{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Indien de betekening echter geschiedt overeenkomstig artikel 47 Rv, luidt het hernieuwde betalingsbevel tot betaling binnen twee dagen na de datum van betekening van dat bevel. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel vindt, tenzij artikel 15 van de wet van toepassing is, eerst plaats na ommekomst van de genoemde termijn van twee dagen. Tenuitvoerlegging, keuze van maatregelen 1a De tenuitvoerlegging geschiedt op de voet van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat toelaat de verschillende mogelijkheden van tenuitvoerlegging tegelijkertijd te benutten. De vraag welke executoriale maatregelen worden genomen, wordt in de eerste plaats beantwoord door de invorderingsambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van souplesse 2 De tenuitvoerlegging van tegen dezelfde belastingschuldige uitgevaardigde dwangbevelen heeft zo veel mogelijk tegelijkertijd plaats. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Tevens dient de nodige souplesse te worden betracht. Dit brengt met zich mee dat zo nodig de formeel voorgeschreven handelwijze kan worden onderbroken, indien het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat, dan wel deze onderbreekt of beëindigt, als hij reden heeft te vermoeden dat de invorderingsambtenaar niet tot het geven van de beslagopdracht zou zijn overgegaan als hem alle omstandigheden bekend waren geweest, dan wel aangetoond kan worden dat de betaling dan wel een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25, § 1, eerste lid van deze leidraad en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, wordt niet eerder tot tenuitvoerlegging overgegaan dan nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:18 BW, is verstreken, tenzij alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De termijn van drie maanden kan door de kantonrechter worden verlengd. In het geval dat de nalatenschap wordt vereffend, kan de invorderingsambtenaar gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. Wanneer het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de beslagen goederen overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag en met een dergelijke afdoening, gelet op het geheel der omstandigheden, naar het oordeel van de invorderingsambtenaar akkoord kan worden gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen in deze leidraad geformuleerde beleid. Verzoek belastingdeurwaarder om onverwijlde voorziening 3 De belastingdeurwaarder kan op grond van artikel 438, vierde lid, Rv bij een executiegeschil dat om een onverwijlde voorziening vraagt zich rechtstreeks tot de voorzieningenrechter van de rechtbank wenden met een van het bezwaar opgemaakt proces-verbaal. Hij zal van deze bevoegdheid slechts gebruik maken met toestemming van de invorderingsambtenaar. 4 n.v.t. Betekening van het beslag aan de derde 5 Wanneer aan de belastingdeurwaarder of aan de invorderingsambtenaar wordt meegedeeld dat de in beslag genomen goederen eigendom zijn van een derde of hij hiervan op een andere wijze op de hoogte komt, wordt beslag aan de derde betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de beweerdelijke derde-eigenaar, al voordat het beslag aan hem is betekend, administratief beroep instelt ex artikel 22 van de wet, maar geen verzet doet ex artikel 435, derde lid, Rv, wordt het beslag alsnog onmiddelijk aan de derde betekend, om aldus de termijn voor het doen van het (executie schorsende) verzet ex artikel 435 te doen ingaan. Als aan de eigendomsrechten van de derde niet behoeft te worden getwijfeld en de invorderingsambtenaar zich niet op enig verhaalsrecht kan beroepen, wordt het beslag opgeheven. Betekening van het beslag aan de derde blijft in dat geval dus achterwege. De derde wordt wel van de opheffing van het beslag op de hoogte gesteld. Overdracht invordering 6 Artikel 431a Rv geldt niet voor de overdracht van de invordering aan een andere gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewaarder is gerechtelijke bewaarder 7 Waar in de navolgende paragrafen wordt gesproken van bewaarder wordt hiermee bedoeld de gerechtelijke bewaarder als bedoeld in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is aangegeven. Onttrekking 8 Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is ingevolge artikel 198 Sr - kan van dit feit ingevolge artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. Actio Pauliana 9 Als de invorderingsambtenaar wordt geconfronteerd met een situatie waarin hij door een of meer rechtshandelingen in zijn verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld, kan de invorderingsambtenaar deze rechtshandeling(en) vernietigen. Daarbij geldt het bepaalde in artikel 3:45 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">BW. Een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging als bedoeld in artikel 3:49 BW geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan direct beslaglegging plaatsvinden op de goederen die door de rechtshandelingen buiten het verhaalsbereik van de invorderingsambtenaar zijn gebracht, mits gelijktijdig desbetreffende rechtshandeling buitengerechtelijk wordt vernietigd. De buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging kan in het beslagexploot zelf worden opgenomen. Voorts dient een verklaring tot vernietiging ook tot de andere bij de rechtshandeling betrokken partijen te worden gericht. Ten aanzien van registergoederen kan de vernietiging niet altijd buitengerechtelijk geschieden: zie hiervoor artikel 3:50, tweede lid, BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor conservatoir paulianabeslag in afwachting van een rechterlijke uitspraak tot vernietiging wordt verwezen naar artikel 737 Rv. Opheffing na gedeeltelijke betaling 10 Als de invorderingsambtenaar een beschikking heeft afgegeven, inhoudende dat voor een openstaande belastingschuld geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen wanneer alsnog een bepaald bedrag wordt voldaan dan wel dat aan bepaalde voorwaarden moet zijn voldaan, heft de invorderingsambtenaar de gelegde beslagen op nadat dit bedrag is betaald en/of aan die voorwaarden is voldaan. Opheffing beslag tegen betaling door een derde 11 Als de invorderingsambtenaar van een derde een bedrag krijgt aangeboden ter opheffing van het beslag kan de invorderingsambtenaar hieraan zijn medewerking verlenen als ten minste is voldaan aan de volgende voorwaarden: het aangeboden geldbedrag komt niet direct of indirect uit het vermogen van de belastingschuldige; het aangeboden geldbedrag is aanzienlijk hoger dan de opbrengst die naar verwachting zou zijn verkregen bij een executie; de belangen van de gemeente worden niet geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invorderingsambtenaar houdt bij zijn beslissing rekening met de gerechtvaardigde belangen van andere schuldeisers die op de betreffende zaken verhaal zoeken en kan aan zijn medewerking nadere voorwaarden verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11a De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Behoudens bijzondere omstandigheden vindt op deze datum de openbare verkoop plaats, tenzij de invorderingsambtenaar ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn plaats zal vinden. In dat geval kan de invorderingsambtenaar besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. De nieuwe verkoopdatum wordt bij exploot aan de belastingschuldige medegedeeld, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de invorderingsambtenaar en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum behelst op zichzelf geen uitstel van betaling in de zin van artikel 25 van de wet. Dit neemt niet weg dat de executie ook kan worden aangehouden in verband met een verleend uitstel van betaling in de zin van artikel 25 van de wet. Over het algemeen wordt dit vastgelegd in een zogenoemde prolongatieovereenkomst, waarbij de invorderingsambtenaar tevens uitstel van betaling verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhandse verkoop 12 Als de invorderingsambtenaar tot uitwinning van het beslag op roerende zaken wil overgaan en onderhandse verkoop naar verwachting aanzienlijk meer zal opleveren dan de te verwachten opbrengst bij openbare verkoop kan de invorderingsambtenaar kiezen voor de onderhandse verkoop. Daarbij dient hij een open oog te houden voor de gerechtvaardigde belangen van eventuele derde-rechthebbenden die zich via het administratief beroep op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet of op andere wijze bij hem hebben bekendgemaakt. Die derden worden in de gelegenheid gesteld om een bedrag, dat ten minste gelijk is aan de koopprijs die kan worden verkregen bij onderhandse verkoop, aan te bieden ter opheffing van het beslag, in welk geval aan deze opheffing de voorkeur wordt gegeven boven onderhandse verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhandse verkoop en/of opheffing van het beslag vindt niet plaats indien hierdoor de belangen van de gemeente naar het oordeel van de invorderingsambtenaar worden geschaad. Strafrechtelijk beslag 13 Als op een inbeslaggenomen goed ook een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 Rv (dus niet zijnde een beslag in het kader van een ontnemingsmaatregel) rust, wordt het door de belastingdeurwaarder gelegde beslag alleen vervolgd wanneer het strafrechtelijke beslag wordt opgeheven. Er bestaat geen bezwaar tegen dat het fiscale beslag blijft liggen zolang niet duidelijk is wat er met het strafrechtelijke beslag gebeurt. 14 n.v.t. § 2 Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn Kennisgeving vooraf 1 Als de belastingdeurwaarder bij de woonplaats van de belastingschuldige niemand thuis treft en beslag op roerende zaken alleen kan plaatsvinden met gebruikmaking van artikel 444 Rv, blijft deze wijze van tenuitvoerlegging vooralsnog achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingdeurwaarder laat in dat geval een schriftelijke kennisgeving achter met vermelding van dag en uur waarop hij zich weer bij de woonplaats zal vervoegen. Een dergelijke handelwijze blijft achterwege als een belastingschuldige het stelselmatig hierop laat aankomen, dan wel van deze handelwijze misbruik wordt gemaakt of op andere wijze het belang van de invordering zich tegen deze handelwijze verzet. Voor binnentreding in woningen en andere ruimten wordt verwezen naar § 1, Inleidende opmerkingen, lid 14, van deze leidraad. 2 n.v.t. Aanbod van betaling 3 Als de belastingschuldige ter voorkoming van beslaglegging aan de belastingdeurwaarder aanbiedt om ter plekke te betalen, wordt deze betaling niet geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de betaling wordt een kwitantie opgemaakt, waarvan een afschrift aan de belastingschuldige wordt gelaten. Er zijn bij deze betaling op grond van artikel 3, derde lid, Kostenwet kosten verschuldigd. In daartoe aanleiding gevende gevallen, bijvoorbeeld bij grote bedragen, kan de belastingdeurwaarder er voor kiezen om in plaats van de betaling te accepteren de belastingschuldige te vergezellen naar een postkantoor dan wel een bank alwaar belastingschuldige zijn betaling kan storten. In dat geval zijn geen kosten verschuldigd. Omvang van het beslag 4 Het beslag wordt gelegd op zo veel zaken als naar het oordeel van de belastingdeurwaarder ruimschoots voldoende zijn voor dekking van de openstaande schuld met inbegrip van rente en kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt alleen maar beslag gelegd op zaken die eigendom zijn van de belastingschuldige. Ook wanneer dat de in beslag te nemen zaken zich op verschillende plaatsen bevinden kunnen deze zaken door middel van één exploot van beslag in beslag worden genomen. Aanwezigheid andere ambtenaar 5 De invorderingsambtenaar kan de belastingdeurwaarder opdragen om zich door hem bij de beslaglegging te laten vergezellen ter aanwijzing van de in beslag te nemen zaken. Vordering tot vergoeding 6 Op grond van artikel 455a Rv vallen vorderingen tot vergoeding die na de beslaglegging in de plaats van de in beslag genomen zaak zijn getreden onder het beslag nadat het beslag aan de schuldenaar van die vordering is betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingdeurwaarder kan verlangen dat de vordering aan hem wordt voldaan. De mededeling hiertoe aan de schuldenaar van die vordering geschiedt namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar. De hieruit voortvloeiende betaling valt onder de opbrengst van de executie. Zaken van derden 7 Als tegen de inbeslagneming van bepaalde roerende zaken tegenover de belastingdeurwaarder bezwaar wordt gemaakt op grond van het feit dat de zaken geen eigendom zijn van de belastingschuldige en de zaken van de belastingschuldige onvoldoende verhaal bieden, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet een beroepschrift in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 respectievelijk artikel 435 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de derde, met betrekking tot wie de eigendom wordt beweerd, bij de beslaglegging aanwezig is dan wel op het adres waar de beslaglegging plaats heeft woont of is gevestigd, betekent de belastingdeurwaarder het beslag direct na de beslaglegging ook aan deze derde. In de overige gevallen vindt betekening aan de derde na overleg met de invorderingsambtenaar binnen acht dagen na de beslaglegging plaats. In het geval echter aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en tevens vaststaat dat de invorderingsambtenaar zich niet op enig verhaalsrecht kan beroepen, blijft inbeslagneming achterwege. Voldoening zekerheidsschuld door de invorderingsambtenaar 8 Indien zaken worden aangetroffen die eigendom zijn van een derde en strekken tot zekerheid van een schuld die de belastingschuldige aan een derde heeft (bijvoorbeeld huurkoop, eigendomsvoorbehoud), kan de invorderingsambtenaar het restant van de schuld op grond van artikel 6:30 BW voldoen in afwachting van verrekening met de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dergelijke gevallen dient het buiten twijfel te zijn dat de executiewaarde van de desbetreffende zaak beduidend hoger is dan het restant van de bovengenoemde schuld. Het vorenstaande geldt mutatis mutandis ook als het gaat om bij een derde inbeslaggenomen zaken waarop een retentierecht rust. Zaken bij derden 9 Als zich zaken van de belastingschuldige bij een derde bevinden wordt hierop zo veel mogelijk beslag gelegd door middel van een beslag op roerende zaken, mits de derde hieraan zijn medewerking verleent. Als het de belastingdeurwaarder echter feitelijk onmogelijk is de zaken zelf te zien dan wel te inventariseren, en/of de derde geen medewerking verleend, dan wel een beroep doet als bedoeld in artikel 461d Rv, wordt op deze zaken beslag gelegd door middel van een derdenbeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doet de derde een beroep als bedoeld in artikel 461d Rv nadat het exploot van beslag op roerende zaken al is afgesloten, dan wordt geen afzonderlijk derdenbeslag gelegd maar geldt dat beslag als derdenbeslag. De belastingdeurwaarder draagt er zorg voor dat in dat geval binnen drie dagen na de beslaglegging aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, tweede lid, Rv wordt gelaten. Dit geldt ook als de derde voormeld beroep niet doet, maar de verwachting is gerechtvaardigd dat hij dat voor de executoriale verkoop nog zal doen. Wegvoeren van beslagen zaken 10 Nadat op roerende zaken beslag is gelegd wordt zo veel mogelijk aan de belastingschuldige het feitelijk gebruik gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder bijzondere omstandigheden kan hiervoor worden afgeweken en kan nadat het beslag is gelegd door de belastingdeurwaarder worden overgegaan tot het wegvoeren van de beslagen zaken. Er wordt tevens een bewaarder aangesteld. Het aanstellen van een bewaarder ontheft de invorderingsambtenaar niet van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de inbeslaggenomen zaken. De invorderingsambtenaar kan onder omstandigheden aansprakelijk worden gesteld voor de schade die het gevolg is van gedragingen van de bewaarder die jegens de beslagene onrechtmatig zijn. Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruikgemaakt: als dit voor het behoud van de zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (bijvoorbeeld omdat de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd); en de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet volledig kan worden ingevorderd; en de invorderingsambtenaar na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wegvoeren van zaken is mogelijk, als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijze noodzakelijk is (artikel 446 Rv). Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de zaken dreigen te worden verduisterd of beschadigd. Hetzelfde geldt als er gegronde vrees bestaat dat verhaal op de zaken ernstig bemoeilijkt wordt, of feitelijk onmogelijk is, indien de zaken niet worden afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de mogelijkheid tot het wegvoeren van de beslagen zaken wordt slechts gebruik gemaakt: als de verwachting bestaat dat zonder het wegvoeren de schuld niet volledig kan worden ingevorderd; en de invorderingsambtenaar na marginale toetsing niet heeft kunnen constateren dat de belastingaanslagen materieel onverschuldigd moeten worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inventariseren, wegvoeren en opslaan van de zaken geschiedt onder verantwoordelijkheid van ten minste twee ambtenaren. De zaken worden in een daartoe geschikte, veilige ruimte opgeslagen en worden zo nodig verzekerd. Van het wegvoeren en de opslag wordt op grond van artikel 446, tweede lid, Rv een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt, dat binnen drie dagen na het wegvoeren aan de belastingschuldige en aan de bewaarder wordt betekend. 11 n.v.t. 12 n.v.t. Afsluiting 13 De belastingdeurwaarder dan wel de bewaarder kan tot afsluiting van de ruimte waarin ten laste van de onderneming in beslag genomen zaken zich bevinden overgaan, wanneer de omstandigheden als genoemd in het tiende lid van deze paragraaf zich voordoen en de desbetreffende zaken niet of slechts tegen naar verhouding zeer hoge kosten kunnen worden afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de afsluiting wordt een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt, dat binnen drie dagen na de afsluiting aan de belastingschuldige en aan de bewaarder wordt betekend. Na afsluiting zal zo spoedig mogelijk tot executoriale verkoop worden overgegaan. Bewaarder 14 Als zaken op grond van het tiende lid van deze paragraaf worden weggevoerd of op grond van lid 13 afsluiting plaatsvindt, stelt de belastingdeurwaarder daarbij een bewaarder aan die in staat moet worden geacht ook daadwerkelijk de taken verbonden aan het bewaarderschap met betrekking tot die zaken uit te oefenen. De aanstelling van de bewaarder wordt vermeld in het proces-verbaal als genoemd in het tiende lid respectievelijk lid 13 van deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een gemeenteambtenaar als bewaarder wordt aangesteld, is dit zo veel mogelijk een belastingdeurwaarder, niet zijnde de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd. Aan de belastingdeurwaarder die tot bewaarder is aangesteld, wordt hiervoor geen vergoeding gegeven. De tot bewaarder aangestelde ambtenaar draagt er zorg voor dat de beslagen zaken over welke hij tot bewaarder is aangesteld zo nodig worden vervoerd en/of opgeslagen op een wijze die het risico van meer dan voor de onderhavige zaken onder normale omstandigheden gebruikelijk fysiek en/of economisch bederf minimaliseert. De in dit verband te nemen maatregelen en de daaraan verbonden kosten dienen in een redelijke verhouding te staan tot de aard en de waarde van de desbetreffende zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de periode dat het beslag ligt wordt in ieder geval in de navolgende gevallen aan de bewaarder het bewaarderschap ontnomen en een ander tot bewaarder aangesteld: wanneer de bewaarder geacht moet worden gedurende langere tijd lichamelijk of geestelijk niet in staat te zijn de aan het bewaarschap verbonden taken uit te oefenen; wanneer de bewaarder is overleden (in dit geval behoeft het bewaarderschap niet uitdrukkelijk meer te worden ontnomen); wanneer een gemeenteambtenaar tot bewaarder is aangesteld: wanneer deze ambtenaar door oorzaken van personele of organisatorische aard redelijkerwijs moet worden geacht geen betrokkenheid meer te (kunnen) hebben bij het beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag van een bewaarder geschiedt steeds schriftelijk; in voorkomend geval kan dit bij deurwaardersexploit geschieden. Cumulatief beslag 15 Als op de roerende zaken van de belastingschuldige al beslag is gelegd kan hierop opnieuw beslag worden gelegd zolang de executoriale verkoop nog niet is aangevangen. Het cumulatief beslag dient zo spoedig mogelijk te worden betekend aan de deurwaarder die het eerste beslag heeft gelegd en aan de bewaarder. Als deze eerste deurwaarder een belastingdeurwaarder is die tot dezelfde gemeente behoort als de beslagleggende belastingdeurwaarder blijft deze betekening achterwege. Bij het cumulatief beslag worden de zaken geïnventariseerd en in het proces-verbaal van beslag omschreven als ware het een eerste beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het cumulatief beslag wordt een verkoopdatum vastgesteld met inachtneming van artikel 462 Rv. Dit laat onverlet dat de verkoop eerder kan plaatsvinden als de eerste beslaglegger tot verkoop overgaat. Wanneer bij het cumulatief beslag zaken in beslag zijn genomen die niet vallen onder een eerder beslag dan is het cumulatief beslag voor die zaken het eerste beslag en wordt voor deze zaken de verkoopdatum vastgesteld overeenkomstig artikel 462 Rv. Volgt prolongatie van dit cumulatieve beslag, hetgeen tezamen met de eerstvolgende prolongatie van het eerste beslag kan geschieden, dan wordt voor de vaststelling van opvolgende verkoopdata zo veel mogelijk aangesloten bij de datum van verkoop die voor het eerste beslag wordt of is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer tot executoriale verkoop wordt overgegaan draagt de invorderingsambtenaar er zorg voor dat de verkoop zo veel mogelijk voor alle openstaande belastingaanslagen plaatsvindt. Dit brengt met zich mee dat voor de belastingaanslagen waarvoor nog geen beslag is gelegd voor de aanvang van de verkoop, zo nodig met toepassing van de artikelen 10 en 15 van de wet, cumulatief beslag wordt gelegd. Prolongatie 16 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Executoriale verkoop computerapparatuur 17 Wanneer op de wijze van artikel 439 e.v. Rv beslag op computerapparatuur is gelegd, dan valt alleen de zogenaamde 'hardware' onder dit beslag. De belastingdeurwaarder dient, voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan, na te gaan of deze apparatuur nog de zogenaamde 'soft-ware' zoals bestanden, pro- gramma's, en dergelijke, bevat. Is dat het geval, dan dient de belastingschuldige de mogelijkheid te worden geboden om die bestanden, et cetera te verwijderen en een back-up te maken. Hierna kan worden overgegaan tot het formatteren van de harde schijf op een zodanige wijze dat alle bestanden, etc. worden gewist. Zo nodig dient voor deze werkzaamheden (extern) deskundige hulp te worden ingeroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten die de invorderingsambtenaar in verband met deze hulp moet maken, worden aan belastingschuldige op grond van artikel 6 Kostenwet invordering rijksbelastingen in rekening gebracht. Zilveren, gouden en platina werken 18 De invorderingsambtenaar dient er voor zorg te dragen dat geen zilveren, gouden of platina werken, die niet zijn voorzien van de volgens de Waarborgwet 1986 (Wet van 29 januari 1987, Stb. 38) vereiste stempeltekenen, in openbare verkoping worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoping waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen is de invorderingsambtenaar verplicht ten minste drie dagen tevoren aangifte te doen bij Verispect BV, Postbus 654, 2600 AR te Delft (tel. nr. 015-2691500 en faxnr. 015-2850507).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aangifte vermeldt de invorderingsambtenaar in ieder geval de navolgende gegevens: naam, adres en hoedanigheid van de belastingschuldige ten laste van wie de verkoop plaatsvindt; in hoeverre de werken volgens de invorderingsambtenaar krachtens artikel 5 van de Waarborgwet 1986 aan waarborg zijn onderworpen; de tijdstippen van kijkdagen en verkoop; het adres waar de verkoop zal plaatsvinden; naam, kwaliteit en adres van de contactambtenaar ten kantore; eventuele overige voor de Waarborg van belang zijnde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangifte geschiedt schriftelijk en wordt door de invorderingsambtenaar ondertekend. Namaakzaken 19 Als zaken in beslag zijn genomen waarvan het vermoeden bestaat dat het zaken met een vals keurmerk zijn (sieraden, horloges en dergelijke) worden deze zaken ter keuring aan worden deze zaken aangemeld bij Verispect BV. Als inderdaad sprake is van valse keurmerken, zullen die aanwezige keurmerken moeten worden vernietigd. Voor zaken waarop een vals handelsmerk is aangebracht (kleding en dergelijke) is artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ingeval dit soort zaken wordt aangetroffen neemt de invorderingsambtenaar contact op met de FIOD-ECD. Illegale zaken 20 Als voor beslag vatbare zaken worden aangetroffen waarvan in beginsel de vervaardiging, het bezit of het gebruik strafbaar is (of het vermoeden van strafbaarheid bestaat), kan de beslaglegging op de normale wijze doorgang vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel wordt direct of zo snel mogelijk na de beslaglegging de politie ingeschakeld om te bezien in hoeverre aanleiding bestaat om strafrechtelijke maatregelen te nemen. Hierbij geldt het bepaalde in artikel 14, § 1, lid 13, hiervoor. De executoriale verkoop 21 De verkoop wordt gehouden op een door de belastingdeurwaarder in overleg met de invorderingsambtenaar vast te stellen plaats. Hij draagt er zorg voor dat de beslagen zaken zo nodig naar de plaats van verkoop worden gebracht. Als bij omvangrijke executies ter verkrijging van een zo hoog mogelijke opbrengst deskundige hulp gewenst is, kan de invorderingsambtenaar een makelaar of een andere terzake deskundige derde inschakelen. Mocht een reeds op de voet van artikel 464 - en eventueel 466 - Rv aangekondigde verkoop om enigerlei reden geen doorgang vinden, dan draagt de invorderingsambtenaar er zorg voor dat de aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd en treft hij voorts met betrekking tot op andere wijze gedane aankondigingen voorzoveel nodig dienovereenkomstige maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte dan wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Als verwacht moet worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip van verkoop zal bereiken, stelt de invorderingsambtenaar hem op andere wijze in kennis. 22 vervallen 23 vervallen Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop 24 Als de invorderingsambtenaar de mogelijkheid heeft om te kiezen tussen een aangeboden bedrag ter opheffing van het beslag als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 11, van deze Leidraad en een onderhandse verkoop als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 12, van deze Leidraad geeft hij, tenzij hij het bedrag wenst te handhaven, in ieder geval de voorkeur aan opheffing van het beslag indien de hierdoor verkregen opbrengst niet minder is dan die van de onderhandse verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bieden voor rekening van de gemeente 25 Teneinde een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere dan de met de verkoop belaste belastingdeurwaarder of een collega-gemeenteambtenaar opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De invorderingsambtenaar geeft deze ambtenaar zo nodig nader aanwijzingen. Einde van het beslag 26 Als de belastingschuldige hierom uitdrukkelijk verzoekt of wanneer de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht wordt opheffing van het beslag bij deurwaardersexploot kenbaar gemaakt. Deze werkwijze wordt altijd gehanteerd als het betreft een beslag op roerende zaken waarbij artikel 445 Rv toepassing heeft gevonden. Als er over de beslagen zaken een bewaarder is aangesteld die geen ambtenaar van de gemeente is wordt hij van het einde van het beslag schriftelijk op de hoogte gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevensverstrekking 27 Als de belastingschuldige of een belanghebbende derde de invorderingsambtenaar vraagt of een beslag nog ligt, verstrekt de invorderingsambtenaar deze informatie, tenzij het belang van de invordering zich daartegen verzet. Opbrengst verkoop 28 De belastingdeurwaarder is verantwoordelijk voor de executie-opbrengst. Na afloop van de verkoop stort hij de opbrengst op een bank- of girorekening. De administratieve afwikkeling van de executie-opbrengst geschiedt namens de belastingdeurwaarder ten kantore van de gemeente. Van de opbrengst worden ingevolge het bepaalde in artikel 474 Rv eerst de kosten die als gevolg van de verkoop voor rekening van de belastingschuldige komen afgeboekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er andere schuldeisers zijn die beslag hadden gelegd dan wel er beperkt gerechtigden zijn van wie het recht door de executie is vervallen, wordt zo veel mogelijk geacht in der minne overeenstemming te bereiken over de toedeling van de netto-executie-opbrengst. Blijkt dit niet mogelijk dan zijn de artikelen 481 e.v. Rv van toepassing. Zijn er geen andere schuldeisers en/of beperkt gerechtigden als hiervoor bedoeld dan wordt de executie-opbrengst afgeboekt met inachtneming van het bepaalde bij artikel 7, § 1, vierde lid van de leidraad. Proces-verbaal van verkoop 29 Als de belastingschuldige te kennen geeft dat hij een afschrift van het proces-verbaal van verkoop wenst, wordt hem dit zo spoedig mogelijk toegezonden met dien verstande dat de namen en woonplaatsen van de kopers onleesbaar zijn gemaakt. § 3 Beslag op onroerende zaken Doelstelling beslaglegging 1 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opnieuw bevel tot betaling 2 Als na het bevel tot betaling bij de betekening van het dwangbevel of bij enig nadien betekend exploot een jaar of meer is verstreken, wordt vooraf bij exploot opnieuw bevel tot betaling gedaan. Betekening beslag 3 Als het beslag is gelegd in een andere gemeente dan waar de belastingschuldige woont en dus om praktische redenen doorgaans door een andere dan de beslagleggende belastingdeurwaarder zal moeten worden betekend, kan de belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd per telefax een kopie van het proces-verbaal van beslag sturen aan de belastingdeurwaarder die voor de betekening zorg draagt. Betekening aan de belastingschuldige dient te geschieden binnen drie dagen na de inschrijving van het proces-verbaal van beslag in de openbare registers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingdeurwaarder die het beslag heeft gelegd kan ook zelf met toestemming van de invorderingsambtenaar elders het beslag aan de belastingschuldige betekenen. Aanwijzing notaris 4 De notaris ten overstaan van wie de verkoop zal plaatsvinden wordt in beginsel niet reeds in het proces-verbaal van beslag aangewezen, maar later bij exploot. Als het in het voornemen ligt zo snel mogelijk na de beslaglegging tot verkoop van de onroerende zaak over te gaan, wordt wel reeds in het proces-verbaal de notaris aangewezen. In dat geval wordt in plaats van bij de belastingdeurwaarder domicilie gekozen bij de notaris. Met de notaris wordt in deze gevallen vooraf over de domiciliekeuze overleg gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewaarder 5 Aanstelling van een gerechtelijke bewaarder is op grond van artikel 506 Rv niet verplicht. Door het beslag is de belastingschuldige namelijk verplicht de in beslag genomen zaken in goede staat te houden. Als gelijktijdig met het beslag op de onroerende zaak, beslag wordt gelegd op - in of op de onroerende zaak aanwezige - roerende zaken, kan de belastingdeurwaarder deze zaken afvoeren om in bewaring te geven als dit voor het behoud van die zaken redelijkerwijs noodzakelijk is. De belastingdeurwaarder heeft hiervoor toestemming nodig van de invorderingsambtenaar. Zie § 2, tiende lid, hiervoor. Nieuwe belastingschuld 6 De invorderingsambtenaar gaat, indien hij voor belastingschuld beslag op een onroerende zaak heeft gelegd, voor nader opgekomen belastingschuld zo veel mogelijk wederom tot beslaglegging over.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invorderingsambtenaar gaat altijd zijnerzijds tot beslaglegging over - in gevallen waarin hij zelf de eerste beslaglegger is - voor vorderingen van derden waarvan de invordering aan hem is opgedragen. Aanwezige zaken 7 Als verhaal wordt beoogd op in een onroerende zaak van de belastingschuldige aanwezige zaken, ten aanzien waarvan twijfel bestaat of deze roerend of onroerend zijn, worden die zaken zowel in een beslag op een onroerende zaak als in een beslag op roerende zaken begrepen. Er wordt dus op deze zaken zowel een beslag op grond van artikel 439 e.v. Rv als een beslag op grond van artikel 502 e.v. Rv gelegd. Verhuurde of verpachte onroerende zaken 8 De invorderingsambtenaar die beslag op de onroerende zaak heeft laten leggen en tevens de huur of pacht wil incasseren doet hiervoor zo veel mogelijk een vordering ex artikel 19 van de wet onder de huurder of pachter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt in die gevallen dus niet gehandeld op de wijze als bedoeld in artikel 507, derde lid, Rv. Met betrekking tot de vorderingen als bedoeld in artikel 507, vierde lid, Rv en artikel 507a Rv kan geen vordering ex artikel 19 van de wet worden gedaan. In die gevallen wordt gehandeld als in genoemde artikelen is aangegeven. Voorwaarden van verkoop 9 De invorderingsambtenaar vraagt de notaris een afschrift van de op de verkoop van toepassing zijnde veilingvoorwaarden en treedt zo nodig in overleg omtrent de inhoud van deze voorwaarden. In overleg met de notaris wordt in de voorwaarden van verkoop bepaald dat de kosten van executie, van toewijzing en van de eventuele rangregeling door de executant zullen worden voldaan uit de koopprijs en dat het tekort, als de koopprijs niet toereikend mocht zijn, door de executant zal worden aangezuiverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opheffing van het beslag 10 Van de opheffing van een beslag op een onroerende zaak wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige en, als het beslag aan hem is betekend, aan de huurder of pachter. Voorts wordt van de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de (eventuele) derde-eigenaar, aan alle (eventuele) hypotheekhouders en, indien van toepassing, aan de bewaarder. § 4 Beslag onder derden Algemeen 1 In de artikelen 475 e.v. Rv is de mogelijkheid gegeven ten laste van de belastingschuldige beslag te leggen onder een derde. Blijkt na het afleggen van de buitengerechtelijke verklaring dat de derde geen gelden of zaken onder zich heeft, dan blijkt het beslag nooit te hebben gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invorderingsambtenaar stelt de derde hiervan op de hoogte. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door het leggen van derdenbeslag op een vordering die formeel aan een ander dan de belastingschuldigde toebehoort, dan wel op naam van die ander - bijvoorbeeld door een bank - wordt geadministreerd. Als voorbeeld valt te denken aan de echtgenoot met wie de belastingplichtige in gemeenschap van goederen is gehuwd. In dat geval wordt het derdenbeslag gelegd ten laste van de echtgenoot van de belastingschuldige, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de vermogensbestanddelen te vorderen die onder het beslag vallen. In het beslagexploit, waarvan afschrift wordt gelaten aan de derdebeslagene en dat zowel aan de belastingschuldige als aan de echtgenoot binnen acht dagen na het leggen van het beslag moet worden betekend, dient de invorderingsambtenaar zoveel mogelijk aan te geven op welke gronden hij de ten name van de echtgenoot geadministreerde vordering meent te kunnen uitwinnen ter verhaal van een vordering op de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 2 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de invorderingsambtenaar voor het doen van de vordering. Roerende zaken 3 Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen is bepaald in § 2, negende lid, hiervoor. Beslaglegging 4 Aan de nauwkeurige vermelding in het exploot van beslag van naam en de eventuele rechtsvorm van de derde wordt bijzondere aandacht geschonken. Als de mogelijkheid bestaat het beslag te leggen zowel ter plaatse van het hoofdkantoor van de derde als ter plaatse van een filiaal of bijkantoor, wordt het beslag zo veel mogelijk gelegd bij het hoofdkantoor of het filiaal of bijkantoor dat met de gelden of zaken waarop verhaal wordt gezocht bemoeienis heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In spoedeisende gevallen kan het beslag worden gelegd onder het filiaal of bijkantoor. Er wordt in alle gevallen volstaan met domicilie kiezen bij de belastingdeurwaarder. Omvang van het beslag 5 Het beslag wordt gelegd op alle vorderingen die de belastingschuldige op de derde heeft of uit een op de datum van beslaglegging al bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen en op de aan de belastingschuldige toebehorende roerende zaken die onder de derde berusten en die geen registergoederen zijn. In het beslagexploot worden in daartoe aanleiding gevende gevallen vermeld de bekende vorderingen en/of zaken. In het beslagexploot worden specifiek vermeld: vorderingen bedoeld in artikel 475a, derde lid, Rv; vorderingen of zaken die worden beslagen bij beslag onder de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de invorderingsambtenaar de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voorzover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt. Periodieke betalingen 6 Als beslag is gelegd op periodieke betalingen als bedoeld in artikel 475c Rv is het beslag slechts geldig voorzover de periodieke betalingen de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv overtreffen. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huurtoeslag zijn vermeld in de bijlagen 1a tot en met 1c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gestelde in artikel 19, § 3, derde en vierde lid, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing. Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e, dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen dan past de invorderingsambtenaar zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv toe. Buitengerechtelijke verklaring 7 Bij de beslaglegging wordt aan de derde-beslagene een bij het Besluit Verklaring derdenbeslag vastgesteld formulier in tweevoud gelaten. Op dit formulier moet de derde-beslagene verklaren of en zo ja welke vorderingen en/of zaken hij van de belastingschuldige onder zich heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde-beslagene dient, zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, in alle gevallen een exemplaar van het door hem ingevulde, gedagtekende en ondertekende formulier aan de belastingdeurwaarder te verstrekken. Omdat de afwikkeling van het derdenbeslag namens de belastingdeurwaarder zal plaatsvinden door de invorderingsambtenaar die de opdracht tot het leggen daarvan heeft gegeven, wordt aan de derde-beslagene bij de uitreiking van het formulier een antwoordenvelop verstrekt met het adres van desbetreffende invorderingsambtenaar. Wordt de verklaring door de derde-beslagene overhandigd of ingeleverd bij de belastingdeurwaarder, dan zendt deze de verklaring zo snel mogelijk naar de opdrachtgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van voornoemd besluit kan ook genoegen worden genomen met een ander door de derde-beslagene ingevuld geschrift, mits de daarop vermelde verklaring inhoudelijk aansluit bij het uitgereikte formulier. Binnen drie dagen na ontvangst van de verklaring zendt de invorderingsambtenaar namens de belastingdeurwaarder een afschrift ervan aan de belastingschuldige. Afdracht na het doen van de buitengerechtelijke verklaring 8 De door de derde-beslagene aan de belastingdeurwaarder in de verklaring genoemde verschuldigde opeisbare geldsommen, verschuldigde goederen en/of af te geven zaken dienen na die verklaring aan de gemeente te worden afgedragen. Daartoe wordt de derde-beslagene namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar schriftelijk uitgenodigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzover de vordering of de verplichting tot afgifte van een door het beslag getroffen zaak er een is onder tijdsbepaling of voorwaarde, kan de belastingdeurwaarder slechts betaling of afgifte eisen na het verschijnen van het aangewezen tijdstip of de vervulling van de voorwaarde. Het in gebreke blijven tot het doen van verklaring 9 De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar in gebreke gesteld als zeven kalenderdagen na de termijn van vier weken nog geen verklaring van hem is ontvangen. Hij wordt daarbij gesommeerd om onverwijld tot verklaring over te gaan. Als de derde-beslagene ondanks de sommatie niet overgaat tot het doen van verklaring zendt de invorderingsambtenaar de beslagstukken toe aan een procureur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet afdragen na het doen van verklaring 10 De derde-beslagene wordt namens de belastingdeurwaarder door de invorderingsambtenaar in gebreke gesteld als hij niet is overgegaan tot afdracht van de opeisbare geldsommen of tot het aan de belastingdeurwaarder ter beschikking stellen van de goederen en/of zaken binnen de termijn genoemd in de schriftelijke uitnodiging als bedoeld in het achtste lid. Daarbij wordt hij gesommeerd om binnen zeven kalenderdagen aan zijn verplichting te voldoen. Als de derde-beslagene geen gehoor geeft aan de ingebrekestelling zendt de invorderingsambtenaar de beslagstukken toe aan een procureur. Betwisting van de afgelegde verklaring 11 Als de invorderingsambtenaar op grond van hem al dan niet via een invorderingsonderzoek bekend zijnde gegevens van mening is dat de door de derde-beslagene afgelegde buitengerechtelijke verklaring niet juist is, dan kan hij deze verklaring geheel of gedeeltelijk betwisten, Hij kan ook aanvulling eisen en eventueel onderliggende bewijsstukken vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de invorderingsambtenaar hierna nog niet de overtuiging dat de afgelegde verklaring juist is dan zendt hij de beslagstukken toe aan een procureur. Die inzending dient zo tijdig te geschieden dat de procureur de derde-beslagene binnen twee maanden na het doen van de verklaring kan dagvaarden. Vroegtijdige verklaring 12 Bij de beslaglegging dringt de belastingdeurwaarder niet aan op het doen van verklaring binnen de 4-wekentermijn. Als de derde-beslagene echter binnen deze termijn verklaring doet van hetgeen hij onder zich heeft en hij de belastingdeurwaarder laat weten direct tot afdracht te willen overgaan deelt de invorderingsambtenaar, indien er althans geen aanleiding bestaat de verklaring te betwisten, hem namens de belastingdeurwaarder mede dat het beslag van rechtswege vervalt op het moment dat de door derdebeslagene af te dragen geldsommen of ter beschikking te stellen goederen en/of zaken door de belastingdeurwaarder zijn ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzeggen van vorderingen 13 Door het leggen van een derdenbeslag ondergaat de opeisbaarheid van de onder het beslag vallende vorderingen geen wijziging. De beslaglegger, i.c. de invorderingsambtenaar, heeft echter de bevoegdheid niet opeisbare vorderingen, die door opzegging opeisbaar gemaakt kunnen worden, op te zeggen. De invorderingsambtenaar dient bij het terughoudend gebruik van deze bevoegdheid de belangen van de belastingschuldige niet uit het oog te verliezen. Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente 13A Derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente en de daar op volgende afkoop of belening van die polis kan voor de belastingschuldige verstrekkende financiële gevolgen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het leggen van derdenbeslag onder een verzekeringsmaatschappij op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente is daarom vooralsnog toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist. Bij de beslissing of tot het aanvragen om toestemming voor het leggen van derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente moet worden overgegaan, weegt de invorderingsambtenaar alle betrokken belangen zorgvuldig af en gaat na of de belastingschuldige niet onredelijk wordt benadeeld. Ook wordt in de overwegingen betrokken of sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening. Tevens besteedt de invorderingsambtenaar aandacht aan de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling van de opbrengst moet tevens rekening worden gehouden met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling (zie ook art. 44a, § 1, tweede lid, van deze leidraad) die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd. Indien de netto-opbrengst van de polis minder dan euro 2.500 bedraagt of de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wordt niet tot uitwinning van het derdenbeslag, afkoop of belening overgegaan, maar laat de invorderingsambtenaar, in overleg met belastingschuldige, het beslag liggen tot de expiratiedatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is van belang dat de omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, op zichzelf niet aan derdenbeslag in de weg hoeft te staan. De belastingaanslagen waarvoor de toestemming wordt gevraagd moeten onherroepelijk vaststaan en ze moeten in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Na de verleende toestemming handelt de invorderingsambtenaar bij het leggen van het derdenbeslag overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 479l tot en met 479q Rv. Retentierecht 14 Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de invorderingsambtenaar zijn getroffen, kan de invorderingsambtenaar op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Genoemd bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak. Opheffing van het beslag 15 Opheffing van het derdenbeslag geschiedt, als derde-beslagene of de belastingschuldige daarom uitdrukkelijk verzoekt of indien de invorderingsambtenaar dit wenselijk acht, bij deurwaardersexploot. Het exploot zal in dat geval zowel aan de belastingschuldige als aan de derde-beslagene worden gedaan. In andere gevallen wordt van de opheffing schriftelijk kennisgegeven aan de derdebeslagene. Aan de belastingschuldige wordt dan een afschrift van deze kennisgeving gezonden. Onverschuldigde betaling 16 Wanneer de derde tegen de invorderingsambtenaar een vordering uit onverschuldigde betaling instelt, worden dergelijke vorderingen ter behandeling doorgezonden aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de afwikkeling van een dergelijke vordering wordt zo veel mogelijk medewerking verleend, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat niet méér op het derdenbeslag is betaald dan de derde uiteindelijk aan de belastingschuldige verschuldigd is. Als aan de vordering uit onverschuldigde betaling van de derde wordt voldaan, wordt de belastingaanslag ter zake waarvan het derdenbeslag was gelegd geacht in zoverre niet te zijn voldaan. De invorderingsambtenaar kan de invordering van die aanslag dan ook hervatten alsof er geen derdenbeslag was gelegd. Derdenbeslag onder de Staat dan wel de invorderingsambtenaar en het doen van verklaring 17 Indien derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat of de invorderingsambtenaar is specificatie verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt in dit verband naar artikel 479 Rv. De verplichting tot specificatie heeft niet tot doel het verhaal te belemmeren, maar de taak van de Staat dan wel de invorderingsambtenaar te verlichten. Dit betekent dat de verklaring in het kader van het derdenbeslag zich niet dient te beperken tot de ex artikel 479 Rv genoemde vermogensbestanddelen, maar dat de verklaring zich ook dient uit te strekken tot alles wat de geëxecuteerde te vorderen heeft van de Staat of de invorderingsambtenaar en bij de Staat of de invorderingsambtenaar bekend was op het moment van beslaglegging. Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf vanwege Rijksbelastingen 18 Indien derdenbeslag wordt gelegd onder de invorderingsambtenaar van de Rijksbelastingdienst op een voorlopige teruggaaf wordt rekening gehouden met de regeling van de beslagvrije voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geldt ook als het termijnbedrag niet groter is dan _ 23 per maand. In het laatste geval wordt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9, § 1, lid 2a, van deze leidraad het bedrag dat ingevolge het gelegd beslag moet worden voldaan, berekend uitgaande van het termijnbedrag. § 5 Beslag op schepen 2 Algemeen 1 Beslag op en uitwinning van schepen geschiedt overeenkomstig de bepalingen van boek II, titel 4 Rv. Deze titel geldt voor alle schepen. Onder schepen moeten worden verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig of luchtkussenvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven of hebben gedreven, daaronder begrepen de schepen in aanbouw. De bestemming van deze zaken hoeft niet primair het varen te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontmoet geen bezwaar om schepen van eenvoudige aard, zoals roeiboten, surfplanken e.d.. in beslag te nemen en te verkopen op de wijze als in de eerste afdeling van titel II van Boek 2 Rv is bepaald voor roerende zaken die geen registergoederen zijn. Bevel tot betaling 2 Het beslag op een schip moet ingevolge artikel 563 Rv worden voorafgegaan door een bevel aan de eigenaar van het schip of aan de boekhouder van de rederij waartoe het schip behoort om binnen 24 uur te betalen. Het beslag kan niet eerder worden gelegd dan nadat ten minste 24 uur sedert het bevel zijn verstreken. Zo nodig kan tegelijk met het bevel tot betaling het dwangbevel worden betekend. Is bij het bevel een langere betalingstermijn gegeven, dan dient eerst deze termijn te worden afgewacht voordat tot beslaglegging kan worden overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook op het beslag op een schip zijn de artikelen 10 en 15 van de wet volledig van toepassing. Zo kan als er gegronde vrees bestaat dat het schip spoedig zal vertrekken na gedaan bevel tot betaling binnen de termijn van het bevel tot betaling tot beslaglegging worden overgegaan. Het verlof van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 563, tweede lid, Rv is hiertoe niet nodig. Beslag aan boord 3 De belastingdeurwaarder zal zich voor de beslaglegging aan boord van het schip moeten begeven. Hij kan zich daarbij doen bij staan door één of twee getuigen. Bij weigering of verhindering is artikel 444 Rv van toepassing. Als (delen van) het schip als woning is aan te merken, moet het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 1, inleidende opmerkingen, lid 14 van deze leidraad. Domiciliekeuze 4 De domiciliekeuze is afhankelijk van de wijze waarop de verkoop zal plaatsvinden. Het is dus van belang al van te voren te bezien op welke wijze zal worden geëxecuteerd. Beletten van het vertrek 5 De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanstellen en de nodige maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het 'aan de ketting leggen' van het schip. Zo nodig voorziet de belastingdeurwaarder zich, na daartoe overleg te hebben gepleegd met de invorderingsambtenaar, van deskundige bijstand. De kosten van deze bijstand komen voor rekening van de invorderingsambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In daartoe aanleiding gevende gevallen kan het feitelijk gebruik van het schip weer aan de belastingschuldige worden gelaten bijvoorbeeld wanneer ter voorkoming van een executoriale verkoop door de belastingschuldige een voorstel tot minnelijke afdoening is gedaan en dit voorstel voor de invorderingsambtenaar, gelet op het geheel der omstandigheden, aanvaardbaar is. In ieder geval zal een minnelijke afdoening moeten passen in het bij artikel 25 geformuleerde uitstelbeleid. Aanwezige zaken 6 Als verhaal wordt beoogd op in of op een schip van de belastingschuldige aanwezige zaken, ten aanzien waarvan twijfel bestaat of deze bestanddeel zijn van het schip dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, worden die zaken zowel in een beslag op het schip als in een beslag op roerende zaken begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarna wordt bepaald op welke wijze de zaken worden uitgewonnen. Wanneer het beslag op roerende zaken in verband hiermee naderhand niet wordt voortgezet, zijn de kosten niet verschuldigd. De executie van schepen 7 Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven geschiedt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een bevoegde notaris. De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik dienen te worden gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een notaris niet erkent. De executie van niet-teboekgestelde schepen geschiedt als die van andere roerende zaken niet-register goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen kan de invorderingsambtenaar een ander dan de met de verkoop belaste belastingdeurwaarder opdragen voor rekening van de gemeente te bieden. De invorderingsambtenaar geeft deze ambtenaar zo nodig nadere aanwijzingen. Afgelasting van de verkoop 8 Mocht een aangekondigde verkoop van een schip om enigerlei reden geen doorgang vinden, dan draagt de invorderingsambtenaar er zorg voor dat de aanplakbiljetten onmiddellijk worden verwijderd en treft hij voorts met betrekking tot op andere wijze gedane aankondigingen voor zo veel nodig dienovereenkomstige maatregelen. Is de belastingschuldige niet van de afgelasting op de hoogte dan wordt hem hiervan onverwijld schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als verwacht moet worden dat deze mededeling de belastingschuldige niet meer voor het aangekondigde tijdstip van verkoop zal bereiken, stelt de invorderingsambtenaar hem zo mogelijk op andere wijze in kennis. Deskundige hulp 9 Als bij een executie deskundige hulp gewenst is kan de invorderingsambtenaar een makelaar of een andere ter zake deskundige inschakelen. Onttrekking 10 Ingeval zaken aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is ingevolge artikel 198 Sr - kan van het feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De invorderingsambtenaar beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de Officier van Justitie. Opheffing van het beslag 11 Van de opheffing van het beslag wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts wordt, ingeval van teboekgestelde schepen, van de opheffing bij deurwaardersexploot mededeling gedaan aan de ingeschreven schuldeisers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid en in de gevallen bedoeld in artikel 10 kan: een dwangbevel zonder voorafgaande aanmaning worden uitgevaardigd, of indien reeds een aanmaning is verzonden, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond worden uitgevaardigd; een dwangbevel terstond na het bevel tot betaling ten uitvoer worden gelegd, of indien zodanig bevel reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd. een dwangbevel indien het bevel tot betaling reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer wordt gelegd; een dwangbevel indien het hernieuwd bevel tot betaling, bedoeld in artikel 14, tweede lid, reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid, kan, ingeval een dwangbevel terstond na het opleggen van die belastingaanslag wordt uitgevaardigd, de betekening en de tenuitvoerlegging van dat dwangbevel, in afwijking van artikel 64, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geschieden op alle dagen en uren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Versnelde invordering Algemeen 1 Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel, althans voorzover het betreft de situaties als omschreven in artikel 10 van de wet, wordt verwezen naar hetgeen in deze leidraad is vermeld bij artikel 10. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat als de invordering geschiedt met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef of onderdeel a of b, van de wet betekening van een dwangbevel door terpostbezorging niet mogelijk is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naar de inhoud Indien een dwangbevel dat is uitgevaardigd voor een gedeelte van een belastingaanslag ten uitvoer wordt gelegd door beslaglegging, kunnen bij datzelfde dwangbevel alle tot het tijdstip van beslaglegging vervallen termijnen van de belastingaanslag worden ingevorderd, mits het op dat tijdstip invorderbare bedrag uit het dwangbevel is op te maken. § 1 Invordering van vervallen termijnen Tenuitvoerlegging door beslag 1 De in dit artikel opgenomen bepaling strekt ertoe dat, als op grond van een dwangbevel dat is uitgevaardigd voor een termijnbedrag (termijndwangbevel) beslag wordt gelegd, op grond van datzelfde dwangbevel alle tot het tijdstip van beslaglegging vervallen termijnen van de belastingaanslag in dat beslag kunnen worden betrokken Het op het moment van beslaglegging invorderbare bedrag moet dan wel uit het dwangbevel kunnen worden opgemaakt. De onderhavige bepaling geldt alleen voor de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door beslag. Dit artikel is eveneens niet van toepassing bij het doen van een vordering ingevolge artikel 19 van de wet, omdat dit geen wijze van tenuitvoerlegging van het dwangbevel is. De op een belastingaanslag resterende termijnen die nog niet zijn vervallen, kunnen op het tijdstip van tenuitvoerlegging door beslag niet in dat beslag worden betrokken, tenzij zich voor dat tijdstip een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c, of d, van de wet heeft voorgedaan. Voor deze termijnen wordt dan opnieuw een dwangbevel uitgevaardigd, betekend en tenuitvoergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een belastingschuldige de tenuitvoerlegging van een termijndwangbevel wil voorkomen, hoeft hij slechts het bedrag te betalen waarvoor het dwangbevel is betekend (vermeerderd met de daarop belopen rente en kosten). Termijndwangbevel 2 Een éénmaal ingestelde vervolging voor een of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als ten aanzien van de eindvervolging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De belastingschuldige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen hij woont of is gevestigd. Indien de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd dan wel in Nederland geen vaste woonplaats of vestiging heeft, kan hij in verzet komen bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de invorderingsambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzet vangt aan met dagvaarding door de belastingschuldige als eiser aan de invorderingsambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voorzover deze door het verzet wordt bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet,de aanmaning of het op de voet van artikel 13, derde lid, betekende dwangbevel niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verzet Algemeen 1 Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel door degene tegen wie de dwanginvordering is gericht. Verzet is mogelijk zodra de betekening van het dwangbevel heeft plaatsgevonden. Ook kan verzet worden gedaan tegen een vordering. In daartoe aanleiding gevende gevallen bevordert de invorderingsambtenaar zo veel mogelijk dat geschillen die tot verzet kunnen leiden in der minne tot een oplossing worden gebracht. Geen verzet kan worden gedaan tegen de in rekening gebrachte kosten van de aanmaning en betekeningskosten van het dwangbevel. Tegen deze kosten staat op grond van artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen bezwaar, beroep en hoger beroep open Schorsing van de invordering 2 Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voorzover deze door het verzet wordt bestreden. Dit brengt met zich mee dat, wanneer het verzet zich richt tegen een bepaalde wijze van tenuitvoerlegging of tegen de beslaglegging op bepaalde goederen deze wijze van tenuitvoerlegging dan wel het beslag voor die bepaalde goederen niet wordt voortgezet totdat daarover in de verzetprocedure is beslist. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel op andere wijze dan wel voortzetting van het beslag op andere goederen kan ongehinderd doorgang vinden. Richt het verzet zich tegen de rechtsgeldigheid van het dwangbevel dan wordt iedere vorm van tenuitvoerlegging van dat dwangbevel geschorst omdat bij toewijzing van dat verzet tevens de rechtsongeldigheid van iedere vorm van tenuitvoerlegging vaststaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het verzet zich richt tegen de tenuitvoerlegging voor een deel van het bedrag waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd (bijvoorbeeld alleen de bestuurlijke boete), wordt de tenuitvoerlegging voor het resterende bedrag niet geschorst. Is sprake van beslag onder een derde en de derde heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de invorderingsambtenaar onjuist of onvolledig acht, dan deelt de invorderingsambtenaar de schorsing van de executie schriftelijk aan de derde mee onder vermelding van de grond waarop deze schorsing berust en vermeldt daarbij tevens, onder verwijzing naar artikel 476 Rv, dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Tevens wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, zodra de schorsende werking van het verzet is opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het verzet wordt gedaan op de dag van de openbare verkoop, wordt overleg gepleegd met het college van burgemeester en wethouders over het al dan niet doorzetten van de executoriale verkoop. Twijfel over materiële verschuldigdheid 3 Artikel 17 van de wet vermeldt geen gronden voor verzet. Als voorbeelden van deze gronden worden hier genoemd: de belastingschuld is voldaan, verminderd of kwijtgescholden; het recht op dwanginvordering is verjaard of het dwangbevel is tegen de verkeerde persoon uitgevaardigd. Hoewel artikel 17, derde lid, van de wet als grond voor verzet onder meer uitsluit de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, is niettemin in de rechtspraak aangenomen dat verzet bij de burgerlijke rechter mogelijk is tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd ter zake van een belastingaanslag waarvan de materiële verschuldigdheid zo twijfelachtig is dat de invorderingsambtenaar in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen om tot tenuitvoerlegging over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens mag van de belastingschuldige, die zich tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel verzet wegens vermeende materiële onverschuldigdheid van de belastingaanslag, worden verwacht dat hij de fiscale rechter verzoekt in dat kader een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 Awb. Beslist de fiscale rechter tot schorsing van een belastingaanslag of stelt hij deze anderszins voorlopig buiten werking, dan zal de invorderingsambtenaar tenuitvoerlegging van het ter zake van die aanslag uitgevaardigde dwangbevel in beginsel staken, zolang die schorsing en/of buitenwerkingstelling duurt. Verzet door aansprakelijkgestelde 4 Op grond van artikel 52, tweede lid van de wet, kan ook een aansprakelijkgestelde op grond van artikel 17 van de wet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar hetgeen daaromtrent in deze leidraad bij artikel 52 is vermeld. Verzet artikel 438 Rv 5 Naast de mogelijkheid van verzet ex artikel 17 van de wet kan de belastingschuldige met inachtneming van het derde lid van dat artikel, zich tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel verzetten op grond van artikel 438 Rv. Wanneer de invordering niet door middel van een dwangbevel maar langs civielrechtelijke weg geschiedt, moet de belastingschuldige zijn verzet altijd op artikel 438 Rv baseren. Een dergelijk verzet heeft geen schorsende werking, met uitzondering van specifiek in de wet geregelde situaties (zie bijvoorbeeld artikel 476, tweede lid, Rv). Ook kan de voorzieningenrechter bevelen dat de executie wordt geschorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzet door derden 6 Derden - anderen dan de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde - kunnen uitsluitend verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel doen op grond van andere wettelijke bepalingen dan het artikel 17 van de wet. In de gevallen waarin beslag op roerende zaken is gelegd, kunnen derden verzet doen op de voet van artikel 435, derde lid, of artikel 456 jo. artikel 438 Rv, dan wel een beroepschrift indienen op de voet van artikel 22 van de wet. Betreft het een beslag op onroerende zaken, dan dient verzet te worden gedaan op de voet van artikel 435, derde lid, of de artikelen 538 t/m 540 jo. artikel 438 Rv. Geen verzet mogelijk 7 Het verzet is onder meer niet mogelijk voorzover het gegrond is op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel niet is ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is alleen anders indien achteraf zou blijken dat het aanslagbiljet, de aanmaning of het afschrift van het per post betekende dwangbevel aan een onjuist adres is verzonden en daarom de belastingschuldige niet heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18 (vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een derde die: loon; uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook; pensioen en lijfrente; uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen of ziekengeldverzekering; uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud; uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun dienstplicht of vervangende dienstplicht vervullen; bedragen toegekend krachtens artikel 8, derde lid van het koninklijke besluit van 17 juli 1944. Stb.e 51, betreffende de arbeidsbemiddeling en de scholing, herscholing en omscholing; verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de invorderingsambtenaar verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de invorderingsambtenaar verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de invorderingsambtenaar te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling.. Indien de vordering op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedaan (loonvordering) en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de invorderingsambtenaar aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een loonvordering te doen. De loonvordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan zeven dagen na dagtekening van de vooraankondiging. De in het derde lid bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de invorderingsambtenaar een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan De invorderingsambtenaar maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invorderingsambtenaar vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De vordering 1 De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de invorderingsambtenaar de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen. Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur gegeven boven derdenbeslag. Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van penningen is, moet naargelang de omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag al dan niet de voorkeur verdient Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de invorderingsambtenaar in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is. Voor belastingaanslagen die niet onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen, blijft de mogelijkheid voor de invorderingsambtenaar om ten laste van de belastingschuldige een vordering onder derden te doen echter wel bestaan. Betekend dwangbevel 2 Voor het doen van een vordering dient de invorderingsambtenaar, met uitzondering van faillissementssituaties, te beschikken over een betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Bij het bevel tot betaling wordt de belastingschuldige een termijn van twee dagen gegeven. De vordering wordt pas na afloop van deze termijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van versnelde invordering op grond van artikel 15 van de wet wordt veelal bevel tot onmiddellijke betaling gedaan. In dat geval behoeft voor het doen van een vordering uiteraard geen termijn van twee dagen in acht te worden genomen. Vooraankondiging 3 In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet), dan wel een andere vordering wordt gedaan op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is de invorderingsambtenaar verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de invorderingsambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betreffende loonvordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de invorderingsambtenaar een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. Vorm 4 Een vordering geschiedt bij beschikking die wordt bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige door toezending of, als de invorderingsambtenaar dat wenselijk acht, door betekening. Bij de betekening van een vordering wordt gehandeld overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de betekening worden geen kosten in rekening gebracht. Als de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd, wordt de vordering tevens ten name van de echtgenoot van de belastingschuldige gesteld, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de gelden, penningen of periodieke betalingen te vorderen, tenzij op voorhand duidelijk is dat de gelden, penningen of periodieke betalingen niet in de tussen beiden bestaande huwelijksgemeenschap vallen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belasting- schuldige en de echtgenoot afzonderlijk. Vervolgingskosten en rente 5 De vordering heeft ook betrekking op verschuldigde vervolgingskosten en rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder rente wordt tevens verstaan de rente die wordt belopen na de dag waarop de vordering is gedaan. Voldoen aan de vordering 6 Wanneer de derde betaalt op een vordering die betrekking heeft op twee of meer belastingaanslagen heeft hij niet het recht om aan te geven ter voldoening van welke belastingaanslag de betaling strekt. Bij een betaling door de derde hoeft ook de belastingschuldige niet naar een bestemming te worden gevraagd. Er is immers geen sprake van betaling door hemzelf. Uiteraard kan de betaling alleen worden afgeboekt op de belastingaanslagen waarvoor de vordering is gedaan. Niet voldoen aan de vordering 7 Bij het niet voldoen aan een vordering wordt niet voetstoots overgegaan tot het leggen van derdenbeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats wordt nagegaan of de zaak van voldoende belang is om aldus te worden voortgezet. Voorts wordt het derdenbeslag slechts gelegd als aan de vordering ten onrechte niet is voldaan, dan wel de derde hierop niet heeft gereageerd. Daarvan is zeker sprake als blijkt, dat het uitblijven van het voldoen aan de vordering te wijten is aan de derde. Als de invorderingsambtenaar in verband met de kosten of om andere redenen derdenbeslag niet opportuun acht, wordt daarvan afgezien en wordt de vordering ingetrokken. Als wordt overgegaan tot het leggen van derdenbeslag, wordt in het beslagexploot melding gemaakt van de vordering die aan het beslag is voorafgegaan, alsmede de datum waarop die vordering is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrekken van een vordering 8 Zodra een vordering om enigerlei reden niet langer hoeft te worden gehandhaafd, wordt zij bij beschikking ingetrokken. Deze beschikking wordt aan degene jegens wie de vordering is gedaan, bekendgemaakt. Verzet 9 In het geval de belastingschuldige op grond van artikel 19, vierde lid van de wet, in verzet komt tegen de vordering vindt het bepaalde van artikel 17, § 1, tweede lid van deze leidraad, zo veel mogelijk overeenkomstige toepassing. Verzet breng niet met zich mee dat de derde jegens wie de vordering is gedaan aan de belastingschuldige mag betalen. Onverschuldigde betaling 10 Wanneer de derde voldoet aan de vordering van de invorderingsambtenaar, maar later blijkt dat hij niets of een geringer bedrag aan de belastingschuldige is verschuldigd, kan de derde tegen de invorderingsambtenaar een vordering uit onverschuldigde betaling instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de afwikkeling van een dergelijke vordering wordt zoveel mogelijk medewerking verleend, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat niet méér op de door de invorderingsambtenaar jegens de derde gedane vordering is betaald dan de derde uiteindelijk aan de belastingschuldige verschuldigd is. Als aan de vordering uit onverschuldigde betaling van de derde wordt voldaan, wordt de belastingaanslag terzake waarvan de vordering ex artikel 19 van de wet jegens de derde is gedaan, geacht in zoverre niet te zijn voldaan. De invorderingsambtenaar kan de invordering van die belastingaanslag dan ook hervatten alsof er geen vordering ex artikel 19 was gedaan. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag 11 Wanneer een derde op vordering van de invorderingsambtenaar betaalt en naderhand wordt de belastingaanslag verminderd of vernietigd wordt de hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of terugbetaald aan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de derde zal geen terugbetaling plaatshebben, omdat de derde jegens de belastingschuldige is gekweten en dus geen partij meer is. § 2 De faillissementsvordering Aan te melden schulden 1 In een faillissement vallen de belastingschulden (alsook invorderingsrente) voor zover zij materieel zijn ontstaan, vóór de dag van de faillietverklaring. Hieruit volgt dat in het faillissement moeten worden geverifieerd de bedragen die tot aan de dag van de faillietverklaring geacht kunnen worden verschuldigd te zijn, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen in beginsel als boedelschuld worden aangemeld. Omdat een ander standpunt tot welhaast onoverkomelijke moeilijkheden zou leiden, kan bij de splitsing van een belastingaanslag worden uitgegaan van een toerekening naar tijdsgelang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een belastingaanslag is gesplitst worden voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld en het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt twee aparte vorderingen gedaan. Omdat het vorenstaande betrekking heeft op de materiële belastingschuld is het niet van belang of de schuld is belichaamd in een voorlopige, definitieve, navorderings- of naheffingsaanslag, terwijl evenmin de dagtekening ter zake doet. Wel wordt er zo veel mogelijk voor gezorgd, dat de belastingaanslagen - als het juiste bedrag nog niet kan worden bepaald zo nodig in de vorm van een voorlopige of een nadere voorlopige belastingaanslag - op een zodanig tijdstip tot stand komen, dat indiening ter verificatie tijdig kan plaatshebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vraag of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Indien die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de boete in het faillissement worden aangemeld. Ligt de dagtekening na uitspraak van het faillissement, ook al heeft de boete betrekking op een situatie van vóór het faillissement, dan kan de boete niet meer in het faillissement worden aangemeld. Surséance van betaling 2 Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een aan het faillissement voorafgaande surséance van betaling kunnen op grond van artikel 249 Fw worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het vorige lid is op deze schulden en de hierop betrekking hebbende belastingaanslagen mutatis mutandis van toepassing. Opkomen in faillissement 3 Voor de in het faillissement vallende belastingschulden waarvoor artikel 19 van de wet geldt, komt de invorderingsambtenaar op door het doen van een vordering aan de curator op de voet van het tweede lid van dat artikel. Belastingschulden van minder dan € 250 worden niet aangemeld. Het doen van de vordering geschiedt aldus dat het voor de curator bestemde formulier wordt toegezonden onder bijvoeging van een ontvangstbewijs dat in een bijgevoegde envelop kan worden teruggezonden. Als de vordering wordt gedaan voor het verstrijken van de in artikel 127 Fw bedoelde termijn wordt aan de vordering toegevoegd dat de daarin omschreven schuld mede ter verificatie wordt aangemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de bevoegdheid om van de curator dadelijk voldoening aan de vordering te verlangen wordt, tenzij bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe noodzaken, geen gebruikgemaakt. Voor in het faillissement vallende belastingschulden waarvoor artikel 19 van de wet niet geldt, doet de invorderingsambtenaar een vordering op grond van de bepalingen van de Faillissementswet. Als tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden, die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan wendt de invorderingsambtenaar zich in beginsel eerst tot de curator teneinde langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de invorderingsambtenaar zich met zijn grieven tot de rechtercommissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het uiterste geval kan rechtstreeks verhaal worden gezocht op de boedel. § 3 Vorderingen met betrekking tot periodieke betalingen Overwegen van een vordering 1 Bij de beoordeling van de vraag of een vordering met betrekking tot een periodieke betaling zal worden gedaan, komt een doorslaggevende rol toe aan het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd. Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Wanneer het de invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te beproeven alvorens de derde via de vordering bij de invordering te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslagvrije voet 2 Voor de meeste periodieke betalingen bestaat er een uniforme regeling voor de beslagvrije voet die in aanmerking moet worden genomen wanneer beslag is gelegd op die betalingen. Deze regeling, die is opgenomen in artikel 475b e.v. Rv, geldt ook als een vordering wordt gedaan. Bij een vordering voor een periodieke betaling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet valt onder de vordering slechts dat deel van de periodieke betaling dat de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b e.v. Rv overtreft. Hetzelfde geldt bij een vordering voor bezoldigingen als bedoeld in artikel 115 Ambtenarenwet. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huurtoeslag zijn vermeld in de bijlagen 1a tot en met 1c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een vordering wordt gedaan voor periodieke betalingen die niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze betalingen, dan past de invorderingsambtenaar de artikelen 475b en 475d Rv toe. In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij de vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast verblijft. Verplichting belastingschuldige tot gegevensverstrekking 3 De belastingschuldige is op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv verplicht aan de belastingdeurwaarder, als laatstgenoemde in het bezit is van een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingschuldige kan ook op grond van artikel 58 van de wet worden verplicht deze gegevens te verstrekken. Als hij de gegevens omtrent het inkomen van zijn partner niet verstrekt wordt de beslagvrije voet gesteld op 45% van de bijstandsnorm. Wanneer de belastingschuldige naderhand deze gegevens alsnog verstrekt en de beslagvrije voet dientengevolge dient te worden verhoogd, is aan deze verhoging geen terugwerkende kracht verbonden aangezien er geen sprake is van een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 475d, vierde lid. Rv. Belastingschuldige woont in buitenland 3a Indien de belastingschuldige in het buitenland woont en uit Nederland een periodieke uitkering geniet die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting, wordt op verzoek van belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de in het woonland over die uitkering verschuldigde belasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingschuldige dient bij zijn verzoek gegevens te overleggen waaruit van deze belasting blijkt. Wijziging beslagvrije voet 4 Als de beslagvrije voet wijzigt, geeft de invorderingsambtenaar aan de derde de nieuwe beslagvrije voet op. Daarbij geeft hij tevens aan vanaf welke datum met de nieuwe beslagvrije voet rekening moet worden gehouden. Deze wijziging is een beschikking in de zin van de Awb en wordt bekend gemaakt aan de derde door toezending van een brief. Als bij de derde voor meer belastingschuldigen een vordering loopt, terwijl ook voor meer van die belastingschuldigen de beslagvrije voet wijzigt, hoeft de invorderingsambtenaar de derde hiervan niet door middel van afzonderlijke brieven in kennis te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde kan worden ingelicht door middel van één brief, mits uit deze brief voor de derde zonder meer duidelijk is voor welke belastingschuldigen welke nieuwe beslagvrije voet gaat gelden en met ingang van wanneer. Gegevensverstrekking door de derde 5 Voor de wijze waarop de vordering wordt gedaan, wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 19, § 1, vierde lid, van deze Leidraad. De invorderingsambtenaar stimuleert zoveel mogelijk dat de ontvangst van de vordering schriftelijk wordt bevestigd onder opgaaf van de hoogte van de periodieke betaling, het tijdvak waarop de periodiciteit betrekking heeft, het per betaling in te houden bedrag en de datum, waarop voor de eerste maal inhouding zal worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de invorderingsambtenaar dat wenselijk acht kan van toezending worden afgezien en wordt de vordering door de belastingdeurwaarder betekend. Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet 1929 6 Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege de gemeente geschiedt door aan salarisadministratie verrekening te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en tegelijkertijd, doch subsidiair, door een vordering te doen. Bij de beslissing tot het doen van een verzoek om verrekening onderscheidenlijk een vordering is het bepaalde in het eerste lid van deze paragraaf onverkort van toepassing. De autoriteit aan wie het desbetreffende formulier - dat tevens enige nadere aanwijzingen omtrent de te verrekenen bedragen bevat - wordt gezonden, bepaalt welk middel van verhaal zal worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de (periodieke) inkomsten waarop verhaal wordt gezocht geen vordering kan worden gedaan, wordt uitsluitend verrekening gevraagd. Met betrekking tot (periodieke) inkomsten waarop noch door verrekening noch door middel van een vordering verhaal van belasting kan plaatshebben, kan de onderwerpelijke regeling uiteraard geen toepassing vinden. Periodieke betalingen onder de bijstandsnorm 7 Ingeval van periodieke betalingen die lager zijn dan de bijstandsnorm vanwege het feit dat naast deze betaling de betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandsnorm wordt geacht te betalen, wordt de beslagvrije voet die voor betrokkene geldt verminderd met het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 7a Nagegaan dient te worden wat de periodieke inkomsten van de belastingschuldige en zijn partner per maand zijn. De belastingschuldige is verplicht zowel zijn inkomsten als die van zijn gezinsleden op te geven. Vergelijk in dit verband artikel 475g Rv. Komen die gezamenlijke inkomsten uit boven de beslagvrije voet, dan wordt onder de werkgever of uitkeringsinstantie van de belastingschuldige een vordering gedaan, waarbij, rekening houdende met de regeling van de beslagvrije voet, wordt aangegeven welk bedrag maandelijks dient te worden ingehouden. Indien de belastingschudige weigert informatie te verschaffen over het inkomen van zijn partner wordt de beslagvrije voet gehalveerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een dwangbevel kan bij rechterlijk vonnis ten uitvoer worden gelegd door lijfsdwang overeenkomstig de artikelen 585 tot en met 600 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het geding daartoe wordt gevoerd voor de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het kantoor is gevestigd van de invorderingsambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd. Voor de toepassing van artikel 585, onder a, treedt voor de aldaar bedoelde vonnissen en beschikkingen in de plaats het dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot belastingaanslagen die zijn verschuldigd door lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, kan lijfsdwang worden toegepast ten aanzien van bestuurders of vereffenaars van die lichamen of, bij ontstentenis, ten aanzien van de laatst afgetreden of ontslagen bestuurders of vereffenaars, tenzij het niet aan hen te wijten is dat de belasting niet is voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 249 van de Gemeentewet blijft dit artikel buiten toepassing voor gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">HoofdstukIVBijzondere bepalingen Afdeling 1 Verhaalsrechten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naar de inhoud 's Rijks schatkist heeft een voorrecht op alle goederen van de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorrecht gaat boven alle andere voorrechten met uitzondering van die van de artikelen 287 en 288 onder a, alsmede dat van artikel 284 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek voor zover de kosten zijn gemaakt na de dagtekening van het aanslagbiljet. Het voorrecht gaat tevens boven pand, voor zover het pandrecht rust op een zaak als bedoeld in artikel 22, derde lid, die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt en tegen inbeslagneming waarvan derden zich op die grond niet kunnen verzetten. Het behoudt deze rang in geval van faillissement van de belastingschuldige, ongeacht of tevoren inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Gelet op het bepaalde in artikel 249 van de Gemeentewet blijft dit artikel buiten toepassing voor gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naar de inhoud Derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop ter zake van een belastingschuld beslag is gelegd, kunnen een beroepschrift richten tot de directeur, mits zulks doende vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen van de dag der beslaglegging. Het beroepschrift wordt ingediend bij de invorderingsambtenaar, tegen een door deze af te geven ontvangbewijs. De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing. De verkoop mag niet plaatshebben, dan acht dagen na de betekening van die beslissing aan de reclamant en aan degene tegen wie het beslag is gelegd, met nadere bepaling van de dag van verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het indienen van een beroepschrift op de voet van het eerste lid, verliest de belanghebbende niet het recht om zijn verzet voor de burgerlijke rechter te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in het geval dat er een recht van terugvordering bestaat jegens degene die een zaak onrechtmatig of van een onbevoegde heeft verkregen, kunnen derden echter nimmer verzet in rechte doen tegen de beslaglegging ter zake van naheffingsaanslagen in: de loonbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen met uitzondering van naheffingsaanslagen ter zake van huispersoneel; de omzetbelasting, alsmede belasting van personenauto's en motorrijwielen ten laste van een ander dan degene op wiens naam het kenteken is gesteld; de accijns; de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak; de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen; de dividendbelasting; de kansspelbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen: de assurantiebelasting; en de beursbelasting, alsmede tegen de beslaglegging ter zake van: uitnodigingen tot betaling; en ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake heffingsrente, inzake bestuurlijke boeten die worden opgelegd in verband met vorenbedoelde naheffingsaanslagen, inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet, inzake compenserende rente of inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden, indien de ingeoogste of nog niet ingeoogste vruchten, of roerende zaken tot stoffering van een huis of landhoef, of tot bebouwing of gebruik van het land, zich tijdens de beslaglegging op de bodem van de belastingschuldige bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de inhoud van het derde lid van artikel 22 blijft dit lid buiten toepassing voor gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inleidende opmerkingen Werkingssfeer van het artikel 1 Derden die de eigendom pretenderen van in beslag genomen roerende of onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken op de voet van artikel 456, onderscheidenlijk 538 e.v. Rv geldend maken. Ook op grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich tegen het beslag verzetten. Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop terzake van een belastingschuld beslag is gelegd hun bezwaren tegen de executie van die zaken in de administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het college van burgemeester en wethouders. Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de zaak menen te hebben Voorzover de bezwaren betrekking hebben op roerende zaken en op de voet van artikel 22, eerste lid, van de wet worden ingebracht, wordt de executie door het beroepschrift van rechtswege opgeschort. Overbetekening beslag 2 Op grond van artikel 435, derde lid, Rv is de invorderingsambtenaar, als hij bekend is met de omstandigheid dat zaken in eigendom toebehoren aan een derde, verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen. Bij de betreffende overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit beroepschrift moet uiterlijk binnen zeven dagen, te rekenen vanaf de dag der beslaglegging, bij de invorderingsambtenaar worden ingediend. De invorderingsambtenaar gaat onverwijld tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip, maar voor de geplande verkoopdatum, kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen zijn gelegen, gaat de invorderingsambtenaar over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum. Verzet artikel 435, derde lid, Rv 2a Na overbetekening van het beslag als bedoeld in het tweede lid kan de derde (naast de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift: zie het tweede lid en § 5 van deze leidraad) op grond van artikel 435, derde lid, Rv binnen acht dagen na die betekening schriftelijk aan de belastingdeurwaarder kenbaar maken zich tegen het verhaal op zijn zaak te verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle gevallen waarin door de derde, aan wie de zaken in eigendom toebehoren, verzet wordt gedaan ex artikel 435, derde lid, Rv, krijgt het beslag door het indienen van de in dat lid bedoelde schriftelijke mededeling, voor de in die mededeling genoemde zaken, een conservatoir karakter waardoor de executie van die zaken wordt opgeschort. De belastingdeurwaarder zendt de door hem ontvangen schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv onverwijld door naar de invorderingsambtenaar die de beslagopdracht heeft verstrekt. De andere in beslag genomen zaken, tegen de inbeslagneming waarvan geen verzet is gedaan, worden op de vastgestelde verkoopdatum verkocht. Indien uit het verzetschrift ex artikel 435, derde lid, Rv blijkt dat de derde geen eigenaar is van de in dat verzetschrift genoemde zaken of voor de invorderingsambtenaar anderszins evident duidelijk is dat de derde geen eigenaar is van de betreffende zaken, vindt executie van die zaken in beginsel normaal doorgang. 3 n.v.t. 4 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pauliana 5 Ook zonder toepassing van het bodemrecht en afgezien van aansprakelijkheid van derden kan het mogelijk zijn belasting te verhalen op zaken die aan een derde zijn overgedragen, namelijk als de invorderingsambtenaar wordt geconfronteerd met een situatie waarin hij door één of meer rechtshandelingen in zijn verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld. De invorderingsambtenaar kan alsdan deze rechtshandeling(en) vernietigen met een beroep op de Pauliana. Daarbij geldt het bepaalde in artikel 3:45 e.v. BW. Als de invorderingsambtenaar een zodanig beroep nodig acht, behoeft niet vooraf een rechterlijke beslissing te worden uitgelokt, maar gaat hij over tot beslaglegging op die zaken die door de rechtshandeling buiten het verhaalsbereik van hem zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, die vereist is, kan in het beslagexploot zelf worden opgenomen. Voorts dient een verklaring tot vernietiging ook tot de andere bij de rechtshandeling betrokken partijen te worden gericht. 6 n.v.t.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>n.v.t. § 2 Verzet in rechte Opschorting verkoop na verzet in rechte 1 De invorderingsambtenaar gaat ervan uit dat een verzet op de voet van artikel 456 Rv of artikel 538 e.v. Rv tegen de verkoop van roerende dan wel onroerende zaken de voortgang van de executie niet van rechtswege opschort. Niettemin zal de invordering in het algemeen worden opgeschort en zullen geen onherroepelijke maatregelen worden genomen, tenzij van de verzetprocedure louter gebruik wordt gemaakt om de invordering te traineren. Door de conservatoire werking van het verzet ex artikel 435, derde lid, Rv vindt voor de desbetreffende zaken automatisch opschorting van de verkoop plaats totdat een executoriale titel is verkregen. § 3 en 4 zijn niet van toepassing § 5 Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet en de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid Rv Beroepschrift algemeen 1 Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de bevoegde invorderingsambtenaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of vervallen, bijvoorbeeld omdat de inbeslaggenomen zaken inmiddels zijn verkocht of de belastingschuldige failliet is verklaard en het gaat om bezitloos verpande zaken die door het faillissement weer in de boedel vallen. Wordt desalniettemin toch een beroepschrift ingediend, dan zal dit beroepschrift door het college van burgemeester en wethouders over het algemeen in verband met termijnoverschrijding niet ontvankelijk worden verklaard en niet in behandeling worden genomen, gelet op het feit dat het beslag niet meer ligt. 2 n.v.t. Taak van de invorderingsambtenaar met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22 van de wet 3 Een beroepschrift dat te laat is ingediend, maar dat betrekking heeft op een beslag dat nog steeds ligt, zal door het College van burgemeester en wethouders niet ontvankelijk worden verklaard, tenzij het College van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een in verband met te late indiening niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift, zal het College, ambtshalve in behandeling nemen. In dat geval wordt de executie van desbetreffende zaken, indien redelijkerwijs nog mogelijk, opgeschort. De invorderingsambtenaar prolongeert, ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak daartoe, in het algemeen eveneens indien een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle in beslag genomen zaken betrekking heeft. Als de belanghebbende zich, voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, met zijn bezwaren tot de invorderingsambtenaar wendt, wijst deze de belanghebbende voor zoveel nodig op de mogelijkheid een beroepschrift tot het college van burgemeester en wethouders te richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de invorderingsambtenaar in dit stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de opheffing van een beslag door de invorderingsambtenaar in dat geval niet plaatsvindt dan na overleg met het college van burgemeester en wethouders. Komt de invorderingsambtenaar na de indiening van een beroepschrift tot de slotsom dat ten onrechte beslag is gelegd dan heft hij het beslag op en bevordert de intrekking van het beroepschrift. Heeft de doorzending van het beroepschrift aan het college van burgemeester en wethouders reeds plaatsgevonden dan wordt het beslag na overleg met het college van burgemeester en wethouders opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er volgt dan nog wel een beslissing van het college van burgemeester en wethouders op het beroepschrift. 4 n.v.t. Beslissing van het college van burgemeester en wethouders 5 Het college van burgemeester en wethouders zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de invorderingsambtenaar. Deze draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt door het College van burgemeester en wethouders rechtstreeks aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de betekening van de beslissing wordt zo nodig tevens de nadere dag van verkoop vastgesteld. De verkoop mag niet eerder plaatsvinden dan op de achtste dag na die van de betekening van de beslissing van het college van burgemeester en wethouders op een tijdig ingediend beroepschrift. Voor de betekening van de beslissing worden geen kosten in rekening gebracht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het verbod de verkoop te laten plaatsvinden eerder dan op de achtste dag na die van de betekening, uitsluitend geldt als sprake is van tijdig ingediende beroepschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beslissing op den niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door de directeur rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en – zo nodig – aan bewaarde gezonden, hetzij op verzoek van de directeur verzonden en betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onduidelijk bezwaar 6 Als een derde bezwaar maakt tegen een beslaglegging op roerende zaken en uit het ingediende geschrift niet kan worden opgemaakt of is beoogd administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22 van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv nodigt de invorderingsambtenaar de derde uit zich daaromtrent binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22 van de wet. Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv 7 Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv heeft gedaan, heft de invorderingsambtenaar het beslag op als zonder meer duidelijk is dat het zaken betreft waarop de invorderingsambtenaar, geen verhaal kan nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de kennisgeving van de opheffing van het beslag wordt gehandeld overeenkomstig het vijfde lid van deze paragraaf. Samenloop administratief beroep en verzet 8 Als de derde zowel een beroepschrift op grond van artikel 22 van de wet indient, als een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 435, derde lid, Rv doet, behandelt de invorderingsambtenaar eerst het verzet, ex artikel 435, derde lid voordat hij het beroepschrift doorzendt aan het college van burgemeester en wethouders. Is de invorderingsambtenaar daarbij van oordeel dat het beslag kan worden opgeheven dan bevordert hij overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van deze paragraaf de intrekking van het beroepschrift ex artikel 22 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een verzetprocedure is dan wel wordt gestart, wordt door het college van burgemeester en wethouders op het beroepschrift beslist in die zin dat het college zich zal houden aan de uitspraak gewezen in de verzetprocedure. § 6 n.v.t.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22a</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is van toepassing op naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting welke zijn vastgesteld op de voet van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 ten name van degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld, alsmede op de met die naheffingsaanslagen verband houdende kosten, renten en bestuurlijke boeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in het eerste lid bedoelde vorderingen kan door de invorderingsambtenaar verhaal worden genomen op elk motorrijtuig waarvan het opgegeven kenteken ten name van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon is gesteld, zondar dat enig ander recht op deze motorrijtuigen kan tegenwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitwinning van motorrijtuigen als bedoeld in het tweede lid is niet mogelijk voorzover degene die enig recht op een dergelijk motorrijtuig heeft goederen van degene op wiens naam het voor die motorrijtuigen opgegeven kenteken is gesteld, aanwijst die voor de in het eerste lid bedoelde vorderingen voldoende verhaal bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 78 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de hen in de artikelen 78 en 79 van die wet toegekende bevoegdheden mede uit te oefenen ten behoeve van de toepassing van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de inhoud van artikel 22a blijft dit artikel buiten toepassing voor gemeenten. Artikel 23 Naar de inhoud De invorderingsambtenaar kan de belastingaanslagen in de vermogensbelasting, voor zover zij betrekking hebben op met fideï-commis bezwaarde goederen, dan wel op goederen die ingevolge artikel 6 van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (Stb. 520) worden aangemerkt als bezittingen van de vruchtgebruiker of de gebruiker, op die goederen verhalen als waren zij niet met die rechten bezwaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2 Verrekening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24</span><span class=\"lf-art-t\">Naar de inhoud</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naar de inhoud Met betrekking tot rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de invorderingsambtenaar of aan de invorderingsambtenaar bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inzake de douane (Stb. 1992, 54) is opgedragen, is verrekening op de voet van afdeling 12 van titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invorderingsambtenaar is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen met elkaar te verrekenen. Indien de belastingschuldige een dochtermaatschappij onderscheidenlijk een moedermaatschappij is met betrekking tot welke vennootschapsbelasting wordt geheven met toepassing van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kunnen aan de belastingschuldige uit te betalen bedragen behalve met de van deze te innen bedragen worden verrekend met te innen bedragen van de moedermaatschappij dan wel van een andere dochtermaatschappij die voor de heffing van de vennootschapsbelasting in deze is opgegaan, onderscheidenlijk met te innen bedragen van een dochtermaatschappij. Op verzoek van de belastingschuldige is de invorderingsambtenaar verplicht te verrekenen. Als tijdstip van verrekening geldt de dagtekening van het aanslagbiljet waaruit het uit te betalen bedrag blijkt. In afwijking van de vorige volzin met betrekking tot een verrekening van een termijn van een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, zesde en zevende lid, geldt als tijdstip van verrekening het tijdstip waarop de desbetreffende termijn vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verrekening is ook mogelijk ingeval de termijn, bedoeld in artikel 9, nog niet is verstreken, met dien verstande dat indien het betreft belastingaanslagen als bedoeld in artikel 9, vijfde en zevende lid, verrekening alleen mogelijk is met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invorderingsambtenaar verrekent de in artikel 27a, eerste lid, bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend. Voorts verrekent de invorderingsambtenaar de in artikel 27a, tweede lid, bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend. Op de in dit lid bedoelde verrekeningen zijn het tweede en derde lid niet van toepassing. Als tijdstip van verrekening geldt het tijdstip waarop de betalingskorting wordt verleend of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verrekening is niet mogelijk met betrekking tot een belastingaanslag die een uit te betalen bedrag behelst indien deze vordering door de belastingschuldige onder bijzondere titel is overgedragen, mits de invorderingsambtenaar met de overdracht heeft ingestemd. Verrekening is voorts niet mogelijk met betrekking tot een belastingaanslag die een uit te betalen bedrag behelst indien op deze vordering een pandrecht als bedoeld in artikel 239 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is gevestigd, mits de invorderingsambtenaar op het tijdstip waarop het pandrecht hem wordt medegedeeld met het pandrecht heeft ingestemd. De invorderingsambtenaar is verplicht bij beschikking met de overdracht of het pandrecht in te stemmen indien op het tijdstip van de mededeling van de akte van overdracht of van het pandrecht ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare schuld invorderbaar is. De invorderingsambtenaar kan bij beschikking instemming met de overdracht of het pandrecht weigeren. De invorderingsambtenaar maakt de beschikking bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving waarin, bij weigering tot instemming met de overdracht of het pandrecht, de grond is vermeld waarop de weigering berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking in zoverre van het vijfde lid is ook na de instemming, bedoeld in dat lid, verrekening mogelijk van: de in artikel 27a, eerste lid, bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend; de in artikel 27a, tweede lid, bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend; belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De belastingschuldige kan binnen een week na de dagtekening van de in het vijfde lid bedoelde kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt beroep instellen bij de directeur. Het beroepschrift wordt ingediend bij de invorderingsambtenaar tegen een door deze af te geven ontvangstbewijs. De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing en maakt deze bekend aan de belastingschuldige door middel van een gedagtekende kennisgeving. Indien op het beroepschrift afwijzend wordt beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt acht dagen zijn verstreken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Met betrekking tot het bedrag waarvoor krachtens artikel 25, derde, vierde, zesde, zevende of negende lid, dan wel krachtens artikel 26, tiende lid, uitstel van betaling is verleend, is gedurende het uitstel verrekening niet mogelijk, tenzij de belastingschuldige dit verzoekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>De invorderingsambtenaar maakt de verrekening onverwijld bekend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel252</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentewet De verrekening van aan de belastingschuldige uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van gemeentelijke belastingen op de voet van artikel 24 van de Invorderingswet 1990 is ook mogelijk ingeval de in artikel 9 van de Invorderingswet 1990 gestelde termijn, dan wel de krachtens artikel 250, eerste lid, gestelde termijn nog niet is verstreken. § 1 Algemeen Afwijking open systeem</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Afwijking open systeem 1 Het specifieke karakter van fiscale en soortgelijke vorderingen brengt met zich mee dat de verrekeningsregels uit het burgerlijk recht niet zonder meer op deze vorderingen van toepassing kunnen zijn Artikel 24 bevat om die reden een eigen verrekeningsregime, dat afwijkt van de algemene verrekeningsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. De verrekeningsregeling van de Faillissementswet (artikelen 53 t/m 56, alsmede artikelen 234, 235 en 307) is wel van toepassing op fiscale en soortgelijke vorderingen. Wanneer verrekening 2 De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De invorderingsambtenaar bepaalt of al dan niet tot verrekening wordt overgegaan. Als de belastingschuldige de invorderingsambtenaar verzoekt een bepaalde belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen willigt de invorderingsambtenaar dit verzoek altijd in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is geformaliseerd. In dat geval schort de invorderingsambtenaar de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig kan door de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (artikel 25, § 3 van deze leidraad). Betwiste schuld 3 In het algemeen blijft verrekening met een te betalen bedrag dat door de belastingschuldige wordt betwist achterwege, indien voor dit bedrag uitstel van betaling in de zin van artikel 25, § 2, van deze leidraad is verleend. Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige, bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie met de hoogte van de bestreden belastingschuld, zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en voorts geen voldoende zekerheid is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien vindt, in afwijking van de eerste volzin, verrekening wel plaats als de belastingschuldige hierom verzoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reikwijdte van de verrekening 4 De invorderingsambtenaar kan aan een belastingschuldige uit te betalen belastingbedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen belastingbedragen. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vòòr 1 januari 2006, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast. In dat geval is verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk. 5a n.v.t. 5 n.v.t. Tijdstip van verrekening 6 Als tijdstip van verrekening geldt de dagtekening van het aanslagbiljet of de beschikking waaruit het uit te betalen bedrag blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum waarop feitelijk de administratieve afboeking plaatsheeft is niet van belang. Voor de berekening van de invorderingsrente op de belastingaanslag waarmee het uit te betalen bedrag wordt verrekend geldt derhalve bovengenoemde dagtekening als dag van betaling in de zin van artikel 28, vijfde lid van de wet. Als op of na de bovengenoemde dagtekening invorderingsmaatregelen zijn getroffen worden de hieraan verbonden kosten verminderd voor zover ze betrekking hebben op dat deel van de belastingaanslag dat door verrekening teniet is gegaan. Verjaring 7 Het recht tot verrekening verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop de aanslag geheel invorderbaar is. Deze verjaring kan worden geschorst of gestuit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor hetgeen bij artikel 27 van deze leidraad is vermeld. Bekendmaking 8 Verrekening van een uit te betalen bedrag door de invorderingsambtenaar geschiedt bij beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan hem van een kennisgeving. Het achterwege laten van de bekendmaking heeft niet tot gevolg dat de verrekening nietig is. 9 n.v.t. 10 n.v.t. 11 n.v.t. 11a n.v.t. 11b n.v.t. Verrekening met schadevergoedingen 12 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 n.v.t. 14 n.v.t. § 2 Overdracht van vorderingen en verpanding Algemeen 1 In artikel 3:94 BW is de mogelijkheid opgenomen om een vordering op naam over te dragen. Daarnaast biedt artikel 3:239 BW de mogelijkheid om op een vordering op naam een stil pandrecht te vestigen. Wanneer de invorderingsambtenaar niet met de overdracht of verpanding van een aan de belastingschuldige uit te betalen bedrag heeft ingestemd kan hij tot verrekening met openstaande schulden overgaan, ook al is de overdracht of verpanding aan hem medegedeeld. Als sprake is van openbare verpanding van een aan de belastingschuldige uit te betalen bedrag geldt geen instemmingsregeling. Het uit te betalen bedrag kan ondanks de verpanding worden verrekend met de op het moment van formalisering van het uit te betalen bedrag openstaande belastingschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgemerkt wordt dat waar in deze paragraaf wordt gesproken over verpanding uitsluitend de zogenaamde stille verpanding is bedoeld. Mogelijkheid van cessie of verpanding 2 Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits het bedrag met voldoende bepaaldheid is omschreven. Stille verpanding van een belastingteruggaaf is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de aanslag dan wel teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft. Instemming 3 Bij de beoordeling van de vraag of met een cessie of verpanding kan worden ingestemd gaat de invorderingsambtenaar uit van de situatie die bestaat op het moment dat de cessie of verpanding aan hem wordt medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigering van een instemming met de cessie of verpanding ziet op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De invorderingsambtenaar dient dan bij iedere cessie of verpanding afzonderlijk te beoordelen of hij daarmee instemt. Op deze wijze kan worden bereikt dat wanneer het uit te betalen bedrag hoger is dan de openstaande belastingschuld op het moment van mededeling de invorderingsambtenaar in ieder geval aan het meerdere zijn instemming niet zal onthouden, zodat dit deel van de teruggaaf naderhand niet kan worden verrekend. Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd indien de invorderingsambtenaar gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze belastingaanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte betaler. Met nadruk zij vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De invorderingsambtenaar is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen indien op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invorderingsambtenaar maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde, in casu de pandhouder of cessionaris, bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de mogelijkheid wordt gewezen bij het college van burgemeester en wethouders beroep in te stellen. Weigering of instemming heeft slechts consequenties voor de verrekeningsbevoegdheid van de invorderingsambtenaar. Wanneer de instemming is geweigerd en de belastingaanslagen die destijds aan de weigering ten grondslag hebben gelegen ten tijde van de uitbetaling van het terug te geven bedrag inmiddels zijn voldaan, dient uitbetaling plaats te vinden aan de cessionaris of pandhouder.</p></div>", "next": 239360}