{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">een reservevulling is aanwezig voor elk type brandblustoestel. Als wisselen van de vulling aan boord niet eenvoudig mogelijk is, is voor iedere voorgeschreven brandblustoestel een reservebrandblustoestel aanwezig;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>locatie: i. de brandblustoestellen worden opgeborgen op makkelijk toegankelijke plaatsen en worden zo ver mogelijk van elkaar geplaatst en niet gegroepeerd; ii. een van de draagbare brandblustoestellen bestemd voor gebruik in welke ruimte dan ook, is dichtbij de ingang van die ruimte geplaatst, en 6. accommodatieruimtes, dienstruimtes en bedieningsstations zijn voorzien van een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen om ten minste te verzekeren dat een brandblustoestel direct klaar is voor gebruik in ieder deel van de ruimtes voor de bemanning. Het aantal is in ieder geval niet minder dan drie, tenzij dit praktisch niet uitvoerbaar is in hele kleine vaartuigen, in welk geval een brandblustoestel beschikbaar is op ieder dek waar zich accommodatieruimtes of dienstruimtes of bedieningsstations bevinden; q. ten aanzien van brandbestrijdingsapparatuur: er is een brandblusdeken aanwezig. r. ten aanzien van reddingsmiddelen en radiocommunicatie zijn de hoofdstukken III en IV van het SOLAS-verdrag van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de eisen van de volgende voorschriften van hoofdstuk III:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>voorschrift 6.2.1.1 met betrekking tot het minimum aantal portofoons mits er in ieder geval één portofoon aan boord is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voorschrift 6.3 met betrekking tot het minimum aantal valschermlichten mits het schip zich beperkt tot reizen van ten hoogste 30 zeemijlen uit de kust en er nooit minder dan 6 valschermlichten aan boord zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>voorschrift 6.4.2;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>voorschrift 18;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een hulpverleningsboot mits alternatieve voorzieningen zijn getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal binnenboord te brengen, en 6. voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte hoeveelheid reddingboeien aan boord mits er nooit minder dan 3 reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1 met licht; s. bij tewerkstelling aan boord van meer dan 12 bijzondere opvarenden als bedoeld in de SPS-Code: de eisen van de hoofdstukken 2, 3, 4, 6, 8 en 9 van de van overeenkomstige toepassing zijnde SPS-Code. Voor zover in deze eisen wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag worden die verdragen overeenkomstig toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van het betreffende verdrag; t. ten aanzien van ruimten voor machines die met het oog op arbeidsomstandigheden niet permanent bemand kunnen zijn of waarbij er vrijwillig voor wordt gekozen deze periodiek onbemand te laten zijn:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>er zijn voorzieningen voor periodiek onbemande ruimten voor machines aangebracht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voor alle schepen ongeacht geïnstalleerd motorvermogen geldt dat de voorzieningen zodanig zijn dat de veiligheid van het schip onder alle vaaromstandigheden, manoeuvreren inbegrepen, tenminste gelijkwaardig is aan die van een schip met bemande ruimten voor machines;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>voor schepen met een totaal geïnstalleerd motorvermogen van 750 kW of minder voldoen aan paragraaf 3 of aan klassenregels als genoemd in artikel 37, tweede lid, van het besluit mits die equivalent zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>voor schepen met een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van meer dan 750 kW voldoen de voorzieningen voor periodiek onbemande ruimten voor machines aan klassenregels als genoemd in artikel 37, tweede lid, van het besluit.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eisen voor schepen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling veiligheid zeeschepen Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, voldoen aan de volgende eisen: a. bij een aantal van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 bijzondere opvarenden als bedoeld in de SPS-Code of minder: de eisen, bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van onderdeel b en g, van deze bijlage. Voor de structurele brandbescherming mogen de regels van de klassenbureaus worden toegepast. In geval er accommodatie aanwezig is zijn de eisen van onderdeel g onverkort van toepassing;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>meer dan 12 bijzondere opvarenden als bedoeld in de SPS-Code: de eisen van de hoofdstukken 2, 3, 4, 6, 8 en 9 van de van overeenkomstige toepassing zijnde SPS-Code. Voor zover in deze eisen wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag worden die verdragen overeenkomstig toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag; b. indien zij naar de werklocatie worden gesleept met bijzondere opvarenden aan boord of op locatie werken met in de nabijheid, op VHF-afstand, het slepende respectievelijk stand-by schip ter beschikking, dat is uitgerust met een voorziening voor radiocommunicatie volgens de desbetreffende voorschriften van hoofdstuk IV van het SOLAS-verdrag, zijn zij in afwijking van het vereiste als bedoeld in onderdeel a, 1. of 2., voor zover het de radiocommunicatie betreft, uitgerust met:</div>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 VHF-DSC radio-installatie die in staat is over te schakelen naar de nood- of reserve krachtbron, en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 GMDSS 2-wegs VHF radiotelefoonapparaat dat is voorzien van een voor dat doel bestemde batterij en verzegelde reservebatterij; c. ten aanzien van de lensinrichting, voor bemande schepen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>zij zijn voorzien van ten minste één werktuiglijk gedreven lenspomp van voldoende capaciteit die in staat is alle afdelingen van het schip die niet permanent zijn ingericht voor de opslag van vloeistoffen lens te pompen onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden. Bovendien moet aan boord van een schip met een geïnstalleerd vermogen van meer dan 130 kW nog een tweede werktuiglijk gedreven pomp aanwezig zijn waarvan de aandrijving niet afhankelijk mag zijn van dezelfde krachtbron. Eén van de pompen moet, buiten de lensleiding om, rechtstreeks uit de machinekamer kunnen zuigen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>elke lenspomp moet het water in de lensleiding een snelheid van ten minste 122 meter per minuut kunnen geven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de inrichting van de lensleidingen moet zodanig zijn dat geen water rechtstreeks van buitenboord naar een afdeling kan stromen, of van een afdeling naar een andere;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>lensleidingen moeten zijn gemaakt van staal of een gelijkwaardig materiaal;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de inwendige diameter van de lensleidingen wordt berekend volgens de volgende formule:</div>\n<p class=\"lf-p\">25+1,68√(L(B+D)) In deze formule is:</p>\n<p class=\"lf-p\">L, B en D onderscheidenlijk de lengte, breedte en holte naar de mal als omschreven in het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122);</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>de minimum inwendige diameter bedraagt ten minste 50 mm, en 7. de doorlaat van zuigopeningen van pompen en afsluiters moet ten minste gelijk zijn aan die van de daarop aangesloten leidingen;</div>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de waterdichte indeling van vaartuigen zonder voortstuwing kan worden afgeweken van bovenstaande mits een daartoe onderbouwd voorstel wordt overgelegd. d. ten aanzien van de bescherming tegen, de opsporing en de bestrijding van brand, voor een bemand schip:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>zij zijn voorzien van ten minste één brandbluspomp;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de brandbluscapaciteit bedraagt niet minder dan 4/3 van de capaciteit van de voorgeschreven lenspompen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>indien meerdere brandbluspompen worden gebruikt, heeft elke brandbluspomp een capaciteit van niet minder dan 80% van de vereiste totale capaciteit gedeeld door het aantal brandbluspompen, maar in geen geval minder dan 10 m3/uur;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de brandbluspomp kan vanaf de brug worden gestart zodat onmiddellijk water toevoer van de brandblusleiding beschikbaar is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>de waterdruk bij de brandkranen is tenminste 0,20 N/mm2 met één waterstraal in werking, en 6. elk deel van het schip kan met één straal worden bereikt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eisen ten aanzien van tijdelijk onbemande machinekamers voor schepen met een lengte van minder dan 24 meter en een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder Schepen met een totaal geïnstalleerd voortstuwingsvermogen van 750 kW of minder, voldoen aan de volgende eisen: a. ten aanzien van afstandsbediening van voortstuwingsmachines vanaf de navigatiebrug:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de snelheid van het vaartuig, de stuwrichting en, indien van toepassing, de spoed van de schroef zijn onder alle vaaromstandigheden, inclusief manoeuvreren, vanaf de navigatiebrug volledig bestuurbaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de afstandsbediening wordt voor elke onafhankelijke schroef uitgevoerd door één enkel bedieningsapparaat, met automatische uitvoering van alle bijbehorende diensten, met inbegrip van, waar nodig, middelen om overbelasting van de voortstuwingsmachines te voorkomen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de voortstuwingsinstallatie is voorzien van een noodstopvoorziening op de navigatiebrug, die onafhankelijk is van het afstandsbedieningssysteem;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>het op afstand bedienen van de voortstuwingsinstallatie mag slechts vanaf één locatie tegelijk mogelijk zijn; op locaties waar op afstand wordt bediend zijn onderling verbonden bedieningsposten toegestaan. Op elke locatie, met uitzondering van volledig mechanische afstandsbedieningen, is een indicator aanwezig die aangeeft op welke locatie de voortstuwingsapparatuur wordt bediend. De overdracht van de besturing vanuit de navigatiebrug en machineruimten is alleen mogelijk in de voortstuwingsmachineruimte of de machinecontrolekamer. Dit systeem bevat middelen om te voorkomen dat de stuwkracht significant verandert wanneer de besturing van de ene naar de andere locatie wordt overgedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>het is mogelijk de voortstuwingsinstallatie plaatselijk te bedienen, zelfs in het geval van een storing in enig onderdeel van het afstandsbedieningssysteem;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>het ontwerp van het afstandsbedieningssysteem, met uitzondering van volledig mechanische afstandsbedieningssystemen, is zodanig dat bij storing een alarm wordt gegeven. De vooraf ingestelde snelheid en richting van de stuwkracht wordt gehandhaafd totdat de lokale besturing in werking is, behalve voor dynamisch ondersteunde vaartuigen (DSC) en hogesnelheidsvaartuigen (HSC) waarvoor de snelheid tot nul wordt teruggebracht, voor zover praktisch mogelijk en uitvoerbaar, totdat de lokale besturing in werking is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>op de navigatiebrug zijn indicatoren aangebracht voor het schroef- of motortoerental en de stand van de spoed in het geval van schroeven met verstelbare spoed. Daarnaast zijn instrumenten aangebracht, die aangeven: – de smeeroliedruk van het voorstuwingswerktuig; – de koelwatertemperatuur van het voorstuwingswerktuig; en – de bedieningsluchtdruk bij toepassing van pneumatische afstandsbediening;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>het aantal automatische opeenvolgende startpogingen waarbij de motoren niet kunnen worden gestart, wordt beperkt om voldoende startluchtdruk of batterijvermogen te waarborgen om lokaal te starten. Na een storing wordt de hoofdmotor niet automatisch gestart. Er is een alarm aanwezig om een lage startluchtdruk of een bijna lege accu aan te geven, dat op een niveau wordt ingesteld om verdere starthandelingen van de motor mogelijk te maken; b. ten aanzien van alarmsysteem:</div>\n<p class=\"lf-p\">Er is een alarmsysteem aanwezig dat elke storing aangeeft die aandacht vereist en aan het volgende voldoet:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het alarmsysteem, dat zich op een geschikte plaats op de navigatiebrug bevindt, geeft elk afzonderlijk alarm visueel en hoorbaar aan. Een algemeen alarm (bijv. zoemer) kan worden geaccepteerd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>het alarmsysteem is, voor zover praktisch uitvoerbaar, zodanig ontworpen dat een storing in het systeem zelf ook een alarm veroorzaakt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>het alarmsysteem wordt continu gevoed vanuit de normale voeding en vanuit een onafhankelijke energiebron (UPS of accu) en schakelt automatisch over naar een tweede onafhankelijke bron bij uitval van de normale voeding. In dit geval wordt ook een alarm gegeven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de aanwezigheid van spanning is visueel aangegeven op het alarmpaneel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>het alarmsysteem is in staat om tegelijkertijd meer dan één storing aan te geven en het accepteren van een alarm mag een ander alarm niet verhinderen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>alarmen worden gehandhaafd totdat ze worden geaccepteerd en de visuele indicaties van individuele alarmen blijven bestaan totdat de storing is verholpen, waarna het alarmsysteem automatisch terugkeert naar de normale bedrijfstoestand;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>de noodzakelijke alarmen zijn voorzien van een vertragingstijd, indien toepasselijk. Onnodige activering van alarmen tijdens het manoeuvreren wordt voorkomen; c. speciale vereisten voor elektrische installaties, automatische bestrijding en alarmsystemen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>indien elektrisch vermogen nodig is om de voortstuwings- en stuurcapaciteiten van het vaartuig in stand te houden, is een elektrische hoofdkrachtbron aanwezig bestaande uit ten minste twee generatoren. Indien noodzakelijk voor de aard van het vaartuig wordt automatisch overgeschakeld bij uitval van één van de generatoren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>ten aanzien van het automatische regel- en alarmsysteem: i. het regelsysteem is zodanig uitgevoerd dat de diensten die nodig zijn voor de werking van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en de hulpwerktuigen, door de noodzakelijke automatische voorzieningen zijn verzekerd; ii. automatisch overschakelen wordt door middel van een alarm aangegeven; iii. er is voor alle belangrijke drukken, temperaturen, vloeistofniveaus en andere van belang zijnde parameters, een alarmsysteem aangebracht dat voldoet aan de eisen van onderdeel b; iv. de navigatiebrug is ingericht met een alarmpaneel, dat ten minste de volgende alarmen afzonderlijk aangeeft: – lage smeeroliedruk van de voortstuwingsmotor; – hoge koelwater- of luchttemperatuur van de voortstuwingsmotor; – laag niveau in het koelwaterexpansievat van de voortstuwingsmotor; – lage oliedruk van de keerkoppeling of het pitch control-systeem; – hoog bilgewaterpeil in de machineruimte; – storing in het afstandsbedieningssysteem indien dit anders dan geheel mechanisch is uitgevoerd; – laag brandstofpeil in de verbruikstank; – de stuurmachine, zoals genoemd in bijlage 3 of bijlage 3a; en – de vast aangebrachte brandblusinstallaties met gas als blusstof; – voltages en falen van de branddetectie, accu’s etc.; en – aanvullende apparatuur zoals de olie water separator; v. nabij de bedieningsplaats waar het voortstuwingswerktuig ter plaatse kan worden bediend, zijn ten minste de volgende instrumenten aanwezig, die het volgende aangeven: – de rotatiefrequentie van de schroef of de motor bij toepassing van vaste schroeven of rotatiefrequentie van de schroef en de stand van de schroefbladen bij toepassing van verstelbare schroeven; – de smeeroliedruk van het voortstuwingswerktuig; – de koelwatertemperatuur van het voortstuwingswerktuig; en – de oliedruk van de keerkoppeling of schroefblad-verstelinrichting; d. ten aanzien van branddetectie- en brandalarminstallaties:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>in ruimten voor machines van categorie A is een vaste branddetectie- en brandalarminstallatie aangebracht;</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De installatie moet zo zijn ingericht dat bij brand een hoorbaar en zichtbaar alarm wordt gegeven op de navigatiebrug. In eventuele slaapvertrekken moet dit alarm ook hoorbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3b behorend bij artikel 20a, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen Eisen aan schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen met een lengte van minder dan 24 meter 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schip dat wordt gebezigd voor het aan boord nemen van drenkelingen voldoet aan bijlage 3a met de volgende aanvullingen: a. ten aanzien van vrijboord en uitwateringsmerk zijn de eisen van het Uitwateringsverdrag van toepassing; b. ten aanzien van de stabiliteit van het schip in onbeschadigde toestand zijn de eisen van de IS-Code 2008 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit worden de volgende volumepermeabiliteit toegepast:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimten Permeabiliteit (%) Bestemd voor voorraden 60 of 95 indien beperkte hoeveelheid voorraden aanwezig is Ingenomen door verblijven 95 Ingenomen door machines 85 Bestemd voor vloeistoffen 0 of 951 1 Afhankelijk van het percentage dat de zwaarste eisen oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere cijfers van volumepermeabiliteit kunnen worden gebruikt als deze zijn onderbouwd met berekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lekstabiliteit wordt berekend bij het volledig vervuld raken van één compartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor schepen met één romp en catamarans, niet zijnde schepen als bedoeld in punt 7, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen: i. langsscheeps: beschadiging tussen waterdichte dwarsschotten; ii. dwarsscheeps: beschadiging van kleine omvang tot waterdichte langsschotten; iii. verticaal: van de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op een bepaalde plaats een beschadiging van kleinere omvang een gevaarlijkere toestand kan veroorzaken dan wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat: i. de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 7° bedraagt; ii. de kromme van armen van statische stabiliteit van het schip in de eindtoestand van vollopen een minimum bereik van 15° voorbij de evenwichtsstand heeft, waarbij de grootste waarde van de arm van statische stabiliteit binnen dat bereik een waarde van niet minder dan 100 mm heeft; iii. het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,015 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek; iv. de waterlijn in beschadigde toestand niet minder dan 76 mm bedraagt, gemeten van het vrijboorddek.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor schepen met een klein waterlijnoppervlak en met een groot vrijboord in onbeschadigde toestand, zoals catamarans, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen: i. langsscheeps: 10% van de lengte van het schip waarbij beschadiging is opgetreden langs de gehele scheepslengte tussen waterdichte dwarsschotten welke zijn geplaatst op een onderlinge afstand welke niet minder is dan de langsscheepse omvang van schade in de zijde. Wanneer de afstand tussen twee waterdichte dwarsschotten minder is dan de schadelengte, dan worden voor de lekstabiliteitberekeningen een of meer dwarsschotten genegeerd op een zodanige wijze dat de desbetreffende compartimentlengte gelijk is aan of groter is dan de schadelengte. De bovengenoemde schadelengte wordt niet toegepast binnen de voorpiek- en achterpiekcompartimenten; ii. dwarsscheeps: een afstand tot de hartlijn van het schip binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en steven ter hoogte van de hoogstgelegen indelingslastlijn; iii. verticaal: vanaf de lijn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een catamaran wordt aangenomen dat een volledige romp beschadigd is, indien de twee rompen volledig onafhankelijk zijn en er geen kruisverbindingen zijn die, indien beschadigd, het andere romp- en natte dekcompartiment zouden vervullen. Van trimarans wordt beschouwd dat zij schade hebben aan vleugel- en middencompartimenten tot aan hartschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op een bepaalde plaats een kleinere beschadiging dan in de gevallen, bedoeld in punt 7,onderdelen i tot en met iii, wordt verondersteld, die een gevaarlijkere toestand zou veroorzaken, dan wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vorm van een beschadiging wordt een rechthoekig blok aangenomen. Waterdichte compartimenten aan de achterkant van de spiegel die niet deel uitmaken van de romplengte en zich niet uitstrekken tot onder de ontwerpwaterlijn, zoals overhangen en appendages, worden niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de beschadigde lengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke schade aan alle voorste compartimenten van elke romp van een schip met meerderde rompen, welke valt binnen 5% van de lengte van het voorste deel van de waterdichte romp, gemeten op het midden van het schip, wordt beoordeeld op lekstabiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelijke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat: i. de slagzijhoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 15° bedraagt; ii. voldoende stroeve dekoppervlakken en geschikte vasthoudpunten zoals leuningen langs ontsnappingswegen en toegang tot ontsnappingswegen zijn aangebracht. Daarnaast is aandacht besteed aan de middelen om toegang te krijgen tot de reddingsboten, het instappen en het te water laten; iii. de kromme van armen van positieve statische stabiliteit ten minste 20° bedraagt, gemeten vanaf de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt tot de hoek waarbij verder vervuld raken van het schip optreedt; iv. de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit in bereik van positieve statische stabiliteit ten minste 200 mm bedraagt; v. het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,045 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek; vi. de uiteindelijke waterlijn behorende bij het statisch evenwicht onder het laagste punt van elke opening is gelegen welke niet is afgesloten door een goedgekeurde waterdichte afsluiting. Dit omvat openingen zoals luchtpijpen, luikdeuren, deuren en eventuele andere waterdichte afsluitingen; vii. deze beschadiging er niet toe mag leiden dat het schip op een waterlijn van minder dan 76 mm drijft, gemeten van het vrijboorddek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het gestelde onder vii kan worden afgeweken indien: – in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen opslagruimte voor levensreddende apparaten aanwezig zijn; – in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen onderdeel van een verzamelplaats, inschepingsplaats of onderdeel van een ontsnappingsroute is, en – niet meer dan 10% van de lengte van de dekrand aan de beschadigde kant onder de waterlijn is en dat negatief vrijboord beperkt is tot maximaal 300 mm, gemeten vanaf de dekrand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3c Eisen aan offshoredienstschepen en hogesnelheidsoffshoredienstschepen van minder dan 500 gt</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Offshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een offshoredienstschip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel f, voldoet aan bijlage 3a met de volgende aanvullingen: a. ten aanzien van vrijboord en uitwateringsmerk zijn de eisen van het Uitwateringsverdragvan toepassing; b. ten aanzien van de stabiliteit van het schip in onbeschadigde toestand zijn de eisen van de IS-Code 2008 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit wordt de volgende volumepermeabiliteit toegepast:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimten Permeabiliteit (%) Bestemd voor voorraden 60 of 95 indien beperkte hoeveelheid voorraden aanwezig is Ingenomen door verblĳven 95 Ingenomen door machines 85 Bestemd voor vloeistoffen 0 of 951 1 Afhankelĳk van het percentage dat de zwaarste eisen oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere cijfers over volumepermeabiliteit kunnen worden gebruikt als deze zijn onderbouwd met berekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lekstabiliteit wordt berekend bij het volledig vervuld raken van één compartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor schepen met één romp en catamarans, niet zijnde schepen als bedoeld onder 7, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen: i. langsscheeps: beschadiging tussen waterdichte dwarsschotten; ii. dwarsscheeps: beschadiging van kleine omvang tot waterdichte langsschotten; iii. verticaal: van de lĳn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op een bepaalde plaats een beschadiging van kleinere omvang een gevaarlĳkere toestand kan veroorzaken wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelĳke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat: i. de hellingshoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 7° bedraagt; ii. de kromme van armen van statische stabiliteit van het schip in de eindtoestand van vollopen een minimum bereik van 15° voorbij de evenwichtsstand heeft, waarbij de grootste waarde van de arm van statische stabiliteit binnen dat bereik een waarde van niet minder dan 100 mm heeft; iii. het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,015 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek; iv. de waterlijn in beschadigde toestand niet minder dan 76 mm bedraagt, gemeten van het vrijboorddek.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor schepen met een klein waterlijnoppervlak en met een groot vrijboord in onbeschadigde toestand, zoals catamarans, wordt als omvang van de beschadiging aangenomen: i. langsscheeps: 10% van de lengte van het schip waarbij beschadiging is opgetreden langs de gehele scheepslengte tussen waterdichte dwarsschotten welke zijn geplaatst op een onderlinge afstand welke niet minder is dan de langsscheepse omvang van schade in de zijde. Wanneer de afstand tussen twee waterdichte dwarsschotten minder is dan de schadelengte, dan worden voor de lekstabiliteitberekeningen een of meer dwarsschotten genegeerd op een zodanige wijze dat de desbetreffende compartimentlengte gelijk is aan of groter is dan de schadelengte. De bovengenoemde schadelengte wordt niet toegepast binnen de voorpiek- en achterpiekcompartimenten; ii. dwarsscheeps: een afstand tot de hartlijn van het schip binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en steven ter hoogte van de hoogstgelegen indelingslastlĳn; iii. verticaal: vanaf de lĳn van de onderkant van de spanten naar boven zonder begrenzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een catamaran wordt aangenomen dat een volledige romp beschadigd is, indien de twee rompen volledig onafhankelijk zijn en er geen kruisverbindingen zijn die, indien beschadigd, het andere romp- en natte dekcompartiment zouden vervullen. Van trimarans wordt beschouwd dat zij schade hebben aan vleugel- en middencompartimenten tot aan hartschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op een bepaalde plaats een kleinere beschadiging dan in de onderdelen 7.i, 7.ii of 7.iii wordt verondersteld, die een gevaarlĳkere toestand zou veroorzaken, wordt deze beschadiging aan de berekeningen ten grondslag gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vorm van een beschadiging wordt een rechthoekig blok aangenomen. Waterdichte compartimenten aan de achterkant van de spiegel die niet deel uitmaken van de romplengte en zich niet uitstrekken tot onder de ontwerpwaterlijn, zoals overhangen en appendages, worden niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de beschadigde lengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke schade aan alle voorste compartimenten van elke romp van een schip met meerdede rompen, welke valt binnen 5% van de lengte van het voorste deel van de waterdichte romp, gemeten op het midden van het schip, wordt beoordeeld op lekstabiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de vereiste stabiliteit van het schip in de eindtoestand na beschadiging en nadat mogelĳke vereffening door overvloeien heeft plaatsgevonden, geldt dat: i. de slagzĳhoek waarbij statisch evenwicht optreedt niet meer dan 15° bedraagt; ii. voldoende stroeve dekoppervlakken en geschikte vasthoudpunten zoals leuningen langs ontsnappingswegen en toegang tot ontsnappingswegen zijn aangebracht. Daarnaast is aandacht besteed aan de middelen om toegang te krijgen tot de reddingsboten, het instappen en het te water laten; iii. de kromme van armen van positieve statische stabiliteit ten minste 20° bedraagt, gemeten vanaf de hellingshoek waarbĳ statisch evenwicht optreedt tot de hoek waarbĳ verder vervuld raken van het schip optreedt; iv. de maximale waarde van de arm van statische stabiliteit in bereik van positieve statische stabiliteit ten minste 200 mm bedraagt; v. het oppervlak onder de kromme van restarmen van positieve statische stabiliteit ten minste 0,045 mrad bedraagt, gemeten vanaf de evenwichtshoek; vi. de uiteindelijke waterlijn behorende bij het statisch evenwicht onder het laagste punt van elke opening is gelegen welke niet is afgesloten door een goedgekeurde waterdichte afsluiting. Dit omvat openingen zoals luchtpijpen, luikdeuren, deuren en eventuele andere waterdichte afsluitingen; vii. deze beschadiging er niet toe mag leiden dat het schip op een waterlijn van minder dan 76 mm drijft, gemeten van het vrijboorddek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het gestelde onder vii kan worden afgeweken indien: – in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen opslagruimte voor levensreddende apparaten aanwezig zijn; – in het ondergedompelde gedeelte van het vrijboorddek geen onderdeel van een verzamelplaats, inschepingsplaats of onderdeel van een ontsnappingsroute is, en – niet meer dan 10% van de lengte van de dekrand aan de beschadigde kant onder de waterlijn is en dat negatief vrijboord beperkt is tot maximaal 300 mm, gemeten vanaf de dekrand.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Industrieel personeel heeft recht op: i. kosteloze toegang tot drinkwater in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; ii. kosteloze toegang tot voeding in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; iii. kosteloze toegang tot medische behandeling in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; iv. kosteloze toegang tot medische voorzieningen in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; v. toegang tot recreatieve voorzieningen, rekening houdend met de duur van de reis; vi. een veilige en hygiënische leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van inrichting van openbare ruimten en voorzieningen voor industrieel personeel en passagiers:</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare ruimten en voorzieningen voor industrieel personeel en passagiers zijn zodanig ontworpen en gebouwd dat: i. overmatige of onnodige werkzaamheden, of overige omstandigheden en afleidingen die vermoeidheid zouden kunnen veroorzaken of de waakzaamheid van het brugteam en de loods zouden kunnen belemmeren, voorkomen of beperkt worden; en ii. werkstations voor aanvullende functies die niet essentieel zijn voor de veilige bedrijfsvoering van het schip, de voortstuwing en lading, of ruimten die zijn ingericht voor vergaderingen of ontspanning in het stuurhuis, niet zijn geplaatst binnen het gebied van de navigatiebrug of binnen de gezichtsvelden die nodig zijn voor verkeerswaarneming vanuit werkstations.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel g, voldoen aan de eisen van paragraaf 3, onderdelen a tot en met k, met de uitzonderingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van voorschrift 7.7.5.1 is het voor een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 24 meter toegestaan dat een van de twee brandbestrijdingspompen, die ieder een afzonderlijke energievoorziening moeten hebben, is uitgevoerd als een direct bruikbare, zelf-aanzuigende, draagbare pomp die: i. een pompcapaciteit heeft van tenminste 15 m3 per uur; ii. een zuigslanglengte heeft die voorziet in alle mogelijke bewegingen van het schip; iii. een energievoorziening heeft die voldoende is om 3 uur continue gebruikt te kunnen worden en beschikbaar is in het geval de machinekamer of een van de meerdere gescheiden machinekamers buiten gebruik is; iv. aan de overige functionele eisen van de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994 voldoet, en v. beide pompen niet in dezelfde ruimte zijn opgeslagen of geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van voorschrift 7.10.1 behoeven hogesnelheidsoffshoredienstschepen met een lengte van minder dan 24 meter niet te zijn uitgerust met een brandbestrijdingsuitrusting als bedoeld in voorschrift 7.10.3 maar kan worden volstaan met een brandbijl en een elektrische veiligheidslamp die ten minste 3 uur licht geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Industrieel personeel heeft recht op: i. kosteloze toegang tot drinkwater in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; ii. kosteloze toegang tot voeding in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; iii. kosteloze toegang tot medische behandeling in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; iv. kosteloze toegang tot medische voorzieningen in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; v. toegang tot recreatieve voorzieningen, rekening houdend met de duur van de reis; vi. een veilige en hygiënische leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien gevaarlijke stoffen worden vervoerd tijdens reizen waarop meer dan 12 personen vervoerd worden naast de bemanning, gelden de beperkingen van hoofdstuk 7, deel D, afdeling 7.17, van de HSC-Code 2000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span><span class=\"lf-art-t\">Hogesnelheidsoffshoredienstschepen als bedoeld in artikel 6d, eerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een hogesnelheidsoffshoredienstschip als bedoeld in artikel 6d, eerste lid, voldoet aan de eisen die de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994 stelt aan vrachtschepen, met de volgende aanvullingen en uitzonderingen: a. Algemeen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hogesnelheidsoffshoredienstschip wordt ontworpen, gebouwd en onderhouden overeenkomstig de voorschriften en eisen van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau voor hogesnelheidsvrachtschepen onder de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld in deze paragraaf zijn de eisen, de definitie en de genummerde secties waaraan gerefereerd wordt, de eisen, definities en secties die gespecificeerd zijn of voorgeschreven worden in de HSC-Code 2000.1De sectienummers in de tekst zijn die van HSC-Code 2000, zoals gewijzigd. Bij toepassing van eerdere herzieningen dient u te verwijzen naar relevante secties in plaats van sectienummers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Industrieel personeel heeft recht op: i. kosteloze toegang tot drinkwater in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; ii. kosteloze toegang tot voeding in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; iii. kosteloze toegang tot medische behandeling in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; iv. kosteloze toegang tot medische voorzieningen in gelijke hoeveelheden en van gelijke kwaliteit als de zeevarenden aan boord; v. toegang tot recreatieve voorzieningen, rekening houdend met de duur van de reis; vi. een veilige en hygiënische leefomgeving. b. Ten aanzien van hoofdstuk 1- Algemene opmerkingen en eisen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als alternatief voor de specifieke exploitatievergunning bedoeld in voorschrift 1.9 kan aan een hogesnelheidsoffshoredienstschip op basis van de vaargebieden waarin het schip zal opereren, en na goedkeuring van de ILT en acceptatie van eventueel betrokken havenstaten, een generieke exploitatievergunning worden verleend. Hiertoe stelt de scheepseigenaar een routehandboek op conform een vastgesteld model.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een hogesnelheidsoffshoredienstschip voornemens is een reis te ondernemen buiten de vaargebieden waarvoor een generieke exploitatievergunning is verleend, wordt de normale aanvraagprocedure voor een specifieke exploitatievergunning gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De scheepseigenaar of -beheerder controleert jaarlijks de generieke exploitatievergunning. Deze controle met betrekking tot de desbetreffende informatie zoals informatie van routes in de vaargebieden waarin het schip opereert en het bijbehorende routehandboek wordt overeenkomstig de HSC-Code 2000 uitgevoerd en actueel gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorm en inhoud van een generieke exploitatievergunning voor een hogesnelheidsoffshoredienstschip komt overeen met bijlage 2 van de HSC-Code 2000. De titel van de exploitatievergunning wordt gewijzigd in ‘Exploitatievergunning voor hogesnelheidsoffshoredienstschepen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing naar het ‘maximaal toegestane aantal passagiers’ in de exploitatievergunning wordt gewijzigd in het ‘maximale aantal toegestane personen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Internationale reizen worden slechts ondernomen na goedkeuring van de havensta(a)t(en) van de havens die tijdens deze reizen worden aangedaan. c. Ten aanzien van hoofdstuk 2 – Drijfvermogen, stabiliteit en waterdichte indeling, Deel A – Algemeen De voorschriften van toepassing op hogesnelheidsvrachtschepen zijn van toepassing. Voor schepen met een lengte korter dan 45 meter, zijn de volgende uitzonderingen van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. voorschrift 2.6.7 – Omvang van schade in de zijde, is slechts van toepassing op het voorste één derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 indien groter. In dit deel wordt de schadeomvang altijd toegepast, ongeacht de waterdichte indeling en locatie van de hoofddwarsschotten. In de andere delen van het schip beperkt de schadeomvang zich tussen de waterdichte hoofddwarsschotten gerekend vanaf de kiel van het schip tot aan het dek en van de zijde van het schip tot de hartlijn van het schip (vlak van kiel en steven);</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. voorschrift 2.6.8.1.2 – Omvang van hekschade, wordt niet toegepast;</p>\n<p class=\"lf-p\">3°. voorschrift 2.6.9 – Omvang van bodemschade op plaatsen die kwetsbaar zijn voor lekstootschade (raking damage), is slechts van toepassing op het voorste derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 indien groter. In dit deel wordt de schadeomvang waar dan ook toegepast, ongeacht de waterdichte indeling en locatie van de hoofddwarsschotten. In de andere delen van het schip is voorschrift 2.6.9 niet van toepassing;</p>\n<p class=\"lf-p\">4°. voorschrift 2.6.10 – Omvang van bodemschade op plaatsen die niet kwetsbaar zijn voor lekstootschade (raking damage), is slechts van toepassing op het voorste één derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 indien groter. In dit deel dient de omvang van de beschadiging te worden berekend door middel van de formule als gegeven in voorschrift 2.6.10.2 en toegepast te worden, ongeacht de waterdichte indeling en locatie van de hoofddwarsschotten. In de andere delen van het schip behoeft voorschrift 2.6.10 niet toegepast te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5°. voorschrift 2.6.11 – Schepen met twee of meer rompen, de maximale breedte van 7 meter voor het bepalen van het aantal beschadigde rompen is slechts van toepassing op het voorste één derde deel van de lengte of de lengte conform de definitie in de HSC-Code 2000 of de HSC-Code 1994 indien groter. In de andere delen van het schip is voorschrift 2.6.11 niet van toepassing. d. Ten aanzien van hoofdstuk 3 – Structurele eisen Aanvullend op de voorschriften 3.3 en 3.4 – Aanvullende structurele eisen geldt dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. het deel van het schip dat de constructie van de offshore-installatie raakt tijdens het overstappen van industrieel personeel naar en van de offshore-installatie, is zodanig gebouwd en beschermd dat aanwezige spanningen worden opgevangen en beschadiging door contact wordt vermeden. De eisen van het klassenbureau waar het schip is geklasseerd zijn hiervoor van toepassing. Hiermee wordt invulling gegeven aan voorschrift 3.1 van de HSC-Code 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen van de klassenbureaus voor de certificering van offshore toegangssystemen, die worden gebruikt voor de overdracht van personen van schepen naar offshore faciliteiten of van schip naar schip, zijn van toepassing. e. Ten aanzien van hoofdstuk 4 – Accommodatie en ontschepingwegen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend op de voorschriften 1.2.1.9 tot en met 1.2.1.11 – Additionele eisen aangaande de beschikbaarheid van accommodatie inclusief zitplaatsen geldt dat: i. de voorschriften in hoofdstuk 4 van de HSC-Code 2000 voor de scheepsconstructie, de publieke ruimtes en de faciliteiten aan boord van toepassing zijn op industrieel personeel en passagiers. ii. naast hoofdstuk 4 van de HSC-Code 2000 openbare ruimten en voorzieningen voor industrieel personeel en passagiers zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat: – overmatige of onnodige werkzaamheden, of overige omstandigheden en afleidingen die vermoeidheid zouden kunnen veroorzaken of de waakzaamheid van het brugteam en de loods zouden kunnen belemmeren, voorkomen of beperkt worden; en – werkstations voor aanvullende functies die niet essentieel zijn voor de veilige bedrijfsvoering van het schip, de voortstuwing en lading, of ruimten die zijn ingericht voor vergaderingen of ontspanning in het stuurhuis, niet zijn geplaatst binnen het gebied van de navigatiebrug of binnen de gezichtsvelden die nodig zijn voor verkeerswaarneming vanuit werkstations.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op voorschrift 4.7.2 – Het ontwerp van een hogesnelheidsoffshoredienstschip, is een schip zodanig ontworpen dat er ten behoeve van een veilige evacuatie van de opvarenden voldoende ruimte is om reddingsvesten, geschikte persoonlijke reddingsmiddelen en overlevingspakken te bereiken, aan te doen en te dragen. De zitplaatsen bieden voldoende ruimte aan industrieel personeel om de persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen die benodigd zijn voor het overstappen van het schip naar de offshore installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het voorschrift 4.11- Bescherming van de zeevarenden en passagiers, wordt, indien het hogesnelheidsoffshoredienstschip wordt ingezet voor het overzetten van industrieel personeel via de boeg van het schip naar een offshore installatie, en vice versa, het voordek en de stootblokken in de boeg zodanig uitgevoerd dat het risico tijdens de overstap minimaal is. Bijzondere aandacht is gegeven aan leuningen, de overstapvoorzieningen en verzonken bevestigingsarmaturen in de gangboorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het overzetten van industrieel personeel op zee wordt de IMO Guidance on safety when transferring persons at sea in acht genomen.2Guidance on safety when transferring persons at sea, MSC-MEPC.7/Circ10, 14 juli 2014. f. Ten aanzien van hoofdstuk 7 – Brandbescherming Tijdens reizen waarop meer dan 12 personen worden vervoerd naast de bemanning, worden de te vervoeren hoeveelheden gevaarlijke stoffen beperkt tot de hoeveelheden zoals voorgeschreven in hoofdstuk 7, deel D, afdeling 7.17 van de HSC-Code 2000. g. Ten aanzien van hoofdstuk 8 – Reddingsmiddelen en -voorzieningen 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar in hoofdstuk 8 van de HSC-Code 2000 sprake is van ‘passagiers’ wordt ‘industrieel personeel’ gelezen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle opvarenden zijn geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen en reddingsvesten aanwezig waarbij: i. industrieel personeel dat op zee zal overstappen naar een ander schip of een offshore faciliteit, uitgerust is met persoonlijke beschermingsmiddelen, inclusief overlevingspakken, die daartoe geschikt zijn; ii. voor iedere opvarende, met uitzondering van personeel genoemd onder i, een overlevingspak aan boord beschikbaar is; iii. ieder reddingsvest dat in combinatie met een overlevingspak wordt gebruikt is daartoe geschikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van voorschrift 8.3.5.1 – Eisen aan reddingsvesten, er behoeven geen reddingsvesten voor kinderen aan boord beschikbaar te zijn indien er geen kinderen aan boord zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor hogesnelheidsoffshoredienstschip met een vrijboord tot 2,8 meter waarbij een system voor evacuatie op zee (MES) niet aanwezig is, worden vast aangebrachte ontschepingsladders geïntegreerd in de huid, als equivalent beschouwd. De sporten of traptreden zijn zodanig ontworpen dat de kans op uitglijden minimaal is en dat de diepte van de uitsparingen in de ladders voldoende is voor het gebruik van de ladder met handschoenen en laarzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veronderstelde schades bedoeld in voorschrift 2.13 van de HSC-Code 2000 die mogelijk een slagzij of trim tot gevolg hebben, mogen geen nadelige invloed hebben op deze equivalente manier van ontschepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Open, omkeerbare, opblaasbare reddingsvlotten zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van voorschrift 8.10.5 – Verplichting voor de hulpverleningsboot, behoeft een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 30 meter en met minder dan vijf bemanningsleden niet uitgerust te zijn met een hulpverleningsboot, mits wordt voldaan aan de eisen van de voorschriften 8.10.5.1 tot en met 8.10.5.3 van de HSC-Code 2000 en: i. het schip is ingericht om een overboord gevallen persoon binnen een tijdbestek van 15 minuten en in een horizontale positie uit het water te halen. De middelen daartoe worden aangetoond bij het eerste onderzoek zoals voorgeschreven in de regeling en bij het hernieuwde onderzoek; ii. het schip aan weerszijden is voorzien van vast aangebrachte ontschepingsladders geïntegreerd in de huid. De sporten of traptreden zijn zodanig ontworpen dat de kans op uitglijden minimaal is en dat de diepte van de uitsparingen in de ladders voldoende is voor het gebruik van de ladder met handschoenen en laarzen; iii. de bemanning geoefend en ervaren is in ‘man overboord’-procedures; iv. het uit het water halen van de overboord gevallen persoon kan worden waargenomen vanaf de navigatiebrug; en v. het schip voldoende manoeuvreerbaar is om veilig en onder de slechtste mogelijke omstandigheden de overboord gevallen persoon te benaderen en uit het water te halen. h. Ten aanzien van hoofdstuk 12 – Elektrische installaties Deel C – voorschriften voor hogesnelheidvrachtschepen Indien aangetoond kan worden dat een hogesnelheidsoffshoredienstschip, vol beladen en met een snelheid die 90% van de maximale vaarsnelheid tijdens de te ondernemen reizen niet verder dan 4 uur van een toevluchtsoord verwijderd is, dan mogen de eisen die in voorschrift 12.7.3 aan een ‘klasse A’ hogesnelheidspassagiersschip worden toegepast in plaats van de eisen van voorschrift 12.8.2.2. die aan een hogesnelheidsvrachtschip worden gesteld. i. Ten aanzien van hoofdstuk 13 – Navigatiemiddelen systemen, middelen en VDR In afwijking van voorschrift 13.14 is het op een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 30 meter toegestaan af te zien van een geluidsontvangstinstallatie indien er ramen aanwezig zijn aan de zijkant van de brug of indien het schip beschikt over open brugvleugels. j. Ten aanzien van hoofdstuk 15 – Inrichting operationele ruimte 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De roerganger dient zicht te kunnen hebben op alle operaties inzake het afmeren en het overbrengen van personeel, lading, proviand en brandstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een hogesnelheidsoffshoredienstschip met een lengte van minder dan 30 meter bedraagt de totale boog van blinde sectoren, gerekend van recht vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars, niet meer dan 30°. Middels de vrije bewegingsruimte van een uitkijk in de operationele ruimte is zeker gesteld dat voldaan is aan de eisen van voorschrift 15.3.2. k. Ten aanzien van hoofdstuk 18 – Operationele eisen Artikel 3.3.9 van het Besluit bemanning zeeschepen is van overeenkomstige toepassing op hogesnelheidsoffshoredienstschepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3d behorende bij artikel 20b van de Regeling veiligheid zeeschepen Eisen voor schepen bedoeld in artikel 6f Schepen als bedoeld in de artikel 6f, voldoen aan de volgende eisen:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waar wordt verwezen naar klasse B, C of D worden de zeegebieden bedoeld, genoemd in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Technische eisen aan het schip</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A Toepassing richtlijn 2009/45/EG 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2009/45/EG is van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de invullingen en afwijkingen in deel B. van deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen voor nieuwe schepen bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van richtlijn 2009/45/EG zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">B Invullingen en afwijkingen richtlijn 2009/45/EG 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen worden uitgerust met voorzieningen, uitrusting en bevestigingen met een voldoende draagkracht om in normale exploitatieomstandigheden van het schip veilige sleep- en meer operaties te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vrijboord en uitwateringsmerk zijn de eisen van het Uitwateringsverdrag van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van het Uitwateringsverdrag wordt een passagiersschip met een lengte van minder dan 24 meter gelijkgesteld aan een passagierschip met een lengte van 24 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de stabiliteit in onbeschadigde toestand, waterdichte indeling en stabiliteit in beschadigde toestand zijn de eisen in Bijlage I, hoofdstuk II-1, deel B, onder 2, van richtlijn 2009/45/EG, overeenkomstig van toepassing op schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter met de hierna genoemde invullingen en afwijkingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Openingen in waterdichte schotten: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen van de klassen B, C, en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van de volgende eisen van Bijlage I, hoofdstuk II-1, deel B-2, van richtlijn 2009/45/EG:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. voorschriften 13.5.1, tweede alinea, 13.5.4, 13.5.5;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. voorschriften 13.7.1 tot en met 13.7.4, eerste alinea;</p>\n<p class=\"lf-p\">3°. voorschriften 13.7.5 tot en met 13.7.8;</p>\n<p class=\"lf-p\">4°. voorschriften 13.8.1 tot en met 13.8.3. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter voldoen overeenkomstig aan de volgende eisen van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. voorschriften 13.5.2, onderdeel 1, en 13.5.6;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. voorschrift 13.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van elektrische installaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van elektrische installaties voldoet het schip aan de volgende eisen: a. elektrische hoofdkrachtbronnen en verlichtingsinstallaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">In schepen van de klassen C en D met een lengte van minder van 24 meter, mag een van de generatoraggregaten worden aangedreven door de voortstuwingsmotor, mits dit aggregaat een dusdanig vermogen heeft dat bovenvermelde hulpdiensten kunnen functioneren terwĳl één generatoraggregaat buiten bedrĳf is; b. elektrische noodkrachtbron:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 3.2 van Bijlage I, hoofdstuk II-1, deel D van richtlijn 2009/45/EG is niet van overeenkomstige toepassing op schepen van de klassen C en D met een lengte van minder dan 24 meter waarop een goedgeplaatste onafhankelĳke batterĳ-opstelling aanwezig is waarmee de desbetreffende inrichting gedurende de volgens deze voorschriften vereiste tĳd in bedrĳf kan worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van onbemande ruimten voor machines:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschrift 5 van Bijlage I, hoofdstuk II-1, deel B van richtlijn 2009/45/EG wat betreft communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de bescherming tegen, de opsporing en de bestrijding van brand: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandbluspompen, hoofdbrandblusleidingen, brandkranen, brandslangen, straalpĳpen en directe beschikbaarheid van water:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen van de klassen C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschriften 3.2 tot en met 3.6, 4, 5, 6, 7 en 8 van hoofdstuk II-2, deel A, van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen van de klasse C en D met een lengte van minder dan 24 meter voldoen aan de volgende eisen: i.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is één onafhankelĳk aangedreven brandbluspomp aanwezig welke vanuit iedere brandkraan voor brandblusdoeleinden ten minste één waterstraal kan leveren bĳ een druk als hieronder aangegeven. De aldus geleverde waterhoeveelheid mag niet minder zĳn dan twee-derde van de hoeveelheid die door de lenspompen, indien als zodanig in gebruik, moet kunnen worden verwerkt. Dergelĳke brandbluspompen zijn, bĳ gebruik van spuitopeningen met een diameter van 12, 16 of 19 millimeter, in staat om bĳ iedere brandkraan ten minste een druk in stand te houden zoals vereist bĳ schepen van klasse B; ii.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk schip dat meer dan 250 passagiers mag vervoeren, is van een tweede brandbluspomp voorzien die te allen tĳde is aangesloten op de hoofdbrandblusleiding. Deze pomp is elektrisch aangedreven. Pomp noch krachtbron mogen zich in dezelfde ruimte bevinden als de in onderdeel 1°. voorgeschreven pomp, en de pomp is voorzien van een blĳvende zeewaterinlaat die zich buiten de ruimten voor machines bevindt. De pomp is in staat om vanuit iedere willekeurige brandkraan op het schip ten minste één waterstraal te leveren, waarbĳ een druk van ten minste 0,3 N/mm 2 gehandhaafd wordt; iii.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanitaire, ballast-, lens- of algemene dienstpompen mogen worden gebruikt als brandbluspomp; iv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk schip is voorzien van een hoofdbrandblusleiding met een diameter die voldoende is voor de doelmatige verwerking van de maximaal voorgeschreven wateropbrengst die hierboven is vermeld. Het aantal en de plaatsing van de brandkranen is zodanig dat elk deel van het schip ten minste door één waterstraal bereikt kan worden, waarbĳ voor iedere waterstraal één enkele slang wordt gebruikt met een maximumlengte van niet meer dan 15 meter op het dek en in de bovenbouw, en tot 10 meter in machinekamers; v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op elk schip is per brandkraan ten minste één brandslang aanwezig; vi.</p>\n<p class=\"lf-p\">In schepen met een tĳdelĳk onbemande ruimte voor machines of waar slechts één persoon de wacht houdt, wordt onmiddellĳk vanaf de hoofdbrandblusleiding water onder voldoende druk geleverd, hetzĳ door het aanzetten van één van de hoofdbrandbluspompen met afstandsbediening vanaf de brug en het brandcontrolestation, indien aanwezig, hetzĳ door de hoofdbrandblusleiding permanent onder druk te houden met één van de hoofdbrandbluspompen; vii.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de persafsluiter van elke brandbluspomp is een terugslagklep aangebracht. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschriften 6.1 tot en met 6.3 en 6.8.1 tot en met 6.8.3 van Bijlage I, hoofdstuk II-2, deel A, van richtlijn 2009/45/EG; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van brandweeruitrusting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan boord van schepen behoeft geen brandweeruitrusting beschikbaar te zijn; d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandbeveiligingsplannen Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschrift 13.2 van hoofdstuk II-2, deel A van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van brandveiligheid: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontsnappingsvoorzieningen 1°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van de overeenkomstige toepassing van voorschriften 6.1.5, 6.1.5a en 6.3.2 van hoofdstuk II-2, deel B van Bijlage I van richtlijn 2009/45/EG;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruimten voor machines is slechts één voorziening voor ontsnapping aangebracht, indien de afmetingen en de algemene inrichting van het bovenste gedeelte van de ruimte daartoe aanleiding geven. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Automatische sprinkler-, branddetectie- en brandalarminstallaties Schepen van de klassen B, C en D met een lengte van minder dan 24 meter zijn uitgezonderd van voorschrift 13.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4 behorende bij artikel 19, tweede lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen (Zeegebieden A tot en met D, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn nr. 2009/45/EG) Bijlage 5 behorende bij de artikelen 25, eerste lid, en 49, derde lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen Medische uitrusting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassing op vissersvaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Benodigde medische uitrusting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandartikelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de kolommen A tot en met E voor een benodigdheid als bedoeld in het eerste lid aangegeven minimumhoeveelheid geldt voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen wordt die hoeveelheid voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd tot maximaal de voor die benodigdheid in tabel 1of 2 aangegeven maximumhoeveelheid, met dien verstande dat de maximumhoeveelheid voor een andere benodigdheid dan een receptplichtig geneesmiddel mag worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid behoeft bij een bemanningssterkte van 15 tot en met 24 personen de in de kolommen A tot en met E voor een benodigdheid aangegeven hoeveelheid slechts met vijftig procent te worden vermeerderd. Indien de in de tabellen aangegeven hoeveelheid van een benodigdheid één bedraagt, behoeft deze hoeveelheid bij een bemanningssterkte van 15 tot en met 24 personen niet te worden vermeerderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud medicijnkisten aan boord van reddingsboten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven benodigdheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in kolom R aangegeven hoeveelheden gelden per 50 personen, met uitzondering van het middel tegen zeeziekte, waarvoor de per persoon benodigde hoeveelheden zijn vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Bewaren van de medische uitrusting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 2 bedoelde medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de Opiumwet vallende preparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een kluis, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de zeevarende aan wie de kapitein het gebruik en beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Levering en verpakking van geneesmiddelen en antidota</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geneesmiddelen en antidota worden afgenomen bij een apotheker, hetgeen moet blijken uit een merk op de verpakking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in deze bijlage. Tevens is een afschrift van de controlelijsten bevestigd op de in artikel 4, eerste lid, van deze bijlage bedoelde kisten, kasten of ruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de etiketten, aanwezig op de verpakking van de benodigdheden zijn zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse inspectie medische uitrusting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting vindt plaats voorafgaand aan de onderzoeken waaraan het schip wordt onderworpen in verband met de voor dat schip benodigde certificaten. De inspectie heeft geen betrekking op de in artikel 3 bedoelde medische uitrusting voor reddingsvlotten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kapitein stelt bij de inspectie een controlelijst op met daarop de benamingen en codes van alle geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota die ingevolge deze bijlage aan boord van het schip zijn vereist, en vermeldt daarbij zowel de voorgeschreven hoeveelheden als de daadwerkelijk aan boord aanwezige hoeveelheden. In voorkomend geval wordt tevens de houdbaarheidsdatum van die benodigdheden vermeld. De controlelijst vermeldt voorts de naam, de vlag en de thuishaven van het schip.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inspectie uitwijst dat de medische uitrusting van het schip in overeenstemming is met deze bijlage, ondertekent de kapitein de controlelijst en biedt hij deze aan de Inspectie Leefomgeving en Transport of, indien het onderzoek door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen rechtspersoon wordt verricht, aan die rechtspersoon ter visering aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betekenis van de kolommen in tabellen 1 en 2 Kolom A: vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een onbeperkt vaargebied Kolom B: vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan GMDSS-zeegebied A2 als bedoeld in voorschrift IV/2 van het SOLAS-verdrag en vrachtschepen gecertificeerd overeenkomstig de CCSS-Code Kolom B1: vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan de Nederlandse Exclusieve Economische Zone en die niet langer dan 7 aaneengesloten dagen buiten een Nederlandse haven zijn Kolom C: vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan GMDSS-zeegebied A1 als bedoeld in voorschrift IV/2 van het SOLAS-verdrag tot 30 mijl uit de kust van een Europees land en vrachtschepen gecertificeerd overeenkomstig de SCV-Code waarmee reizen worden ondernomen in onbeschutte wateren (exposed waters) als bedoeld in voorschrift I/2.15 van die code Kolom D: passagiersschepen, niet zijnde schepen waarmee korte internationale of nationale reizen als bedoeld in voorschrift III/3 van het SOLAS-verdrag worden gemaakt Kolom E: passagiersschepen waarmee korte internationale of nationale reizen als bedoeld in voorschrift III/3 van het SOLAS-verdrag worden gemaakt en passagiersschepen gecertificeerd overeenkomstig de SCV-Code waarmee reizen worden ondernomen in onbeschutte wateren (exposed waters) als bedoeld in voorschrift I/2.15 van die code Max.: maximumhoeveelheid Kolom R reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten per 50 personen Betekenis van de aanvullende codes RMA het middel dient in beginsel slechts op advies van de Radio Medische Dienst of van een arts te worden toegediend of toegepast f slechts voorgeschreven bij één of meer bemanningsleden van het vrouwelijk geslacht t slechts voorgeschreven op reizen in tropische wateren z slechts voorgeschreven voor zeilschepen [ ] slechts voorgeschreven voor schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren en veerboten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 92/29/EEG, indien hiervoor een afwijkende hoeveelheid is voorgeschreven amp ampul cap capsule fla flacon opl oplossing tabl tablet smelttabl smelttablet inj injectie im intramusculair (in een spier) iv intraveneus (in een ader) sc subcutane (onderhuidse) Tabel 1. Geneesmiddelen, limitatieve lijst Code Aanv. code Vereiste middelen A B B1 C D E Max.</p>\n<p class=\"lf-p\">R Middelen tegen hart- en vaatziekten 1.1.03 RMA Adrenaline amp 1 mg/1 ml (voor im, iv en sc inj) 6 3 3 – 6 6 12 – 1.2.03 RMA Isosorbide-dinitraat tabl 5 mg 20 10 5 10 20 20 60 10 1.4.03 RMA Fytomenadion amp 10 mg/1 ml (voor im inj) 2z [10] 2z [5] – – 2 2 [5] 4 [15] – 1.4.04 RMA Oxytocine amp 5U/1 ml (voor im en iv inj) 6f 3f – 3f 6 3 12 – 1.5.03 RMA Metoprolol tabl 50 mg 30 10 5 – 30 10 60 – 1.6.03 RMA Carbasalaatcalcium 100 mg of Acetylsalicylzuur tabl 80 mg 120 60 30 – 120 60 240 – Geneesmiddelen voor het maagdarmkanaal 2.1.05 Algeldraat+magnesiumhydroxide susp 300 ml 2 1 – – 4 2 8 – 2.1.06 RMA Omeprazol tabl/caps 20 mg 60 30 10 – 60 30 150 – 2.2.04 RMA Ondansetron smelttabl 4 mg 18 6 3 3 18 18 36 – 2.2.05 RMA Metoclopramide amp 10 mg/2 ml (voor im inj) 5 [30] – [10] – – 5 – [10] 10 [60] – 2.3.03 Lactulose sir, flac 300 ml 2 1 – – 2 1 4 – 2.3.04 RMA Nalaurylsulfoactaat /Sorbitol/Na-citraat microklysma 12 4 2 – 12 12 24 – 2.4.02 Loperamide caps 2 mg 80 40 20 40 80 40 200 40 2.6.02 Vaseline/lidocaïne crème 3%, tube 30 g 2 1 1 – 1 5 – Pijnstillende en krampwerende middelen 3.1.04 Ibuprofen drag 400 mg 40 20 10 – 40 20 100 – 3.1.05 Paracetamol tabl 500 mg 80 [200] 40 [100] 20 20 80 80 [100] 200 [300] 80 3.2.05 RMA Morfine HCL amp 10 mg/1 ml (voor im en sc inj) (IN KLUIS BEWAREN) 10 [40] 5 [10] 2 – 10 10 [20] 30 [40] – 3.2.06 RMA Tramadol caps 50 mg – – – – – – – 30 3.3.03 RMA Diclofenac supp 100 mg 10 5 5 5 10 5 20 – Geneesmiddelen voor het zenuwstelsel 4.1.03 RMA Diazepam mikroclysma 10 mg/2,5 ml 10 [10] 2 [5] 2 – 10 5 [20] 20 [20] – 4.1.04 RMA Oxazepam tabl 10 mg 20 10 5 – 20 10 50 – 4.2.03 RMA Haloperidol tabl 1 mg 20 10 5 – 20 10 50 – 4.2.04 RMA Haloperidol amp 5 mg/1 ml (voor im en iv inj) 10 2 2 – 10 5 20 – 4.3.04 Cyclizine supp 100 mg 20 10 5 – 20 20 100 – 4.3.05 Cinnarizine tabl 25 mg 50 20 10 10 50 50 200 6 pp 4.4.03 RMA Carbamazepine tabl 200 mg 20 10 5 – 20 20 50 – 4.5.02 RMA Temazepam tabl/caps 10 mg 20 10 5 – 20 20 50 – Anti-allergische en anti-anafylactische middelen 5.1.05 RMA Clemastine tabl 1 mg 20 10 5 – 20 20 50 – 5.2.03 RMA Dexamethason amp 5 mg/1 ml (voor im en iv inj) 5 2 2 – 5 2 5 – Geneesmiddelen voor het ademhalingsstelsel 6.1.05 RMA Salbutamol 0,1 mg/ds, inhalator 200 ds 2 [5] 1 [5] 1 [5] – 2 1 [5] 4 [5] – 6.1.06 RMA Beclomethasone 0,05 mg/ds, inhalator 200 ds – [5] – [5] – [5] – – – [5] – [5] – 6.1.07 RMA Voorzetkamer voor 6.1.02 en 6.1.03 1 [2] 1 [2] 1 [2] – 1 1 [2] 1 [2] – 6.2.02 Dextromethorfan sir, flac 200 ml 3 1 1 – 3 1 6 – 6.3.02 RMA Xylometazoline neusdr. 0,1%, druppelflac 10 ml 5 3 3 – 5 3 10 – Infectiewerende middelen 7.1.11 RMA Amoxicilline met clavulaanzuur tabl 500/125 60 20 10 – 60 20 120 – 7.1.12 RMA Doxycycline tabl 100 mg 20 5 5 – 20 5 50 – 7.1.13 RMA Cefuroxim amp 750 mg + 5 ml opl (voor im inj) 15 6 6 – 15 6 30 – 7.2.03 RMA Co-trimoxazol tabl 800+160 mg 30 10 5 – 30 10 60 – 7.4.04 RMA Metronidazol tabl 500 mg 20 10 5 – 20 10 50 – 7.4.05 RMA Metronidazol supp of ovule 500 mg1</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>[10] – – – – – – [25] – 7.5.02 RMA Ciprofloxacine tabl 500 mg 80 40 20 – 80 40 200 – 7.6.03 RMA Tetanusvaccin amp 0,5 ml (voor im inj) (KOEL BEWAREN) 5 2 2 – 5 2 5 – 7.6.04 RMA Anti-tetanus immunoglobuline amp 250 E/2 ml (voor im inj) (KOEL BEWAREN) 3 1 1 – 3 1 5 – 7.7.04 .t RMA Atovaquon/proguanil tabl 250/100 mg 252 124 – – 252 124 756 – 7.7.05 .t RMA Artemether/Lumefantrine tabl 20/120 mg 120 48 – – 120 120 312 – 7.7.06 .t RMA Artemether 80 mg/ml, 1 ml amp 10 5 – – 10 5 20 – Preparaten bestemd voor rehydratie en toevoer van calorieën en plasmavervangmiddelen 8.1.03 RMA ORS met samenstelling vlgs WHO standaard, zakje voor de bereiding van 1 liter rehydratie-vloeistof 18 6 6 – 18 6 36 – 8.1.04 RMA NaCl 0,9% infuusvloeistof, flac 500 ml 2 [10] 1 [6] – – 4 2 [6] 4 [10] – 8.3.02 RMA Plasmavervangmiddel naar keuze, flac 500 ml 5 3 1 – 5 3 10 – Geneesmiddelen voor dermatologisch gebruik 9.1.23 Chloorhexidine 0,5%, flac 30 ml 4 2 1 1 4 2 8 1 9.1.24 Chloorhexidine/Cetrimide opl, flac 250 ml 3 1 – – 3 3 5 – 9.1.25 Handalcohol 70% 2 1 1 – 2 1 4 – 9.1.26 Fusidinezuur crème, tube 30 g 3 2 1 – 3 2 6 – 9.1.27 Betadine zalf, tube 30 g 3 2 1 1 3 2 6 – 9.1.28 Capsicum compositum crème, tube 30 g 3 1 1 – 3 1 6 – 9.1.29 Miconazolnitraat crème 2%, tube 30 g 4 2 1 – 4 2 8 – 9.1.30 Zilversulfadiazine crème 1%, tube 50 g (KOEL BEWAREN) 5 3 – – 5 5 8 – 9.1.31 Lang houdbare antiseptische crème geschikt voor behandeling van brandwonden – – – – – – – 1 9.1.32 Lanette/menthol crème 2%, tube 10 g 2 – – – 2 1 5 – 9.1.33 Permetrine lotion 10 mg/g, flac 59 ml 3 1 – – 3 1 5 – 9.1.34 RMA Triamcinolon 0.1%, tube 30 g 2 1 – – 2 1 4 – 9.1.35 Aciclovir tabl 400 mg 200 100 50 – 200 100 400 – Middelen voor oogheelkundig gebruik 9.2.08 RMA Tetracaïne oogdruppels 0,5%, unitdose (KOEL BEWAREN) 20 10 5 – 20 10 40 – 9.2.09 Pilocarpine oogdruppels 2%, druppelflac 10 ml (KOEL BEWAREN) 1 1 1 – 1 1 2 – 9.2.10 Fluoresceïne strips 1%, verpakking van 10 stuks 1 1 1 – 1 1 2 – 9.2.11 Tetracycline oogzalf 1%, tube 4g (KOEL BEWAREN) 2 [5] 1 [3] 1 [3] 1 2 1 [3] 4 [10] – 9.2.12 Fusidinezuur ooggel1%, unitdose 0,2 g (KOEL BEWAREN) 24 12 6 – 24 12 48 – 9.2.13 Fysiologisch zout voor oogspoeling 2 1 1 1 2 1 8 1 Middelen voor oorheelkundig gebruik 9.3.04 Polymyxine-B bevattende oordruppels 2 1 1 – 2 1 4 – Middelen tegen mond- en keelaandoeningen 9.4.02 Chloorhexidine gorgeldrank 2%, flac 200 ml 2 1 1 – 2 1 4 – Lokaal-anesthetica 9.5.04 Lidocaïne 2%, flac 20 ml zonder adrenaline (voor im en sc inj) 2 1 1 – 2 1 4 – 9.5.05 Spuitbus voor cryotherapie 2 1 1 – 2 1 4 – Aanvullende antidota voor gevaarlijke stoffen 10.1.01 RMA Calciumgluconaat gel 2%, tube 25 g – [5] – [5] – – – – [10] – [40] – 10.2.05 RMA Atropinesulfaat amp 1 mg/1 ml (voor im en iv inj) – [15] – [15] – – – – [30] – [100] – 10.2.06 RMA Calciumgluconaat bruistabl 1 g – [20] – [20] – – – – [40] – [100] – 10.2.09 RMA Geactiveerde kool, poeder, flac 50 g – [2] – [2] – – –</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>[2] – [2] – 10.2.10 RMA Aethylalcohol opl 95%, flac 500 ml – [3] – [1] – – – – [1] – [3] – Diversen 12.1.02 RMA Glucagon amp 1 mg + ml opl (voor im en iv inj) (KOEL BEWAREN) 2z 2z – 2z 4 2 4 – 1 De bereiding en aflevering van Metronidazol zetpillen kan op praktische bezwaren stuiten. Volgens informatie van de fabrikant is het mogelijk om vaginale ovules ook rectaal te gebruiken. Ovules (Flagyl) zijn daarom een gelijkwaardig alternatief.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 2. Verpleeg- en verbandartikelen Code Vereiste middelen A B B1 C D E Max.</p>\n<p class=\"lf-p\">R Reanimatiebenodigdheden II.1.11 Zuurstofkoffer draagbaar, compleet met gebruiksaanwijzingen, inclusief 1 gevulde medicinale zuurstoffles 2 l/200 bar, reduceerventiel met flowmeter en beademingsballon met groot, middelgroot en klein masker1 1 1 1 – 1 1 1 – II.1.12 Gevulde medicinale zuurstoffles (reserve) 2 l/200 bar, die aansluit bij II.1.11 en bij voorkeur daarbij op te bergen – [1] – [1] – – – – [3] – [3] – II.1.13 Zuurstoffles met zuurstof voor medische toepassing 40 l/200 bar of verdeeld over maximaal 4 flessen die allen dezelfde kleurcodering, vuldruk en aansluiting hebben, klaar voor direct gebruik in het ziekenverblijf van het schip, met 2 flowmeters voor het toedienen van zuurstof aan 2 personen tegelijk1 – [1] – [1] – – – – [1] – [1] – II.1.14 Afzuigeenheid mechanisch om de bovenste luchtwegen vrij te maken 1 1 1 – 1 1 1 – II.I.15 Hulpmiddel voor mond op mond beademing 1 [2] 1 [2] 1 1 2 2 4 – II.2.16 Guedel (Mayo-tube) no 3 – [2] – [2] – – – – [2] – [4] – II.2.17 Guedel (Mayo-tube) no 4 – [2] – [2] – – – – [2] – [4] – II.2.18 Zuurstofmaskers disposable (tot 60% zuurstof) met bijbehorende flexibele aansluitslangen 2 [10] 2 [10] 2 [10] – 2 2 [10] 6 [20] – Verbandmiddelen en hechtingsmateriaal II.2.21 Stuwband 1 1 1 1 1 1 4 1 II.2.22 Hechtingsset 1 1 1 1 1 1 4 – II.2.23 Zelfklevend elastisch verband 4 m/6 cm 1 1 1 1 2 1 2 1 II.2.24 Hydrolast windsel 4 m/6 cm 30 15 8 8 60 60 120 – II.2.25 Tunnelverband voor vingers m applicator, rol 5 m 4 1 1 1 4 4 12 – II.2.26 Hydrofiel gaas 5x5 cm steriel, verpakking van 16 10 5 3 1 20 20 40 – II.2.27 Hydrofiel gaas 10x10 cm steriel, verpakking van 25 st 3 2 2 1 3 3 10 1 II.2.28 Vaseline gaas steriel 10x10 cm 20 10 10 10 20 20 40 – II.2.29 Hydrofiel watten, 100 g 1 1 1 1 4 4 10 – II.2.30 Metalline laken steriel 73x250 cm 1 1 1 – 2 2 2 – II.2.31 Driekante doeken 4 4 2 2 4 4 4 4 II.2.32 Handschoenen niet steriel, per paar 12 6 3 3 12 12 24 3 II.2.33 Handschoenen steriel M, per paar 3 2 1 – 6 12 12 – II.2.34 Handschoenen steriel L, per paar 3 2 1 – 6 12 12 – II.2.35 Pleisterverband waterbest 1 m/6 cm 3 2 1 1 3 2 6 1 II.2.36 Snelverband steriel nr 2 middel 10 4 4 2 20 20 40 4 II.2.37 Hechtpleister waterbest 5 m/1¼ cm 2 1 1 1 2 2 5 1 II.2.38 Zwaluwstaart pleisters steriel 20 10 5 5 20 20 40 5 II.2.39 Hechtingen atraumatisch vicryl 4-0 10 5 5 – 10 10 20 – II.2.40 Synthetische watten 3 m/10 cm 2 1 1 – 2 2 4 – II.2.41 Oogklepje 2 1 1 – 3 3 3 – II.2.42 Oogcompressen, 5 stuks 2 1 1 – 3 3 3 – II.2.43 Veiligheidsspelden (RVS), 12 st 2 1 1 1 3 3 3 1 Instrumenten II.3.11 Scalpel steriel disposable 3 – – – 3 – 6 – II.3.12 Instrumentendoos (RVS) voor chirurgische instrumenten 1 1 1 – 1 1 2 – II.3.13 Schaar chirurgisch (RVS) 1 1 1 – 1 1 2 – II.3.14 Verbandschaar Lister 18 cm (RVS) 1 1 1 1 1 1 3 1 II.3.15 Pincet anatomisch (RVS) 1 1 1 – 1 1 2 – II.3.16 Pincet chirurgisch (RVS) 1 1 1 – 1 1 2 – II.3.17 Arterieklem vlgs Kocher (RVS)</p>\n<p class=\"lf-p\">1 1 1 – 1 1 2 – II.3.18 Naaldvoerder Mathieu 17 cm (RVS) 1 1 1 – 1 1 2 – II.3.19 Scheerapparaat disposable 5 2 2 – 5 5 10 – II.3.20 Splinterpincet (RVS) 1 1 1 – 1 1 2 – Materiaal voor onderzoek en medische controle II.4.11 Tongspatels disposable 50 10 5 – 50 50 100 – II.4.12 Teststrips voor urineanalyse: bloed/glucose/eiwit/nitriet/leucocyten, 50 strips 1 1 1 – 1 1 2 – II.4.13 Bladen voor registratie lichaamstemp en pols 20 5 5 – 20 20 40 – II.4.14 Medische kaart voor informatie bij evacuatie 4 2 2 – 4 4 10 – II.4.15 Stethoscoop 1 1 1 – 1 1 1 – II.4.16 Bloeddrukmeter, bij voorkeur automatisch 1 1 1 – 1 1 1 – II.4.17 Thermometer voor koorts 3 2 2 – 3 3 6 – II.4.18 Thermometer voor hypothermie 1 1 1 – 1 1 1 – II.4.19 Penlight ooglampje + blauw kapje 2 1 1 – 2 2 2 – II.4.20.t Snelle malariatest 2 2 – – 2 2 2 – Materiaal voor injecties, perfusie, puncties en catherisatie II.5.11 Urinezak met aansluiting op condoom 2 – – – 2 1 2 – II.5.12 Urinecatheter steriel Thieman zonder ballon nr 12 en 16 1 – – – 1 1 2 – II.5.13 Catheterglijmiddel lidocaïne 2%/chloorhexidine 0,05% 2 – – – 2 2 4 – II.5.14 Injectiespuiten steriel 2 ml disposable 50 [100] 25 [50] 5 5 50 40 [50] 100 [200] – II.5.15 Injectiespuiten steriel 5 ml disposable 10 5 [10] 2 – 10 10 20 [20] – II.5.16 Injectienaalden steriel sc 16x½ mm, passend op 14 en 15 25 10 5 – 25 10 50 – II.5.17 Injectienaalden steriel im 40x0,8 mm, passend op 14 en 15 50 [100] 25 [50] 5 5 50 25 [50] 100 [200] II.5.18 Infuusnaalden steriel 1,2 te gebruiken bij inbrengen infuus 4 [10] 2 [10] 1 – 8 4 [10] 8 [20] – II.5.19 Infuus systeem steriel 4 [10] 2 [10] 1 – 8 4 [10] 8 [20] – II.5.20 Nierbekken 2 1 1 – 1 1 4 – Verplegingsartikelen II.6.11 Set, persoonlijke beschermingsmiddelen: schort, beschermende bril en mondneusmasker 4 3 3 – 4 3 20 – II.6.12 Ondersteek 1 – – – 2 2 3 – II.6.13 Warmwaterzak 1 1 – – 2 1 3 – II.6.14 Urinaal 1 – – – 2 2 3 – II.6.15 ColdHotpack Maxi 20x30 cm (IN VRIEZER BEWAREN) 1 1 1 1 1 1 2 – II.6.16 Reddingdeken aluminiumfolie 1 1 1 1 2 2 4 1 Immobilisatiemateriaal II.7.11 Vervormbare spalk voor vingers/tenen 2 1 1 – 2 2 4 – II.7.12 Vervormbare spalk voor onderarm en hand, set van 6 stuks 1 1 1 – 1 1 2 – II.7.13 Vacuüm spalken (halve/hele arm, half/heel been) met handpomp of equivalent 1 1 – 1 2 2 3 – II.7.14 Nekkraag 2 2 1 – 2 2 4 – II.7.15 Vacuümschelpmatras met voetpomp 1 – – – 1 1 1 – II.7.16 Waar de voorgeschreven bemanning uit meer dan 3 personen bestaat een bij het schip en bedrijfshulpverleningsplan passend vervoermiddel voor een persoon 1 1 – 1 2 2 2 – Desinfectie, insectenverdelging, bescherming II.8.11 Drinkwater desinfectiemiddel, geschikt voor menselijke consumptie, hoeveelheid voor 1 keer de totale drinkwatervoorraad aan boord 2 1 1 – 2 2 5 – II.8.12 Diëthyltoluamide (DEET) 50% insect repellent, flac 30 ml 30 15 8 – 30 30 60 – II.8.13 Spuitbaar bestrijdingsmiddel tegen vliegend en kruipend ongedierte naar keuze, spuitflacon</p>\n<p class=\"lf-p\">2 1 1 – 2 1 10 – Diverse benodigdheden II.9.21 Body bag 1 [2] – – – 2 – 1 [2] – II.9.22 Geneeskundig Handboek voor de Scheepvaart, laatste editie incl. aanvullingen 1 1 1 – 1 1 1 – II.9.23 MFAG, laatste editie incl. aanvullingen als bedoeld in artikel 25 van de Regeling veiligheid zeeschepen [1] [1] [1] – – [1] [1] – II.9.24 EHBO-boekje Oranje Kruis, laatste editie – – – 1 – – 1 – II.9.25 Hersluitbare waterdichte medicijnkist of tas, bestemd voor alle artikelen uit kolom R met inhoudsopgave en behandelingsvoorschrift gedrukt op waterbestendig materiaal. – – – – – – – 1 1 In verband met het explosiegevaar dat zuurstof onder druk kan opleveren, geschiedt de berging van de zuurstoffles(sen) op een wijze die passend is, bij voorkeur in de buitenlucht of in een geventileerde ruimte. Extra medicinale zuurstof als beschreven onder II.1.12 is toegestaan en wordt geadviseerd voor alle schepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 6 Eisen met betrekking tot de vaart rond de eilanden van Caribisch-Nederland Bijlage behorend bij artikel 41b, eerste lid, van de Regeling veiligheid zeeschepen Een Caribisch-Nederlands schip, als bedoeld in artikel 41b, eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar van het schip draagt er zorg voor dat het schip en de inrichting in deugdelijke staat is en dat het geschikt is voor de reizen die met dat schip worden ondernomen. Dit houdt in dat luiken, patrijspoorten en andere openingen waterdicht, dan wel in geval van openingen naar de machinekamer luchtdicht kunnen worden afgesloten; dat er een goed bevestigde reling aanwezig is; dat de aanwezige brandblus- en lenspompen operationeel zijn; dat er geen beschadigingen zijn die de veiligheid kunnen beïnvloeden; dat de voortstuwingsinstallatie bedrijfsvaardig is en voorzien van voldoende brandstof en dat het schip niet meer personen vervoert dan is toegestaan volgens de voorschriften van de fabrikant. De eigenaar van het schip draagt zorg dat onveilige situaties worden voorkomen en dat passende maatregelen worden genomen om risico’s te beheersen. Hij draagt er tevens zorg voor dat alle opvarenden voor vertrek bekend zijn met de veiligheidsprocedures bij noodsituaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar kan aantonen dat de constructie, uitwatering en stabiliteit van het schip voldoen aan de eisen die door de bouwer, het klassenbureau, richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot pleziervaartuigen (PbEG 1994, L 164) of het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn gesteld. Het maximum toegestaan aantal opvarenden is vast op de buitenkant van het schip aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar van het schip draagt er zorg voor dat de voortstuwingsinstallatie en de aanwezige uitrusting in goede staat verkeert en wordt onderhouden of gekeurd conform de instructies van de fabrikant. Motoren en voortstuwingsinstallaties ondergaan jaarlijks een servicebeurt door een deskundige waarbij bijzondere aandacht aan de brandveiligheid wordt besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het schip is de volgende uitrusting aanwezig: – ten minste één goedgekeurde poederblusser van 5 kg en één goedgekeurde CO2-brandblusser van 6 liter nabij de toegang tot de machinekamer of een schuimblusser ingeval van een buitenboordmotor; – tenminste één brandslang met spuitstuk of indien geen brandbluspomp aanwezig is één puts met lijn; – indien sprake is van een kombuis, tenminste een branddeken; – goedgekeurde reddingvesten voor alle opvarenden; in geval er kinderen aan boord zijn worden deze voor alle kinderen aangevuld met reddingvesten geschikt voor gebruik door kinderen; – ten minste één goedgekeurde reddingboei, voorzien van de naam van het schip en de thuishaven; de boei is uitgerust met een drijvende lijn van 30 meter voorzien van een werpring en, indien in het donker gevaren wordt, van een licht; – een trapje waarmee drenkelingen terug aan boord kunnen worden genomen; – een zaklantaarn waarmee seinen kunnen worden gegeven en een seinspiegel; – een set goedgekeurde noodsignalen bestaande uit tenminste twee handstakellichten en twee valschermsignalen of lichtkogels; – een radarreflector inclusief voorzieningen om deze op een hoogte van tenminste een meter boven de romp te bevestigen; – een voor het vaartuig geschikt anker met ankerkettingvoorloop en ankerlijn van voldoende lengte; – een doelmatige lensmogelijkheid, bestaande uit tenminste één mechanische of handpomp per compartiment; voor eenvoudige vaartuigen kan worden volstaan met een hoosvat of emmer; – een goedgekeurde vast opgestelde VHF radio installatie voorzien van een elektrische krachtbron om gedurende tenminste drie uur stroom te leveren; – voldoende drinkwater voor de duur van de reis voor alle opvarenden; – een lijst met reddingseinen en noodprocedures; – navigatieverlichting, middelen voor het geven van geluidssignalen en dagmerken in overeenstemming met het Aanvaringsverdrag; – een deugdelijk kompas, geschikt voor maritiem gebruik; – tenminste twee meerlijnen van voldoende sterkte en lengte; en – een EHBO kist met de in bijlage 8 bij de SCV-Code voorgeschreven medische uitrusting en de daarbij behorende handleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benzine als brandstof is alleen toegestaan voor niet vast aangebrachte buitenboordmotoren. Deze motoren moeten zijn voorzien van een deugdelijke en veilige aansluiting met de benzinetank.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het schip is uitgerust met één enkel ingebouwd voortstuwingswerktuig is het schip tevens voorzien van peddels of roeiriemen en een drijfanker met lijn. Indien het schip is voorzien van één buitenboordmotor als voortstuwingswerktuig is er tevens een reserve buitenboordmotor aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag van benzine aan boord van een schip, dat gebruik maakt van een buitenboordmotor, geschiedt in goedgekeurde opslagtanks aan dek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 7 behorende bij artikel 5b. van de Regeling veiligheid zeeschepen LY3 The Large Commercial Yacht Code Applicable to yachts which are 24 metres and over in load line length, are in commercial use for sport or pleasure, do not carry cargo and do not carry more than 12 passengers.</p>\n<p class=\"lf-p\">TABLE OF CONTENTS 1 FOREWORD 12 2 DEFINITIONS 14 3 APPLICATION AND INTERPRETATION 20 4 CONSTRUCTION AND STRENGTH 21 5 WEATHERTIGHT INTEGRITY 23 6 WATER FREEING ARRANGEMENTS 27 7A MACHINERY – VESSELS OF LESS THAN 500GT 28 7B MACHINERY – VESSELS OF 500GT AND OVER 29 8A ELECTRICAL INSTALLATIONS – VESSELS OF LESS THAN 500GT 29 8B ELECTRICAL INSTALLATIONS – VESSELS OF 500GT AND OVER 30 9A STEERING GEAR – VESSELS OF LESS THAN 500GT 30 9B STEERING GEAR – VESSELS OF 500GT AND OVER 30 10A BILGE PUMPING – VESSELS OF LESS THAN 500GT 30 10B BILGE PUMPING – VESSELS OF 500GT AND OVER 31 11 STABILITY 31 12 FREEBOARD 37 13 LIFE SAVING APPLIANCES 38 14 FIRE SAFETY 42 14A STRUCTURAL FIRE PROTECTION – VESSELS OF LESS THAN 500GT 44 14B STRUCTURAL FIRE PROTECTION – VESSELS OF 500GT AND OVER 47 15A FIRE APPLIANCES – VESSELS OF LESS THAN 500GT 59 15B FIRE APPLIANCES – VESSELS OF 500GT AND OVER 61 16 RADIO 61 17 NAVIGATION LIGHTS, SHAPES AND SOUND SIGNALS 63 18 NAVIGATIONAL EQUIPMENT AND VISIBILITY FROM WHEELHOUSE 63 19 MISCELLANEOUS EQUIPMENT 65 20 ANCHORS AND CABLES 65 21 ACCOMMODATION 66 21A ACCOMMODATION AND RECREATIONAL FACILITIES – VESSELS OF LESS THAN 200GT CONSTRUCTED ON OR AFTER THE DATE OF ENTRY INTO FORCE OF MLC 2006 68 21B ACCOMMODATION – VESSELS ≥200GT CONSTRUCTED ON OR AFTER THE DATE OF ENTRY INTO FORCE OF MLC 2006 71 22 PROTECTION OF PERSONNEL 79 23 MEDICAL STORES 80 24 SHORE-SHIP TRANSFER OF PERSONNEL 80 25 CLEAN SEAS 82 26 MANNING AND PERSONNEL CERTIFICATION 82 27 PASSENGERS 86 28 SURVEY, CERTIFICATION, INSPECTION AND MAINTENANCE 87 29 CREW AGREEMENTS 88 30 SAFETY MANAGEMENT 88 31 INTERNATIONAL SHIP AND PORT FACILITY SECURITY CODE 89 ANNEX 1 MEMBER’S OF THE STEERING COMMITTEE AND WORKING GROUP RESPONSIBLE FOR THE CODE 89 ANNEX 2 SAFETY MANAGEMENT SYSTEM FOR VESSELS UNDER 500GT 89 ANNEX 3 OPEN FLAME GAS INSTALLATIONS 91 ANNEX 4 LIST OF CERTIFICATES TO BE ISSUED 93 ANNEX 5 UNITED KINGDOM NATIONAL ANNEX 94 ANNEX 6 TECHNICAL STANDARDS FOR HELICOPTER LANDING AREAS 98 ANNEX 7 AMENDMENTS TO THE TEXT OF MSN 1792 LY2 EDITION 2 98 1 FOREWORD This Code of Practice has been developed jointly by the United Kingdom, its relevant overseas territories and crown dependencies1Crown Dependencies (Isle of Man, Guernsey and Jersey) and the UK Overseas Territories (Anguilla, Bermuda, British Virgin Islands, Cayman Islands, Falkland Islands, Gibraltar, Montserrat, St Helena and the Turks &amp; Caicos Islands, and international industry representatives.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Where ‘Administration’ is used in the Code, it means the Government of the State whose flag the ship is entitled to fly.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Vessels are required to comply with the various merchant shipping regulations of the Administration which are relevant to the class of vessel to which they belong. Vessels in commercial use for sport or pleasure, such as Large Yachts, do not fall naturally into a single class and, in any case, prescribed merchant ship safety standards may be incompatible with the safety needs particular to such vessels. Since its original publication, the Large Yacht Code has made a significant impression on a maritime sector which previously found great difficulty in embracing conventional regulation. As a result the Code enjoys both national support and international recognition as a standard, breaking new ground both in its inception and methodology.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 The Code applies to vessels in commercial use for sport or pleasure (being pleasure vessels ‘engaged in trade’ for the purpose of Article 5 Exceptions – of the International Convention on Load Lines, 1966 (ICLL)) which are 24 metres in load line length and over or, if built before 21 July 1968, 150 gross tons and over according to the tonnage measurement regulations applying at that date and which do not carry cargo and do not carry more than 12 passengers. Sail training ships are included in this application.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 The United Kingdom has notified the International Maritime Organization of the Code and its application to pleasure vessels engaged in trade as an equivalent arrangement under the provisions of Article 8 of the International Convention on Load Lines, 1966, Regulation I-5 of the International Convention on Safety of Life at Sea, and Article 9 of the International Convention on Standards of Training Certification and Watchkeeping for Seafarers 1978 as amended. Reference can be made to IMO Circular Letter No. 2937, dated 13 January 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 The Code sets required standards of safety and pollution prevention which are appropriate to the size of the vessel. The standards applied are either set by the relevant international conventions or equivalent standards where it is not reasonable or practicable to comply. Provision is made within the Code to add any specific national requirements within a National Annex.</p>\n<p class=\"lf-p\">An Administration may consider a specific alternative equivalent standard to any standard required by the Code. Applications which justify either an alternative or exemption from a specific requirement of the Code can be made to the Administration.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6 The Code has been developed by an industry wide group with the express intention of setting pollution prevention and safety standards which identify with the specific needs of vessels in commercial use for sport and pleasure. The Code was reviewed and revised in 2012 to bring it up to date and reflect the needs of the industry. The standards adopted are judged to be at least equivalent in their effect to those required by the international conventions which apply to a particular vesse.</p>\n<p class=\"lf-p\">The membership of the industry wide groups that developed and revised the Code are listed in Annex 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.7 Compliance with the standards required by the Code will entitle a vessel to be issued with the certification required by the international conventions applicable to the vessel, upon satisfactory completion of the corresponding surveys and inspections.</p>\n<p class=\"lf-p\">The certificates demanded by the international conventions which apply to the vessels covered by the Code are summarised in Section 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.8 When equipment manufactured in accordance with a recognised British, European or International standard is required by the Code, the Administration may accept existing equipment which can be shown to be of an equivalent standard and which does not increase the risk to the ship or its crew and passengers. When such equipment is replaced, the replacement should conform to the standard required by the Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.9 For vessels entitled to fly the flag of a Member State of the European Union, the Commission of the European Communities' general mutual recognition clause should be accepted. The clause states:</p>\n<p class=\"lf-p\">Any requirement for goods or materials to comply with a specified standard should be satisfied by compliance with: .1 a relevant standard or code of practice of a national standards body or equivalent body of a Member State of the European Community; or .2 any relevant international standard recognised for use in any Member State of the European Community; or .3 a relevant specification acknowledged for use as a standard by a public authority of any Member State of the European Community; or .4 traditional procedures of manufacture of a Member State of the European Community, and Turkey, where these are the subject of a written technical description sufficiently detailed to permit assessment of the goods or materials for the use specified; or .5 a specification sufficiently detailed to permit assessment for goods or materials of an innovative nature (or subject to innovative processes of manufacture such that they cannot comply with a recognised standard or specification) and which fulfil the purpose provided by the specified standard; provided that the proposed standard, code of practice, specification or technical description provides, in use, equivalent levels of safety, suitability and fitness for purpose. Due attention should be paid to the requirements of the Marine Equipment Directive.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.10 It is recognised that the Code may be required to be revised in the light of experience gained in its application. Section 3.5 makes provision for this.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.11 It is recommended that pleasure vessels comply with the standards of the Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 DEFINITIONS (Note – where a definition is not contained within this Code, guidance should be taken from meanings given within the International Conventions) ‘Administration’ with regard to this Code means the Government of the State whose flag the ship is entitled to fly. ‘Aiming Circle’ (Touchdown/positioning marking) The aiming point for a normal landing, so designed that the pilot’s seat can be placed directly above it in any direction with assured main and tail rotor clearances. ‘Approved’ in respect to materials or equipment means approved by the Administration or approved by an Administration or organisation which is formally recognised by the Administration. ‘Authorised surveyor’ means a surveyor who by reason of professional qualifications, practical experience and expertise is authorised by the Administration to carry out the survey required for the vessel. ‘Aviation Inspection Body’ Body delegated the responsibility of inspecting helicopter landing areas by the Administration. The verification process will include inspection, certification and, where necessary, the application of appropriate operational limitations. ‘Buoyant lifeline’ means a line complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Cargo’ means an item(s) of value that is carried from one place and discharged at another place and for which either a charge or no charge is made and is not for use exclusively onboard the vessel. ‘Commercial vessel’ means a vessel which is not a pleasure vessel. ‘Control stations’ are those spaces in which the ship's radio or main navigating equipment or the emergency source of power are located or where the fire recording or fire control equipment is centralised. ‘Design Waterline’ Deepest loaded draught. ‘D-Value’ The largest overall dimension of the helicopter when rotors are turning. This dimension will normally be measured from the most forward position of the main rotor tip path plane to the most rearward position of the tail rotor tip path plane (or the most rearward extension of the fuselage in the case of Fenestron or Notar tails). ‘D-Circle’ A circle, usually imaginary unless the helicopter landing area itself is circular, the diameter of which is the D-Value of the largest helicopter the landing area is intended to serve. This will not be the case for landing areas of less than 1D width. For landing areas of less than 1D width, the edges of the imaginary D circle, may extend beyond the edge of the load bearing area by up to 0.085D on either side at the mid point.</p>\n<p class=\"lf-p\">‘Efficient’ in relation to a fitting, piece of equipment or material means that all reasonable and practicable measures have been taken to ensure that it is suitable for the purpose for which it is intended to be used. ‘Embarkation ladder’ means a ladder complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Emergency source of electrical power’ is a source of electrical power, intended to supply the emergency switchboard in the event of failure of the supply from the main source of electrical power. ‘Emergency switchboard’ is a switchboard which in the event of failure of the main electrical power supply system is directly supplied by the emergency source of electrical power or the transitional source of emergency power and is intended to distribute electrical energy to the emergency services. ‘EPIRB’ means a satellite emergency position-indicating radio beacon, being an earth station in the mobile-satellite service, the emissions of which are intended to facilitate search and rescue operations, complying with performance standards adopted by the IMO contained in either Resolution A.810(19) or Resolution A.812(19) and Resolution A.662(16), or any Resolution amending or replacing these from time to time and which is considered by the Administration to be relevant, and is capable of: (a) floating free and automatically activating if the ship sinks; (b) being manually activated; and (c) being carried by one person. ‘Existing vessel’ means any vessel, the keel of which was laid or was at a similar stage of construction prior to the 1st October 2013 or the date of entry into force of the Maritime Labour Convention 2006 if that be sooner. ‘Float-free launching’ means that method of launching a liferaft whereby the liferaft is automatically released from a sinking ship and is ready for use, complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘FOD’ Foreign Object Debris. ‘Freeboard’ has the meaning given in annex I of ICLL. The freeboard assigned is the distance measured vertically downwards amidships from the upper edge of the deck line to the upper edge of the related load line. ‘Freeboard deck’ has the meaning given in annex I of ICLL. The freeboard deck is normally the uppermost complete deck exposed to the weather and sea, which has permanent means of closing all openings in the weather part thereof, and below which all openings in the sides of the ship are fitted with permanent means of watertight closing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In a ship having a discontinuous freeboard deck, the lowest line of the exposed deck and the continuation of that line parallel to the upper part of the deck is taken as the freeboard deck.</p>\n<p class=\"lf-p\">At the option of the owner and subject to the approval of the Administration, a lower deck may be designated as the freeboard deck provided it is a complete and permanent deck continuous in a fore and aft direction at least between the machinery space and peak bulkheads and continuous athwart ships.</p>\n<p class=\"lf-p\">When a lower deck is designated as the freeboard deck, that part of the hull which extends above the freeboard deck is treated as a superstructure so far as concerns the application of the conditions of assignment and the calculation of freeboard. It is from this deck that the freeboard is calculated. ‘Garbage’ means all kinds of victual, domestic and operational waste excluding fresh fish and parts thereof, generated during the normal operation of the vessel and liable to be disposed of continuously or periodically, except sewage originating from vessels. ‘Hazardous space’ means a space or compartment in which combustible or explosive gases or vapours are liable to accumulate in dangerous concentrations. ‘ICAO’ International Civil Aviation Organization. ‘ICLL’ means the International Convention on Load Lines, 1966, as amended. ‘IMO’ means the International Maritime Organization, a specialised agency of the United Nations devoted to maritime affairs. ‘Inflatable lifejacket’ means a lifejacket complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Jet A1 Fuel’ also known as kerosene. It is used as a fuel for modern jet and turboprop engines. It consists primarily of hydrocarbon compounds, but other additives are present to increase safety. International regulations stipulate uniform standards for the quality and composition of kerosene. ‘Landing Area’ A generic term referring to any area primarily intended for the landing or take-off of aircraft. ‘Instructions for on-board maintenance’ means the instructions complying with the requirements of SOLAS III/Part B – Life Saving Appliances and Arrangements, Regulation 36. ‘Launching appliance’ means a provision complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code for safely transferring a lifeboat, rescue boat, or liferaft respectively, from its stowed position to the water and recovery where applicable. ‘Length’ means 96% of the total length on a waterline of a ship at 85% of the least moulded depth measured from the top of the keel, or the length from the fore-side of the stem to the axis of the rudder stock on that waterline, if that be greater. In ships designed with a rake of keel the waterline on which this is measured should be parallel to the designed waterline.2The UK definition of length is contained in Statutory Instrument 1998 No. 2241 The Merchant Shipping (Load line) Regulations 1998, as amended. ‘Lifeboat’ means a lifeboat complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">‘Lifebuoy’ means a lifebuoy complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Lifejacket’ means a lifejacket complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Cod. ‘Liferaft’ means a liferaft complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Line throwing appliance’ means an appliance complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘LOS’ Limited Obstacle Sector. The 150° sector within which obstacles may be permitted, provided the height of the obstacles is limited. ‘Low flame spread’ means that the surface thus described will adequately restrict the spread of flame, this being determined to the satisfaction of the Administration by an established procedure. ‘Machinery spaces’ are all machinery spaces of category A and all other spaces containing propelling machinery, boilers, oil fuel units, steam and internal combustion engines, generators and major electrical machinery, oil filling stations, refrigerating, stabilizing, ventilation and air conditioning machinery, and similar spaces, and trunks to such spaces. ‘Machinery spaces of category A’ are those spaces and trunks to such spaces which contain: (a) internal combustion machinery used for main propulsion; or (b) internal combustion machinery used for purposes other than main propulsion where such machinery has in the aggregate a total power output of not less then 375Kw; or (c) any oil-fired boiler or oil fuel unit. ‘Main source of electrical power’ is a source intended to supply electrical power to the main switchboard for distribution to all services necessary for maintaining the ship in normal operation and habitable condition. ‘Main switchboard’ is a switchboard which is directly supplied by the main source of electrical power and is intended to distribute electrical energy to the ship's services. ‘Main vertical zone’ means those sections into which the hull, superstructure and deckhouses are divided by A class divisions, the mean length of which on any deck does not normally exceed 40 metres. ‘MARPOL’ means the International Convention for the Prevention of Pollution from Ships, 1973, as amended. ‘Major conversion’ means a conversion of a vessel: (a) that substantially alters the dimensions of a vessel; (b) which changes the type of the vessel; (c) the intent of which in the opinion of the Administration is substantially to prolong its life; (d) which otherwise so alters the ship that, if it were a new vessel, it would become subject to relevant provisions of the present code not applicable to it as an existing vessel.</p>\n<p class=\"lf-p\">‘Maritime &amp; Coastguard Agency’ (MCA) means the Maritime &amp; Coastguard Agency, an executive agency of the United Kingdom Department for Transport. ‘Merchant Shipping Notice’ (MSN) means a Notice described as such and issued by the MCA and reference to a specific Merchant Shipping Notice includes reference to any Merchant Shipping Notice amending or replacing that Notice which is considered by the Secretary of State to be relevant from time to time and is specified in a Merchant Shipping Notice. ‘Mile’ means a nautical mile of 1852 metres. ‘Motor vessel’ means a vessel which is described in the register and on the certificate of registry as such, and which has a sole means of propulsion either one or more power units. ‘Multihull vessel’ means any vessel which in any normally achievable operating trim or heel angle, has a rigid hull structure which penetrates the surface of the sea over more than one separate or discrete area. ‘New vessel’ means a vessel to which this Code applies, the keel of which was laid or was at a similar stage of construction on or after the 1st October 2013 or the date of entry into force of the Maritime Labour Convention 2006 if that be sooner. ‘Not readily ignitable’ means that the surface thus described will not continue to burn for more than 20 seconds after removal of a suitable impinging test flame. ‘Officer’ means (a) any seafarer who is required to be qualified under the International Convention on Standards of Training, Certification and Watchkeeping for Seafarers, 1978, as amended (STCW Convention); or (b) any other seafarer considered by the owner/managing agent to be an officer. ‘OFS’ Obstacle-Free Sector. The 210° sector, extending outwards to a distance that will allow for an unobstructed departure path appropriate to the helicopter that the landing area is intended to serve, within which no obstacles above helideck level are permitted. ‘Owner(s)/managing agent(s)’ means the registered owner(s) or the owner(s) or the managing agent(s) of the registered owner(s) or the owner(s) or owner(s) ipso facto, as the case may be. ‘Passenger’ means any person carried in a ship except: (a) a person employed or engaged in any capacity on board the ship on the business of the ship; (b) a person on board the ship either in pursuance of the obligation laid upon the master to carry shipwrecked, distressed or other persons, or by reason of any circumstances that neither the master nor the owner nor the charterer (if any) could have prevented; and (c) a child under one year of age.</p>\n<p class=\"lf-p\">‘Passenger ship’ means a ship carrying more than 12 passengers. ‘Person’ means a person over the age of one year. ‘Pleasure vessel’ means a vessel so defined by the Administration (see National Annex). ‘Position 1’ means upon exposed freeboard and raised quarter decks, and upon exposed superstructure decks situated forward of a point located a quarter of the ship's length from the forward perpendicular. ‘Position 2’ means upon exposed superstructure decks situated abaft a quarter of the ship’s length from the forward perpendicular. ‘Radar transponder’ means a radar transponder for use in survival craft to facilitate location of survival craft in search and rescue operations. ‘Recess’ means an indentation or depression in a deck and which is surrounded by the deck and has no boundary common with the shell of the vessel. ‘Rescue boat’ means a boat complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code and designed to rescue persons in distress and for marshalling liferafts. ‘Retro-reflective material’ means a material which reflects in the opposite direction a beam of light directed on it. ‘Rocket parachute flare’ means a pyrotechnic signal complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Safe haven’ means a harbour or shelter of any kind which affords entry, subject to prudence in the weather conditions prevailing, and protection from the force of the weather. ‘Sailing vessel’ means a vessel designed to carry sail, whether as a sole means of propulsion or as a supplementary means. ‘Sail training vessel’ means a sailing vessel which, at the time, is being used either: a) to provide instruction in the principles of responsibility, resourcefulness, loyalty and team endeavour and to advance education in the art of seamanship; or b) to provide instruction in navigation and seamanship for yachtsmen; ‘Seafarer’ means any person who is employed or engaged or works in any capacity on board a ship. (See National Annex for interpretation) ‘Self-activating smoke signal’ means a signal complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Self-igniting light’ means a light complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Short Range Yacht’ means a vessel under 500GT the keel of which was laid or was at a similar stage of construction prior to the 1st August 2005 or a new vessel constructed on or after that date under 300GT: • restricted to operating in forecast or actual wind of a maximum Beaufort Force 4, for a motor yacht, and Beaufort Force 6 for a sailing yacht;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>within 60 nautical miles of a safe haven. (The Administration may permit operation on specified routes up to 90 nautical miles from a safe haven as appropriate). ‘Similar stage of construction’ means at a stage which: (a) construction identifiable with a specific vessel begins; and (b) assembly of that vessel, comprising at least 1% of the estimated mass of all structural material has commenced.</div>\n<p class=\"lf-p\">In the case of vessels constructed of FRP or GRP this will be considered as the date when more than 5% of the hull resin and reinforcement has been laid. ‘SLA’ Safe Landing Area. The area bounded by the perimeter line and perimeter lighting. The construction of the OFS and LOS segments (see below) should ensure that the main rotor will not risk conflict with obstacles when the nose of the helicopter is butted-up to, but not projecting over, the perimeter line. Thus the pilot, when landing in unusual circumstances, has confidence that he can touch down provided that all wheels are within the SLA and the nose of the helicopter is not projecting over the nearest perimeter line ahead. However, only correct positioning over the aiming circle (see ‘Aiming Circle’ above) will ensure proper clearance with respect to physical obstacles, provision of ground effect, and provision of adequate passenger access/egress. ‘SOLAS’ means the International Convention of Safety of Life at Sea, 1974, as amended. ‘SOLAS A pack’ means a liferaft emergency pack complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘SOLAS B pack’ means a liferaft emergency pack complying with the requirements of the IMO International Life-Saving Appliances Code. ‘Standard fire test’ means a test in which specimens of the relevant bulkheads, decks or other constructions are exposed in a test furnace by a specified test method in accordance with the IMO Fire Test Procedures Code. ‘Submersible Craft’ means any description of manned mobile submersible apparatus which is designed to maintain some or all of its occupants at or near atmospheric pressure including free, self-propelled, tethered, towed or bottom contact propelled apparatus and atmospheric diving suits. A diving bell is not a submersible craft for the purposes of these Regulations; and ‘diving bell’ means any compression chamber which is capable of being manned and is used or designed for use under the surface of water in supporting human life being a chamber in which any occupant is or may be subjected to a pressure of more than 300 millibars above atmospheric pressure during normal operation; ‘Superstructure’ has the meaning given in annex I to ICLL. ‘Survival craft’ means a craft capable of sustaining the lives of persons in distress from the time of abandoning the ship. ‘Trainee’ A trainee SHOULD:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Be engaged for the sole purpose of: (a) obtaining instruction in the principles of responsibility, resourcefulness, loyalty and team endeavour; and/or (b) instruction in navigation and seamanship, marine engineering or other shipboard related skills.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Be considered to form part of a ‘trainee voyage crew'; and 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Participate in the operation of the vessel to the best of his or her ability. A trainee SHOULD NOT:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>be part of the crew for the purpose of safe manning or have any safety critical duties;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>have any employment contract or any employment relationship with the owner or operator of the vessel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>receive any remuneration for his/her activities on board;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>be considered to be a seaman or seafarer; and 5. be considered as a passenger*. *Note - the fact that a trainee(s) may contribute towards the cost of their welfare whilst on board should not imply that they are passengers.</div>\n<p class=\"lf-p\">The Minimum age of trainees should be an issue for the National Marine Administration and requirements should be as indicated in the National Annex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Training organisations wishing to operate training vessels carrying more than 12 trainees should comply with the requirements of the National Marine Administration as indicated in the National Annex. ‘Training manual’ with regard to life-saving appliances means a manual complying with the requirements of SOLAS III/Part B – Life Saving Appliances and Arrangements, Regulation 35. ‘Training Vessel’ Training Vessel which may be either a sailing or motor vessel, means a vessel which is operated to provide: a) instruction in the principles of responsibility, resourcefulness, loyalty and team endeavour; and/or b) instruction in navigation and seamanship, marine engineering or other shipboard related skills.</p>\n<p class=\"lf-p\">The vessel must be properly and safely manned at all times, both at sea and if necessary in port, by a sufficient number of experienced and competent personnel to ensure that trainees are adequately supervised giving particular consideration to the number, age and sex of the trainees.</p>\n<p class=\"lf-p\">All training should be properly organised with clearly detailed objectives and outcomes. ‘Two-way VHF radiotelephone set’ means a portable or a fixed VHF installation for survival craft complying with the performance standards adopted by the IMO contained in A.762(18) or any Resolution amending or replacing it which is considered by the Administration to be relevant from time to time. ‘Voyage’ includes an excursion. ‘Watertight’ means capable of preventing the passage of water in any direction. ‘Weather deck’ means the uppermost complete weather tight deck fitted as an integral part of the vessel's structure and which is exposed to the sea and weather. ‘Weathertight’ has the meaning given in annex I of ICLL. Weathertight means that in any sea conditions water will not penetrate into the ship. ‘Wheelhouse’ means the control position occupied by the officer of the watch who is responsible for the safe navigation of the vessel. ‘Window’ means a ship's window, being any window, regardless of shape, suitable for installation aboard ships.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 APPLICATION AND INTERPRETATION 3.1 Application 3.1.1 The Code applies to a motor or sailing vessel of 24 metres in load line length and over or, if built before 21 July 1968, which is of 150 tons3‘tons’ means gross tons, measured in accordance with the Regulations for measuring tonnage in force on 20th July 1968 gross tonnage and over and which, at the time, is in commercial use for sport or pleasure and carries no cargo and no more than 12 passengers. Sail training vessels are included in this application.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2 The Administration may establish alternative standards for yachts operating under International Sailing Federation (ISAF) or Union Internationale Motonautique (UIM) racing rules.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3 Any provision of the Code expressed in the conditional (i.e. ‘should’) shall be a requirement.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Area of Operation 3.2.1 In general, requirements given within the Code are based on unrestricted geographical operation outside Polar Regions, however, where considered appropriate, standards for vessels operating as Short Range Yachts have been included.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.2 Yachts which intend to operate in Polar Regions must meet requirements of one of the recognised Classification Societies listed in the National Annex appropriate to the intended area of operation. Stability conditions should include those for icing. Reference to be made to the IMO Guidelines for Polar Regions, Resolution A.1024(26) as amended or replaced by IMO for yachts intended to operate inside polar regions.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Equivalent Standards, Exemptions and Existing Vessels 3.3.1 Equivalent standards Proposals for the application of alternative standards considered to be at least equivalent to the requirements of the Code should be submitted to the Administration for approval. Equivalence may be achieved by incorporating increased requirements to balance deficiencies and thereby achieve the overall safety standard.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2 Exemptions Exemptions should be granted only by the Administration.</p>\n<p class=\"lf-p\">Applications for exemption should be made to the Administration and be supported by justification for the exemption.</p>\n<p class=\"lf-p\">The granting of exemptions will be limited by the extent to which international conventions allow and should be regarded as exceptiona 3.3.3 New and Existing vessels 3.3.3.1 In the case of an existing vessel which does not comply fully with the Code safety standards but for which the Code standards are reasonable and practicable, the Administration should give consideration to a proposal from the owner(s)/managing agent(s) to phase in requirements within an agreed time scale not exceeding 18 months.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3.2 When an existing vessel does not meet the Code safety standard for a particular feature and it can be demonstrated that compliance is neither reasonable nor practicable, proposals for alternative arrangements should be submitted to the Administration for approval. In considering individual cases, the Administration should take into account the vessel's service history and any other factors which are judged to be relevant to the safety standard which can be achieved.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3.3 Generally, repairs, alterations and refurbishments should comply with the standards applicable to a new vessel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3.4 Vessels the keels of which were laid or were at a similar stage of construction before the 1st October 2013 or the date of entry into force of the Maritime Labour Convention 2006 if that be sooner and which have and have been or are currently under survey to LY1 or LY2 may continue to be considered under the standards in force at the time of initial survey with the exception of the following which must comply with this version of the code: (a)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Section 13.2.4 Lifejackets;</h3>\n<p class=\"lf-p\">(b)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Section 16.3.1 (Radio equipment);</h3>\n<p class=\"lf-p\">(c)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Section 18.1.8 Vessels of 300GT and over have LRIT fitted;</h3>\n<p class=\"lf-p\">(d)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Section 18.1.9 Vessels of 150GT and over have BNWAS fitted;</h3>\n<p class=\"lf-p\">(e)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Section 26 Manning and Personnel Certification;</h3>\n<p class=\"lf-p\">(f)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Section 29 Crew Agreements;</h3>\n<p class=\"lf-p\">(g)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Section 30.2 Vessels under 500GT, Safety Management;</h3>\n<p class=\"lf-p\">(h) Existing sailing yachts may take advantage of the definition of a ‘Short range yacht’ in this version of the Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3.5 All other vessels should be surveyed under this version of the Code.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Interpretation Where a question of interpretation of any part of this Code arises which cannot be resolved by a delegated authority and the owner(s)/managing agent(s) for a vessel, a decision on the interpretation may be obtained on written application to the Administration.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Updating the Code The requirements of the Code will be reviewed and, if necessary revised, by the Administration in consultation with the working group.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 CONSTRUCTION AND STRENG Objective: The purpose of this section is to ensure that all vessels are constructed to a consistent standard in respect of strength and watertight integrity. New Vessels are to be built to the requirements of one of the recognised Classification Societies listed in the National Annex and issued with a commercial Certificate of Classification. Existing Vessels which do not have a Certificate of Classification issued by a Classification Society listed in the National Annex should obtain such a certificate. For vessels under 500GT alternative arrangements for Short Range operation may be agreed by the Administration. The extent of the watertight bulkheads defined in Section 4.3 is to ensure that sufficient buoyancy is maintained by the vessel to meet the damaged stability requirements of Section 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1 General Requirements 4.1.1 All vessels should have a freeboard deck.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.2 All vessels should be fitted with a weather deck throughout the length of the vessel and be of adequate strength to withstand the sea and weather conditions likely to be encountered in the declared area(s) of operation.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.3 The declared area(s) of operation and any other conditions which restrict the use of the vessel at sea should be recorded on the load line certificate issued to the vessel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.4 The choice of hull construction material affects fire protection requirements, for which reference should be made to section 14A and 14B.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.5 Where a considerable risk of lightning strike is identified vessels should have lightning strike protection.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Structural Strength 4.2.1 All vessels must be constructed in accordance with the requirements of a recognised Classification Society listed in the National Annex.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.2 Attention should be paid to local or global hull strength requirements for the provision of ballast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Watertight Bulkheads Section 11 of the Code deals with subdivision and damage stability requirements which will determine the number and positioning of watertight bulkheads defined below.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.1 Watertight bulkheads should be fitted in accordance with the following requirement: .1 The strength of watertight bulkheads and their penetrations, and watertight integrity of the division should be in accordance with the requirements of one of the Classification Societies referred to in the National Annex. .2 Generally, openings in watertight bulkheads should comply with the standards required for passenger vessels, as defined in SOLAS Chapter II-1. Hand operation from above the bulkhead deck and a hydraulic accumulator may be omitted if each door has it’s own individual power- pack electrically driven via the emergency switchboard, and control voltage from emergency battery, and each door can be operated manually at the door. Edge strips which stop the door closing on contact are not permitted. .3</p></div>", "next": 239685}