{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de landgoed- of kasteelbiotoop wordt beschreven. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed of het kasteel gaat deze paragraaf in op de wijze waarop de kenmerken en waarden van de landgoed- of kasteelbiotoop beschermd of versterkt worden. Het gaat in ieder geval om de volgende kenmerken en waarden: de buitenplaats, bestaande uit het hoofdhuis met bijgebouwen en het bijbehorende park of tuin, of het kasteel of kasteelterrein in de vorm van ruïne, muurrestanten, één of meer bijgebouwen, omgracht terrein, alsmede de functionele en visuele relaties tussen de verschillende onderdelen; de basisstructuur waaraan het landgoed of de kasteellocatie bewust direct is gekoppeld: een weg, een waterloop, of beide of in geval van een buitenplaats ook indirect door middel van zichtlijnen; het blikveld: de vrije ruimte die nodig is om de historische buitenplaats of het kasteel in het landschap te herkennen;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Naast deze kenmerken en waarden kunnen er voor zowel de landgoed- als de kasteelbiotoop afzonderlijke kenmerken en waarden aan de orde zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Afwijking van het eerste lid is slechts mogelijk indien sprake is van het noodzakelijk herbestemmen van bouw- en gebruiksrechten uit het voorgaande bestemmingsplan of indien sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.27</span><span class=\"lf-art-t\">Archeologie en Romeinse Limes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een bestemmingsplan voor gronden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en de daarbij behorende regels die de bekende archeologische waarden beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in elk geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering besluiten tot behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, als andere belangen prevaleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een bestemmingsplan voor gronden binnen de Romeinse Limes met een hoge of zeer hoge archeologische verwachtingswaarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat bestemmingen en daarbij behorende regels die de verwachte archeologische waarden beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De regels, bedoeld in het vierde lid voorzien in elk geval in de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd en de voorwaarde, dat gehandeld wordt in overeenstemming met de uitkomsten van dat onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-628a\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.8a</span><span class=\"lf-art-t\">Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.27a</span><span class=\"lf-art-t\">Risico’s van klimaatverandering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-628b\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.8b</span><span class=\"lf-art-t\">Drinkwatervoorziening</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.27b</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermingszone drinkwatervoorziening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een bestemmingsplan voor gronden waarin een leiding, behorend tot de vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening aanwezig is, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 18, wijst een zone van minimaal vijf meter aan weerszijden van de leiding aan als beschermingszone drinkwatervoorziening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in het eerste lid bedoelde bestemmingsplan laat nieuwe ontwikkelingen binnen de beschermingszone drinkwatervoorziening slechts toe voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het functioneren, het onderhoud en de veiligheid van de drinkwatervoorziening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het tweede lid, wordt tijdig advies gevraagd aan het drinkwaterbedrijf dat beheerder is van de leiding.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-628c\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2.8c</span><span class=\"lf-art-t\">Nestgeluid afgemeerde schepen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.27c</span><span class=\"lf-art-t\">Nestgeluid afgemeerde schepen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt houdt rekening met nestgeluid van afgemeerde schepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-629\"><span class=\"lf-art-num\">§6.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Energie</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.28</span><span class=\"lf-art-t\">Windenergie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 16 in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het bestemmingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden, ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van de locatie in de omgeving, of ten behoeve van de uitbreiding van deze locatie mits de locatie een samenhangende eenheid vormt in het landschap. Daarbij geldt dat de locatie voor windenergie kan worden uitgebreid met een capaciteit van: maximaal 5 MW; of meer dan 5 MW in het geval gedeputeerde staten op grond van artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet 1998 van oordeel zijn dat het project kan worden uitgevoerd door het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, en dat bevoegde bestuursorgaan daarmee heeft ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden buiten het bestaand stads-en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een bestemmingsplan dat plaatsing van windturbines en andere bouwwerken gericht op de opwekking van energie uit wind mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting de wijze waarop is verzekerd dat de windturbines na afloop van het daadwerkelijke gebruik worden gesloopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.28a</span><span class=\"lf-art-t\">Zonnevelden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Dit artikel is van toepassing op een nieuw zonneveld buiten bestaand stads- en dorpsgebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld, laat het bestemmingsplan dit alleen toe op de volgende locaties: agrarische bouwpercelen; gronden met een functie verkeersinfrastructuur of ten dienste daarvan; slibdepots, waterbassins, spaarbekkens, waterbergingsgebieden en voormalige stortplaatsen; glastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied; gronden waar een stedelijke functie is toegekend, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd; een windpark.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het tweede lid zijn in zoekgebieden voor zon uit de Regionale Energiestrategieën die door provinciale staten zijn vastgesteld ook buiten deze locaties zonnevelden mogelijk, mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een bestemmingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid bevat in aanvulling op artikel 6.9 een toelichting over: de bijdrage die wordt geleverd aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing; het combineren met andere relevante opgaven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een bestemmingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, verzekert de realisatie en de instandhouding van de inrichtingsmaatregelen op het gebied van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het behouden en versterken van de biodiversiteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>In de toelichting van een bestemmingsplan dat voorziet in het plaatsen van een nieuwe zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verantwoord op welke wijze wordt verzekerd dat het zonneveld en de bijbehorende andere bouwwerken na afloop van de opwekking van energie worden gesloopt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-6210\"><span class=\"lf-art-num\">§6.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffen en afwijken instructieregels bestemmingsplan</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-629\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.29</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten zijn bevoegd ontheffing, als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening, te verlenen van de bepalingen in Afdeling 6.2 van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een verzoek om een ontheffing wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde e-formulier en gaat vergezeld van de daarin aangegeven bescheiden en bevat een motivering dat het verzoek is gedaan in overeenstemming met de raad.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-630\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.30</span><span class=\"lf-art-t\">Toelichting bestemmingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting van een bestemmingsplan dat mede wordt gebaseerd op een verleende ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening, bevat een afschrift van de beschikking van die ontheffing alsmede de in het 6.29 bedoelde bescheiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-631\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.31</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels ontheffing natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de ontheffing betrekking heeft op een ontwikkeling in een gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland of de strategische reservering natuur, bedoeld in artikel 6.9e, gelden aanvullend de volgende voorwaarden: er zijn geen reële alternatieven; de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd overeenkomstig artikel 6.9e, vierde lid; en de toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording, overeenkomstig artikel 6.9e, vijfde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-632\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.32</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen twee jaar na verlening van de ontheffing, geen bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van die ontheffing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-633\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.33</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkingsmogelijkheden voor bestaande bouw- en gebruiksrechten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van deze afdeling kan een bestemmingsplan een onbenut bouw- of gebruiksrecht uit een voorgaand bestemmingsplan opnieuw bestemmen, indien het belang bij strikte handhaving van deze verordening niet in verhouding staat tot het belang bij het behoud van het bouw- of gebruiksrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze afwijkingsmogelijkheid is niet van toepassing op een bestemmingsplan voor een gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 6.9e.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-634\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.34</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestemmingsplan kan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-635\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.35</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkingsmogelijkheid Crisis- en herstelwet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een bestemmingsplan kan worden afgeweken van de regels van deze afdeling, voor zover het gaat om gronden die door het rijk zijn aangewezen bij de toepassing van hoofdstuk 2 van de Crisis- en herstelwet, mits dit niet leidt tot onevenredige afbreuk aan provinciale belangen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.3 Keur, legger en peilbesluit</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-636\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.36</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht grondwateronttrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschapsbestuur regelt bij verordening, dat het verboden is zonder vergunning, permanent grondwater te onttrekken of permanent water te infiltreren voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4 van de Waterwet binnen een milieubeschermingsgebied voor grondwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-637\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.37</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking vrijstelling grondwateronttrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterschapsbestuur kan de vrijstellingsmogelijkheid, bedoeld in artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit niet toepassen voor onttrekkingen of infiltraties van meer dan 12.000 m³ per jaar en voor tijdelijke onttrekkingen of infiltraties van in totaal meer dan 12.000 m³.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid geldt tevens voor permanente onttrekkingen van grondwater of permanente infiltraties van water van minder dan 12.000 m³ per jaar, voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 6.4 van de Waterwet, die zijn gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-638\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.38</span><span class=\"lf-art-t\">Legger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De legger bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet bevat, in aanvulling op het eerste en tweede lid van dat artikel, in ieder geval: het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen, alsmede het profiel van de vrije ruimte; de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer bij het waterschap; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering onder beheer bij het waterschap; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verplichting van het eerste lid, onder d, geldt met ingang van een door gedeputeerde staten in overleg met het waterschapsbestuur te bepalen datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet bedoelde verplichtingen met betrekking tot vorm en constructie alsmede de hierboven onder b en d bedoelde verplichtingen gelden niet voor bergingsgebieden binnen de beheersgebieden van het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, het waterschap Rivierenland en het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het eerste lid, onder b, omschreven verplichting geldt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht niet voor secundaire wateren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-639\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.39</span><span class=\"lf-art-t\">Peilbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterschapsbestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden waarvan de plaats geometrisch is bepaald en zijn verbeeld op kaart 17 in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Peilbesluiten moeten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.4 Vergunningen en ontheffingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-641\"><span class=\"lf-art-num\">§6.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunningen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-640\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.40</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregels omgevingsvergunningen gemeentebestuur</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.2 is van overeenkomstige toepassing op besluiten op een aanvraag om een:</h3>\n<p class=\"lf-p\">omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage VIII van deze verordening genoemde situaties; omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-642\"><span class=\"lf-art-num\">§6.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning en ontheffing door gedeputeerde staten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-641\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.41</span><span class=\"lf-art-t\">Gronden voor weigering of wijziging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Weigering, wijziging of aanvulling van een vergunning of ontheffing is alleen mogelijk ter bescherming van het belang waartoe de bevoegdheid is gegeven, tenzij anders bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een vergunning of ontheffing wordt niet geweigerd als door het stellen van beperkingen of voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-642\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.42</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien: het gebruik maken van de vergunning of ontheffing bij nader inzien ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het te beschermen belang, en door het wijzigen van voorschriften of beperkingen verbonden aan de vergunning of ontheffing geen gelijkwaardige bescherming kan worden geboden; de aanvraag om een ontheffing is gebaseerd op onjuiste gegevens; gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht of als de vergunninghouder kennelijk geen belang meer heeft bij de vergunning; in de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend en de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert; een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, daartoe verplicht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.5 Projectplan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.43</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen, in overleg met of op verzoek van het waterschapsbestuur, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op projectplannen tot aanleg of wijziging van andere waterstaatswerken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Waterwet dan primaire waterkeringen, die met spoed op een gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.6 Taken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-661\"><span class=\"lf-art-num\">§6.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Taken van gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-662\"><span class=\"lf-art-num\">§6.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Taken van waterschappen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-646\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.46</span><span class=\"lf-art-t\">Regionale verdringingsreeks</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid, onder 3, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: het verwerken van industrieel proceswater; de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek bij het beheer van de regionale wateren wat betreft de in artikel 2.1, eerste lid, onder 4, van het Waterbesluit bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: de waterkwaliteit in stedelijk gebied; beroepsvaart; akkerbouw; beregening sportvelden; grasland; recreatievaart; natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het eerste, tweede en derde lid geldt uitsluitend voor Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-663\"><span class=\"lf-art-num\">§6.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Taken van gedeputeerde staten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-647\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.47</span><span class=\"lf-art-t\">Sanering door gedeputeerde staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit artikel is van toepassing op een sanering door gedeputeerde staten van een geval van een ernstige verontreiniging als bedoeld in artikel 48 van de Wet bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voordat gedeputeerde staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Nadat gedeputeerde staten de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming van een geval van ernstige verontreiniging hebben uitgevoerd, stellen zij een evaluatieverslag vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien na de uitvoering van de sanering een verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het evaluatieverslag, bedoeld in het tweede lid, is aangegeven dat beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, van de Wet bodembescherming noodzakelijk zijn, stellen gedeputeerde staten een nazorgplan vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Met betrekking tot de inhoud van het saneringsplan, respectievelijk het evaluatieverslag en het nazorgplan zijn de artikelen 39, eerste lid, respectievelijk 39c, eerste lid en 39d, tweede lid, van de Wet bodembescherming en artikel 3.39 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-648\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.48</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling kwaliteit uitvoering en handhaving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, gestelde doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, hebben in ieder geval betrekking op: de dienstverlening; de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; de financiën.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-649\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.49</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitscriteria uitvoering en handhaving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten stellen de kwaliteitscriteria voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving vast, alsmede de daaruit voortvloeiende uitvoeringskaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van gedeputeerde staten zijn de in het eerste lid bedoelde kwaliteitscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen gedeputeerde staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor zover de kwaliteitscriteria er niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK7FINANCIËLE BEPALINGEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-71\"><span class=\"lf-art-num\">§7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Leges</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-72\"><span class=\"lf-art-num\">§7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] HOOFDSTUK8PROCEDURES</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-81\"><span class=\"lf-art-num\">§8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure ontheffing stedelijk afvalwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot de voorbereiding van een beschikking om een ontheffing op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer, regels stellen voor de gegevens die de aanvraag om een ontheffing moet bevatten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beheerplan van waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterschapsbestuur raadpleegt bij de voorbereiding van het beheerplan het bestuur van de aangrenzende waterbeheerders, gedeputeerde staten en de gemeentebesturen van de binnen het plangebied liggende gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het waterschapsbestuur stuurt binnen vier weken na vaststelling het beheerplan naar gedeputeerde staten. Als bijlagen worden toegevoegd een verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, een overzicht van de ingediende zienswijzen en de beschouwingen daarover.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het waterschapsbestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na de vaststelling aan de ingevolge het eerste lid geraadpleegde bestuursorganen en aan de minister die het aangaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Projectplan van waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring toegezonden projectplan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijktraject die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie, wordt door het waterschapsbestuur tevens ter kennisneming toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbereiding regionaal waterplan door gedeputeerde staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit artikel gaat over de voorbereiding van het regionaal waterplan door gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten overleggen, bij de voorbereiding van het regionaal waterplan, met het waterschapsbestuur van de geheel of gedeeltelijk binnen Zuid-Holland gelegen waterschappen, de betrokken hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de gemeentebesturen van de binnen het plangebied liggende gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde staten raadplegen, bij de voorbereiding van het regionaal waterplan, de minister die het aangaat en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat naast de belanghebbenden ook de ingezetenen van de provincie zienswijzen over het ontwerp van het regionaal waterplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Gedeputeerde staten sturen het regionaal waterplan na vaststelling aan de in het tweede en derde lid genoemde bestuursorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de voorbereiding van een tussentijdse wijziging van het regionaal waterplan, bedoeld in artikel 4.12, derde lid, van het Waterbesluit is slechts het derde lid van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-82\"><span class=\"lf-art-num\">§8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bodem</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Saneringsplan, evaluatieverslag en nazorgplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming en van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan, respectievelijk een evaluatieverslag en een nazorgplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hieraan geen behoefte bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het eerste lid, doen zij hiervan mededeling in het provinciaal blad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Ontgrondingen van eenvoudige aard</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 10, eerste lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op een aanvraag tot verlening van een vergunning voor ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, voor zover het betreft: het egaliseren van percelen met hoogteverschillen van niet meer dan 1 m, indien daarbij niet het landschapsschoon wordt aangetast, of indien de gronden geen geologische, historische of andere bijzondere waarde hebben; het afgraven van agrarische terreinen, die hun bestemming behouden; of een ontgronding ten behoeve van een cultuurtechnische verbetering waarbij geen specie van de locatie wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 10, eerste lid, van de Ontgrondingenwet is tevens niet van toepassing op een aanvraag tot: wijziging van de tenaamstelling van een vergunning of machtiging indien de oorspronkelijke houder van de vergunning in een verklaring heeft aangegeven in te stemmen met deze naamswijziging; een ondergeschikte wijziging van een vergunning of machtiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde staten beslissen binnen twaalf weken na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-83\"><span class=\"lf-art-num\">§8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Luchthavens</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling wordt op aanvraag genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag om een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling wordt ingediend bij gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanvraag om een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling bevat de door gedeputeerde staten aangewezen gegevens en bescheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor het indienen van de aanvraag wordt door gedeputeerde staten een formulier vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK9HANDHAVING</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-91\"><span class=\"lf-art-num\">§9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuursrechtelijke handhaving</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken vergunning of ontheffing als sanctie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning of ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien: in strijd met de vergunning of ontheffing of de daarvan verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld, danwel de met betrekking tot de vergunde handeling geldende wettelijke voorschriften niet worden nageleefd. als de ter verkrijging van de vergunning of ontheffing verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvraag voor de vergunning of ontheffing een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend zouden zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot intrekking wordt niet over gegaan dan nadat de houder van de vergunning een redelijke termijn is geboden om zijn handelen in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing of om de geldende wettelijke voorschriften na te leven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-92\"><span class=\"lf-art-num\">§9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Strafrechtelijke handhaving</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling infrastructuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de op grond van artikel 3.3, tweede lid, afdeling 3.3, of artikel 5.3, tweede lid, gestelde voorschriften, of van bij of krachtens artikel 5.15 gestelde voorschriften, is een strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling milieu</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de artikelen 3.28 tot en met 3.32, 3.36, 3.40, 3.45, 3.50 tot en met 3.52 is een strafbaar feit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling natuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van artikelen 3.59, derde lid, artikel 3.61, vierde tot en met het tiende lid, artikel 3.60, 3.62, 3.66 en 3.68 is een strafbaar feit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-93\"><span class=\"lf-art-num\">§9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht en opsporing infrastructuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van de op grond van artikel 3.3, tweede lid, afdeling 3.3 , en artikel, 5.3, tweede lid, gestelde voorschriften, en van bij of krachtens artikel 5.15 gestelde voorschriften zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze verordening, bedoeld in artikel 9.2 zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen, belast de op grond van het eerste lid aangewezen personen, die in het bezit zijn van de buitengewone opsporingsbevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de opsporing, bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot de wegen worden mede belast de daartoe door het bevoegd gezag ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, aangewezen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders luchthavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet luchtvaart gegeven regels en voorschriften met betrekking tot de aan provinciale staten en gedeputeerde staten gegeven taken en bevoegdheden zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen toezichthouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.7</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders grondwaterregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van artikel 11.3 van deze verordening zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen toezichthouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders interprovinciale regionale waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een regionale waterkering de provinciegrens overschrijdt, wordt het toezicht op die waterkering uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK10SCHADE</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-101\"><span class=\"lf-art-num\">§10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding bij ontgrondingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet bevat tenminste de volgende gegevens: de vergunning waardoor de aanvrager schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd; de aard en de omvang van de schade; de wijze waarop de schade naar het oordeel van de aanvrager dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzen deskundigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten kunnen een of meer deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen het advies inwinnen van de deskundigen bedoeld in het eerste lid omtrent: een aanvraag om vergoeding van schade; het voornemen tot een ambtshalve toekenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onderdeel a, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, zijn aanvraag toe te lichten. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onderdeel b, wordt degene tot wie het besluit zal zijn gericht in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De deskundigen, bedoeld in het eerste lid, brengen advies uit inzake: de vraag of de schade is geleden door de ontgronding waarvoor vergunning is verleend; de omvang van de schade; de vraag of de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven; de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade anders dan door vergoeding in geld kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De deskundigen, bedoeld in het eerste lid, brengen hun advies zo spoedig mogelijk uit aan gedeputeerde staten doch in elk geval binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie het besluit zal zijn gericht waarbij de termijn wordt vermeld waarbinnen deze zijn opvattingen omtrent het advies kenbaar kan maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-102\"><span class=\"lf-art-num\">§10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming faunaschade</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvraag om een tegemoetkoming faunaschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming wordt uitsluitend langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Schade die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Taxatie schade</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade is getaxeerd door de taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen na ontvangst van het formulier per e-mail of per post naar BIJ12.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-103\"><span class=\"lf-art-num\">§10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering planschade</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvraag om vergoeding van planschade als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt ingediend door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Het formulier wordt ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het plangebied is gesitueerd. Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag onverwijld door aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk een ontvangstbevestiging, waarin wordt meegedeeld dat voor het in behandeling nemen een recht verschuldigd is van € 300,-. Wanneer dit recht niet binnen vier weken is betaald, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Adviseur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten wijzen een persoon als adviseur aan die aantoonbaar beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte bestaat aan extra deskundigheid, schakelen zij meerdere adviseurs in voor het uitbrengen van een advies. Deze adviseurs vormen samen een adviescommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een adviescommissie wijst uit haar midden een voorzitter aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten of provinciale staten. Ook is een adviseur op geen enkele wijze betrokken bij de planologische maatregel waarop de aanvraag is gebaseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.7</span><span class=\"lf-art-t\">Achterwege blijven inschakeling adviseur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag kennelijk ongegrond is dan wel op grond van artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening niet in behandeling wordt genomen, kan inschakeling van de adviseur achterwege blijven. In alle andere gevallen wordt een adviseur aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.8</span><span class=\"lf-art-t\">Opdrachtverstrekking aan adviseur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien wordt besloten tot inschakeling van een adviseur verstrekken gedeputeerde staten binnen acht weken na het verstrijken van de termijnen, bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag om planschadevergoeding advies uit te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.9</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voordat gedeputeerde staten de opdracht tot advisering als bedoeld in artikel 10.8 verstrekken, stellen zij de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van een of meerdere adviseurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij gedeputeerde staten indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde staten beslissen binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.10</span><span class=\"lf-art-t\">Werkwijze adviseur of adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten stellen aan de adviescommissie of de adviseur alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voorzitter van de adviescommissie of de adviseur organiseert een hoorzitting of hoort de aanvrager op een andere geschikte wijze, teneinde de aanvrager in de gelegenheid te stellen de aanvraag toe te lichten en de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te geven. Het betrokken bestuursorgaan en eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De adviseur is bevoegd aan partijen binnen een aan hen te stellen termijn, overlegging van nadere gegevens of stukken te gelasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt de datum en het tijdstip waarop de situatie ter plaatse zal worden bezichtigd en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie maakt met de aanvrager een afspraak ten behoeve van de taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie draagt er zorg voor dat van de hoorzitting en van de plaatsopneming een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het uit te brengen advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Binnen zestien weken na verzending van de opdracht zendt de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een concept van het advies aan: gedeputeerde staten; de aanvrager; een eventueel ander betrokken bestuursorgaan; en een belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan de in het zevende lid genoemde termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn van ten hoogste vier weken verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De aanvrager, een betrokken bestuursorgaan en een belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kunnen binnen vier weken na de toezending van het concept van het advies hierop schriftelijk reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De adviseur brengt een advies uit aan gedeputeerde staten met afschrift aan de aanvrager en eventueel andere betrokken bestuursorganen en belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: binnen vier weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het negende lid, indien een reactie is ingediend; binnen twee weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het negende lid, indien geen reactie is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.De adviseur kan op verzoek van gedeputeerde staten voorstellen doen voor het treffen van maatregelen en voorzieningen waardoor de schade op een andere wijze kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.Indien de aanvraag om planschadevergoeding tevens een verzoek om uitbetaling van een voorschot bevat, horen gedeputeerde staten de adviseur daarover.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-104\"><span class=\"lf-art-num\">§10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding van kosten en schade op grond van titel 15.4 Wet milieubeheer</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.11</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten ingevolge artikel 15.21 juncto 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de Wet milieubeheer met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.12</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de aanvrager dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.13</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering deskundigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 10.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van paragraaf 3.5.2 en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De deskundigen brengen advies uit inzake: de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; de omvang van de kosten dan wel de schade; de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; de hoogte van de toe te kennen vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan gedeputeerde staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1014\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.14</span><span class=\"lf-art-t\">Zienswijze grondwateronttrekker</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 10.13, tweede lid, en de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van paragraaf 3.5.2 stellen gedeputeerde staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij hieromtrent een beslissing nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1015\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.15</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens verzoek bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, dient dat verzoek tenminste vergezeld te gaan van: indien het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken; indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen; indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen gedeputeerde staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10.13, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK11MONITORING EN INFORMATIE</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-111\"><span class=\"lf-art-num\">§11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Water</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag toetsing watersysteem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterschapsbestuur brengt periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen; en regionale wateren onder zijn beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verslag bevat: een beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkeringen onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, de technische leidraad en voorschriften, bedoeld in artikel 4.1, en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet; een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop deze moeten zijn ingericht onder meer in het licht van de normen, de voorschriften, bedoeld in artikel 4.2 en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen, bedoeld in dit artikel een omschrijving van de voorzieningen die op de daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het waterschapsbestuur, het tijdstip vast waarop de verslagen, bedoeld in dit artikel, voor de eerste maal worden uitgebracht. Ook stellen zij de frequentie vast waarmee de verslagen daarna worden uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Als een regionale waterkering of een regionaal water in meerdere provincies is gelegen, dan worden de in dit artikel bedoelde verslagen uitgebracht aan gedeputeerde staten van de provincie waarin deze regionale waterkering dan wel het regionale water in hoofdzaak is gelegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterschapsbestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de als gevolg daarvan voorgestelde maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de in het eerste lid bedoelde voortgangsrapportage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterregister gedeputeerde staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten houden een grondwaterregister bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de waterschapsbesturen worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister. Als datum van de ambtshalve inschrijving wordt de datum aangehouden waarop de onttrekking of infiltratie is aangevangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekken gegevens grondwateronttrekkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het waterschapsbestuur verstrekt aan gedeputeerde staten: de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen; een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met het waterschapsbestuur, nadere regels stellen omtrent de wijze waarop de gegevens moeten worden aangeleverd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-112\"><span class=\"lf-art-num\">§11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Natuur</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Informatie en verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De Faunabeheereenheid Zuid-Holland informeert de achterban van alle in artikel 5.9, eerste en tweede lid genoemde organisaties over de uitvoering van haar werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wet natuurbescherming, bevat in ieder geval de volgende gegevens: cijfermatige rapportages over de uitvoering van iedere geldende vrijstelling, ontheffing, opdracht en de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren, onderverdeeld naar diersoort, wildbeheereenheid en, voor zover van toepassing, Natura 2000-gebied; kwantitatieve gegevens voor de populatie van iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort, waarbij wordt aangegeven op welke wijze deze gegevens zijn verzameld; beschrijving van populatieontwikkelingen die een risico vormen voor de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder b, onder 1˚ tot en met 4˚, artikel 3.8, vijfde lid, onder b, onder 1˚ tot en met 3˚ en artikel 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, van de Wet natuurbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK12ADVIESORGANEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie detailhandel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen een adviescommissie detailhandel Zuid-Holland in dat adviseert over bestemmingsplannen van Zuid-Hollandse gemeenten of inpassingsplannen van de provincie Zuid-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK13OVERGANGSRECHT</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.1 Algemene overgangsbepalingen lopende procedures besluiten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is van toepassing op besluiten op grond van of met toepassing van: de Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland; de Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013; de Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019; de Luchthavenverordening Zuid-Holland; de Ontgrondingenverordening Zuid-Holland 2014; de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland (negende tranche); de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015; de Verordening advisering planschade Zuid-Holland; de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Zuid-Holland 2016; de Verordening Provinciaal Planologische Commissie Zuid-Holland 2009 de Verordening ruimte 2014; de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland; de Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009; de Waterverordening Rijnland; de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017; de Waterverordening waterschap Rivierenland; de Waterverordening Zuid-Holland; de Wegenverordening Zuid-Holland 2010; tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Besluiten op aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve besluiten met toepassing van afdeling 3.4 Awb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van de toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve besluiten met toepassing van titel 4.1 Awb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.2 Overgangsbepalingen per onderwerp van de Omgevingsverordening</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen en vergunningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in hoofdstuk 3 geldt als een vergunning of ontheffing voor die activiteit. Een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wro, verleend op grond van de Verordening Ruimte (2010) of de Verordening ruimte 2014 geldt als een ontheffing op grond van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe vergunning en ontheffingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze verordening zonder vergunning of ontheffing onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze verordening voor die activiteit een verbodsbepaling behoudens vergunning of ontheffing van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze verordening een vergunning of ontheffing van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadeelcompensatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als voor de inwerkingtreding van deze verordening schade is veroorzaakt door een besluit dat berust op een verordening, genoemd in artikel 13.1, dan blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als voor de inwerkingtreding van deze verordening: een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend; een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd; of voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht; en het besluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van deze verordening, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de schade volledig is vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Afdeling 13.1 is in die gevallen niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.8</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke sanctiebesluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op die bestuurlijke sanctie het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop: de beschikking onherroepelijk is geworden, volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of als de beschikking de oplegging van een last onder dwangsom betreft: de last volledig is uitgevoerd; de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Afdeling 13.1 is niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13.3 Overgangsbepalingen per ingetrokken verordening</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-1331\"><span class=\"lf-art-num\">§13.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Provinciale milieuverordening Zuid-Holland (negende tranche)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.9</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingen en verslagen bodemsanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding of een opgave van gegevens, bedoeld in artikel 6.4, 6.5, 6.6 of 6.7 van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland, die gedaan is voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt als melding, bedoeld in artikel 3.40 of als saneringsverslag, bedoeld in artikel 3.41 van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.10</span><span class=\"lf-art-t\">Saneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een saneringsplan, bedoeld in artikel 6.8 van de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland, geldt als saneringsplan, bedoeld in artikel 6.47 van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-1332\"><span class=\"lf-art-num\">§13.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening uitvoering Wet natuurbescherming</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.11</span><span class=\"lf-art-t\">Melding vellen houtopstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding, bedoeld in artikel 7.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming, die gedaan is voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt als melding, bedoeld in artikel 3.64 van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-1333\"><span class=\"lf-art-num\">§13.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Waterverordeningen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.12</span><span class=\"lf-art-t\">Technische leidraad</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een technische leidraad als bedoeld in een waterverordening die van kracht is, geldt als een leidraad als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.13</span><span class=\"lf-art-t\">Vergevorderde projecten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Door gedeputeerde staten kunnen projecten worden aangewezen, waarop de procedure op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet, van toepassing is verklaard, de voorbereiding van het projectplan zich in een vergevorderd stadium bevindt en geen ontwerp van dat projectplan ter inzage is gelegd en waarvoor ontwerp van een projectplan als bedoeld in artikel 5.6 van de Waterwet worden vastgesteld onder het oude recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 8.3 is op deze projecten van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-1334\"><span class=\"lf-art-num\">§13.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Legesverordeningen en heffingverordening</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.14</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland blijft van toepassing op belastbare feiten die plaatsvonden voor de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verplichting van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 11 van de Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland, om iedere vijf jaar na het in werking treden van die verordening aan provinciale staten een verslag ten zenden over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening, berust voortaan op dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.15</span><span class=\"lf-art-t\">Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013 blijft van toepassing op aanvragen die zijn gedaan voor de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.16</span><span class=\"lf-art-t\">Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019 blijft van toepassing op aanvragen die zijn gedaan voor de inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-1335\"><span class=\"lf-art-num\">§13.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.17</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de aanwijzing van een waterschap als nautisch beheerder door artikel 5.3, in strijd is met de aanwijzing bij besluit van Provinciale Staten Zuid-Holland uit 1992 (registratienummer 921353) van een waterschap of diens rechtsvoorganger als het nautisch bevoegd gezag op grond van de Scheepvaartverkeerswet, dan is het in dat aanwijzingsbesluit aangewezen waterschap of diens rechtsopvolger de nautisch beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK14OVERIGE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-141\"><span class=\"lf-art-num\">§14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking en wijziging grenzen en bijlagen door gedeputeerde staten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten zijn bevoegd om de begrenzing van de bij of krachtens deze verordening aangewezen gebieden nader uit te werken en te wijzigen indien: sprake is van kennelijke onjuistheden in de begrenzing; strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins wettelijke maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen voor een goede uitvoering van deze verordening, met inbegrip van de mogelijkheid om de bijlagen II tot en met VII te wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassingstermijn geldend bestemmingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover een bepaling in deze verordening verplicht tot aanpassing van een geldend bestemmingsplan, stelt het bevoegd gezag uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling een bestemmingsplan vast met inachtneming van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het vorige lid is niet van toepassing op een geldend bestemmingsplan dat afwijkt van artikelen 6.9, 6.10, of 6.27.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-142\"><span class=\"lf-art-num\">§14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken verordeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende verordeningen worden ingetrokken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019;</p>\n<p class=\"lf-p\">Luchthavenverordening Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgrondingenverordening Zuid-Holland 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening advisering planschade Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Zuid-Holland 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening Provinciaal Planologische Commissie Zuid-Holland 2009;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening ruimte 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Rijnland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening waterschap Rivierenland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegenverordening Zuid-Holland 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.5</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van de Provinciale milieuverordening</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 en 6 en Bijlage 10 onderdeel A van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland (negende tranche) vervallen.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.6</span><span class=\"lf-art-t\">Omhangen nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten alle nadere regels, gesteld op grond van bepalingen die bij deze verordening vervallen of worden ingetrokken, op deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.7</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op 1 april 2019.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.8</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Zuid-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Den Haag, 20 februari 2019Provinciale Staten van Zuid-Holland,griffier, voorzitter, BIJLAGE I BEGRIPPEN Als bedoeld in artikel 1.1 1. Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: adviescommissie detailhandel Zuid-Holland: onafhankelijk adviesorgaan waarvan het reglement door gedeputeerde staten is vastgesteld bij besluit van 26 mei 2015 en dat de gemeentelijke onderbouwing van een nieuwe detailhandelsontwikkeling op kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en de ruimtelijke effecten van de ontwikkeling, zoals woon- en leefklimaat, objectief valideert; afgemeerde schepen: Onder afgemeerde schepen wordt verstaan schepen die in het havengebied afgemeerd liggen aan een openbare of niet-openbare aanlegplaats afhaalpunt voor niet-dagelijkse artikelen: ruimte ten behoeve van de levering en retournering van vooraf elders bestelde artikelen, niet zijnde levensmiddelen of middelen voor de persoonlijke verzorging, zonder het tonen van artikelen in een showroom, etalage of anderszins; agrarisch bedrijf: bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren; agrarisch bouwperceel: aaneengesloten terrein waarbinnen bedrijfsgebouwen, bijgebouwen, een bedrijfswoning met bijbehorend erf en tuin, andere bouwwerken zoals hooibergen, voersilo’s, kuilvoerplaten, biomassavergistingsinstallaties, mestopslag, erfverharding, parkeervoorzieningen en erfbeplanting zijn geconcentreerd; akkerbouwbedrijf: bedrijf dat uitsluitend of overwegend is gericht op het telen van akkerbouwgewassen in de open grond; andere beschermde soorten: soorten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van de Wet natuurbescherming; bebouwing: één of meerdere gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde; bebouwde kom: gebied van een gemeente zoals bedoeld bij of krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bedrijventerrein: gronden die in een vigerend bestemmingsplan de bestemming bedrijf of bedrijventerrein hebben en in de planregels bestemd zijn voor: handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie, met uitzondering van de gronden die exclusief zijn bestemd voor: kantoren, detailhandel, maatschappelijke doeleinden of jachthavens, horeca, logies en overige leisure, met een bruto omvang van meer dan 1 hectare, uitgezonderd solitaire bedrijven, niet zijnde een betoncentrale, asfaltcentrale of puinbreker, buiten bestaand stads- en dorpsgebied;</p>\n<p class=\"lf-p\">beheerplan: plan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet; belastingjaar: kalenderjaar; bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, alsmede: wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening; beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening; omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage VIII van deze verordening genoemde situaties; omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken; projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.; bestaand stads- en dorpsgebied: bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening; betrokken wetten: wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van die wet van toepassing is;</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJ12: uitvoeringsorganisatie voor de samenwerkende provincies; binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet; bollenteeltbedrijf: bedrijf dat is gericht op de teelt van bloembollen, bolbloemen en knolgewassen, de teelt van snijbloemen en laagblijvende eenjarige en vaste bloeiende tuinplanten, de teelt van vollegrondstuinbouwproducten als eenjarige wisselteelt, niet zijnde boom- en sierteelt en fruitteelt, zo nodig met het gebruik van ondersteunend glas; bouwmarkt: detailhandelsvestiging waarvan het hoofdassortiment bestaat uit bouwmaterialen, alsmede materialen die voor het verrichten van bouw- en verbouwwerkzaamheden nodig zijn; bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op de plaats van de bestemming, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; bruto vloeroppervlak: vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de buitenste opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte of ruimten omhult; compensatie van feitelijk gebruik: compensatie van de manier waarop het kavel op dat moment wordt gebruikt, waarbij met name wordt gekeken naar milieucategorie, watergebondenheid en m² bruto vloeroppervlak, hetgeen dus kan afwijken van de planologische mogelijkheden in het vigerende bestemmingsplan; detailhandel: bedrijfsmatig te koop aanbieden, uitstallen ten verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; detailhandel in volumineuze goederen: detailhandel waarbij het hoofdassortiment bestaat uit omvangrijke goederen waarvoor een grote uitstallingsruimte nodig is, zoals auto’s, boten en caravans; dienstverlening: bedrijfsmatig verlenen van commerciële- en niet-commerciële diensten, waarbij het publiek rechtstreeks, al dan niet via een balie, te woord wordt gestaan en geholpen; drijvend voorwerp: drijvend voorwerp als bedoeld in artikel 1.01, onder D, onderdeel 1º, van het Binnenvaartpolitiereglement; duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren: geheel aan handelingen dat gericht is op het beïnvloeden van de omvang van die populatie en de demografie op dusdanige wijze wordt beïnvloed dat er ook op de lange termijn sprake blijft van een levensvatbare populatie die niet in het voortbestaan wordt bedreigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">evaluatieverslag: verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; flora- en fauna-activiteit: activiteit inhoudende het verrichten van een handeling als bedoeld in een van de volgende bepalingen van de Wet natuurbescherming: a. artikel 3.1, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel of in artikel 3.3, tweede, zesde of zevende lid, of 3.29, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, b. artikel 3.5, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in artikel 3.8, tweede, zesde of zevende lid, of 3.29, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, of c. artikel 3.10, eerste lid, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, in samenhang met artikel 3.8, tweede, zesde of zevende lid, van de Wet natuurbescherming, of in artikel 3.10, derde lid, 3.11, eerste lid, of 3.29, eerste lid, van die wet; fundering: ondergrondse dragende delen van een bouwwerk; gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Zuid-Holland; geitenhouderij: bedrijf of een onderdeel daarvan waar geiten worden gehouden; gemakswinkel: winkel voor kleine en snelle aankopen met een beperkt assortiment van dagelijkse of direct te gebruiken artikelen; gemengd bollenteelt- en glastuinbouwbedrijf: bedrijf dat is gericht op de teelt van bloembollen, bolbloemen en knolgewassen, de teelt van snijbloemen en laagblijvende eenjarige en vaste bloeiende tuinplanten, de teelt van vollegrondstuinbouwproducten als eenjarige wisselteelt, niet zijnde boom- en sierteelt en fruitteelt, in zowel de volle grond als onder glas en dat ten minste 3.000 m2 glas duurzaam in gebruik heeft; gesloten stortplaats: stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer; glastuinbouwbedrijf: volwaardig en doelmatig bedrijf in overwegende mate gericht op het voortbrengen van producten en het leveren van diensten door middel van het duurzaam en intensief kweken van assimilerende organismen onder invloed van licht, geheel of hoofdzakelijk overdekt; waarbij onder kweken wordt verstaan: veredeling, selectie, opkweek en verzorging, en waarbij onder licht wordt verstaan: licht afkomstig uit natuurlijke of kunstmatige bron; grondwaterregister: grondwaterregister zoals bedoeld in artikel 7.7 eerste lid, onder c van de Waterwet grote ruimtevragers: bedrijfsfuncties die zijn gehuisvest in een samenhangend gebouwencomplex op een bedrijfskavel van 5 hectare of meer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Habitatrichtlijnsoorten: soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; houtgewas: bomen, heesters, struik-, veld- en tuingewassen en andere houtgewassen, de wortels inbegrepen; hoofdinfrastructuur: hoofdweg of landelijke spoorweg, met bijbehorende voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Tracéwet, alsmede de overige spoorwegen; hoofdtak intensieve veehouderij: bedrijfsonderdeel intensieve veehouderij dat qua economische bedrijfsomvang als agrarische hoofdactiviteit kan worden aangemerkt; houder van de inrichting of het werk: indien het daartoe krachtens de Waterwet of de Waterschapswet bevoegde gezag een vergunning heeft verleend voor de onttrekking van het grondwater: degene aan wie de vergunning is verleend; indien ter zake van de onttrekking van het grondwater de krachtens de Waterwet of de Waterschapswet voorgeschreven melding is gedaan: degene die deze melding heeft gedaan; in overige gevallen: degene ten behoeve van wie de onttrekking plaatsvindt; infiltreren van water: water in een bodem brengen, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater; infrastructuur: wegen, met inbegrip van berm en bermsloten, kunstwerken, carpoolplaatsen of parkeerterreinen, en vaarwegen, met inbegrip van oevers en sluizen, bijbehorende kunstwerken en hetgeen naar zijn aard daartoe behoort; intensieve veehouderij: bedrijf waar slacht-, leg-, of pelsdieren in gebouwen worden gehouden of gefokt, met uitzondering van bedrijven waar aan vrijwel alle dieren ten minste een aanmerkelijk deel van het jaar de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang of vrije uitloop; kantoor: gebouw of deel daarvan dat gebruikt wordt voor het bedrijfsmatig verrichten van administratieve werkzaamheden op financieel, ontwerptechnisch, juridisch, of ander daarmee gelijk te stellen gebied; kas: bouwwerk van bijna alleen maar glas of ander lichtdoorlatend materiaal met een bouwhoogte van 1 m of meer voor de bedrijfsmatige teelt van gewassen; kort verblijf: kortdurend en in ieder geval niet langer dan vijftien minuten, innemen van een ligplaats voor het in of uit laten stappen van passagiers, het laden of lossen van pleziervaartgerelateerde goederen of het te water laten van een pleziervaartuig; kringloopwinkel: detailhandelsvestiging waarbij gebruikte huisraad, kleding, fietsen en overige kringloopgoederen om niet worden ingezameld en worden gerepareerd en verkocht; kunstwerk: bruggen, viaducten, tunnels, duikers, sluizen en soortgelijke technisch werken in spoorbouw, wegenbouw of waterbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">kwaliteitscriteria: in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde actuele kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast; kwaliteitskaart: kaart van de Omgevingsvisie en die is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschapen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving; ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; landgoed: ruimtelijk functionele eenheid bestaande uit bos, overige natuur en woonbebouwing, al dan niet in combinatie met agrarische bedrijfsgronden; lange hond: hond die door zijn daartoe voldoende lichaamsbouw in staat is in open veld een gezonde, volwassen haas te achtervolgen, in te halen en te grijpen. ligplaats: plaats in of boven het water om door een vaartuig ter verblijf van meer dan vijftien minuten te worden ingenomen luchthavenbesluit: besluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, jo. 8.43 van de Wet luchtvaart; luchthavenregeling: regeling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, jo. 8.64, eerste lid, van de Wet luchtvaart; maaiveld: hoogteligging van de gronden ter plaatse van en direct grenzend aan een voorgenomen ontgronding; milieubeschermingsgebied voor grondwater: gebied waarvoor in de provinciale milieuverordening Zuid-Holland regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning; milieucategorie: milieucategorie zoals omschreven in de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, uitgebracht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; milieuzones geur en geluid: zones met gebruiksruimte voor geluid en geur zoals omschreven in de Handreiking milieuzonering nieuwe stijl van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; motorrijtuig: motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994; nader onderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming;</p>\n<p class=\"lf-p\">Natura 2000-activiteit: activiteit inhoudende het realiseren van een project of het verrichten van een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, tenzij het gaat om een geval als bedoeld in artikel 2.7, vierde lid, of 2.9, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van die wet; natuurbouw: project waarbij: sprake is van verbetering of uitbreiding van een bestaande biotoop voor ter plaatse voorkomende soorten, of realisering van een nieuwe biotoop voor ter plaatse niet voorkomende soorten waarbij de locatie en de keuze waarvoor de biotoop wordt gemaakt essentieel is of; sprake is van realisering van een verbindingszone of delen daarvan tussen bestaande biotopen; en waarbij oppervlakte, vorm, diepte en taludhelling voldoen aan de eisen die de betreffende soorten daaraan stellen; nautisch beheer: de zorg voor de regeling van het verkeer op water, op grond van de Scheepvaartverkeersweet en de daarop berustende regelgeving en besluiten; nautisch beheerder: openbaar lichaam dat met het nautisch beheer is belast of waaraan de uitvoering van het nautisch beheer is opgedragen; nazorgplan: nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming;</p>\n<p class=\"lf-p\">N.E.G: N.e.g.-positie als bedoeld in artikel 1.2.1 van het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67) (ADN); nestgeluid: Onder nestgeluid van afgemeerde schepen – ook wel aangeduid als geluid van de hotelfunctie van die schepen – wordt verstaan het geluid dat afgemeerde schepen aan de kade produceren met uitzondering van geluid veroorzaakt door het werken aan de schepen en laad-en losactiviteiten. netto verkoopvloeroppervlak: oppervlakte van het gedeelte van een winkel dat toegankelijk is voor het publiek en waar de producten voor verkoop en verhuur zijn uitgestald; neventak intensieve veehouderij: bedrijfsonderdeel intensieve veehouderij dat qua economische bedrijfsomvang niet als agrarische hoofdactiviteit kan worden aangemerkt; oever: onderdeel van het oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, bestaande uit een aanwezige natuurlijke overgang van water naar land of een aangebrachte oeverconstructie met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke verankering; onderhoudsplichtige: natuurlijke persoon of rechtspersoon die op grond van een wettelijk voorschrift, een besluit, een vergunning, ontheffing of concessie, eigendomsrecht, overeenkomst of anderszins verantwoordelijk is voor het onderhoud van oevers of werken op, aan, over of boven een vaarweg. ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht; onttrekken van grondwater: onttrekken van grondwater door middel van een inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater; openbaar verkeer: scheepvaartverkeer, bedoeld in artikel 1.1 van de Scheepvaartverkeerswet, of verkeer over de weg, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994; openbare weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 met uitzondering van een weg die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaat voor voetgangers of fietsers; openlucht tuinbouwbedrijf: volwaardig en doelmatig bedrijf in overwegende mate gericht op het voortbrengen van producten en het leveren van diensten door middel van het duurzaam en intensief kweken van assimilerende organismen in de open lucht, eventueel met gebruik van rolkassen; waarbij onder kweken wordt verstaan: veredeling, selectie, opkweek en verzorging; peilbesluit: besluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet; planologische compensatie: compensatie van dat wat mogelijk is in het vigerende bestemmingsplan, waarbij het gaat om de oppervlakte in hectares en de milieucategorie;</p>\n<p class=\"lf-p\">planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening; planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet; profiel van vrije ruimte: ruimte ter weerszijden van en boven een primaire of regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder benodigd is ten behoeve van een toekomstige versterking van de waterkering; provinciale infrastructuur: infrastructuur in beheer bij de provincie en infrastructuur in aanleg die na oplevering in beheer zal komen bij de provincie; provincie: provincie Zuid-Holland; regionale waterkering: waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming, waarvan de plaats indicatief is verbeeld op kaart 3 in bijlage II en nader is bepaald in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet; regionaal waterplan plan: als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet; restladingdamp: damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft in een door gedeputeerde staten aan te geven minimumconcentratie; retourneren van water: terugbrengen van onttrokken grondwater in hetzelfde bodempakket als waaruit het onttrokken is, ter voorkoming van negatieve gevolgen van het onttrekken van grondwater, indien en voor zover het bevoegd gezag dit voorschrijft.; ruimtelijk plan: bestemmingsplan, provinciaal of rijksinpassingsplan, zoals bedoeld in de artikelen 3.1, 3.26 en 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening; ruimtelijke kwaliteit: kwaliteit van een gebied die bepaald wordt door de mate waarin sprake is van gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde; ruimtelijke ontwikkeling: bebouwing of gebruik van bebouwing of grond; saneringsonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming; saneringsplan: plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, dan wel artikel 63c, eerste lid, juncto 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; schip: schip als bedoeld in artikel 1.01, onder A, onderdeel 1º, van het Binnenvaartpolitiereglement schipper: persoon als bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67) (ADN); snelle motorboot: snelle motorboot als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel A, onder 170, van het Binnenvaartpolitiereglement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Staat van Bedrijfsactiviteiten: indeling van bedrijven in categorieën overeenkomstig of vergelijkbaar met de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, uitgebracht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; stedelijke ontwikkeling: stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening; stekbedrijf: bedrijf dat nagenoeg geheel is gericht op het vermeerderen van vaste planten tot het stadium van uitgangsmateriaal en dat ten minste 3.000 m² glas duurzaam in gebruik heeft; stiltegebieden: gebieden als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet milieubeheer; stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; terreinbeherende organisatie: publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie die het beheer van natuur- en/of recreatiegebieden als doelstelling heeft; tijdens de vaart: de vaart, bedoeld in artikel 7.2.3.7.2 van deel 7 van het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67) (ADN); toelichting bij een bestemmingsplan: toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening, alsmede: toelichting bij een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening ; ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage VIII van deze verordening genoemde situaties ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken ruimtelijke onderbouwing bij projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.; toestel: toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, daaronder niet begrepen een motorrijtuig; tuincentrum: detailhandelsvestiging waarvan het hoofdassortiment bestaat uit boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, attributen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, balkons en terrassen waaronder tuinmeubilair, alsmede de daarbij benodigde hulpmaterialen;</p>\n<p class=\"lf-p\">UN: UN-nummer als bedoeld in artikel 1.2.1 Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67) (ADN); vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement; vaarstrook: deel van de vaarweg dat uitsluitend bestemd is voor varend verkeer; vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement; vaarwegbeheer: overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken; vaarwegbeheerder: openbaar lichaam dat is belast met het vaarwegbeheer op grond van de Waterwet of waaraan de uitvoering van het vaarwegbeheer is opgedragen; vaste stof: stof, anders dan gas of vloeistof; veiligheidsstrook: parallel aan de vaarstrook en aan weerszijden daarvan richting oever gelegen deel van de vaarweg dat als buffer dient tussen varende en liggende schepen; veiligheidszone: deel van een vaarweg met een relatief hoog risico op ongevallen; vervoerder: onderneming, bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67) (ADN); voorzieningen: voorzieningen ter bescherming van de bodem als bedoeld in artikel 8.49, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer; volwaardig agrarisch bedrijf: agrarisch bedrijf dat naar aard, omvang en redelijkerwijs te verwachten continuïteit en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt; de omvang omvat ten minste één volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit de verwachten redelijk inkomen; watergebonden bedrijventerrein: bedrijventerrein of deel daarvan dat aan vaarwater ligt met een vaarklasse van II of hoger met een: haven, kade, drijvende laad- en losinstallatie of scheepshelling of -dok, beperkt tot de aan de laad- en losvoorziening liggende kavel; waterschap: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Hoogheemraadschap van Delfland, Hoogheemraadschap van Rijnland, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, Waterschap Hollandse Delta en Waterschap Rivierenland ieder voor zover hun bevoegdheid strekt en zij zijn gelegen in Zuid-Holland; waterscooter: waterscooter als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel A, onder 180, van het Binnenvaartpolitiereglement; waterstaatswerk: bij het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap in beheer zijnde wateren, waterkeringen en wegen alsmede, voor zover in beheer bij het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap, de daarin of daaraan gelegen kunstwerken en hetgeen verder naar hun aard daartoe behoort;</p>\n<p class=\"lf-p\">weg: openbare weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 of artikel 1 van de Wegenwet, met alle bij de weg of het afwikkeling van het verkeer behorende of zich in of nabij de weg bevindende of rechtstreeks verbonden voorzieningen of werken; weidelijkheid: fatsoenlijk en respectvol omgaan met het landschp, de in het wild levende dieren en de mensen met wie de jager in contact komt, overeenkomstig de door de Jagersvereniging opgestelde gedragscode; wezenlijke kenmerken en waarden Natuurnetwerk Nederland: kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland die zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied die zijn opgenomen in het 'Natuurbeheerplan Zuid-Holland', het ‘portaal natuur en landschap’ en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura2000-gebieden; zichtlijn voor de scheepvaart: vrije zicht dat twee elkaar tegemoetkomende schepen, varend in de as van de vaarweg, moeten hebben op een onderlinge afstand van vijf maal de lengte van het maatgevende schip, afhankelijk van de CEMT-klasse van de vaarweg, met een maximum van 600 m.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder: vaartuig: vaartuig zonder waterverplaatsing, een drijvend casco, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig dat de geschiktheid tot varen of drijven heeft verloren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de toepassing van deze verordening op wegen wordt verstaan onder: beheer: de publiekrechtelijke zeggenschap over en de verantwoordelijkheid voor de weg met inbegrip van de plicht tot onderhoud en de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg. onderhoud: het uitvoeren van alle werken of werkzaamheden die nodig zijn voor de instandhouding van de weg op zodanige wijze dat deze voldoet aan de eisen die daaraan, gelet op zijn functie voor het openbaar verkeer, redelijkerwijs te stellen zijn, in het belang van artikel 3.5.</div>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE II KAARTEN Kaart 1 Provincie Zuid-Holland A. Aanwijzing van gebieden Kaart 2 Provinciale vaarwegen Kaart 3 Regionale waterkeringen Kaart 5 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater Kaart 6 Stiltegebieden Kaart 7 Natuurnetwerk Nederland Kaart 8 Archeologische waarden B. Aanwijzing van locaties Kaart 4 Gebieden met waterkwantiteitsnorm en waterschappen Kaart 9 Ontgrondingen Kaart 10 Kantoren en detailhandel Kaart 11 Greenports Kaart 12 Recreatietoervaartnet Kaart 13 Veiligheid Kaart 14 Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën Kaart 15 Cultureel erfgoed Kaart 16 Windenergie Kaart 17 Gebieden met verplichte peilbesluiten kaart 19 Grote buitenstedelijke bouwlocaties kaart 20 Bedrijventerreinen kaart 23 Beschermde gebieden Bos en bomen kaart 24 Hoofdfietsnet en Hoofd wandelnetwerk Kaart 1 Provincie Zuid-Holland A. Aanwijzing van gebieden Kaart 2 Provinciale vaarwegen Kaart 3 Regionale waterkeringen Kaart 5 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater Kaart 6 Stiltegebieden Kaart 7 Natuurnetwerk Nederland Kaart 8 Archeologische waarden B. Aanwijzing van locaties Kaart 4 Gebieden met waterkwantiteitsnorm en waterschappen Kaart 9 Ontgrondingen Kaart 10 Kantoren en detailhandel Kaart 11 Greenports Kaart 12 Recreatietoervaartnet Kaart 13 Veiligheid Kaart 14 Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën Kaart 15 Cultureel erfgoed Kaart 16 Windenergie Kaart 17 Gebieden met verplichte peilbesluiten Kaart 18 Drinkwaterinfrastructuur Kaart 19 Grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 ha-kaart) Kaart 20 Bedrijventerreinen Kaart 21 Grote ruimtevragers Kaart 22 Planoptimalisatie Kaart 23 Beschermde gebieden Bos en Bomen: A-locatie bossen, bosreservaten en Groen erfgoed Kaart 24 Hoofdfietsnet en Hoofd wandelnetwerk BIJLAGE III AANGEWEZEN SOORTEN A. Soorten vogels als bedoeld in artikel 3.59, eerste lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grauwe gans;</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandgans;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kolgans;</p>\n<p class=\"lf-p\">Knobbelzwaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine mantelmeeuw;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zilvermeeuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Soorten vogels als bedoeld in artikel 3.61, eerste lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grauwe gans;</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandgans;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kolgans;</p>\n<p class=\"lf-p\">Knobbelzwaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Smient;</p>\n<p class=\"lf-p\">Canadese gans.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Habitatrichtlijnsoorten als bedoeld in artikel 3.61, tweede lid: [gereserveerd] D. Andere beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.61, derde lid: [gereserveerd] E. Soorten vogels als bedoeld in artikel 3.61, zevende lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grauwe gans Brandgans Kolgans Smient Canadese Gans F. Andere beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.63, tweede lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bastaardkikker;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bosmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bruine kikker;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bunzing;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dwergmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dwergspitsmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Egel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewone bosspitsmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewone pad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Haas;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hermelijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisspitsmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine watersalamander;</p>\n<p class=\"lf-p\">Konijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerkikker;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ree;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rosse woelmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Veldmuis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vos;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wezel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Woelrat.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE IV VOORSCHRIFTEN BESTRIJDING SOORTEN Als bedoeld in artikel 3.59 en 3.61 Bewerken van eieren en nesten Het bewerken van eieren en nesten van grauwe gans, kolgans en brandgans kan slechts plaatsvinden in de periode van 1 februari tot en met 30 juni;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewerken van eieren en nesten van knobbelzwaan kan slechts plaatsvinden in de periode van 1 maart tot en met 30 april;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewerken van eieren en nesten van kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw kan slechts plaatsvinden in de periode van 1 april tot en met 31 juli, binnen de havengebieden van Rotterdam, Dordrecht en Alblasserdam ten behoeve van de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen aan de bestrijding van ganzen in de winterperiode Het doden van brandganzen kan slechts plaatsvinden buiten de winterperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de winterperiode kan het doden van grauwe gans en kolgans slechts plaatsvinden op percelen met kwetsbare gewassen 1 Voor de definitie van kwetsbaar gewas wordt verwezen naar de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De winterperiode als bedoeld onder 4 en 5 betreft de volgende periode:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de regio Noordelijke Delta 2 De grens tussen de regio Noordelijke Delta en de overige regio’s wordt gevormd door de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, de Noord en de Beneden-Merwede (van west naar oost). van 1 november tot en met 14 februari.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de regio's Delfland en Schieland, Veenweiden en Zuid Holland-Noord van 1 november tot en met 29 februari.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen aan de bestrijding van knobbelzwanen Het doden van knobbelzwanen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen kan slechts plaatsvinden: op percelen met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad in de periode van 1 oktober tot en met 31 mei; op percelen met gras en granen in de periode van 15 november tot en met 31 mei;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afschot van knobbelzwanen zoals bedoeld onder 7 is slechts toegestaan, indien de ter plaatse aanwezige groep knobbelzwanen uit ten minste vijftien exemplaren bestaat. Uit een groep tot vijftig knobbelzwanen mogen maximaal vijf knobbelzwanen worden gedood. Indien de groep bestaat uit meer dan vijftig knobbelzwanen geldt een maximum van 10% dat mag worden gedood.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doden van knobbelzwanen ten behoeve van de openbare veiligheid kan slechts plaatsvinden door of namens de politie of de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paartjes broedende knobbelzwanen en de erbij lopende (niet vliegende) jongen mogen niet worden gedood, tenzij de knobbelzwanen zich in de onmiddellijke nabijheid van wegen of fietspaden bevinden en er sprake is van een risico voor de openbare veiligheid, zulks ter beoordeling van de politie of de burgemeester van de desbetreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen aan de bestrijding van smienten Het doden van smienten ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen kan slechts plaatsvinden gedurende de periode van 1 oktober tot en met 31 maart op percelen met gras, ingezaaid gras, graszoden, graszaad, overige akkerbouwgewassen en vollegrondgroenten, maar niet op percelen die gelegen zijn in de volgende Natura 2000-gebieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Biesbosch;</p>\n<p class=\"lf-p\">Boezems Kinderdijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Broekvelden, Vettenbroek &amp; Polder Stein;</p>\n<p class=\"lf-p\">Donkse Laagten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grevelingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Haringvliet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hollands Diep;</p>\n<p class=\"lf-p\">Duinen Goeree &amp; Kwade Hoek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwkoopse Plassen &amp; De Haeck;</p>\n<p class=\"lf-p\">Oudeland van Strijen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Krammer-Volkerak;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wilck.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE V VRIJSTELLINGEN BEWEIDEN OF BEMESTEN [vervallen] BIJLAGE VI MAAIVELDCRITERIA Als bedoeld in artikel 4.2, negende lid Norm gerelateerd aan vorm landgebruik Norm Maaiveldcriterium (het gedeelte van het peilgebied dat buiten beschouwing kan blijven) Binnen bebouwde kom Bebouwd gebied 1/100 0% Glastuinbouw 1/50 1% Overig gebied 1/10 5% (10% voor De Stichtse Rijnlanden) Buiten bebouwde kom Hoofdinfrastructuur en spoorwegen 1/100 0% Glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw 1/50 1% Akkerbouw 1/25 1% Grasland (van toepassing gedurende 1 maart tot 1 oktober van elk jaar) 1/10 10% BIJLAGE VII HEFFINGSMAATSTAVEN EN TARIEVEN Als bedoeld in artikel 7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Leges voor omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten (Als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) Maatstaf van heffing zijn de stichtingskosten van de zaak waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning met bouwactiviteiten, betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stichtingskosten worden berekend volgens de STABU-besteksystematiek (Standaardbestek voor de Burger- en Utiliteitsbouw), tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zulks tot een onjuiste uitkomst leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omzetbelasting en de kosten van het verwerven van de grond maken geen deel uit van de stichtingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de tarieventabel geen of geen bijzonder tarief is vermeld, bedraagt het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning met bouwactiviteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie Bouwsom (van - tot) Tarief 1. € 0 - € 7.500 € 520,- 2. € 7.500 - € 15.000 € 785,- 3. € 15.000 - € 35.000 € 1.046 ,- 4. € 35.000 - € 70.000 € 2.091,- 5. € 70.000 - € 110. 000 € 3.137,- 6. € 110. 000 - € 150.000 € 4.182,- 7. € 150.000 - € 260.000 € 5.228,- 8. € 260.000 - € 515.000 € 10.455,- 9. € 515.000 - € 1.050.000 € 15.677,- 10. € 1.050.000 - € 2.750.000 € 26.132,- 11. € 2.750.000 - € 5.200.000 € 41.810,- 12. € 5.200.000 - € 10.400.000 € 83.620,- 13. € 10.400.000 - € 26.000.000 € 156.789,- 14. € 26.000.000 - € 52.000.000 € 313.579,- 15. &gt; € 52.000.000 € 522.638,- B. Leges voor Omgevingsvergunningen voor overige activiteiten Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten bedraagt € 100, -:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeren van een werk (artikel 2.1, lid 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandveilig gebruik bouwwerken (artikel 2.1, lid 1 onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting van een weg (artikel 2.2, lid 1, onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitwegen (artikel 2.2, lid 1, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Alarminstallatie aan een onroerende zaak (artikel 2.2, lid 1 onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Kappen van een boom/houtopstand (artikel 2.2, lid 1, onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame-uiting (artikel 2.2, lid 1, onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag roerende zaken (artikel 2.2, lid 1, onder j, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd monument of beschermd stads- of dorpsgezicht. (artikelen 2.1, lid 1, onder f, en 2.2, lid 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht);</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik gronden in strijd met het ruimtelijke kader (artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Leges voor aanvragen op grond van de Wet natuurbescherming Categorie Dienst Tarief 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in artikelen 3.3, 3.4, 3.8, 3.9, 3.17, 3.32, 3.34 Wet natuurbescherming, met uitzondering van artikel 3.3, lid 4, onder b, sub 5, en artikel 3.8, lid 5, onder b, sub 4, die gericht zijn op het toelaten van onderzoek € 1.800,- 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning van gedeputeerde staten als bedoeld in artikelen 2.7 en 2.8 Wet natuurbescherming € 1.800,- 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bestuurlijk oordeel van gedeputeerde staten of er wel of geen vergunning of ontheffing nodig is € 1.800,- 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toets van een plan, project of andere handeling aan de Wet natuurbescherming door gedeputeerde staten, niet zijnde een aanvraag om vergunning, ontheffing of bestuurlijk oordeel. € 1.800,- 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onder a en b, Wet natuurbescherming voor een tegemoetkoming in geleden schade aangericht door natuurlijk in het wild levende beschermde dieren € 300,- BIJLAGE VIII SITUATIES KRUIMELREGELING Als bedoeld in artikel 6.40, onder a Toepassing van de hierna genoemde onderdelen van artikel 4, hoofdstuk IV, Bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht: onderdeel 1, voor zover sprake is van ontwikkelingen ten behoeve van detailhandel en/of kantoren; op gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 6 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas'; op bedrijventerreinen, aangeduid op de de bedrijventerreinenkaart in de Omgevingsvisie, behorende bij de beleidsbeslissing ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen die de vitaliteit van het bedrijfsleven versterken’, of op gronden binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 9 Cultureel erfgoed'; onderdeel 9, voor zover sprake is van gebruikswijziging(en): ten behoeve van detailhandel of kantoren; op gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 6 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas'; op bedrijventerreinen, aangeduid op de de bedrijventerreinenkaart in de Omgevingsvisie, behorende bij de beleidsbeslissing ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen die de vitaliteit van het bedrijfsleven versterken’, of ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten in: kassen; bebouwing die in de Ruimtelijk-economische Strategie Westland ten behoeve van de herstructureringsopgave is aangeduid als categorie 1; onderdeel 10, ten aanzien van de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor de permanente bewoning van recreatiewoningen. onderdeel 11, tenzij sprake is van: het realiseren van tijdelijke nieuwe woningen binnen bestaand stads- en dorpsgebied; het realiseren van nieuwe tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten bij een agrarisch bedrijf gedurende een korte seizoenspiekperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE IX LIJSTEN BEHORENDE BIJ KAART 2 IN BIJLAGE II EN ARTIKELEN 5.1 en 5.2 VAN DE OMGEVINGSVERORDENING ZUID-HOLLAND Daar waar in deze tabel ingevolge art. 3.2 Waterwet “provincie” staat, wordt gelezen voor dezen, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland 1. Lijst A1 als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland Vw. nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarweg Belast met de uitvoering van het beheer A-1 Delftse Schie Provincie Rijn-Schiekanaal Provincie Haagse Trekvliet [vanaf Rijn-Schiekanaal tot toegang Binckhorsthaven] Provincie A-2 Rijn-Schiekanaal [vanaf Haagse Trekvliet tot Korte Vlietkanaal, inclusief Sluis LeZijlidschendam] Provincie A-3 Korte Vlietkanaal Provincie Rijn [vanaf Korte Vlietkanaal tot Additioneel kanaal] Provincie Additioneelkanaal Provincie Katwijkskanaal Provincie A-4 Rijn-Schiekanaal [Korte Vlietkanaal - Zijl, inclusief Leidse Trekvliet tot de Trekvlietbrug] Provincie Oude Rijn [vanaf Zijl tot Heimanswetering] Provincie A-5 Zijl Provincie Vaarroute door Kagerplassen [via s Gravenwater tot aan de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder] Provincie A-6 Oude Rijn [vanaf kruising Gouwe/Aarkanaal tot Heimanswetering] Provincie Heijmanswetering, Woudwetering en Paddegat Provincie Vaarroute door Braassemermeer Provincie Oude Wetering Provincie A-7 Aarkanaal Provincie A-8 Oude Rijn [vanaf kruising Gouwe/Aarkanaal tot grens provincie Utrecht] Provincie A-9 Gouwe en Gouwekanaal [inclusief Julianasluis, Voorhaven en de toegangsgeul vanuit Rijksvaarwater Hollandse IJssel] Provincie A-10 Merwedekanaal (voor zover gelegen in de provincie Zuid-Holland [inclusief de Grote Merwedesluis en Begraafplaatssluis en toegangsgeul vanuit Rijkvaarwater Merwede] Provincie Verbindingskanaal [tussen het Merwedekanaal en de Linge te Arkel (inclusief de Arkelse Damsluis)] Provincie A-11 Amstel (voor zover gelegen in provincie Zuid-Holland) Provincie Noord- Holland Lijst A2 als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland Vw-nr Vaarweg Belast met de uitvoering van het beheer A-12 Grecht (voor zover gelegen in provincie Zuid-Holland) [inclusief sluis Woerdense Verlaat] Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Grecht [vanaf sluis Woerdense Verlaat tot Kollenbrug] Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht A-13 Sluis Bodegraven Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden A-14 Linge (voor zover gelegen binnen de provincie) [tot Verbindingskanaal] Waterschap Rivierenland A-15 Kanaal van Steenenhoek [inclusief de Steenenhoekse Kanaalsluis en toegangsgeul vanuit Rijksvaarwater Merwede] Waterschap Rivierenland A-16 Sluis Middelkade te Alblasserdam Waterschap Rivierenland A-17 Rotte [vanaf de Viersprong tot ZevenhuizerVerlaat] Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard A-18 Hennipsloot [incl. Zevenhuizer Verlaat] Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard A-19 Ringvaart vanaf Hennipsloot en Hollandse IJssel [incl. Snelle Sluis te Moordrecht en de toegangsgeul vanuit Rijksvaarwater Hollandse IJssel]</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard A-20 Kromme Mijdrecht Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht A-21 Heinoomsvaart Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht A-22 Kollensloot Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht A-23 Drecht Hoogheemraadschap van Rijnland A-24 Does - Kromme Does - Wijde Aa Hoogheemraadschap van Rijnland A-25 Dwarswatering Hoogheemraadschap van Rijnland A-26 Oegstgeesterkanaal Hoogheemraadschap van Rijnland A-27 Haarlemmertrekvaart (voor zover gelegen in provincie Zuid-Holland) Hoogheemraadschap van Rijnland A-28 Leidse Vaart Hoogheemraadschap van Rijnland A-29 Ziende [inclusief Ziende sluis) Hoogheemraadschap van Rijnland A-30 Slikkendammersluis Hoogheemraadschap van Rijnland A-31 Dubbele Wiericke (voor zover gelegen in provincie Zuid-Holland) Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Lijst B als bedoeld in artikel 5.2 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland Vw-nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarweg Belast met de uitvoering van het beheer B-1 Delfshavense Schie en Coolhaven [inclusief Parksluizen en toegangsgeul vanuit Rijksvaarwater Nieuwe Maas] Gemeente Rotterdam B-2 Schiedamse Schie [inclusief de Buitensluis en toegangsgeul vanuit Rijksvaarwater Nieuwe Maas] Gemeente Schiedam B-3 Schie-Schiekanaal Gemeente Rotterdam B-4 Noorderkanaal [inclusief de Bergsluis] Gemeente Rotterdam B-5 Lingehaven [inclusief de Lingesluis en toegangsgeul vanuit Rijksvaarwater Merwede ] Gemeente Gorinchem B-6 Gekanaliseerde Linge [Aansluiting Verbindingskanaal – Lingehaven] Waterschap Rivierenland B-7 Voedingskanaal [inclusief de Voornse Sluis en toegangsgeul vanuit Rijksvaarwater Oude Maas] Waterschap Hollandse Delta B-8 Brielse Maas/Brielse Meer Waterschap Hollandse Delta B-9 Gekanaliseerde Hollandse IJssel (voor zover gelegen in provincie Zuid- Holland) [inclusief Waaiersluis] Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden B-10 Ziendevaart vanaf de Ziendesluis en vaarroute door Nieuwkoopse plassen tot Slikkendammersluis Gemeente Nieuwkoop B-11 Gorinchemse Kanaalsluis Waterschap Rivierenland Bijlage XGEGEVENS EN CRITERIA GROTE BUITENSTEDELIJKE BOUWLOCATIES Tabel 1 Woningbouwlocaties gemeente plaats naam locatie bruto opp in ha Overige aanwijzingen Holland Rijnland Alphen aan den Rijn Benthuizen Bentlanden II 7 Alphen aan den Rijn Boskoop Torenpad-West 6 Alphen aan den Rijn Hazerswoude-Rijndijk Westvaartpark 15 Kaag en Braassem Leimuiden Leimuiden-West 7 Kaag en Braassem Roelofarendsveen Braassemerland (Westend, Veilingvaart, Centrum, GEM en Waterrijck) 119 Katwijk Katwijk Locatie Valkenburg 318 Lisse Lisse Geestwater of Poelpolder 11 Nieuwkoop Langeraar Langeraar noordwest 10 Nieuwkoop Nieuwkoop Buytewech noord 17 Nieuwkoop Nieuwkoop Vrouwenakker 3 Nieuwkoop Nieuwveen De Verwondering of Hazeweg 21 Nieuwkoop Noorden Land van Koppen 6 Nieuwkoop Ter Aar Ter Aar noordoost 7 Noordwijk Noordwijk Bronsgeest 15 Noordwijk Noordwijk De Nes 6 Noordwijk Noordwijk Offem-Zuid 27 Noordwijk Noordwijk Sancta Maria 19 Noordwijk Noordwijkerhout Molenweg 3 Noordwijk Noordwijkerhout St. Bavo 14 Teylingen Voorhout Hooghkamer 35 Teylingen Voorhout Nieuw Boekhorst of Voorhout 56 Voorschoten (en Leidschendam-Voorburg) Voorschoten Duivenvoordecorridor 33 (bebouwing 5) Voorschoten Voorschoten Starrenburg III 5 Haaglanden Den Haag Den Haag Vroondaal Zuid 15 Den Haag Den Haag Westmadepark 26 Leidschendam-Voorburg (en Voorschoten) Voorburg Duivenvoordecorridor 33 (bebouwing 5) Pijnacker-Nootdorp Pijnacker De Scheg 11 Pijnacker-Nootdorp Pijnacker Tuindershof / Keijzershof 34 Westland De Lier Molensloot 27 Westland Kwintsheul De Driesprong 7 Westland Kwintsheul De Hak</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Westland Kwintsheul Holle Watering 16 Westland Monster De Duinen 15 Westland Monster Monster noord 5 Westland Monster Westmade 66 Westland Poeldijk Poeldijk Westhof 21 Westland 's-Gravenzande Gantel De Baak 5 Westland 's-Gravenzande Poelkade / Het Nieuwe Water 29 Westland 's-Gravenzande Waelpark/Waelpolder 30 Westland Wateringen Erasmuszone / Wippolder 23 Regio Rotterdam Brielle Brielle Oude Goote 30 Barendrecht Barendrecht Zuidpolder 4 Hellevoetsluis Hellevoetsluis Boomgaard / Noordwest 56 Lansingerland Bergschenhoek Driehoek Oosteindseweg-Emmastraat 24 Lansingerland Bergschenhoek Hoeksekade noord I 4 Lansingerland Bergschenhoek Hoeksekade noord II 9 Lansingerland Berkel Driehoek Berkel noord 5 Lansingerland Berkel Westpolder / Bolwerk 53 Lansingerland Bleiswijk De Hoefslag / Korenmolenhoek 10 Lansingerland Bleiswijk Schil om Bleiswijk / Merenweg 28 Maassluis Maassluis Dijkpolder / Wilgenrijk 91 Nissewaard Zuidland Kreken van Nibbeland 16 Nissewaard Oudenhoorn De Akkerranden 6 Ridderkerk Rijsoord Geerlaan 9 Ridderkerk Rijsoord Waalbos 4 Rotterdam Hoek van Holland Buitengebied noord en oost II 47 Schiedam Schiedam Spaanse Polder – ‘s-Gravenland 3 Westvoorne Rockanje De Drenkeling 22 Drechtsteden Dordrecht Dordrecht Smitsweg 33 Hardinxveld-Giessendam Giessendam De Blauwe Zoom 10 Hardinxveld-Giessendam Giessendam ‘t Oog 15 Midden-Holland Bodegraven-Reeuwijk Bodegraven Weideveld 2 6 Bodegraven-Reeuwijk Driebruggen Groendijck-Oost 3 Bodegraven-Reeuwijk Nieuwerbrug De Wijde Wiericke 3 Bodegraven-Reeuwijk Reeuwijk De Steupel 4 Bodegraven-Reeuwijk Reeuwijk-Brug Breevaart, Oude Tol fase III 3 Bodegraven-Reeuwijk Reeuwijk-Dorp Reesvelt 4 Gouda Gouda Westergouwe 144 Krimpenerwaard Gouderak Gouderak Oost 9 Waddinxveen Waddinxveen De Triangel 100 Waddinxveen Waddinxveen Glasparel+ 7 Waddinxveen Waddinxveen 't Suyt / Plan Nooitgedacht 11 Zuidplas Moerkapelle Moerkapelle noord 28 Zuidplas Moerkapelle Moerkapelle zuid 14 Zuidplas Moordrecht De Brinckhorst / Moordrecht west 14 Zuidplas Nieuwerkerk Esse Zoom / Groene Zoom 30 Zuidplas Vijfde Dorp Vijfde Dorp 325 Zuidplas Zevenhuizen Zevenhuizen zuid 56 Zuidplas Zuidplas Swanladriehoek 7 Alblasserwaard-Vijfheerenlanden Gorinchem Gorinchem Hoog Dalem 29 Molenlanden Giessenburg Achter de Wetering 3 Molenlanden Giessen-Oudekerk Bilderhof 4 Molenlanden Giessen-Oudekerk Giessenburg 5 Molenlanden Groot-Ammers De Boomgaard 4 Molenlanden Langerak Woonleefhart 12 Molenlanden Nieuw-Lekkerland Nieuw-Lekkerland Oost 8 Molenlanden Streefkerk Kooikerspad 4 Hoeksche Waard Hoeksche Waard Heinenoord Tienvoet 9 Hoeksche Waard 's-Gravendeel 's-Gravendeel west 18 Hoeksche Waard Klaaswaal De Bonger III 7 Hoeksche Waard Numansdorp Torensteepolder fase 1a 20 Hoeksche Waard Numansdorp Torensteepolder fase 1b en 1c</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Hoeksche Waard Goudswaard Locatie Westdijk 6 Hoeksche Waard Oud-Beijerland Stougjesdijk oost 89 Hoeksche Waard Strijen Kleine Loo fase 1-5 6 Hoeksche Waard Strijen Sportlaan 3 Goeree-Overflakkee Goeree-Overflakkee - De Nieuwe Marke - Goeree-Overflakkee Goedereede Onbekend 9 Goeree-Overflakkee Nieuwe Tonge Nieuwe Tonge 9 Goerree-Overflakkee Ouddorp Ouddorp Bad 6 Goeree-Overflakkee Middelharnis uitbreiding Westplaat/ 2e haven 11 Goeree-Overflakkee Den Bommel Schaapsweg 5 Goeree-Overflakkee Stellendam Langeweg 5 Goeree-Overflakkee Dirksland Kleine Boezem 4 Goeree-Overflakkee Stad aan 't Haringvliet Onbekend 6 Bruto opp in ha: Oppervlakte van het als woningbouwlocatie aangeduide gebied in een bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, inclusief de daarbij behorende voorzieningen, infrastructuur, groen en water. De aanduiding kan deels ook bestaand stads- en dorpsgebied betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 2 Bedrijventerreinen zachte capaciteit gemeente plaats naam terrein uitgeefbaar opp in ha Overige aanwijzingen Holland Rijnland Alphen aan den Rijn Alphen aan den Rijn Steekterpoort II 15 Alphen aan den Rijn Groenendijk Groenendijk oost 9 Alphen aan den Rijn Hazerswoude-Rijndijk Prinsenschouw 10 Alphen aan den Rijn Koudekerk aan den Rijn Uitbreiding Hoogewaard 4 Kaag en Braassem Leimuiden Drechthoek II 8 Kaag en Braassem Roelofarendsveen Veenderveld 2 29 Katwijk Valkenburg Werkpark 15 Noordwijk Noordwijkerhout ‘s-Gravendam oost 15 Zoeterwoude Zoeterwoude Groenendijk west 7 Teylingen Warmond Greenib 4 Haaglanden Midden-Delfland Den Hoorn Hooipolder-Kerkpolder 12 Westland Kwintsheul Bovendijk 5 Westland Poeldijk ABC Westland, uitbreiding 12 Regio Rotterdam Brielle Vierpolders Seggelant 3 20 Hellevoetsluis Hellevoetsluis Kickersbloem 3 (4e kwadrant) 17 Nissewaard Geervliet Geervliet oost (Bernissester) 40 Rotterdam Hoek van Holland Haak-Kulkweg (waterweg noord) 30 Rotterdam Rotterdam Science en Business Park 80 Midden-Holland Bodegraven-Reeuwijk Reeuwijk-Brug Zoutman west 9 Krimpenerwaard Bergambacht De Nieuwe Wetering IV 4 Krimpenerwaard Stolwijk Zuidelijke Entree 3 Waddinxveen Waddinxveen Milieupark A12 noord 30 Zuidplas Vijfde Dorp Doelwijk II 28 Zuidplas Vijfde Dorp Gouwepark II 19 Zuidplas Zevenhuizen Knibbelweg oost 23 Alblasserwaard-Vijfheerenlanden Hoeksche Waard Hoeksche Waard Strijen Verlengde Edisonlaan 4 Goeree-Overflakkee Tabel 3 Bedrijventerreinen harde capaciteit gemeente plaats naam terrein uitgeefbaar opp in ha Overige aanwijzingen Holland Rijnland Nieuwkoop Nieuwveen Schoterhoek II 7 Noordwijk Noordwijk ’s-Gravendijck 3-5 Katwijk Rijnsburg Klei-Oost-Zuid 15 Katwijk Rijnsburg Vinkenwegzone 4-6 Haaglanden Westland Maasdijk Honderland fase 2 35 Westland Naaldwijk Trade Park Westland Mars 11 Regio Rotterdam Hellevoetsluis Hellevoetsluis Kickersbloem 3 54 Lansingerland Bergschenhoek Leeuwenhoekweg 5 Lansingerland Berkel Oudeland 53 Lansingerland Bleiswijk Bedrijventerrein Bleizo / Hoefweg zuid 35 Ridderkerk Ridderkerk Nieuw Reijerwaard 95 Brielle Brielle Seggelant 2 5 Vlaardingen Vlaardingen De Vergulde Hand west 15 Drechtsteden Dordrecht Dordrecht Dordtse Kil IV 65 Hardinxveld-Giessendam Hardinxveld ‘t Oog 4 Hardinxveld-Giessendam Hardinxveld ‘t Oog 6 Hendrik Ido Ambacht Hendrik Ido Ambacht Ambachtse Zoom 15 Sliedrecht Sliedrecht De Driehoek 7 Midden-Holland Waddinxveen Waddinxveen Logistiek Park A12 (2e fase) 6 Waddinxveen Waddinxveen Triangel 4 Zuidplas Nieuwerkerk aan den IJssel Hooge Veenen III, fase 2 3 Zuidplas Zevenhuizen Plantagekwadrant (Het Nieuwe Midden) 20 Alblasserwaard-Vijfheerenlanden Molenlanden Schelluinen Schelluinen west 12 Gorinchem Gorinchem</p>\n<p class=\"lf-p\">Groote Haar (Gorinchem noord) 37 Hoeksche Waard Hoeksche Waard Oud-Beijerland De Hoogerwerf Oost 8 Goeree-Overflakkee Goeree-Overflakkee Nieuwe Tonge De Tram uitbreiding 5 Goeree-Overflakkee Oude-Tonge Bedrijvenpark Oostflakkee 20 Tabel 4 Andere stedelijke ontwikkelingen gemeente plaats naam terrein uitgeefbaar opp in ha Overige aanwijzingen Drechtsteden Sliedrecht Sliedrecht Recreatief Knooppunt Sliedrecht 20 Goeree-Overflakkee Goeree-Overflakkee Den Bommel Voorzieningen Schaapsweg 5 Haaglanden Westland Honselersdijk Horti Campus 20 Holland Rijnland Kaag en Braassem Leimuiden Recreatievoorzieningen Kerklaan 5 Leiden Leiden Volkstuinen Oostvlietpolder 3 Uitbreiding van bestaande volkstuinen Oostvlietpolder Regio Rotterdam Albrandswaard Rhoon Poort van Buijtenland 6 Albrandswaard Rhoon Sportvelden Rand van Rhoon 10 Lansingerland Bleiswijk Bleizo ontwikkeling stationsgebied 10 Nissewaard Heenvliet / Geervliet Sportvelden Bernisse Noord 7 Westvoorne Rockanje Sportpark Nieuwe Achterweg 7 Regio Midden-Holland Zuidplas Moordrecht Sportvelden Moordrecht 4 Zuidplas Zevenhuizen Swanladriehoek 7 BIJLAGE XIVERBLIJFSRECREATIEPARKEN Als bedoeld in artikel 6.10e Park Giessenburg, gemeente Molenlanden Park Bilderhof, gemeente Molenlanden TOELICHTING bij de OMGEVINGSVERORDENING ZUID-HOLLAND ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding De provincie Zuid-Holland wil een overheid zijn die anticipeert op veranderingen in maatschappij, economie en bestuur, en vanuit haar toegevoegde waarde bijdraagt aan maatschappelijke opgaven. De ontwikkeling die de provincie Zuid-Holland hierin doormaakt, sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet die de maatschappelijke opgave centraal stelt, en niet langer de sectorale beleidsvelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingswet treedt in 2021 in werking. De provincie Zuid-Holland kiest ervoor om in aanloop naar de komst van de Omgevingswet twee belangrijke kerninstrumenten van deze wet – de omgevingsvisie en de omgevingsverordening – op basis van huidig recht vast te stellen. Met deze integratie wordt een belangrijke stap gezet in de implementatie van het organiseren van de provinciale rol rond maatschappelijke opgaven in de fysieke leefomgeving. Uitgangspunt is dat de integratie beleidsneutraal gebeurt, dus zonder een verandering in (rechts-)gevolgen. Separaat wordt een aantal beleidsrijke onderdelen ter besluitvorming voorgelegd, die nadien als wijziging in deze verordening worden geïntegreerd. Deze onderdelen zijn in de verordening gereserveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvisie en de omgevingsverordening zijn instrumenten die onderling sterk met elkaar samenhangen. In de systematiek van de Omgevingswet is de inhoud van de omgevingsvisie voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. Vandaar dat de inhoud van beide kerninstrumenten gelijktijdig wordt vastgesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Doel en strekking 2.1 Anticiperen op de Omgevingswet Deze verordening integreert achttien verordeningen met het oog op het vereenvoudigen en harmoniseren van de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat deze omgevingsverordening zeventien verordeningen geheel, en de Provinciale milieuverordening gedeeltelijk, zal vervangen. De verordeningen die volledig worden ingetrokken zijn de:</div>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019;</p>\n<p class=\"lf-p\">Luchthavenverordening Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgrondingenverordening Zuid-Holland 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening advisering planschade Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Zuid-Holland 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening Provinciaal Planologische Commissie Zuid-Holland 2009;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening ruimte 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Rijnland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening waterschap Rivierenland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterverordening Zuid-Holland; en de Wegenverordening Zuid-Holland 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door deze integratie loopt de provincie Zuid-Holland vooruit op de invoering van de omgevingsverordening als een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet, voor zover dat reeds op basis van de bestaande wetgeving mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Beleidsneutrale integratie Beoogd is een beleidsneutrale integratie van de provinciale regelgeving op de terreinen van de ruimtelijke ordening, het milieu, luchthavens, het beheer en gebruik van wegen en vaarwegen, het waterbeheer, de ontgrondingen, de kwaliteit op dit terrein van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving en de regels over leges, schadevergoeding en andere financiële aspecten in het fysieke domein. Het beleidsneutrale karakter betekent dat bestaande regelgeving op deze domeinen zonder aanpassing van de normstelling en met een gelijkwaardig beschermingsniveau is overgezet in deze integrale omgevingsverordening. Vanzelfsprekend zijn daarbij wel aanpassingen doorgevoerd in de terminologie en de instrumentkeuze, waar dat was aangewezen om de gewenste stap te maken naar een uniforme omgevingsverordening die vooruitloopt op het nieuwe kader van de Omgevingswet. Waar mogelijk wordt in deze toelichting ook voor de verschillende onderwerpen aangegeven wat de Omgevingswet gaat betekenen.</p></div>", "next": 238609}