{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">waar de taakstelling voor het jachtveld dat van toepassing is op het perceel waarop subsidie is aangevraagd, met minimaal 90% is behaald voor de soorten edelhert en ree; voor de aanplant van inheems loofbos of het bevorderen van natuurlijke verjonging van inheems loofhout.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder c, wordt alleen verleend: binnen kwalificerende habitattypen bos als alle op het lokale eigendom van aanvrager in het kwalificerend habitat aanwezige uitheemse boom- en struiksoorten die een bedreiging voor de duurzame instandhouding van het habitat vormen, worden verwijderd; buiten kwalificerende habitattypen onder de volgende voorwaarden: bestemd voor de uitbreidingen van kwalificerende habitattypen; het perceel is gelegen op of rond een oude bosgroeiplaats of bos te kwalificeren als kraaihei-dennebos; en alle op het lokale eigendom van aanvrager in het potentieel kwalificerend habitat aanwezige of verjonging van uitheemse boom- en struiksoorten die een bedreiging voor de ontwikkeling van het habitat vormen worden verwijderd; als het verwijderen effectief en doelmatig wordt uitgevoerd zonder onevenredige bodemschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder d, wordt alleen verleend: binnen bestaande bossen; buiten een kwalificerend habitattype; voor zover het de aanplant inheemse loofbomen betreft; als aanplant kleinschalig en groepsgewijs wordt uitgevoerd om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen; als: individuele wildbescherming wordt aangebracht, of wildbescherming in de vorm van een raster wordt aangebracht, mits wordt voldaan aan de criteria genoemd in het tweede lid; en als het leefgebied van soorten als bedoeld in het Natura 2000-beheerplan niet wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder e, wordt alleen verleend: binnen bestaande bossen aangeduid als natuurtype N14, N15 of N16; buiten een kwalificerend habitattype; als de soorten groepsgewijs worden aangeplant om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen; als: individuele wildbescherming wordt aangebracht, of wildbescherming in de vorm van een raster wordt aangebracht, mits wordt voldaan aan de criteria genoemd in het tweede lid; voor zover het de aanplant van de volgende soorten autochtoon inheemse boom- en struiksoorten betreft: boswilg, linde, ratelpopulier, hazelaar, haagbeuk, zoete kers, fladderiep; als het leefgebied van soorten, bedoeld in het Natura 2000-beheerplan niet wordt aangetast; en plantgatbemesting met steenmeel wordt toegepast, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder f, wordt alleen verstrekt als in het plan: concrete doelstellingen zijn opgenomen waaruit blijkt dat het omschreven netwerk voldoende is voor de gekozen doelsoorten; rekening is gehouden met de habitatvereisten en dispersiecapaciteit van de gekozen soorten; een concrete planning is opgenomen waarin is uitgewerkt wanneer de doelstellingen zijn bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder g, wordt alleen verleend als: het om te vormen perceel: natuurtype N12.02 betreft; is gelegen binnen een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied; weinig meerwaarde heeft voor biodiversiteit en ook de actuele en potentiële ecologische waarde van het perceel gering is; en minimaal 0,5 hectare groot is; wordt aangeplant met autochtone inheemse boom- en struiksoorten of door het handhaven en het bevorderen van spontane opslag; het perceel voor maximaal 80% wordt beplant; en het te realiseren bos voldoet aan de afbakening van natuurtype N14 of N15; en geen verplichtingen op grond van subsidie natuurbeheer of agrarisch natuurbeheer op het perceel rusten;</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder h, wordt alleen verstrekt: binnen kwalificerende habitattypen bos; voor de volgende maatregelen: lieren, lippen, geheel of gedeeltelijk kandelaberen met behulp van breuksnoei, en voor maatregelen aan bomen met een diameter van minimaal 50 centimeter, gemeten op een hoogte van 1,30 meter vanaf maaiveld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie: waardedaling van de grond bij omvorming naar bos; kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval; kosten voor de aanschaf van machines; kosten voor de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen; kosten voor het wegwerken van achterstallig onderhoud; en kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan voor de subsidiabele activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvrager van subsidie, bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder b, moet: binnen het raster voldoende opvolgend beheer uitvoeren om de in het beheerplan N2000 opgenomen doelen te behalen, tenzij het gaat om houtige opslag met een diameter borsthoogte van minder dan 10 centimeter; binnen het wildraster geen bodembewerking, anders dan maken van plantgaten, uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvrager van subsidie, bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder c en h, moet: vrijkomend hout laten liggen; geen houtoogst toepassen; geen chemische bestrijdingsmiddelen toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanvrager van subsidie, bedoeld in artikel 2.15.4.1, onder d en g, moet bij de realisatie geen inheemse spontane opslag verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanvrager van subsidie, bedoeld in artikel 4.21.4.1, onder d, e en g, moet bij aanplant gebruik maken van: op oude bosgroeiplaatsen, autochtone herkomsten van de Nederlandse Rassenlijst Bomen. buiten oude bosgroeiplaatsen, autochtone herkomsten van een Europese Rassenlijst Bomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt voor zover de verstrekking niet in strijd is met artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van de AGVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf2.15.5 Apparaatskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor kosten die samenhangen met de regievoering of organisatie van voorbereiding en uitvoering van het Provinciaal Uitvoeringsprogramma Gelderland 2021-2025.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan alleen worden verleend voor: kosten gemaakt vanaf 1 januari 2022; activiteiten die betrekking hebben op: coördinatie en programmaleiding op het uitvoeringsprogramma; communicatie en afstemming met leden en derden over het uitvoeringsprogramma; opmaken inhoudelijke en financiële tussen- en eindrapportages en verantwoording prestaties in GIS; of een bijdrage leveren aan het voorbereiden van projecten voor de jaren 2024 – 2030.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21553\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan alleen worden aangevraagd door een natuurbeheerder die beschikt over een certificaat als bedoeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21554\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie wordt geweigerd voor zover het minder bedraagt dan € 50.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie bedraagt maximaal € 800.000 per aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21555\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt niet verstrekt voor kosten die rechtstreeks samenhangen met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in paragraaf 2.15.2 tot en met 2.15.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie wordt niet verstrekt voor apparaatskosten bestemd voor gebiedsprocessen en overgangsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie wordt niet verstrekt aan een gemeente of waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf2.15.6Aanleg nieuw bos buiten GNN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor: functieverandering van landbouwgrond naar bos; realisatie van bos.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan alleen worden verleend als: het bos bij aanplant wordt aangelegd met minimaal 80% inheemse soorten; het project een omvang heeft van minimaal: één hectare, als het wordt aangelegd op een locatie grenzend aan het Gelders natuurnetwerk of wordt aangelegd geheel of gedeeltelijk binnen de Groene ontwikkelingszone; drie hectare, als het wordt aangelegd op een andere locatie; één hectare, als het wordt aangelegd op een andere locatie en het project een duidelijk onderbouwde ecologische meerwaarde heeft; bij de aanvraag een intentieverklaring van het gemeentebestuur wordt overgelegd waaruit blijkt: de intentie het bos planologisch te borgen; de juridische mogelijkheden hiertoe, met name de landschappelijke inpassing; en het bos in overeenstemming is met de vigerende Omgevingsverordening Gelderland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie, bedoeld in artikel 2.15.6.1, onderdeel a, wordt alleen verleend als: de productiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten; de productiecapaciteit in de laatste vijf jaar voor de aanvraag om subsidie onafgebroken is gebruikt; op de grond waarop subsidie wordt aangevraagd ook realisatie van bos plaatsvindt; de taxatie wordt uitgevoerd door een door Gedeputeerde Staten in te schakelen onafhankelijke taxateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Artikel 2.15.1.2, eerste lid, onderdeel a tot en met d, is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen niet in aanmerking: kosten voor natuurbeheer; kosten voor grondaankoop; kosten voor pachtafkoop.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21564\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 2.15.1.4, eerste lid, wordt subsidie voor functieverandering alleen verleend aan de eigenaren van het terrein waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21565\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag bevat in aanvulling op de artikelen 1.2.3 en 2.15.1.5 de volgende gegevens: de grootte van de onderneming; een verklaring of en welke andere subsidies aanvrager voor de activiteit ontvangt en door wie die subsidies worden verstrekt; als op de grond een recht van hypotheek is gevestigd, een verklaring van geen bezwaar van degene aan wie het recht van hypotheek toekomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21566\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie voor functieverandering bedraagt maximaal de door een taxateur bepaalde waardedaling van de grond, gebaseerd op het verschil in marktwaarde voor en na de voorgenomen functieverandering en inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie voor de realisatie van bos bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000 per hectare.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21567\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontvanger van subsidie voor functieverandering moet, in aanvulling op artikel 2.15.1.7,: binnen twaalf weken na verlening van de subsidie met provincie een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb af sluiten, waarin is opgenomen: de verplichting dat de subsidieontvanger de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert en datgene nalaat wat de veiligstelling van het bos verstoort; en dat de verplichting, bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat ook gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen; er voor zorg te dragen dat een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers in afschrift wordt toegezonden aan de Gedeputeerde Staten; de uit productie genomen gronden binnen twee jaar in bos om te zetten; en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Tot dan moeten de cultuurgronden in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden op grond van titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden uiterlijk binnen vier weken nadat de overeenkomst tot stand is gekomen op initiatief van de subsidieontvanger en op kosten van de provincie als kwalitatieve verplichting voor het terrein ingeschreven in de openbare registers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op gemotiveerd verzoek van de subsidieontvanger kunnen de in de voorafgaande leden genoemde termijnen eenmalig worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Subsidieontvanger voor realisatie van bos moet: bij aanplant gebruik maken van soorten genoemd op de Nederlandse Rassenlijst Bomen. het bos voor zover nodig beschermen tegen schade als gevolg van beweiding of bewerking op aangrenzende gronden; aanlegwerkzaamheden in de periode tussen 1 september en 1 april uitvoeren. aanlegwerkzaamheden pas na planologische borging uitvoeren; na aanleg van het bos bij Gedeputeerde Staten een verzoek indienen om dit bos op te nemen op de kaart van het Natuurbeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Artikel 1.4.7 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21568\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd voor zover: het bos zou worden aangelegd op een locatie binnen de begrenzing van een weidevogelgebied of het Gelders natuurnetwerk, bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland; de onderneming van aanvrager in moeilijkheden verkeert als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01); er een bevel tot terugvordering is op grond van een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; op de landbouwgrond of op het natuurterrein nog verplichtingen rusten op grond van deze of andere regeling op grond waarvan subsidie is verstrekt voor agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer; voor dezelfde activiteit al eerder subsidie is verleend of verstrekt; subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen die niet aan de relevante Unienormen of nationale wet- en regelgeving voldoen en op basis daarvan hun productie hoe dan ook moeten stopzetten; subsidie wordt aangevraagd met door bedrijven uit de houtsector voor commercieel levensvatbare houtwinning, vervoer hout of de verwerking van hout of andere bosrijkdommen tot producten of energiebronnen; het voedselbossen betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21569\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf2.15.7 Recreatiezonering Veluwe</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor: het aanpassen van de paden- of routestructuur of de toegankelijkheid van gebieden; het aanpassen, verwijderen, plaatsen of verplaatsen van een recreatieve voorziening, uitgezonderd de aanleg van een nieuwe routestructuur; het doen van onderzoek naar de activiteiten, bedoeld onder a en b, of naar het aanpassen van openbare wegen, fietspaden of parkeerplaatsen; communicatie over de uit te voeren recreatiezoneringsactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 2.15.1.2 kan subsidie alleen worden verleend als de activiteit: bijdraagt aan de doelen van het recreatiezoneringsplan; deze uitgevoerd wordt in het Natura 2000-gebied Veluwe; en in overeenstemming is met de karakteristieken van de aangegeven zone op de recreatiezoneringskaart waarin de activiteit wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op het vorige lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder c, alleen verleend als het onderzoek wordt gedaan naar de effecten van de onderzochte maatregelen op de natuur en de aanvrager voornemens is de onderzochte maatregelen uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de aanvrager afwijken van het eerste lid, onder b, als de activiteit bijdraagt aan de vermindering van verstoring binnen het Natura 2000-gebied Veluwe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 2.15.1.6 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder a, c en d, 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder b, bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de subsidiabele kosten als de recreatieve voorziening wordt verwijderd of beperkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% van de subsidiabele kosten als de recreatieve voorziening primair de natuurkwaliteit dient;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van de subsidiabele kosten als de recreatieve voorziening primair het verbeteren van de belevingskwaliteit dient.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten kunnen het subsidiebedrag, bedoeld in het tweede lid, onder b of c, met 25% van de subsidiabele kosten verhogen als de activiteit uitgevoerd wordt in combinatie met voldoende andere fysieke maatregelen die gericht zijn op het verminderen van het recreatief gebruik elders op het terrein. Gedeputeerde Staten betrekken in hun afweging de omvang van het terrein, het geheel van fysieke maatregelen, de mate van de vermindering van de verstoring, de natuurwaarden en het habitattype van het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Artikel 2.15.1.6, tweede lid, is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21575\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen niet in aanmerking de interne loonkosten van een gemeente of waterschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21576\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 2.15.1.5, eerste lid, onder b, sub ii, is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder c, gaat vergezeld van een verklaring dat de aanvrager voornemens is de maatregelen waarnaar onderzoek wordt gedaan uit te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21577\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 2.15.1.7, tweede lid, is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvrager moet een verwijderde recreatieve voorziening verwijderd houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21578\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.15.7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 2.15.1.8 is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.15.7.2, onder a en b, wordt niet verstrekt voor beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.16Revitalisering en omvorming bos buiten Natura 2000</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor: revitalisering van bos voor: hydrologisch herstel; het aanbrengen van een wildkerend raster; het verwijderen van uitheemse boom- en struiksoorten; het aanplanten van inheemse loofbomen en rijkstrooiselsoorten; het maken van een plan voor een netwerk van oude, aftakelende en dode bomen; het omvormen van kruiden- en faunarijk grasland naar bos.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1 wordt alleen verstrekt als de activiteiten plaatsvinden op percelen binnen het Gelders natuurnetwerk en buiten een Natura 2000-gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, wordt alleen verstrekt als de activiteiten gericht zijn op het mitigeren of wegnemen van knelpunten ten aanzien van de vitaliteit van bos.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, eerste lid, onder a, sub i, wordt alleen verstrekt als de activiteiten gericht zijn op uitvoeren van: onderzoek naar de kwantitatieve en kwalitatieve beschrijving van de kringloop van grond- en oppervlaktewater gericht op: hydrologisch systeemherstel; en het tegengaan van verdroging of herstel van vochtige en natte boshabitats; of herstelmaatregelen in vochtige of natte boshabitats.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub ii, wordt alleen verstrekt op locaties waar meer inheemse loofbomen nodig zijn voor brandpreventie, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: het raster is noodzakelijk in verband met graasdruk door in het wild levende soorten; het aanplanten of bevorderen van natuurlijke verjonging van inheemse loofbomen is noodzakelijk in het kader van de hoofdcompartimentering zoals opgenomen in een natuurbrandpreventieplan; of het aanplanten van inheemse loofbomen is opgenomen in een natuurbrandpreventieplan opgesteld voor gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub iii, wordt alleen verstrekt voor zover: het perceel is gelegen op een oude bosgroeiplaats; en alle op het lokale eigendom van aanvrager aanwezige uitheemse boom- en struiksoorten die een bedreiging voor de natuurlijke bosontwikkeling vormen worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub iv, wordt alleen verstrekt: binnen bestaande bossen: aangeduid als natuurtype N14 of N15, voor zover het aanplant van autochtoon inheemse boom- en struiksoorten betreft; of binnen bestaande bossen aangeduid als N16, voor zover het aanplant van inheemse boom- en struiksoorten betreft; en als de soorten groepsgewijs worden aangeplant om homogenisering van de bosstructuur te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub v, wordt alleen verstrekt als in het plan: concrete doelstellingen zijn opgenomen waaruit blijkt dat het omschreven netwerk voldoende is voor de gekozen doelsoorten; rekening is gehouden met de habitatvereisten en dispersiecapaciteit van de gekozen soorten; een concrete planning is opgenomen waarin is uitgewerkt wanneer de doelstellingen zijn bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.1, onder b, wordt alleen verstrekt als: het om te vormen perceel: natuurtype N12.02 betreft; weinig meerwaarde heeft voor biodiversiteit en ook de actuele en potentiële ecologische waarde van het perceel gering is; en minimaal 0,5 hectare groot is; de aanplant bestaat uit autochtone inheemse boom- en struiksoorten of sprake is van het handhaven en het bevorderen van spontane opslag; het perceel voor maximaal 60% wordt beplant; en het te realiseren bos gaat voldoen aan de eisen van natuurtype N14 of N15.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden aangevraagd door een natuurlijk persoon of rechtspersoon die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd of gemachtigd is door een persoon die krachtens eigendom of erfpacht zeggenschap heeft over het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie voor omvorming van kruiden- en faunarijk grasland naar bos kan worden aangevraagd door de eigenaar van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komen in aanmerking alle kosten die nodig zijn voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.3.5, tweede lid, is niet van toepassing als de aanvrager Staatsbosbeheer is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor: functieverandering; kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval; kosten voor de aanschaf van machines; kosten voor de aanschaf of plaatsing van recreatieve voorzieningen; kosten voor het wegwerken van achterstallig onderhoud; kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan voor de subsidiabele activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een beschrijving van het voldoen aan de criteria; een beschrijving per natuurgebied van de gegevens, bedoeld in artikel 1.2.3, eerste lid; een beschrijving van de oppervlakte waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd; een GIS-kaart waarop de maatregelen zijn aangeduid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt 95% van de subsidiabele kosten en wordt gemaximeerd door de in bijlage 5 opgenomen normkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Alleen de werkelijk gemaakte kosten zijn subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de in bijlage 5 opgenomen normkosten als de activiteiten aantoonbaar meer kosten en die meerkosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Subsidie wordt niet verleend als deze minder bedraagt dan € 5.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvrager van de subsidie, bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub ii, moet: binnen het raster voldoende opvolgend beheer uitvoeren om de voorgenomen doelen te behalen; en binnen het wildraster geen bodembewerking, anders dan maken van plantgaten, uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvrager van de subsidie, bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub iii, moet: vrijkomend hout laten liggen, tenzij het struikvormers betreft; geen houtoogst toe passen; niet-mechanisch verwijderen, tenzij onderbouwd wordt dat het noodzakelijk is; en geen glyfosaat toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanvrager moet na de uitvoering van de activiteit de herstelde of verbeterde natuur duurzaam in stand houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanvrager van subsidie, bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub iv moet bij de realisatie geen inheemse spontane opslag verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De aanvrager van subsidie, bedoeld in artikel 2.16.1, onder a, sub iv, en onder b, moet bij aanplant gebruik maken van herkomsten genoemd op de Nederlandse Rassenlijst Bomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.16.9</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt voor zover de verstrekking niet in strijd is met artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van de AGGV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.17Innovatie en modernisering stalemissies</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: emissiewaarde: effect van uitstoot van milieuvervuilende stoffen in de atmosfeer als gevolg van menselijke activiteiten; experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86 van de AGGV; onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de LVV; methaanemissie: uitstoot van methaan; stalsysteem: mest- en voeropslag, mestkelder, mestbewerkingsinstallatie of dierenverblijven, of een combinatie hiervan, die zich bevindt respectievelijk die zich bevinden op een veehouderij; stikstofdepositie: neerslag van stikstofoxiden en ammoniak op de omgeving; stikstofemissie: uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak; veehouderij: landbouwbedrijf waarin dieren worden gehouden voor de primaire landbouwproductie of vermeerdering van de die dieren; veehouderijlocatie: vestiging van een veehouderij, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf2.17aInvesteringen in niet-bewezen brongerichte stikstofreducerende innovaties in stalsystemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">1Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden verleend voor een innovatieproject gericht op brongerichte reductie van stikstofemissie en methaanemissie vanuit een stalsysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het innovatieproject bestaat uit een of meer van de volgende fasen: een onderzoeks- en ontwikkelingsfase; een emissiemetingenfase; een resterende productieve levensduurfase.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">2Criteria subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan alleen worden verleend als: het innovatieproject bestaat uit alle drie de fasen, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid; of de emissiemetingenfase en resterende productieve levensduurfase, als de onderzoeks- en ontwikkelingsfase niet meer dan twee jaar voor de aanvraag is gerealiseerd; aanvrager deelneemt in een samenwerkingsverband en aan dit samenwerkingsverband in ieder geval één veehouderij, die potentieel eindgebruiker is van de investeringen, en één onderzoeksorganisatie deelnemen; het innovatieproject wordt uitgevoerd op een of meerdere veehouderijlocaties; de minimaal te verwachten reductie van stikstofemissie in ieder geval de hoeveelheid kilo’s NH3 per dierplaats per jaar per diercategorie bedraagt, zoals opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling; de stikstofdepositie van de gehele veehouderijlocatie op een van de volgende Natura 2000- gebieden, voor de aanvraag minimaal bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.914 mol per jaar in de Veluwe;</p>\n<p class=\"lf-p\">137 mol per jaar in Rijntakken;</p>\n<p class=\"lf-p\">12 mol per jaar in de Achterhoek; het innovatieproject gericht is op reductie van methaanemissie; de emissiereductie van het innovatieproject realtime wordt gemeten en gemonitord met sensoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a, kan alleen worden verleend: voor investeringen in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting die naar verwachting leiden tot reductie van stikstof- en methaanemissie in bestaande stalsystemen of nieuw te ontwikkelen en te bouwen typen stalsystemen en voor sensoren voor werkelijke en continue meting van stikstof- en methaanemissie; als de investeringen, bedoeld onder a, zijn gericht op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie als bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder b, kan alleen worden verleend: voor het meten van het effect dat de investeringen bedoeld in het tweede lid, onder a, hebben op de stikstof- en methaanemissie op een veehouderij; en voor technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting als bedoeld in het tweede lid, onder a, die nog geen code hebben als bedoeld in bijlage V bij de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Subsidie als bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder c, kan alleen worden verleend: voor de afschrijving van de investeringen, bedoeld in het tweede lid, onder a, na het afronden van de onderzoeks- en ontwikkelfase en de emissiemetingenfase; als de investeringen gebruiksklaar zijn voor het gebruik bij de primaire landbouwproductie op die veehouderijlocatie; als deze investeringen passen binnen de criteria van artikel 14, vijfde lid en tiende lid, van de LVV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">3Aanvrager</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie kan worden aangevraagd door de veehouderij die volgens de aanvraag optreedt als penvoerder namens het samenwerkingsverband.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Subsidie ook worden verstrekt aan veehouderijen zonder rechtspersoonlijkheid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">4Aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie kan worden aangevraagd door de veehouderij die volgens de aanvraag optreedt als penvoerder namens het samenwerkingsverband.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Subsidie ook worden verstrekt aan veehouderijen zonder rechtspersoonlijkheid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">5Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a, bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van de subsidiabele kosten voor zover deze kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek;</p>\n<p class=\"lf-p\">25% van de subsidiabele kosten voor zover deze kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt verhoogd met:</p>\n<p class=\"lf-p\">10%, als de aanvrager een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die onderneming;</p>\n<p class=\"lf-p\">20%, als de aanvrager een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het percentage, genoemd in het eerste lid, wordt op grond van artikel 25, zesde lid, onder b, van de AGVV verhoogd met 15% als: in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase daadwerkelijk wordt samengewerkt en voldaan wordt aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b, onder i, van de AGVV; de projectresultaten uit de onderzoeks- en ontwikkelingsfase ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories of gratis of opensource-software.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a, bedraagt ten hoogste € 180.000 per veehouderijlocatie, met een maximum van € 720.000 per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 120.000 per veehouderijlocatie en maximaal € 480.000 per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De subsidie, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder c, bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Voor de resterende productieve levensduurfase bedraagt de subsidie ten hoogste € 200.000 per veehouderijlocatie in een innovatieproject en maximaal € 800.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">6Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder a, komen de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de AGVV voor subsidie in aanmerking voor zover deze kosten betrekking hebben op experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de emissiemetingenfase, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder b, komen de kosten, bedoeld in artikel 38, zevende lid, van de LVV voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.17a.1, tweede lid, onder c, komen de afschrijvingskosten van de investeringen voor subsidie in aanmerking voor zover deze kosten vallen onder de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onder a tot en met d, van de LVV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">7Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt geweigerd als: voor dezelfde activiteiten al subsidie is verstrekt; met de uitvoering van het innovatieproject de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde voor ammoniak wordt overschreden; het innovatieproject naar verwachting leidt tot een verminderd niveau van dierenwelzijn of van brandveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17a</span><span class=\"lf-art-t\">8Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als het innovatieproject bestaat uit alle drie de fasen, bedoeld in artikel 2.17a.2, eerste lid, onder a, sub i, worden de onderzoek- en ontwikkelingsfase en de emissiemetingenfase uiterlijk op 31 maart 2028 voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als het innovatieproject bestaat uit de emissiemetingenfase en de resterende productieve levensduurfase, bedoeld in artikel 2.17a.2, eerste lid, onder a, sub ii, wordt de emissiemetingenfase uiterlijk op 31 maart 2028 voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de uitvoering van de emissiemetingenfase maakt de subsidieontvanger gebruik van meetprotocollen die voldoen aan de internationale stand van onderzoek of techniek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voorafgaand aan de uitvoering van de emissiemetingenfase maakt de onderzoeksorganisatie de informatie, bedoeld in artikel 38, derde lid, van de LVV bekend op een openbaar toegankelijke website op nationaal of regionaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Na afloop van emissiemetingenfase stelt de onderzoeksorganisatie de resultaten van onderzoek overeenkomstig artikel 38, vierde lid van de LVV beschikbaar op een openbaar toegankelijke website op nationaal of regionaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De resultaten van de emissiemetingenfase worden door de onderzoeksorganisatie gedurende vijf jaar beschikbaar gehouden vanaf de datum waarop de resultaten op internet beschikbaar zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Als voor de emissiemetingenfase een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de LVV, is deze beoordeling uitgevoerd of de vergunning voor het investeringsproject verleend voor de datum waarop de investering wordt uitgevoerd en de resterende productieve levensduurfase van start gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf2.17bInvesteringen in bewezen stikstofreducerende maatregelen in stalsystemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">1Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor een project gericht op de inrichting of herinrichting van een stalsysteem waarvan de toepassing leidt tot reductie van stikstofemissie binnen de veehouderijlocatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">2Criteria subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan alleen worden verleend: voor de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een of meer nieuwe bewezen technieken, installaties, apparatuur, machines of uitrusting die leiden tot brongerichte reductie van stikstofemissie in een stalsysteem; of voor een combinatie van een van de brongerichte maatregelen, bedoeld onder a, en een nageschakelde techniek; als de investeringen, bedoeld onder a en b, passen binnen de criteria van artikel 14, vijfde en tiende lid, van de LVV; als aannemelijk is dat het reductiepercentage van stikstofemissie, te berekenen ten opzichte van de referentiewaarde per diercategorie, volgend uit Rav-code in bijlage 1 van de Rav, in ieder geval bedraagt: bij melkvee: 30% ten opzichte van Rav-code A1.100; bij vleeskalveren: 60% ten opzichte van Rav-code A4.100; bij varkens: 60% ten opzichte van Rav-codes: D1.1.100, D1.2.100, D1.3.100, D1.3.101, D2.100 of D3.100; bij pluimvee: 50% ten opzichte van Rav-codes: E1.100, E2.100, E3.100, E4.100, E5.100 bij overig: 60% ten opzichte van Rav-codes: B1.100, F1.100, F2.100, F3.100, F4.100, G1.100, G2.1.100, I2.100, K1.100, L3.100; als de stikstofdepositie van de gehele veehouderijlocatie op een van de volgende Natura 2000-gebieden, voor de aanvraag minimaal bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.914 mol per jaar in de Veluwe;</p>\n<p class=\"lf-p\">137 mol per jaar in Rijntakken;</p>\n<p class=\"lf-p\">12 mol per jaar in de Achterhoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">3Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door een veehouderij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">4Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag de volgende gegevens: een onafhankelijke en door onderzoeksorganisatie onderbouwde berekening ter onderbouwing van het minimaal te verwachten reductiepercentage van stikstofemissie, te berekenen ten opzichte van de referentiewaarde per diercategorie; benaming van de investering en Rav-code of de benaming en het reductiepercentage van de techniek zoals onderbouwd en gebleken in de praktijk; en offertes van de investeringen, bedoeld in artikel 2.17b.2, onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">5Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De maximale subsidie is afhankelijk van het percentage waarmee de in de omgevingsvergunning toegestane stikstofemissie wordt verlaagd en bedraagt ten hoogste: € 75.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met 30% van het reductiepercentage van stikstofemissie; € 90.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 45% van het reductiepercentage van stikstofemissie; € 105.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 60% van het reductiepercentage van stikstofemissie; € 120.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 75% van het reductiepercentage van stikstofemissie; € 135.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met maximaal 90% van het reductiepercentage van stikstofemissie; € 150.000 bij een verlaging van de toegestane stikstofemissie met meer dan 90% van het reductiepercentage van stikstofemissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">6Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, de onderdelen a tot en met d, van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten die gemaakt worden om te voldoen aan wettelijke verplichtingen, waaronder verplichtingen op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">7Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt geweigerd als: met de uitvoering van de activiteit de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde voor ammoniak wordt overschreden; de activiteit naar verwachting leidt tot een verminderd niveau van dierenwelzijn of van brandveiligheid; of voor dezelfde activiteiten subsidie is verleend op grond van paragraaf 2.21.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">8Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De activiteit is binnen twee jaar na start van de activiteit voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen de in het eerste lid genoemde termijn op verzoek verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Binnen zes maanden na de start van de uitvoering van de activiteit, dient aanvrager een verzoek in tot wijziging van omgevingsvergunning om de daarin toegestane stikstofemissie te verlagen met het percentage, bedoeld in artikel 2.17b.5, tweede lid, waarop de subsidie is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.17b</span><span class=\"lf-art-t\">9Opschortende voorwaarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen één jaar na de verlening aantoont dat een milieueffectbeoordeling is uitgevoerd of de vergunning voor het investeringsproject is verleend als voor de uitvoering van het project een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op verzoek kunnen Gedeputeerde Staten deze termijn verlengen tot een periode van maximaal twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De subsidieontvanger verstrekt de stukken binnen één maand na de uitvoering van de milieueffectbeoordeling of ontvangst van de benodigde vergunning, bedoeld in het eerste lid, aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.18Aanleg agroforestry</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de aanleg van een landbouwsysteem waarbij bomen en houtige, meerjarige gewassen bewust gecombineerd worden met akkerbouw of groententeelt van eenjarige gewassen, of veeteelt op eenzelfde perceel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan alleen worden verstrekt als: het perceel waarop de bomen en houtige, meerjarige gewassen worden aangeplant een minimale oppervlakte heeft van één hectare; en een minimum van 30 bomen of houtige, meerjarige gewassen per hectare wordt aangeplant; of de aangeplante bomen of houtige, meerjarige gewassen worden geplaatst in een of meer rijen van ieder minimaal 20 meter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen in aanmerking: de kosten van de aankoop van bomen en houtige, meerjarige gewassen; de kosten voor de aankoop van toebehoren voor de aanleg en instandhouding van de activiteit voor zover deze kosten niet zijn betrokken in een andere subsidieaanvraag; de kosten van huur van machines in verband met de aanplant; de kosten voor de inhuur van personeel; directe arbeidskosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt: een projectplan volgens het door de provincie beschikbaar gestelde format; offertes voor de aankoop van de bomen en houtige, meerjarige gewassen; een topografische kaart waarop de ligging van het perceel is aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 20.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd als de aanleg is gericht op aanplant van invasieve soorten die een bedreiging zijn voor de biodiversiteit zoals opgenomen in Unielijst bij Verordening (EU) Nr. 1143/2014 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2014 over de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18.9</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt voor zover de verstrekking niet in strijd is met de De-minimisverordening voor de landbouwsector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.19Adviezen voor natuurinclusieve kringlooplandbouw</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.19.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor het geven van een bedrijfsspecifiek advies voor natuurinclusieve kringlooplandbouw aan een landbouwonderneming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.19.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan alleen worden verstrekt als: het advies wordt gegeven aan een landbouwonderneming die gevestigd is in Gelderland; het advies wordt gegeven aan een landbouwonderneming die actief is in de primaire landbouwproductie met SBI-code 01.1, 01.2, 01.3, 01.4 of 01.5; het advies is gericht op minimaal één van de volgende onderwerpen: brongerichte vermindering van emissies; duurzaam landgebruik; toename biodiversiteit; gesloten voedselsysteem of gesloten mineralenkringloop; reductie middelengebruik; of beter verdienmodel zonder toename veestapel; het advies ingaat op minimaal de volgende elementen: de veranderingen die noodzakelijk zijn in het bedrijf; de positieve effecten die met de veranderingen worden bereikt op de fysieke leefomgeving van het bedrijf; de marktkansen en het verdienmodel van de landbouwonderneming, nadat de veranderingen hebben plaatsgevonden; en een indicatieve kostenbegroting voor de realisatie van de veranderingen; de aanvrager onafhankelijk is van de te adviseren landbouwonderneming; de aanvrager voor 1 mei 2022 stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met SBI-code 62, 66.1, 70.2, 71, 72.1, 73.2, 74.9, 85.41 of 85.42; er voorafgaand aan het advies minimaal één bedrijfsbezoek is afgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.19.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan worden aangevraagd door een aanbieder van adviesdiensten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.19.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een volledig ingevulde adviesvoucher, die door de provincie beschikbaar is gesteld aan landbouwondernemingen; een offerte, die is ondertekend door de aanvrager en de opdracht gevende landbouwonderneming en een voorbehoud van het verkrijgen van de subsidie bevat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.19.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt € 1.500 per advies.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.19.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger legt het advies schriftelijk vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen zes maanden na subsidieverlening wordt het advies gegeven aan de landbouwonderneming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.19.7</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt onder toepassing van artikel 22 van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.20Soortenmanagementplan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Soortenmanagementplan: beleidsplan gericht op het versterken van de staat van instandhouding van beschermde soorten als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving binnen een gemeente of enkele gemeenten, berustend op ecologisch onderzoek, dat wordt opgesteld met als doel het dienen als onderbouwing van de aanvraag om een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54, van het Besluit activiteiten leefomgeving ter versnelling van de energiebesparende isolatie van de thermische schil van gebouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor activiteiten die zijn gericht zijn op het voorbereiden, opstellen, implementeren of monitoren van soortenmanagementplannen, die ten minste de informatie bevat genoemd in bijlage 1 van de Beleidsregels soortenbescherming Gelderland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als de activiteiten ten minste het volledige stedelijk gebied van een gemeente beslaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor subsidie komen in aanmerking alle kosten die nodig zijn voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.3.4, onder b, komen de kosten die vanaf 1 januari 2021 zijn gemaakt voor subsidie in aanmerking.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor interne loonkosten van een gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan een gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: de offerte-uitvraag voor de subsidiabele activiteit; een offerte van een adviesbureau voor de kosten als bedoeld in artikel 2.20.4; een kaart en een beknopte beschrijving van het plangebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.8</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten en bedraagt maximaal de in bijlage II onderdeel 4 van de Regeling specifieke uitkering versnelling natuurinclusief isoleren genoemde bedrag per gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.20.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, moeten uiterlijk 31 december 2027 zijn gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.21Circulaire mestbewerking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: stikstofkraker: technische installatie voor het terugwinnen van stikstof uit mest of digestaat zodat die kan worden ingezet als een geconcentreerde meststof ter vervanging van kunstmest; veehouderij: landbouwbedrijf waarin dieren worden gehouden voor de primaire landbouwproductie of vermeerdering van de desbetreffende dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor het plaatsen van een stikstofkraker, eventueel inclusief een mestscheidingsinstallatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Subsidie wordt alleen verstrekt als: de activiteit aantoonbaar bijdraagt aan een van de volgende doelstellingen: de matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, onder meer door de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een betere koolstofvastlegging; een duurzame circulaire bio-economie en bevorderen van de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door het verminderen van de afhankelijkheid van chemische middelen; de activiteit wordt uitgevoerd in de provincie Gelderland; de aanvrager beschikt over een installatie voor monomestvergisting of een emissiearme stal.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een emissiearme stal als bedoeld in het eerste lid, onder c, voldoet aan één van de volgende eisen: het stalsysteem heeft voor ammoniak een emissiefactor per dierplaats die lager is dan de emissiefactor van de voor het stalsysteem geldende categorie ‘Overige huisvestingssystemen’ als bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling; of het stalsysteem heeft een proefstalstatus met voor ammoniak een emissiefactor per dierplaats die lager is dan de voor de betreffende categorie dieren geldende emissiefactor van de categorie ‘Overige huisvestingssystemen’ als bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: kosten van de aanschaf en installatie van de stikstofkraker en, indien van toepassing, de mestscheidingsinstallatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Directe loon- en arbeidskosten komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door een veehouderij met of zonder rechtspersoonlijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In aanvulling op artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: een projectplan volgens het door de provincie beschikbaar gestelde format waarin tenminste is opgenomen: de hoeveelheid m3 mest die jaarlijks door de stikstofkraker bewerkt gaat worden; het te verwachten gehalte minerale stikstof in het stikstofconcentraat; en de soorten en hoeveelheid herbruikbare bestanddelen die naar verwachting vrijkomen voor hergebruik in een gesloten kringloop; een begroting volgens het door de provincie beschikbaar gestelde format; offertes voor de aanschaf en uitvoering van de subsidiabele activiteiten, inclusief technische specificaties van de apparatuur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid wordt bij de aanvraag: een factuur en betaalbewijs verstrekt waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt over een installatie voor monomestvergisting; of een omgevingsvergunning of maatwerkbesluit verstrekt waaruit blijkt dat hij beschikt over een emissiearme stal die voldoet aan de eis bedoeld in artikel 2.21.3, tweede lid, onder a of b.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.8</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt: voor subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2, onder a, 60% van de subsidiabele kosten; voor subsidie als bedoeld in artikel 2.21.2, onder b, 80% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De totale subsidie per aanvraag bedraagt maximaal €250.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De activiteiten zijn binnen 12 maanden na subsidieverlening voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen deze termijn op verzoek van de subsidieontvanger met maximaal 12 maanden verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.10</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, waarbij: de subsidieontvanger de facturen en betaalbewijzen van de gemaakte kosten bij de aanvraag om subsidievaststelling overlegt; en vrijstelling wordt verleend van de verplichting, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de ASG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.21.11</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf wordt alleen verstrekt voor zover de verstrekking niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 14 van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.22Beëindigen van de houtoogst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: herstelprogramma Bossen Natura 2000 Veluwe: uitwerking van de herstelmaatregel M17a en M17b van het Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057) vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland op 9 mei 2023 Herstelprogramma Bossen (gelderland.nl); kwalificerende boshabitats: boshabitattypen H9120 Beuken-eikenbossen met hulst en H9190 Oude eikenbossen binnen de begrenzing van de herstelmaatregelengebieden Herstel historische boscomplexen en Herstel (en uitbreiding) eikenstrubbenboscomplexen zoals aangegeven op de kaarten houtoogstbeperking en -verbod deelgebied in bijlage 8 van het herstelprogramma Bossen Natura 2000 Veluwe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt voor het beëindigen van de houtoogst in kwalificerende boshabitats zoals omschreven in paragraaf 6.1.2, onder 2 en 3, van het herstelprogramma Bossen Natura 2000 Veluwe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als: de aanvrager eigenaar is van het perceel; en de totale omvang van de kwalificerende boshabitats minimaal 1 hectare bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt: € 6.250 per hectare voor H9190 Oude eikenbossen; € 6.550 per hectare voor H9120 Beuken-eikenbossen met hulst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3, eerste en tweede lid, bevat de aanvraag een overzicht van de gronden met kwalificerende boshabitats en hun oppervlakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd als voor het beëindigen van de houtoogst op hetzelfde perceel subsidie is verleend of nadeelcompensatie is verkregen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger is verplicht: binnen twaalf weken na verlening met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Algemene wet bestuursrecht af te sluiten waarin is opgenomen: de verplichting dat de subsidieontvanger de kwalificerende boshabitats niet gebruikt of doet gebruiken voor de houtoogst en nalaat activiteiten te verrichten of te laten verrichten strijdig met paragraaf 6.1.2, onder 2 en 3, van het Herstelprogramma Bossen Natura 2000 Veluwe; en dat deze verplichting overgaat op al degenen die het perceel onder bijzondere of algemene titel verkrijgen en dat ook gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het perceel krijgen; binnen vier weken nadat de overeenkomst tot stand is gekomen de overeenkomst in te laten schrijven als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het perceel in de openbare registers; en een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers toe te zenden aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.4.7 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.9</span><span class=\"lf-art-t\">Staatsteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger mag de subsidie niet inzetten voor het verrichten van economische activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.22.10</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder toepassing van artikel 26, vijfde lid, van de AsG is artikel 26 van toepassing op de vaststelling van alle subsidies op grond van deze paragraaf, waarbij voor het activiteitenverslag kan worden volstaan met de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.22.8, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.23 (gereserveerd) Paragraaf2.24 (gereserveerd) Paragraaf2.25Managementmaatregelen melkveehouderij</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: agromilieuklimaatverbintenis: verbintenis als bedoeld in artikel 34 van de LVV, die door een melkveehouderij wordt aangegaan voor een periode van vier jaar en die gericht is op het reduceren van stikstof- en methaanemissie en het monitoren daarvan; melkveehouderij: landbouwbedrijf waarin melkkoeien worden gehouden voor de productie van melk of de vermeerdering van melkkoeien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een agromilieuklimaatverbintenis voor een of meer van de volgende managementmaatregelen: het verminderen van eiwit in het rantsoen; meer uren weidegang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als de managementmaatregelen worden uitgevoerd in de provincie Gelderland binnen het gebied dat wordt begrensd door de Nederrijn, de IJssel en de Veluwerandmeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan aangevraagd worden door een melkveehouderij met of zonder rechtspersoonlijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om subsidie bevat: de meest recente Kringloopwijzer van de betreffende melkveehouderij; de meest recente Gecombineerde opgave; indien van toepassing: een offerte voor de aankoop van de meetsensoren of andere investeringen die nodig zijn voor het registreren van het aantal uren weidegang; als subsidie wordt aangevraagd voor het verminderen van eiwit in het rantsoen: het meest recente jaaroverzicht Melkleverantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking: de extra kosten en de gederfde inkomsten door de uitvoering van de managementmaatregelen; de kosten van meetsensoren of andere investeringen die nodig zijn voor het registreren van het aantal uren weidegang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als in de nationale wetgeving of in het recht van de Europese Unie nieuwe voorschriften in werking treden waardoor de managementmaatregel als bedoeld in artikel 2.25.2, onder b, niet langer als bovenwettelijk is te beschouwen, komen de kosten van de uitvoering van deze managementmaatregel vanaf dat moment niet meer voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid komen bedoelde kosten nog maximaal twee jaar voor subsidie in aanmerking, voor zover het gaat om nieuwe nationale voorschriften die verder gaan dan de betrokken minimumvoorschriften van het recht van de Europese Unie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie voor het verrichten van de managementmaatregel, bedoeld in artikel 2.25.2, aanhef en onder a, wordt in overeenstemming met bijlage 6 bij deze regels berekend op basis van het gemeten ureumgehalte van de tankmelk, en is een bedrag per hectare, tot een maximum van 75 hectaren, en bedraagt maximaal € 20.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie voor het verrichten van de managementmaatregel, bedoeld in artikel 2.25.2, onder b, wordt in overeenstemming met bijlage 6 bij deze regels berekend met een bedrag per jaar per hectare, tot een maximum van 75 hectare, gebaseerd op het aantal uren weidegang per jaar per koe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie voor de kosten van meetsensoren en andere investeringen die nodig zijn voor het registreren van het aantal uren weidegang bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 19.500.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als de subsidie wordt verstrekt aan een jonge landbouwer als bedoeld in artikel 2, onderdeel 31, van de LVV, bedraagt de subsidie voor de aanschaf van meetsensoren en andere investeringen die nodig zijn voor het registreren van het aantal uren weidegang in afwijking van het derde lid maximaal 80% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 24.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De totale subsidie bedraagt minimaal € 25.001 en maximaal € 80.000 per aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht om: binnen één maand na de verlening van de subsidie met de provincie een agromilieuklimaatverbintenis aan te gaan voor de managementmaatregelen waarvoor subsidie is verleend; tijdens de uitvoering van de agromilieuklimaatverbintenis doorlopend het aantal uren weidegang van de koeien te registreren; als de subsidieontvanger ervoor kiest om tijdens de uitvoering van de agromilieuklimaatverbintenis de stikstof- en methaanemissies te meten met meetsensoren, dan is de subsidieontvanger verplicht om doorlopend te meten en daarbij een meetprotocol te gebruiken dat voldoet aan de internationale stand van onderzoek of techniek; en de gegevens aan te leveren die de provincie nodig heeft voor monitoring, rapportage en verantwoording in het kader van de Regeling specifieke uitkering provinciale versnellingsvoorstellen transitie landelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt geweigerd als voor het verrichten van een van de in artikel 2.25.2 genoemde managementmaatregelen al eens subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de subsidie betrekking heeft op de kosten, bedoeld in artikel 2.25.6, onder a, vindt de bevoorschotting als volgt plaats:</p>\n<p class=\"lf-p\">20% bij verlening van de subsidie;</p>\n<p class=\"lf-p\">20% na afloop van het eerste jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">20% na afloop van het tweede jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">20% na afloop van het derde jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.11</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.5.1 gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie vergezeld van de volgende bewijsstukken over de vier jaren waarop de in artikel 2.25.2 bedoelde agromilieuklimaatverbintenis betrekking heeft: de Kringloopwijzer van de betreffende melkveehouderij; de Gecombineerde opgave; de gegevens, bedoeld in artikel 2.25.8, onder b en indien van toepassing de meetgegevens, bedoeld in artikel 2.25.8, onder c; en als subsidie wordt aangevraagd voor het verminderen van eiwit in het rantsoen: het meest recente jaaroverzicht Melkleverantie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.25.12</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie, bedoeld in artikel 2.25.2, onder a, wordt alleen verstrekt voor zover de verstrekking niet in strijd is met de De-minimisverordening voor de landbouwsector .</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie, bedoeld in artikel 2.25.2, onder b, wordt alleen verstrekt voor zover de verstrekking niet in strijd is met artikel 34 van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De subsidie voor de kosten, bedoeld in 2.25.6, eerste lid, onder b, wordt alleen verstrekt voor zover de verstrekking niet in strijd is met artikel 14 van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.26Stikstofreductie via aanpassing van veehouderijen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; natuurvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming of omgevingsvergunning voor een Natura 2000- activiteit; stikstofdepositie: neerslag van stikstofoxiden en ammoniak op de omgeving; veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.2</span><span class=\"lf-art-t\">Berekening reductie stikstofdepositie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De stikstofdepositie wordt berekend met gebruik van de meest recente versie van de AERIUS Calculator.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de berekening van de stikstofdepositie wordt uitgegaan van: het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in het kalenderjaar twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend op de veehouderijlocatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, genoemd in de bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling; het huisvestingssysteem, genoemd in de bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in het kalenderjaar twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend, zijn gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als de aanvrager aannemelijk kan maken dat de situatie in het kalenderjaar twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, dan kan bij de berekening worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in het kalenderjaar drie of vier jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de gehele of gedeeltelijke aanpassing van een veehouderij in Gelderland naar: een nieuw landbouwbedrijf, of een nieuw, ander type bedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.4</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als: op de veehouderij na de aanpassing geen of minder landbouwhuisdieren worden gehouden; de aanpassing leidt tot een reductie van in ieder geval 85% van de stikstofdepositie op een Natura2000-gebied in Gelderland; en gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag de veehouderij onafgebroken en op bedrijfseconomische gangbare wijze in gebruik is geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan worden aangevraagd door een veehouder met of zonder rechtspersoonlijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een afschrift van de natuurvergunning van aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal: € 20.000 in geval van gehele of gedeeltelijke aanpassing naar een nieuw landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2.26.3, onder a; of € 300.000 in geval van gehele of gedeeltelijke aanpassing naar een nieuw bedrijf, maar geen landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2.26.3, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de gehele of gedeeltelijke aanpassing van het landbouwbedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt geweigerd als: de aanvrager de vrijkomende stikstofdepositie vanwege extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning; met de uitvoering van de activiteit de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde voor ammoniak wordt overschreden; de activiteit naar verwachting leidt tot een verminderd niveau van dierenwelzijn of van brandveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Binnen zes maanden na de subsidieverlening voldoet de subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen: het indienen van een verzoek tot gedeeltelijke intrekking of wijziging van de natuurvergunning; het indienen van een verzoek tot functiewijziging in het omgevingsplan; het doen van een kennisgeving overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet van de vervallen productierechten; het doen van een melding van het verminderen van het aantal landbouwhuisdieren; het indienen van een verzoek tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets; of het indienen van een verzoek tot gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning milieu vanwege het verminderen van het aantal landbouwhuisdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanpassing is binnen twee jaar na de start ervan voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onder de administratieplicht, bedoeld in artikel 1.4.1, vallen in ieder geval de volgende bewijsstukken: een kopie van de uitkomsten van de berekening van de reductie van stikstofdepositie op één of meer Natura 2000-gebieden; een kopie van de administratie voor het voor de berekening van de reductie van stikstofdepositie gebruikte referentiejaar, voor zover deze administratie betrekking heeft op de gegevens, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdelen d en e, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de termijnen, genoemd in het eerste en tweede lid, verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.26.11</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie als bedoeld in artikel 2.26.2, onder a, wordt alleen verstrekt als de verstrekking niet in strijd is met de De-minimisverordening voor de landbouwsector.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie als bedoeld in artikel 2.26.2, onder b, wordt alleen verstrekt als de verstrekking niet in strijd is met de De-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.27Investeringen in bewezen stikstofreducerende maatregelen door PAS-melders</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(gereserveerd)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de aanschaf en het gebruiksklaar maken van een of meer bewezen technieken, uit de lijst in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij, installaties, apparatuur, machines of uitrusting die leiden tot reductie van stikstofemissie in het stalsysteem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als: de activiteiten worden uitgevoerd in de provincie Gelderland; aanvrager onder het Programma Aanpak Stikstof een rechtmatige melding heeft gedaan van de berekende stikstofdepositie op kwetsbare natuur en hiermee kon volstaan; de activiteit, al dan niet in combinatie met andere maatregelen aantoonbaar leidt tot zicht op legalisatie; de investeringen passen binnen de criteria van artikel 14, vijfde en tiende lid, van de LVV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan worden aangevraagd door een veehouder met of zonder rechtspersoonlijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag de benaming van de investering en de Rav-code.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt 65% van de subsidiabele kosten met een minimum van €25.001 en een maximum van €200.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het percentage kan worden verhoogd tot 80% als: wordt voldaan aan een van de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onder e, f of g, van de LVV; of subsidie wordt verstrekt aan een jonge landbouwer als bedoeld in artikel 2, onder 61, van de LVV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onder a tot en met d, van de LVV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt geweigerd als met het gebruik van de technieken, installaties, apparatuur, machines of uitrusting de op grond van het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij van toepassing zijnde maximale emissiewaarde voor ammoniak wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De activiteit is binnen twee jaar na start ervan voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen zes maanden na de start van de uitvoering van de activiteit dient de subsidieaanvrager voor zover nodig een aanvraag in voor de voor legalisatie benodigde omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.27.10</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als de verstrekking niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 14 van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.28Verplaatsing veehouderij</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: natuurvergunning: vergunning als bedoeld artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet; stikstofdepositie: neerslag van stikstofoxiden en ammoniak op de omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.2</span><span class=\"lf-art-t\">Berekening reductie stikstofdepositie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De stikstofdepositie wordt berekend met gebruik van de meest recente versie van de AERIUS Calculator.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de berekening van de stikstofdepositie wordt uitgegaan van: het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld in het kalenderjaar twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend op de veehouderijlocatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, genoemd in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling; het huisvestingssysteem, genoemd in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in het kalenderjaar twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend, zijn gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als de aanvrager aannemelijk kan maken dat de situatie in het kalenderjaar twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, dan kan bij de berekening worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in het kalenderjaar drie of vier jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de AsG kan worden verstrekt voor de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen van een veehouderij ten behoeve van reductie van stikstofdepositie op een of meer Natura 2000-gebieden in Gelderland naar een andere locatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.4</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als door verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw:</p>\n<p class=\"lf-p\">85% reductie van stikstofdepositie op een Natura 2000- gebied in Gelderland wordt gerealiseerd; voor de nieuwe locatie gebruik gemaakt kan worden van een bestaande natuurvergunning; en de stikstofdepositie op de nieuwe locatie niet hoger wordt door de verplaatsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door een veehouder met of zonder rechtspersoonlijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag offertes voor de te maken subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor het demonteren, verplaatsen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op het eerste lid komen, als sprake is van modernisering van voorzieningen of verhoging van productiecapaciteit, ook voor subsidie in aanmerking de kosten, bedoeld in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met d, van de LVV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.8</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de subsidiabele kosten voor het demonteren, verplaatsen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen, bedoeld in artikel 2.28.7, eerste lid;</p>\n<p class=\"lf-p\">65% van de subsidiabele kosten van modernisering van voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit, bedoeld in artikel 2.28.7, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie bedraagt in ieder geval € 25.001 en maximaal € 600.000 per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het percentage genoemd in het eerste lid, onder b, kan worden verhoogd tot 80% als: wordt voldaan aan een van de doelstellingen, bedoeld in artikel 14, derde lid, onder e, f of g, van de LVV; of subsidie wordt verstrekt aan een jonge landbouwer als bedoeld in artikel 2, onder 61, van de LVV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt geweigerd als de aanvrager de vrijkomende stikstofdepositie door extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Geen subsidie wordt verstrekt aan een grote onderneming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22810\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de achterblijvende locatie dient aanvrager binnen één jaar na het besluit tot subsidieverlening een verzoek tot intrekking van de natuurvergunning in.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de nieuwe locatie dient subsidieontvanger een verzoek tot wijziging van de natuurvergunning in.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De verplaatsing is binnen twee jaar na start van de activiteit voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de in het derde lid genoemde termijn verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.28.11</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als de verstrekking niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 16 in samenhang met artikel 14 van de LVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.29Gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken; marktwaarde: geschatte bedrag waartegen een onroerende zaak tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper na behoorlijke markwerking in een zakelijke transactie zou worden overgedragen op de taxatiedatum, waarbij de partijen met kennis van zaken, prudent en niet onder dwang zouden hebben gehandeld; melkvee: dieren als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel kk, van de Meststoffenwet; natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet; omgevingsrechtelijke melding: melding als bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving; omgevingsvergunning milieu: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel b, van de Omgevingswet; overgangsgebieden N2000: landbouwareaal in een Natura 2000-gebied en in een zone van maximaal 2.500 meter rond een Natura 2000-gebied; productiecapaciteit: onroerende zaken van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden zijn, hetzij direct of indirect steun vinden in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van vee, niet zijnde het erf, de erfverharding, de cultuurgrond(en), de bedrijfswoning en de mestvergister die voor minder dan 50% van de totaal te behandelen dierlijke meststoffen afhankelijk is van de dierlijke meststoffen die afkomstig zijn van de volledig of gedeeltelijk te sluiten veehouderijlocatie van de betreffende veehouderijonderneming; productierecht: productierecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel aa, van de Meststoffenwet, dat wordt uitgedrukt in: voor fosfaatrecht: kilogrammen fosfaat; voor varkensrecht: varkenseenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; voor pluimveerecht: pluimvee-eenheden, overeenkomstig de normen van bijlage II bij de Meststoffenwet; referentiejaar: voor de berekening van de stikstofemissie van een veehouderijlocatie gebruikte kalenderjaar; stikstofemissie: totaal van de stikstofemissie, uitgedrukt in kilogram ammoniak per jaar, dat - gesommeerd over de van toepassing zijnde diercategorieën – per diercategorie wordt berekend als het gemiddeld aantal dieren dat op de veehouderijlocatie is gehouden twee kalenderjaren voorafgaand waarin de aanvraag wordt ingediend, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde stalemissiefactor behorende bij het desbetreffende huisvestingssysteem;</p>\n<p class=\"lf-p\">taxateur: taxateur die is ingeschreven in de Kamer Landelijk en Agrarisch Vastgoed van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs; veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderijonderneming drijft; veehouderijonderneming: landbouwonderneming waarin dieren worden gehouden voor de primaire productie van landbouwproducten of vermeerdering van de desbetreffende dieren; veehouderijonderneming met productierecht: veehouderijonderneming voor het houden of het mede houden van diersoorten met productierecht; veehouderijlocatie: vestigingsplaats van een veehouderijonderneming, bestaande uit het gebouwerf, bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, van de vestiging; vleesrunderen: diercategorieën met codes HA2, HA4, HA5 en HA6, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het onomkeerbaar volledig of gedeeltelijk sluiten van een veehouderijlocatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vooroverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.4</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt als: de veehouderijlocatie is gelegen in de provincie Gelderland, specifiek in de Natura 2000-gebieden Veluwe, Bruuk, St.-Jansberg, Stelkampsveld, Willinks Weust, Wooldse Veen, Korenburgerveen, Bekendelle, Binnenveld of Landgoed Brummen of de bijbehorende overgangsgebieden van 2,5 kilometer; de vermindering van de stikstofemissie van de veehouderijlocatie die met de volledige of gedeeltelijke sluiting wordt gerealiseerd, meer bedraagt dan de volgende drempelwaarde:</p>\n<p class=\"lf-p\">250 kilogram ammoniak per kalenderjaar, als de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee in combinatie met het houden van maximaal 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie;</p>\n<p class=\"lf-p\">750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, als de veehouderijlocatie uitsluitend wordt gebruikt voor het houden van andere landbouwhuisdieren dan vleesrunderen of melkvee;</p>\n<p class=\"lf-p\">750 kilogram ammoniak per kalenderjaar, als de veehouderijlocatie wordt gebruikt voor het houden van vleesrunderen of melkvee en voor het houden van meer dan 25 landbouwhuisdieren die behoren tot een andere diercategorie; [vervallen] [vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bepaling stikstofemissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De stikstofemissie per diercategorie als bedoeld in artikel 2.29.4, onder b, wordt bepaald op basis van de op grond van artikel 4.6, eerste en tweede lid, van de Omgevingsregeling berekende emissiefactor die van toepassing is op de datum waarop de subsidieaanvraag wordt ingediend, vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren die behoren tot de betreffende diercategorie, die twee kalenderjaren voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend, werden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij het bepalen van de stikstofemissie om te kunnen beoordelen of een veehouderijlocatie voldoet aan de drempelwaarde als bedoeld in artikel 2.29.4, onder b wordt uitgegaan van: het gemiddeld aantal landbouwhuisdieren dat twee kalenderjaren voorafgaand aan het kalenderjaar waarin een subsidieaanvraag wordt ingediend op de locatie is gehouden, onderscheiden naar de diercategorieën, vermeld in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling; het huisvestingssysteem, genoemd in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling, waarin de onderscheidenlijke diercategorieën in het in onderdeel a genoemde kalenderjaar zijn gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als de veehouder aannemelijk kan maken dat de situatie in het kalenderjaar, twee kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidieaanvraag wordt ingediend, niet representatief is voor het jaarlijks gemiddeld gehouden aantal landbouwhuisdieren, kan worden uitgegaan van het aantal landbouwhuisdieren dat gemiddeld is gehouden in een kalenderjaar of twee kalenderjaren, voorafgaand aan het in lid 2, onder a, genoemde kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie kan worden aangevraagd door een veehouderijonderneming met of zonder rechtspersoonlijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag om subsidie in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: een taxatierapport; de uitkomsten van de bepaling van de stikstofemissie; ten minste twee offertes ter onderbouwing van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.29.8, eerste lid, onder c en d; hoeveel kilogrammen fosfaat of varkens- of pluimvee-eenheden de aanvrager wil laten vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking: de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen van productierecht voor zover sprake is van een veehouderijonderneming met productierecht; het waardeverlies van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit als gevolg van de onomkeerbare volledige of gedeeltelijke sluiting van de veehouderijlocatie, tenzij ontheffing van de verplichting tot afbraak en verwijdering van de productiecapaciteit is verleend als bedoeld in artikel 2.29.12, tiende lid, of artikel 2.29.13, negende lid; de kosten van het volledig of gedeeltelijk afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit; de kosten voor leges en planologische procedures die direct verbonden zijn met de uitvoering van de in de onderdelen a tot en met c bedoelde activiteiten; de kosten voor adviesdiensten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de in de onderdelen a tot en met c bedoelde activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder kosten voor adviesdiensten, bedoeld in het eerste lid, onder e, wordt verstaan: kosten voor de accountant en de financiële instelling in verband met het volledig of gedeeltelijk sluiten van een veehouderijlocatie; een door een fiscalist uitgevoerd onderzoek naar de fiscale gevolgen van de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie voor de veehouder; een door een bedrijfseconomisch geschoold deskundige gegeven bedrijfseconomisch advies over de volledige of gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Subsidie voor de in het tweede lid genoemde kosten voor advisering en gelijkwaardige diensten wordt alleen verstrekt, als het advies of de dienst: wordt gegeven of verleend door een onafhankelijke, gediplomeerde deskundige, die is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, en over aantoonbare kennis beschikt over het onderwerp waarop het advies betrekking heeft; een eenmalig karakter heeft en enkel betrekking heeft op de sluiting van productiecapaciteit; niet behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de veehouderijonderneming; en wordt uitgevoerd door een adviseur die is opgenomen in het bedrijfsadviseringssyteem, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De in het eerste lid genoemde subsidiabele kosten komen alleen in aanmerking voor subsidie, als het redelijk gemaakte kosten betreft die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten en die voldoen aan de eisen van het Landbouwsteunkader komen voor vergoeding in aanmerking.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.9</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.4 komen accountantskosten, ten behoeve van de vaststelling van de subsidie, niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22910\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.10</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 2.29.8, eerste lid, onder a, bedraagt 100% van de waarde van het geheel of gedeeltelijk vervallen productierecht voor zover dat vervallen productierecht niet meer bedraagt dan het productierecht dat vereist is voor het aantal dieren, dat gemiddeld in het referentiejaar op de veehouderijlocatie is gehouden en wordt bepaald in opdracht van de provincie door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk op basis van: de marktwaarde van het productierecht benodigd voor een varkenseenheid, respectievelijk een pluimvee-eenheid of een kilogram fosfaat; en de omvang van het productierecht dat vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 2.29.8, eerste lid, onder b, bedraagt 100% van het waardeverlies van de productiecapaciteit en wordt uitsluitend bepaald op basis van een in opdracht van de provincie uit te voeren taxatie van de marktwaarde van de op de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk af te breken en te verwijderen productiecapaciteit door twee onafhankelijke taxateurs gezamenlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 2.29.8, eerste lid, onder c, bedraagt 100% van de werkelijke kosten voor het volledig of gedeeltelijk slopen van de op de veehouderijlocatie aanwezige productiecapaciteit, met dien verstande dat onvoorwaardelijk ontvangen gelden voor bij de sloop vrijgekomen materialen die worden vervreemd, worden verrekend met de subsidie die wordt ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 2.29.8, eerste lid, onder d, bedraagt 100% van de werkelijke kosten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 2.29.8, eerste lid onder e, bedraagt 100%, tot een maximum van € 5000.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij het taxeren van de in het eerste lid, onder a, en tweede lid genoemde marktwaarde wordt uitgegaan van de marktwaarde op de datum van het vooroverleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien al door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten, of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens deze regeling kan worden verstrekt en is toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.11</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt geweigerd als: de veehouder zich al heeft verplicht via een overeenkomst of een aanvraag om subsidie om de veehouderijlocatie volledig of gedeeltelijk te sluiten of reeds een aanvang heeft gemaakt met het volledig of gedeeltelijk sluiten van de veehouderijlocatie; de veehouder de vrijkomende ruimte voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in het kader van extern salderen geheel of gedeeltelijk beschikbaar stelt of heeft gesteld voor andere activiteiten met het oog op een daarvoor aangevraagde of aan te vragen natuurvergunning na de datum van publicatie van de SPUK Regeling provinciale gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties; op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderijonderneming wordt gedreven en de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag op grond van deze regeling op bedrijfseconomische gangbare wijze in gebruik is geweest; de veehouder failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem is de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie; de veehouder artikel 19, eerste lid, artikel 20, eerste lid, of artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet heeft overtreden; de veehouderijonderneming van de veehouder niet voldoet aan de in artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij de LVV vastgestelde criteria; de veehouder niet aan de normen van de Europese Unie voldoet en zijn activiteiten als veehouderijonderneming moet beëindigen; de veehouderijonderneming een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in randnummer 33, onder 63, van het landbouwsteunkader.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen bij volledige sluiting van een veehouderijlocatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Binnen 18 maanden na subsidieverlening worden niet langer landbouwhuisdieren gehouden op de veehouderijlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen 18 maanden na subsidieverlening worden de dierlijke meststoffen verwijderd van de veehouderijlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De subsidieontvanger, voor zover hij een veehouderijonderneming met productierecht drijft, doet in overeenstemming met artikel 31, eerste lid van de Meststoffenwet binnen 14 maanden na subsidieverlening een kennisgeving van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat gemiddeld in het referentiejaar op de locatie is gehouden: varkens: 80%; pluimvee 80%; melkvee: 95%.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving doet de subsidieontvanger binnen 14 maanden: een omgevingsrechtelijke melding bij het bevoegd gezag dat hij op de locatie niet langer landbouwhuisdieren houdt; of een verzoek bij het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning milieu voor de locatie in te trekken of zodanig aan te passen dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In het geval de subsidieontvanger beschikt over een natuurvergunning, verzoekt de subsidieontvanger binnen 14 maanden na subsidieverlening om intrekking van de natuurvergunning, tenzij het negende lid van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De subsidieontvanger dient binnen 16 maanden na subsidieverlening bij de gemeente een verzoek in voor aanpassing van het omgevingsplan, zodanig dat op de locatie niet langer een veehouderijonderneming kan worden gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De subsidieontvanger sluit uiterlijk 12 maanden na subsidieverlening met Gedeputeerde Staten een overeenkomst waarin hij zich verbindt: niet langer op de locatie landbouwhuisdieren te houden, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie landbouwhuisdieren worden gehouden; en niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Binnen 30 maanden na subsidieverlening wordt de voor de veehouderijonderneming op de locatie gebruikte productiecapaciteit afgebroken en verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.In afwijking van het vijfde lid is de veehouder niet verplicht een verzoek tot intrekking van de natuurvergunning in te dienen, als hij op de locatie na de sluiting andere activiteiten gaat verrichten die stikstofemissie veroorzaken, waarbij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten een besluit hebben genomen op grond van artikel 11.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of door het bevoegd gezag een natuurvergunning is verleendop grond waarvan (etc. ⭢) op grond waarvan de toegestane stikstofemissie vanaf de locatie niet meer bedraagt dan de stikstofemissie ten gevolge van die activiteiten, met een maximum van 15% van de stikstofemissie van de activiteiten waarvoor voorheen toestemming was verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste in het achtste lid, voor zover de veehouder productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken voor andere activiteiten dan voor een veehouderijonderneming, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in het zevende lid, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek de in dit artikel genoemde termijnen verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22913\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen bij gedeeltelijke sluiting van een veehouderijlocatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In geval van een veehouderijlocatie die wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot één diersoort, wordt: een deel van de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit verwijderd van de veehouderijlocatie; en het aantal landbouwhuisdieren dat op de veehouderijlocatie aanwezig was in het referentiejaar in omvang teruggebracht en afgevoerd met het in onderdeel a genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In geval van een veehouderijlocatie die wordt gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren, die behoren tot twee of meer diersoorten wordt: voor ten minste één diersoort, maar niet voor alle diersoorten, de op de veehouderijlocatie aanwezige feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit volledig verwijderd; en het aantal landbouwhuisdieren in omvang teruggebracht en afgevoerd met het in onderdeel a genoemde deel van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit dat wordt verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Binnen 18 maanden na subsidieverlening worden de landbouwhuisdieren waarmee het aantal landbouwhuisdieren wordt teruggebracht, niet langer gehouden op de veehouderijlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De subsidieontvanger, voor zover hij een veehouderij met productierecht drijft, doet in overeenstemming met artikel 31, eerste lid, van de Meststoffenwet binnen 14 maanden na subsidieverlening een kennisgeving van het geheel of gedeeltelijk vervallen van zijn productierecht, waarbij ten minste het productierecht voor een zodanige omvang vervalt als is vereist voor het houden van het hierna vermelde percentage van het aantal dieren dat op de veehouderijlocatie in overeenstemming met de verwijderde stalcapaciteit, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, wordt teruggebracht: varkens: 80%; pluimvee 80%; melkvee: 95%.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Al naar gelang de toepasselijke verplichtingen op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving doet de subsidieontvanger binnen 14 maanden: een omgevingsrechtelijke melding bij het bevoegd gezag dat hij op de locatie minder landbouwhuisdieren houdt; of een verzoek bij het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning milieu voor de locatie zodanig aan te passen dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In het geval de subsidieontvanger beschikt over een natuurvergunning verzoekt de subsidieontvanger binnen 14 maanden na subsidieverlening tot aanpassing van de natuurvergunning, zodanig dat het niet langer is toegestaan op de locatie landbouwhuisdieren te houden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De subsidieontvanger sluit uiterlijk 12 maanden na subsidieverlening met Gedeputeerde Staten een overeenkomst waarin hij zich verbindt: niet meer landbouwhuisdieren te houden dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband; zeker te stellen dat na al dan niet tijdelijke overdracht of ingebruikgeving van de locatie of een deel daarvan aan een verkrijger of gebruiker evenmin op die locatie meer landbouwhuisdieren worden gehouden met een aantal dat het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren overstijgt; en niet op een over te nemen bestaande veehouderijlocatie of een in te richten nieuwe veehouderijlocatie in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie de diersoorten te gaan houden die werden gehouden op de locatie die met subsidie op grond van deze regeling is gesloten, noch als persoon, noch tezamen met anderen in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband 8.Onder de in het eerste en tweede lid genoemde verwijdering van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit wordt verstaan het afbreken en verwijderen van de voor de veehouderijonderneming op de veehouderijlocatie gebruikte dierenverblijven, voor zover zij zijn te relateren aan het aantal landbouwhuisdieren dat niet langer wordt gehouden op de veehouderijlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het vereiste van het verwijderen van de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit, bedoeld in het eerste en tweede lid, voor zover de veehouderijonderneming de productiecapaciteit langdurig gaat gebruiken: voor de veehouderij, mits de feitelijk gerealiseerde stalcapaciteit gebruikt wordt voor het houden van landbouwhuisdieren tot een maximum van het in omvang teruggebrachte aantal landbouwhuisdieren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdeel b; voor andere activiteiten dan voor een veehouderij, mits het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, binnen twaalf maanden nadat de overeenkomst, bedoeld in het zevende lid, is gesloten, met dat gebruik heeft ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek de in dit artikel genoemde termijnen verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.14</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 26, eerste lid, en 27, eerste lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling vergezeld van: een kopie van de kennisgeving over het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, bedoeld in artikel 2.29.12, tweede lid; de omgevingsrechtelijke melding, dan wel het verzoek tot intrekking of aanpassing van de omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.29.12, derde lid; een kopie van het verzoek tot intrekking van de natuurvergunning, bedoeld in artikel 2.29.12, vierde lid; een kopie van het verzoek aan de gemeente voor aanpassing van het omgevingsplan en van een bericht van de gemeente waaruit blijkt dat het verzoek in behandeling is genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22915\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.15</span><span class=\"lf-art-t\">Transparantie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten maken na de datum van de subsidievaststelling de volgende gegevens bekend: de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder a en b, van het Landbouwsteunkader; en de gegevens, bedoeld in deel I, paragraaf 3.2.4, onderdeel 112, onder c, van het Landbouwsteunkader, voor zover de individuele steun meer bedraagt dan € 10.000.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De gegevens die door de veehouderijonderneming zijn verstrekt aan de provincie op grond van deze subsidieregeling, kunnen door de provincie worden verstrekt aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of Gedeputeerde Staten kan gegevens die in het kader van deze regeling zijn verstrekt: gebruiken voor het opnemen van depositieruimte in het Aerius Register, bedoeld in hoofdstuk 17A van de Omgevingsregeling; verwerken voor de toepassing van artikel 20.1, eerste lid van de Omgevingswet, de artikelen 11.68, 11.69, 11.69a, 11.69c, 12.26b en 12.26c van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelen 10.36dc en 15.5 van het Omgevingsbesluit; verstrekken aan kennisinstellingen met het oog op monitoring, voortgang en evaluatie.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22916\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.29.16</span><span class=\"lf-art-t\">Communautair toetsingskader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met het Besluit van de Europese Commissie genomen op 14 augustus 2024, over steunmaatregel SA.114339, op het verzoek van de Minister voor Natuur en Stikstof voor de regeling houdende specifieke uitkeringen aan provincies ten behoeve van de beëindiging van veehouderijlocaties ter ondersteuning van het Nationaal Programma Landelijk Gebied.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.30 Alternatieve verblijfplaatsen vleermuizen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2301\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.30.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het inrichten van een alternatieve verblijfplaats van een beschermde vleermuis ter vervanging van een verblijf dat door verduurzaming van een gebouw ongeschikt is geworden of zal worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2302\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.30.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt als de inrichting zal plaatsvinden volgens een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd compensatieplan waarin wordt beschreven op welke wijze invulling is gegeven aan de compensatieplicht volgens de werkwijze Natuurvriendelijke Isoleren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2303\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.30.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door een gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2304\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.30.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een brief van Gedeputeerde Staten waarin goedkeuring is verleend aan het compensatieplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2305\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.30.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal het in bijlage 8 genoemde bedrag per gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2306\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.30.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidies worden vastgesteld op grond van artikel 25 van de AsG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2307\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.30.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten, waarvoor subsidie wordt verleend, moeten uiterlijk 31 december 2026 zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk3Water en bodem Paragraaf3.1Algemene bepalingen (gereserveerd) Paragraaf3.2Subsidieregeling samenwerkingsovereenkomsten waterschappen 2022-2027</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder projectenlijst: door het bevoegd gezag van het waterschap Rijn en IJssel, van het waterschap Vallei en Veluwe of van het waterschap Rivierenland en Gedeputeerde Staten periodiek vastgestelde lijst met uit te voeren projecten, waarvoor door het waterschap subsidie wordt aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenwerkingsovereenkomst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de samenwerkingsovereenkomst tussen gedeputeerde staten en het bevoegd gezag van het waterschap Rijn en IJssel, van het waterschap Vallei en Veluwe of van het waterschap Rivierenland worden in ieder geval afspraken vastgelegd: hoe partijen gezamenlijk werken aan de realisatie van verschillende doelen; hoe partijen gezamenlijk komen tot één projectenlijst; hoe de subsidiabele kosten worden bepaald; hoe de te behalen resultaten kunnen worden bepaald; en over een periodiek overleg over de voortgang, financiering, monitoring en evaluatie van projecten en over de verslaglegging van dat overleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Projectenlijst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de projectenlijst wordt in ieder geval voor ieder project opgenomen: de projectnaam; de resultaten per financieringsbron; de geraamde kosten per beoogd resultaat; de gevraagde subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt voor het uitvoeren van projecten die zijn beschreven op de projectenlijst waarvoor middelen worden gevraagd op grond van: provinciale middelen; een door de Provincie Gelderland ontvangen Specifieke Uitkering van het Rijk; het Natuurpact 2013-2027.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 1.3.4, aanhef en onder b, zijn de kosten bij subsidieverstrekking op grond van artikel 3.2.4 vanaf 1 januari 2021 subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.3.5, tweede lid, geldt het uurtarief zoals vastgelegd in de Handleiding overheidstarieven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt ten hoogste het bedrag of percentage dat in de projectenlijst is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag een planning met de te behalen resultaten inclusief een tijds- en uitgavenplanning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het voorschot voor subsidie op grond van artikel 3.2.4, eerste lid, bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het voorschot voor subsidie op grond van artikel 3.2.4, tweede lid en derde lid, bedraagt maximaal 80% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De betalingstermijnen worden aan de hand van de uitgavenplanning bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt op grond van artikel 3.2.4, onderdeel a, zijn uiterlijk 31 december 2027 gerealiseerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor subsidies die zijn verstrekt op grond van grond artikel 3.2.4, onderdeel b, gelden de volgende verplichtingen: de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Specifieke Uitkering Programma Natuur, zijn uiterlijk 30 juni 2026 gerealiseerd; de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Specifieke Uitkering Versnelling NPLG, zijn uiterlijk 31 december 2027 gerealiseerd; de subsidieontvanger houdt na de uitvoering van de activiteit de herstelde of verbeterde natuur gedurende zes jaar in stand; de subsidieontvanger levert de gegevens aan die de provincie nodig heeft voor monitoring, rapportage en verantwoording.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.De activiteiten waarvoor subsidie is verleend op grond van artikel 3.2.4, onderdeel c, zijn uiterlijk 31 december 2027 gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 27 van de AsG is artikel 26 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 3.2.4, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie, bedoeld in artikel 3.2.4, tweede lid, wordt in afwijking van artikel 27 van de AsG op grond van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet verantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.3Overdracht bodemtaken onder de Omgevingswet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden verstrekt voor: het oplossen van knelpunten rondom de overname van bodemtaken in het kader van de Omgevingswet; of advies en kennisdeling over het inrichten van de gemeentelijke organisatie in het kader van de overname van de bodemtaken bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder het oplossen van knelpunten wordt in ieder geval verstaan het implementeren van bodem en ondergrond in: de omgevingsvisie, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet; het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet; of een programma als bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen zes maanden na subsidieverlening te starten en af te ronden vóór 1 januari 2025.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.3.1 komen niet in aanmerking de kosten van saneringsprojecten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie, bedoeld in artikel 3.3.1, bedraagt € 50.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.4Ondergrond in beeld bestemd voor ruimtelijke ontwikkeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van bodemonderzoek of opstellen van een rapport over bodem- en ondergrondaspecten in een gebied en het delen van opgedane kennis hierover.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger maakt het rapport openbaar via internet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komen niet in aanmerking de kosten van wettelijk verplicht bodemonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.3.4, onderdeel f, kan subsidie worden verstrekt voor de onderzoekskosten naar stoffen die voorkomen op de Europese lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen en de onderzoekskosten voor niet genormeerde stoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie, bedoeld in artikel 3.4.1, bedraagt € 10.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk4Verkeer en vervoer Paragraaf4.1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: definitiekader Hoofdfietsnet Gelderland: door Provinciale Staten op 31 januari 2018 (PS2017-766) vastgesteld beleidskader voor het bepalen van het hoogwaardig regionaal fietsnet in Gelderland; hoogwaardig openbaar vervoer: openbaar vervoer per bus met een storingsvrije afwikkeling, gestrekte routes met waar nodig vrij liggende infrastructuur voor de bus, een hoge frequentie, herkenbare en goed bereikbare halte- en knooppuntvoorzieningen, een hoog niveau van dynamische reizigersinformatie en beschikbaarheid van goede en voldoende stallingsvoorzieningen voor de fiets; openbaar vervoer: vervoer per trein, bus, tram of regiotaxi dat wordt verzorgd door een vervoerder waaraan op grond van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">SSK-raming: Standaardsystematiek voor Kostenramingen: systematiek voor kostenramingen zoals deze is vastgelegd in publicatie 137 van het door het CROW uitgegeven handboek Kostenramingen – SSK 2010 of de kennismodule kostenmanagement – SSK 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.2Infrastructurele Maatregelen Hoogwaardig Openbaar Vervoer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">HOV-lijn: buslijn die hoogwaardig openbaar vervoer biedt en opgenomen is in het Plan HOV; plan HOV: plan van gemeenten in een regio en de provincie op het gebied van hoogwaardig openbaar vervoer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Plan HOV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen een plan HOV vast als aan de volgende vereisten wordt voldaan: het plan HOV bevat activiteiten ter verbetering van de infrastructuur voor hoogwaardig openbaar vervoer; de activiteiten passen in de OV-visie; het vervoerberaad heeft ingestemd met het plan HOV; de activiteiten zijn uitgesplitst per HOV-lijn en gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die zijn opgenomen in een plan HOV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van het bedrag dat voor die activiteit in het plan HOV is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor subsidie komen in aanmerking de kosten zoals die zijn vastgelegd in de bij de aanvraag gevoegde SSK-raming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op artikel 1.3.4 komen kosten voor personele inzet van de aanvrager niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van artikel 1.3.4, onder b, komen de kosten die gemaakt zijn in het jaar voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ontvangen voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De artikelen 1.3.5 tot en met 1.3.9 zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan alleen worden aangevraagd door de gemeente die in het plan HOV opgenomen is en op wier grondgebied de activiteit plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag bevat een SSK-raming waarin geen kosten voor personele inzet zijn opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager geeft binnen een jaar vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening opdracht voor realisatie van de subsidiabele activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd als voor dezelfde activiteit al subsidie is verstrekt op grond van paragraaf 5.5 Overstappunten mobiliteit zoals die bestond in de RRvG 2016 die gold t/m 31 december 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.3Duurzame vrachtauto’s Vervallen Paragraaf4.4Slimme en Schone Mobiliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Slimme en Schone Mobiliteit: toepassing of gebruik van nieuwe techniek, data, diensten, kennis en mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding met als doel bestaande infrastructuur beter te benutten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op verzoek van een regio kunnen Gedeputeerde Staten een regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit goedkeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten verlenen goedkeuring aan het plan als aan de volgende vereisten wordt voldaan: het plan bevat projecten gericht op Slimme en Schone Mobiliteit; het plan bevat een beschrijving van de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de beschreven projecten; het plan bevat een sluitende begroting; en het plan past binnen de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsagenda Slimme en Schone Mobiliteit 2023 en verder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door: de Regio Arnhem-Nijmegen; de Regio FoodValley; de Regio Achterhoek; de Regio Rivierenland; de Regio Stedendriehoek; een samenwerkingsverband van de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Nunspeet, Oldebroek en Putten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor de uitvoering van een regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, komen in afwijking van artikel 1.3.4, aanhef en onder b, voor subsidie in aanmerking als deze zijn gemaakt in het kalenderjaar waarin Gedeputeerde Staten het regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit hebben goedgekeurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om subsidie wordt ingediend binnen 13 weken nadat Gedeputeerde Staten het regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit hebben goedgekeurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal de bijdrage van de provincie Gelderland die in het regionaal uitvoeringsplan Slimme en Schone Mobiliteit is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvraag door een bij het samenwerkingsverband betrokken gemeente ook namens de andere gemeenten wordt ingediend, dan wordt bij de aanvraag in aanvulling op artikel 1.2.3 een verklaring van alle samenwerkende gemeenten overgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 25 en 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidies op grond van deze paragraaf, waarbij voor subsidies tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd als voor dezelfde activiteit subsidie is verstrekt op grond van paragraaf 4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.5Grootschalige maatregelen hoofdfietsnet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: grootschalige maatregel: aanleg van fietsbrug, fietstunnel, fietsstraat of vrijliggend fietspad, een verbeterde fietskruising, het verbreden van een bestaand fietspad, of een voetpad; hoofdfietsnet: netwerk van fietsroutes als bedoeld in het definitiekader Hoofdfietsnet Gelderland; doorfietsroute: snelle fietsroute als bedoeld in het definitiekader Hoofdfietsnet Gelderland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het nemen van een grootschalige maatregel om het hoofdfietsnet te verbeteren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-453\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vooroverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voordat een aanvraag wordt ingediend, vindt vooroverleg plaats aan de hand van het ontwerp dat door de aanvrager wordt aangeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het doel van het vooroverleg is het bespreken van het ontwerp aan de hand van de geldende CROW-richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het vooroverleg vindt plaats binnen 4 weken na ontvangst van het ontwerp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door een gemeente of door de gemeente of regio die volgens de aanvraag optreedt als penvoerder van samenwerkende gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.2.3 wordt bij een aanvraag om subsidie bijgevoegd: een kaart met de Basisregistratie Grootschalige Topografie als onderlegger; een dwarsprofiel van de huidige situatie op de weg en een ontwerp en dwarsprofiel van de maatregel; een SSK-raming waarin geen interne loonkosten zijn opgenomen; en een beschrijving van de huidige verkeerssituatie op locatie en een toelichting op de wijze waarop het nemen van de voorgestelde grootschalige maatregel het hoofdfietsnet verbetert.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de kaart zijn de locatie van de maatregel, de lengte van de maatregel en de aanduiding van de grootschalige maatregel op de fietsroute of een deel daarvan ingetekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidie voor een grootschalige maatregel anders dan voor een doorfietsroute bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 750.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De subsidie voor een grootschalige maatregel voor een doorfietsroute bedraagt ten hoogste 65% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.000.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid kan subsidie tot ten hoogste 90% van de subsidiabele kosten worden verleend als dat in een samenwerkingsovereenkomst tussen de provincie en aanvrager is vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De kosten op basis van de bij de aanvraag gevoegde SSK-raming komen voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.3.4 komen de kosten die zijn gemaakt voor de datum van de aanvraag ook voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor subsidie komen niet in aanmerking: kosten voor de aankoop van grond; kosten voor onderhoud van het traject; de interne loonkosten van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Artikel 1.3.5 tot en met 1.3.9 zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De subsidieontvanger start binnen een jaar na het besluit tot subsidieverlening met het uitvoeren van de subsidiabele activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.4.7 moet de subsidieontvanger de grootschalige maatregel minimaal tien jaar in stand te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd als: voor het traject waarop de grootschalige maatregel wordt genomen op grond van deze regeling al eerder subsidie is verleend; of naar het oordeel van de provincie het ontwerp niet in afdoende mate voldoet aan de geldende CROW-richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.6Hoogwaardige fietsroute Vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.7 Rapport en training duurzaam goederenvervoer over de weg</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Paragraaf4.8Buurtbus</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-481\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: buurtbus: vorm van openbaar vervoer per achtpersoonsbus, waarmee dunbevolkte gebieden of wijken volgens vaste route en dienstregeling verbonden worden; buurtbuslijn: vaste route en dienstregeling die door de concessiehouder is vastgesteld; buurtbusvereniging: rechtspersoon die een buurtbuslijn verzorgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-482\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de activiteiten van vrijwilligers die zich inzetten voor een buurtbusvereniging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-483\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt alleen verstrekt aan een aanvrager die in de vigerende dienstregeling een buurtbuslijn verzorgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-484\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt: € 8.200 per buurtbus in 2024, € 8.500 per buurtbus in 2025 en € 8.900 per buurtbus in 2026; € 550 per buurtbusvereniging als sprake is van een lustrum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-485\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 25, derde lid, van de AsG is op de subsidie van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-486\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door een buurtbusvereniging in Gelderland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-487\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Periode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt verstrekt voor een periode van maximaal drie jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-488\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie voor een extra bus die incidenteel wordt ingezet als de beschikbare capaciteit niet toereikend is, wordt geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.9Bereikbare bushaltes</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-491\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: vervoerplan: plan van de concessiehouder waarin beschreven is waar de bus gaat rijden en waar de bus stopt bij welke halte; wegbeheerder: Rijkswaterstaat, gemeente of waterschap, die verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-492\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Subsidie kan worden verleend voor het realiseren of verwijderen van een bushalte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Subsidie kan worden verleend voor het aanpassen van een bushalte die niet door hoogwaardig openbaar vervoer wordt bediend, door: het verruimen van de doorgangen bij de bushalte; de bushalte op hoogte brengen; het aanbrengen van een abri; het aanbrengen van verlichting; het aanbrengen van fietsparkeerplaatsen; het plaatsen van afvalbakken; het verlengen van de bushalte naar de lengte van de meest ingezette bus; het aanbrengen van zit- of leungelegenheid; en het verhogen van het fietspad naast een te smal perron.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidie kan worden verleend voor het realiseren of aanpassen van loop- en fietsinfrastructuur naar een bushalte die niet door hoogwaardig openbaar vervoer wordt bediend, door: het realiseren of verbreden van loop- of fietspaden; het realiseren of verbeteren van een oversteekvoorziening voor fietsers en voetgangers; het optimaliseren van loop- en fietspaden bij rotondes; het aanbrengen van openbare verlichting langs loop- en fietsroutes; het toepassen van gesloten verharding; en het instellen van voorrang voor fietsers en voetgangers.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-493\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie voor het realiseren van een bushalte wordt alleen verstrekt als: deze ligt aan de route van een buslijn die opgenomen is in het geldende vervoerplan; en de route van de buslijn nieuw is ten opzichte van het vorige vervoerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie voor het verwijderen van een bushalte wordt alleen verstrekt als die bushalte na de laatste wijziging van het vervoerplan niet meer wordt gehalteerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidie voor het realiseren of aanpassen van loop- en fietsinfrastructuur naar een bushalte wordt alleen verstrekt als de infrastructuur binnen een straal van 200 meter van een bushalte ligt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-494\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie genoemd in artikel 4.9.2, eerste en tweede lid, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie, genoemd in artikel 4.9.2, derde lid, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 150.000.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-495\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.4 komen interne loonkosten van de aanvrager niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-496\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt aan een wegbeheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-497\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.3 verstrekt de aanvrager een ontwerp van de bushalte of loop- en fietsinfrastructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-498\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd als de aanvraag naar het oordeel van de provincie niet in afdoende mate voldoet aan de geldende CROW-richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.10Eenvoudige maatregelen fietsveiligheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4></div>", "next": 239894}