{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">71[Toelichting: In artikel 3.67 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen. Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART' is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden. De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt. De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen. ] In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen: a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht; b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten; c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen; d. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd; e. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2011 ligt;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.78</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.79</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren [de artikelen 3.80 en 3.81 zijn vervallen] Subparagraaf 3.3. Bio-energie [de artikelen 3.82 en 3.83 zijn vervallen] Subparagraaf 3.4. Roetfilter in voertuig [de artikelen 3.84. t/m 3.87 zijn vervallen] Subparagraaf 3.5. Investeren in duurzaam Overijssel [de artikelen 3.88. t/m 3.91 zijn vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.6. Duurzame energie en energiebesparing Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">72[Toelichting: De provincie Overijssel geeft een extra impuls aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen door de versnelling van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. De provincie Overijssel beoogt samen met een groot aantal partners uit bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden een structurele samenwerking aan te gaan in het kader van het Energiepact Overijssel. Doel van dit energiepact is een duurzame energiehuishouding en een reductie van schadelijke uitstoot te bereiken. Deze regeling voorziet in het verstrekken van subsidie ter stimulering, ondersteuning en versnelling van projecten ten behoeve van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nevendoelen zijn het stimuleren van het delen van kennis en het vergroten van het bewustzijn van de noodzaak van een duurzame energiehuishouding. De regeling richt zich expliciet op opschaling/schaalvergroting van projecten door samenwerking tussen verschillende partijen in de keten te bevorderen en daarmee een versnelling te bewerkstellingen van de gewenste resultaten. Vanuit deze ketenbenadering willen wij met name initiatiefnemers ondersteunen die samenwerken in de keten: 1verkenning (haalbaarheid): zoals initiatiefnemers, onderzoeks- en kennisinstellingen, gemeenten en waterschappen; 2realisatie (ontwikkeling): zoals projectontwikkelaars, investeringsmaatschappijen, corporaties, branchevertegenwoordigingen, energiebedrijven, enz.; 3uitvoering: zoals installatiebedrijven, bouwbedrijven en (maak)industrie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van deze studies dienen beschikbaar te zijn voor een ieder die geïnteresseerd is in de resultaten en opgedane kennis. Aanvragers kunnen in bijzondere gevallen een voorbehoud maken ten aanzien van gegevens die haar in haar commerciële of andere belangen kunnen schaden. De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het jaarlijks vast te stellen subsidieplafond dat toelaat. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.92</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">73[Toelichting: De protocollen monitoring broeikasgassen conform het Kyoto-protocol zijn te vinden op de website http://www.broeikasgasemissies.nl/. Het protocol monitoring energiebesparing is de vinden op de website http://www.ecn.nl/. Het protocol Monitoring Duurzame Energie is te vinden op de website http://www.senternovem.nl/. ] In deze regeling wordt verstaan onder: a. project: activiteit of samenhang van activiteiten gericht op het uitvoeren van haalbaarheidsstudies en het geven van voorlichting en educatie met het oog op de totstandkoming van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten en energiesystemen; b. energiebesparende voorzieningen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing; c. duurzame energieopwekkingsvoorzieningen: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Duurzame Energie; d. CO2-emissiereductie: het terugdringen van de uitstoot van koolstofdioxide, die het gevolg is van de verbranding van fossiele brandstoffen (zoals aardgas, aardolie en steenkool), zoals gedefinieerd in de protocollen monitoring broeikasgassen conform het Kyoto-protocol.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.93</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">74[Toelichting: De bio-energieregeling van de provincie Overijssel is per eind 2007 beëindigd. Op grond van deze regeling kan ook de komende jaren subsidie worden aangevraagd voor bio-energieprojecten. De toepassingsgebieden kunnen als volgt worden omschreven: 1haalbaarheidsstudies (toepassingsgebied A) Uitvoeren van haalbaarheidsstudies naar de opwekking en toepassing van duurzame energievoorzieningen, energiebesparingsmaatregelen en verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. Het kan hierbij gaan om haalbaarheidsstudies op economisch, sociologisch en technisch gebied of een combinatie hiervan; 1investeringen (toepassingsgebied B) Onder dit toepassingsgebied vallen investeringen in zowel innovatieve als bewezen technieken of voorbereidende activiteiten daarvoor (zoals engineeringstudies); 1voorlichting en educatie (toepassingsgebied C) Het ontwikkelen en uitvoeren van projecten en programma's gericht op de bewustwording en gedragsverandering bij particulieren en bedrijven met betrekking tot energiebesparingsmaatregelen en CO2-emissiereductie en de ontwikkeling van de hiervoor benodigde activiteiten en instrumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgesloten van subsidiëring zijn: 1energieprojecten in de sector woning- en utiliteitsbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen. Dit stimuleert de aanvragers om met projecten van een substantiële omvang te komen. 2Energieprojecten in woningbouw of utiliteitsbouw die niet ambitieus genoeg zijn (vereist is een label A of B bij bestaande woning/utiliteitsbouw dan wel een EPC 25% lager dan wettelijk voorgeschreven bij nieuwe woning/utiliteitsbouw); 3energieprojecten in woonwijken met een te realiseren EPL kleiner dan 8.0. Dit stimuleert de aanvragers om met substantiële projecten te komen; 4energiebesparing in huishoudens. Om te bereiken, dat het energieverbruik van huishoudens minder CO2-uitstoot veroorzaakt, worden met instemming van de aandeelhouders, uit de middelen van Essent (het Essent Bespaarplan) subsidies verstrekt voor investeringen in energiebesparende maatregelen en de toepassing van duurzame energietechnieken in huishoudens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik en toepassing van biomassa en biobrandstoffen staat ter discussie, omdat het ten koste kan gaan van de biodiversiteit (kappen van regenwouden) en sprake kan zijn van verdringing van voedselgewassen door biobrandstofgewassen, met hogere voedselprijzen tot gevolg. De provincie Overijssel wil voorkomen dat zij met deze regeling zou bijdragen aan genoemde problemen. De Europese Commissie bereidt een Europese richtlijn voor de duurzaamheid van biobrandstoffen voor. Voor de beoordeling van de duurzaamheid van biomassa heeft de Europese Commissie drie criteria vastgesteld: 1. de CO2-balans van de biomassa moet positief zijn, dus er moet ten opzichte van het gebruik van fossiele brandstoffen een netto CO2-emissiereductie resulteren uit de hele keten van productie, oogst, transport, bewerking en verwerking van de biomassa; 2. het gebruik van de biomassa mag de biodiversiteit niet doen afnemen (bijvoorbeeld door de kap van tropische regenwouden); 3. het gebruik van de biomassa mag er niet toe leiden dat in de bodem aanwezige koolstofvoorraden vrijkomen (bijvoorbeeld als gevolg van oxidatie van veen bij grondwaterpeilverlaging voor biomassateelt).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nederlandse regering wil daarnaast nog vier andere criteria hanteren: 4. geen verdringing van de teelt van voedselgewassen (tevens verbod op concurrentie met andere hoogwaardige toepassingen, zoals gebruik als constructiemateriaal); 5. het gebruik van de biomassa mag niet tot verontreiniging van het milieu leiden, bijvoorbeeld als gevolg van het gebruik van pesticiden of kunstmest; 6. het gebruik van de biomassa moet bijdragen aan de lokale economie op de plaats van herkomst; 7. het gebruik van de biomassa mag geen afbreuk doen aan het welzijn van de lokale bevolking. De regering is daarnaast van mening, dat niet alleen de CO2-balans, maar de totale broeikasgasbalans positief moet zijn, voor minimaal 50% (inclusief emissies van lachgas en methaangas, uitgedrukt in CO2-equivalent).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de beoordeling van de duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen volgt de provincie Overijssel het landelijke beleid. Voor brandstofproductie en energieopwekking uit biomassa geeft de provincie Overijssel de voorkeur aan het gebruik van organisch afval en natuurlijke reststromen. Biomassaprojecten die niet leiden tot voedselverdringing of aantasting van natuurgebieden worden door de provincie gestimuleerd. In afwachting van definitieve duurzaamheidscriteria zullen wij toetsen aan de meest recente inzichten. Subsidiabele kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voor zover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. De resultaten en effecten van de activiteiten dienen direct bruikbaar te zijn voor natuurlijke personen en rechtspersonen binnen de provincie Overijssel. Projecten dienen in hoofdzaak (&gt; 50% van de ingezette middelen) binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden. Hiermee is provinciegrensoverschrijdende samenwerking mogelijk gemaakt. Onder het starten van projecten wordt ook verstaan het maken van kosten of het aangaan van verplichtingen (opdrachtverstrekking) in het kader van de uivoering van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doorlooptijd van de projecten in het toepassingsgebieden A en B is gesteld op maximaal 1 jaar aangezien het hier gaat om activiteiten die een relatief korte realisatietijd nodig hebben. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden. Een verzoek tot uitstel zal worden beoordeeld waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met voorzienbaarheid, en of de vertraging aan de aanvrager redelijkerwijs te verwijten is, dan wel voor zijn rekening dient te komen. Is een project, eventueel na verlening van de maximale uitsteltermijn van één jaar, niet afgesloten, dan wordt op basis van de op dat moment bekende declareerbare kosten een vaststelling gedaan. ] 1. Projecten moeten betrekking hebben op de volgende categorieën: bio-energie betreffende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>inzameling van biomassa;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>productie van biobrandstoffen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>productie van energie uit biomassa;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>distributie van biogas;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingen van bio-energie; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector industrie en bedrijven; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector woningbouw en utiliteitsbouw; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector land- en tuinbouw; energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector mobiliteit en transport (met uitzondering van puur plantaardige olie).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvragen dienen te passen binnen de toepassingsgebieden: Haalbaarheidsstudies (toepassingsgebied A), Investeringen (toepassingsgebied B) en Voorlichting en educatie (toepassingsgebied C).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Projecten mogen niet betreffen: wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; energieprojecten in de woningbouw die leiden tot verbetering van minder dan 50 woningen; energieprojecten in woonwijken met een te realiseren EPL kleiner dan 8.0; energiebesparing in huishoudens.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Projecten met betrekking tot energiebesparing en/of duurzame opwekking in de sector woningbouw en utiliteitsbouw (categorie III) worden beoordeeld op hun ambitieniveau. Nieuwe utiliteitsbouw en nieuwe woningbouw dienen een EPC na te streven die minimaal 25% lager is dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag. Bestaande utiliteitsbouw en woningbouw dienen een energieprestatie van label A of B na te streven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De projectactiviteiten dienen in hoofdzaak binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Uitsluitend projecten die starten na de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag komen voor subsidie in aanmerking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Voor de toepassingsgebieden A en C, dienen projecten uiterlijk 1 jaar na datum van subsidieverlening afgerond te zijn. Voor toepassingsgebied B dienen projecten uiterlijk 3 jaar na datum van subsidieverlening afgerond te zijn. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvrager, die hierom onder opgave van redenen verzoekt, uitstel van de hiervoor bedoelde termijnen verlenen van maximaal één jaar indien sprake is van omstandigheden die voor de subsidieaanvrager ten tijde van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening redelijkerwijs niet voorzienbaar waren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Bij projecten in de toepassingsgebieden A en C dient samengewerkt te worden, ook de subsidieaanvraag dient daarom ondersteund te worden door minimaal twee samenwerkende partijen. 75[Toelichting: Samenwerking tussen verschillende partijen bevordert opschaling/schaalvergroting van projecten en daarmee versnelling van de gewenste resultaten. Bij samenwerking wordt verschillende expertise benut. Hierdoor neemt de kosteneffectiviteit van de verstrekte subsidie toe. Wel moeten de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de partijen duidelijk zijn afgebakend. Samenwerking in de relatie opdrachtgever-opdrachtnemer/adviseur of opdrachtgever-leverancier wordt niet als samenwerking aangemerkt. Samenwerking kan blijken uit een ondertekende samenwerkingsovereenkomst of door gezamenlijke ondertekening van de subsidieaanvraag; in beide gevallen moet blijken wat de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de afzonderlijke partijen zijn. De aanvragende partij wordt ook aangemerkt als een van de twee samenwerkende partijen. ]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.94</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.95</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">76[Toelichting: Subsidiabele kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie. Voor toepassingsgebied B geldt daarbij dat de zekere opbrengsten van het project in mindering dienen te worden gebracht op de kosten van het project. Zekere opbrengsten wordt hier gedefinieerd als de vermeden kosten voor het gebruik van energie en/of fossiele brandstoffen. In het aanvraagformulieren worden kengetallen geleverd voor de berekening van de zekere opbrengsten. Ook worden kengetallen geleverd voor de berekening van de exploitatiekosten in de vorm van prijzen per eenheid biomassa. De aanvrager mag -indien onderbouwd- afwijken van deze kengetallen. Subsidiabele kosten voor toepassingsgebied B betreffen alleen die kosten die na vijf jaar niet worden gecompenseerd door de opbrengsten. Maatregelen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen worden in principe als ‘redelijk' beschouwd (zie ook de Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven door Infomil) en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij kan gedacht worden aan wamtepompen. Ook houtkachels komen hierdoor niet altijd in aanmerking voor subsidie. Voorts zijn de kosten van activiteiten niet subsidiabel voor zover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. ] 1. De subsidie per project bedraagt maximaal € 60.000,-- voor de in artikel 3.93, lid 2, bedoelde toepassingsgebieden A en C en bedraagt ten hoogste 50% van de totale toe te rekenen kosten. Voor toepassingsgebied B bedraagt de subsidie per project maximaal € 199.000,-- en bedraagt ten hoogste 50% van de netto-investering (= bruto investering minus zekere opbrengsten).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor alle projectcategoriëen geldt dat de subsidie op een hoger percentage kan worden vastgesteld indien de activiteit in buitengewone mate bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen met dien verstande dat de subsidie nimmer het maximale bedrag zoals genoemd in lid 1 zal overschrijden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Ten aanzien van projectaanvragen voor het toepassingsgebied B met een zeer grote CO2-reductie (meer dan 0,5 kton CO2/jaar) kunnen Gedeputeerde Staten bij uitzondering een grotere subsidie toekennen tot een maximum van € 499.000,--. 77[Toelichting: Artikel 3.95 lid 3 is toegevoegd omdat Europese regelgeving het voorlopig (tot eind 2010) mogelijk maakt om de-minimissteun toe te laten tot €500.000,-. Gedeputeerde Staten kunnen overwegen deze mogelijkheid te benutten voor projecten met een aanzienlijk grote bijdrage aan de CO2-reductie in het geval ze van mening zijn dat het een project betreft waar een extra stimulans nodig is. Hierbij wordt gedacht aan de realisatie van (mest)vergistingsinstallaties in Overijssel. De bijdrage aan de CO2-reductie betreft dan de bijdrage van alle broeikasgassen uitgedrukt in CO2-equivalenten, d.w.z. de vermeden CO2-emissie gerelateerd aan fossiele brandstoffen (referentie), en/of de vermeden methaanemissie, en/of lachgasemissie bij o.a. de mestopslag, uitgedrukt in CO2-equivalenten.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.96</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend vóór 1 maart of vóór 1 september van het betreffende kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.97</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende/andere stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">78[Toelichting: Voor indiening dient gebruik te worden gemaakt van een formulier dat bij de provincie verkrijgbaar is. Het desbetreffende formulier kan worden opgevraagd bij provincie Overijssel (team ZCS), Postbus 10078, 8000 GB Zwolle, onder vermelding van de naam van de regeling. Daarnaast kan het formulier worden gedownload van internet (www.provincie.overijssel.nl/e-loket). ] 1. De aanvrager maakt bij zijn aanvraag gebruik van een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier Duurzame Energie Overijssel 2008-2011.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens alle gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Duurzame Energie Overijssel 2008-2011.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.98</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">79[Toelichting: Het subsidieplafond voor het kalenderjaar 2009 bedraagt: - voor de tender van 1 maart 2009 € 1.500.000,-- waarvan voor toepassingsgebied A en C samen € 300.000,-- en voor toepassingsgebied B € 1.200.000,--. - voor de tender van 1 september 2009 € 500.000,-- waarvan voor toepassingsgebied A en C samen € 100.000,-- en voor toepassingsgebied B € 400.000,--. ] Gedeputeerde Staten stellen uiterlijk 1 december van het voorafgaande jaar het subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.99</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">80[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen bij de beoordeling van de projecten onder meer gebruik maken van externe advisering. De aanvragen zullen worden beoordeeld op basis van een aantal criteria zoals in dit artikel weergegeven. ] 1. In afwijking van artikel 1.4 van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Beoordelingscriteria bij het bepalen van deze prioriteitsvolgorde zijn:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingsgebied A: Haalbaarheidsstudies:81[Toelichting: Toepassingsgebied A De potentiele bijdrage van de haalbaarheidsstudie heeft betrekking op de verwachte meerwaarde van de te onderzoeken oplossing ten opzichte van de huidige situatie of gangbare oplossing, maar ook de mate waarin het project ruimte biedt voor toepassing en navolging van de resultaten door andere partijen. Bij het criterium innovatie gaat het om in Nederland nieuwe of vernieuwende haalbaarheidsstudies naar energiebesparingsmaatregelen, opwekking en toepassing van duurzame energievoorzieningen en verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen. Met dit criterium wordt beoogd om een prikkel te bieden voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën voor projecten. Bij realiseerbaarheid of haalbaarheid van het beoogde resultaat valt te denken aan de mate waarin praktisch gevolg kan worden gegeven aan het uitgevoerde onderzoek. Dit zou bijvoorbeeld een programma van eisen kunnen zijn voor een aanbestedingstraject. Dit uit zich ook in helderheid van de doelstellingen en de gekozen aanpak van het projectvoorstel, aan de kwaliteit van de aanvrager(s) en aan de kwaliteit van de organisatie, die zich uit in beschikbare kennis, middelen en expertise. Tot slot wordt veel waarde gehecht aan kennisoverdracht zowel tijdens als na het project. De activiteiten hiervoor dienen duidelijk omschreven te worden in de aanvraag. ] o de mate waarin het resultaat van de haalbaarheidsstudie een potentiële bijdrage kan leveren aan de versnelling van energiebesparingsmaatregelen en/of de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen; o de mate waarin een project bijdraagt aan innovatie ten opzichte van de huidige stand van de techniek in Nederland; o de realiseerbaarheid van het beoogde resultaat; o de mate waarin de opgedane kennis verder wordt verspreid en gedeeld met geïnteresseerden; o de mate waarin de kennisoverdracht wordt verankerd, na afloop van het project; o mate waarin en de wijze waarop wordt samengewerkt door partijen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingsgebied B: Investeringen: 82[Toelichting: Toepassingsgebied B De subsidieaanvragen worden gerangschikt onder meer op basis van de verwachte bijdrage aan de CO2-reductie per te subsidiëren euro. De bijdrage aan de doelen wordt beoordeeld op de bijdrage aan de vermindering van CO2 (kt) emissiereductie en vermeden GJ/MW fossiele brandstoffen ten opzichte van een opgave over de in het voorgaande jaar opgewekte en/of verbruikte energie op basis van fossiele brandstoffen, herhaalpotentieel voor het project en de kans dat dit wordt benut. Bij economisch risico kan worden gedacht aan de robuustheid van het perspectief van een technologie ten opzichte van de te verwachten kostprijsontwikkeling; de mate waarin het project leidt tot kostenbesparings ten opzichte van referentie technologie en de mate waarin marktverwachtingen realistisch zijn. Daarnaast worden subsidieaanvragen voor toepassingsgebied B beoordeeld op basis van de verwachte bijdrage aan de CO2-reductie (over 15 jaar) per te subsidiëren euro. ]83[Toelichting: Bij slaagkans valt te denken aan de helderheid van de doelstellingen en de gekozen aanpak van het projectvoorstel, aan de kwaliteit van de aanvrager(s) en aan de kwaliteit van de organisatie, die zich uit in beschikbare kennis, middelen en expertise. Bij praktische navolging gaat het om het inzicht in de ontwikkeling van de technologie nadat het project is afgerond waarbij ook niet-technologische aspecten een belangrijke rol spelen.] o de mate waarin de investering een potentiële bijdrage levert aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in vermeden CO2-uitstoot) door de versnelling van energiebesparingsmaatregelen, de opwekking van energie uit duurzame bronnen alsmede de toepassing daarvan en het verhogen van energie-efficiëntie van bestaande conversieapparaten of energiesystemen in met name de technologische en economische aspecten daarvan; o de mate waarin de subsidie bijdraagt aan het realiseren van deze potentiële bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (uitgedrukt in vermeden CO2-uitstoot per euro subsidie); o de mate van slaagkans en praktische navolging van het project;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>toepassingsgebied C: Voorlichting en educatie: 84[Toelichting: Toepassingsgebied C Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken in hoeverre de in de aanvraag gedefinieerde doelgroep wordt bereikt. In de beoordeling zal daarbij worden meegenomen in hoeverre het project meer mensen bereikt en beter aantoonbaar is dat er veel mensen worden bereikt. Daarnaast wordt ook beoordeeld in hoeverre de activiteit(en) tot de beoogde effecten leidt. ]o de mate waarin de kennisoverdragende partij geschikt is voor haar taak; o de mate waarin aannemelijk is dat met het project een zo groot mogelijk deel van de doelgroep wordt bereikt; o de mate waarin de opgedane kennis verder wordt verspreid en gedeeld met geïnteresseerden; o de mate waarin de kennisoverdracht wordt verankerd, na afloop van het project; o mate waarin en de wijze waarop wordt samengewerkt door partijen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Over de ingekomen subsidieaanvragen wordt een advies uitgebracht aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.100</span><span class=\"lf-art-t\">Kleine haalbaarheidsstudies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">85[Toelichting: Om kleinere haalbaarheidsstudies niet onnodig op de volgende sluitingsdatum van de tender te laten wachten is het mogelijk om voor subsidies tot € 5000,- het gehele jaar door aanvragen in te dienen. Hiervoor wordt in het subsidieplafond een apart tussenschot ingebouwd en deze aanvragen worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld op de criteria. Indien de projecten voldoen worden ze, voor zover het plafond dat toelaat, gehonoreerd. Aan dergelijke kleine haalbaarheidsstudies worden geen eisen voor samenwerking met andere partijen gesteld. ] 1. Voor toepassingsgebied A (Haalbaarheidsstudies) kunnen subsidieaanvragen tot € 5.000,-- in afwijking van artikel 3.96 het gehele jaar ingediend worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de in het eerste lid genoemde aanvragen is artikel 3.93 lid 8 niet van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor de in het eerste lid genoemde aanvragen geldt dat ze op volgorde van binnenkomst worden behandeld en dat ze worden getoetst aan de criteria uit artikel 3.99 lid 2 voor toepassingsgebied A, met uitzondering van het laatste criterium met betrekking tot samenwerking.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.7 Energiebesparingsfonds Woningen Overijssel 86[Toelichting: Op 25 juni 2008 hebben Provinciale Staten van Overijssel het Programma Energiepact Overijssel vastgesteld. Met dit programma wil de provincie Overijssel een substantiële bijdrage leveren aan het terugdringen van broeikasgassen. Energiebesparing in de gebouwde omgeving is één van de speerpunten in het energiebeleid van de provincie. Een derde van de CO2-emissies is gerelateerd aan energiegebruik in gebouwen. Deze uitstoot kan aanzienlijk beperkt worden bij de bouw en verbetering van woningen en andere gebouwen. Het programma Energiepact zoekt nadrukkelijk de samenhang met andere programma's op het gebied van wonen en herstructurering. De strategie is gericht op een kennisnetwerk met andere overheden en partners in de bouw (bestaande en nieuwe woningen). Maar ook verkenningen van financiële ondersteuning voor investeringen in maatregelen bij bestaande woningen hebben prioriteit. Bij het bereiken van de doelstellingen is een belangrijke taak weggelegd in samenwerking met en tussen gemeenten. Daarom is deze subsidieregeling opgesteld om samen met gemeenten energiebesparingsmaatregelen bij particuliere woningbezitters te stimuleren. Deze subsidieregeling is tevens bedoeld om Overijsselse woningcorporaties te stimuleren de afspraken uit het Aedes-convenant versneld uit te voeren.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.101</span><span class=\"lf-art-t\">Beripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Energiebesparing: een maatregel die bijdraagt aan het terugdringen van CO2- uitstoot en het gerbuik van fossiele brandstoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.102</span><span class=\"lf-art-t\">Subsiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">87[Toelichting: Gemeentelijke projecten In het eerste lid gaat het om subsidiëring van gemeentelijke: - subsidieregelingen voor energiebeparing bij particulieren in de bestaande woningbouw. Ook reeds bestaande gemeentelijke regelingen met nieuwe budgetten komen in aanmerking om qua budget verhoogd te worden; - uitvoeringskosten rondom energiebesparing in de bestaande woningbouw (opstellen financieringsconstructies, loketvorming, voorlichting en begeleiding woningbezitters etc); - investeringsprojecten met betrekking tot de gemeentelijke voorbeeldfunctie op het gebied van energiebesparing (voorbeeldprojecten inzake gemeentelijke gebouwen, inkoop, eigen beheer zoals openbare verlichting etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelstellingen van deze subsidieregeling zijn met name gericht op de inzet voor aantrekkelijke financiële maatregelen voor particuliere woningbezitters, zodat werkelijke fysieke maatregelen worden getroffen. Dat kan onder meer via subsidies. De reden voor de cofinanciering van financieringsarrangementen is dat de particuliere woningbezitter voor de provincie een moeilijk te bereiken doelgroep is. Gemeenten staan veel dichter bij deze doelgroep. Daar komt bij dat gemeenten zelf al financieringsarrangementen hebben of overwegen in te stellen: met een vergroting van het budget door de provincie kan een extra groot aantal woningen verbeterd worden. Een laagrentende duurzaamheidslening zoals via een revolverend fonds bij SVn is ook financiele maatregel ter stimulering van energiemaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie vergroot ook budgetten voor dergelijke leningen bij SVn, maar Overijsselse gemeenten kunnen daar een beroep op doen bij het Provinciale Energieleningenfonds Overijssel bij SVn en hoeven daarvoor dus geen subsidieverzoek bij de provincie in te dienen. De reden voor de cofinanciering van gemeentelijke voorbeeldprojecten is dat daarmee investeringen gepleegd kunnen worden die soms economisch niet rendabel zijn, maar waarmee de gemeente wel het goede voorbeeld kan geven. Corporatieprojecten Met het stimuleren van corporatieprojecten stimuleert de provincie dat Overijsselse woningcorporaties de afspraken uit het Aedes-convenant versneld uitvoeren. Deze subsdieparagraaf is niet bedoeld voor investeringsprojecten van woningcorporaties; voor investeringssubsidies kunnen corporaties een beroep doen op paragraaf 3.6 (tenderregeling Duurzame energie en eergiebesparing Overijssel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze subsidieparagraaf is wel bedoeld voor onderzoeksprojecten of experimenten van corporaties waarmee waargenomen blokkades van bijvoorbeeld juridische of organisatorische aard te weg te nemen. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan Overijsselse gemeenten voor de volgende projecten: het vergroten van gemeentelijke subsidiebudgetten gericht op energiebesparing door de particuliere woningbezitter in de bestaande woningvoorraad; projecten gericht op het voorlichten en ondersteunen van de particuliere woningbezitter bij het voorbereiden en realiseren van energiebesparingsmaatregelen; investeringsprojecten van de gemeentelijke organisatie zelf, waarmee de gemeente een voorbeeldfunctie op het gebied van energiebesparing vervult.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan woningcorporaties met woningbezit in Overijssel voor (onderzoeks)projecten en experimenten waarmee woningcorporaties een impuls geven aan de versnelling van het realiseren van een substantiele energiebesparing in hun huurcomplexen en/of in gebieden waarin deze complexen staan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.103</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">88[Toelichting: In dit artikel is opgenomen aan welke criteria de subsidieaanvragen dienen te voldoen. In het eerste lid onder c. en d. wordt gerefereerd aan mogelijke eerdere verleende subsidies voor hetzelfde soort projecten. Deze subsidieparagraaf is namelijk een voorzetting van reeds bestaande cofinancieringsmogelijkheden voor gemeenten op grond van de provinciale middelen uit het Essent Bespaarplan voor Aandeelhouders (waarover gemeenten met onze brief van 5 december 2008, kenmerk 2008/0174233 waren geïnformeerd). Het eerste lid onder e. biedt de ruimte voor de provincie om voor specifieke projecten een uitzondering te maken op de eerdere genoemde maximale bedragen. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld bijzondere gemeentelijke projecten waarin niet op voorhand is voorzien of voortzetting van succesvolle gemeentelijke subsidieregelingen bij die gemeenten die al een maximaal beroep op de regeling hebben gedaan. ] 1. Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 3.102 eerste lid voldoet aan de volgende criteria: er heeft gemeentelijke besluitvorming plaatsgevonden over de financiering van het eigen aandeel (minimaal 25% van de totale projectkosten); het project start binnen één jaar na subsidieverlening en is binnen vier jaar na start afgerond; de te verlenen subsidie op grond van artikel 3.102 eerste lid sub a is maximaal € 500.000,-- per gemeente, inclusief eventuele reeds verleende subsidies op basis van de besteding van het provinciale Essent Bespaarplan voor Aandeelhouders; de te verlenen subsidie op grond van artikel 3.102 eerste lid sub b en c samen, is maximaal € 80.000,-- per gemeente, inclusief de eventuele reeds verleende subsidies op basis van de besteding van het provinciale Essent Bespaarplan voor Aandeelhouders; e. in specifieke sitiaties kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de maxima genoemd onder c. en d.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.102 tweede lid voldoet aan de volgende criteria: methodiek en resultaten van het project worden actief kenbaar gemaakt aan medecorporaties in Overijssel; het project start binnen zes maanden na subsidieverlening en is binnen één jaar na start afgerond; de te verlenen subsidie is maximaal € 50.000,-- per project; het project/experiment omvat minimaal 30 woningen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.104</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie op grond van artikel 3.102 eerste lid bedraagt maximaal 75% van de totale projectkosten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie op grond van artikel 3.102 tweede lid bedraagt maximaal 50% van de totale projectkosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.105</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">89[Toelichting: Er wordt een aanvraagformulier beschikbaar gesteld.] 1. In afwijking van artikel 1.13 kunnen aanvragen het gehele jaar door ingediend worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag om subsidie dient ingediend te worden voor aanvang van het project.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Faunabeheereenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">90 [Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer.] Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">91 [Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen in de externe kosten van onderzoek en planontwikkeling van ruimtelijke projecten. De projecten moeten bijdragen aan uitgangspunten/doelstellingen van het streekplan en aan de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel. 92[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd, zoals genoemd in sub b van dit lid.] 2. Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid: is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel; wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria: uitvoeringsgerichtheid; 93[Toelichting: uitvoeringsgerichtheid: de projecten vormen veelal de schakel tussen geformuleerd beleid en de concrete uitvoering, en zijn uitvoeringsgericht van aard, zoals bijvoorbeeld een plan van aanpak, Masterplan of een haalbaarheidsstudie, gekoppeld aan een afgebakend beleidsonderwerp, probleemstelling of ruimtelijke voorziening. Voor algemeen onderzoek is deze regeling niet bedoeld.] bovengemeentelijke of regionale betekenis; 94[Toelichting: bovengemeentelijke c.q. regionale betekenis: de projecten zijn strategisch van aard en hebben daardoor veelal een regionaal schaalniveau en/of uitstralingseffect.] voorbeeldwerking; 95[Toelichting: voorbeeldwerking: de projecten moeten min of meer ‘model kunnen staan’ voor vergelijkbare projecten en vormen zelfs vaak een pilotproject.] katalysatorwerking; 96[Toelichting: katalysatorwerking: meerdere partners trekken gezamenlijk op, ook financieel, en kunnen een impuls geven aan eventuele vervolgprojecten.] integraliteit; 97[Toelichting: integraliteit: de projecten dragen bij aan beleidsdoelstellingen vanuit meerdere sectoren en worden veelal ook uit deze sectoren gecofinancierd.] structureel effect. 98[Toelichting: structureel effect: de projecten zijn ook op de langere termijn van belang voor de (duurzame) ruimtelijke ontwikkeling.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">99 [Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de helft van de kosten van de ruimtelijke activiteiten van een project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1. genoemde criteria.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, bouw- en sloopkosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">100[Toelichting: Vanuit het Rijk is het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) ingesteld om in steden de leefbaarheid te verbeteren, de aantrekkelijkheid te vergroten en achterstanden in sommige buurten en wijken helpen op te lossen. Het ISV is een bijdrage, bedoeld voor het nemen van fysieke maatregelen op de terreinen ruimte, wonen, milieu, grootschalig groen en cultuur. Het ISV kent 2 soorten gemeenten: rechtstreekse gemeenten: subsidieverlening verloopt rechtstreeks via het Rijk. niet-rechtstreekse gemeenten: subsidieverlening verloopt via provincies. Op provinciaal niveau wordt er een onderscheid gemaakt in programmagemeenten en projectgemeenten. Projectgemeenten kunnen op grond van subsidieregeling Stedelijke Vernieuwing Overijssel het hele jaar subsidieaanvragen indienen voor stedelijke vernieuwingsprojecten (tot het subsidieplafond is bereikt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Programmagemeenten die op schema liggen met de uitvoering van het meerjarenontwikkelingsprogramma kunnen per 1 juni 2009 eveneens op grond van subsidieregeling Stedelijke Vernieuwing Overijssel subsidie aanvragen voor stedelijke vernieuwingsactiviteiten voor het resterende provinciale deel van het ISV budget (tot het subsidieplafond is bereikt). Reden hiervoor is om gemeenten hiermee te stimuleren om vanwege de economische crisis investeringen naar voren te halen en daarmee de economie en werkgelegenheid te stimuleren. De projectaanvragen moeten voldoen aan het Rijks- en Provinciaal beleidskader ISV II. In het Provinciaal Beleidskader is opgenomen dat de provincie de hoogste prioriteit geeft aan de volgende thema's: Het realiseren van voldoende geschikte woonruimte voor starters en oudere n in de plattelandsgemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het handhaven waar mogelijk van een veilige en gezonde leefomgeving. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing; b. Stedelijke vernieuwingsactiviteiten: op bestaand gebied gerichte inspanningen die strekken tot verbetering van de leefbaarheid en veiligheid, bevordering van een duurzame ontwikkeling en verbetering van de woon- en milieukwaliteit, versterking van het economisch draagvlak, versterking van culturele kwaliteiten, bevordering van de sociale samenhang, verbetering van de bereikbaarheid, verhoging van de kwaliteit van de openbare ruimte of anderszins tot structurele kwaliteitsverhoging van het stedelijk gebied. Het saneren van ernstige bodemverontreiniging, veroorzaakt voor 1987, en geluidwerende maatregelen van woningen op de A- en Raillijst kunnen hier onderdeel van uitmaken. Voor bodemsaneringsprojecten geldt de subsidie ook voor uitleggebieden; 101[Toelichting: Onder Stedelijk gebied wordt verstaan binnen de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit houdt in dat de locatie geheel moet zijn omsloten door (binnenstedelijke) bebouwing(sranden). Locaties aan de rand van de kern vallen hier niet onder. Gemeenten kunnen met het investeringsbudget alleen bodemverontreiniging binnen de bebouwde kom en de zogenaamde uitleggebieden aanpakken. In dit artikel wordt onder projecten in uitleggebieden verstaan een samenhangende uitbreiding van nieuwe (woon)bebouwing aan een kern buiten diens bestaande bebouwingscontouren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het volgende weiland dat voor wonen of werken in gebruik wordt genomen. Niet onder het ISV vallen het landelijk gebied, de branches (bijvoorbeeld terreinen van voormalige gasfabrieken), Vinex-locaties en waterbodems (bodems van rivieren en meren).] c. ISV: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing; d. Programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a Wsv; e. Projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid Wsv; f. Voorziening ISV: de bestemmingsreserve Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing; g. Meerjaren ontwikkelingsprogramma: programma als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wsv.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorziening ISV</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de voorziening ISV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aan de voorziening ISV worden in ieder geval toegeveoegd de bijdragen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5, derde lid Wsv.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen overige voor stedelijke vernieuwing aangemerkte middelen aan de voorziening ISV toevoegen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Niet bestede middelen blijven in de voorziening ISV. Over de niet bestede middelen wordt jaarlijks per 31 december rente berekend en aan de voorziening ISV toegevoegd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Projectgemeenten kunnen op grond van artikel 7 lid 5 Wsv een aanvraag indienen voor het verlenen van een subsidie voor: stedelijke vernieuwingsactiviteiten; saneren van een ernstige bodemverontreiniging; het treffen van geluidwerende maatregelen van projectgemeenten: woningen op de A- en Raillijst. programmagemeenten: woningen op de A-lijst, welke niet zijn gelegen aan Rijkswegen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 5.6 lid 1 sub a dient naast de wettelijke eisen te voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Het project dient in overeenstemming te zijn met het Rijks-, provinciaal en gemeentelijke beleid op het gebied van ISV, RO en wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient concreet zicht te zijn op uitvoerbaarheid doordat: 102[Toelichting: Het criterium overeen stemming tussen deelnemende partijen heeft betrekking op de uitvoerbaarheid van het project. De vraag die hier van belang is of de uitvoering afhankelijk is van een overeenkomst tussen deelnemende partijen. Indien de gemeente bijvoorbeeld zelf grondeigenaar is en niet afhankelijk is van een andere partij om te komen tot uitvoering, dan is dit criterium niet van toepassing.] er overeenstemming is tussen deelnemende partijen; er inzicht is in het gemeentelijke tekort of in het tekort vande corporatie waar de gemente een bijdrage aan verleent; de planologische procedure is afgerond, of binnen afzienbare tijd wordt afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 5.6 lid 1 sub b dient naast de wettelijke eisen te voldoen aan de volgende criteria: er is sprake van een (potentieel) ernstige bodemverontreiniging, veroorzaakt voor 1987; er is sprake van een (potentieel) spoedeisende of om maatschappelijke redenen noodzakelijke bodemsanering; de kosten van het bodemonderzoek of de sanering kunnen (gedeeltelijk) gefinancierd worden uit de planopbrengsten; er zijn aantoonbare maximale inspanningen verricht om geld uit de markt te behalen. 103[Toelichting: Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond door de inzet van het juridisch instrumentarium van de Wet bodembescherming.] 4. Een aanvraag als bedoeld in artikel 5.6 lid 1 sub c dient naast de wettelijke eisen in overeenstemming te zijn met het Rijks- en provinciaal ISV beleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een aanvraag van een programmagemeente, dient aanvullend aan de hiervoor genoemde criteria te voldoen aan de volgende criteria: het ISV II budget is volledig besteed of gelabeld aan activiteiten in het kader van de Wsv; de uitvoering van de activiteit start voor 1 juli 2010.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De stedelijke vernieuwingsactiviteit waarvoor de subsidie is verleend dient binnen vijf jaar na subsidieverlening te zijn afgerond.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6a</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie en subsidieplafond</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De hoogte van de subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing bestaat uit:</div>\n<p class=\"lf-p\">Een door Gedeputeerde Staten te bepalen deel van de in het vierde lid van artikel 5.5 bedoelde middelen en, voor programmagemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid Wsv, ontvangen middelen; voor projectgemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid Wsv, ontvangen middelen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid bedraagt ten hoogste 50% van het gemeentelijke (grondexploitatie)tekort en is afhankelijk van aard en omvang van het project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidiabele kosten bedragen minimaal € 50.000,--. Dit minimum geldt niet voor bodemsaneringsprojecten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het subsidieplafond voor programmagemeenten bestaat uit het bedrag dat op basis van het eerste lid, sub a en b voor deze gemeente beschikbaar is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien het een stedelijke vernieuwingsactiviteit betreft die door een woningcorporatie wordt uitgevoerd bedraagt de subsidie aan de gemeente, afhankelijk van de aard en omvang, ten hoogste de bijdrage van de gemeente aan het tekort voor deze activiteit. 104[Toelichting: Het dient hierbij te gaan om de uitvoering van de taak van de woningcorporatie zoals vastgelegd in de Woningwet en het Besluit beheer sociale-huursector (BBSH) met sociale woningbouw (goedkope huur- en koopwoningen, huisvesting voor ouderen, gehandicapten en personen die zorg of begeleiding nodig hebben).] 6. Het subsidieplafond voor het verlenen van ISV aan programmagemeenten voor de uitvoering van het meerjarenontwikkelingsprogramma bestaat uit het bedrag dat op basis van het eerste lid, onderdeel a en b voor deze gemeente beschikbaar is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>projectgemeenten: uit het bedrag dat op basis van het eerste lid, onderdeel a en c, beschikbaar is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>programmagemeenten: uit het bedrag dat op basis van het eerste lid sub b beschikbaar is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Het subsidieplafond voor het verlenen van ISV voor de activiteiten als genoemd in artikel 5.6 eerste lid bestaat uit:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>projectgemeenten: uit het bedrag dat op basis van het eerste lid, onderdeel a en c, beschikbaar is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>programmagemeenten: uit het bedrag dat op basis van het eerste lid sub b beschikbaar is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6b</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De gemeente overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag als genoemd in artikel 5.6, eerste lid voor projecten waarbij alleen sprake is van gemeentelijke kosten: een overzicht van de kosten, inclusief het dekkingsvoorstel; een bestuurlijk besluit waarin wordt besloten over te gaan tot uitvoering van het project, of dit besluit dient binnen afzienbare tijd te worden genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De gemeente overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag als genoemd in artikel 5.6, eerste lid voor projecten waarbij sprake is van gemeentelijke opbrengsten een vastgestelde grondexploitatie, waaruit ook de exploitatiebijdragen van de verschillende partijen blijkt. 105[Toelichting: Indien er sprake is van ontwerpbestemmingsplannen of ontwerp-projectbesluiten die na 1 juli 2008 ter visie zijn gelegd, dan kan de gemeente eveneens een (ontwerp) exploitatieplan of exploitatieovereenkomst overleggen.] 3. De gemeente overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag als genoemd in artikel 5.6, eerste lid in samenhang met artikel 5.6a, vijfde lid een goedkeuringsbesluit over de exploitatie van de woningcorporatie. 106[Toelichting: De gemeente is verantwoordelijk voor de toetsing van de exploitatie van de woningcorporatie.] 4. Het eerste lid sub b geldt niet voor bodemsaneringsprojecten en projecten die worden uitgevoerd door de woningcorporatie. .</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6c</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoordingssystematiek specifieke uitkeringen (Sisa)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten dienen bij afronding van het project een apart verzoek om vaststelling van de subsidie in en overleggen bij dit verzoek een verslag van de geleverde (deel)prestaties en op verzoek de kosten daarvan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed</h3>\n<p class=\"lf-p\">107[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal. Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed. Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">108[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij? In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord. Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen: • inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis; • het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering’ is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; • een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; • tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed.] Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’; b. het uitvoeren van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria:109[Toelichting: a. De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn: • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; • innovatieve ontwikkelingen stimuleren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen’ van agrarisch en industrieel erfgoed. c. In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie. e. Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect en landschapsarchitect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur of een stedenbouwkundige. ] de activiteit draagt bij aan een of meer doelstellingen van het provinciale Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf; de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het Reconstructieplan Salland-Twente; bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest); ontwerpende partijen dienen te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit; de aanvraag wordt ingediend op basis van vooroverleg met het programmateam als bedoeld in artikel 5.13.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie in de kosten van de uitvoering van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria: 110[Toelichting: a. Voordat een subsidieaanvraag voor een project ter uitvoering van het transformatieplan wordt aangevraagd, dient uit vooroverleg met de desbetreffende gemeente te blijken dat er naar verwachting geen planologische bezwaren tegen het project zullen zijn. Eventueel subsidie wordt daarom verleend onder voorwaarde dat de bouwvergunning wordt verleend. b. Voor het project geldt geen andere provinciale subsidieregeling.] het project is gebaseerd op een transformatieplan als bedoeld in artikel 5.8, lid 1; tegen het project bestaan geen planologische bezwaren; er is geen voorliggende provinciale subsidiemogelijkheid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor het opstellen van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor het laten opstellen van een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 15.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor de uitvoering van een transformatieplan bedraagt ten hoogste 40% van de investeringskosten van het project met een maximum van € 75.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de subsidieaanvraag voor een transformatieplan tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">111[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag voor subsidie ten behoeve van een transformatieplan is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten. Vóór indiening van een subsidieaanvraag dient overleg plaats te vinden met het programmateam. ] 1. Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan het programmateam, dat binnen acht weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten 2. Het programmateam is samengesteld uit één of enkele deskundigen van het Oversticht op het gebied van cultuurhistorie, architectuur en landschap, de programmaleider en een programmamedewerker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">112[Toelichting: De werkzaamheden voor het opstellen van een transformatieplan, dan wel voor de uitvoering ervan, moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart. Een transformatieplan dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond. In de rapportage(s) van het project wordt duidelijk vermeld dat het project mede mogelijk is gemaakt met een subsidie uit het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’. ] 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan dan wel met de uitvoering ervan 2. Het opstellen van het transformatieplan dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">113[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over: 1maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie;2en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">114[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband. Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor gedragsbeïnvloedingsprojecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd.] 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten in West-Overijssel kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: het project past in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Overijssel; het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; het project is uitvoeringsgereed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 25.000,-- moeten bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van gedragsbeïnvloedingsprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">115[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking. De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties die voorkomen op de laatst uitgegeven VOC-lijst Overijssel. Deze lijst is een gezamenlijke uitgave vande provincie Overijssel en de Regio Twente.] 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt: ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten; ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor gedragsbeïnvloedingsprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn: verwerving (voorzover direct voor het project nodig);</div>\n<p class=\"lf-p\">50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering; werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting; bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt: kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend; voorbereiding en administratie; vervanging van kabels/leidingen/riolering; directievoering en toezicht; kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten; vervanging en beheer en onderhoud.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">116[Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.] 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde indieningstermijnen en daarbij aangeven of voor die projecten een aanvraag moet worden ingediend en op welke wijze.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">117[Toelichting: De in artikel 5.14 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor gedragsbeïnvloedingsprojecten.] In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoordingssystematiek specifieke uitkeringen (sisa)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidieontvanger voor gedragsbeïnvloedingsprojecten overlegt binnen vier maanden na afloop van het subsidietijdvak een verslag vande geleverde (deel)prestaties en de kosten daarvan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dient aan de hand van primaire documenten zichtbaar toezicht te houden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een infrastructureel project is pas gerealiseerd als een procesverbaal van oplevering heeft plaatsgevonden en er verificatie van oplevering ter plaatse is uitgevoerd.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Bouwimpuls Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">118[Toelichting: Subsidies Bouwimpuls Overijssel worden beschikbaar gesteld om een snellere uitbreiding en/of ver-vanging van de woningvoorraad voor betaalbare woningen voor starters en ouderen te realiseren, evenals om woningbouwprojecten voor bijzondere/specifieke doelgroepen met een achterstand op de woningmarkt. In het Coalitieakkoord 2007-2011 is opgemerkt dat de komende collegeperiode de aandacht steeds meer komt te liggen op doelgroepen als ouderen en starters, statushouders en dak- en thuislozen. Integratie in de woonwijk of buurt staat daarbij voorop. Contacten met buurtbewoners kunnen wor-den bevorderd wanneer deze ook toegang krijgen tot de gemeenschappelijke ruimte, en wanneer er in de gemeenschappelijke ruimte activiteiten worden georganiseerd waar omwonenden bij betrok-ken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze categorie gemeenschappelijke ruimten is de prestatiesubsidie van maximaal € 150.000,-- bedoeld. Gemeenschappelijke ruimten zonder wijkfunctie zijn uitsluitend gericht op be-vordering van contacten van de bewoners onderling. Ook daarvoor kan subsidie worden aange-vraagd, maar deze bedraagt maximaal € 25.000,-- per project, en heeft het karakter van een stimu-leringssubsidie. Verder wil de provincie - in aansluiting op initiatieven vanuit het ministerie van VROM - het Collectief Particulier Opdrachtgeverschap sterker dan voorheen stimuleren. De daarvoor bestemde rijksmidde-len worden via de Bouwimpuls beschikbaar gesteld voor initiatieven van georganiseerde groepen huishoudens die gezamenlijk de bouw van hun toekomstige woningen ter hand nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij kunnen deskundige procesondersteuning, en bijvoorbeeld een architect, inschakelen ter voorbereiding van hun woningbouwplan, voor maximaal € 10.000,-. Verder kunnen gemeenten een subsidie krijgen voor de stimulering van initiatieven voor CPO-projecten. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de realisatie van woningbouwprojecten die nog niet zijn gestart die aansluiten bij de speerpunten genoemd in het coalitieakkoord en het Streekplan. 119[Toelichting: Gemeenten hebben een zwaarwegend belang bij de uitvoering van woningbouwprojecten. Wij gaan ervan uit dat de gemeente minimaal een eigen bijdrage ter grootte van het gevraagde subsidiebe-drag bijdraagt in het tekort op de grondexploitatiekosten van het project.] 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor: . ontwikkeling/realisatie van (aangepaste) woonvomen voor bijzondere/specifieke doelgroe-pen met een achterstand op de woningmarkt, bestemd voor sociale verhuur voor de vol-gende bijzondere doelgroepen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>cliënten uit de jeugdzorg: met als doel bevordering van de uitstroom van jongeren uit de residentiële jeugdzorg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(ex-)Cliënten uit de geestelijke gezondheidszorg, dementerenden, mensen met vormen van autisme en/of ernstige gedragsstoornissen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dak- en thuislozen ruimtes met één of meer wijkfuncties bij woonvoorzieningen met gega-randeerde 24-uurszorg voor de doelgroepen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>senioren</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking gemeenschappelijke ruimtes zonder wijkfuncties bij wooncomplexen voor de doelgroepen als genoemd in lid 2 sub 2a, waarvan de kosten niet in de huurprijs van de woningen kun-nen worden doorberekend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor (het uitbesteding van) onderzoek en/of planvoorbereiding van:120[Toelichting: Bij bijzondere woonvormen gaat het–naast woonvormen zoals community wonen, meergeneratie-wonen en kangaroewoningen- ook om kleinschalige woonvormen voor bijzondere/specifieke doel-groepen die een achterstand hebben op de reguliere woningmarkt waar extra aandacht c.q. prioriteit aan wordt gegeven.] Woningbouwprojecten die aansluiten bij de speerpunten genoemd in het Coalitieakkoord en/of Streekplan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere woonvormen die inspelen op nieuwe ontwikkelingen op het terrein van wonen-zorg-welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.a. Georganiseerde, privaatrechtelijke rechtspersoon bezittende, particuliere initiatiefnemers kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten ter voorbereiding van een eigen woningbouwproject, in het kader van Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). 121[Toelichting: Onder een collectief verstaan wij een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting die als doelstelling heeft op te treden als particulier opdrachtgever, bestaande uit ten minste vijf huishoudens.] Gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor het stimuleren van initiatieven onder artikel 5.20, lid 4 sub a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">122[Toelichting: Start: Onder start van het woningbouwproject wordt verstaan de uitvoering van de bouwwerkzaam-heden (de ‘spa in de grond’).] 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20 eerste lid moet voldoen aan de volgende criteria: het bouwproject bestaat voor tenminste 30% uit goedkope woningbouw; de aanvrager brengt tenminste hetzelfde bedrag in als het gevraagde subsidie; het beoogde bouwproject wordt gestart uiterlijk binnen twee jaar na verlening van de sub-sidie en wordt uiterlijk binnen zeven jaar opgeleverd; de aanvraag is afkomstig van een gemeente.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20 tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: de cofinanciering is geregeld voor tenminste 25% van de investeringskosten; de betreffende gemeente heeft aantoonbaar ingestemd met het voorgenomen project; ten minste twee partijen uit de sectoren wonen, zorg en welzijn zijn bij het project betrok-ken; het beoogde bouwproject wordt gestart uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie en wordt uiterlijk binnen drie jaar opgeleverd; de aanvraag is afkomstig van een gemeente of een woningbouwcorporatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20 derde lid moet voldoen aan de volgende criteria: het onderzoek of de planvoorbereiding is uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsi-die afgerond; de aanvraag is afkomstig van een gemeente, woningbouwcorporatie of een privaatrechtelijke rechtspersoon.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20 vierde lid moet voldoen aan het volgende criterium: de activiteiten zijn uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie afgerond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten sluiten uitdrukkelijk uit van subsidie: alle activiteiten en projecten zoals genoemd in artikel 5.20 lid 1 tot en met 4 die behoren tot het reguliere zorgaanbod en/of takenpakket van premiegefinancierde – of anderszins door het Rijk, provincie en/of gemeenten gesubsidieerde- instellingen en organisaties. kosten van de inrichting van de woningen/woonvormen en gemeenschappelijke ruimten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies als bedoeld in artikel 5.20 lid 2 sub b, lid 3 en lid 4 in de vorm van een stimuleringssubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20 lid 1 bedraagt ten hoogste 50% van het gemeentelijk (grond-)exploitatietekort tot een maximum van € 500.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20 lid 2 sub 1 bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabe-le kosten tot een maximum van € 250.000,--, mede afhankelijk van aard en omvang van het wooncomplex.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20 lid 2 sub 2a bedraagt ten hoogste 50% van het begro-tingstekort van de bouwkosten tot een maximum van € 150.000,--, mede afhankelijk van aard en omvang van het wooncomplex.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20 lid 2 sub 2b bedraagt bedraagt ten hoogste 50% van het begrotingstekort van de bouwkosten tot een maximum van € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20 lid 3 bedraagt ten hoogste 50% van de kosten voor het doen van onderzoek of het ontwikkelen van een plan ter voorbereiding van een woningbouw-project tot een maximum van € 10.000,--. Voor privaatrechtelijke rechtspersonen die aantoon-baar niet over eigen middelen beschikken bedraagt de subsidie 100% met een maximum van € 10.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20 lid 4 sub a bedraagt € 2.500,-- per woning met een maximum van € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20 lid 4 sub b bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag als genoemd in artikel 5.20 lid 1 en 5.20 lid 2:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het tijdpad</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een beschrijving van de eigendomssituatie</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de verhuurconstructie (voorzover van toepassing)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een door de gemeente goedgekeurde exploitatierekening van het project, waaruit ook de bijdragen van de verschillende partijen blijkt.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen</h3>\n<p class=\"lf-p\">123[Toelichting: Op 3 oktober 2005 heeft het Rijk ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio's een nieuw Besluit locatiegebonden subsidies 2005 (BLS) vastgesteld. Het belangrijkste doel van dit besluit is het terugdringen van het woningtekort in Nederland tot 1,5% in 2010. Ter uitvoering hiervan heeft het Rijk met de provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen woningbouwafspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen) en zijn het vervolg op het BLS uit 1995 (Vinex-afspraken). De provincie Overijssel verdeelt als budgethouder via de Bijzondere bepalingen Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen het geld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van de behaalde resultaten. De bijzondere bepalingen treden met terugwerkende kracht in werking tot en met 1 januari 2005 in verband met de aanvang van het tijdvak van het BLS op die datum. De bijzondere bepalingen gelden uitsluitend voor de gemeenten Zwolle en Kampen. De gegevens over de gebouwde woningen in deze gemeenten worden ontleend aan de woningstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn opgesteld.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. BLS: Besluit locatiegebonden subsidies; b. Convenant: Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen); c. Contractperiode: 2005 t/m 2009; d. Primos-prognose 2003: Prognose-, informatie- en monitoringssysteem 2003, ABF research, Delft, november 2003.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Criterium</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verdelen de van het Rijk ontvangen subsidiebedragen ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over de Stedelijke regio Zwolle-Kampen op basis van de Primos-prognose 2003: de gemeente Zwolle: 76,7%; de gemeente Kampen: 23,3%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien door de toevoeging aan de woningvoorraad door eigenbouw hoger is dan het drempelaantal als genoemd in het Convenant ontvangt de provincie middelen van het Rijk. Deze middelen zullen worden verdeeld naar rato van het aandeel van Zwolle en Kampen van de realisatie van de in eigenbouw gerealiseerde woningen in overeenstemming met de eisen genoemd in artikel 6 van het BLS.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening en voorschotverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verlenen de bijdragen aan de gemeenten, met inachtneming van de betalingsregeling van het Rijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorschotverlening door Gedeputeerde Staten vindt in afwijking van artikel 1.17. jaarlijks plaats na voorschotverlening van het Rijk conform de tot dan toe gebouwde woningen in overeenstemming met de eisen als genoemd in hoofdstuk 5 van het BLS. 124[Toelichting: Voor lid 2 geldt dat het voorschot van de provincie is gemaximaliseerd aan het betalingsritme van het Rijk aan de provincie Overijssel.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">125[Toelichting: Het Rijk stelt de subsidie van de provincie Overijssel vast over de toevoegingen aan de woningvoorraad in het gehele grondgebied. Dit betekent dat het Rijk de provincie Overijssel niet afrekent op basis van prestaties per gemeente, maar op basis van prestaties over het gehele grondgebied.] 1. Uiterlijk voor 15 maart 2010 dient een eindrapport te worden ingediend over de in het tijdvak gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad en gerealiseerde eigenbouw. 126[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 2. Uiterlijk 15 maart 2011 dient een aanvullend eindrapport te worden ingediend over de toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, als bedoeld in artikel 14 BLS, en het realiseren van eigenbouw, als bedoeld in artikel 15 BLS. 127[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 3. Het eindrapport en het aanvullende eindrapport gaan vergezeld van een accountantsverklaring conform de eisen als genoemd in artikel 1.19. van dit besluit en artikel 16, lid 3 BLS.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van artikel 1.18. en 1.22. stellen Gedeputeerde Staten na afloop van de convenantperiode de subsidie vast met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 7 en 13 BLS en het Convenant. 128[Toelichting: Voor lid 4 geldt dat de subsidie conform artikel 13 BLS lager kan worden vastgesteld indien: a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor zij is verleend; b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen; d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.] 5. Indien de subsidie van een van de gemeenten lager wordt vastgesteld en over het grondgebied wordt voldaan aan de prestaties als genoemd in het BLS en het Convenant, dan worden de overgebleven middelen herverdeeld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van het aandeel van de gerealiseerde woningen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Water en Bodem</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Stimulering bodemonderzoek</h3>\n<p class=\"lf-p\">129[Toelichting: Met de subsidie Stimulering bodemonderzoek wordt beoogd dat derden (meer) initiatieven zullen ontplooien om bodemonderzoeken uit te voeren waardoor stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen op onder meer ruimtelijk, infrastructureel en economisch gebied wordt weggenomen of voorkomen. De subsidie Stimulering bodemonderzoek is onder andere bedoeld voor bedrijven, overheden, organisaties, maar ook particulieren die met bodemverontreiniging te maken hebben en waarbij het onderzoek naar bodemverontreiniging een bijdrage kan leveren om een maatschappelijk knelpunt op te heffen. Het kan daarbij gaan om verontreiniging van zowel landbodems als waterbodems. Het doel van de subsidie is: “Het in het belang van het milieu stimuleren van initiatieven die leiden tot het doen van bodemonderzoek waardoor stagnatie van door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkelingen wordt voorkomen of opgeheven.” Onder wenselijke ontwikelingen wordt onder meer verstaan economische ontwikkelingen, woningbouw en natuurontwikkeling. Het gaat niet alleen om grootschalige projecten maar juist ook om stimulering van kleinschalige projecten (bijvoorbeeld kleinschalige stads- en dorpsvernieuwing of de ontwikkeling van kleinere bedrijventerreinen). Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor een subsidie stimulering bodemonderzoek moet voldoen aan het volgende criterium: het betreft een bodemonderzoek op een locatie waar de provincie Overijssel bevoegd gezag is op grond van de Wet bodembescherming en waar de bodemverontreiniging de door het provinciaal bestuur gewenste ontwikkelingen belet of belemmert.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder het in het eerste lid gestelde valt tevens een bodemverontreiniging met asbest, voor zover ontstaan voor 1 januari 1993, en voor zover de aanvraag is ingediend door een natuurlijk persoon of eigenaar van een agrarisch bedrijf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onder bodemonderzoek wordt verstaan: oriënterend bodemonderzoek, nader bodemonderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van een saneringsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">130[Toelichting: De regeling is bedoeld voor projecten waar de initiatiefnemers zelf een belangrijk deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening nemen. Voor dat deel van de kosten dat niet door de initiatiefnemers wordt opgebracht, kan een beroep op deze subsidie worden gedaan. Onder project wordt verstaan: een onderzoeksproject van een bodemverontreiniging die in overwegende mate is veroorzaakt voor 1987. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de subsidiabele kosten van het bodemonderzoek. In de verleningsbeschikking zal het maximaal uit te keren bedrag worden vermeld. Vaststelling vindt achteraf plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten. Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, zal de subsidie hierop lager worden vastgesteld overeenkomstig het vastgestelde percentage van de kosten. Tot de kosten van een onderzoeksproject worden gerekend: 1de kosten van uitvoeren van een oriënterend onderzoek; 2de kosten van uitvoeren van een nader onderzoek; 3de kosten van uitvoeren van een saneringsonderzoek; 4de kosten van het opstellen van een saneringsplan. Tot de kosten van een onderzoeksproject worden niet gerekend de interne kosten van de opdrachtgever. ] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de werkelijk gemaakte projectkosten, zulks met een maximum van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bedrag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als werkelijk gemaakte projectkosten worden aangemerkt de door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde externe kosten vanaf de datum van de ontvangstbevestiging vande aanvraag door de provincie, voor zover deze kosten rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">131 [Toelichting: Ingediende aanvragen worden, na het verstrijken van de sluitingsdatum voor indiening, door een ambtelijke beoordelingscommissie in behandeling genomen. Gedeputeerde Staten beslissen welke projecten subsidie ontvangen.] In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">132 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld. Bij de aanvraag dient een goede beschrijving van het project te worden gegeven (projectvoorstel). In het projectvoorstel moet o.a. een omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden/activiteiten worden opgenomen, een onderbouwing van de kosten, de aanleiding van het onderzoek en een motivatie van het maatschappelijk belang. Deze beschrijving is nodig voor het beoordelen en het rangschikken van de subsidieaanvragen. Gegevens over historie en bodemonderzoek maken deel uit van de beschrijving. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de ontwikkeling die tengevolge van de bodemverontreiniging wordt belet of belemmerd.] 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag tevens alle door Gedeputeerde Staten verlangde onderzoeksgegevens, een motivering van het belang van het bodemonderzoek in maatschappelijke zin en een planning van het beoogde bodemonderzoek.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.14 hoeft de aanvrager bij de aanvraag geen statuten te overleggen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">133[Toelichting: Jaarlijks wordt bij de provinciale begroting het voor deze subsidie beschikbare subsidieplafond vastgesteld. Het bedrag wordt door Gedeputeerde Staten verdeeld over het aantal voor het betreffende jaar vastgestelde perioden. Bij het niet volledig benutten van het budget van een periode kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het budget van een volgende periode. De omvang hiervan kan pas na sluiting van een periode worden vastgesteld. Omdat bij sluiting van de ene periode direct een volgende periode begint, wordt het resterende bedrag niet aan deze direct volgende maar aan de hierop volgende periode toegevoegd. Bij het overhevelen van het budget wordt dus een periode overgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan voor het openen van deze periode worden bekendgemaakt hoeveel geld voor de aanvragen beschikbaar is. Per periode kunnen Gedeputeerde Staten een thema of een projecttype vaststellen waarbinnen de in te dienen projecten moeten passen. Onder projecttype wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld type van project waarop het project gericht moet zijn. Onder projectthema wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleidsthema waarop het project gericht moet zijn. Deze thema's of projecttypen worden ontleend aan een (onderdeel van een) beleidsplan. Ingediende projecten zullen worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan het thema of projecttype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten die niet voldoen aan het thema of het projecttype komen slechts voor subsidie in aanmerking indien na de prioriteitsvolgorde nog middelen beschikbaar zijn. ] 1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast voor het gehele daarop volgende kalenderjaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor een kalenderjaar projecttypen vaststellen. Projecten die overeenstemmen met de vastgestelde projecttypen, komen bij de verdeling van de voor dat jaar beschikbare middelen met voorrang in de bepaalde prioriteitsvolgorde voor subsidie in aanmerking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor een kalenderjaar een thema vaststellen. Bij de verdeling van de voor dat jaar beschikbare middelen komen uitsluitend projecten voor subsidie in aanmerking die passen binnen het vastgestelde thema.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten maken het voor een kalenderjaar geldend thema of de prioriteitsvolgorde voor projecttypen drie maanden voor de aanvang van het betreffende jaar bekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42 Awb.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten: a. het milieuhygiënische voordeel dat met het project kan worden behaald; 134[Toelichting: Wanneer er naar aanleiding van historie een ernstig vermoeden van bodemverontreiniging bestaat kan op basis van onderzoek beoordeeld worden wat de milieuhygiënische situatie is en of er een noodzaak bestaat tot het saneren van de bodem waardoor verontreinigende stoffen uit de bodem worden verwijderd of in de bodem geïsoleerd. Hiermee worden risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem weggenomen (risicoreductie);] b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan de maatschappelijke ontwikkelingen die het provinciaal bestuur, onder meer blijkens provinciale beleidsplannen, wenst te stimuleren; 135[Toelichting: De onderzoeken waar de subsidie voor wordt verleend, worden uitgevoerd om een door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het belang van deze maatschappelijke ontwikkeling dient door de aanvrager voor elk project duidelijk te worden aangegeven. Het belang van de maatschappelijke ontwikkeling zal worden getoetst aan het provinciale beleid. Naarmate een project meer aansluit bij door de provincie gewenste ontwikkelingen, zal het op een hogere plaats gerangschikt worden;] c. de hoogte van de eigen bijdrage (percentueel) van de deelnemer(s) aan het project; 136[Toelichting: De initiatiefnemers dragen zelf een groot deel van de onderzoekskosten. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,--. Naarmate de initiatiefnemers om een (percentueel) kleinere bijdrage vragen, zal het project hoger scoren bij de rangschikking van het project. Het spreekt voor zich dat de noodzaak van de (omvang van de) bijdrage bij de aanvraag goed onderbouwd moet worden;] d. de kwaliteit van (de onderbouwing van) het projectvoorstel; 137[Toelichting: Naarmate een projectvoorstel een hogere kwaliteit heeft, is de kans op tegenvallers en een uiteindelijk teleurstellend resultaat kleiner. Het provinciaal bestuur wil juist een bijdrage leveren aan veelbelovende projecten met een uitstralend effect. Bovendien moet ook achteraf blijken dat de middelen goed zijn besteed. Bij deze beoordeling wordt uiteraard de kwaliteit van het bodemonderzoek en het saneringsplan betrokken. Dit komt mede tot uiting in het toepassen van de diverse protocollen voor onderzoek en het toepassen van een juiste risicobeoordeling (NEN 5740, NVN 5725, protocol nader onderzoek, Sanscrit). Op basis van het uitgevoerde onderzoek/risicobeoordeling moeten Gedeputeerde Staten een besluit kunnen nemen over ernst en spoedeisendheid van de verontreiniging of kunnen beoordelen of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Daarnaast is het van belang dat de initiatiefnemers kunnen laten zien dat ze op een doortastende wijze het project oppakken. De creativiteit kan tot uiting komen bij het betrekken van zoveel mogelijk financiers bij een project maar ook bij het opstellen van een saneringsplan;]</p>\n<p class=\"lf-p\">e. de financiële onderbouwing van het projectvoorstel; 138[Toelichting: Het moet bij indiening van een projectvoorstel vast staan dat de eigen bijdrage van initia-tiefnemers werkelijk beschikbaar is. De eindafrekening vindt plaats op basis van gemaakte kosten waarbij de vastgestelde subsidie geldt als de maximale bijdrage. Gedeputeerde Staten houden rekening met andere subsidies. Dit om te voorkomen dat er strijd met het EG-verdrag (staatssteun) optreedt.] f. de mate waarin de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">139 [Toelichting: Het uitvoeren van het onderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van het saneringsplan moet binnen een jaar worden afgerond. Op gemotiveerd verzoek kan de termijn van een jaar worden verlengd met een jaar.] 1. De subsidieontvanger dient binnen een jaar na verlening van de subsidie de werkzaamheden te hebben afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Binnen een jaar na verlening van de subsidie kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger met een jaar worden verlengd. Dit verzoek dient de redenen aan te geven waarom de gestelde afrondingstermijn van het project niet wordt gehaald.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">140 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Water</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Besteding grondwaterheffing</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.4 Ruimte voor de Vecht</h3>\n<p class=\"lf-p\">141[Toelichting: In het provinciale coalitieakkoord van april 2007 is het programma ‘Ruimte voor de Vecht' als een van de speerpunten benoemd in het provinciaal beleid. Voor de uitvoering van Ruimte voor de Vecht heeft de provincie Overijssel een vitale coalitie gevormd met de gemeenten Hardenberg, Ommen, Dalfsen en Zwolle, de waterschappen Velt en Vecht, Groot Salland en Regge en Dinkel, Staatsbos beheer, het Overijssels Particulier Grondbezit en het Regionaal Bureau voor Toerisme. Ruimte voor de Vecht is daarmee een programma van en voor gebiedspartners. Paragraaf 6.4 regelt de subsidieverlening voor projecten uit het programma Ruimte voor de Vecht. Programmadoelen Ruimte voor de Vecht is een ambitieus integraal gebiedsontwikkelingsprogramma gebaseerd op prioriteiten en ambities van de gebiedspartners en gericht op het verzilveren van kansen om de ruimtelijke kwaliteit van het Vechtdal te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten vanuit dit programma leiden tot een gedeeld en wenkend perspectief voor de toekomst van het Vechtdal. In het startdocument Masterplan Ruimte voor de Vecht zijn de doelen van de vitale coalitie vastgelegd. Deze doelen laten zich samenvatten tot: 1. Veiligheid; het zorgdragen voor de waterveiligheid voor mens en dier in het Vechtdal, het voorkomen van wateroverlast. 2. Sociaal-economische impuls; het versterken van de economische dragers landbouw en toerisme en het verbinden van bewoners en bebouwing met de Vecht 3. Natuuropgaven; het integraal realiseren van de natuuropgaven (zowel water- als landnatuur) die in het gebied liggen. Om dit te kunnen bereiken is afgesproken dat de partners uit de coalitie intensief samenwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijf statements In het startdocument Masterplan Ruimte voor de Vecht zijn vijf statements neergelegd die de inhoudelijke basis voor de visie op de Vecht en het Vechtdal in 2050 vormen. Deze statements bieden aanknopingspunten voor het verbinden van de plannen van verschillende partners en vormen zo de basis waarop de verantwoordelijke partners in het gebied verder willen werken. De vijf statements zijn hierna kort toegelicht. 1. Ga voor de volle winst van de levende rivier. De Vecht moet meer ruimte krijgen, zodat de bewoners in het Vechtdal beschermd blijven tegen overstromingen. Dit biedt kansen om de meer natuurlijke loop van de rivier terug te brengen en natuur te ontwikkelen. De volle winst van de levende rivier vraagt om de Vecht te beschouwen als een samenhangend geheel. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maak en behoud het winterbed als grote open ruimte voor landbouw, natuur, recreatie en landschap. Het winterbed is een open landschap en biedt kansen voor landbouw, natuur èn voor toerisme en recreatie. We zoeken naar mogelijkheden om deze functies te verbinden. Hier is het streven om grotere gebieden als geheel te bekijken. Dat vergt innoverende technieken en goede inpassing van landbouw en natuur, zonder daarbij de verschillende belangen uit het oog te verliezen. 3. Maak de rivier de voorkant van het Vechtdal. De Vecht kan een verbindende schakel zijn voor wonen, werken en recreëren in het gebied. Op goed gekozen plekken kan de Vecht toegankelijker worden, waardoor bewoners en bezoekers de Vecht meer kunnen \"beleven\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vecht mag op sommige plekken wel nadrukkelijk zichtbaar worden en deel gaan uitmaken van het landschap. 4. Organiseer de bezoekersstromen. Verschillende groepen hebben verschillende wensen. Grotere publiekstrekkers moeten de rust en natuur in andere gebieden niet verstoren. Het is denkbaar om zones voor verschillende functies te maken, waarbij zowel rust als drukte en vermaak een plek hebben. Het Vechtdal kan het decor zijn voor de verschillende activiteiten. Het aanbod is gericht op diverse doelgroepen. Daarnaast blijft de natuur rond de Vecht iets om zuinig op te zijn. 5. Maak de Vecht manifest. De Vecht en het Vechtdal hebben een rijke geschiedenis. De Vecht verbindt plaatsen, mensen en verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoveel moois mag bekend worden. Een stevige identiteit kan helpen om duidelijk te maken hoe mooi het Vechtdal is. Het is goed om dat bekend te maken aan bezoekers. Ook voor bewoners heeft de Vecht veel te bieden. Projectenoverzicht Vecht en Vechtdal 2009 Om de visie te realiseren wordt er een projectenoverzicht Vecht en Vechtdal 2009 opgesteld. Er is gekozen voor de naam Vecht en Vechtdal omdat het programmagebied van Ruimte voor de Vecht breder is dan alleen het winterbed van de Vecht. Daarnaast maakt het projectenoverzicht ook onderdeel uit van de grensoverschrijdende samenwerking met Duitsland rond de Duits-Nederlandse Vechtvisie. In het projectenoverzicht vindt u de gerealiseerde en te realiseren projecten en projectideeën die bijdragen aan de doelstellingen en passen binnen de uitgangspunten van het programma Ruimte voor de Vecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de bedoeling om via het projectenoverzicht concrete initiatieven en kansrijke projecten te versnellen om zo zichtbare resultaten te bereiken. Alleen Vechtdaloverheden (gemeenten en waterschappen) kunnen subsidie aanvragen. Dat wil niet zeggen dat alleen Vechtdaloverheden kunnen meedoen in projecten en/of middelen kunnen inbrengen die dienen als co-financiering. Andere partijen (maatschappelijke organisaties, ondernemers, etc.) kunnen ook als partij optreden bij een project dat subsidie ontvangt op basis van deze paragraaf. Deze partijen kunnen zelfs in belangrijke mate het project uitvoeren. Voor de provincie blijft de Vechtdaloverheid echter altijd het eerste aanspreekpunt en de verantwoordelijke partner/partij voor de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Realisatieovereenkomst Ruimte voor de Vecht Voor de uitvoering van de projecten uit het projectenoverzicht Vecht en Vechtdal 2009 wordt een realisatieovereenkomst Ruimte voor de Vecht gesloten tussen de partners. Door ondertekening van de realisatieovereenkomst vragen de trekkers van de projecten die zijn opgenomen in de realisatieovereenkomst subsidie in het kader van het programma Ruimte voor de Vecht aan bij de provincie Overijssel aan. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.19</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Middelen: geld, grond of mensuren noodzakelijk om de prestatie te behalen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Project: een eindige activiteit of reeks van activiteiten met een budget en een duidelijk gefor-muleerd en in een projectplan vastgelegde prestatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ruimte voor de Vecht: het samenwerkingsverband van de gemeenten Zwolle, Dalfsen, Ommen en Hardenberg, de waterschappen Groot Salland, Velt en Vecht en Regge en Dinkel, de Provincie Overijssel, het Overijssels Particulier Grondbezit, Staatsbosbeheer en het Regionaal Bureau voor Toerisme die zich gezamenlijk verbonden hebben aan de doelstellingen en uitgangspunten zoals verwoord in het Startdocument.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Startdocument: het Startdocument “Masterplan Ruimte voor de Vecht”, dat op 26 november 2008 is vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Projectenoverzicht Vecht en Vechtdal 2009: een overzicht, inclusief beschrijvingen, van gepro-grammeerde projecten die door de gezamenlijke Vechtdal overheden en de provincie Overijssel wordt vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Vechtdal overheid: een gemeente of waterschap die deelneemt aan het samenwerkingsverband voor Ruimte voor de Vecht.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-620\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.20</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor projecten die zijn opgenomen in het Projecten-overzicht Vecht en Vechtdal 2009.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.21</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 6.20 moeten voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag is ingediend door een Vechtdal overheid. het project betreft een samenwerking van tenminste twee partijen, waarbij alle partijen middelen beschikbaar stellen voor het behalen van de prestatie. de prestatie draagt effectief bij aan de hoofd- of nevendoelstellingen van Ruimte voor de Vecht, zoals deze zijn vastgelegd in het Startdocument. de prestatie geeft aantoonbaar invulling aan tenminste één van de vijf statements van Ruimte voor de Vecht, zoals deze zijn vastgelegd in het Startdocument.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het project dient uitgevoerd te worden binnen het gebied waarop Ruimte voor de Vecht zich richt, zoals is vastgelegd in het Startdocument.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De start van de feitelijke werkzaamheden vindt plaats in het jaar waarbinnen de subsidie is ver-leend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek uitstel van de in lid 3 genoemde verplichting verlenen indien er sprake is van omstandigheden die voor de aanvrager ten tijde van het indienen van de aanvraag redelijkerwijs niet te voorzien waren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.22</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 6.20 bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, dit tot een maximum van € 750.000,-- per project .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidiabele kosten van het project bedragen minimaal € 40.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De kosten van planschade zijn niet subsidiabel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.23</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen over aanvragen van Vechtdaloverheden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien het Projectenoverzicht Vecht en Vechtdal 2009 is bekrachtigd in een realisatieovereen-komst, geldt de ondertekening van deze realisatieovereenkomst door de betreffende Vechtdal over-heid als aanvraag voor een subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De indieningstermijn uit artikel 1.13 is niet van toepassing. Indien het subsidieplafond na onder-tekening van de realisatieovereenkomst nog niet is bereikt, kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.5. Subsidie asbestsanering bodem voor particulieren en agrariërs</h3>\n<p class=\"lf-p\">142[Toelichting: Met de subsidie asbestsanering bodem voor particulieren en agrariërs wordt vanuit het rijks en provinciaal belang zoveel mogelijk gestimuleerd, dat spoedeisende asbestsaneringen door hen worden uitgevoerd vanwege het belang van de volksgezondheid en het milieu. Deze subsidieregeling voorziet daarmee in een lacune in de bestaande subsidieregelingen op dit gebied. Bijgevolg is deze subsidieregeling alleen bedoeld voor natuurlijke personen, voorzover eigenaar van een woning of een agrarisch bedrijf (overige bedrijven en instellingen zijn uitgesloten). Dit betekent, dat een huurder van een woning, als gebruikelijk, zich hier moet wenden tot de eigenaar van de woning. Ten slotte kan in dit verband worden gewezen op de regeling stimulering bodemonderzoek van dit Uitvoeringsbesluit , die wat betreft het onderdeel asbest hier tevens van toepassing kan zijn. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">143[Toelichting: Onder een ernstige verontreiniging met asbest wordt verstaan: een asbestverontreiniging met een gehalte van meer dan 100 mg/kg d.s. gewogen gemiddelde.] a. asbestsanering bodem: het bereikbaar maken en verwijderen van een ernstige verontreiniging met asbest uit de onbebouwde of anderszins niet afgedekte bodem, alsmede het afvoeren naar en het verwerken van het verwijderde materiaal op een legale stortlocatie, en het aanvullen met vervangend bodemmateriaal; b. BUS-melding: een melding ingevolge het Besluit uniforme saneringen (BUS); c. beschikking ernst en spoed: een beschikking ingevolge de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming; d. goedkeuring saneringsplan: een beschikking tot goedkeuring van een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-625\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.25</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">144[Toelichting: De aanwezigheid van asbest in de bodem moet geheel of in overwegende mate dateren van voor 1 januari 1993. Indien bewijsstukken onvoldoende zijn, dient dit ten minste aannemelijk te worden gemaakt voor Gedeputeerde Staten. Onder een agrarisch bedrijf wordt verstaan: een bedrijf dat als zodanig wordt beschouwd door de Belastingdienst of als zodanig staat ingeschreven bij een Kamer van Koophandel. Toetsing marktconforme prijs: doel is mogelijke grondspeculatie op grond van kennis van de aanwezigheid van de asbestverontreiniging tegen te gaan. Toetsing zal steeds plaatsvinden, indien de verwerving op of na 1 juli 2008 heeft plaatsgevonden. Er is sprake van een niet-marktconforme koopsom als deze 10% of meer lager blijkt te zijn geweest dan de getaxeerde waarde op het moment van verwerving als bijv. vastgelegd in een taxatierapport ten behoeve van hypotheekverstrekking. Een dergelijk taxatierapport dient dan bij de subsidieaanvraag te worden meegezonden. Bij eerdere verwerving dan 1 juli 2008 zal door Gedeputeerde Staten deze toets eveneens worden uitgevoerd, indien op grond van bekend geworden feiten en gedragingen de noodzaak daartoe blijkt. Dan zullen aanvullende gegevens als een dergelijk taxatierapport bij de aanvrager worden opgevraagd. ] Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie asbestsanering bodem verlenen indien aan de volgende criteria wordt voldaan: a. de aanwezigheid van asbest in de bodem moet bewijsbaar te dateren of aannemelijk zijn voor 1 januari 1993; b. de aanvrager moet als natuurlijk persoon eigenaar van een woning voor eigen gebruik of van een agrarisch bedrijf zijn; c. de aanvrager moet desgewenst kunnen aantonen, dat hij de betrokken woning of het agrarisch bedrijf in eigendom heeft verkregen tegen een marktconforme prijs, waarbij de asbestverontreiniging buiten beschouwing is gebleven en geen waardedrukkende invloed op de koopsom heeft gehad. Indien de verwerving op of na 1 juli 2008 heeft plaatsgevonden, moet verwerving tegen een marktconforme prijs worden aangetoond door middel van de subsidieaanvraag conform het aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen; d. met de sanering mag niet zijn begonnen voordat door Gedeputeerde Staten een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 6.28, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-626\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.26</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">145[Toelichting: De subsidie bedraagt 100% van de totale kosten voor de asbestbodemsanering als bedoeld in artikel 6.24, sub a. In de subsidieverleningsbeschikking van Gedeputeerde Staten wordt het maximaal uit te keren bedrag aangegeven. Vaststelling van de subsidie door Gedeputeerde Staten vindt achteraf plaats aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten (subsidievaststellingsbeschikking). Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, wordt de subsidie navenant lager vastgesteld. Op grond van het Uitvoeringsbesluit is voorschotverlening tot 80% van het verleende subsidiebedrag mogelijk. De bijkomende kosten voor herinrichting van een tuin worden eenvoudshalve vergoed door toekenning van een vast subsidiebedrag per m2 vergraven oppervlakte. Bij een gebleken niet-marktconforme koopsom zullen Gedeputeerde Staten de subsidie als bedoeld in het eerste lid zodanig verminderen, dat de geconstateerde waardeverminderende invloed op de koopsom zoveel mogelijk teniet wordt gedaan. ] 1. De subsidie is gelijk aan 100% van de totale kosten voor de asbestsanering bodem als bedoeld in artikel 6.24, sub a, waarbij voor de kosten van herinrichting van de tuin een maximum van € 25,-- (incl. BTW) per m2 vergraven oppervlakte geldt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien een waardedrukkende invloed als bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder c, is aangetoond, zullen Gedeputeerde Staten de subsidie als bedoeld in het eerste lid naar evenredigheid lager verlenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.27</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">146[Toelichting: Om tot een goede onderbouwing van de subsidieaanvraag te komen, wordt aan de subsidieaanvrager de gelegenheid tot vooroverleg met de provincie geboden. Tijdens dit vooroverleg wordt desgewenst met de provincie besproken hoe de (kostenloze) provinciale begeleiding wat betreft het aanvragen en beoordelen van offertes voor het laten uitvoeren van de asbestsanering zal plaatsvinden. Tevens wordt in dit vooroverleg besproken hoe het aanvraagformulier voor de subsidieaanvraag volledig moet worden ingevuld, inclusief de daarbij te voegen bijlagen. Dit formulier subsidieaanvraag is te vinden op de provinciale website (provincie.overijssel.nl).] 1. In afwijking van artikel 1.13 kan de subsidieaanvraag gedurende het hele kalenderjaar worden ingediend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten stellen de aanvrager in de gelegenheid om – voordat tot indiening van de aanvraag wordt overgegaan – vooroverleg met de provincie te plegen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.28</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">147[Toelichting: In het vooroverleg, als bedoeld in artikel 6.27, wordt zonodig ook besproken wat voor een gelijktijdige behandeling als hier bedoeld noodzakelijk is.] 1. Op de subsidieaanvraag kan niet eerder door Gedeputeerde Staten worden beslist dan nadat zij hebben besloten: bij eenvoudige saneringen: tot acceptatie van een BUS-melding, waarbij is bijgevoegd een kostenraming overeenkomstig de Wet bodembescherming; bij overige saneringen: tot een door de aanvrager aan te vragen beschikking ernst en spoed, alsmede tot goedkeuring van het saneringsplan (inclusief kostenraming).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager kan Gedeputeerde Staten verzoeken om gelijktijdige behandeling van de subsidieaanvraag met de in het eerste lid, sub a, bedoelde melding of aanvragen van besluiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, mits deze melding of aanvragen gelijktijdig met de subsidieaanvraag bij Gedeputeerde Staten zijn ingediend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-629\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.29</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidieontvanger rondt binnen een jaar na verlening van de subsidie de sanering af en dient binnen deze termijn het evaluatieverslag ter goedkeuring bij Gedeputeerde Staten in overeenkomstig het bepaalde in de Wet bodembescherming.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor het einde van deze termijn kan de subsidieontvanger een schriftelijk en gemotiveerd verzoek bij Gedeputeerde Staten indienen om deze termijn met ten hoogste een half jaar te verlengen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-630\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.30</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">148[Toelichting: Het aanvraagformulier voor de aanvraag tot vaststelling van de subsidie is te vinden op de provinciale website (provincie.overijssel.nl).] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens alle gespecificeerde rekeningen aangaande de asbestsanering bodem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-631\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.31</span><span class=\"lf-art-t\">Van rechtswege verval regeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">149[Toelichting: Vanwege het experimentele karakter van deze subsidieregeling, waarbij moeilijk is in te schatten hoe groot de maatschappelijke behoefte er aan zal blijken te zijn, geldt deze regeling (voorlopig) tot 1 juli 2010. Bijgevolg vervalt deze regeling van rechtswege per deze datum, tenzij Gedeputeerde Staten eerder tot verlenging hebben besloten.] Deze regeling geldt voor een periode van 1 jaar en vervalt van rechtswege per 1 juli 2010, tenzij daarvoor door Gedeputeerde Staten tot verlenging wordt besloten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur</h3>\n<p class=\"lf-p\">150[Toelichting: Op 18 juni 2008 is door Provinciale Staten de beleidsnota ‘Samen &amp; Overijssel - Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur 2009-2012' vastgesteld. In deze nota is het beleid voor de provincie, op de terreinen van jeugd, sociale infrastructuur en cultuur vastgesteld voor de periode 2009 - 2012. Deze nota vervangt de nota Sociale Actie 2005-2008. In het nieuwe beleid richt de provincie zich op de versterking van sociale cohesie en participatie. Voor wat betreft het cultuurbeleid kiest de provincie nadrukkelijk voor cultuur als factor voor een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat. In het beleid zijn scherpe keuzes gemaakt en dat geldt ook voor de instrumenten die worden gebruikt bij de uitvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Meerjarenprogramma Jeugdbeleid van de provincie Overijssel ‘Nieuwe Bezems' is door Provinciale Staten vastgesteld op 24 oktober 2007. ‘Nieuwe Bezems' staat in de eerste plaats voor de vernieuwingen in het provinciale Jeugdbeleid. Provinciale Staten wil dat er in de jeugdzorg en het preventieve Jeugdbeleid sneller en meer resultaten worden geboekt. Daarvoor zijn nieuwe werkwijzen nodig, nieuwe instrumenten, nieuwe attitudes en nieuwe verhoudingen. Gedeputeerde Staten moeten regels stellen om de uitwerking van deze nota, onder andere het verstrekken van subsidies, goed te laten verlopen. De uitwerking van de nota Samen &amp; Overijssel 2009 - 2012 is geregeld in hoofdstuk 7 van dit Uitvoeringsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitwerking van ‘Nieuwe Bezems' is nog niet geregeld in hoofdstuk 7 van dit Uitvoeringsbesluit. Wel is paragraaf 3 bestemd voor jeugdzorg. In deze paragraaf is paragraaf 12 van de vorige versie van het Uitvoeringsbesluit, ongewijzigd overgenomen. In 2009 zal paragraaf 3 jeugdzorg aangepast worden aan ‘Nieuwe Bezems'. Niet alleen hoofdstuk 7 is belangrijk. In hoofdstuk 1 zijn de algemene bepalingen geregeld die ook op dit hoofdstuk van toepassing zijn. Wanneer er in hoofdstuk 7 niet nadrukkelijk wordt afgeweken van hoofdstuk 1, zijn die bepalingen rechtstreeks van toepassing op dit hoofdstuk. ]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Algemeen</h3>\n<p class=\"lf-p\">151 [Toelichting: In deze paragraaf zijn de bepalingen genoemd die voor heel hoofdstuk 7 van toepassing zijn. Deze bepalingen hebben een algemeen karakter.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">152 [Toelichting: In dit artikel worden algemene begrippen die in hoofdstuk 7 met enige regelmaat terugkomen en om een nadere verklaring vragen toegelicht. Op 18 juni 2008 hebben Provinciale Staten de beleidsnota ‘Samen &amp; Overijssel – Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur 2009-2012’ vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten, doelen en hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de periode 2009-2012 vastgelegd. Het Meerjarenprogramma Jeugdbeleid van de provincie Overijssel ‘Nieuwe Bezems’ is door Provinciale Staten vastgesteld op 24 oktober 2007. Hoofdstuk 7 van het Uitvoeringsbesluit Subsidies 2007 is door Gedeputeerde Staten vastgesteld om uitvoering te geven aan deze Nota. De uitvoering van het Jeugdbeleid is nog niet geregeld in dit hoofdstuk. Dit zal naar verwachting in de tweede helft van 2009 gebeuren.] Nota: beleidsnota ‘Samen &amp; Overijssel- Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur 2009-2012’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">153 [Toelichting: Dit artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten slechts die activiteiten kunnen bekostigen die passen binnen de doelen en kaders van de Nota of de provinciale begroting.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de doelen en kaders: a. van de Nota; b. of van de provinciale begroting van het jaar waarop de subsidieperiode betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">154 [Toelichting: Dit artikel regelt dat de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden niet gesubsidieerd worden. Wanneer bijvoorbeeld de uitvoering van een project start op 1 september 2008, op 1 oktober 2008 de subsidieaanvraag ingediend is, zullen de reeds gemaakte kosten van 1 september tot en met 1 oktober 2008 niet door Gedeputeerde Staten bekostigd worden.] In aanvulling op artikel 1.6 zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4></div>", "next": 239346}