{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 11 december 1974, blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling derde serie wijzigingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze verordening inhoudende de derde serie wijzigingen van de bouwverordening van kracht is geworden en waarop op ggenoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande is slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1, 8.1.2, 8.1.4, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.3.5 voorzover deze artikelen in overeensteming zijn met het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling burgemeester en wethouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van het bepaalde in de \"Bouwverordening gemeente Venlo\" naar het oordeel van burgemeester en wethouders zou leiden tot een onredelijke beslissing, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in deze verordening, tenzij het een voorschrift betreft waarmee de bouwverordening krachtens artikel 8, negende lid van de Woningwet, in overeenstemming is gebracht. Aan een vrijstelling kunnen voorwaarden worden verbonden ter bescherming van belangen, waarop de voorschriften, waarvan vrijstelling wordt verleend, het oog hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die waarop zij is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dat tijdstip worden ingetrokken de Bouwverordening gemeente Venlo, vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo d.d. 2 januari 2001.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.8</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kan worden aangehaald als “Bouwverordening Venlo”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Funderingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Constructieve en aanverwante gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwveiligheidsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van tekeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van berekeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens bevatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de energiebron.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden: een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal van 1:1.000; een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven; voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte; voor een bouwwerk als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voorzover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit indieningsvereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken Algemene toelichting bij bijlage 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en woonwagens. De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijk gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheids en brandveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijhouden van terreingedeelten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten voldoende worden vrijgehouden, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid, en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Toelichting bij artikel 1 Lid 1 De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Elektrische installaties en toestellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 2 Lid 1 Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90oC bedraagt (zie ook Bijlage 4, artikel 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV ROTTERDAM, telefoon (010) - 206 59 69, www.isso.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van: centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004; centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999; niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Toelichting bij artikel 3 Lid 1 Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden opgeslagen of opgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden vrijgehouden van brandbare materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en vormt hiermee een gevaar voor mensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de brandveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken. Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan worden dan 90oC dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064, uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 4 Lid 1 Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook als gevolg van het uitbranden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken, die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en daarmee loopt de omgeving gevaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod voor roken en open vuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden te roken of vuur te hebben: in een ruimte bestemd voor de opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling Bouwbesluit 2003, onder a tot en met h; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijke voorschrift is gesteld, op een voor ieder kenbare wijze is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN 3011, uitgave 2004.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Toelichting bij artikel 5 Lid 1 Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift ‘Verboden te roken’ aangebracht te worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer, de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze wetten behorende besluiten en maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt moet worden dat er sprake is van een rookverbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een terzake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende pompinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per 5 jaar wordt de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pompinstallatie voor de blusleiding moet tenminste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een terzake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 6 Lid 1 De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een installateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De droge blusleiding dient eenmaal per 5 jaar gecontroleerd en zonodig gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1.600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende vijf minuten handhaven. Boven de 70 meter meter moet voor elke 10 meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen worden in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan 70 meter. Dit houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan 70 meter dient een zelfstandige pompinstallatie te worden geïnstalleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte, optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) - 355 24 55, www.nvbr.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Brandweerlift</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenminste eenmaal per jaar moet door een terzake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en goede werking van brandweerliften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 7 Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften wordt niet volledig voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door het Liftinstituut de volgende zaken gecontroleerd: oproep hoofdstopplaats; alle overige oproepen vervallen; alleen kooiopdrachten; parkeren met geopende deuren; fotocellen uitgeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen: de schachtventilatie; de plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de laagspanningsruimte; de ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in de machinekamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk 12 maanden en vervolgens iedere keer na uiterlijk 18 maanden. De resultaten van de test dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud van liften en roltrappen - Regels voor onderhoudsinstructies’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Brandmeldinstallatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 8 Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN 2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties’. Het certificaat dient te worden opgenomen in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd om rekening te houden van de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Ontruimingsalarminstallatie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2, uitgave 2004.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">25.</span>De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen van de NTA 8112.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 9 Lid 1 Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt Hoofdstuk 2 eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet geëist wordt in bedoeld Hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is) gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden de verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor de opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen van ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nwn.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 1: Kantoorgebouwen Deel 2: Onderwijsgebouwen Deel 3: Kinderopvanggegbouwen Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie Deel 5: Logiesgebouwen Deel 6: Gezonzondheidszorggebouwen Deel 7: Industriegebouwen Deel 8: Cellen en celgebouwen Deel 9: Ontruimingshandeling en ontruimingskaart voor niet-vergunningsplichtige bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik maken van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en -oefeningen’ van het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS Rotterdam, www.nibhv.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van artikel 6.1.1, 2e lid, MBV, artikel 9 van Bijlage 3 MBV, artikel 15 Arbowet en Afdeling 4 van het Arbobesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Automatische brandblusinstallatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders aanvaarden altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een certificeringsinstelling die ter zake is erkend door de Raad voor Accreditatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 10 Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen het toepassingsgebied van het Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan 70 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in Nederland worden afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallatie, dat wil zeggen een - niet verlopen - kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin bepalen van welke certificeringsintsllingen die niet terzake erkend zijn door de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De automatische brandblusinstallatie is ontworpen, aangelegd, opgeleverd en onderhouden overeenkomstig een programma van eisen. Het programma van eisen is beoordeeld door een inspectie-instelling. Deze inspectie-instelling voldoet voor wat betreft het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingsinstallaties aan EN 45004 en is daarbij een type A inspectie-instelling. De inspectie-instelling is geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie. Het programma van eisen is goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de automatische brandblusinstallatie wordt begonnen. Het programma van eisen, alsmede het bewijs van beoordeling door de inspectie-instelling is binnen de inrichting aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere 12 maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004, type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat) die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">27.</span>Tenminste eenmaal per jaar moet door een terzake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 11 De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000 ‘Vaste brandblusinstallaties - brandslangsytstemen - deel 3: Onderhoud van brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties met plat opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of geïnstalleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties door de brandweer worden ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Automatisch werkende deuren</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">28.</span>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting niet belemmeren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 12 Lid 1 Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">A Deuren van overdruktrappenhuizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 12A Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op overdruk staan’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 13 Lid 1 De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8 tot en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen gordijnen voor de vluchtrouteaanduiding mogen hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als grondslag voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Gasflessen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 14 Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Rookbeheersingssystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeliching bij artikel 15 Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen tijde een certificaat kunnen worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Overdrukinstallatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Onderhoud van rook- en brandscheidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 17 Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten, transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Brandweeringang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Logboek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de met toezicht belaste personen getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 19 Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in het logboek vastgelegd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en toezichthouders het kunnen raadplegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 20 Burgemeester en wethouders dienen op de hoogte te worden gesteld van werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt. Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen deze eis van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Rookmelders in woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 21 Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen - rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Roltrap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave 2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 22 Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Garantiecertificaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 23 Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn: rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk zijn; stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de draagconstructie brandwerend zijn; houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van brandvoortplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opslag van goederen is niet toegestaan in: rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie); brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 24 In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen, etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de mate van brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1/T2 of T1 en/of rookdichtheid 5, 4of 2,2 m-1) is de opslag van goederen in deze ruimten niet toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Bluswaterwinplaats op eigen terrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 25 Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is, moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders dient van de test een bewijs (testrapport) te worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties Algemene toelichting bij Bijlage 4 De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realisseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheerscomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschrevenniveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgangen en vluchtwegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken, loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100 personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders gesloten dan door middel van: een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deur, in de vluchtrichting gezien; een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze voorziening (panieksluiting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: ‘NOODDEUR VRIJHOUDEN’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 1 Lid 1 Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie met een sleutel afgesloten kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunenn worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden over de ontruiming.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor de brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een vergelijkbare functie als de celfunctie. Hiermee worden bijzondere situaties bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties mogen specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het reguliere gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch worden ontgrendeld in geval van een calamiteit. Projectspecifiek moeten hier passende electrotechnische oplossingen voor worden gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN 1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk - panieksluitingen voor vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van vluchtroutes - Eisen van beproevingsmethoden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel a en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk overeenkomstig de instructies van de fabrikant/leverancier van de betreffende sluiting wordt aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan de beoogde werking daarvan namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle veiligheidsrisico’s van dien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedieningsirnichting moet op een hoogte tussen 0,9-1,1 meter gemeten vanaf de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden”als je tegen de deur aanloopt, moet deze open gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de buitenlucht. Op maaiveild worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels geplaatst die de vluchtroute belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004 ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten. Bij de overige deuren en het gebouw is een dergelijk opschrift niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen goed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Bekleding, stoffering en versiering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is niet hoger dan 90°C.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden voor constructieonderdelen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Toelichting bij artikel 2 Lid 1 Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook gedacht worden aan tijdelijke versiering.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’ en ‘druppelvormig’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl, informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van een materiaal en de mate van druppelvormig. Om druppelvormig te kunnen bepalen is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van prestatie-eisen niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand geen druppelvormig mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm. De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn, is er een verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg daarvan branduitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel - brandgedrag - bepaling van de ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941, uitgave 2004 ‘Textiel - brandgedrag - meting van de vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft ‘brand- en rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen classificatie van brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Elektrische verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer dan 50 personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 3 Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is. Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanduiding van blusmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 4 Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram aangebracht moet worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel in de kast aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de omgeving onvoldoende zichtbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 5 Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is het van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop de activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet 14 dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders indienen waaruit blijkt dat die activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op grond van artikel 6.4.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Opstelling van inventaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van tenminste 0,40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van: meer dan 4 stoelen in een rij, en meer dan 4 rijen, en een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn, zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moeten, indien een rij meer dan 4 stoelen bevat en 4 of meer rijen achter elkaar zijn geplaatst, deze zo zijn gekoppeld danwel aan de vloer zijn bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. De stoelkoppeling moeten ten genoegen van burgemeester en wethouders zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige oppervlakten in beslag - gemeten in loodrechte projectie op de vloer - dat ten minste 0,25 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is, 0,30 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen, 0,50 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m² per persoon bedraagt, zodanig aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven dient ten genoegen van burgemeester en wethouders een opstellingsplan aanwezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 6 Lid 1 Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde stoelen gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat deze als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden. Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen - verbindingen voor gekoppelde zitmeubelen - sterkte en veiligheidseisen en beproevingsmethoden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op een ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang worden, ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor paniek en chaos ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen verdient de doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen en objecten in een ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de verkeersgebieden nadere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte waarin veel mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Afval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke controle van draagbare blustoestellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 8 De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en een goede werking en indien nodig gerepareerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hout hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands podia, kramen etc. die in gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat: het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 9 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van Euroklassen voor het brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd. In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065, NEN 1775 en NEN 6066) kan woden vertaald naar een Europese brandklasse. De Ministeriële Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Glas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds en stands, podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands, podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 10 In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van brand moet voorkomen worden bij het bezwijken van glas grote stukken naar beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor vluchtende mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaal gereduceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Textiel in horizontale toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, ramen etc, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogst 0,35 meter of dat het textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 0,70 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 11 In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht, naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift wordt dit gevaar gereduceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands, podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal, board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het gestelde in artikel 9 en 10 van Bijlage 4 van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 12 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 Tabel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse Omschrijving Verpakkings-groep Toegestane maximum hoeveelheid in kg of l 1) 2 UN 1950 Spuit-bussen &amp; UN 2037 Houders, klein, gas Gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen) Niet van toepassing 50 3 Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 3 Excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C Brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde inkten III 50 4.1, 4.2, 4.3 4.1 Brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Voor zelfontbranding vastbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbonaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">II en III 50 5.1 Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 5.2 Organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl peroxide Niet van toepassing 1 2 Gasflessen Niet van toepassing 115 liter waterinhoud 3 Dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C III 1.000 liter Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in Bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in Bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7002, uitgave 1968, \"Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen\" (met correctieblad d.d. december 1979);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7003, uitgave 1968, \"Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen\" (met correctieblad d.d. december 1979);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7013, uitgave 1980, \"Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen\";</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7045, uitgave 1977, \"Buizen van ongeplastificeerd PVC voor binnen- en buitenrioleringen\" (met correctieblad d.d. februari 1984);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7046, uitgave 1978, \"Hulpstukken van ongeplastificeerd PVC voor binnen- en buitenrioleringen\" (met correctieblad d.d. februari 1979); aanvulling NEN 7046, uitgave 1984, aanvulling op NEN 7046 - \"Hulpstukken van ongeplastificeerd PVC voor binnen- en buitenrioleringen\";</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-1, uitgave 1992, \"Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 1. Eisen (Engelstalig)\";</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-2, uitgave 1992, \"Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig)\";</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-3, uitgave 1992, \"Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden (Engelstalig)\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 10 Brandmeldinstallatie</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallatie) tabel 2.6.1, deel 1.pdf (versie geldig sinds: 23-11-2009; PDF-bestand; grootte: 39.21 KB) tabel 2.6.1, deel 2.pdf (versie geldig sinds: 22-01-2009; PDF-bestand; grootte: 41.95 KB) tabel 2.6.1, deel 3.pdf (versie geldig sinds: 01-12-2009; PDF-bestand; grootte: 40.23 KB) Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de in de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>: dit lid is niet van toepassing; * : het hele artikel is van toepassing; &gt; : alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde; ≤ : alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde;</div>\n<p class=\"lf-p\">F : in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.1, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere criteria; a : zonder doormelding naar een brandweeralarmcentrale;</p>\n<p class=\"lf-p\">1: indien in combinatie met een grenswaarde in m²: deze voorziening dient altijd aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van het vloeroppervlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen in dezelfde rij van de tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van Bijlage 10 het meest duidelijk tot uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan voordat een brandmeldinstallatie nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport - wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m² en er meer dan 1 verblijfsruimte bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke bewaking en doormelding noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels van de tabel worden gegeven, moet aan één van de criteria worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar - wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 200 m² of er een vloer op een hoogte ligt van meer dan 2,4 meter ten opzichte van het meetniveau, dan is volledige bewaking en doormelding vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 11 Ontruimingsalarminstallatie</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 Gebruiksfunctie Artikelen van toepassing Artikel id Aanwezigheid Kwaliteit 2.6.6 2.6.7 1 Woonfunctie Woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder zelfredzame personen * * 2 Bijeenkomstfunctie * * 3 Celfunctie * * 4 Gezondheidszorgfunctie * * 5 Industriefunctie industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie * * 6 Kantoorfunctie * * 7 Logiesfunctie Logiesgebouw * * 8 Onderwijsfunctie * * 9 Sportfunctie * * 10 Winkelfunctie * * 11 Overige gebruiksfunctie overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen * * overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer * * andere overige gebruiksfunctie * * 12 Bouwwerk geen gebouw zijnde - - Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.5 verstaan onder: dit lid is niet van toepassing; het hele artikel is van toepassing.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 12 Vluchtrouteaanduiding</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Gebruiksfunctie Artikelen van toepassing Artikel Lid Aanwezigheid Kwaliteit 2.6.9 2.6.10 1 Woonfunctie Woongebouw * * 2 Bijeenkomstfunctie * * 3 Celfunctie Cellengebouw * * 4 Gezondheidszorgfunctie * * 5 Industriefunctie Industriefunctie niet zijnde een lichte industriefunctie * * 6 Kantoorfunctie * * 7 Logiesfunctie Logiesgebouw * * 8 Onderwijsfunctie * * 9 Sportfunctie * * 10 Winkelfunctie * * 11 Overige gebruiksfunctie * * 12 Bouwwerk geen gebouw zijnde * * Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer F - Ander bouwwerk geen gebouw zijnde * * Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.8 verstaan onder: dit lid is niet van toepassing; het hele artikel is van toepassing; in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel 2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere criteria.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 13 Parkeernormen nieuwe situaties voor de meest voorkomende functies, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 mei 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 13 tabel.pdf (versie geldig sinds: 22-01-2009; PDF-bestand; grootte: 28.69 KB) Toelichting op de bouwverordening gemeente Venlo</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Asbest</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Besluit indieningsvereisten In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409 en gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Besluit bouwwerken In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit (Stb. 2003, 315 en Stb. 2004,291). Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5% licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).’ Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005,704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede produkten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit en de daarbij behorende toelichting.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bouwbesluit Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bouwtoezicht De Woningwet bepaalt in artikel 100, eerste lid, niet meer dan dat het gemeentebestuur voorziet in het bouw- en woningtoezicht. Dit betekent, dat elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gebruiksoppervlakte Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei 1992).</div>\n<p class=\"lf-p\">De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de gebruiksoppervlakten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe bouwverordening gehandhaafd.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft. Deze jurisprudentie is hierna vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig, meldingplichtig en vrij bouwen. Alle vormen van bouwen, die niet in artikel 43 van de Woningwet als vrij bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken als meldingplichtig zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Deskundig bedrijf Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe asbestonderzoeks- of asbestverwijderingsbedrijven kunnen wel reeds een certificaat bij een erkende certificatie-instelling hebben aangevraagd, maar dit nog niet hebben verkregen. Daarvoor is in het Besluit van 6 maart 1998 tot wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit (Stb. 1998, 171) een regeling opgenomen, die als derde lid is toegevoegd aan het bestaande artikel 10. De strekking is dat een nieuw bedrijf op twee of drie locaties bij wijze van proef werkzaamheden mag uitvoeren, indien het voldoet aan de theoretische eisen voor certificatie en het via de certificatie-instelling waar zijn aanvraag in behandeling is, schriftelijk toestemming kreeg van de Stichting Bouwkwaliteit (SBK) te Rijswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is bouwvergunningvrij bouwen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid, van de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een nadere uitwerking van die wijziging is opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit meldingplichtige bouwwerken is komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van artikel 43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor een vrij uitgebreid overzicht van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde vergunningvrije bouwwerken, zie de met tekeningen geïllustreerde nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De meldingplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die onder de meldingsplicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij geworden. Bovendien is een groot deel van de kleine vergunningplichtige bouwwerken komen te vallen onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Bouwplannen waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt, moeten van gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan, de welstandsregels en de eisen inzake de constructieve veiligheid van het Bouwbesluit, alsmede voorzover van toepassing de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft voorbeelden van de categorie bouwvergunningplichtige bouwwerken, kan de nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor zichzelf spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie De vraag wat moet worden verstaan onder een bouwwerk, een gebouw, bouwen e.d. in de zin van de Modelbouwverordening en wat niet, is reeds vele malen onderworpen aan het oordeel van de rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daardoor kan een uitvoerig overzicht van de jurisprudentie op dit artikel gegeven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk algemeen Voor de betekenis van het begrip bouwwerk in de Woningwet is van meer gewicht dat door de Woningwet een aantal uiteenlopende belangen wordt beschermd, waaronder naast de belangen van veiligheid, hygiëne en huisvesting, ook het belang betrokken bij het uiterlijk van bouwwerken, zowel op zich zelf als in de omgeving. In overeenstemming daarmee is bij de mondelinge behandeling van het desbetreffende wetsontwerp in de Tweede Kamer opgemerkt dat het begrip bouwwerk ‘alles en nog wat’ kan omvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 november 1972; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062; Hof Arnhem 31 oktober 1978; BR 1978, 196.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft de inhoud van het begrip bouwwerk overgelaten aan het spraakgebruik. De definitie van artikel 1 van de bouwverordening kan in dezen als richtsnoer dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. ARRS 5 september 1979; AB 1980, 32; ARRS 24 januari 1983, GS 6751. ‘Plaats van bestemming’ in de definitie van bouwwerk moet niet worden opgevat als ‘plaats van voorkeur’, doch veeleer als de plaats waarop de constructie wordt opgetrokken om aldaar te gaan functioneren, zodat bij voorbeeld buiten het regime van de bouwverordening vallen veelsoortig constructiewerk op industriële terreinen buiten de eigenlijke bouwplaats (prefabricatie e.d. en opslag van constructies die zonder ter plaatse gebruikt te worden bestemd zijn om elders te gaan functioneren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu vaststaat dat de onderwerpelijke metaalconstructie is vervaardigd met de bedoeling hierin het carillon op te hangen en dit ter plaatse te doen spelen, is er geen twijfel mogelijk dat de constructie zich op de plaats van bestemming bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juni 1970; BR 1970, blz. 386; OB 1970, XI.16, nr. 30369; NJ 1972, 453; Kg. Sneek 27 april 1973; NJ 1973, 365; BR 1973, 436.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verrijdbaar of ‘gemakkelijk’ verplaatsbaar object moet in beginsel als bouwwerk in de zin van de Woningwet worden aangemerkt, wanneer het naar omvang, constructie en gebruik een plaatsgebonden karakter heeft HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG 1974, 512; Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246; ARRS 16 december 1980; BR 1981, 345; ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21; ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losstaande bouwwerken kunnen als één bouwwerk worden aangemerkt als zij krachtens één vergunning zijn gebouwd en functioneel nauw met elkaar verbonden zijn. (I.c. betrof het een vrijstaande schoorsteenpijp, behorend bij een stoomgemaal.) ARRS 20 augustus 1979; BR 1980, 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt de volgende ‘verplaatsbare objecten’ Een wooncaravan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 7 mei 1968; BR 1968, 300; NJ 1969, 160; AB 1969, 429; OB 1969, XI.16.1, nr. 28673.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een stacaravan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 28 maart 1979; AB 1980, 76; GS 6587; NG 1980, 596;</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 5 maart 1982, A-3.2901 (1980).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een friteskraam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem, 21 april 1977; NJ 1977, 77; BR 1977, 325.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bloemenwagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 8 januari 1985; BR 1985, 373.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toercaravan waarmee een vaste standplaats is ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. vz. ARRS 19 juli 1983, RO 3.83.4172.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 21 januari 1986; GS 6842.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een sloopautobus die dienst doet als schaftlokaal en schuilgelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 mei 1973; BR 1973, 595; NJ 1973, 337; OB 1974, XI.8.5.1, nr. 34110; NG 1974, 512.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (op één vaste plaats) staande tent met een oppervlakte van 242 m² en een hoogte van 4 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 6 april 1978; BR 1978, 647.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tuinhuisje dat als verkoopmodel stond opgesteld in een tuincentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 30 januari 1980; BR 1980, 599.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een demontabele loods bestemd voor de verkoop met een oppervlakte van 139 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 20 april 1978; BR 1978, 522.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een demontabele kas, met afmetingen van 15 x 5 meter, bestaande uit een gebogen lichtgewicht frame dat is overspannen met plastic.</p>\n<p class=\"lf-p\">AARS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</p>\n<p class=\"lf-p\">Demontabele luifels aan een winkelpand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 27 maart 1987; RO 3.87.1154/S 5301.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een draagluchthal die aan de onderkant bestaat uit een met water gevulde band waarmee de hal op zijn plaats wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 9 december 1980; BR 1981, 342.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bij een wegrestaurant geplaatste kraan waarvan de giek is vervangen door een reclamebord in de vorm van een raket.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 19 augustus 1983, A-31.2807 (1982)/19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verrijdbare op dubbelrail geplaatste portaalkraan, op een betonnen fundering.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 16 augustus 1983, A-32.5603 (1982).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vlaggenmast van 13 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Assen 12 augustus 1971; BR 1971, 551.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verplaatsbaar zwembad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kg. Sneek 27 april 1973; BR 1973, 436; NJ 1973, 365.</p>\n<p class=\"lf-p\">Containers, waarvan de een dient voor opslagdoeleinden en de ander als onderdak voor een c.v.-ketel.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 22 juni 1982; BR 1982, 825.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verplaatsbare, demontabele terrasoverkapping die in de winter wordt afgebroken, bestaande uit twee in elkaars verlengde geplaatste, inklapbare delen van respectievelijk 10 meter bij 5 meter en 6 meter bij 4 meter, die rusten op vijf in de grond verankerde staanders heeft toch een plaatsgebonden karakter en is derhalve een bouwvergunningplichtig bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 12 augustus 1993, No. S03.93.3000.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige frituurunit is een bouwwerk met een plaatsgebonden karakter, nu daaraan vier wieltjes met een diameter van 10 cm zijn gemonteerd op plaatsen waar contact met de ondergrond niet mogelijk is. Het verplaatsen kan daardoor alleen nog met behulp van een hijskraan plaatsvinden. Voorts ligt het in de bedoeling de unit blijvend te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS, 16 augustus 1993, AB 1994, nr. 345.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huurder heeft van 2 stacaravans een zomerhuis gemaakt. Het bouwwerk is door de maatvoering, alsmede de omstandigheid dat het zonder uitgebreide aanpassingen in het geheel niet over de weg als aanhangsel van een auto kan worden voortbewogen, aan te merken als een zomerhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ABRS 14 januari 1994, R03.93.5862 en S03.93.4772; ABRS, 4 april 1995, R03.93.5862.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een paardencontainer is door ingraving met de grond verbonden en draagt een plaatsgebonden karakter. De container is hoofdzakelijk in theorie verplaatsbaar en is derhalve een bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 10 november 1994, R03.92.3274 en R03.92.3602.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een metalen constructie (9 bij 5 meter) op wieltjes, met een zeildoek afgedekt, die dient als opslagplaats voor hooi en stro is een bouwwerk gezien het plaatsgebonden karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 8 augustus 1994, R03.89.2034.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verrijdbare overkapping, aan drie zijden omsloten door wanden, met een oppervlakte van 75,6 m², gezien de omvang, constructie, gebruik en plaatsgebonden karakter. De omstandigheid dat de overkapping op wielen staat en enige meters kan worden verreden doet daaraan niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 25 april 1995, H01.95.0114 en K01.95.0022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een op een standplaats geplaatste woonwagen met een permanent, plaatsgebonden karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 4 november 1996, R03.94.0111, JG 97.0017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dubbele stacaravan (houten, L-vormig chalet).</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 3 december 1996, nr. R03.93.0294.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een demontabel tuinhuisje, dat naar aard en gebruik plaatsgebonden is. Er komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat geen fundering of betonnen vloer aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 7 september 1997, nr. H01.96.0691.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn onder meer als bouwwerk aangemerkt Een benzinepompinstallatie, bestaande uit drie benzinepompen, vier tanks, leidingen, twee perrons en vier lichtmastjes, alles bijeen een oppervlakte in beslag nemend van ongeveer 12 bij 24 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 november 1971; BR 1973, 12; NJ 1973, 101; NG 1973, 608; OB 1973, XI.8.5.1.1, nr. 34062.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een woonboot die met de grond is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Assen 28 mei 1974; BR 1975, 748.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een duiker in een weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 oktober 1974; BR 1975, 454; NJ 1975, 112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterstaatswerken, i.c. Oosterscheldewerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 20 januari 1984; BR 1984, 331; AB 1984, 193; GS 6769; NG 1984, 331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gedenkteken.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 24 januari 1983; GS 6751.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vlonder van 8 meter lang en 1 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 30 oktober 1979; BR 1980, 207; AB 1980, 217.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘neerklapbaar’ zomerhuisje op geheide fundering.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 21 juli 1983, A-31.3043 (1982)/21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een erfafscheiding van 1,50 meter, bevestigd aan palen die 2,50 meter van elkaar staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 28 november 1978; BR 1979, 200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken, afschermingen, rietmatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 9 september 1977; BR 1978, 115; ARRS 24 februari 1978; BR 1978, 406; ARRS 10 december 1981; BR 1982, 314; ARRS 27 maart 1980, BR 1980, 704.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een carport van 240 x 450 cm, bestaande uit een op dwarsbalken rustende golfplaatbedekking, bevestigd op 4 palen die met een betonvoet in de vloer zijn bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 13 januari 1981; BR 1981, 515.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speeltoestellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 11 juni 1985, RO 3.83.7004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tijdelijke (zes maanden) portiersloge (porto-cabin, met een afmeting van 3x3x2,75) met een slagboom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 2 maart 1993, S03.93.0111 en S03.93.0112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houten schotten met een hoogte van 1 à 2 meter en lichtmasten met een hoogte van 6 meter. Dat de houten schotten eenvoudig verwijderd kunnen worden en dat deze niet aard en/of nagelvast met de grond verbonden zijn doet, in aanmerking genomen het plaatsgebonden karakter, daaraan niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 11 januari 1993, R03.89.6929.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een in de tuin ingegraven (atoom)schuilgelegenheid, bestaande uit een tank van 7 meter lengte en 2,2 meter doorsnede, die thans in gebruik is als watertank.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 9 januari 1987; RO 3.85.0723.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanlegsteiger langs de wal in een gracht, mede gezien de aard en omvang van dit object.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. vz. ARRS 19 januari 1987; RO 3.86.7570/S 1779.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (inklapbaar) terrasscherm bij een hotel-café-restaurant, bedoeld om de terrasbezoekers te beschermen tegen zon en regen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 11 maart 1988, RO 3.86.5649.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking. Uit deze uitspraak valt impliciet af te leiden, dat een zonnescherm van een soortgelijke omvang voor een winkel eveneens een bouwwerk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verrolpoort alsmede een afrastering.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 29 maart 1988, W/RvS/R.3.129/88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een draagconstructie voor een lichtreclame, bestaande uit een in de stoep verankerde buis. De aan een pand aangebrachte lichtreclame steunt aan de ene zijde op de buis.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 22 april 1988, GS 6863.</p>\n<p class=\"lf-p\">Antennes, horizontaal aangebracht op een reeds met bouwvergunning geplaatste antennemast met verticale antenne. De grootste horizontale antenne bestond onder meer uit twee sprieten van elk 7 meter lengte, die met een tussenruimte van ongeveer 5 meter evenwijdig aan elkaar waren aangebracht en konden worden gedraaid met behulp van een elektromotor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz ARRS 9 augustus 1988; KG 1988, 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een balkonhek op de uitbouw van een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 20 oktober 1988.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de tuin aangebrachte keermuurtjes, beschoeiingen en vlonders worden, gezien hun constructie en afmetingen, aangemerkt als (bouwvergunningplichtige) bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 25 november 1993, R03.91.0529.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclamebord op het dak, bestaande uit twee in V-vorm tegen elkaar geplaatste borden van 3 bij 6 meter, is gelet op omvang, constructie en plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ABRS 14 maart 1994, AB 1994, nr. 431, RB actueel 1994\\9, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een mestzak, met daarin een roerstaaf die verankerd is in een in de grond geplaatste betonnen plaat van ongeveer 1 m², is gezien het plaatsgebonden karakter een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 29 maart 1994, R03.93.4934; S03.93.3858 Reclamebanier, die qua lengte twee volledige bouwlagen van circa 4 meter hoog per laag bestrijkt en derhalve een lengte van circa 8 meter heeft, moet gelet op de omvang en constructie - waarbij mede in aanmerking is genomen de permanente aanwezigheid van de banier - worden aangemerkt als een (bouwvergunningplichtig) bouwwerk. Indien het geacht wordt een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, kan deze verandering bezwaarlijk worden beschouwd als een verandering die uit esthetisch oogpunt van ondergeschikte betekenis is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. ’s Gravenhage 20 april 1994, KG 1994, nr. 186.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het geding zijnde reclame-installatie en de draagconstructie (omvang 7,50 bij 4,00 meter) vormen één geheel. Gelet op de omvang moet dit worden beschouwd als een bouwwerk. Ook indien de reclame-installatie niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden gezien, maar geacht zou moeten worden een verandering van een bestaand bouwwerk te betreffen, dan kan deze verandering, gezien de omvang in verhouding tot het gebouw waarop het is aangebracht, bezwaarlijk als van ondergeschikte betekenis worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 27 april 1995, R03.92.1653.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een jollenvlonder waarvan de afmeting 1,65 x 4,5 meter bedraagt, bestaande uit een aantal planken, aangebracht op balken die vervolgens steunen op zes palen in de grond, gezien de constructie en het plaatsgebonden karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 10 oktober 1995, R03.91.1601.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een reclamebord van ongeveer 1,5 x 0,5 meter, staande op twee palen van 1 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Zwolle 14 november 1995, Awb 95/6335.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van lichtreclame (logo van een woningstichting), gelet op de afmetingen en constructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 28 december 1995, R03.93.3712.</p>\n<p class=\"lf-p\">Demontabele terrasoverkapping, gelet op de constructie, omvang, gebruik en plaatsgebonden karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 19 februari 1996, R03.92.3878.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vaandel van 3,00 meter hoog en 0,80 meter breed, aan de boven- en onderzijde bevestigd aan en tegen de gevel gemonteerde houder (beugel).</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 13 mei 1996, BR 1996, 654, m.nt. Weerkamp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een als vakantiewoning dienstdoende marina, bestaande uit een als woning ingerichte en uitziende houten opbouw, geplaatst op een betonnen bak (caisson). De marina is met stalen geleidingsbeugels verankerd aan een betonnen paal met een lengte van 15 meter. Mede gezien deze solide verankering en het plaatsgebonden karakter is sprake van een bouwwerk. Gezien de recreatieve bestemming van de marina (wordt slechts enkele maanden per jaar bewoond) is hier geen sprake van een woonschip in de zin van de Wet op Woonwagens en Woonschepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 18 september 1997, GS 7079, nr. 6, m. nt. Teunissen, BR 1998, p. 667.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steigers die op staande palen worden gebouwd en met elkaar worden verbonden door drijvende buizen. De hoofdsteiger zal een lengte hebben van 1,20 meter; de aanloopsteigers zullen een breedte hebben van 0,5 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 13 september 1996, R03.93.3837 en R03.93.4690.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet als bouwwerk zijn onder meer aangemerkt Een waterleiding, bestaande uit een stelsel van met elkaar verbonden buizen die gewoon in de grond zijn gelegd op een diepte van circa 1,25 meter onder het maaiveld en die niet rusten op een fundering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kg. Terneuzen 30 maart 1971; BR 1972, 416; NJ 1972, 258.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een olieleiding, bestaande uit stalen buizen met een diameter van 60 cm die zonder fundering worden ingegraven met een minimale gronddekking van circa 1,25 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">KB 8 maart 1974; OB 1974, XI.8.5.1.1, nr. 34736; NG 1974, S 112; BR 1974, 602; KB 25 maart 1974; AB 1974, 510; Hof Den Haag 8 maart 1974; NJ 1974, 534; BR 1975, 141; OB 1974, III.3.1, nr. 34732; NG 1974, S 112; KB 3 september 1984; BR 1984, 896.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een oever- en terreinverharding als trailerhelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">KB 25 april 1974, S 279; OB 1975, XI.8.5.1.1, nr. 36102; NG 1975, S 120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Damwanden als tijdelijke hulpwerken voor het bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 6 mei 1981; BR 1981, 691.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een skibaan, bestaande uit een vlechtwerk van dunne kunststofmatten, die met een vilten onderlaag is uitgespreid over een enigszins door ophogingen en afgravingen aangepaste aarden helling. De skimat werd alleen ’s winters neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 5 november 1981; BR 1982, 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voertuig, waarmee alleen tijdens kantooruren standplaats wordt ingenomen en dat buiten deze uren wordt gestald in een elders gelegen garage. Daaraan doet niet af dat het voertuig gedurende de tijd dat het is geparkeerd op standplaats, aangesloten wordt op het telefoonnet en op het distributienet van de elektriciteitsmaatschappij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Utrecht 17 maart 1975; NJ 1976, 20; BR 1976, 246.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een halfronde tent van plastic doek, steunend op een licht frame (boogkas) met een hoogte van omstreeks 2 meter en een breedte van ongeveer 4 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 1 december 1980; A-3.2995 (1979).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie echter anders ARRS 20 september 1986; RO 3.85.0135.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een caravan die niet voortdurend op hetzelfde terrein geplaatst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 15 juli 1983, RO 3.83.3881/15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een waterbassin voor een tuinbouwbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 18 november 1985, RO 3.85.6258/S 6709.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook ARRS 26 januari 1987, RO 3.84.2394, W/RvS/R.3.110/88, met betrekking tot een waterbassin van plasticfolie en gebruikte autobanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drijvende objecten, zoals een botenloods en een woonschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 6 juni 1972; BR 1972, 574; NJ 1973, 209; HR 10 april 1975; NJ 1975, 274.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee keetwagens in gebruik als studie- en opslagruimte door zoon van eigenaar perceel waarop de wagens staan, hebben geen bestemming met een plaatsgebonden karakter. Volgens appellant zullen deze wagens gebruikt gaan worden voor veldonderzoek door de zoon in verband met zijn studie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door diverse omstandigheden zijn de wagens enkele jaren (november 1984 - datum uitspraak) op het perceel gestald.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARRS 8 maart 1987; W/RvS/R.3.181/87; AB 1987, 373.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB: Een omstreden uitspraak! Een intentie, die thans niet door de feiten kan worden onderbouwd, wordt doorslaggevend geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een drijvende villa, een zogenaamde marina, bestaande uit een als woning ingerichte en uitziende opbouw, geplaatst op een betonnen bak, een caisson.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vz. ARRS 6 augustus 1992, Gst 6968/8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een mestbassin bestaande uit een open kuil in de grond (de uitgegraven grond wordt als dijk gebruikt), waarvan de bodem en wanden worden bekleed met kunststoffolie kan niet worden getypeerd als het oprichten of plaatsen van een bouwwerk. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, in de zin van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ARRS 2 februari 1993, No. S03.93.0204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalcontainers met een afmeting van circa 1,10 x 1,30 x 1,30 meter kunnen gelet op de geringe omvang niet als bouwwerken worden beschouwd waarvoor een bouwvergunning noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pres. Rb. Amsterdam, 10 februari 1994, KG 94/353G.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een berg aarde is geen bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ABRS 28 februari 1994, AB kort 1994, nr. 467.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (mest)bassin met de afmetingen 41,40 x 31,00 x 3,20 meter, bestaande uit aarden dijken, afgedekt met folie, is geen bouwwerk. De omstandigheid dat het bassin is voorzien van een zeildoek ter afdekking en van de nodige technische installaties voor (onder andere) de aan- en afvoer van mest, noch het feit dat om het bassin een hekwerk is geplaatst, leidt tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wnd. Vz. ABRS 30 juni 1994, RO3.93.4962 en S03.04.0355.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het Hof zijn de geringe afmetingen van de container, bestemd voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen, en de wijze waarop hij los van de straat is geplaatst en verplaatsbaar is, redenen waarom de container naar gangbare opvattingen niet als een bouwwerk in de zin van de bouwverordening kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 22 december 1994, 384/94 KG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderheid terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRS 17 februari 1995, BR 1995, p. 571.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gebouw in de zin van de Woningwet zijn onder andere aangemerkt Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet als gebouw werden o.a. aangemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, sub c, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woning Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 1, lid 1, van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan of uitbouw Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijgebouw Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over meldingplichtig bouwen Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 42 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over vergunningvrij bouwen Zie hiervoor de jurisprudentie opgenomen onder artikel 43 van de Woningwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een gemeentelijke verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is bepaald. Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de Algemene termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indeling van het gebied van de gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht, die - na een intussen verstreken overgangsperiode - voor het gebied buiten de bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of meer bestemmingsplannen verplicht stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het gebied binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele aanvulling op de voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen de toenmalige bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege de aanwezigheid van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of dorpsgezicht eveneens bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening ook binnen de desbetreffende delen van de bebouwde kom slechts dienen ter eventuele aanvulling op de voorschriften van dergelijke bestemmingsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de gemeente in zones te maken in de bouwverordening, waardoor een zinvol onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften voor de toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijke gebied. Het is praktisch om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de bouwverordening behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip ‘bebouwde kom’, zoals dat voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, lijkt niet gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden afgeleid. De bedoelde, bij de bouwverordening behorende, kaart kan tevens worden gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden die zijn vrijgesteld van welstandstoezicht. In het algemeen bleek er in de loop der jaren behoefte te bestaan aan continuïteit in de stedenbouwkundige voorschriften, vooral in de voorschriften voor de ligging van de rooilijnen en die voor de maximumbouwhoogten. Daarom zijn in veel gemeenten de begrenzingen van de bebouwde kom en die van het buitengebied gelijk gehouden bij de overgang van de bouwverordening 1965 naar de bouwverordening 1992. Het spreekt vanzelf dat daardoor het begrip ‘bebouwde kom’ in de zin van de bouwverordening meestal verschilt van het begrip ‘bebouwde kom’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving of in de zin van artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening, zoals dit per 3 april 2000 is gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 1985 zijn de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening overigens belangrijker geworden. Toen is de figuur van het globale bestemmingsplan zonder uitwerkingsplicht ingevoerd, waarin ter plaatse wordt uitgegaan van een volledige aanvullende werking van de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening. Veel onduidelijkheden in de afbakening van de werkingssfeer van het bestemmingsplan en de bouwverordening zijn bovendien verdwenen bij de komst van (artikel 9 van) de Woningwet in 1992, met name ten aanzien van bestaande bestemmingsplannen die in het verleden onbewust onvolledig blijken te zijn vastgesteld. Tevens lijken de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening vanaf 2003 nog belangrijker te zijn geworden, omdat de vroegere meldingsplichtige bouwwerken niet onder de werking van de (stedenbouwkundige voorschriften van de) bouwverordening vielen, maar de huidige licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken wel. Door dit alles kan een duidelijke afbakening van de bebouwde kom in de zin van de bouwverordening in relatie tot eventuele plangrenzen en grenzen van ‘welstandsvrije’ gebieden van groter gewicht blijken dan in vroeger jaren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 De aanvraag bouwvergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw artikel 40a opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en indiening van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De voorschriften van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste serie wijzigingen van de Modelbouwverordening in paragraaf 1 en enkele in paragraaf 2 opgenomen artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen materiële wijziging beoogd ten opzichte van deze vervallen artikelen. De overige paragrafen van hoofdstuk 2 bevatten inhoudelijke criteria, waaraan de aanvraag om bouwvergunning wordt getoetst c.q. moet voldoen.’ De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB treden voor bestuursorganen per 1 januari 2003 in werking. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door burgemeester en wethouders wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor burgemeester en wethouders aanleiding zijn de bouwvergunning te weigeren. Aan het standaard formulier voor het aanvragen van een bouwvergunning wordt een aantal vragen toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vragen van een advies door burgemeester en wethouders is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om bouwvergunning met acht weken op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd. Zie Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie tot de Woningwet (070 - 3704600 of www.justitie.nl/bibob).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden (Stb.1994, 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. Hiermee is tevens de Wet Arob komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld door de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen van een gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, van rechtswege op te gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene Woningwet zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn burgemeester en wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere bouwvergunning desgevraagd gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft derhalve de keuze om wel of geen gefaseerde vergunningverlening aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester en wethouders de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de achtste serie wijzigingen in de Modelbouwverordening was opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van artikel 56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van fasering van de bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de Woningwet (bouwvergunning onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de aanvrager bepaalt of de procedure van de gefaseerde vergunning wordt gevolgd, waarbij burgemeester en wethouders verplicht zijn een aanvraag om een reguliere bouwvergunning gefaseerd te behandelen, terwijl in het laatste geval burgemeester en wethouders bevoegd zijn te in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op hoofdlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de jurisprudentie Voor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning zoals die tot de achtste serie wijzigingen ook al was opgenomen in de Modelbouwverordening 1992, zie de losbladige uitgave ‘Standaardregelingen in de bouw’ van de VNG Uitgeverij.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag bouwvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">In de aanvraag op te nemen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Het onderzoek naar bodemverontreiniging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit indieningsvereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003 vervallen. Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles beschreven over het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1 januari 2003 is bij de achtste serie wijzigingen van de MBV een reeks artikelen vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer uit vragen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen de MBV en genoemd Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met name wat betreft de regeling inzake de wijze van onderzoeken en de daarop van toepassing zijnde normen en protocollen. In feite ontbrak de materie die voorheen was geregeld in het tweede tot en met het vierde lid van het vervallen artikel 2.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een overleg met het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de hele materie van het bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt neergelegd, doch dat dit nog enige tijd zal duren voordat het zover is. Omdat het onverantwoord wordt geacht deze periode over een gebrekkige regelgeving te beschikken, is tevens in dit overleg besloten dat als een tijdelijke oplossing de MBV wordt aangevuld met een nieuw herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de MG circulaire van 15 juli2003, nr. MG 2003-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Lid 1 Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het derde lid besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek.</div>\n<p class=\"lf-p\">Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek, verkennend onderzoek en nader onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Lid 2 Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van het bouwen dat, hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk te stellen is aan bouwvergunningsvrij c.q. licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in het Besluit bouwwerken. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning, namelijk in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a, eerste lid Woningwet).</div>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is vereist geen rol te spelen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Lid 3 Het begrip ‘bruikbare onderzoeksresultaten’ houdt in dat in ieder geval een onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Lid 4 Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Lid 5 De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of zoals de toelichting bij de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt “Dit tijdstip kan in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet.”</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwregistratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2.1 t/m artikel 2.2.3 Procedurebehandelingen De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was in artikel 2.2.1 MBV opgenomen dat de aanvrager door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. Op 1 januari 2003 is het Besluit indieningsvereisten in werking getreden, waarin geen bepaling is opgenomen over de aantekening van de ontvangstdatum en het zenden van een ontvangstbevestiging van een bouwaanvraag door burgemeester en wethouders. Sinds de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1 januari 2003 mogen burgemeester en wethouders geen aanvullende indieningsvereisten meer opnemen in hun bouwverordening. In verband met de fatale beslistermijn in de bouwvergunningprocedure zal het Besluit indieningsvereisten op dit onderdeel worden gewijzigd. Deze wijzigingsprocedure zal echter enige tijd in beslag nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het belang van deze gegevens voor de bouwvergunningprocedure adviseren wij u te handelen overeenkomstig het vervallen artikel 2.2.1 MBV totdat een en ander in het Besluit indieningsvereisten is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een regeling van samenloop (artikel 2.2.2) en bekendmaking van afwijkende termijnen (artikel 2.2.3) is na 2002 geen wettelijke basis meer in de Woningwet aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet op termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes weken en twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op een aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nodig is, de termijn van zes weken (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of tweede fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing is; zie artikel 46 en 49 van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 47 van de Woningwet juncto artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het bepaalde in de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het verdagen van de beslissing daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt artikel 41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning. Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan van een fictief verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen maken ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de uitzonderingen op de termijn van 6 respectievelijk 12 weken voor hen kenbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn van 6 of 12 weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is echter nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de beslissing over een aanvraag om bouwvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">In behandeling nemen bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bekendmaking van rechtswege verleende bouwvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 58 van de Woningwet regelt, dat de eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een fictief verleende bouwvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwet gesteld op 2 weken. De bouwverordening regelt alleen de inhoud van het bericht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Welstandstoetsing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Welstandscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord ‘uitsluitend’ in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. (Augustus 1995, Lbr. 95/134, kenmerk RVM/504972). Op basis van deze methodiek is de Modelbouwverordening naderhand bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw aan bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen ontstaan. De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de categorie waarvoor het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde lichte bouwvergunning volgens artikel 44, derde juncto eerst lid van de Woningwet is vereist, vallen buiten deze onderzoeksplicht. Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het Besluit indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend.</p></div>", "next": 239660}