{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">4bAftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van: de FPU-uitkering; de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11; de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11; de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">5Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">6Pensioenopbouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">7Lokaal beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">7:1:1Faciliteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als het dienstbelang het wenselijk maakt dat een ambtenaar op een later moment deelneemt aan de FPU Gemeenten dan de ambtenaar zélf als wens heeft geuit, kan de ambtenaar in aanmerking komen voor: extra verlof; een ruimere toekenning van studiefaciliteiten dan op grond van hoofdstuk 17 C.A.R. en A.R.L. mogelijk is; een financiële tegemoetkoming; een aanpassing van de betrekking; een stimulans anderszins.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als het dienstbelang het wenselijk maakt dat een ambtenaar op een vroeger moment deelneemt aan de FPU Gemeenten dan de ambtenaar zélf als wens heeft geuit, kan de ambtenaar in aanmerking komen voor een financiële bijdrage of een stimulans anderszins.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">7:1:2Informeren ondernemingsraad / georganiseerd overleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ondernemingsraad / het georganiseerd overleg wordt geïnformeerd over de toepassing van deze regeling en de invulling van het lokaal beschikbare budget voor deze regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">7:1:3Onvoorziene gevallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen waarin deze verordening niet of niet naar billijkheid voorziet, treffen burgemeester en wethouders een bijzondere voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">8Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5a</span><span class=\"lf-art-t\">9Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vakantie wordt verleend door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Duur vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar. Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervaltermijn wettelijk verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege dienstbelang niet mogelijk is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2b</span><span class=\"lf-art-t\">Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na het einde van dat kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Basisverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van het vakantieverlof is afhankelijk van de hoogte van het salaris volgens de hierna te noemen tabel, waarin onder schaal, onderscheidenlijk maximumsalaris worden verstaan: de salarisschaal van bijlagen II en IIa van de CAR onderscheidenlijk het maximumsalaris als bedoeld in artikel 3:1:1:31, onder f. bij een salaris is de duur van het vakantieverlof bepaald op Lager dan het maximumsalaris van schaal 9 van de voor de ambtenaar geldende tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">158,4 uren Gelijk aan of hoger dan het maximumsalaris van schaal 9 van de voor de ambtenaar geldende tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">165,6 uren 2.Aan het verlof genoemd in het 1e lid wordt een dag of 7,2 uur toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de toepassing van deze regeling geldt als maatstaf de hoogte van het salaris dat de ambtenaar op 1 januari van het desbetreffende kalender jaar geniet, of, in geval van indiensttreding bij de gemeente in de loop van het kalenderjaar, het salaris op het tijdstip van indiensttreding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Verlof in dienst voor 1-1-1997</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor degenen die vóór 1 januari 1997 in dienst van de gemeente Landgraaf waren wordt de volgens artikel 6:2:1:1 vastgestelde duur van het vakantieverlof in het jaar waarin de in de volgende tabel genoemde leeftijd wordt bereikt verhoogd overeenkomstig het gestelde in die tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd Verhogingen 18 jaar 21,6 uren 19 jaar 14,4 uren 20 jaar 7,2 uren van 25 tot en met 29 jaar 7,2 uren van 30 tot en met 34 jaar 14,4 uren van 35 tot en met 39 jaar 21,6 uren van 40 tot en met 44 jaar 28,8 uren van 45 tot en met 49 jaar 36,0 uren 50 jaar en ouder 43,2 uren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Verlof in dienst na 1-1-1997</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor degenen die op of na 1 januari 1997 in dienst van de gemeente Landgraaf zijn getreden wordt de volgens artikel 6:2:1:1 vastgestelde duur van het vakantieverlof in het jaar waarin de in de volgende tabel genoemde leeftijd wordt bereikt verhoogd overeenkomstig het gestelde in die tabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd Verhogingen 17 jaar 21,6 uren 18 jaar 21,6 uren 19 jaar 14,4 uren 20 jaar 7,2 uren van 30 tot en met 39 jaar 7,2 uren van 40 tot en met 44 jaar 14,4 uren van 45 tot en met 49 jaar 21,6 uren van 50 tot en met 54 jaar 28,8 uren van 55 tot en met 59 jaar 36,0 uren 60 jaar en ouder 43,2 uren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verlof deeltijders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van het vakantieverlof, alsmede een eventuele vermeerdering daarvan op basis van de leeftijd, wordt, voor degene die in deelbetrekking werkzaam is, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Verlofopname in hele uren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Iedereen die in dienst van de gemeente Landgraaf werkzaam is kan - met inachtneming van de ter zake gelden voorschriften -zijn verlof opnemen in hele uren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Verlof en de seniorenmaatregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het gestelde in artikel 6:2:1, zesde lid, worden, met ingang van de dag dat de werktijd per week van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van zijn vakantie en zijn aanspraak op roostervrije tijd, bedoeld in artikel 6:2:1, derde lid, naar evenredigheid verminderd en blijft de vermeerdering van vakantie als bedoeld in artikel 6:2:1, derde lid, beperkt tot één dag, zijnde 7,2 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aaneengesloten periode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid 3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast: gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling ; gedurende afwezigheid wegens ziekte;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet genoten vakantie wegens dienstbelang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet verleende vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend: op verzoek van de ambtenaar; als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Derving voordelen uit betrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitbetaling vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.a. Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst; b. Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-0-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:0:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof – beleidsregel Waz Landgraaf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de gemeente Landgraaf is een beleidsregel vastgesteld, waarin de bestaande toelichtingen van de artikelen 6:4 lid 1, 6:4:1 en 6:4:3 nader wordt uitgewerkt. Deze regel is bedoeld als een praktisch hulpmiddel voor de toepassing van de wet arbeid en zorg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof - algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof deeltijders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Waar in artikel 6:4:1 over de mogelijkheid van toekenning van bijzonder verlof aan ambtenaren wordt gesproken, dient dit ten aanzien van hen die in deelbetrekking werkzaam zijn zo te worden uitgelegd, dat het in genoemd artikel vermelde bijzondere verlof - uitgedrukt in uren - wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller bestaat uit het gemiddelde ingevolge de aanstelling of arbeidsovereenkomst te werken aantal uren per week en de noemer uit het gemiddelde aantal uren per week bij een volledige dienstbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De uitkomst van de in lid 1 bedoelde berekening wordt tot op een (1) decimaal afgerond, zulks volgens de gebruikelijke afbreekregeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-1a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Langdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Vakbondsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrales van overheidspersoneel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).</div>\n<p class=\"lf-p\">Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste 50 uur per jaar voor een organisatie met minder dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor een organisatie met meer dan 400 medewerkers met dien verstande dat per vakcentrale per organisatie verlof wordt toegekend aan maximaal een arbeidsvoorwaardenadviseur. voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kortdurend zorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Non-activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overige redenen buitengewoon verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitengewoon verlof is geen vakantie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens: a schaal 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">90%; b schaal 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">85%; c schaal 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">80%; d schaal 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">70%; e schaal 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">60%; f schaal 6 en hoger:</p>\n<p class=\"lf-p\">50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Meerlingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Opbouw vakantie en vakantietoelage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Terugbetaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid: het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente; en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien: hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5a</span><span class=\"lf-art-t\">1Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:8</span><span class=\"lf-art-t\">Adoptie- en pleegzorgverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in artikel 7:3, niet op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:9</span><span class=\"lf-art-t\">Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraken tijdens onbetaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:11</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:12</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Stimuleringsregeling terugdringing ziekteverzuim: deelnemers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 6:13:1:2 t/m 6:13:1:6 wordt onder medewerkers verstaan: degene die een dienstverband heeft met de gemeente Landgraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Verlofbonus</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als de medewerker niet dan wel minimaal verzuimt wegens ziekte heeft hij recht op een verlofbonus. De omvang hiervan wordt bepaald door de feitelijke aanstellingsomvang. Voor een fulltimer bedraagt de bonus maximaal 7,2 uren per kwartaal. Bij een parttimer is dat naar rato van de aanstellingsomvang. Deze bonus wordt feitelijk toegekend in het daarop volgend dienstjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De medewerker die in de loop van een kalenderjaar is benoemd of wordt ontslagen heeft recht op zoveel maal 1/4 gedeelte van de bonus als er volle kwartalen zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13-1-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Norm voor opbouw verlofbonus</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van deze bonus wordt een norm vastgesteld. Deze is als volgt opgebouwd: De medewerker die gedurende enig kwartaal geen ziekteverlof heeft gevraagd ontvangt een verlofbonus van 7,2 uren. Heeft een medewerker meer dan 72 uren ziekteverlof genoten in het kalenderjaar dan vervallen alle rechten op enige bonus in dat jaar. Voor een parttimer geldt dit ziekteverlof naar rato van de aanstellingsomvang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13-1-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Wat telt niet mee als ziekteverzuimuren?</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de 72 ziekteverlofuren genoemd in artikel 6:13:1:3 telt niet mee:</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoten uren vrije tijd van het saldo aan vakantieverlof, klok-en of overwerkuren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een feestdag (artikel 4:2:1);</p>\n<p class=\"lf-p\">Een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen extra vrije dag (artikel 4:2:1:1);</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengewoon verlof ingevolge artikel 6:4 e.v..</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwezigheid ingevolge schorsing voor onderzoek en/of beraad (artikel 8:15:1 en 16:1:2);</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplicht opkomen voor herhalingsoefeningen militaire dienst (artikel 3:7:3);</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschaps- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het zwangerschaps- en bevallingsverlof blijft buiten beschouwing voor de bepaling van de norm opbouw verlofbonus ingevolge artikel 6:13:1:3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13-1-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13:1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderschapsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij ouderschapsverlof wordt naar evenredigheid van de omvang van dit verlof een korting toegepast op de verlofbonus.</p>\n<p class=\"lf-p\">6a De gemeentelijke levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">1Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">2Doel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">3Verzoek tot deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">4Voorwaarden deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">5Inleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">6Bronnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen: het salaris; de vakantietoelage; de eindejaarsuitkering; de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7; de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1; het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">7Levensloopbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">7aUitbetaling levensloopbijdrage 2008</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar 2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment van juli naar december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met december 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">8Beëindiging deelname levensloopregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden 2.Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast: bij overlijden van de ambtenaar; bij ontslag van de ambtenaar; op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">9Opname levenslooptegoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6; ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">10Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6a</span><span class=\"lf-art-t\">11Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd; werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; scholing in het kader van de reïntegratie: scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid; arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of; in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht; restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen; arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet; inactieve: de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente; postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was; geselecteerde zorgverzekeraar: Als geselecteerde zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar NV.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Arbo-dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Consulteren arts door ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Periodiek geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging 5.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij: zijn arbeid verricht; passende arbeid verricht; werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht; scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer:</p>\n<p class=\"lf-p\">95% 65 tot 80% 68,875% 55 tot 65% 57% 45 tot 55% 47,5% 35 tot 45% 38% De aanvullende uitkering eindigt: indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of; met ingang van de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling referte-tijdvak toelagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Periodieke salarisverhoging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht: gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid; zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen: of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte; in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a; of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt; of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat: indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt; indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:13:2</span><span class=\"lf-art-t\">Staken van doorbetaling van de bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard; zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend; weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden; zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten; weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b. weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Herplaatsing in passende arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen: door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De termijn van 24 maanden wordt verlengd: met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:17</span><span class=\"lf-art-t\">Terugkeer in betrekking na ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:18</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten uit of in verband met arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:18:1</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:19</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:20</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:21</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van de WIA</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:22</span><span class=\"lf-art-t\">Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:23</span><span class=\"lf-art-t\">WAJONG/WAZ</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing va dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:23:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:24</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgverzekering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven met IZA Zorgverzekeraar NV een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-24a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:24a</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming ziektekosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als een aanvullende Classic- of Perfectverzekering bij IZA Zorgverzekeraar NV heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in ziektekosten.`</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25a</span><span class=\"lf-art-t\">Meerdere dienstverbanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar is verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25b</span><span class=\"lf-art-t\">Inhouding ziektekostenpremies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de geselecteerde zorgverzekeraar worden door het college op de bezoldiging van de desbetreffende ambtenaar ingehouden en afgedragen aan de geselecteerde zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de geselecteerde zorgverzekeraar heeft meegedeeld hiertegen bezwaar te hebben, of tenzij de som van de af te dragen premies hoger is dan de netto bezoldiging van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:26</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27</span><span class=\"lf-art-t\">Garantie-uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De garantie-uitkering eindigt: met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt; bij ontslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsartikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsartikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005 , van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28a</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsartikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28b</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsartikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Ontslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag op verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag op verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens ouderdomspensioen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de ambtenaar die de volgens artikel 7.3, eerste lid van het pensioenreglement voor het recht op ouderdomspensioen vereiste leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij de bedoelde leeftijd bereikt eervol ontslag verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de 65-jarige leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens ouderdompensioen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de leeftijd van 65 jaar in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens reorganisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens reorganisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan: arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering; arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd: met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien: er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden; het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert: gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9; arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA; een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:6</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:7</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van: verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de betrekking geldt; aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de betrekking zou uitsluiten; staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf; het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:8</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:9</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:10</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens Pré-vut</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de ambtenaar op zijn verzoek eervol ontslag verleend, indien hij op de datum van zijn ontslag recht heeft op een uitkering ingevolge het bepaalde in artikel 5:2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag wegens pré-vut wordt slechts verleend, indien het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op een desbetreffend verzoek heeft beslist, dat na het te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:10:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens Pré-vut</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10, tweede lid, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in artikel 8:1:1, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bepaalde in artikel 8:10, eerste lid, geldt niet ten aanzien van de ambtenaar op wie artikel 9:1:2 van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:11</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FPU</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-11-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:11:1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag wegens FPU</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:12</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:12:1</span><span class=\"lf-art-t\">Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:12:2</span><span class=\"lf-art-t\">Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen: van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd; van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd; van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:13</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag als disciplinaire straf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:14</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit artikel wordt verstaan onder: wet: Wet op de ondernemingsraden; ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet; ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet; wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet; van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad; van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:15:1</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsing als ordemaatregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst: wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan; wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd; wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld; in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval: een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat; een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven; een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:15:2</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsing als ordemaatregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:15:3</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot ontslagverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:16:1</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:16:2</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de vakantietoelage. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per maand. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:16:3</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het college dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning behouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:16a</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd, met een minimum van één jaarbezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:17</span><span class=\"lf-art-t\">Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:18</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a , is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:19</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:20</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:1</span><span class=\"lf-art-t\">Betrokkene</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene': de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking: waarin hij vast was aangesteld; waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard; de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:2</span><span class=\"lf-art-t\">Lichamen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:3</span><span class=\"lf-art-t\">Diensttijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing: diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling; tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement; tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:4</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstbetrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:5</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:6</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op wachtgeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene : ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</p></div>", "next": 239673}