8:4 , derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1 , tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien aan een ambtenaar op grond van artikel 8:4 ontslag wordt verleend wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Binnen een periode van uiterlijk een jaar nadat de ambtenaar de hem opgedragen werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, is gaan vervullen, kan hem alsnog het ontslag als bedoeld in het eerste lid en tweede lid van artikel 8:4 worden verleend, indien die werkzaamheden niet passend voor hem blijken te zijn. Het bepaalde in het derde lid is daarbij niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien: er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden; herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van 6 maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten; het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een procedure als bedoeld in het derde lid wordt ingesteld. In deze aanschrijving wijst het college de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure. De kosten van het medisch onderzoek door deze arts komen ten laste van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De aanschrijving, bedoeld in het vierde lid, geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag, met dien verstande dat de procedure uiterlijk in de 24e maand na de eerste ziektedag afgerond kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 9 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 10 De termijn van 24 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd: met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan op grond van dat artikel van de Ziektewet is voorgeschreven; met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9 ;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>arbeid als bedoeld in artikel 7:11 te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:6</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In geval van ontslag op grond van dit artikel heeft betrokkene, indien er recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a. In uitzonderlijke gevallen, gelegen binnen de werksfeer, kan besloten worden tot het verlenen van een aansluitende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:7</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de betrekking geldt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de betrekking zou uitsluiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7 , onder e, wordt een ontslag op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:8</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In geval van ontslag op grond van dit artikel treft het college een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten, met dien verstande dat de betrokkene minimaal recht heeft op een aanvullende en een aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8 , wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:9</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:10</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens Pré-vut</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de ambtenaar op zijn verzoek eervol ontslag verleend, indien hij op de datum van zijn ontslag recht heeft op een uitkering ingevolge het bepaalde in artikel 5:2 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Ontslag wegens pré-vut wordt slechts verleend, indien het bestuur de Stichting pensioenfonds ABP op een desbetreffend verzoek heeft beslist, dat na het te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:10:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens Pré-vut</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10 , tweede lid, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het bepaalde in artikel 8:1:1 , is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het bepaalde in artikel 8:10 , eerste lid, geldt niet ten aanzien van de ambtenaar op wie artikel 9:1:2 van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:11</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FPU</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-11-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:11:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FPU</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11 , gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:12</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Lid 2 De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:12:1</span><span class=\"lf-art-t\">Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12 , eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12 , derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:12:2</span><span class=\"lf-art-t\">Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12 , derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:13</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag als disciplinaire straf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:14</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag als disciplinaire straf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In dit artikel wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wet: Wet op de ondernemingsraden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1 , derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsing als ordemaatregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:15:2</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1 , eerste lid, onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1 , eerste lid, onder a, kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor IZA-regeling en pensioen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:15:3</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot ontslagverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:16:1</span><span class=\"lf-art-t\">Opzegtermijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:16:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ontslag uit de dienst op grond van de artikelen 8:2, 8:4, 8:5 en 8:10 heeft de ambtenaar recht op een uitkering gelijk aan het bedrag van de laatstelijk door hem genoten bezoldiging over een tijdvak van zes weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:16:2</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:16:3</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het college dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning behouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8:17</span><span class=\"lf-art-t\">Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16 .</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FLO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in artikel 8:3 , zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met ingang van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FLO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FLO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De in artikel 8:3:1 , eerste lid, bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrag en duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel doch ten hoogste 10 malen 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , vermeerderd met de vakantieuitkering, bedoeld in artikel 6:3 , berekend over een maand, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6 , met dien verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de gewezen ambtenaar is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang van het ontslag uit te stellen. Overschrijdt de uitkering de oude bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in ouderdoms- en nabestaandenpensioen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:3</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In dit artikel wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de financiering van het functioneel leeftijdsontslag.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling bedoelde bijdrage af te dragen aan het Vereveningsfonds voor alle bij hun in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling moet worden afgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft verhaald op de bij de instellingen in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling wordt afgedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:4</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met FPU</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of ouder gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht een uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De uitkering als bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling indien de ambtenaar geen toestemming verleent om de uitkering krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te laten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet tijdig de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet volledig ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel rekening gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum zou hebben genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel tijdig zou hebben aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat, verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van het pensioenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering krachtens de FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de toepassing van lid 3 van dit artikel geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekening in inkomsten uit of in verband met arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering krachtens artikel 9:2 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1 , tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of ongeval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:5</span><span class=\"lf-art-t\">Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van: de mogelijk om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement; dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 9:5 lid 1; de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP; de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De aanschrijving bedoeld in het tweede lid wordt herhaald in de drie maanden voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verval van uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De uitkering vervalt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaren bereikt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het college zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar heeft de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die krachtens het pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over een tijdvak van drie maanden welk bedrag in voorkomend geval wordt verminderd met de uitkering bij overlijden krachtens de FPU-regeling. Wordt geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner als bedoeld in de vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde uitkering. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan dit bedrag door het college geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-9-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:9:1</span><span class=\"lf-art-t\">FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke leeftijdsgrenzen gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde betrekkingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-9-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:9:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering functioneel leeftijdsontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hierna vermelde leeftijdsgrenzen gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde betrekkingen. • een leeftijdsgrens van 55 jaar voor de betrekking van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de verpleger die in hoofdzaak werkzaam is bij het ambulancevervoer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de chauffeur-ziekendrager die in hoofdzaak werkzaam is bij het ambulancevervoer. • de plaatsvervangend commandant van de brandweer te Soest. • een leeftijdsgrens van 60 jaar voor de betrekking van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de commandant van de brandweer te Soest;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>bakkenlader;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>opperman-stratenmaker;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>stratenmaker</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:10:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ingangsdatum ontslag wegens FLO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1 genoemd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de leeftijdsgrens als genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin deze regeling in werking treedt, tenzij overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9:1:2 , eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:11</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en op de ambtenaar die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt verleend en die recht heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk, heeft totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld recht op een maandelijkse uitkering waarvan het bedrag berekend wordt op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:13</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend en die op grond van artikel 9:12 een maandelijkse uitkering hebben ontvangen, worden met ingang van 1 juli 2006 geacht te zijn ontslagen op grond van artikel 8:11 en worden onder de werking van hoofdstuk 9b gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9:14</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk geen uitkering meer verleend worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9a. Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een bezwarende functie.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9a</span><span class=\"lf-art-t\">1  Algemeen</span></h4></div>", "next": 239783}