{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overdragen vergunningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door of namens het bevoegd gezag wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet , de gebruiksvergunning als bedoeld in dan wel de sloopvergunning als bedoeld in op aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overdragen mededeling (vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Handhaving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Stilleggen van de bouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Stilleggen van het slopen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbare feiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien ten behoeve van de bouw van een omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij het bevoegd gezag van mening is dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel.. van de brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d........... geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d..........., blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling sloopmelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: a. de bouwverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen van de voormalige gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik; b. de brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt van de voormalige gemeenten Wervershoof, Andijk en Medemblik.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Deze verordening wordt aangehaald als 'Bouwverordening gemeente Medemblik'.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Medemblik, gehouden op 3 januari 2011. De griffier, De voorzitter,Bijlage Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Gegevens en bescheiden aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 2 De bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Funderingsplan (vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwveiligheidsplan (vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens bevatten. Artikel 1 a. de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager; b. indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging; c. een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; d. de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de energiebron; e. voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven. Artikel 2 De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden: a. een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal van 1:1000; b. een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven; c. voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte; d. voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit indieningsvereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken Algemene toelichting bij bijlage 3 Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en woonwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid. Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten 1. De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten voldoende worden vrijgehouden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid, en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend. Toelichting bij artikel 1 Lid 1 De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de publicatie ‘Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl Lid 2 Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt. Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen 1. Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud wordt verricht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 2 Lid 1 Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o C bedraagt (zie ook Bijlage 4, artikel 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl. Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden 1. In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van: centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004; centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999; niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook. Toelichting bij artikel 3 Lid 1 Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden opgeslagen of opgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden vrijgehouden van brandbare materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en vormt hiermee een gevaar voor mensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de brandveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064, uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden. Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld. Toelichting bij artikel 4 Lid 1 Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook als gevolg van het uitbranden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken, die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en daarmee loopt de omgeving gevaar. Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur 1. Het is verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte bestemd voor de opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit 2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door middel van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN 3011, uitgave 2004.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 5 Lid 1 Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer, de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwetof de bij deze wetten behorende besluiten en maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt moet worden dat er sprake is van een rookverbod. Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties 1. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende pompinstallaties.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie. Toelichting bij artikel 6 Lid 1 De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een installateur.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor elke tien meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen worden in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig meter. Dit houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te worden geïnstalleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte, optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl) Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie dienen opgenomen te worden in het logboek. Artikel 7 Brandweerlift Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en goede werking van brandweerliften; Toelichting bij artikel 7 Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften wordt niet volledig voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door het Liftinstituut de volgende zaken gecontroleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oproep hoofdstopplaats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle overige oproepen vervallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen kooiopdrachten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren met geopende deuren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Fotocellen uitgeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De schachtventilatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de laagspanningsruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift in de machinekamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud van liften en roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Brandmeldinstallatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door het bevoegd gezag erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002. Toelichting bij artikel 8 Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN 2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties’. Het certificaat dient te worden opgenomen in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 10.6 van de verordening is het bevoegd gezag bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie 1. De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2, uitgave 2004.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgens de relevante delen van de NTA 8112.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 9 Lid 1 Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt hoofdstuk 2 eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is) gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden de verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor de opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen van ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 1: Kantoorgebouwen Deel 2: Onderwijsgebouwen Deel 3: Kinderopvanggebouwen Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie Deel 5: Logiesgebouwen Deel 6: Gezondheidszorggebouwen Deel 7: Industriegebouwen Deel 8: Cellen en celgebouwen Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor niet-vergunningsplichtige bouwwerken Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik maken van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS Rotterdam. www.nibhv.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van artikel 6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, artikel 15 Arbowet en afdeling 4 van het Arbobesluit. Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door het bevoegd gezag wordt aanvaard. Het bevoegd gezag aanvaardt altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad voor Accreditatie. Toelichting bij artikel 10 Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen het toepassingsgebied van het Bouwbesluitwaarbij de eigenaar van het gebouw de automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluitvalt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in Nederland worden afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallatie, dat wil zeggen een – niet verlopen - kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN 45004, type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat) die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan beleid voeren op dit onderdeel en daarin bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard. Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie 1. De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000. Toelichting bij artikel 11 De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</div>\n<p class=\"lf-p\">De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties met plat opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties door de brandweer worden ingezet. Artikel 12 Automatisch werkende deuren 1. Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting niet belemmeren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan. Toelichting bij artikel 12 Lid 1 Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden geopend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">A Deuren van overdruktrappenhuizen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 12A Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op overdruk staan’. Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding 1. De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 13 Lid 1 De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8 tot en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen gordijnen voor de vluchtrouteaanduiding mogen hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als grondslag voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Gasflessen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen Toelichting bij artikel 14 Vervallen Artikel 15 Rookbeheersingssystemen Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend door een door het bevoegd gezag aanvaarde instelling. Toelichting bij artikel 15 Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen tijde een certificaat kunnen worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl. Artikel 16 Overdrukinstallatie (vervallen) Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen 1. Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 17 Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten, transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Brandweeringang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) Artikel 19 Logboek 1. De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de met toezicht belaste personen getoond. Toelichting bij artikel 19 Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in het logboek vastgelegd te worden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en toezichthouders het kunnen raadplegen. Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan het bevoegd gezag gemeld. Toelichting bij artikel 20 Het bevoegd gezag dient op de hoogte te worden gesteld van werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt. Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen deze eis van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Rookmelders in woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De op grond van artikel 2.146, lid 7, van het Bouwbesluit 2003 aanwezige rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 21 Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen – rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient te allen tijde gegarandeerd te zijn. Artikel 22 Roltrap Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave 2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd. Toelichting bij artikel 22 Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand. Artikel 23 Garantiecertificaat Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek. Toelichting bij artikel 23 Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de draagconstructie brandwerend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van brandvoortplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn aangebracht en dat ze in stand worden gehouden. Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes De opslag van goederen is niet toegestaan in: a. rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie); b. brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie). Toelichting bij artikel 24 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluitover het algemeen hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen, etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer volgens het Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de mate van brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 / T2 of T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m-1) is de opslag van goederen in deze ruimten niet toegestaan. Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt. Toelichting bij artikel 25 Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is, moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen in de gemeente. Op verzoek van of namens het bevoegd gezag dient van de test een bewijs (testrapport) te worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid. Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes 1. Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken, loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100 personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders gesloten dan door middel van a. een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deur, in de vluchtrichting gezien, b. Een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze voorziening (panieksluiting).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”. Toelichting bij artikel 1 Lid 1 Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie met een sleutel afgesloten kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden over de ontruiming.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor de brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een vergelijkbare functie als de celfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee worden bijzondere situaties bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties moeten specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het reguliere gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch worden ontgrendeld in geval van een calamiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projectspecifiek moeten hier passende elektrotechnische oplossingen voor worden gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN 1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk – panieksluitingen voor vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel a en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk overeenkomstig de instructies van de fabrikant/leverancier van de betreffende sluiting wordt aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan de beoogde werking daarvan namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle veiligheidsrisico’s van dien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur aanloopt, moet deze open gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de buitenlucht. Op maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels geplaatst die de vluchtroute belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004 ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen goed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Bekleding, stoffering en versiering</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is niet hoger dan 90 °C.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming plaats.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet aanwezig.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden voor constructieonderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 2 Lid 1 Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook gedacht worden aan tijdelijke versiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’ en ‘druppelvorming’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl , informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van prestatie-eisen niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn, is er een verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg daarvan branduitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – bepaling van de ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft ‘brand- en rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen classificatie van brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite. Artikel 3 Elektrische verlichting Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 3 Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen beschikken. Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven. Toelichting bij artikel 4 Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram aangebracht moet worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel in de kast aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de omgeving onvoldoende zichtbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl. Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren een overzicht bij het bevoegd gezag ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden. Toelichting bij artikel 5 Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is het van belang dat het bevoegd gezag inzicht heeft in de wijze waarop de activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren een overzicht bij het bevoegd gezag indient waaruit blijkt dat die activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op grond van artikel 6.4.1. Artikel 6 Opstelling van inventaris 1. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 0,40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>meer dan 4 stoelen in een rij, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>meer dan 4 rijen, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn, zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan 0,45 meter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter aanwezig is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat ten minste</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>0,50 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m2 per persoon bedraagt, zodanig aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. Toelichting bij artikel 6 Lid 1 Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde stoelen gewaarborgd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat deze als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen – verbindingen voor gekoppelde zitmeubelen – sterkte en veiligheidseisen en beproevingsmethoden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op een ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang worden, ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor paniek en chaos ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen verdient de doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen en objecten in een ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de verkeersgebieden nadere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte waarin veel mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek. Artikel 7 Afval (Vervallen) Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze gerepareerd. Toelichting bij artikel 8 De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en een goede werking en indien nodig gerepareerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat a. het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en b. het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997. Toelichting bij artikel 9 In het Bouwbesluitworden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065, NEN 1775 en NEN 6066) kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De Ministeriële Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl. Artikel 10 Glas Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm. Toelichting bij artikel 10 In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd. Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 0,70 meter Toelichting bij artikel 11 In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht, naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift wordt dit gevaar gereduceerd. Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapier Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands, podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal, board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening. Toelichting bij artikel 12 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een</p>\n<p class=\"lf-p\">hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen Bijlage bijbehorend bij artikel 6.2.2 * Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 6 Vervallen Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen'; d. NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig); e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig); g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 8 Vervallen Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie De tekst van het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale situatie te worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwverordening gemeente Medemblik Bijlage 10 tm 12 Bouwverordening gemeente Medemblik Toelichting bijlage 5 tm 10 Bijlage3Reglement van Orde Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Model Reglement van Orde Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen: de WZNH - welstandscommissie) WZNH adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit Alkmaar, november 2007 (actualisering van de versie van november 2002) Vooraf Op grond van artikel 8, zesde lid van de Woningwet, dient de gemeentelijke bouwverordening voorschriften te bevatten over de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In navolging van de Modelbouwverordening van de VNG adviseert WZNH gemeenten om de hoofdlijnen vast te leggen in de Bouwverordening (artikel 9) en de uitwerking in een Reglement van Orde, als bijlage bij de Bouwverordening. WZNH heeft in 2002 een ‘basisstramien’ voor een Reglement van Orde aan de gemeenten beschikbaar gesteld. Gemeenten konden dit naar eigen inzicht aanvullen en uitwerken, om zo een procedure rond welstandstoezicht vast te leggen die bij hen past. Het opstellen van een Reglement van Orde is nadrukkelijk een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het is van belang erop te wijzen dat deze wettelijke verplichting verstrekkende gevolgen kan hebben. Immers: als niet wordt voldaan aan de procedurele en inhoudelijke eisen die in de Woningwet worden gesteld ten aanzien van welstandsadviezen, zijn die ten principale niet juridisch houdbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de huidige maatschappelijke verhoudingen wordt het steeds noodzakelijker dat procedures rond het openbaar bestuur, en dus ook procedures rond omgevingsvergunning voor het bouwenen, correct verlopen. Uit recente jurisprudentie blijkt dat bij rechtelijke toetsing van welstandsadviezen de zorgvuldigheid, waarmee wettelijk voorgeschreven procedures zijn verlopen, van doorslaggevend belang is. Na vijf jaar is het tijd geworden het oorspronkelijke Model voor een Reglement van Orde voor de Welstandscommissie te actualiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wil niet zeggen dat de oude versie ineens geheel onbruikbaar is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net zoals automodellen in wezen hetzelfde blijven maar toch van tijd tot tijd worden gemoderniseerd, is met deze actualisering het oude Reglement van Orde wat meer van deze tijd gemaakt. De algemene werkwijze van de WZNH adviescommissies zoals is uitgewerkt in het boekje “De Nieuwe Agenda” is hierin juridisch verwerkt. Een belangrijke recente wijziging hangt samen met de omslag die zich rond welstandadvisering op nationaal en lokaal niveau aftekent: welstandscommissies krijgen steeds vaker een brede taak als ‘adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit’. In diverse gemeenten wordt al niet meer gesproken over welstandscommissies maar over Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de WZNH-organisatie en aan de WZNH-welstandscommissies worden steeds vaker vragen gesteld met een breder karakter dan alleen de traditionele welstandsadviezen, bijvoorbeeld over de kwaliteit van bestemmingsplannen of beeldkwaliteitplannen. En ook de nieuwe Minister van VROM heeft zich onlangs uitgesproken voor een verbreding van de taak van welstandscommissies, die mede tot uitdrukking zou kunnen komen in een andere naam. Het Bestuur van de stichting Welstandszorg Noord-Holland heeft daarom gekozen voor een naamswijziging: het oude ‘merk’ WZNH blijft gehandhaafd, maar daaraan wordt een verhelderende ondertitel toegevoegd, ‘adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit’. De werkzaamheden blijven uiteraard gebaseerd op de wettelijke betekenis en de wettelijke bepalingen met betrekking tot welstandscommissies en welstandsadviezen. In bijgaand model voor een nieuw Reglement van Orde worden enkele recente ontwikkelingen rond welstandscommissies bevestigd en geformaliseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze probeert WZNH in te spelen op de modernisering van het welstandstoezicht en de welstandscommissies, die in de toekomst als gemeentelijke “Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit” beter herkenbaar zullen zijn. Gemeenten kunnen dit nieuwe model voor een Reglement van Orde gebruiken bij de actualisering van hun Bouwverordening en de daarbij horende bijlagen. WZNH adviescommissies voor ruimtelijke kwaliteit dr. ir. N. de Vreeze directeur Reglement van Orde Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit (voorheen de Welstandscommissie) in de gemeente &gt;invullen: naam van de gemeente&lt; Inhoud 1. Advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit 2. Samenstelling van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit 3. Benoeming en zittingsduur 4. Jaarlijkse verantwoording 5. Termijn van advisering en vooroverleg 6. Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting 7. Afdoening bij mandaat 8. Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 9. Het welstandsoordeel van HET BEVOEGD GEZAG 10. Advisering over bijzondere plannen 11. Ondersteuning van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit 12. Vergaderorde 13. Financiële vergoeding 14. Overgangsbepalingen 1. Advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 1 Onafhankelijkheid De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit is een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie. De leden zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan de adviezen over ruimtelijke kwaliteit worden beïnvloed. &gt;indien van toepassing: aanwijzing onafhankelijke welstandsorganisatie&lt; Voorbeeld: De gemeente &gt;invullen: naam gemeente&lt; heeft WZNH aangewezen als provinciale organisatie onder wier verantwoordelijkheid de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit ressorteert. Artikel 2 Taakomschrijving De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit is een welstandscommissie conform Woningwet art. 12 van de gemeente en brengt op basis van de Woningwet advies uit aan het bevoegd gezag ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit beoordeelt op verzoek van het bevoegd gezag of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die hiervoor zijn opgenomen in de welstandsnota. De Adviescommissie voor Ruimtelijke</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit is hierbij gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid en baseert welstandsadviezen uitsluitend op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria, alsmede op door de raad vastgestelde aanvullende welstandscriteria dan wel een beeldkwaliteitplan waaraan welstandscriteria zijn toegevoegd.. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit adviseert het bevoegd gezag tevens gevraagd en ongevraagd over beleidszaken en strategische visies met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling en de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. indien van toepassing: overige taken specificeren&lt; De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit adviseert het bevoegd gezag met betrekking tot aanvragen voor een monumentenvergunning in het kader van artikel 11 van de Monumentenwet en is daartoe in de gemeentelijke monumentenverordening aangewezen als &gt;invullen: naam van de geïntegreerde commissie&lt;. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit adviseert het bevoegd gezag over de welstandsaspecten van aanvragen voor een reclamevergunning. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit voert onder regie van de gemeente overleg met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen en beoordeelt daartoe principeaanvragen voor bouwplannen. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit brengt op verzoek van het bevoegd gezag advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit overlegt met de betrokken ambtelijke afdelingen, het bevoegd gezag en de gemeenteraad over het opstellen van welstandscriteria en welstandsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit levert op verzoek van Het bevoegd gezag een bijdrage aan het bevorderen van de openbaarheid van het welstandstoezicht, het maatschappelijk draagvlak voor welstandstoezicht en het stimuleren van de discussie over ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit draagt zorg voor regelmatig overleg met het bevoegd gezag en signaleert daarbij gevraagd en ongevraagd stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Samenstelling van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 3 Samenstelling De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste uit &gt;invullen: aantal&lt; leden: een voorzitter en twee architecten /&gt;indien van toepassing: aanvullen met andere disciplines of niet-deskundige leden&lt; Voorbeeld: en één lid met kennis op het gebied van de lokale cultuurhistorie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzitter en architectleden worden bij structurele afwezigheid, op voordracht van WZNH, plaatsvervangers benoemd die hen kunnen vervangen. Artikel 4 Profielschets van alle commissieleden De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit hebben geen professionele binding met de gemeente, maar moeten geïnteresseerd zijn in &gt;invullen: naam gemeente&lt; en de gemeente kennen of willen leren kennen. De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit zijn bereid zich te verdiepen in het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in brede zin van de gemeente en baseren zich bij de beoordeling van bouwplannen uitsluitend op de welstandscriteria zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota, dan wel andere door de raad vastgestelde documenten met aanvullende welstandscriteria. De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit moeten in staat zijn bouwplantekeningen te lezen en cultureel besef en kennis hebben van de (geschiedenis van de) bouwkunst. De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit moeten in staat zijn hun oordeel begrijpelijk te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering een rol spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatieve vaardigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit hebben een geheimhoudingsplicht inzake de aan hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten, niet zijnde bouwaanvragen. De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit zijn onpartijdig, dat betekent dat zij geen persoonlijk belang mogen hebben bij de door het bevoegd gezag te nemen beslissingen en dat zij hun taak niet met vooringenomenheid mogen vervullen &gt;indien van toepassing: verdere voorwaarden aan onafhankelijkheid&lt; Voorbeeld 1: (WZNH) De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit mogen geen professionele betrokkenheid hebben bij de te beoordelen bouwplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat een dergelijke betrokkenheid wel bestaat maakt het lid deze tijdig kenbaar en wordt het plan ter advies voorgelegd aan een andere onder WZNH ressorterende Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Voorbeeld 2: De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit mogen geen professionele opdrachten aanvaarden en uitvoeren binnen de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Profielschets van de voorzitter De voorzitter is verantwoordelijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor het functioneren van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en bewaakt de deugdelijkheid van de advisering in brede zin. De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de agenda. In de discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Na de discussie geeft de voorzitter een korte, heldere samenvatting van het uit te brengen advies, als basis voor de schriftelijke uitwerking. De voorzitter treedt op als gastheer of –vrouw voor de planindieners, ontwerpers en andere bezoekers. De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden en heeft hiertoe tenminste eenmaal per jaar een evaluerend overleg met de portefeuillehouder. De uitkomsten van het evaluatiegesprek worden opgenomen in het jaarverslag van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De voorzitter onderhoudt de contacten met de pers en andere belangstellenden. Bij een persgesprek is altijd een bij het welstandstoezicht betrokken derde aanwezig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Profielschets van de architectleden De architectleden zijn gezamenlijk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke kwaliteit van de welstandsadviezen. Eén van de architectleden kan door de welstandsorganisatie worden aangewezen als vakinhoudelijk secretaris van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Een architectlid is een geregistreerde architect die zich door opleiding en ervaring kwalificeert om zitting te nemen in de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De architectleden hebben een eigen, actieve beroepspraktijk en hebben ervaring met het beoordelen van ontwerpen van (aanstaande) collega’s in bijvoorbeeld onderwijssituaties of jury’s. Artikel 7 Profielschetsen van de overige commissieleden Voorbeeld: Profielschets commissielid met kennis van de lokale cultuurhistorie Het commissielid met kennis van de lokale cultuurhistorie is verantwoordelijk voor de inbreng van kennis over de lokale cultuurhistorie tijdens de welstandsadvisering. Dit commissielid is actief betrokken bij het maatschappelijk leven in &gt;invullen: naam gemeente&lt; en beschikt vanuit die achtergrond en interesse over een zekere mate van deskundigheid en kennis met betrekking tot de (ruimtelijke) historie van &gt;invullen: naam gemeente&lt;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het commissielid met kennis van de lokale cultuurhistorie onderhoudt in het bijzonder de contacten met maatschappelijke belangenorganisaties. Dit lid vormt de schakel tussen de gevoelens en opvattingen die leven binnen de bevolking van &gt;naam gemeente&lt; en de overige leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Benoeming en zittingsduur Artikel 8 Benoemingsprocedure De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede hun plaatsvervangers bij structurele afwezigheid worden op voorstel van het bevoegd gezag benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. &gt;benoemingsprocedure voorzitter en architectleden&lt; De voorzitter en de architectleden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede de plaatsvervanger bij structurele afwezigheid worden, na een openbare sollicitatieprocedure door &gt;invullen, bijvoorbeeld naam welstandsorganisatie&lt;, voorgedragen aan het bevoegd gezag door &gt;invullen, bijvoorbeeld naam welstandsorganisatie&lt;. &gt;indien van toepassing: benoemingsprocedure ten aanzien van de overige commissieleden&lt; Voorbeeld: De overige leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit worden voorgedragen aan het bevoegd gezag door de plaatselijke belangenorganisaties. Artikel 9 Zittingsduur Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar met een mogelijkheid tot herbenoeming voor een periode van nog eens drie jaar. Omwille van de continuïteit van de welstandsadvisering worden de leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit benoemd en herbenoemd in een alternerend systeem. Door WZNH wordt een rooster van aftreden bijgehouden.</div>\n<p class=\"lf-p\">WZNH doet drie maanden voor het verstrijken van een benoemingstermijn een voorstel tot herbenoeming aan de verantwoordelijke wethouder toekomen. De wethouder stelt het voorgedragen commissielid ter benoeming voor aan de gemeenteraad &gt;indien van toepassing: alsmede aan de organisatie(s) die de voordracht van het betreffende commissielid verzorgt/verzorgen&lt; Artikel 10 Voortijdige beëindiging van de benoeming van commissieleden De leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede de plaatsvervangers bij structurele afwezigheid kunnen ten allen tijde kenbaar maken hun benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk &gt;termijn invullen (WZNH: drie maanden)&lt; tevoren kennis aan de gemeenteraad &gt;indien van toepassing: en aan de welstandsorganisatie&lt;. De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen, &gt;indien van toepassing: na overleg met WZNH&lt; de benoeming van een lid of van alle leden van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit alsmede van de plaatsvervangers bij structurele afwezigheid voortijdig beëindigen, wanneer het betreffende commissielid of de betreffende commissieleden of plaatsvervangers naar zijn oordeel &gt;indien van toepassing: of het oordeel van de welstandsorganisatie&lt; niet naar behoren functioneert of functioneren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Jaarlijkse verantwoording Artikel 11 Jaarverslag De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3 Woningwet jaarlijks voor de gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden, genoemd het jaarverslag. In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit toepassing heeft gegeven aan de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. &gt;indien van toepassing: verdere bijzonderheden&lt; Voorbeeld: Voorts kan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit in haar jaarverslag aandacht besteden aan de werkwijze van de commissie, op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de beoordeelde plannen en bijzondere projecten. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar verslag aanbeveling doen ten aanzien van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het welstandsbeleid in het bijzonder. Het verslagjaar loopt &gt;invullen (WZNH: van januari tot en met december)&lt;. Het jaarverslag wordt jaarlijks &gt;invullen (WZNH: vóór 1 juli )&lt; aangeboden aan de gemeenteraad. Bespreking van het jaarverslag in de gemeenteraad wordt gecombineerd met de jaarlijks op te stellen rapportage over de uitvoering van het welstandsbeleid en het welstandstoezicht door het bevoegd gezag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Termijn van advisering en vooroverleg Artikel 12 Termijn van advisering bij de bouwaanvraag De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid is bij de beoordeling van reguliere of gefaseerde bouwaanvragen gebonden aan de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van advies.</div>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van advies kan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerde lid het welstandsadvies aanhouden indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is. Artikel 13 Overschrijding van de termijn Indien de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerde lid niet binnen de in de Bouwverordening gestelde termijn tot een advies komt, wordt de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit geacht positief te adviseren over de bouwaanvraag. Artikel 14 Vooroverleg over principeaanvragen De gemeente biedt de mogelijkheid om, voorafgaand aan het indienen van een bouwaanvraag, door middel van het indienen van een aanvraag voor een preadvies vooroverleg te plegen met de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid, over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van het bouwplan. Dit vooroverleg kan in principe pas starten nadat duidelijkheid bestaat over de planologische aanvaardbaarheid van het plan. Daarbij kan het gemeentebestuur de planologische aanvaardbaarheid mede laten afhangen van het preadvies van de welstandscommissie. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerd lid draagt uiterste zorg voor consistente beoordelingen in de verschillende planfasen. Het vooroverleg is openbaar, tenzij de planindiener, het bevoegd gezag of de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit van mening zijn dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het welstandsadvies. Van het vooroverleg wordt altijd verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden wordt opgenomen in het dossier. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerde lid geeft aan in welke fase het plan werd beoordeeld en op basis van welke welstandscriteria de bouwaanvraag uiteindelijk zal worden beoordeeld (door de plenaire commissie dan wel door een namens haar gemandateerd lid). Artikel 15 Beëindiging van het vooroverleg na drie negatieve beoordelingen Als een plan tijdens de vooroverlegfase drie keer negatief wordt beoordeeld door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en als er tijdens het proces geen noemenswaardige vooruitgang wordt geconstateerd, zal de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit het vooroverleg beëindigen en via &gt;invullen de ambtelijk</p>\n<p class=\"lf-p\">plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; contact opnemen met de portefeuillehouder om de (politieke) consequenties hiervan te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging van het vooroverleg vindt niet plaats indien het plan niet tenminste éénmaal (bijvoorbeeld de laatste maal) door de plenaire commissie is beoordeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheidstermijn van een principeaanvraag Indien een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">principeaanvraag niet binnen zes maanden na de laatste beoordeling door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid, wordt gevolgd door een bouwaanvraag, wordt de welstandsbehandeling gesloten. Deze termijn geldt niet indien de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en de planindiener schriftelijk een andere termijn overeenkomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting Artikel 17 Openbare behandeling van bouwaanvragen De behandeling van bouwaanvragen door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel door een gemandateerd lid van de commissie is openbaar tenzij de planindiener, het bevoegd gezag of de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit van mening zijn dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het welstandsadvies. Belangstellenden kunnen de vergadering van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit bijwonen op de publieke tribune. /&gt;invullen: bepaling met betrekking tot spreekrecht&lt; Voorbeeld 1: Belangstellenden en belanghebbenden hebben geen spreekrecht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2: Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen voor het begin van de vergadering spreektijd aanvragen bij de voorzitter. De voorzitter stelt, afhankelijk van de agenda, de maximale spreektijd van eenieder vast. Spreektijd kan slechts worden gebruikt voor het geven van een visie op de welstandsaspecten van het plan. Een belangenafweging of beoordeling, anders dan op basis van de vastgestelde welstandscriteria vindt niet plaats tijdens de welstandsbeoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goedgekeurde notulen van de openbare vergadering zijn openbaar en kunnen &gt;(invullen van een locatie)&lt; worden ingezien. Artikel 18 Bekendmaking van de agenda De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit vergadert volgens een jaarlijks vastgesteld vergaderschema. De data, het tijdstip en de locatie van de welstandsvergaderingen worden door &gt;invullen&lt; ter kennis gesteld van de lokale pers. Op &gt;invullen: aantal dagen&lt; voorafgaand aan de vergaderingen van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit wordt via &gt;invullen: bijvoorbeeld naam lokale krant of internetsite van de gemeente&lt; bekend gemaakt dat de agenda &gt;indien van toepassing: met bijbehorende dossiers&lt; vanaf &gt;invullen: dag en plaats&lt; ter inzage ligt. Artikel 19 Plantoelichting door indiener en/of ontwerper Als een planindiener en/of ontwerper hierom bij het indienen van het plan heeft verzocht, wordt deze door de &gt;invullen: bijvoorbeeld ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld. Als de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid een nadere toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of de ontwerper door de &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld. Een plantoelichting is bedoeld voor een korte toelichting op de planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door planindiener en/of ontwerper.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Afdoening bij mandaat Artikel 20 Mandaat namens de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit kan, in overleg met &gt;invullen: bijvoorbeeld de plantoelichter of het bevoegd gezag&lt; één of meer van haar leden schriftelijk mandateren om bepaalde taken uit te voeren. De gemandateerde voert de taak uit onder verantwoordelijkheid en namens de commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld de ondertekening. Eén van de taken die door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aan één of meer van haar leden kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het welstandsadvies voor bouwplannen van relatief geringe ruimtelijke betekenis of van bouwplannen waar de mening van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit als bekend mag worden verondersteld. De gemandateerde heeft hierbij een &gt;invullen: beperkt of volledig&lt; mandaat, /&gt;toevoegen bij beperkt mandaat:&lt; dat wil zeggen dat alleen positieve adviezen kunnen worden gegeven. Plannen waarmee het gemandateerde commissielid niet akkoord kan gaan, worden alsnog in de plenaire commissie behandeld. /&gt;toevoegen bij volledig mandaat:&lt; dat wil zeggen dat zowel positieve als negatieve adviezen kunnen worden gegeven. Eén van de taken die door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aan één of meer van haar leden kunnen worden gemandateerd is het voeren van vooroverleg met de planindieners en/of ontwerpers. Dit kan zelfstandig gebeuren dan wel door deelname in een ‘kwaliteitsteam’. Bij het gemandateerd vooroverleg moet altijd minstens eenmaal een welstandsbeoordeling door de plenaire commissie plaatsvinden. Daarbij doet de gemandateerde verslag van wat er tijdens het vooroverleg (namens de commissie) is besproken en besloten. De commissie geeft daarna, binnen dit kader haar oordeel. Bij enige vorm van twijfel legt de gemandateerde het betreffende bouwplan alsnog voor aan de plenaire commissie. Een negatief eindadvies wordt door de gemandateerde altijd voorgelegd aan de plenaire commissie, tenzij er sprake is van een schriftelijke en door de raad bekrachtigde mandatering aan een kwaliteitsteam. Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder dezelfde reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de plenaire commissie. Artikel 21 Ambtelijk mandaat voor ‘lichtvergunningplichtige’ bouwwerken 8. Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht Artikel 22 Inhoud van het advies Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband</div>\n<p class=\"lf-p\">met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota, dan wel aanvullende welstandscriteria (bijvoorbeeld bij herontwikkelingsprojecten) en beeldkwaliteitplannen met welstandscriteria, mits deze dezelfde vaststellingsprocedure hebben doorlopen als de welstandsnota. Van de in de vergadering uitgesproken bevindingen en adviezen worden notulen opgesteld. Het welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het welstandstoezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid of procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen zouden moeten worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het welstandsadvies zal nooit zodanig geformuleerd zijn dat één der betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan voelen. Artikel 23 Conclusie van het advies Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben:</p>\n<p class=\"lf-p\">Akkoord: Het plan voldoet naar mening van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria aan redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties om het plan op een (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf. Akkoord op hoofdlijnen: Wordt gebruikt bij principevoorstellen of pre-adviezen. De commissie staat positief tegenover de ontwikkeling van het schetsplan. het vervolgens uit te werken bouwplan komt in een later stadium terug bij commissie voor een definitief welstandsadvies. Niet akkoord tenzij wordt voldaan aan de opmerkingen: Het plan voldoet naar mening van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand, tenzij het op ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig genotuleerd en/of op de tekening aangegeven. De &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; nodigt daarna de planindiener uit om binnen de wettelijke afhandelingstermijn een aangepast plan in te dienen. Als dit plan naar mening van de ambtenaar overeenkomstig de opmerkingen is aangepast hoeft de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit het gewijzigde bouwplan niet opnieuw te beoordelen. Niet akkoord, nader overleg: Het plan voldoet naar mening van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand, de commissie wacht een nader overleg of een aangepast plan af. Een schriftelijk advies wordt door de commissie in overleg met &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt;, (nog) niet noodzakelijk geacht. De negatieve beoordeling wordt beargumenteerd op basis van de welstandscriteria, dit wordt volledig genotuleerd. Niet akkoord, schriftelijk advies: Het plan voldoet naar mening van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat ingrijpende wijzigingen in het planconcept of de uitwerking van het ontwerp noodzakelijk zijn. De commissie beargumenteert de beoordeling in een schriftelijk advies aan HET BEVOEGD GEZAG. Artikel 24 Schriftelijke motivering De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. Bij positieve advisering wordt in de notulen van de vergadering genoteerd op welke bepalingen uit het vigerende welstandsbeleid het positieve advies is gebaseerd; een expliciete motivering kan bij positieve adviezen achterwege blijven, tenzij het bevoegd gezag daarom verzoeken. Een positief</p>\n<p class=\"lf-p\">advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake is van een bijzondere situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan op basis van de algemene welstandscriteria , in afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte c.q. objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren. Elk welstandsadvies bestaat uit: -beknopte karakteristiek van het bouwplan en zijn omgeving -indien van toepassing: kort chronologisch overzicht van eerdere planbeoordelingen -indien van toepassing: beknopt verslag van een plantoelichting door de planindieners en/of de ontwerper -een verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste welstandscriteria -een verwijzing naar de planologische status van het bouwplan, de proportionaliteit van de ingreep en de zichtbaarheid vanaf de openbare ruimte -bevindingen en het oordeel van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit resulterend in het welstandsadvies -bij een negatief advies de motivering daarvan -indien van toepassing: aanbevelingen of suggesties van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 25 Toelichting op het welstandsadvies (dubbel met art 19) De planindiener en/of ontwerper kan een mondelinge toelichting vragen op het welstandsadvies. Deze toelichting wordt in eerste instantie gegeven door &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt;. Indien de planindiener en/of ontwerper vervolgens een nadere toelichting wenst kan een afspraak worden gemaakt met de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Welstandsoordeel van HET BEVOEGD GEZAG Artikel 26 Welstandsoordeel van het bevoegd gezag De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning voor het bouwen ligt bij het bevoegd gezag. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het bevoegd gezag vraagt bij elke reguliere bouwaanvraag &gt;indien van toepassing: met uitzondering van de plannen die op grond van de welstandsnota als welstandsvrij zijn aan te merken&lt; advies aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit, tenzij bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning voor het bouwen reeds op een andere grond moet worden geweigerd. Het bevoegd gezag vergewist zich er van dat het aan hen uitgebrachte welstandsadvies naar inhoud en wijze van totstandkoming deugdelijk is. Artikel 27 Afwijken op inhoudelijke grond Het bevoegd gezag kan op inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies indien zij tot het oordeel komen dat de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien gewenst:</div>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komt dan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit, dan kunnen zij voordat het besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen maar binnen de daarvoor geldige afhandelingstermijn, een second opinion vragen aan de speciaal daarvoor bestaande Commissie voor Second Opinions van WZNH. Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit wordt hiervan op de hoogte gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijken van de welstandscriteria Het bevoegd gezag kan, op basis van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht &gt;indien gewenst: en op advies van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit afwijken&lt; van de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan deze welstandscriteria maar volgens het advies van de commissie wél aan redelijke eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene welstandscriteria. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. Artikel 29 Afwijken om andere redenen Het bevoegd gezag kunnen, op basis van artikel 44, lid 1d van de Woningwet, de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen ondanks strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen. Artikel 30 Bezwaar en beroep Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van het bevoegd gezag op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. In de bezwaarschriftenprocedure heroverweegt het bevoegd gezag het besluit nadat belanghebbenden tijdens een hoorzitting hun standpunten nader hebben kunnen toelichten. In de bezwaarschriftenprocedure kan het bevoegd gezag een second opinion vragen aan de speciaal daarvoor bestaande Commissie voor Second Opinions van WZNH.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbenden die het met de heroverweging van het bevoegd gezag niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. Artikel 31 Jaarlijkse rapportage door HET BEVOEGD GEZAG Het bevoegd gezag stelt, ter uitvoering van artikel 12c van de Woningwet jaarlijks een rapportage op voor de gemeenteraad over de wijze waarop zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht zijn omgegaan. In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de orde: de wijze waarop het bevoegd gezag is omgegaan met de welstandsadviezen; in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw niet aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria; in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand‘ (op grond van artikel 19 van de Woningwet) zijn overgegaan en of zij na die aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang. Het verslagjaar loopt &gt;invullen (WZNH: van januari tot en met december)&lt;. De rapportage wordt jaarlijks tegelijk met het jaarverslag van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aangeboden aan de gemeenteraad.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Advisering over bijzondere plannen Artikel 32 Advisering over plannen betreffende een beschermd monument Indien voor een bouwactiviteit zowel een monumentenvergunning als een omgevingsvergunning voor bouwen benodigd is, vindt advisering op grond van artikel 11 van de Monumentenwet plaats &gt;invullen: gescheiden van, gecombineerd met of geïntegreerd met&lt; de advisering op grond van artikel 12 van de Woningwet. &gt;toevoegen bij gescheiden adviescommissies&lt; De gemeente heeft een afzonderlijke monumentencommissie ingesteld voor de advisering in het kader van artikel 11 van de Monumentenwet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze commissie brengt haar advies uit &gt;invullen: relatie tussen de adviezen, bijvoorbeeld: voordat het plan aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit wordt voorgelegd. Het advies van de monumentencommissie wordt daarbij ter kennis gebracht van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. &gt;toevoegen bij gecombineerde commissies&lt; De gemeente combineert de vergadering van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit met de vergadering van de monumentencommissie. De aldus gevormde commissie wordt geacht deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg alsook op het gebied van het welstandstoezicht. Beide commissie behouden hierbij hun eigen adviserende taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden gelijktijdig twee adviezen uitgebracht. &gt;toevoegen bij geïntegreerde welstands- en monumentencommissie&lt; De gemeente heeft de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en de monumentencommissie juridisch geïntegreerd zodat deze commissie de bevoegdheid heeft te adviseren op grond van de Monumentenwet en de Woningwet. De commissie brengt een integraal advies uit, waarin echter een duidelijke scheiding is aangebracht tussen het welstandsadvies en het advies ten aanzien van de monumentenvergunning. Artikel 33 Advisering bij plannen onder supervisie De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een supervisor aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en planindieners en ontwerpers in de vroege fasen van de planvorming reeds te informeren en te begeleiden. Bij het aanstellen van een supervisor zal &gt;invullen: betreffende afdeling&lt; zorg dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen supervisie en welstandsbeoordeling. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: -de supervisor formuleert de welstandscriteria voor het gebied; -de welstandscriteria gelden na vaststelling door de gemeenteraad als leidraad voor de planbegeleiding door de supervisor én als kader voor de welstandsbeoordeling; -tijdens het planvormingsproces is de supervisor verantwoordelijk voor tijdige rapportage aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit; -controversiële kwesties kunnen leiden tot vooroverleg van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit met de ontwerper, de planindiener en/of de supervisor; -bij de bouwaanvraag vindt de definitieve welstandsbeoordeling door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit plaats, waarbij de commissie rekening houdt met wat er tijdens het begeleidingsproces is besproken en besloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering bij plannen na een ontwerpwedstrijd Bij een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie worden de inzendingen beoordeeld door een speciaal aangewezen jury of beoordelingscommissie. Dit kan nooit de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit als zodanig zijn. Een lid van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit kan wel op persoonlijke titel worden aangewezen als lid van een jury of beoordelingscommissie. De inzendingen van een ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie kunnen als principeaanvraag voor advies worden voorgelegd aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De gemeente zal stimuleren dat in het wedstrijdprogramma in samenhang met de stedenbouwkundige randvoorwaarden ook expliciete welstandscriteria worden opgenomen, meestal als uitwerking van de welstandscriteria uit de welstandsnota.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering over ruimtelijke plannen en beleidsnota’s De</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit brengt op verzoek van het bevoegd gezag advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken. &gt;indien van toepassing: Voor bestemmingsplannen gebeurt dit in het kader van het overleg ex.artikel 10 BRO&lt;. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit brengt binnen drie maanden schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag over de aan haar voorgelegde ruimtelijke plannen en beleidsnota’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de vaststelling van het plan of de nota ontvangt de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit een definitief exemplaar en een reactie op haar eerder uitgebrachte advies.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Ondersteuning van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 36 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie Het bevoegd gezag wijst een &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt; aan. De gemeente &gt;invullen&lt; ondersteunt de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit op zodanig wijze dat deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening van haar taken als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur. De gemeente &gt;invullen&lt; is op geen enkele wijze, anders dan informatief, betrokken bij of verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De gemeente &gt;invullen&lt; legt wat betreft de organisatorische en budgettaire aspecten verantwoording af aan &gt;invullen&lt;. De &gt;invullen&lt; is aanwezig bij alle vergaderingen van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en fungeert als dagelijks aanspreekpunt van de commissie. De &gt;invullen&lt; onderhoudt de contacten met de ambtelijke diensten (met name het bouwtoezicht en stedenbouw), neemt de adviesaanvragen voor bouwplannen in en bereidt de behandeling van de bouwplannen in de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit voor. Hij of zij controleert of de bouwplannen (inclusief de bouwplannen die worden aangeboden voor vooroverleg) zijn voorzien van de voor de welstandstoets benodigde bescheiden, zoals omschreven in het ‘Besluit indieningsvereisten’ als bedoeld in artikel 40 a van de Woningwet en draagt zorg voor de benodigde informatie over de omgeving, de locatie en het bouwplan, en overigens alle voor de beoordeling relevante informatie. De gemeente &gt;invullen&lt; draagt er zorg voor dat bij bouwplannen de planologische aanvaardbaarheid bekend is. Indien het plan niet voldoet aan de vigerende bestemmingsplanbepalingen dient duidelijk te zijn of de gemeente wil meewerken aan een vrijstellingsprocedure en of het advies van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit mede bepalend is voor het inzetten van deze procedure. In principe worden bouwplannen aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit voorgelegd die niet om andere redenen moeten worden geweigerd. De gemeente &gt;invullen&lt; verzorgt (in overleg met de voorzitter) de agendering en draagt er zorg voor dat de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit kan adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn. Tijdens de vergadering introduceert de gemeente &gt;invullen&lt; de bouwplannen. Hij of zij neemt geen deel aan de beoordeling maar informeert de commissie over alle relevante aspecten van het bouwplan. De gemeente &gt;invullen&lt; maakt de</div>\n<p class=\"lf-p\">afspraken tussen planindieners en/of ontwerpers en de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit via de commissiecoördinator. De gemeente &gt;invullen&lt; geeft planindieners en/of ontwerpers de eerste mondelinge toelichting op het welstandsadvies. De gemeente &gt;invullen&lt; verzamelt de kwantitatieve gegevens voor de rapportage van het bevoegd gezag en neemt deel aan het evaluatieoverleg tussen het gemeentebestuur en de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 38 Ondersteuning vanuit WZNH WZNH wijst een commissiecoördinator aan. De commissiecoördinator ondersteunt de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit op zodanig wijze dat deze optimaal kan functioneren bij uitoefening van haar taken als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur. De commissiecoördinator stelt het vergaderrooster op en draagt zorg voor de organisatorische contacten met de gemeente via de ambtelijk plantoelichter. De commissiecoördinator is verantwoordelijk voor de organisatie van de vergaderingen en is aanwezig bij alle vergaderingen van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en organiseert het verloop van de vergadering. De commissiecoördinator stelt de vergadernotulen op en zorgt voor de administratieve verwerking van de welstandsadviezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissiecoördinator is medeverantwoordelijk voor de deugdelijkheid van de adviezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissiecoördinator is op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken bij of verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De commissiecoördinator zorgt bij incidentele afwezigheid van de voorzitter of één van de architectleden voor een gekwalificeerde vervanger. De commissiecoördinator verzamelt de kwantitatieve gegevens voor het jaarverslag van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit en neemt deel aan het evaluatieoverleg tussen het gemeentebestuur en de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. De commissiecoördinator legt wat betreft de organisatorische en budgettaire aspecten verantwoording af aan (de directeur van) WZNH. Artikel 39 Adviseur Indien de aard van een te beoordelen plan dan wel het beleid daartoe aanleiding geeft kunnen het bevoegd gezag en de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit in overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc of permanente basis specifieke deskundigen als adviseur van de commissie te raadplegen. De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand aan de beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan te geven. De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen stem in de eindbeoordeling. De adviseur is op geen enkele wijze anders dan informatief betrokken bij of verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in de vergadernotulen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Vergaderorde Artikel 40 Vergadering De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit vergadert op een vaste dag tenminste &gt;invullen, WZNH: tweemaal&lt; per maand volgens een jaarlijks vast te stellen vergaderrooster waarin ook de vergaderlocatie wordt vastgelegd. De Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste twee leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn, tenzij één van de architect leden namens de commissie gemandateerd is tot het geven van een al dan niet voorwaardelijk positief advies. De vergadering van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit verloopt volgens een vast protocol: -Opening door de voorzitter -Vaststellen notulen van de vorige vergadering -Welkom en uitleg aan bezoekers op de publieke tribune -&gt;indien van toepassing:&lt; Inventarisatie van bezoekers die gebruik wensen te maken van spreekrecht en vaststelling van de spreektijd. -Verslag van de gemandateerde werkzaamheden die onder de openbaarheid vallen -Behandeling van de openbare bouwplannen -Sluiting Voorafgaand of na afloop van de vergadering vinden besloten besprekingen plaats met de volgende agendapunten:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verslag van gemandateerde werkzaamheden die niet onder de openbaarheid vallen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Behandeling van bouwplannen die onder de openbaarheid vallen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Behandeling van ruimtelijke plannen en andere beleidsnota’s</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Overige taken en activiteiten van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Evaluatie van de vergadering en punten voor het jaarverslag</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vaststelling van de notulen Artikel 41 Behandeling van een bouwplan De behandeling van een bouwplan verloopt volgens een vast protocol: -Indien aanwezig: ontvangst van planindiener en/of ontwerper en uitleg van de gang van zaken door de voorzitter -Introductie van het plan door de &gt;invullen: ambtelijk plantoelichter of ambtelijk secretaris&lt;, waarbij de status van de planologische aanvaardbaarheid wordt aangegeven -Gelegenheid voor een korte toelichting op de planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door planindiener en/of ontwerper -Gelegenheid voor korte toelichting door eventuele adviseurs van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit -Gelegenheid voor vragen door de commissieleden -Start van de beraadslaging, waarbij de voorzitter vaststelt welke welstandscriteria van toepassing zijn en op welke manier deze worden behandeld -Beraadslaging door de commissieleden, waarbij de voorzitter elk commissielid in de gelegenheid stelt zijn of haar mening voldoende te uiten -Conclusies, eventueel formele stemming -Samenvatting van het uit te brengen advies door de voorzitter, als basis voor de schriftelijke uitwerking door &gt;invullen: de commissiecoördinator of de ambtelijk secretaris&lt;. Artikel 42 Stemming Alle aanwezige commissieleden dan wel hun plaatsvervangers, brengen één stem uit omtrent het uit te brengen advies. De commissie beslist omtrent het uit te brengen advies bij meerderheid van stemmen. Bij staking van de stemmen Voorbeeld 1: wordt de zienswijze van de voor- en tegenstanders schriftelijk aan het bevoegd gezag medegedeeld.</div></div>", "next": 239955}