{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1,0 Hoog 1,3 1. Laag Handelen in strijd met het bestemmingsplan regulier 1,0 1,0 2,5 2,0 1,5 Middel 1,8 1. Laag Handelen in strijd met het bestemmingsplan uitgebreid 2,0 2,0 3,0 2,0 2,5 Laag 2,3 2. Gemiddeld Handelen in strijd met het bestemmingsplan tijdelijk 1,0 1,0 2,0 1,0 1,5 Middel 1,5 1. Laag 3. Risicoanalyse brandveiligheid Activiteit Gezondheid Veiligheid Leefomgeving Financieel Bestuurlijk Kans op slecht naleefgedrag Gemiddeld risico Prioriteit Omgevingsvergunning brandveilig gebruik 2,5 3,0 2,0 2,0 3,0 Middel 2,9 2. Gemiddeld Melding brandveilig gebruik 1,0 2,0 0,0 0,5 1,5 Laag 1,0 1. Laag 4. Risicoanalyse sloop Activiteit Gezondheid Veiligheid Leefomgeving Financieel Bestuurlijk Kans op slecht naleefgedrag Gemiddeld risico Prioriteit Sloopvergunning (o.b.v. bestemmingsplan) 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 Hoog 1,3 1. Laag Slopen/veranderen in beschermd stads- en dorpsgezicht of monument eenvoudig 1,0 1,0 2,0 2,0 2,0 Hoog 2,1 2. Gemiddeld Slopen/veranderen in beschermd stads- en dorpsgezicht of monument complex 2,0 1,0 3,0 3,0 3,0 Middel 2,8 2. Gemiddeld 5. Risicoanalyse verordeningen Activiteit Gezondheid Veiligheid Leefomgeving Financieel Bestuurlijk Kans op slecht naleefgedrag Gemiddeld risico Prioriteit Vellen van een houtopstand 0,0 0,0 3,0 0,5 2,0 Middel 1,3 1. Laag In- en uitritten 0,0 1,0 2,0 1,0 1,5 Middel 1,3 1. Laag Reclame 0,0 0,0 2,0 0,5 1,0 Hoog 0,9 0. Zeer laag 6. Risicoanalyse milieutaken Code Beschrijving activiteit Totaal Klasse/prioriteit WM04 Autosloperij 37,1 I WM35 Overige industrie chemisch 36,8 I WM46 Tankstations met LPG 36,6 I WM02 Afvalstoffen 36,0 I WM13 Garage met tankstation 35,1 II WM26 Loonbedrijven cat 3/4 30,9 II WM47 Tankstations zonder LPG 29,9 II WM32 Overige 29,8 II WM34 Overige industrie 29,7 II WM31 Opslag- en transportbedrijven cat 3/4 28,7 II WM52 Vuurwerk 28,3 II WM15 Garage zonder tankstation cat 3/4 27,9 II WM55 Zwembaden 27,9 II WM50 Veehouderijen varkens/kippen 27,7 II WM29 Metaal- en elektrabedrijven cat 3/4 27,2 II WM06 Bouw- en houtbedrijven cat 3/4 26,6 III WM12 Drukkerijen cat 3/4 24,5 III WM14 Garage zonder tankstation cat 1/2 24,4 III WM01 (Chemische) Wasserijen 24,4 III WM24 Jachthavens cat 3/4 23,9 III WM07 Campings, bungalow- en recreatieparken 23,9 III WM36 Overige industrie hout 21,8 III WM21 Horecabedrijven cat 3/4 21,5 III WM41 Schildersbedrijven 21,4 III WM19 Glastuinbouw cat 3/4 21,2 III WM25 Loonbedrijven cat 1/2 21,1 III WM43 Sportcomplexen cat 3/4 19,7 III WM09 Detailhandel en ambachtsbedrijven cat 3/4 19,6 III WM49 Veehouderijen rundvee 19,3 III WM03 Akkerbouw en fruitteelt 19,1 III WM40 Rioolwaterzuiveringsinstallatie 18,9 III WM23 Jachthavens cat 1/2 18,7 III WM37 Paardenhouderij 18,4 III WM08 Detailhandel en ambachtsbedrijven cat 1/2 17,9 IV WM30 Opslag- en transportbedrijven cat 1/2</p>\n<p class=\"lf-p\">17,8 IV WM11 Drukkerijen cat 1/2 17,7 IV WM28 Metaal- en elektrabedrijven cat 1/2 17,6 IV WM18 Glastuinbouw cat 1/2 17,5 IV WM54 Woon- en kantoorverblijven en scholen 17,2 IV WM27 Medische gezondheidszorg 16,1 IV WM38 Propaanopslag 16,0 IV WM20 Horecabedrijven cat 1/2 15,8 IV WM17 Gezondheidszorg 15,8 IV WM05 Bouw- en houtbedrijven cat 1/2 15,7 IV WM33 Overige dienstverlening 14,9 IV WM42 Sportcomplexen cat 1/2 14,5 IV WM10 Dierenverblijf 14,2 IV WM22 Instrument/tandtechniek 14,0 IV WM44 Stookinstallatie 12,4 IV WM45 Tandartsen 11,8 IV WM51 Veehouderijen graasdieren 10,5 IV WM53 Olietank particulier 10,2 IV WM48 Telefooncentrale 10,1 IV WM39 Riool- en poldergemalen 9,0 V WM16 Gasdrukregel- en meetstations 8,8 V Bijlage11:Werkwijze prioritair werken 11.1 Aanleiding Omdat er nooit voldoende capaciteit is om alle taken uitputtend uit te voeren, betekent het opstellen van VTH beleid ook keuzes maken en prioriteiten stellen. Dit is gebeurd aan de hand van een prioriteitstelling waar een risicoanalyse aan ten grondslag ligt. Hiermee maken wij keuzes ten aanzien van de inzet van capaciteit en middelen. Dit gebeurt zowel voor het onderdeel bouwen als voor het onderdeel milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de medewerkers zo effectief mogelijk in te zetten, is bepaald welke activiteiten binnen de gemeente prioriteit hebben en welke minder (zie bijlage 10 risicoanalyse per taakveld). De inzet op activiteiten met een lage prioriteit is minder dan op activiteiten met een hoge prioriteit. Hierbij kan gedacht worden aan de diepgang van toetsing van een vergunningaanvraag of een toezichtmoment, de bezoekfrequentie van toezicht en de wijze waarop handhavingsverzoeken in behandeling worden genomen (nu doen of later inplannen). De interventiematrix in de handhavingsstrategie in bijlage 17 laat zien welke handhavingsinstrumenten de handhaver kan inzetten. De risico inschatting beperkt zich niet meer tot alleen risico’s ten aanzien van het niet voldoen aan Bouwbesluit, zoals in de oude methodiek van prioriteren wel het geval was. Dit is ingegeven door ontwikkelingen als de komst van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen die maken dat er veranderingen gaan plaatsvinden in de uitvoering van VTH taken. De technische toetsing door de overheid neemt af. Er moet meer integraal gekeken worden naar veel bredere beoordelingskaders, waarin ‘ja, mits…’ het uitgangspunt wordt in plaats van ‘nee, want…’ De verwachting is dat er minder getoetst kan gaan worden volgens een vast kader en stramien en er meer maatwerk moet worden geleverd. Daarom zijn aspecten als ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘bestuurlijke gevoeligheid’ nadrukkelijker meegenomen in de risico inschatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen elke categorie is ook een onderscheid gemaakt tussen ‘eenvoudig’ en ‘complex’. Hiervoor is gekozen omdat ook binnen ogenschijnlijk eenvoudige categorieën een (grote) mate van complexiteit kan ontstaan. Denk aan bijvoorbeeld een strijdigheid met een bestemmingsplan/toekomstig omgevingsplan, een bestuurlijke gevoeligheid of omdat bepaalde activiteiten een hoge prioriteit hebben gekregen door bijvoorbeeld maatschappelijke of economische ontwikkelingen. Om te kunnen beoordelen of een aanvraag of zaak eenvoudig is, is gekozen voor de volgende richtlijnen m.b.t. bouwen en milieu:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zaak omvat maximaal 4 activiteiten die onder de reguliere procedure vallen (exclusief niet-ingrijpende wijzigingen aan Rijksmonumenten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend binnen de (loket)criteria van de nota Ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissingsbevoegdheid ligt onder mandaat op medewerkersniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen uitgebreide beheersmaatregelen nodig om omgevingsveiligheid te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Valt ten aanzien van constructieve veiligheid niet onder risicoklasse CC-2b en hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet bestuurlijk gevoelig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals aangegeven moet er ruimte zijn voor maatwerk. De afweging of een aanvraag of zaak eenvoudig of complex is, doet de zaakverantwoordelijke daarom zelf. Bij twijfel raadpleegt de zaakverantwoordelijke een collega, netwerkmanager en/of de contactpersoon bij de opdrachtgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Scenario’s Zoals eerder vermeld kunnen de verschillende categorieën in de prioritering (zie bijlage 10) een score behalen van 0 tot 4. Waarbij nul de laagste prioriteit en inzet kent en vier de hoogste. In onderstaande figuur is dit globaal weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 4 Scenario's prioritair werken In het overzicht is te zien dat voor de categorieën die 0 of 1 scoren geen scenario is beschreven. Ten aanzien van deze categorieën adviseren wij om in eerste instantie de mogelijkheden tot deregulering te verkennen. Wanneer dit niet gewenst is, of door hogere regelgeving niet kan, wordt voor deze categorieën scenario 1 gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De scenario’s hebben gevolgen voor de inzet van zowel vergunningverlening, toezicht en handhaving; dit staat hieronder verder toegelicht. Hierbij gaan we in op vermindering van inzet op de volgende activiteiten wat betreft bouwen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigeringsgronden gekoppeld aan activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplan/omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsveiligheid (o.a. bouw- en sloopveiligheid, maar ook aspecten als onttrekking van grondwater bij bemaling van bouwputten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieu aspecten (o.a. geluid, lucht, geur, Wet natuurbescherming).</p>\n<p class=\"lf-p\">Relevante beleidskaders/normen (mobiliteit, parkeren, detailhandelsbeleid, economisch beleid, enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijkingenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna volgen drie scenario’s voor vergunningverlening, toezicht en handhaving waarmee de inzet voor activiteiten m.b.t. bouwen in de praktijk kan worden bepaald (wat doen we wel, wat doen we bewust en bestuurlijk afgestemd niet).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Scenario’s vergunningverlening Scenario 1 De aanvraag wordt alleen beoordeeld op toelaatbaarheid binnen bestemmingsplan en/of overige relevante beleidsregels, waaronder afwijkingenbeleid, nota Ruimtelijke kwaliteit, parkeernota, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen toetsing aan Bouwbesluit/Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)/bouwmeldingen (Wkb) krijgen geen inhoudelijke behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen (extern) advies ingewonnen over de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit wordt onder mandaat genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden alleen standaard voorschriften in de vergunning opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scenario 2 De aanvraag wordt beoordeeld op toelaatbaarheid binnen bestemmingsplan en/of overige relevante beleidsregels, waaronder afwijkingenbeleid, nota Ruimtelijke kwaliteit, parkeernota, enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen toetsing aan Bouwbesluit/Bbl/bouwmelding (Wkb). In aangewezen gevallen (zie tabel 1), wordt wel de constructieve veiligheid en/of brandveiligheid beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op onderdelen wordt (extern) advies ingewonnen, indien noodzakelijk voor het te nemen besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit wordt onder mandaat genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden naast standaard voorschriften ook eventuele specifieke/maatwerk voorschriften opgenomen, bijvoorbeeld op basis van een extern gegeven advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie Eenvoudig Complex Woonfunctie X Bijeenkomstfunctie X X Gezondheidszorg X X Agrarisch X Kantoorfunctie X Logiesfunctie X Sportfunctie (bebouwd) X X Winkelfunctie X Overige X Bouwwerk, geen gebouw zijnde (mits, publiek toegankelijk) X Tabel 1 Aangewezen gevallen Scenario 3 De aanvraag wordt integraal beoordeeld op toelaatbaarheid binnen het bestemmingsplan en overige relevante beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De technische toetsing aan het Bouwbesluit/Bbl wordt conform het landelijke toetsprotocol en de vergunningenstrategie uitgevoerd/bouwmeldingen (Wkb) krijgen een inhoudelijke behandeling conform het landelijk toetsprotocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt (extern) advies ingewonnen over de toelaatbaarheid bij afwijking van het bestemmingsplan of ander beleid, waaronder ook provinciale (beleids)regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit van een ander bevoegd gezag (verklaring van geen bedenkingen) en/of een advies van een aangewezen adviseur wordt betrokken bij het te nemen besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden standaard en/of op het project toegespitste voorschriften opgenomen in de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Scenario’s toezicht Scenario 1 Er wordt alleen (administratief) toezicht gehouden op uiterlijke kenmerken en vooraf gesteld uitgangspunten/voorschriften uit de vergunning bij de afronding van het project (afschouwen vanwege termijn openstaand dossier, dan wel vanwege gereed melding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage bevat alleen een datum van een eventuele start melding en/of de datum waarop het gereed gemeld is of is geschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen omgevingsanalyse en risico-inschatting ‘omgevingsveiligheid’ gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, gaan wij over tot intrekken, volgens het werkproces intrekken vergunningen in bijlage 25 van deze bijlagebundel. Hierbij worden uiteraard rekening gehouden met de wettelijke kaders op grond van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scenario 2 Er wordt in aangewezen gevallen (zie tabel 1) toezicht gehouden op de aspecten constructieve veiligheid en brandveiligheid (eventuele inschakeling veiligheidsregio). In andere gevallen wordt alleen toezicht gehouden op uitvoeringsexcessen (bijv. bouwen in afwijking van de vergunning of bij handhavingsverzoeken). Onder de Wkb vervalt deze actie. Alleen in aangewezen gevallen vindt toezicht plaats op constructieve veiligheid en brandveiligheid op basis van meldingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportages beperken zich tot start- en gereeddatum (of datum schouw) en toezichtmomenten. De rapportages worden geregistreerd in het VTH systeem en/of zaaksysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een omgevingsanalyse en risico-inschatting gemaakt (dit heeft te maken met de omgevingsveiligheid die behoort tot de beoordeling van de veiligheid bij uitvoering van bouw- en/of sloopwerkzaamheden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, gaan wij over tot intrekken, volgens het werkproces intrekken vergunningen in bijlage 25 van deze bijlagebundel. Hierbij worden uiteraard rekening gehouden met de wettelijke kaders op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Bijlage 25 heeft alleen betrekking op het onderdeel bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scenario 3 Er wordt gewerkt volgens een integraal toezichtprotocol (zie bijlage 16), waarvan eveneens omgevingsveiligheid een onderdeel uitmaakt. Onder de Wkb beperkt het toezicht zich tot omgevingsveiligheid tenzij er een melding binnenkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportages bevatten alle toezichtmomenten en verslagen van overleggen met ketenpartners, vergunninghouder en/of uitvoerende partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, gaan wij over tot intrekken, volgens het werkproces intrekken vergunningen in bijlage 25 van deze bijlagebundel. Hierbij worden uiteraard rekening gehouden met de wettelijke kaders op grond van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Scenario’s handhaving Scenario 1 Overtredingen worden alleen projectmatig aangepakt (kan ook door bijvoorbeeld een betere preventieve voorlichting worden voorkomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Na eerste constatering wordt alleen een wrakingsbrief gestuurd. Hierin meldt het bevoegd gezag de geconstateerde overtreding, maar treedt nog niet direct op. Aangekondigd wordt dat handhaving op een later te bepalen moment (al dan niet projectmatig) alsnog wordt opgepakt (beginselplicht tot handhaving), waarbij uiteraard de mogelijkheid op het vrijwillig beëindigen van de overtreding wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scenario 2 Overtredingen worden alleen gehandhaafd als een verzoek om handhaving is ontvangen en handhaving, vanwege bijzondere omstandigheden, niet kan wachten op een projectmatige aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scenario 3 Overtredingen vragen om directe handhaving vanwege acuut gevaar en/of bijzondere omstandigheden en/of bijzondere belangen bij een snelle handhaving (bij eigen constatering of verzoek om handhaving).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij scenario’s handhaving In alle scenario’s gaan wij allereerst het gesprek aan met de overtreder en eventuele belanghebbenden en/of melder van het handhavingsverzoek en kijken we of het opgelost kan worden door middel van mediation en/of buurtbemiddeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtredingen binnen het eerste scenario worden in beginsel ‘opgespaard’ per thema/project. Zodra er aanleiding bestaat om tot handhaving over te gaan, dan worden deze in één keer op projectmatige wijze of thematisch gehandhaafd. Aanleidingen kunnen ingegeven zijn door politieke keuzes, incidenten of een bepaalde omvang van het aantal overtredingen in bijvoorbeeld een bepaalde wijk. Over projectmatig te handhaven overtredingen worden jaarlijks bij het maken van het uitvoeringsprogramma in het jaarverslag gerapporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er niet direct handhavend wordt opgetreden, dan wordt dit gemeld aan de verzoeker en overtreder, bijvoorbeeld door middel van een eerste waarschuwingsbrief en/of wrakingsbrief. In een later stadium wordt de zaak dan alsnog opgepakt (al dan niet projectmatig).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede scenario komt overeen met het eerste. Het verschil is dat in dit geval wel direct wordt opgetreden bij een verzoek om handhaving in verband met bijzondere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde scenario vindt handhaving direct plaats conform de beschreven werkwijze en regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle gevallen worden verzoeken om handhaving beoordeeld aan de hand van de vooraf gestelde prioriteiten. Bij een lage prioriteit geldt in beginsel dat ook niet direct wordt opgetreden, maar alleen projectmatig of thematisch.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Prioritair werken bij milieutaken De ODRU voert namens de gemeente de milieutaken uit. Hiervoor hanteren zij een eigen risicoanalyse. De uitkomst van deze risicoanalyse staat in bijlage 10. Hierin is per branche bepaald welk risico er bestaat voor het milieu (niet-naleving) bij geen toezicht. Er vindt een verdere doorrekening plaats om per inrichting de milieucategorie te herleiden. Deze combinatie bepaald in welke risicoklasse een bedrijf wordt ingedeeld en de hieruit voortvloeiende controlefrequentie. Bij bedrijven die vallen onder het zeer klein risico wordt de bezoekfrequentie verlaagd. Vervolgens wordt op basis van subgroepen gekozen voor specifieke toezichtsinstrumenten die aansluiten de motivatie van het niet naleven middels Computer Aided Toezicht Strategie (CATS). Uiteindelijk volgt uit deze analyse en programmering de uitvoering. Deze methode wordt ook wel Programmatisch Toezicht genoemd (zie bijlage 23, Omgevingsdienst regio Utrecht). Op basis van de expertise van de ODRU is besloten dat bij bedrijven die vallen onder het zeer klein risico de bezoekfrequentie verlaagd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderstaande tabel is per risicoklasse de combinatie van de controlefrequentie en de categorie beschreven voor de milieutaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Risicoklasse Controlefrequentie/jaar Categorie I: Zeer groot risico 100-200% Afhankelijk van de activiteit II: Groot risico 100% Categorie 4 en IPPC II: Groot risico 50% Overige inrichtingen met groot risico III: Beperkt risico 50% Categorie 3 en 4 III: Beperkt risico 20% Overige inrichtingen met beperkt risico IV: Klein risico 10% Inrichtingen met klein risico IV: Zeer klein risico 5% Inrichtingen met zeer klein risico Tabel 2 Overzicht combinatie controlefrequentie en categorie per risicoklasse Bijlage12:Uitleg / toelichting ‘Tafel van Elf’ 12.1. Toelichting De overheid wil veranderingen in de samenleving teweegbrengen door beïnvloeding van het gedrag van burgers en bedrijven. Een van de beleidsinstrumenten die de overheid hiervoor heeft is regelgeving. Met behulp van regels kan de overheid grenzen stellen aan het doen en laten van burgers en bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regelgeving veronderstelt echter ook een zekere mate van naleving ervan door de doelgroep. De ‘Tafel van Elf’ is een hulpmiddel om de naleving van regels, wetgeving in het bijzonder, te kunnen bepalen en te kunnen verbeteren. Het is ontwikkeld door de Inspectie voor de Rechtshandhaving van het Ministerie van Veiligheid en het Sanders Instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam. De basis wordt gevormd door een combinatie van in de literatuur voorkomende sociaal-psychologische, sociologische en criminologische theorieën, aangevuld met algemene inzichten en praktijkervaringen op het terrein van de rechtshandhaving. De gemeente Vijheerenlanden heeft er voor gekozen om dit hulpmiddel te gebruiken bij de totstandkoming van onze regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Tafel van Elf bestaat uit verschillende dimensies die moeten worden beschouwd als gedragswetenschappelijke variabelen die nalevingsgedrag beïnvloeden. Door ze systematisch na te lopen, vormen ze een hulpmiddel voor de wetgever om te komen tot naleefbare wetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2. De Tafel van Elf Dimensies van spontane naleving 1. kennis van regels Soms is de regelgeving vaag of complex. Het wordt niet begrepen door de doelgroep. Hier prevaleert communicatie boven sanctioneren 2. kosten en baten Hier is calculerend gedrag aan de orde: is een overtreding lonend? Hier past sanctioneren en communiceren, maar dan als ‘naming and shaming’ 3. mate van acceptatie Wordt het beleid door de doelgroep (burger of bedrijf) onderschreven? Betrek belangengroepen bij de formulering van het beleid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>normgetrouwheid doelgroep Het gaat hier om respect en vertrouwen. Een moeilijk te beïnvloeden dimensie, waarbij rekening moet worden gehouden met een sterke individualisering van de maatschappij 5. niet-overheidscontrole De door de doelgroep ingeschatte kans op een positieve- of juist een negatieve sanctionering van hun gedrag. In deze categorie bevindt zich de bewuste overtreder met een calculerend gedrag.</div>\n<p class=\"lf-p\">Handhavingsdimensies 6. meldingskans De door de doelgroep ingeschatte kans dat een overtreder door een derde wordt gemeld (het verzoek om handhaving) en dat er vervolgens door de overheid daadwerkelijk wordt opgetreden 7. controlekans De kans dat daadwerkelijk wordt gecontroleerd wordt ingeschat door de doelgroep. Als de overheid “bekend staat” als één, die nauwelijks controleert of sanctioneert dan geeft dat aan het begaan van overtredingen een onjuiste impuls. Handhavingsbeleid moet stellig zijn en uitvoeringsresultaat laten zien. Communicatie van handhavingsresultaat werkt in die zin weer preventief 8. detectiekans Als er wordt gecontroleerd, dan kan niet altijd alles worden waargenomen. In controlerapporten gaan wij altijd uit “van het moment van de controle, voor zover wij hebben kunnen vaststellen”. Die laatste zin staat symbool voor de detectiekans, dikwijls behorend bij de calculerende overtreder 9. selectiviteit Bij dit item behoort het uitvoeren van toezicht op basis van een naleefstrategie, waarbij recidivisten nadrukkelijker en frequenter worden gecontroleerd. De categorie “bewuste overtreders” calculeren de pakkans al in bij de dimensies controlekans respectievelijk detectiekans 10. sanctiekans In deze categorie zit het bewuste calculerende gedrag van een potentiële overtreder. De overheid kan na constatering van overtredingen sancties opleggen. Dit gebeurt echter niet altijd. Dit hangt af van zaken als het sepotbeleid, de bewijsbaarheid van overtredingen en het eventuele gedoogbeleid. Daardoor is het relevant te beoordelen in hoeverre de doelgroep verwacht straf te krijgen voor bepaalde overtredingen, ofwel naar de gepercipieerde sanctiekans.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>sanctie-ernst De hoogte van een sanctie heeft direct te maken met de hoogte van een dwangsom en/of de impact van bestuursdwang respectievelijk de gevolgen van een proces-verbaal. Ook kosten gerechtelijke kosten kunnen een rol spelen. Het proces van sanctieoplegging kan ook bijkomende, immateriële nadelen hebben zoals het verlies van reputatie. De hoogte en ernst van de verschillende soorten sancties zal niet op alle doelgroepen dezelfde impact hebben. De snelheid en zekerheid van sanctieoplegging kan die impact vergroten, bijv. via het beleid van lik-op-stuk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage13:Preventiestrategie Preventiestrategie is de strategie die primair ziet op het bevorderen van spontane naleving van wet- en regelgeving. Belangrijke elementen van de preventiestrategie zijn het communicatiestrategie, (voor)overleg, buurtbemiddeling en mediation.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving is meer dan het corrigeren van overtredingen door het opleggen van herstellende en/of bestraffende sancties. Aan toezicht en handhaving gaan een acceptatieproces (van de gestelde norm, door burgers en bedrijven) vooraf. Dit vergt een gedegen vorm van communicatie. Zo kan er actief voorlichting worden gegeven wanneer blijkt dat bepaalde regelgeving onvoldoende bekend is. Ook kan ingespeeld worden op ontwikkelingen wanneer blijkt dat in een bepaalde branche (of objectencategorie) calculerend gedrag voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om inzicht te krijgen in de redenen van overtreden van wet- en regelgeving wordt gebruik gemaakt van de ‘Tafel van Elf’ (zie bijlage 12) van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Deze methodiek sluit aan bij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Het is een wetenschappelijk ontwikkeld model dat inzage geeft in de redenen waarom mensen de regels overtreden. De methode laat zien dat er vóór het daadwerkelijke sanctietraject voldoende mogelijkheden zijn om middels gerichte communicatie overtredingen te voorkomen, dan wel helderheid over normen te verstrekken (mochten die onvoldoende helder zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Tafel van Elf probeert het activeren van het sanctietraject te voorkomen door een verhoogde inzet op preventie. Onderin de piramide staan werkwijzen die een breed en langdurig effect hebben, het meest inwerken op ‘norm-internalisatie’ (het eigen maken van de norm) en het minst belastend zijn voor burgers en bedrijven. Helemaal in de punt ziet u handhaving in de vorm van controleren en sanctioneren. Dit is met name van belang als een stok achter de deur. De ervaring leert dat effecten van sancties alleen gunstig zijn zolang de handhaving actief is. Bovendien gaat het om een aanpak die doorgaans ingrijpender is voor burgers en bedrijven. Daarnaast is handhaving voor de overheid een kostbaar middel dat gedoseerde inzet vergt. De Tafel van Elf beschrijft dimensies van spontane naleving. De dimensies uit de Tafel van Elf vormen daarom de basis van de preventiestrategie. Dat wordt verder vormgegeven onder invloed van de LHSO. Zo wordt eenduidig sanctionerend opgetreden indien –ondanks preventie en communicatie– toch sprake is van een (herhaling van) een overtreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van preventiestrategie is verder het inschakelen van buurtbemiddeling of mediation bij bijvoorbeeld (schriftelijke) handhavingsverzoeken. Dit is aanvulling op de Tafel van Elf. In geval van handhavingsverzoeken kan buurtbemiddeling een sterkere oplossingskracht hebben dan de inzet van toezicht &amp; handhaving. Waar mogelijk zetten we deze vorm van preventie in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 5 De piramide van de Tafel van Elf Bijlage14:Communicatie strategie Vanuit het verleden is handhaving is veelal gericht op de beïnvloeding van gedrag van burgers of bedrijven, zodat deze wet- en regelgeving naleven. Deze beïnvloeding zal succesvoller zijn naarmate handhaving is gestoeld op kennis over dit gedrag en de oorzaken ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het gehele VTH-beleid groeit het besef dat adequate naleving van regelgeving kan worden bevorderd door de inzet van informatie en communicatie waarbij de doelen zijn de bevordering van naleving van regelgeving met als hoger doel verbetering, behoud en/of vergroting van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de doelgroep niet op de hoogte is van de regels, deze niet goed begrijpt, of onjuist interpreteert, kan regelgeving niet correct worden nageleefd. Voorlichting kan deze specifieke doelgroep(en) informeren over het bestaan van de regels en de juiste toepassing ervan. Als er minder onbedoelde fouten worden gemaakt bij de naleving, blijft er meer capaciteit beschikbaar voor toezicht en handhaving van overtredingen die de meeste impact hebben op de veiligheid(beleving) en impact op het woon-, werk- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De communicatie vindt zo gericht mogelijk plaats aan de hand van de volgende communicatievormen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene communicatie: via websites en/of (lokale) media zo veel mogelijk mensen informeren over de regels en de toepassing daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroepgerichte/gebiedsgerichte communicatie: een doelgroep of gebied informeren over de specifieke regels die voor gebied van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele communicatie: persoonlijke voorlichting aan een burger of bedrijf over de regels en de toepassing ervan (Omgevingsloket).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Vijfheerenlanden communiceert actief: wij kijken naar de mogelijkheden en kansen binnen de wettelijke kaders; wij lichten inwoners en bedrijven begrijpelijk voor bij complexe en veranderende wetgeving; wij creëren bewustwording van de wet- en regelgeving; wij communiceren over goede voorbeelden; wij communiceren over het initiatief; wij leggen verantwoording af over onze resultaten en die van onze uitvoeringspartners; wij stemmen onze communicatie af op de info-behoefte van de doelgroep; wij stimuleren naleefgedrag door middel van communicatie; wij beantwoorden vragen over aanvragen zo snel mogelijk en begrijpelijk en communiceren van tevoren wanneer het antwoord komt; wij communiceren ook van buiten naar binnen en willen weten welke behoefte er leeft bij onze doelgroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage15:Vergunningenstrategie 1. Inleiding Deze bijlage beschrijft de strategieën voor vergunningverlening voor diverse activiteiten. Vanuit een risicoanalyse en de prioriteitenstelling volgt een bepaald toetsingsniveau voor diverse activiteiten. In dit beleidsplan worden de toetsingsprotocollen per taakveld gespecificeerd zodat het toetsingsproces transparant en voorspelbaar is voor zowel de gebruikers als voor de klanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Doelstelling Het doel van het toetsingsprotocol is om de verlening van vergunningen transparanter te maken en uniformiteit in de toetsing te bewerkstelligen. Met het toetsingsprotocol legt de gemeente zichzelf voor iedere vergunning een minimum toetsingsniveau op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuurlijk vaststellen van de toetsingsniveaus van de diverse voorschriften zodat de vergunningverlening op een verantwoorde wijze plaats vindt. Hierdoor kunnen ook de medewerkers afgewogen en expliciete keuzes maken bij het toetsen van vergunningaanvragen en meldingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Uitgangspunten bij beoordelingen van vergunningen en meldingen Het toetsingsprotocol heeft uitsluitend betrekking op de voorschriften zoals opgenomen in de betreffende wet- en regelgeving. De mate van toetsen wordt bepaald door het effect dat een calamiteit met zich meebrengt, de kans dat deze zich voordoet én de bestuurlijke prioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3.1 Informatieverstrekking en vooroverleg Voordat een principeverzoek of complete aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, komt het regelmatig voor dat een aanvrager vooraf overleg wil over de haalbaarheid van zijn plan (voor een concreet initiatief). Vaak wordt in eerste instantie het verzoek gedaan bij de balie of bij een betrokken medewerker waarbij de initiatiefnemer het project toelicht en de mogelijke vereiste vergunningen of meldingen worden besproken, met de bijbehorende procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het principeverzoek wordt globaal gekeken naar de (ruimtelijke) haalbaarheid en inpasbaarheid van het plan. Hierbij is vaak het bestemmingsplan leidend, aangevuld met ander lokaal beleid (bijv. ruimtelijke kwaliteit). Na het vooroverleg is het voor de initiatiefnemer duidelijk of een later in te dienen aanvraag om vergunning kans van slagen heeft en welke procedure hiermee is gemoeid. Als het plan aangepast moet worden, wordt duidelijk aangegeven op welke onderdelen dit dan dient te gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3.2 Indieningsvereisten De indieningvereisten voor aanvragen om vergunningen, ontheffingen en meldingen zijn opgenomen in diverse regelingen, zoals de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor), het Activiteitenbesluit en/of het Bouwbesluit 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kunnen voor de beoordeling andere gegevens nodig zijn dan in specifieke regelingen is opgenomen of wanneer er geen indieningvereisten zijn vastgesteld. Op grond artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college om (specifieke) aanvullende gegevens vragen. In het geval een aanvraag niet voldoet aan de indieningsvereisten kan deze niet ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent concreet dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat dit gebeurt wordt de aanvrager altijd eerst in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen een aangegeven termijn aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3.3 Overige uitgangspunten Als algemene leidraad voor de toetsing van vergunningen geldt dat uit de ingediende gegevens altijd voldoende aannemelijk moet zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. De gemeente zorgt ervoor dat zij zelf voldoende kennis op de diverse disciplines bezit of inhuurt zodat de gemeente zich er altijd van kan vergewissen of rapporten en adviezen van derden voldoen aan de regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3.4 Interne en externe afstemming Integrale vergunningverlening is een onderdeel van de dienstverlening van een gemeente. Een adequate interne afstemming is nodig om aanvragen binnen de wettelijke termijnen compleet af te handelen en draagt daardoor in grote mate bij aan de klantbeleving van de dienstverlening. Dit behelst in eerste instantie een goede afstemming, zowel tussen vergunningverleners en andere interne betrokkenen, als tussen vergunningverlener, toezichthouder, handhaver en adviseurs. Deze afstemming is van wezenlijk belang voor een eenduidige, uniforme toetsing en optreden naar buiten toe. Hiervoor zijn werkprocessen opgesteld en werkafspraken gemaakt. Afstemming en adviesmomenten zijn verwerkt in deze werkprocessen en -afspraken. De werkprocessen en -afspraken die de organisatie aangaan worden in een afzonderlijk document vastgelegd. Deze dynamische uitwerking is een reactie van de organisatie op de bestuurlijke keuzes in dit beleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Externe afstemming is van belang om te komen tot een optimaal en integraal resultaat in zowel vergunningverlening, toezicht als handhaving. De samenwerkende partners (waterschap, politie, veiligheidsregio, omgevingsdienst, provincie, ministerie enz.) benutten zo de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie over en weer. Ook het overleg met adviseurs van aanvragers, zoals architecten, milieuadviseurs etc., zal veelal nodig zijn en bijdragen aan het gewenste eindresultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de Omgevingswet bestaat er advies met instemmingsrecht van andere bestuursorganen. Hier volgt een voorbeeld met betrekking tot Rijkswaterstaat. Onder de Omgevingswet geeft de gemeente de omgevingsvergunningen af voor vergunningplichtige activiteiten in de ‘droge’ beperkingsgebieden (gebieden langs snelwegen waarvoor vanuit Rijkswaterstaat beperkingen gelden). De afstemming met Rijkswaterstaat betreft advies met instemmingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Uitwerking per beleidsveld 1.4.1 Algemeen Meldingen In veel wet- en regelgeving worden de laatste jaren vergunningstelsels vervangen door een systeem van meldingen. Door het stellen van algemeen verbindende regels, is het aanvragen van een vergunning minder vaak nodig. Deze transitie vindt al jaren plaats in de milieuwetgeving. Ook voor het brandveilig gebruiken en slopen is een systeem van meldingen opgenomen in het Bouwbesluit 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meldingen gaat de wetgever er van uit dat voor bepaalde activiteiten volstaan kan worden met een mededeling (melding) aan het bevoegd gezag. Aan het bevoegd gezag is het de taak te beoordelen of de activiteit inderdaad meldingsplichtig is en of de melding volledig is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een volledige inhoudelijke toetsing van een melding past niet binnen de systematiek van de meldingsplicht. Echter, een inhoudelijke toetsing van een melding vindt wél plaats voor wat betreft de relevante feiten van het gemelde bedrijf. Het accent van de taken van de gemeente met betrekking tot meldingen verplaatst zich naar het uitvoeren van toezicht. In het handhavingsbeleid wordt voor toezicht en handhaving daarop ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het algemene uitgangspunt voor de behandeling van meldingen is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toets volledigheid: is de melding volledig ingediend?</p>\n<p class=\"lf-p\">Toets aannemelijkheid: is voldoende aannemelijk dat de melding overeenkomt met het werkelijk (voorgenomen) gebruik of de (voorgenomen) uitvoering van werken? Een uiterst globale schouwing op basis van ervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toets: de ingediende gegevens worden niet inhoudelijk getoetst, tenzij wettelijk voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorschriften: globale beoordeling of mogelijk maatwerkvoorschriften nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksmeldingen: toetsen op volledigheid. Aansluitend wordt de meldingen betrokken in het periodiek toezicht op brandveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het uitvoeringsprogramma VTH kan het college voor specifieke onderdelen van de melding ervoor kiezen enkele gegevens toch vooraf te toetsen en bij strijdigheden de melder hierover te berichten. Hierdoor kunnen achteraf, bij handhaving, mogelijke problemen worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling melding (ongewoon) voorval De Wet Milieubeheer verplicht bedrijven tot melding van ‘ongewone’ voorvallen. Het begrip ongewoon is hierbij heel ruim gesteld; elke verstoring waarbij sprake is van milieuschade of het dreigen daarvan moet zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag worden gemeld. Het tijdstip en de wijze van melden zijn gelijk voor ieder voorval, ongeacht de ernst ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4.2 Vergunningenstrategie Bouwen Toets Bouwbesluit In het Bouwbesluit zijn voorschriften opgenomen waaraan een bouwwerk moet voldoen. Voor wat betreft de beoordeling van aanvragen omgevingsvergunning is het Bouwbesluit onderverdeeld in de hoofdstukken Veiligheid, Gezondheid, Bruikbaarheid, Energiezuinigheid en Milieu en Installaties. Het is onmogelijk om alle bouwwerken en onderwerpen uit het Bouwbesluit 100% te toetsen. Dit vraagt te veel middelen en personele capaciteit. Ook betekend dit dat de aanvrager zeer veel gegevens dient te overleggen, wat niet in verhouding staat tot de aanvraag. Om te voorkomen dat bij de toetsing willekeur optreedt, is het noodzakelijk afspraken te maken om te komen tot een aanvaardbaar toetsingsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bouwbesluit maakt onderscheid tussen verschillende gebruiksfuncties. De voorschriften voor de verschillende bouwwerken zijn onderverdeeld in verschillende thema’s. De voorschriften kunnen wat betreft zwaarte per gebruiksfunctie verschillen. Bovendien hanteert het Bouwbesluit verschillende niveaus met betrekking tot deze voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verandering van zowel het gebruik als de technische staat van een bouwwerk zijn de voorschriften van het van rechtens verkregen niveau van toepassing, wat weer nooit lager mag zijn dan de ondergrens, het niveau voor bestaande bouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dynamiek in de bouwpraktijk kan ertoe leiden dat bepaalde risico’s die door de gemaakte keuzes onderbelicht worden op enig moment toch een groter maatschappelijk gewicht gaan krijgen waardoor beleid dient te worden bijgesteld. Landelijke ontwikkelingen of lokale incidenten kunnen er toe leiden dat vanuit de rijksoverheid wordt opgelegd actie te ondernemen. Dit is eerder aan de orde geweest bij onder meer de veiligheid van platte daken, veiligheid van gevelbekleding en (spouw)ankers en brandveiligheid van woningscheidende wandconstructies. Voor dergelijke incidenten is vooraf geen toetsniveau vast te stellen. De aanpak ervan zullen wij telkens als project uitvoeren. Risico’s moeten inzichtelijk, beheersbaar en controleerbaar zijn. Het vaststellen van de niveaus (de diepgang) waarop de activiteit bouwen moet worden getoetst, maken die risico’s beheersbaar. Door het werken met een bestuurlijk vastgestelde toetsmatrix zijn de interne risico’s afgedekt en krijgt de bestuurlijke verantwoordelijkheid zijn plaats. Daarnaast kunnen hierdoor eventuele aansprakelijkheidsstellingen worden begrensd. Het is moeilijk aan te geven wat een adequaat toetsingsniveau is. Feit is dat er ten aanzien van de toetsing van de vergunning gemotiveerd keuzes moeten worden gemaakt en prioriteiten moeten worden gesteld. De prioriteiten die de gemeente heeft gegeven aan de verschillende taakvelden zijn opgenomen in bijlage 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouw- en sloopveiligheid Afdeling 8.1 uit hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012 schrijft voor dat de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden op een zodanige wijze wordt uitgevoerd, dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder, zo veel mogelijk wordt voorkomen. Maatregelen die de veiligheid van de omgeving moeten waarborgen dienen te worden vastgelegd in een bouw-of sloopveiligheidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente gebruikt hiervoor de Landelijke Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid van Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. In deze richtlijn zijn de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 nader uitgewerkt. De richtlijn heeft als doel zowel de aanvrager als het bevoegd gezag te ondersteunen om te komen tot een goed en deugdelijk bouwveiligheidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelen gelijkwaardigheid De bouwregelgeving is in heel Nederland gelijk. De voorschriften uit het Bouwbesluit zijn vooral geënt op veelvoorkomende bouwwerken. Het is voor het college mogelijk af te wijken van een voorschrift als op basis van gelijkwaardigheid door de aanvrager is aangetoond dat op een andere wijze aan het voorschrift wordt voldaan. Gelijkwaardigheid moet altijd naar het genoegen van burgemeester en wethouders worden aangetoond. Dit laatste is niet zonder belang. Bij gelijkwaardigheidsvraagstukken kan de lokale situatie een belangrijke rol spelen. Bij brandveiligheidsvraagstukken is onder meer de ligging en bereikbaarheid van het gebouw en ook de capaciteit van de lokale brandweer relevant voor de beoordeling van een voorgestelde gelijkwaardige oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is maatwerk waarbij een net zo veilige situatie moet worden gerealiseerd als met de geldende regelgeving is bedoeld. Daarom kan het zo zijn dat een gelijkwaardige oplossing in verschillende situaties anders moet worden benaderd. De gemeente heeft, vooral ook als het gaat over veiligheid, wettelijk een belangrijke rol en moet een zorgvuldige overweging maken om al dan niet akkoord te gaan met een gelijkwaardige oplossing. Bij complexe materie vraagt het college advies aan de deskundigen. Voor brandveiligheidsvraagstukken heeft de VRU een grote rol. Adviezen worden door de gemeente beoordeeld. In het algemeen geldt dat de gemeente zelf over voldoende kennis moet beschikken om zich ervan te vergewissen dat de inhoud van een advies geen gebreken bevat en ook in juridische procedures stand houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij conflictsituaties tussen aanvrager en de gemeente wordt advies gevraagd aan de Adviescommissie Toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften Toets Bestemmingsplan Een aanvraag wordt ook getoetst aan de regels van het bestemmingsplan. Indien blijkt dat een plan niet voldoet aan de regels van het geldende bestemmingsplan, wordt beoordeeld of er mogelijkheden zijn hiervan af te wijken. Dit kan zijn met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ook kan het nodig zijn dat een aanpassing van of een nieuw bestemmingsplan nodig is. Een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die in strijd is met planologische regels moet worden beschouwd als een aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Initiatieven die niet passen binnen de geldende regels, worden lokaal getoetst. Hiervoor zal vaak overleg nodig zijn met medewerkers ruimtelijke ordening. In voorkomende gevallen zullen zij vroegtijdig, bij het vooroverleg, in het vergunningenproces worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toets Ruimtelijke kwaliteit De toets aan de nota Ruimtelijke kwaliteit en Erfgoed maakt onderdeel uit van de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning met de activiteit “bouwen”. Plannen die voldoen aan de regels van het bestemmingsplan of waarvoor mogelijk kan worden afgeweken van die regels, worden vervolgens getoetst aan de nota Ruimtelijke kwaliteit en Erfgoed, indien deze in een gebied zijn gelegen waar deze nota van toepassing is. Voor deze toets wordt gebruik gemaakt van het gemeentelijke ruimtelijke kwaliteitsbeleid en vastgestelde beeldkwaliteitsplannen. In deze stukken staan de criteria. De gemeente is ingedeeld in een aantal deelgebieden. De nota beschrijft de deelgebieden met bijbehorende toetsingsniveaus. Bepaalde gedeelten van de gemeente kunnen toets vrij zijn. In die gevallen geldt een excessenregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 Vergunningenstrategie Ruimtelijke Ordening De activiteit “afwijken van het bestemmingsplan” maakt meestal onderdeel uit van een aanvraag omgevingsvergunning met de activiteit bouwen. Het Besluit omgevingsrecht kent typen bouwwerken die ook als deze in strijd zijn met de regels van het bestemmingsplan, zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (vergunningsvrij) gebouwd mogen worden. De situatie kan zich dus voordoen dat voor het realiseren van het bouwwerk geen omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, maar wel voor het afwijken van het bestemmingsplan. In die gevallen wordt dus een omgevingsvergunning verleend met uitsluitend de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. In bestemmingsplannen en beleidsregels kan worden bepaald wanneer er sprake is van afwijkend gebruik en in welke gevallen en onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verschillende soorten afwijkingen: tijdelijke afwijking: deze afwijking geldt voor maximaal 10 jaar. Bijvoorbeeld voor het neerzetten van een woonkeet bij de bouw van een woning; binnenplanse afwijking: in het bestemmingsplan staan regels voor deze afwijkingen.; buitenplanse afwijking of kruimelgevallen: kleinere afwijkingen van het bestemmingsplan. Deze afwijkingen staan in het Besluit Omgevingsrecht. Voorbeelden zijn de uitbreiding van een woonhuis of een bijgebouw aan een woning, bedrijfsgebouwen voor boerderijen, energie en telecom en het openbaar vervoer of het wegverkeer. Ook als een gebouw op een andere manier wordt gebruikt valt kan in veel gevallen met een kruimelgeval worden meegewerkt. Afhankelijk van het soort project of activiteit moet het bevoegd gezag motiveren dat er sprake is van een goed woon-, werk- en leefklimaat. afwijkingen van het bestemmingsplan voor speciale (grotere) projecten. De aanvraag hiervoor bevat een goede ruimtelijke onderbouwing. De ruimtelijke onderbouwing moet de afwijking van het bestemmingsplan motiveren en beschrijft de aard en omvang van het project, de mate van ingrijpendheid in de ruimtelijke structuur, het geldende beleid van zowel gemeente als andere overheden, de aanwezige waarden en de milieugevolgen. De gemeente verleent medewerking aan de aanvraag als uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een aanvraag strijdig is met het bestemmingsplan moet bij de afweging of er wordt afgeweken van het bestemmingsplan de belangen van derden meenemen. Te denken valt hierbij aan boek 5 van het Burgerlijk Wetboek waarin het burenrecht is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6 Vergunningenstrategie Brandveilig gebruik De brandveiligheid in een gebouw wordt altijd bepaald door een combinatie van factoren, zoals bouwkundige kwaliteit, de installatietechnische brandbeveiligingsvoorzieningen, de organisatorische beheersmaatregelen en het feitelijk gebruik. Om het juiste niveau van brandveiligheid te behouden, zijn er, naast bouwtechnische voorschriften, voorschriften over het daadwerkelijk gebruik van het bouwwerk nodig. Het Bouwbesluit 2012 bevat landelijk geldende regelgeving over het brandveilig gebruik van bouwwerken en is van toepassing op alle bouwwerken. In de Wabo en het Bouwbesluit 2012 zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot brandveiligheid. De volgende drie situaties worden onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning algemeen: toets en advies op activiteit bouwen, milieu;</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning gebruik: toets en advies op activiteit brandveilig gebruik;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiksmelding: Voor brandveilig gebruiken van veel gebouwen is geen omgevingsvergunning nodig, maar geldt een meldingsplicht. Basis hierbij is dat geen inhoudelijke beoordeling van gegevens meer vooraf plaatsvindt, maar voornamelijk wordt beoordeeld of de melding volledig is. In de gebruiksfase van bouwwerken wordt toezicht gehouden. Getoetst wordt op volledigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies op evenementen is hier niet betrokken. Zowel bij Wabo-aanvragen als bij evenementen aanvragen wordt prioritering aangebracht die de diepgang van toetsing bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.7 Vergunningenstrategie Milieu A. Situatieschets gemeente Vijfheerenlanden Het doel van de vergunningenstrategie milieu is om het gewenste kwaliteitsniveau van de diverse processen en werkzaamheden zo hoog mogelijk te houden en in ieder geval te laten voldoen aan de wettelijke eisen en landelijke kwaliteitscriteria. De komende beleidsperiode zal worden gebruikt om de vergunningenstrategie verder uit te werken en om tot een verdere harmonisering te komen in de uitvoering van de vergunningentaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het bedrijvenbestand waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, zijn twee IPPC-bedrijven, 9 tankstations met een LPG installaties en enkele grotere industriële bedrijven. Binnen de gemeente is tevens 5 vuurwerkverkoop- en opslagpunt aanwezig, waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. Het aantal provinciale bedrijven bedraagt vijf, waarvan één BRZP-bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat opvalt is dat bijna een derde van het aantal bedrijven een agrarisch karakter heeft en dat scholen/kantoren en detailhandel een grote groep vormen op het totale bedrijvenbestand.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Kwetsbare objecten Naast scholen en kinderdagverblijven zijn enkele bejaardenhuizen en overige zorginstellingen verspreid over de gemeente gevestigd. Er is geen ziekenhuis aanwezig in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingenbestand, ingedeeld in meldingsplichtige en vergunningplichtige inrichtingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inrichtingen bestand bestaat uit ongeveer 1814 inrichtingen. Circa 191 van deze inrichtingen vallen niet onder de werking van de Wet milieubeheer. In Vijfheerenlanden zijn ongeveer 403 type A inrichtingen aanwezig, deze bedrijven hebben geen meldingsplicht maar moeten wel voldoen aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Er zijn 1177 type B inrichtingen, deze bedrijven moeten een melding indienen bij oprichting of wijziging van de inrichting. Daarnaast zijn er 14 type B inrichtingen, die naast een melding tevens een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig hebben. Er zijn 30 type C inrichtingen (vergunningplichtig), waarvan drie type C inrichtingen met een IPPC-installatie. Van de overige vergunningplichtige bedrijven betreft ongeveer de helft veehouderijen en de andere helft industriële bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Inrichtingen met betrekking tot veiligheid In Vijfheerenlanden zijn geen inrichtingen aanwezig die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo). Wel zijn er twee Bevi-inrichtingen (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen), namelijk twee tankstations met LPG-opslag. Er zijn geen inrichtingen aanwezig met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kg gevaarlijke stoffen en er zijn 5 vuurwerkopslagplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit soort bedrijven is in het kader van de veiligheid het volgende van belang: het naleefgedrag; het veiligheidsmanagement van de inrichting en de ligging van het bedrijf ten opzichte van kwetsbare bestemmingen. Er is een landelijke risicokaart beschikbaar waarop de risicovolle inrichtingen staan aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsanalyse schetst een beeld van de huidige gemeentelijke bodem en grondwaterkwaliteit. Op veel plaatsen in met name het stedelijk gebied is de bodem vervuild door bewoning en industriële activiteiten die op die locaties hebben plaatsgevonden. De gemeente heeft verscheidene grond- en grondwaterverontreinigingen. Op de meeste locaties is er geen risico voor de mens. Meestal is de bodem geschikt om op te wonen, te werken en te ontwikkelen. Er dient wel op gelet te worden dat de verontreiniging in de grond of het grondwater niet verplaatst wordt door grondverplaatsingen en grondwateronttrekkingen. Informatie over verontreinigingen is bekend bij de Provincie en is in te zien op Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Met de inwerkingtreding van de Wabo is mogelijk gemaakt dat één omgevingsvergunning kan worden verleend voor een project dat bestaat uit verschillende activiteiten (bouw, aanleg, oprichten, gebruik). Voor het deelgebied Milieu wordt in de omgevingsvergunning ingegaan op de milieurelevante aspecten van de inrichting. Hierbij wordt aangesloten op de wetten, algemene regels, richtlijnen en verordeningen die van toepassing zijn, zoals het Activiteitenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 zijn steeds meer bedrijfstakken onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen. Hierdoor hoeven steeds minder bedrijven een omgevingsvergunning aan te vragen en kunnen steeds meer bedrijven de meer eenvoudige melding Activiteitenbesluit indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen De algemene regels van het Activiteitenbesluit en de regels met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu gelden alleen voor inrichtingen. Er is sprake van een inrichting als voldaan is aan twee voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteit is een 'door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een categorie uit bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende soorten inrichtingen :</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type A;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type B (met of zonder omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM));</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type C;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type C met een IPPC-installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type A Dit zijn inrichtingen die minder milieubelastende activiteiten uitvoeren, zoals veel kantoor- en schoolgebouwen. Bij de oprichting of een wijziging van de inrichting hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Ook is geen omgevingsvergunning milieu nodig. De inrichting valt volledig onder het Activiteitenbesluit. Los van het Activiteitenbesluit kunnen ook andere milieuregels gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type B Dit zijn inrichtingen die bij de oprichting of een wijziging van de inrichting een melding moeten doen bij het bevoegd gezag. Er is geen omgevingsvergunning milieu nodig. Soms is er wel een OBM nodig. De inrichting valt volledig onder het Activiteitenbesluit. Los van het Activiteitenbesluit kunnen ook andere milieuregels gelden. Voorbeelden van type B inrichtingen zijn autodemontagebedrijven, metaalbewerkende bedrijven en jachthavens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type C Dit zijn inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Daarnaast moet een melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan voor de activiteiten binnen de inrichting, waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Voor die laatstgenoemde activiteiten hoeven dan geen voorschriften in de vergunning te staan. Soms hebben inrichtingen type C ook een OBM nodig. Alleen een gedeelte van het Activiteitenbesluit is van toepassing op inrichtingen type C. De rest van de milieuregels staat in de omgevingsvergunning van het bedrijf. Los van het Activiteitenbesluit en de omgevingsvergunning kunnen ook andere milieuregels gelden. Voorbeelden van een type C inrichting zijn een rioolwaterzuiveringsinstallatie met slibvergistingsinstallatie of een autodemontagebedrijf dat ook vrachtwagens demonteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen type C met een IPPC-installatie Dit zijn inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Daarnaast moet een melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan voor de activiteiten binnen de inrichting, waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen hoeven dan geen voorschriften in de vergunning staan. Een wijziging aan de IPPC-installatie zelf is nooit meldingsplichtig. Hiervoor is altijd een omgevingsvergunning milieu nodig. Soms hebben inrichtingen type C ook een OBM nodig, een OBM is echter niet nodig als de activiteit deel uitmaakt van de IPPC-installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een gedeelte van het Activiteitenbesluit is van toepassing op inrichtingen type C. De rest van de milieuregels staat in de omgevingsvergunning van het bedrijf. Los van het Activiteitenbesluit en de omgevingsvergunning kunnen ook andere milieuregels gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soorten vergunningen Uitgebreide procedure Oprichtingsvergunning Bij een aanvraag om oprichtingsvergunning wordt de gehele inrichting beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingsvergunning Bij een aanvraag om een veranderingsvergunning wordt de verandering beoordeeld en ook de algemene aspecten zoals geluid en geur waarop de verandering mogelijk invloed heeft. Een veranderingsvergunning komt naast de reeds bestaande vergunning te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Revisievergunning Bij de aanvraag om een revisievergunning wordt de gehele inrichting beoordeeld. Een revisievergunning vervangt de voorgaande vergunning(en) volledig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reguliere procedure Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) Sinds 1 januari 2011 is een OBM verplicht voor bepaalde activiteiten die niet zomaar onder de regels van het Activiteitenbesluit kunnen vallen zonder voorafgaande toets. Die toets kan gaan over bijvoorbeeld lokale hinder (geluid, geur, luchtkwaliteit) en doelmatig beheer van afvalstoffen. De OBM bestaat uit een toestemming of een weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden. De voorschriften voor de OBM-plichtige activiteit staan in het Activiteitenbesluit. Door de introductie van de OBM moeten bedrijven voor bepaalde activiteiten een melding Activiteitenbesluit doen én een OBM aanvragen. De Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) informeert bedrijven als ze activiteiten hebben geselecteerd waarvoor een OBM is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning milieuneutrale verandering Het milieugedeelte van de omgevingsvergunning moet met de reguliere procedure worden gewijzigd als er sprake is van een verandering van de werking van de inrichting die milieuneutraal is ten opzichte van de vergunde situatie. Er wordt getoetst of er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.10, derde lid van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reguliere of uitgebreide procedure Verzoek om wijziging van de voorschriften van de vergunning een vergunninghouder kan vragen om een voorschrift te wijzigen, bijvoorbeeld het wijzigen van een, in zijn ogen, te streng voorschrift. Ook een derde belanghebbende kan vragen om een voorschrift te wijzigen, bijvoorbeeld een verzoek om een strenger geluidsvoorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoek om vergunning (gedeeltelijk) in te trekken of de vergunningvoorschriften in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunninghouder kan vragen om de omgevingsvergunning (deels) in te trekken of een aantal vergunningvoorschriften. Een derde belanghebbende kan ook om intrekking van vergunde activiteiten vragen, bijvoorbeeld vanwege ondervonden hinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtshalve actualiseren van de omgevingsvergunning Op grond van art. 2.30 van de Wabo moet regelmatig worden beoordeeld of de aan de vergunning verbonden voorschriften nog voldoende actueel zijn. Denk bijvoorbeeld aan het aanscherpen van de geluidsvoorschriften op grond van de actualisatieplicht of het aanpassen van de vergunning(voorschriften) naar aanleiding van veranderde wet- en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtshalve wijziging vergunning / voorschriften Het bevoegd gezag kan ambtshalve de vergunningvoorschriften wijzigen. De gronden staan in artikel 2.31 van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambtshalve (gedeeltelijk) intrekken van de vergunning / voorschriften Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning ambtshalve (deels) intrekken. De gronden hiervoor staan in artikel 2.33 en artikel 3.23 Wabo. Het kan bijvoorbeeld gaan om het intrekken van een vergunning die van rechtswege is verleend, indien die activiteit ernstige gevolgen voor het milieu heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorschriften Het Activiteitenbesluit bevat algemene regels voor milieubelastende activiteiten. Deze algemene regels kunnen in specifieke gevallen onredelijk zijn. Daarom bevat het Activiteitenbesluit de mogelijkheid om in dergelijke gevallen van de algemene regels af te wijken met maatwerkvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soorten meldingen Melding Activiteitenbesluit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding Lozen buiten inrichting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vuurwerkbesluit (Het Vuurwerkbesluit is van toepassing naast de regels van het Activiteitenbesluit);</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding mobiel breken bouw- en sloopafval;</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding Besluit Bodemkwaliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding bodemenergiesystemen (zie tabel 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Klein gesloten bodemenergiesysteem (&lt; 70 kW) Groot gesloten bodemenergiesysteem (&gt; 70 kW) binnen inrichting buiten inrichting binnen inrichting buiten inrichting Buiten Interferentie-gebied Activiteitenbesluit Besluit lozen buiten inrichting Activiteitenbesluit + OBM Besluit lozen buiten inrichting + OBM Binnen Interferentie-gebied Activiteitenbesluit + OBM Besluit lozen buiten inrichting + OBM Activiteitenbesluit + OBM Besluit lozen buiten inrichting + OBM Milieubeschermingsgebied Provinciale milieuverordening Tabel 3 Bodemenergiesystemen Actualisatieplicht Het bevoegd gezag moet vergunningen (van IPPC installaties) actueel houden. In de regelgeving zijn daarvoor twee actualisatieverplichtingen opgenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Actualisatieplicht die regelmatig uitgevoerd moet worden (artikel 2.30 Wabo / artikel 5.10, lid 2 Bor);</p>\n<p class=\"lf-p\">Actualisatieplicht (artikel 5.10 lid 1 Bor) voor IPPC-installaties binnen een termijn van vier jaar na publicatie van BBT–conclusies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van art. 2.30 van de Wabo moet regelmatig worden beoordeeld of de aan de vergunning verbonden voorschriften nog voldoende actueel zijn. Deze actualisatieplicht houdt in dat het bevoegd gezag regelmatig moet beoordelen of de voorschriften van een vergunning nog toereikend zijn. Dit gezien de ontwikkelingen op het gebied van technisch mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen die de kwaliteit van het milieu verbeteren. Een verdere uitwerking van deze actualisatieplicht staat in artikel 5.10, lid 2 van het Bor. Dit is een niet limitatieve lijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10 lid 1 Bor). Deze extra actualisatieplicht wordt hieronder verder toegelicht onder de ´Richtlijn Industriële Emissies´.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu regelmatig op actualiteit worden bezien en hanteert daarbij bovengenoemd kader. Zo nodig wordt een procedure gestart voor het ambtshalve actualiseren van de vergunning.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Toetsingskader voor bouwen, ruimtelijke ordening, aanleggen en slopen Hieronder staan de diverse toetsingskaders beschreven met betrekking tot bouwen, slopen, ruimtelijke ordening en aanleggen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Wabo De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) benoemt onder meer bouwwerken met een geringe ruimtelijke uitstraling die als vergunningsvrij worden aangemerkt. Bij het bouwen van dergelijke bouwwerken aan een voorgevel of in een beschermd stads- of dorpsgezicht, geldt uit esthetische overwegingen het vergunningsvrije stelsel niet, zodat een preventieve welstands- of bestemmingsplantoets mogelijk is. Dit brengt echter ook mee dat de toets aan het Bouwbesluit en Bouwverordening relevant wordt, met alle bijbehorende (administratieve) lasten van dien. Ter beperking van die (administratieve) lasten worden bouwwerken die primair als vergunningsvrij zijn aangemerkt, maar om esthetische overwegingen alsnog aan een vergunningplicht zijn onderworpen (monument of beschermd gezicht, kleine wijzigingen aan de voorgevel), preventief uitsluitend getoetst aan welstand en het geldend planologisch regime.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Bouwbesluit 2012 Het Bouwbesluit 2012 geeft landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen. Het bevat voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Ten aanzien van vergunningverlening is de keuze gemaakt om geen aanvullende prioriteiten te stellen boven hetgeen wettelijk verplicht is. Het toetsen van elke aanvraag aan alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 is binnen de huidige formatie niet mogelijk en ook niet noodzakelijk. Bij vergunningverlening vindt prioritering plaats door keuzes te maken in het niveau van diepgang van toetsing van de aanvraag. Niet alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 zijn namelijk voor alle bouwwerken van even groot belang en bovendien dreigt door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, het toetsen van een aanvraag aan het Bouwbesluit 2012 door marktpartijen te gaan geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toetsen van bouwaanvragen aan het Bouwbesluit 2012 legt de gemeente altijd de nadruk op constructieve veiligheid en brandveiligheid. De aandacht voor de overige aspecten uit het Bouwbesluit kan per jaar verschillen afhankelijk van de ervaringen uit voorgaande jaren. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt aangegeven waar in dat jaar specifiek aandacht aan wordt geschonken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een extern constructiebureau controleert de constructieberekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Bouwverordening De gemeente heeft een bouwverordening waarin nog een beperkt aantal voorwaarden staan waaraan bouwwerken dienen te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachting is dat deze verordening op termijn zal verdwijnen. De aspecten die de gemeente met deze verordening regelt, worden straks namelijk zoveel mogelijk ingebracht in het omgevingsplan onder het regime van de nieuwe Omgevingswet. Zolang de bouwverordening bestaansrecht heeft, wordt ieder plan dat nog door de gemeente wordt getoetst, gecheckt op de daarin opgenomen voorschriften 2.4 Planologische regime De gemeente toetst iedere omgevingsvergunningaanvraag aan het geldende planologisch regime. Doel hiervan is om de ruimtelijke inrichting van de gemeente welke is vastgelegd in onder meer bestemmingsplannen te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een aanvraag niet past binnen de hierin gestelde regels, kan op basis van het ‘Beleid planologische afwijkingen ’ voor gronden en bouwwerken die vallen binnen de reikwijdte van artikel 4 van bijlage II van het BOR alsnog een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 Ruimtelijke kwaliteit Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid van Vijfheerenlanden beoogt een versoepeling van de regels en daarmee van de toetsing van de criteria, waaraan het uiterlijk van bouwwerken moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De drie voormalige gemeenten hadden ieder eigen welstandsbeleid. Met het opstellen van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid voor de gemeente Vijfheerenlanden is ervoor gekozen om de lijn van de voormalige gemeente Vianen te volgen. In de praktijk is gebleken dat de regels die deze voormalige gemeente hanteerde voldoende waarborgen geven voor het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit maar daarnaast ook veel vrijheid geeft voor de initiatiefnemers. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent op punten een versoepeling. Met name voor het voormalig grondgebied van de gemeenten Leerdam en Zederik zijn de regels eenvoudiger geworden. Voor de gemeente Vianen golden al eenvoudiger richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de versoepeling van de regels is om op die plekken die een hogere beeldkwaliteit hebben, en waar het van belang wordt geacht om deze beeldkwaliteit te behouden, hogere kwaliteitseisen te stellen aan het uiterlijk van bouwwerken. Dit geldt met name voor de beschermde gezichten, het landelijk gebied, de kleine kernen en langs hoofdroutes. In de overige gebieden stelt de gemeente zich terughoudend op. Dat geldt bijvoorbeeld voor de meeste woongebieden en de bedrijventerreinen. In het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is sprake van 4 niveaus op basis waarvan het uiterlijk van bouwwerken wordt beoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrij niveau: hier gelden geen criteria voor het uiterlijk van bouwwerken. De vrije gebieden zijn voornamelijk gelegen in de woonwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soepel niveau: Het uiterlijk van bouwwerken wordt alleen beoordeeld wanneer de plannen zich aan de voorkanten van het openbare gebied bevinden. Voor de achterkanten geldt dat hier alleen wordt gekeken of zich geen excessen voordoen. Het soepel niveau geldt voor woongebieden en bedrijventerreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewoon niveau: wanneer dit niveau geldt dan wordt gekeken naar de voorkant van het pand ten aanzien van het openbaar gebied en naar belendingen (aangrenzende panden en percelen). Dit niveau is van toepassingen voor het landelijk gebied en de dorpslinten en stedelijke uitlopers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonder niveau: dit geldt voor gebieden waar extra inspanning voor behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het bijzonder niveau is van toepassing op het beschermd stadsgezicht van Vianen, het beschermde gezicht van Ameide en voor het beschermd gezicht Oosterwijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vier niveaus brengen criteria met zich mee waaraan het uiterlijk van het bouwwerk wordt getoetst. Wordt niet voldaan aan de gestelde criteria dan moet aanpassing van vorm, kleur of materiaalgebruik worden doorgevoerd. Mocht naderhand blijken dat het bouwwerk niet conform de gestelde criteria is uitgevoerd, dan wordt hierop gehandhaafd door de gemeente. De criteria worden tenslotte niet voor niets opgesteld: het doel is om de kwaliteit van de openbare ruimte te behouden of te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6 Sloopmeldingen (inclusief eventuele asbestverwijdering) De gemeente heeft de taak risico’s voor de omgeving die kunnen ontstaan bij de sloop van bouwwerken en asbestverwijdering beheersbaar te houden. Particulieren en bedrijven die dergelijke activiteiten willen uitvoeren zijn conform het Bouwbesluit wettelijk verplicht dit minimaal vier weken van te voren te melden via het Omgevingsloket. De ODRU beoordeeld namens de gemeente deze meldingen op volledigheid en juistheid van plannen voor de te nemen sloopveiligheidsmaatregelen en onderzoeksrapporten naar de aanwezigheid van asbest in het te slopen bouwwerk. Op basis hiervan stelt de ODRU namens gemeente de melder op de hoogte van de uitkomst van de toets die op de melding is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1 maart 2017 zijn gecertificeerde partijen in de asbestketen, verplicht om met het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) te werken. Het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) is een webapplicatie waarmee het proces van inventarisatie tot en met de stort van asbest gevolgd en geregistreerd kan worden door de verschillende ketenpartijen. Inventariseerders en saneerders zijn verplicht om hun werkzaamheden in het LAVS te registreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het LAVS wordt het proces van inventarisatie tot en met de stort van asbest gevolgd en geregistreerd kan worden door de verschillende ketenpartijen. Inventariseerders en saneerders zijn verplicht om hun werkzaamheden in het LAVS te registreren. Bedrijfsmatige asbestsaneringen moeten via het LAVS worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is het doel van LAVS?</p>\n<p class=\"lf-p\">Beter inzicht krijgen in de aanwezigheid van asbest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Transparantie in het asbestverwijderingsproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betere naleving van de asbestregelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beter toezicht op de asbestverwijdering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het doorlopen van de wettelijke procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie is zichtbaar voor alle ketenpartners die betrokken zijn bij het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.7 Toetsingskader voor Brandveilig gebruik De taak op het gebied van brandveiligheid wordt uitgevoerd door de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). De veiligheidsregio Utrecht doet namens de gemeente de inhoudelijke toets op de relevante wet- en regelgeving (zoals de Wabo, het Bouwbesluit 2012, AMvB BGBOP en de APV) op het terrein van onder meer bouwen, ruimtelijke ordening, vuurwerkopslagplaatsen en evenementen. Het voornaamste doel van advisering en toezicht op het gebied van brandveiligheid is het streven naar minder branden, minder slachtoffers en minder schade. Hierbij zijn vooral het voorkomen van de calamiteiten (preventie) en het creëren van de mogelijkheid om aanwezige personen veilig te kunnen laten vluchten, van essentieel belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.8 Toetsingskaders voor toepassing van de Wet Bibob De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur), geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een bedrijf of persoon te laten onderzoeken. Als er ernstig gevaar dreigt dat de vergunning of de subsidie wordt misbruikt, dan kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning of subsidie intrekken 2.9 Toetsingskaders milieu Het doel van het verlenen van vergunningen is, door het toetsen van aanvragen en het opleggen van voorschriften, bijdragen aan een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu. Op milieugebied is de beleidsruimte voor het voeren van een eigen VTH-beleid beperkt. Vanuit Europese (NEC en IPPC-richtlijnen) en landelijke (Wabo, Wet VTH, diverse AMvB’s) wet- en regelgeving wordt bepaald welke procedures gevolgd moeten worden en welke voorschriften gelden voor inrichtingen, activiteiten en toestellen en installaties. Ook worden er eisen gesteld aan het actueel hebben en houden van de vergunningen en daarin opgenomen voorschriften. Dit houdt ook in het intrekken van vergunningen voor niet meer in gebruik zijnde bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wet VTH is bepaald dat een belangrijk deel van de milieugerelateerde taken (de zogenaamde basistaken) niet door de gemeente maar door de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) moet worden uitgevoerd. In het Besluit omgevingsrecht is vervolgens bepaald dat de partners die deel uitmaken van de ODRU gezamenlijk het VTH-beleid opstellen voor de taken die door de ODRU worden uitgevoerd. De gemeente oefent, via haar vertegenwoordiging in de ambtelijke werkgroepen en het bestuur van de ODRU, invloed uit op de na te streven kwaliteitsniveaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s van de ODRU is opgenomen bij welke soort inrichtingen in dat betreffende jaar een toets naar de actualiteit van (de voorschriften van) de vergunning plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt beschreven welke toetsingskaders bij het beoordelen van meldingen en bij de vergunningverlening voor het deel milieu worden betrokken. Per aspect wordt alleen onderscheid aangebracht in de taakvelden Industrie en Agrarisch als dat nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de vergunningverlening op het gebied van milieu staat veel wet- en regelgeving vast, maar er is soms ook ruimte om maatwerk te leveren door de regels aan te passen aan de plaatselijke situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn Industriële Emissies (hierna RIE) De Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU) geeft milieueisen voor de grote milieuvervuilende bedrijven. Deze richtlijn geldt voor alle lidstaten van de Europese Unie. De richtlijn vereenvoudigt zeven richtlijnen tot één richtlijn. De belangrijkste daarvan is de IPPC-richtlijn. Bijlage I van de RIE geeft aan wanneer het een IPPC-installatie betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De RIE eist dat bedrijven de installatie pas in bedrijf nemen als ze een omgevingsvergunning milieu hebben. Deze integrale vergunning moet voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Voor IPPC-installaties staan de beste beschikbare technieken in BBT-conclusies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningverlening en handhaving van inrichtingen die vallen in categorie 4.5 van bijlage I van de RIE is uitbesteed aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied om te zorgen dat deze taak robuust wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Coördinatie De Waterwet en de Wabo kennen een coördinatieregeling bij gelijktijdige verlening of wijziging van de Watervergunning en de omgevingsvergunning bij IPPC-inrichingen. Er is alleen coördinatie als de aanvragen voor de vergunningen gelijktijdig wordt ingediend. Als binnen zes weken na indiening van de aanvraag voor één van de vergunningen geen aanvraag is ingediend voor de andere vergunning, dan wordt de aanvraag voor beide vergunningen buiten behandeling gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra actualisatieplicht Naast de reguliere actualisatieplicht op grond van art. 2.30 Wabo, geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, lid 1 Bor). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar, na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie, door de vergunningverlener moet worden beoordeeld of de IPPC-installatie kan voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die in de (nieuwe) BBT-conclusie(s) staan. Indien de installatie niet voldoet moet binnen de termijn van vier jaar de vergunning(voorschriften) worden geactualiseerd én moet de IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar aan die voorschriften voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Publicatie In artikel 19 lid 1b Wet milieubeheer is een verplichting opgenomen voor het publiceren van de vigerende vergunning van een IPPC-bedrijf op internet.</p>\n<p class=\"lf-p\">IPPC-database Ten behoeve van de rapportageverplichting van Nederland over IPPC-bedrijven aan Europa is het van belang de IPPC-database actueel te houden. Namens de gemeenten actualiseert de omgevingsdienst de IPPC-database jaarlijks. In artikel 21.2a van de Wet milieubeheer is de verplichting hiertoe opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Best beschikbare technieken (BBT) Het bevoegd bepaalt bij vergunningverlening de beste beschikbare technieken. Daarbij houdt het bevoegd gezag rekening met de Nederlandse informatiedocumenten over BBT. Deze documenten staan in de bijlage van de Ministeriele regeling Omgevingsrecht (Mor). Voor IPPC-installaties moet het bevoegd gezag daarnaast rekening houden met BBT-conclusies 2.10 Toetsingskader geluid Voor de toetsing van meldingen Activiteitenbesluit zijn de toetsingseisen benoemd in het Activiteitenbesluit. Voor de toetsing bij de vergunningverlening zijn de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening van 1998 en de Circulaire Industrielawaai van 1979 beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijk beleid Het geluidbeleid van de gemeente is opgenomen in de ‘Beleidsregels hogere waarden WGH 2020’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geluidgezoneerde industrieterrein De Hagen – De Biezen valt onder bevoegd gezag van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciaal beleid Stiltegebieden: In de Provinciale milieuverordening heeft de provincie Utrecht 13 stiltegebieden opgenomen. Er gelden regels voor geluid in en nabij stiltegebieden. Bij het toetsen van de aanvraag om omgevingsvergunning wordt hier rekening mee gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geluidgezoneerde bedrijfsterreinen van de glasfabriek in Leerdam en de kaasfabriek in Schoonrewoerd vallen onder het bevoegd gezag van de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidgezoneerde industrieterreinen: Het proces voor het vaststellen van een hogere grenswaarde en aanwijzing van een gezoneerd industrieterrein is een ruimtelijk proces, ten dienste van het vaststellen van een bestemmingsplan. Bij vergunningverlening en bij binnengekomen meldingen, toetsen wij aan de vastgestelde hogere waarden en MTG waarden bij woningen in de geluidszone en op de grens van de geluidszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.11 Toetsingskader luchtkwaliteit Nederland moet jaarlijks rapporteren aan de EU hoe het gesteld is met onze luchtkwaliteit. Jaarlijks moet elke gemeente over een bepaalde periode gegevens aanleveren over verkeer en veehouderijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkgebied van de omgevingsdienst is voor wat betreft bedrijven, voor één pluimveehouderij een overschrijding geconstateerd in 2020. Uitbreiden is voor een dergelijke veehouderij slechts mogelijk indien er aan strengere eisen kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toetsing aan de luchtkwaliteitseisen bij vergunningverlening is wettelijk vastgelegd. In hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. De luchtkwaliteit wordt getoetst op de aanwezigheid van schadelijke stoffen in de lucht, zoals koolmonoxide, stikstofoxide en zwevende deeltjes/fijn stof. Er zijn zeer veel variabelen die van invloed zijn op de uitkomst. Hoe sommige van deze variabelen bepaald moeten worden, is soms ook vastgelegd in gemeentelijke verordeningen / handreikingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Activiteitenbesluit staan ook activiteiten die mogelijk bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor veel van deze activiteiten is de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voorgeschreven. Hierbij moet vooraf getoetst worden aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.12 Toetsingskader geur De geur van bedrijven verspreidt zich via de lucht en veroorzaakt een geurbelasting op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de industrie geldt dat er getoetst moet worden of er sprake is van een aanvaardbaar hinderniveau. Hiervoor is een Handleiding Geur Industrie (Infomil) beschikbaar. Lokale overheden kunnen ook een eigen geurbeleid opstellen. Meerdere provincies en gemeenten, waaronder Vijfheerenlanden, hebben dat gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beoordelen van het aspect geur afkomstig van agrarische bedrijven, is voor vergunningplichtige bedrijven de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader. Voor meldingsplichtige agrarische bedrijven zijn de voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. Deze zijn gebaseerd op de Wgv en grotendeels hetzelfde. Voor veehouderijen zijn in de wet / het Activiteitenbesluit normen benoemd. De wet / het Activiteitenbesluit biedt gemeenten ook de ruimte om binnen bepaalde bandbreedtes af te wijken van de normen. Afwijking moet vastgelegd worden in een verordening en onderbouwd worden in een gebiedsvisie. Verder moet er gerekend worden met een in de wet vastgelegd rekenprogramma (V-Stacks vergunning).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokaal geurbeleid De beleidsregels van de gemeente ten aanzien van geur zijn opgenomen in de ‘Geurverordening gemeente Vijfheerenlanden 2021’ en de ‘Gebiedsvisie in het kader van de geurverordening 2021’.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.13 Toetsingskader ammoniak Voor het beoordelen van het aspect ammoniak afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) het toetsingskader. Onderdeel van de Wav is de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) waarin de ammoniakuitstoot per diersoort en stalsysteem staat aangegeven. De Wav maakt onderscheid in de ligging binnen of buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Op grond van de Wav wijzen de Provinciale Staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 augustus 2015 is het nieuwe Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. In dit Besluit emissiearme huisvesting zijn maximale emissiewaarden voor huisvestingsystemen opgenomen. Huisvestingssystemen die voldoen aan deze maximale emissiewaarden, worden als BBT beoordeeld. De datum van oprichting van het dierenverblijf bepaalt welke maximale emissiewaarde geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.14 Toetsingskader externe veiligheid (EV) Landelijk toetsingskader Binnen dit toetsingsaspect zijn diverse regelingen van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteitenbesluit Besluit externe veiligheid inrichtingen en de regeling (Bevi/Revi) Besluit risico zware ongevallen (Brzo) Vuurwerkbesluit Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik PGS richtlijnen Registratiebesluit externe veiligheid (Risicoregister) Regeling provinciale risicokaart (Risicoregister) Bevi / Revi Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bedoeld om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu voor een dergelijk bedrijf moet rekening worden gehouden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen verder uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brzo De vergunningverlening en handhaving van inrichtingen die vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo), is uitbesteed aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied om te zorgen dat deze taak robuust kan worden uitgevoerd. In Vijfheerenlanden gaat het alleen om de glasfabriek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vuurwerkbesluit De vuurwerkramp in Enschede in 2000 is aanleiding geweest voor het aanscherpen van wet- en regelgeving rondom het in- en uitvoeren, opslaan, bewerken, afleveren, het voorhanden hebben en het afsteken van vuurwerk. Het Vuurwerkbesluit is rechtstreeks werkend en geldt dus naast het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik In deze Circulaire is aangegeven hoe de aan te houden veiligheidsafstanden tussen opgeslagen ontplofbare stoffen (voor civiel gebruik) en kwetsbare objecten moet worden bepaald. Het gaat dan bijvoorbeeld om het gebruik van ontplofbare stoffen voor de schietsport, opslag bij wapenhandelaren, het slopen van gebouwen, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">PGS richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Bij een omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met deze PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Registratiebesluit externe veiligheid / Regeling provinciale risicokaart (Risicoregister) Op grond van het Registratiebesluit externe veiligheid en de Regeling provinciale risicokaart moeten bepaalde inrichtingen (bijvoorbeeld Bevi-inrichtingen, Brzo–inrichtingen, etc.) worden opgenomen in het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS). Gemeenten, provincies en rijk zijn vanaf 2007 verplicht de risico’s van gevaarlijke stoffen in te voeren in het risicoregister. Deze gegevens vormen de basis voor risicokaarten die burgers kunnen raadplegen op www.risicokaart.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokaal toetsingskader Er is een directe samenhang tussen de verlening van vergunningen voor bedrijven die gevaarlijke stoffen hebben en de risico's en ruimtelijke mogelijkheden in de omgeving van dergelijke bedrijven. Afstemming op dit gebied tussen de Omgevingsdienst en de afdeling ruimtelijke ordening is dan ook van groot belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.15 Toetsingskader water Onder dit aspect vallen meerdere zaken :</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozingen Bodemenergiesystemen Grondwater Lozingen Het lozen van afvalwater vanuit inrichtingen op riolering, oppervlaktewater of op of in de bodem is geregeld in het Activiteitenbesluit, door voorschriften in een omgevingsvergunning of in de watervergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van lozingen afkomstig van inrichtingen, in het kader van de omgevingsvergunning milieu, heeft uitsluitend betrekking op lozingen op de riolering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en de waterschappen in haar werkgebied hebben een Wabo Samenwerkingsovereenkomst (SOK) opgesteld. Onder andere is overeengekomen dat voor aanvragen omgevingsvergunning en meldingen Activiteitenbesluit van inrichtingen die in bijlage 3 van de SOK zijn opgenomen, advies wordt gevraagd aan het betreffende waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten zijn geen waterbeheerder in de zin van de Waterwet, maar beschrijven hun watertaken wel in plannen. Hierbij gaat het met name om het gemeentelijk rioleringsplan waarin naast riool- en afvalwatertaken op grond van de Wet milieubeheer, de invulling van de gemeentelijke zorgplichten voor hemelwater en grondwater wordt beschreven. De gemeenteraad heeft op 16 december 2020 het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP 2021-2025) vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemenergiesystemen Bodemenergie is te onderscheiden in aardwarmte (uit de diepe ondergrond) en gebruik van open dan wel gesloten bodemenergiesystemen (in de ondiepe ondergrond) .</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij open bodemenergiesystemen wordt grondwater onttrokken en vervolgens na gebruik voor verwarming en verkoeling weer terug in de bodem gebracht (geïnjecteerd/geretourneerd). Warmte- koudeopslag is een soort bodemenergiesysteem dat gebruik maakt van de warmte of koude die van nature aanwezig is in de bodem en het grondwater. Voor deze open bodemenergiesystemen is vrijwel altijd een watervergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het onttrekken van grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gesloten bodemenergiesystemen wordt geen grondwater verplaatst. De systemen wisselen warmte en koude uit via een gesloten buizenstelsel in de ondergrond. Een veel gebruikte naam voor deze systemen is 'bodemwarmtewisselaar'. De gemeente is bevoegd gezag voor gesloten bodemenergiesystemen. Gesloten bodemenergiesystemen zijn meldingsplichtig, soms is er ook een OBM nodig. Een gemeente is verplicht de meldingen te registreren. De omgevingsdienst registreert de meldingen in het landelijke systeem: landelijk grondwater register (LGR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater Grondwater dient vele functies, waaronder de drinkwaterwinning, landbouw, industrie, natuur en energie. Er moet voldoende zijn, van een goede kwaliteit. Daarnaast dient het grondwaterbeheer, in het bijzonder het grondwaterpeilbeheer, te zijn afgestemd op de verschillende boven- en ondergrondse functies. Een op de verschillende bestemmingen afgestemd grondwaterpeil dient veel belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het werkgebied van de omgevingsdienst zijn meerdere waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en/of boringvrije zones aanwezig. De gebiedsaanwijzing is opgenomen in bestemmingsplannen. Bij het verlenen van omgevingsvergunningen dient rekening te worden gehouden met deze gebieden en de activiteiten die daarin worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.16 Toetsingskader bodem Bodem inrichtingen Het (nationale) preventieve bodembeschermingbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: NRB). Dit beleid is gericht op het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voor de reguliere bedrijfsvoering, voor zover sprake is van een bodembedreigende situatie. De NRB is opgenomen als Nederlandse informatiedocument over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van het aspect bodem bij de vergunningverlening wordt de NRB dan ook als toetsingskader gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een inrichting bodembedreigende activiteiten verricht moet er veelal een nulsituatie bodemonderzoek worden verzocht. Om het eisen van nulsituatie bodemonderzoeken meer te uniformeren werkt de omgevingsdienst momenteel aan een ´beleidsnotitie nulsituatie bodemomonderzoeken´.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit Bodemkwaliteit Uitgangspunten van het landelijk beleid is dat er niet gebouwd wordt op een bodem die dusdanig is verontreinigd dat risico's voor de gezondheid kunnen ontstaan. Er is een regionale bodemkwaliteitskaart door de gemeenten vastgesteld waarin gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen met betrekking tot het omgaan met grondstromen. Het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart van de omgevingsdienst geeft inzicht in de bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.17 Toetsingskader energie Energie Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu wordt de circulaire ‘Energie in de milieuvergunning´ als richtlijn gehanteerd om te bepalen of een energieonderzoek noodzakelijk is en of energiebesparende maatregelen nodig zijn. Conform de Circulaire is het aspect energie relevant wanneer het bedrijf jaarlijks méér dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas verbruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij meldingsplichtige bedrijven is het aspect energie relevant als het jaarlijks verbruik groter is dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas. Op grond van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit moet een ondernemer dan alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder nemen (zie ook hieronder onder ´erkende maatregelen´).</p>\n<p class=\"lf-p\">Energie-efficiency bij bedrijven, instellingen en particulieren is een milieuaspect waarmee in de vergunningverlening rekening moet worden gehouden. Dit is een wettelijke verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vergunningverlening voor de activiteit milieu wordt getoetst aan toepassing van BBT voor energie-efficiency, binnen de bedrijfsactiviteiten. Dat geldt voor het efficiënt gebruiken van energie bij processen, door installaties en van gebouwen. Bij de behandeling van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu, wordt energie-efficiency meegenomen door toetsing aan BBT op basis van het aanwezige energiebesparingspotentieel en uitvoerbare energiebesparingsmaatregelen (eventueel op basis van een uitgevoerd energieonderzoek).</p>\n<p class=\"lf-p\">Erkende maatregelen In de bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor een aantal bedrijfstakken erkende maatregellijsten opgenomen. Door de maatregelen op de lijst uit te voeren kan de ondernemer voldoen aan de verplichting uit art. 2.15 van het Activiteitenbesluit. De maatregelen zijn alleen erkend als de terugverdientijd 5 jaar of minder is. Per maatregel zijn randvoorwaarden benoemd. Hiermee wordt aangegeven in welke gevallen de maatregel toegepast kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED) De EED draagt bij aan onder andere minder uitstoot en luchtverontreiniging in Europa, met als doel 20% lager energieverbruik in Europa in 2020. De EED verplicht bepaalde grote ondernemingen (met meer dan 250 FTE of een jaaromzet groter dan 50 miljoen euro) een energie-audit uit te voeren, met als doel het terugdringen van het energieverbruik van grote ondernemingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor veel grote ondernemingen geldt de auditplicht niet omdat zij al standaard een audit uitvoeren. Zoals voor bedrijven die deelnemen aan de Meerjarenafspraak energie-efficiëntie 2001-2020 (MJA3) of de Meerjarenafspraak energie-efficiëntie ETS-ondernemingen (MEE). Maar ook bedrijven met een internationaal erkend energie- of milieubeheerssysteem hoeven deze energie-audit niet uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18 Toetsingskader afval In het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) is het beleid verwoord voor het beheer van alle afvalstoffen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Het LAP is het toetsingskader bij alle vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer waar afvalaspecten aan de orde zijn. Dat geldt voor provincies, gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders. Dit geldt voor vergunningen voor afvalbeheerinrichtingen, maar ook voor vergunningen voor bedrijven waar afval vrijkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage16:Toezichtstrategie 1. Toezichtstrategie Toezichtstrategie is de strategie die beschrijft op welke manier en in welke vorm toezicht plaatsvindt. Dit is een leidraad bij het opstellen van het Uitvoeringsprogramma en voor de toezichthouder in zijn dagelijkse werk. Toezicht vindt plaats op basis van de gestelde prioriteiten en doelen. Deze zijn vastgesteld op basis van de risicoanalyse (zie bijlage 10). De prioritering is leidend voor de frequentie van het toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Manier van werken bij toezicht en handhaving Verschillende handhavingspartners zijn actief in toezicht en handhaving in de leefomgeving. Zowel in de openbare ruimte als in het bebouwde gebied. Te denken valt aan toezicht door de gemeentelijke Boa’s, het waterschap, de Veiligheidsregio Utrecht, de provincie Utrecht, de politie, de Omgevingsdienst regio Utrecht en de gemeentelijke organisatie, waaronder de buitendienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door informatiegestuurde handhaving en heldere werkafspraken zijn meerdere vormen van integraal toezicht mogelijk. Dat wordt hierna uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 6 Modellen voor het uitvoeren van (integrale) controle Controleren met elkaar: Toezichthouders vanuit diverse taakvelden voeren gezamenlijk een integrale controle uit. Ieder voor de eigen discipline. Met name van toepassing in situaties die door een groter dan gemiddelde complexiteit of bestuurlijke prioriteit worden gekenmerkt. Soms is deze methode nodig, meestal is die arbeidsintensief en belastend voor de ondernemer of burger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na elkaar controleren: Verschillende toezichthouders van uiteenlopende instanties of afdelingen voeren zelfstandig en onafhankelijk van elkaar een controle uit. Omdat de inspecties over een relatief groter tijdsbestek worden uitgevoerd, heeft deze aanpak een sterkere preventieve uitwerking. Deze vorm van controleren is de klassieke vorm van toezicht. De toezichtlast neemt echter toe en de efficiëntie neemt af. Bovendien is het risico groot dat controles verschillende vakgebieden bestrijken, hetgeen kan leiden tot interpretatieverschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elkaar signaleren: Een toezichthouder kan tijdens zijn ‘eigen’ controle een mogelijke overtreding in een ander taakveld signaleren. Als deze constatering daartoe aanleiding geeft, zal de specialist van dat taakveld zelf een controle uitvoeren. Het voordeel van deze aanpak is dat overtredingen in een eerder stadium worden gesignaleerd. Deze aanpak vergt wel de nodige afstemming (en kunde) binnen een organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elkaar controleren: Een toezichthouder neemt tijdens een integrale controle meerdere aandachtsvelden voor zijn rekening. Dit heeft voornamelijk betrekking op situaties die worden gekenmerkt door een geringe complexiteit. Dit is een vorm van signaaltoezicht, die prima kan worden uitgevoerd door een generalistisch toezichthouder, die bovendien dikwijls wordt ingezet voor uiteenlopende surveillances.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toezicht wordt de gekozen voor de meest effectieve en efficiënte manier van toezicht. Dit is afhankelijk van het doel van het betreffende project in het UVP. Het streven is bij alle controles oog te hebben voor signaalpunten van andere taakvelden en/of bevoegd gezag. Uitgangspunt is dat alle signaalpunten na afloop van de controle worden doorgegeven aan de betrokken handhavingspartner.</p>\n<p class=\"lf-p\">De manier van werken bij toezicht &amp; handhaving van de gemeente krijgt vorm in een soort controle. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in preventief, actief en reactief toezicht: geprogrammeerd gebiedstoezicht (preventief, § 1.2); gebiedsgerichte controles (actief, § 1.3); controle op de naleving van verleende vergunningen en/of meldingen (actief, § 1.4); controle naar aanleiding van handhavingsverzoeken (reactief, § 1.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ODRU voert namens de gemeente programmatisch toezicht uit op milieuzaken (§ 1.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Preventief: geprogrammeerd gebiedstoezicht De kwaliteit van de leefomgeving wordt onder meer bepaald door de mate van controle op de naleving van de gestelde normen. Controle betekent ook “gezien worden” en dat werkt in de regel preventief. Gekoppeld aan handhavingscommunicatie zal dit een positief effect hebben op kwaliteit van de leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De surveillance kan door elke discipline worden uitgevoerd. Het gaat er dan om dat bevindingen bij de juiste handhavingspartner wordt gedeponeerd: ook dat is een vorm van signaaltoezicht. Dit kan een collega zijn of een ander bevoegd gezag. Periodiek wordt een gebied, al dan niet steekproefsgewijs, gecontroleerd of er overtredingen zijn. Deze controles vinden plaats aan de hand van incidentele fysieke perceelscontroles.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Actief: gebiedsgerichte controle Een surveillance kan ook resulteren in een controle, op basis waarvan een handhavingstraject moet worden opgestart. Deze controle zal vooral in buitengebieden leiden tot het constateren van uiteenlopende vormen van strijdig (planologisch) gebruik, mede door de veranderingen in de wetgeving per 1 november 2014 (de uitbreiden van het vergunningvrij bouwen en de verruiming van de mogelijkheden tot planologisch afwijkend gebruik, ook buiten de bebouwde kom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van een tijdige signalering is tweeledig: ernstige overtredingen worden eerder gesignaleerd en aangepakt (mits prioritair), en de informatie is direct bruikbaar in elke actualiseringsronde van de bestemmingsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedsgerichte controle kan ook worden ingezet voor de taakvelden milieu, bouwen en openbare ruimte. Tijdens de controle heeft de toezichthouder specifiek oog voor een of meerdere controlepunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het afnemen van vergunningplichtige activiteiten en het toenemen van vergunningsvrije of meldingsplichtige werkzaamheden neemt de kans op afwijkend handelen toe. Daar waar minder inzet nodig is voor vergunningverlening, blijkt uit de praktijk dat intensivering van toezicht en handhaving noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Actief: controle naar aanleiding van verleende vergunningen en/of meldingen Deze vorm van controle is traditioneel en vloeit direct voort uit het nemen van beschikkingen, het stellen van voorschriften bij vergunningen en het accepteren van meldingen. Naleving van voorschriften is essentieel bij vergunningverlening, immers het gaat hier om zaken die expliciet vergund dienden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle verleende vergunningen worden, waar mogelijk, integraal gecontroleerd overeenkomstig het vastgestelde beleid en de eventuele controlefrequentie (zie bijlage 24). In geval van overtredingen wordt – afhankelijk van het beleid - de handhavingsstrategie toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 Reactief: controle naar aanleiding van klachten en/of verzoeken om handhaving Niet alle klachten en/of verzoeken om handhaving resulteren in een controle. Dat is afhankelijk van de prioriteitstelling (zie bijlage 10). Op anonieme handhavingsverzoeken wordt in beginsel niet gereageerd. Indien sprake is van een mogelijk acute situatie wordt uiteraard wel actie ondernomen. Bij dit onderwerp wordt de lijn van de constante jurisprudentie omtrent ‘de beginselplicht tot handhaving” gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6: Programmatisch toezicht ODRU Programmatisch Toezicht is een probleemgerichte aanpak waarbij het gedrag van de mensen (doelgroepen) als uitgangspunt wordt genomen voor de te bepalen toezicht- en handhavingstrategie. Door op een systematische manier de doelgroepen en hun naleefgedrag te bepalen kunnen de meest effectieve handhavingsinstrumenten worden toegepast. Dit leidt tot een verhoging van de kwaliteit van de dienstverlening van de ODRU en de effectiviteit en efficiëntie van toezicht en handhaving. Het programmatische karakter maakt het mogelijk dat de ODRU voor al haar gemeenten een zo veel mogelijke uniforme werkwijze kan realiseren. Dit komt het gelijke speelveld en het rechtsgevoel van de inwoners ten goede. Door informatie gestuurd en met meetbare doelstellingen te werken kunnen wij in een jaarlijkse cyclus het effect meten, rapporteren en onze capaciteit zo doelgericht mogelijk aanpassen en inzetten. De gemeenten en de ODRU kunnen samen de indicatoren bepalen die in het jaarverslag worden opgenomen. Dit stelt de ODRU in staat om in het gemeentelijke jaarverslag een rapportage op basis van outcome te geven, zodat duidelijk wordt in hoeverre de beleidsdoelen worden gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.7: Voorbereiding van toezicht Voordat een toezichtcontrole wordt uitgevoerd, worden altijd eerst de relevante documenten beoordeeld die bij een casus horen. De bouwcontrole is door vergunningverlening aangemaakt in de VTH-applicatie. In deze applicatie worden de documenten per hoofdzaak gestructureerd opgeslagen. De relevante documenten worden door de toezichthouders beoordeeld op volledigheid en de vergunningsvoorwaarden. Wanneer voor het betreffende bouwplan ook een bouwveiligheidsplan benodigd is, wordt ook deze getoetst op volledigheid. Indien gewenst wordt intern eerst een overleg gehouden tussen verschillende afdelingen alvorens een toezichtcontrole wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage17:Handhavingsstrategie De handhavingsstrategie is bepalend voor de wijze waarop de gemeente optreedt bij geconstateerde overtredingen. Het opleggen en uitvoeren van sancties draagt eveneens bij aan preventie bij anderen en zorgt ervoor dat regels beter worden nageleefd. De handhavingsstrategie geldt voor de zowel de Wabo-taken bouwen als de Wabo-taken milieu en komt overeen met de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht op één punt na, we hanteren één hersteltermijn minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Totstandkoming, visie en werking Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht Tijdens het Bestuurlijk Omgevingsberaad, dat plaatsvond op 4 juni 2014 is de eindversie van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (versie 1.7 van 24 april 2014) door het Interprovinciaal overleg en het Openbaar Ministerie aangeboden aan de staatssecretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) is het eerste gezamenlijke product van het Openbaar Ministerie, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen, het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Nationale Politie en de vereniging van omgevingsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Implementatie van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht Alle betrokken partijen hebben zich uitgesproken voor implementatie van de LHSO. Handhavende instanties, zoals overheden, omgevingsdiensten, het Openbaar Ministerie en de politie treden bij een geconstateerde overtreding van de Wabo op dezelfde manier op. De strategie komt voort uit de behoefte van de betrokken instanties om eenduidig handhavend op te treden en de afstemming van bestuurs- en strafrecht te optimaliseren. Zo ontstaat een gelijk speelveld waarbij men ervan uit kan gaan dat handhavers zodanig optreden dat het rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 VTH-kwaliteitscriteria Met het overnemen en invoeren van de LHSO wordt aangesloten bij de landelijke ontwikkelingen op het gebied van de landelijke kwaliteitscriteria op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-kwaliteitscriteria) voor Wabo bevoegde overheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit waarborgt landelijke eenduidigheid (en rechtsgelijkheid) in twee opzichten: iedere bevinding krijgt een passende interventie, en; het proces om tot een passende interventie te komen verloopt overal hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Uitgangspunten Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht De LHSO is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onafhankelijkheid (sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhavingsinstanties);</p>\n<p class=\"lf-p\">Professionaliteit en vakmanschap (training, opleiding, kennis- en informatie-uitwisseling);</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrouwbaarheid (beginselplicht tot handhaven en verantwoording afleggen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenvoud (een passende interventie bij iedere bevinding en hoe daar toe te komen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezamenlijkheid (overleg, afstemming en planmatig en informatie gestuurd gezamenlijk optreden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De LHSO bevat een stappenplan voor het bepalen van de reactie/interventie op een bevinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reactie/interventie is afhankelijk van de (mogelijke) gevolgen van de bevinding en het gedrag van de overtreder. Daarbij worden ook eventuele verzwarende (of verlichtende) aspecten meegewogen. De strategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren, gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. Daarnaast is overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhavingsorganisaties kiezen afhankelijk van de situatie weloverwogen voor alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- en strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk optreden. Uitgangspunt is dat het bestuur en het Openbaar Ministerie, elk handelend vanuit de eigen verantwoordelijkheid, hun handelen afzonderlijk en in combinatie richten op het naleven van wet- en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursrechtelijk optreden Bestuursrechtelijk optreden is vooral gericht op het herstellen van de situatie, conform de wet- en regelgeving, opdat vastgesteld beleid wordt geëffectueerd. De keuze van de in te zetten bestuursrechtelijke interventie(s) vindt plaats aan de hand van de in hoofdstuk 3 van de LHSO opgenomen interventiematrix, waarbij het spoedig herstellen van de situatie voor de bevinding de eerste prioriteit is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafrechtelijk optreden Het strafrecht komt in beeld als de (mogelijke) gevolgen van belang zijn of aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar. Het strafrecht komt mede in beeld als het gedrag van de overtreder daar aanleiding toe geeft. Strafrechtelijk optreden is vooral gericht op het straffen van de overtreder en het wegnemen van diens wederrechtelijk genoten (concurrentie)voordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 Gemeentelijke toepassing van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht De LHSO (bijgevoegd) maakt onderdeel uit van deze handhavingsstrategie. De gemeente hanteert deze strategie, mede gelet op de geldende wettelijke verplichtingen en haar deelname in de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst regio Utrecht. Daarnaast vindt zij duidelijkheid en eenduidigheid voor de inwoners, bedrijven, verenigingen en instellingen van groot belang. De gemeente Vijfheerenlanden past de LHSO toe op het Wabo-takenveld (de fysieke leefomgeving).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6. Vaststellen van de sanctie via de interventiematrix Bij het constateren van een overtreding, bijvoorbeeld naar aanleiding van een reguliere controle, een klacht of een verzoek om handhaving, is de interventiematrix uit de LHSO leidend. Als de toezichthouder een overtreding heeft geconstateerd stelt hij of zij met behulp van de interventie-matrix de sanctie vast. Daarbij zijn de volgende stappen aan de orde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Positionering bevinding in de interventiematrix De handhaver bepaalt in welk segment van de interventiematrix de bevinding gepositioneerd kan worden door: het beoordelen van de gevolgen van de bevinding voor milieu, natuur, water, veiligheid, gezondheid en/of maatschappelijke relevantie en het typeren van de overtreder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalen verzwarende aspecten De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de afweging om het bestuurs- en/of strafrecht toe te passen. Hoe meer verzwarende aspecten, des te groter de reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk te handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek samenwerking bestuur, politie en Openbaar Ministerie De handhaver bepaalt of overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is op basis van de beoordeling van de bevinding met de interventiematrix (stap 1) en de afweging van verzwarende aspecten (stap 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Optreden met de interventiematrix De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van de interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 heeft gepositioneerd. Vervolgens kiest de handhaver voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is. De interventies in de (segmenten van de) matrix lopen van beneden naar boven op in zwaarte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastlegging De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden volgens de geldende procedure(s) vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.7 De interventiematrix Bij het positioneren van de bevindingen maakt de handhaver gebruik van de onderstaande interventiematrix.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op gedrag van de overtreder A Goedwillend Deze waakt uit eigen beweging structureel voor overtredingen, neemt daartoe preventieve maatregelen en borgt deze binnen zijn activiteiten / bedrijfsvoering. De overtreder wil de regels volgen en de overtreding vond onbedoeld plaats B Moet kunnen Deze neemt het niet zo nauw met het collectieve belang, heeft een 'moet kunnen houding', de overtreding en de gevolgen laten hem onverschillig C Calculerend Deze is opportunistisch/calculerend en weet dat zijn daad een bepaald gevolg kan hebben, maar neemt de gevolgen op de koop toe. Daarmee neemt hij bewust risico's. Hiervan is ook sprake bij bewust belemmeren van een controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">D Bewust en structureel Deze is een overtreder die bewust en structureel de regels overtreedt. Deze is uit op macht (i.c. oneerlijke concurrentie) en geldelijk gewin of werkt structureel samen met meerdere personen waarbij misdrijven worden gepleegd. De overtreding bestaat uit bijvoorbeeld fraude, oplichting en witwassen, of gaat daarmee samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gedrag van de overtreder -om wat voor een reden dan ook -niet voldoende bepaald kan worden, wordt hiervoor categorie B (onverschillig) gekozen. Indien een overtreding meerdere activiteiten bestrijkt wordt -indien er wordt gekozen voor één integrale reactie-het vak gekozen van de activiteit waarbij de ernst van de overtreding het hoogst is. De ernst wordt per overtreding vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de gevolgen van de overtreding 1 Vrijwel nihil De gevolgen van de overtreding met betrekking tot bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn vrijwel nihil of te verwaarlozen 2 Beperkt De gevolgen van de overtreding met betrekking tot bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn beperkt van aard 3 Van belang De gevolgen van de overtreding met betrekking tot bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn van belang of dreigend. Dit is ook het geval bij een aanmerk elijk risico dat de overtreding maatschappelijke onrust veroorzaakt en/of doden of gewonden tot gevolg heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Aanzienlijk dreigend en/of onomkeerbaar De gevolgen van de overtreding met betrekking tot bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn aanzienlijk en/of onomkeerbaar. Dit is o.m. het geval als de overtreding maatschappelijke onrust veroorzaakt en/of doden of gewonden tot gevolg heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.8 Toepassen sanctiemogelijkheden Het positioneren in de interventie-matrix heeft gevolgen ten aanzien van de in te zetten sanctiemiddelen. Indien er in een vlak meerder sancties staan vermeld betekent dit niet dat alle opgesomde sanctiemiddelen ook moeten worden ingezet. Afhankelijk van de overtreding kan een keuze worden gemaakt ten aanzien van de in te zetten sanctiemiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.9 Toepassen van de correctie-stap De gemeente Vijfheerenlanden heeft er voor gekozen om voor één of meerdere activiteiten een correctie-stap toe te passen. In deze stap wordt bepaald of er verzwarende of verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. De handhaver bepaalt of er sprake is van verzachtende of verzwarende aspecten. Bij verzwarende aspecten, waaronder bijvoorbeeld recidive, is de verplaatsing één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven. Als er meer verzwarende aspecten zijn, levert dit toch maar één verplaatsing op.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eindversie van de Landelijke Handhaving-strategie (versie 1.7 van 24 april 2014) zijn op bladzijde 9 onder het kopje '3.2. Stap 2 -Bepalen verzwarende aspecten' een zevental verzwarende aspecten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.9.1 Bepalen verzwarende aspecten De handhaver/toezichthouder bepaalt of er verzwarende aspecten aanwezig zijn die moeten worden betrokken bij de afweging om bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk op te treden. Hoe meer verzwarende aspecten, des te groter de reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende verzwarende aspecten worden afgewogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkregen financieel voordeel (winst of besparing).</p>\n<p class=\"lf-p\">De overtreder heeft door zijn handelen financieel voordeel behaald of financieel voordeel halen was het doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Status verdachte/voorbeeldfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overtreder is: een regionaal of landelijk maatschappelijk aansprekende of bekende (rechts)persoon; een ander overheidsorgaan; een toonaangevend brancheonderdeel; een certificerende instelling; een persoon die een openbaar ambt bekleedt; de eigen organisatie; etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herhaalde overtredingen (recidive) De overtreding wordt zwaarder aangerekend in het geval sprake is van (een) herhaalde overtreding(en) en/of sprake is van (een) soortgelijke overtredingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Combinatie met andere relevante delicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere handelingen zijn gepleegd ter verhulling van de feiten, zoals valsheid in geschrift, corruptie of witwassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerking van deskundige derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overtreder is bij zijn handelen ondersteund door deskundige derden, zoals vergunningverlenende of certificerende instellingen, keuringsinstanties en brancheorganisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handhaver moet onderbouwen op grond van welke aanwijzingen hij het vermoeden heeft dat de deskundige derde op de hoogte was en/of medewerking heeft verleend aan de geconstateerde bevinding(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuurlijke prioriteiten Aan overtredingen die plaats vinden op basis van de onderstaande geselecteerde bestuurlijke prioriteiten word een zwaarder gewicht toegekend. Voor de volledigheid geven we hieronder in het kort een overzicht van de prioriteiten handhaving:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leefbaarheid en sociale veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoud en bevordering van de leefbaarheid en sociale veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoud en bescherming van de historische binnenstad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegengaan van ongewenste interventies in het landelijk gebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tegengaan van illegale bewoning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terugdringen van hondenoverlast;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tegengaan van fout of hinderlijk parkeren (incl. blauwe zone);</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor constructieve veiligheid (zowel in de beoordelingsfaseals in de uitvoeringsfase).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier opgesomde bestuurlijke prioriteiten zijn bestemd voor de periode 2016-2018. Jaarlijks wordt bezien of de actualiteit invloed heeft of moet hebben op de eerder gestelde prioriteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop van overtredingen Bij een controle kunnen meerdere overtredingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving aan de orde zijn. Deze samenloop zal als een verzwarend aspect worden meegewogen in het geval sprake is van een dreigende en/of onomkeerbare schade voor de fysieke leefomgeving en (dreigende) risico's voor de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.9.2 Bepalen verzachtende aspecten De gemeente Vijfheerenlanden heeft er voor gekozen om voor één of meerdere activiteiten een correctie-stap toe te passen. In deze stap wordt bepaald of er verzwarende of verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. De handhaver bepaalt tot slot of er sprake is van verzachtende of verzwarende aspecten. Bij verzachtende aspecten, waaronder bijvoorbeeld de mogelijkheid van legalisatie2Als legalisatie van de bevinding mogelijk is, is dat de aangewezen weg gelet op de hieruit voortvloeiende rechtszekerheid voor alle betrokkenen. Dit laat het toepassen van de landelijke handhavingstrategie en de interventiematrix onverlet, omdat er maat regelen nodig kunnen zijn om de overtreding te beëindigen en de gevolgen te beperken of weg te nemen. wordt de in de interventiematrix gepositioneerde bevinding één segment naar links en vervolgens één segment naar onder verplaatst. Als er meer verzachtende aspecten zijn, levert dit toch maar één verplaatsing op.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.10 Procesregistratie De doorgelopen stappen en genomen beslissingen worden verifieerbaar en transparant vastgelegd volgens de binnen de handhavingsinstantie geldende administratieprocedures en -systemen, zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan: het motiveringsbeginsel; het zorgvuldigheidsbeginsel; het verbod van willekeur; het verbod van misbruik van bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.11 Communicatie met betrokkene Na constatering van een afwijking of overtreding wordt binnen vier weken een eerste aanschrijving gedaan aan de betrokkene(n). Hierin wordt aangegeven welke overtredingen er zijn geconstateerd en binnen welke termijn deze ongedaan moeten zijn gemaakt. In dit schrijven wordt tevens vermeld dat wanneer de overtreding niet ongedaan wordt gemaakt, de procedure tot het opleggen van een bestuurlijke sanctiemaatregel wordt gestart. Indien van toepassing kan in het geval van afwijkend (gering) bouwen worden volstaan met het indienen van een revisietekening. Ook kan de overtreder in de gelegenheid worden gesteld om binnen de gestelde termijn een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning in te dienen ter mogelijke legalisering van de afwijking. Indien legalisatie uitgesloten is wordt dit samen met een onderbouwing vermeld in de eerste brief. Nadat de termijn voor het herstellen van de overtredingen of afwijkingen voorbij is, wordt opnieuw ter plaatse gecontroleerd. Als daarbij blijkt dat de overtreding nog niet ongedaan is gemaakt van volgt een tweede aanschrijving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt niet in alle gevallen eerst een waarschuwingsbrief verzonden naar de betrokkene(n). Bijvoorbeeld in het geval van een verzoek om handhaving kan het zijn dat de tweede aanschrijving, zoals hieronder wordt omschreven, de eerste communicatie is. Het gaat hierbij dan om een afwijking of overtreding met een hogere prioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede aanschrijving bestaat uit een brief van de gemeente of handhavingspartner waarin het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke (herstel) sanctie staat vermeld. De gemeente stelt de betrokkene in de brief nogmaals in de gelegenheid om binnen een te stellen termijn de overtreding ongedaan te maken met aanzegging van een sanctiemaatregel. Tegen deze aanzegging kan degene tot wie de brief is gericht een zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Als na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een zienswijze de overtreding niet ongedaan gemaakt is dan volgt de derde stap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de geconstateerde overtreding gaat de gemeente, rekening houdend met een eventueel ontvangen zienswijze, over tot het definitief toepassen van de eerder aangezegde sanctiemaatregel. Deze beschikking bevat een begunstigingstermijn waarbinnen een eind moet zijn gemaakt aan de overtreding. Indien de overtreding na de begunstigingstermijn nog niet is beëindigd, dan volgt automatisch effectuering van de sanctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.12 Openbaring rapportages De gemeente heeft er voor gekozen om rapportage van overtredingen niet openbaar te maken. Deze keuze is gebaseerd op het feit dat wij ons als gemeente liever richten op preventie dan op sanctionering. Mocht sanctionering nodig zijn vertrouwen wij erop dat onze handhavingsstrategie op zichzelf de kans op herhaling verkleint. Openbare rapportage van overtredingen draagt daar naar ons idee niet op een constructieve manier aan bij. Daarbij hechten wij veel waarden aan de privacy van onze inwoners. Door de rapportages openbaar te maken zou dit kunnen worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage18:Toelichting interventies van licht naar zwaar 1. Bestuursrecht herstellend Aanspreken/informeren Aanspreken/informeren is een informele interventie (geen wettelijke basis) naar aanleiding van een inspectie die ertoe moet leiden dat de normadressaat naleeft of in staat is na te leven. Aanspreken/informeren gebeurt mondeling, door het verstrekken van schriftelijke informatie of door verwijzing naar websites. Aanspreken/informeren is vooral aan de orde bij goedwillende normadressaten die onbedoeld niet naleven en die gemotiveerd zijn de niet naleving zo snel mogelijk zelf op te lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarschuwen – brief met hersteltermijn Waarschuwen betekent dat de normadressaat naar aanleiding van een inspectie een waarschuwingsbrief ontvangt. Daarin is opgenomen welke maatregelen of voorzieningen getroffen moeten worden om na te leven en binnen welke (redelijke) termijn. In de brief staat ook dat de handhavingsinstantie verdergaande bestuursrechtelijke interventies zal nemen (LOB, LOD), als blijkt dat de in de waarschuwingsbrief opgenomen maatregelen of voorzieningen niet zijn getroffen na het verstrijken van de termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuurlijk gesprek Een bestuurlijk gesprek met (de leiding van) de normadressaat in kwestie is een aanvullende escalerende interventie op waarschuwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscherpt toezicht</p></div>", "next": 239744}