{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Er gelden hiervoor overigens geen specifieke inhoudelijke bepalingen: voor bv. de relatie met het woningbouwprogramma geldt het hiervoor van toepassing zijnde regime. Kernkwaliteiten Het Nationaal Landschap IJsseldelta wordt gekenmerkt door de volgende kernkwaliteiten: ¿ De grote mate van openheid, ¿ De historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek ¿ Het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen ¿ De kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap. Noordoost-Twente is aangewezen als nationaal landschap vanwege de volgende kernkwaliteiten: ¿ Samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen ¿ De grote mate van kleinschaligheid ¿ Het groene karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze kernkwaliteiten zijn voor beide nationale landschappen verder uitgewerkt in ontwikkelingsperspectieven, waarin de ambities zijn neergelegd om uitvoering te geven aan het principe ‘behoud door ontwikkeling' met als doel om waar mogelijk te komen tot versterking van de bijzondere kwaliteiten van de gebieden. De ontwikkelingsperspectieven zijn vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel, de raden van de betreffende gemeenten en de algemene besturen van de waterschappen in samenwerking met belangenverenigingen en vertegenwoordigers van de ministeries van VROM en LNV. Provinciale Staten is overgegaan tot vaststelling van het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta op 15 februari 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente is door PS vastgesteld op 13 december 2006. Bij de verordening zijn tabellen gevoegd waarin een nadere uitwerking conform deze ontwikkelingsperspectieven wordt geven van de kernkwaliteiten van zowel het Nationaal Landschap IJsseldelta als het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. In de verordening wordt hiernaar verwezen. Gebiedskenmerken Een groot deel van de bescherming van de kernkwaliteiten van de beide nationale landschappen wordt al bereikt via de regeling ten aanzien van de gebiedskenmerken zoals die in de Catalogus Gebiedskenmerken voor beide gebieden zijn benoemd. Zo is in de normstellende uitspraken ten aanzien van laagveenontginningen (2.5.) bepaald dat de polder Mastenbroek een beschermende bestemming een beschermende bestemming dient te krijgen, gericht op instandhouding van het grootschalig open karakter van zijn wegen- en lintengrid en aanliggende huisterpen en het patroon van dijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nationale landschappen omvatten echter meerdere typen gebiedskenmerken en niet alle onderdelen in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn zo duidelijk toegespitst op de genoemde kernkwaliteiten. Vanwege de bijzondere status en de gewenste samenhang in benadering van het gebied, is er daarom voor gekozen om voor de nationale landschappen een aanvullende regeling op te nemen. Kern van deze regeling is dat nieuwe ontwikkelingen alleen mogelijk zijn als ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen. AMvB Ruimte De regeling in titel 2.6. komt overeen met de doelstellingen van het beleid van het Rijk ten aanzien van nationale landschappen. Het Rijk heeft aangekondigd in de AMvB Ruimte algemene bepalingen op te nemen voor nationale landschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast een regeling voor de begrenzing en de uitwerking van de kernkwaliteiten, zal er naar verwachting een getrapte regeling komen in de AMvB waarbij de provincie wordt opgedragen om in de provinciale verordening regels vast te stellen ten aanzien van de inhoud van bestemmingsplannen die gericht moeten zijn op de instandhouding en verdere ontwikkeling van de kernkwaliteiten van de nationale landschappen. De provinciale verordening zal een regeling opgenomen moeten worden die ertoe leidt dat wijzigingen van bestemmingen of grondgebruik alleen mogelijk zijn als de wijziging geen significant negatief effect heeft op de kernkwaliteiten. Vooruitlopend op de AMvB is hiertoe een regeling opgenomen in titel 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft het principe ‘migratiesaldo nul' dat voor de nationale landschappen van toepassing is, geldt dat de provinciale regeling ten aanzien van woningbouw (titel 2.2.) hieraan afdoende invulling geeft. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. Nationaal Landschap: door het Rijk aangewezen en globaal begrensde gebieden met (inter)-nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken; b. kernkwaliteit: de essentiële landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale landschappen of van een deel van een nationaal landschap die voor het Rijk aanleiding zijn geweest om over te gaan tot aanwijzing van het nationaal landschap; c. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta: het Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap IJsseldelta zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 februari 2006 (nr. PS/2005/1363); d. Ontwikkelingsperspectief Nationaal Landschap Noordoost-Twente: het Ontwikkelingsperspectief Noordoost-Twente zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 13 december 2006 (nr. PS/2006/867).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Begrenzing</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Als Nationaal Landschap IJsseldelta is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als Nationaal Landschap Noordoost-Twente is nader begrensd het gebied dat op kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050 is aangegeven.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kernkwaliteiten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn: de grote mate van openheid; de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek; het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen; de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel A in bijlage 7 van deze verordening.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Noordoost-Twente zijn: het samenhangende complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen; de grote mate van kleinschaligheid; het groene karakter.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze kernkwaliteiten zijn nader uitgewerkt in tabel B in bijlage 7 van deze Verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe ontwikkelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in tabel A en tabel B in bijlage 7 van deze verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.7. Ecologische Hoofdstructuur</h3>\n<p class=\"lf-p\">8[Toelichting: Provinciaal belangOverijssel wordt gekenmerkt door een grote variatie aan plant- en diersoorten (biodiversiteit). Het verlies van soorten verarmt de natuurwaarde en maakt ecosystemen kwetsbaar. Het behoud van biodiversiteit is nodig voor een duurzame toekomst. Om deze redenen willen wij achteruitgang van biodiversiteit voorkomen en zetten wij in op ontwikkeling, beheer en bescherming van de biodiversiteit in Overijssel.Natuur en landschap zijn niet alleen van betekenis voor het behoud en bescherming van biodiversiteit. Natuur en landschap zijn ook van belang voor de regionale economie en voor de kwaliteit van de leefomgeving en een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken. Om deze redenen zetten wij in op een duurzame ontwikkeling en bescherming van de natuurwaarden in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe hebben wij gebieden aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur waarvoor geldt dat het beleid is gericht op het behoud en de ontwikkeling van aanwezige en potentiële natuurwaarden. beleidsdoelstellingenDe Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van natuurgebieden en bestaat ondermeer uit bossen, heidevelden, vennen, brongebieden, rivieren, oevers, houtsingels en struweel, maar ook kruidenrijk grasland. Voor het merendeel gaat het om bestaande natuur en natuur die in afgelopen tijd gerealiseerd is in het kader van het beleid voor de EHS. Daarnaast zijn er gebieden aangewezen waar de komende tijd nieuwe natuur ontwikkeld zal worden en gebieden waarvoor nog een uitwerking plaats moet vinden over de te nemen maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingsverordening is de begrenzing van de EHS vastgelegd. Het werkingsgebied van het beleid voor de EHS is aangegeven op een digitale kaart die onderdeel uitmaakt van de Omgevingsverordening (artikel 2.7.2)Wij willen binnen de EHS een netwerk van natuurgebieden realiseren met goede condities voor de biodiversiteit. Ons beleid is gericht op het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van natuurgebieden die in de EHS zijn opgenomen. Deze natuurgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen is het noodzakelijk dat deze gebieden zowel van voldoende omvang zijn als de mogelijkheid bieden om te migreren tussen deze gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De EHS in Overijssel hangt samen met de EHS in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden. Dit Europese net van natuurgebieden staat bekend als \"Natura 2000\". De natuurwaarden in de Natura 2000 gebieden zijn van Europees belang en vallen onder het beschermingsregime van de natuurbeschermingswet. Het grootste deel van de Natura 2000 gebieden ligt in de EHS. Voor de mens is de EHS belangrijk om van de schoonheid van natuur en landschap te genieten, te recreëren en tot rust te komen. Daarom wil de provincie deze gebieden toegankelijk maken voor het publiek. Het beleid is er op gericht dit netwerk van samenhangende natuurgebieden in 2018 gereed te hebben.Het beleid voor de EHS is aan de ene kant gericht op het vrijwaren van de betreffende gebieden van ontwikkelingen die het realiseren van de beoogde natuurdoelen in de weg kunnen staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de andere kant richt het beleid zich op het toekennen van passende bestemmingen voor gronden die inmiddels zijn aangekocht voor het realiseren van natuur of waarvan de huidige economische waarden anderszins zijn afgeboekt.beschermingsregimeVanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor de gehele EHS. Voor de EHS geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het \"nee, tenzij\"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang een dergelijke aantasting niet plaatsheeft, is er vanwege de EHS geen grond om de betreffende ontwikkeling tegen te gaan. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van titel 2.1. van toepassing blijft (zoals de toepassing van de SER-ladder, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken). Met dit beschermingsregime voldoen wij aan de eisen van het Besluit Algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro bevat de randvoorwaarden die het rijk vanuit nationale belangen stelt aan de ruimtelijke bescherming van de EHS. Naast de ruimtelijke bescherming vanuit de EHS gelden mogelijk ook andere wet- en regelgeving voor de bescherming van natuurwaarden.Binnen het gebied dat aangewezen is als EHS worden gebiedscategorieën onderscheiden waarvoor een verschil in bestemmingsregime geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om de volgende gebiedscategorieën:- Bestaand; - Te realiseren.Gebiedscategorieën Ecologische HoofdstructuurBestaandDe categorie ‘Bestaand' is van toepassing op gebieden waar de beoogde natuurwaarden aanwezig zijn zoals bestaande wateren, natuur - en bosgebieden. Verder vallen binnen deze categorie gebieden de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en die ingericht zijn conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en waarde EHS'. Die gebieden moeten als natuur worden bestemd. Binnen de gebiedscategorie ‘Bestaand' vallen ook landbouwgronden die eigendom zijn van natuurbeschermingsorganisaties, die de gronden in het kader van landgoederen beheren. Deze cultuurgronden zijn meestal langjarig verpacht en zullen de komende jaren een landbouwkundig gebruik houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de pachtconstructie moeten deze gronden een agrarische bestemming houden totdat de pachtsituatie is beëindigd. Hiervoor is in artikel 2.7.3. lid 5 een regeling getroffen op grond waarvan bestaand gebruik conform de geldende bestemming kan worden voortgezet.Te realiserenDe categorie ‘Te realiseren' is van toepassing op gebieden waar de beoogde natuurwaarden nog niet of niet geheel zijn gerealiseerd. Deze \"te realiseren\" gebieden kunnen al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels zijn ingericht. Voor deze gebieden geldt dat zolang de gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd, de huidige bestemming vooralsnog gehandhaafd kan blijven. Op het moment dat de gronden worden aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de EHS en ook beschikbaar zijn voor het realiseren van de beoogde natuurdoelen, moeten de gronden bestemd worden als natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inrichting van natuurgebieden is doorgaans een bestemmingsplanwijziging nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.7.3 lid 3 sub b is een vangnetbepaling op grond waarvan zonodig de planologische medewerking van de gemeenten aan de inrichting van natuurgebieden binnen de EHS kan worden afgedwongen. Wanneer gronden zijn aangekocht, kan nog niet in alle gevallen worden overgegaan tot inrichting omdat in sommige gevallen de gronden nog niet beschikbaar zijn voor de realisatie van de beoogde natuurwaarden. Binnen deze gebiedscategorie zijn 3 subcategorieën te onderscheiden: a. Netto begrensd;b. Bruto begrensd;c. Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000.De subcategorie ‘Netto begrensd' omvat gebieden die concreet zijn begrensd als gronden waarop nieuwe natuur gerealiseerd zal worden. De subcategorie ‘Bruto begrensd' omvat de gebieden die aangewezen zijn voor het realiseren van nieuwe natuur, maar waar de begrenzing ruimer is dan wat er als nieuwe natuur gerealiseerd zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is het geval bij een aantal inrichtingsprojecten. De opgave voor natuur (aantal hectare) ligt vast, maar de exacte plek is nog onduidelijk. De komende tijd wordt gebruikt om de opgave concreet te begrenzen. Dit proces zal zo spoedig mogelijk worden afgreond. Indien de concrete begrenzing duidelijk is, zal dit gewijzigd worden op de kaart.Binnen de EHS-begrenzing ligt het \"Uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000\". In dit gebied worden maatregelen genomen die nodig zijn om de achteruitgang van natuurwaarden in Natura 2000 gebieden te voorkomen en op langere termijn de doelen voor de Natura 2000 gebieden te realiseren. Deze opgave vloeit voort uit de Natuurbeschermingswet 1998.De te nemen maatregelen zullen gericht zijn op het realiseren van de in de gebiedsanalyses beschreven na te streven effecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PAS richt zich op na te streven effecten voor de korte termijn (te realiseren binnen zes jaar na inwerkingtreding van de PAS) en langere termijn (te realiseren in de tweede en derde periode van zes jaar). Om de economische ontwikkelingsruimte die door uitvoering van de PAS beschikbaar komt te kunnen benutten zullen we de ons beschikbare instrumenten maximaal inzetten.Er zijn op voorhand geen natuurdoelen vastgesteld voor het Uitwerkingsgebied. Wel is de verwachting dat door de uitvoering van de Natura2000-beheerplannen en de PAS een deel van de begrensde hectares een meer natuur gerelateerde bestemming zal krijgen en hiervoor ingericht wordt. De overige hectares blijven agrarisch en worden uit de EHS gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is op voorhand onmogelijk om dit in een exact percentage aan te geven of de exacte locaties te bepalen. In de gebiedsgerichte uitwerking van de PAS-opgaven wordt bepaald welke natuurwaarden op welke locatie nagestreefd worden opdat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de kansen voor natuur en landbouw. Voor het realiseren van peilaanpassingen zullen we met de waterschappen bezien waar en hoe het instrument van Peilbesluiten ingezet zal worden. Zolang gronden binnen de Uitwerkingsgebieden Ontwikkelopgave Natura2000 niet zijn ingericht, blijft agrarisch gebruik mogelijk binnen gebiedskenmerken en binnen overige vigerende regelgeving.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">9[Toelichting: Bij de verordening is een (digitale) kaart opgenomen. Daarop is tot op perceelsniveau nauwkeurig aangegeven welk gebied behoort tot de provinciale ecologische hoofdstructuur van Overijssel. In de begripsbepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen de gebiedscategorie ‘Bestaand' en de gebiedscategorie ‘Te realiseren'. Voor de gebiedscategorie ‘Bestaand' geldt dat de beoogde natuurdoelen inmiddels zijn gerealiseerd of de gebieden die zijn ingericht voor de natuurdoelen die zijn omschreven in de bijlage ‘Wezenlijke kenmerken en waarden EHS'. Voor de gebiedscategorie ‘Te realiseren' geldt dat de beoogde natuurwaarden nog niet of niet geheel zijn gerealiseerd. Deze gebieden kunnen al wel zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en deels zijn ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gebiedscategorie ‘Te realiseren' wordt vooralsnog rekening gehouden met de subcategorieën ‘Netto begrensd' , ‘Bruto begrensd' en ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000'. Voor de toelichting op dit onderscheid verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt in de algemene toelichting.In de begripsbepaling wordt een definitie gegeven van het begrip ‘wezenlijke kenmerken en waarden'. Daarbij wordt verwezen naar de bijlage ‘Wezenlijke kenmerken en waarden EHS' waarin voor de verschillende gebieden binnen de EHS de wezenlijke kenmerken en waarden zijn beschreven. Het gaat om een globale beschrijving van de actuele en potentiële natuurwaarden van de verschillende deelgebieden van de EHS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze bijlage hoort een kaart waarop de verschillende deelgebieden zijn aangegeven. Met deze beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden voldoen wij aan de eis die op dit punt in het Barro wordt gesteld. ] In deze verordening wordt verstaan onder: a. compensatieplan: plan waarin overeenkomstig de eisen van artikel 2.7.5 de maatregelen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen binnen de EHS te compenseren en mitigeren; b. Ecologische Hoofdstructuur (EHS): samenhangend netwerk van natuurgebieden met bestaande en potentiële natuurwaarden van (inter)nationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, begrensd overeenkomstig artikel 2.7.2; c. gebiedscategorie: typering zoals aangegeven op de kaart van een deelgebied van de EHS, bestaande uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaand: gebieden getypeerd door de aanwezigheid van grote natuurwaarden en gebieden die zijn aangekocht en/of afgewaardeerd en die zijn ingericht conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken en waarden EHS';</p>\n<p class=\"lf-p\">Te realiseren: gebieden getypeerd door de geschiktheid voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de natuurdoelen als omschreven in de bijlage ‘wezenlijke kenmerken enwaarden EHS' omdat de gronden nog niet zijn aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd en/of nog niet beschikbaar zijn voor de realisering van de EHS, bestaande uit de volgende subcategorieën: ¿ - Netto begrensd: concreet begrensde nog te realiseren natuur; ¿ - Bruto begrensd: zoekgebied waarbinnen nog bepaald moet worden waar een vooraf vastgesteld aantal hectares natuur concreet zal worden gerealiseerd; 10[Toelichting: Inzet voor deze zoekgebieden is dat er bij vaststelling van de herijkte EHS duidelijk is wat er als EHS begrensd wordt.] ¿ - Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000: gebieden waar maatregelen genomen moeten worden om natuurwaarden in nabijgelegen N2000-gebieden te beschermen; 11[Toelichting: De precieze uitwerking van de vastgestelde maatregelen moet nog plaatsvinden (nader uitgewerkt in realisatiestrategie en vervolg proces van realisatie). Op basis hiervan kan de EHS te zijner tijd waar mogelijk verkleind worden.] d. wezenlijke kenmerken en waarden: actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, zoals omschreven in de bijlage 10: Wezenlijke kenmerken en waarden EHS.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">12[Toelichting: Met dit artikel stellen Provinciale Staten vast welke gebieden tot de EHS worden gerekend en leggen zij dit digitaal op de bijbehorende kaart vast. Op grond van het Barro (artikel 2.10.5) moet de begrenzing van de EHS bij verordening worden vastgelegd. Dit betekent dat het niet langer mogelijk is om de bevoegdheid om de begrenzing van de EHS aan te passen aan Gedeputeerde Staten toe te kennen. Er kunnen diverse redenen zijn om de begrenzing van de EHS aan te passen. Een aanleiding om de begrenzing aan te passen kan zijn dat na een afwijking op grond van artikel 2.7.4 het niet meer reëel is om voor die locatie uit te gaan van het realiseren van de eerder beoogde natuurwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassing van de begrenzing van de EHS is dan een logische vervolgstap op de afwijking die in het kader van een bestemmingstraject is toegepast en waarbij als regel sprake is van een compensatieplan. Provinciale Staten passen de begrenzing van de EHS niet direct na elke afwijking aan. De afwijkingen worden verzameld en de begrenzing van de EHS wordt hierop regelmatig (bijvoorbeeld jaarlijks) door Provinciale Staten aangepast. Verder kunnen Provinciale Staten de grenzen van de EHS aanpassen ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van de Ecologische Hoofdstructuur. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt als voorwaarde bij herbegrenzing dat het areaal van de EHS per saldo gelijk moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.7.2 lid 4 wordt hierop een uitzondering gemaakt voor aanpassing van de begrenzing van gebieden die zijn aangeduid als ‘Bruto begrensd' en ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000', omdat voorzien wordt dat delen van deze gebiedscategorieën uiteindelijk uit de EHS zullen worden gehaald.Doelstelling is om bij de definitieve vaststelling van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening duidelijkheid te kunnen bieden over de subcategorie ‘Bruto begrensd'. In dat geval kan deze subcategorie komen te vervallen. Mocht de benodigde duidelijkheid nog niet geboden kunnen worden, dan wordt het onderscheid voor alsnog gehandhaafd. Het nader begrenzen van de EHS-opgaven binnen gebieden die als ‘Bruto begrensd' zijn aangeduid, leidt er toe dat het uiteindelijke areaal aan EHS kleiner zal worden dan nu is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar voor de concreet begrensde EHS de voorwaarde wordt gehanteerd dat bij herbegrenzing het areaal aan EHS gelijk moet blijven, geldt deze eis voor de subcategorie ‘Bruto begrensd' niet.Voor het gebied Otterhagen staatde exacte begrenzing nog niet vast. Daarom is voor dit gebied op de kaart een zoekgebied opgenomen, met daarbinnen een totale netto opgave van 111 ha. Op een later moment zal er duidelijkheid komen over de mogelijkheden om een landbouwfunctie te handhaven op gronden waarvoor een waterpeilverhoging zal worden doorgevoerd met het oog op de natuurdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit zal leiden tot herbegrenzing van de EHS op dit punt.Voor het ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' geldt ook dat bij de uiteindelijke herbegrenzing niet de eis wordt gesteld dat het areaal aan EHS gelijk moet blijven.] 1. Het werkingsgebied van titel 2.7 wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van de EHS op de digitale kaart ‘EHS' horende bij deze verordening.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Provinciale Staten passen de begrenzing van de EHS aan op ontwikkelingen waarvoor op grond van artikel 2.7.4 is afgeweken van het beschermingsregime van artikel 2.7.3.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij de herbegrenzing als bedoeld in lid 2 geldt de voorwaarde dat het areaal van de EHS per saldo ten minste gelijk blijft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De voorwaarde als bedoeld in lid 3 geldt niet bij aanpassing van de begrenzing van gebieden die aangeduid zijn als ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' en ‘Bruto begrensd'.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermingsregime</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">13[Toelichting: BeheersverordeningHet instrument van de beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 Wro vinden wij geen geschikt instrument om gebieden die zijn aangewezen als ‘Te realiseren' van een passende regeling te voorzien. De huidige situatie in deze gebieden is immers niet het gewenste eindbeeld. Naar zijn aard is een beheersverordening slechts bedoeld voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien en waar kan worden volstaan met regeling van het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik. Een beheersverordening is in beginsel wel denkbaar voor de categorie ‘Bestaand', maar moet dus voor andere categorieën worden uitgesloten. Gebiedscategorieën Ecologische HoofdstructuurArtikel 2.7.3 lid 2 en 3 bevat de opdracht aan gemeenten om gebieden binnen de EHS conform de eisen van de gebiedscategorie te bestemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BestaandGemeenten moeten het beschermingsregime voor gronden met de aanduiding ‘Bestaand' afstemmen op de natuurdoelen die voor deze gronden zijn geformuleerd. Deze natuurdoelen zijn af te leiden uit de beschrijving van de wezenlijke waarden en kenmerken van de betreffende gebieden zoals die onderdeel uitmaakt van deze verordening. Gronden binnen de categorie ‘Bestaand' mogen uitsluitend worden bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden of de beoogde natuurwaarden. Te realiserenVoor de gebiedscategorie 'Te realiseren' geldt dat er wel actuele natuurwaarden aanwezig kunnen zijn, maar dat er nog andere functies binnen het gebied aanwezig zijn waarvan de geldende ontwikkelingsrechten (ontwikkelingsmogelijkheden op basis van het geldende bestemmingsplan) gerespecteerd moeten worden, zolang de gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de gronden zijn aangekocht en/of afgewaarderd ten dienste van de realisering van de EHS en ook als zodanig beschikbaar zijn, mogen deze gronden uitsluitend worden bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden of de beoogde natuurwaarden. Gemeenten dienen deze gronden als zodanig te bestemmen. Voor de subcategorie ‘Uitwerkingsgebied ontwikkelopgave Natura 2000' geldt een extra argument om de huidige bestemming vooralsnog te handhaven. Het zal nog enige tijd duren voordat precies duidelijk is wat de consequenties zullen zijn van de maatregelen die genomen zullen worden ter bescherming van nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Tot het moment dat duidelijk is of in deze gebieden nog andere functies mogelijk zijn dan natuur, kunnen deze gebieden in principe hun huidige bestemming houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat er in de tussentijd onomkeerbare ontwikkelingen plaatsvinden waardoor de natuurontwikkeling niet meer te realiseren is, zijn gemeenten verplicht om voor gebieden met de aanduiding ‘Te realiseren' een bestemmingsregeling te treffen die deze gebieden hiervan vrijwaart. Bestemmingen voor deze gebieden moeten mede strekken tot behoud, bescherming of duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden. De bestaande planologische rechten voor die functies worden daarbij gerespecteerd. Uitbreiding van die functies waarvoor het geldende bestemmingsplan moet worden aangepast en waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur zouden worden aangetast, mogen niet worden toegestaan.Het beschermingsregime van de EHS is niet alleen relevant voor de vaststelling van bestemmingsplannen en een beheersverordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.7.3 lid 7 is bepaald dat het beschermingsregime ook relevant is voor ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning. In lid 8 is het principe vastgelegd dat de bestaande (agrarische) functies zoals die uitgeoefend kunnen worden op grond van het geldende bestemmingsplan binnen de EHS kunnen worden voortgezet, zolang de betreffende gronden niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van de EHS en ook nog niet beschikbaar zijn voor het realiseren van de beoogde natuurdoelen. Deze bepaling doet niets af aan beperkingen of verplichtingen op basis van andere wetgeving die van toepassing is op dit soort (agrarische) activiteiten, zoals de Wet Ammoniak en Veehouderij, de Natuurbeschermingswet en het Reconstructieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij benadrukken nogmaals dat de EHS geen schaduwwerking heeft op naastliggende gronden. Voor deze gronden geldt geen beperkende bepalingen vanwege de ligging naast EHS. Er zijn echter andere wettelijke kaders die wel voor beperkingen kunnen zorgen. Zo geldt voor Natura 2000-gebieden een externe werking, die voortvloeit uit landelijke en internationale natuurwetgeving maar dus niet uit het beschermingsregime van de EHS. In bijlage 1 is een overzicht van wet en regelgeving opgenomen die - naast de regeling in deze verordening - van toepassing kan zijn op EHS-gebieden. In lid 9 is de (verbale) uitsluiting geregeld van bestaande functies die ook na de herijking van de EHS volgens het kaartbeeld vallen binnen de EHS, maar waarvoor aangenomen moet worden dat ze ter plekke gehandhaafd zullen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat dan om agrarische bouwblokken, burgerwoningen, recreatiebedrijven en andere bedrijven die aan geldende bestemmingsplannen bepaalde rechten en ontwikkelingsmogelijkheden kunnen ontlenen. De regeling voor de EHS heeft niet de bedoeling om die bestaande rechten en ontwikkelingsrechten in te perken. De opdracht om een passende bestemming toe te kennen aan gronden die op de kaart de aanduiding krijgen van ‘bestaand' of ‘te realiseren' is daarom niet van toepassing op bestaande functies binnen de EHS, voor zover het gaat om bestaande bouwmogelijkheden of geldende mogelijkheden om terreinverhardingen aan te leggen. Een burgerwoning in de EHS kan dus zijn woonbestemming houden, net zoals een recreatieterrein binnen de EHS een bestemming voor verblijfsrecreatie kan houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalend voor de verbale uitsluiting is welke bestemming deze bestaande functies hadden op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2.7.3. Deze bepaling doet niets af aan beperkingen of verplichtingen op basis van andere wetgeving die van toepassing is op dit soort (agrarische) activiteiten, zoals de Wet Ammoniak en Veehouderij, de Natuurbeschermingswet en het Reconstructieplan.] 1. Het beschermingsregime voor gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als gebiedscategorie ‘Bestaand' wordt vastgelegd in een bestemmingsplan of in beheersverordening. Voor de overige gebieden binnen de EHS geldt dat het beschermingsregime uitsluitend vastgelegd kan worden in een bestemmingsplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als ‘Te realiseren': moeten een bestemming krijgen die mede gericht is op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de actuele natuurwaarden van deze gebieden zolang deze gronden nog niet zijn aangekocht en/of afgewaardeerd; moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden indien de gronden zijn aangekocht en/of afgewaardeerd ten dienste van de realisering van de EHS en ook als zodanig beschikbaar zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als EHS wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>GS kunnen nadere regels stellen aan de toelichting c.q onderbouwing van bestemmingsplannen en beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen binnen de EHS en waaruit moet blijken op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De verplichtingen die voortvloeien uit voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op omgevingsvergunningen, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Daar waar op het moment van het van kracht worden van deze titel bestemmingen gelden die rechten en ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bestaande functies binnen gebieden die aangeduid zijn als ‘Te realiseren', verplicht deze titel niet om deze bestaande rechten en ontwikkelingsmogelijkheden in te perken zolang de gronden niet zijn aangekocht of functiewijziging nog niet heeft plaatsgevonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>De verplichting op grond van lid 2 en 3 van dit artikel om een passende bestemming toe te kennen geldt niet voor bestaande functies waarvoor het bestemmingsplan dat geldt op het moment van inwerkingtreding van dit artikel, ontwikkelingsmogelijkheden toekent voor wat betreft bouwen en het aanbrengen van terreinverhardingen</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkingsmogelijkheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">14[Toelichting: Het ruimtelijk beleid van de EHS is gericht op het behoud en de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die als EHS zijn aangewezen. Om te voorkomen dat aanwezige en potentiële natuurwaarden worden aangetast, zijn in principe geen ontwikkelingen toegestaan die significante effecten hebben op deze waarden. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Dit ‘nee, tenzij-beleid' is vastgelegd in artikel 2.7.3 in combinatie met artikel 2.7.4 (voorwaarden waaronder afwijking van het beschermingsgregime mogelijk is). In artikel 2.7.4 lid 1 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van ontwikkelingen die van groot openbaar belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.7.4 lid 3 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor kleinschalige ontwikkelingen die weinig impact hebben op wezenlijk kenmerken en waarden. Wanneer een ontwikkeling geen effect heeft op de EHS voor wat betreft kwaliteit, areaal en samenhang, is afwijking niet nodig. In dat geval staat het beschermingsregime van de EHS de ontwikkeling immers niet in de weg.De mogelijkheid om af te wijken van het beschermingsregime van de EHS is niet langer als een ontheffingsconstructie in de verordening opgenomen, omdat de Spoedwet Wro geen ontheffingsconstructies toestaat voor voorzienbare ontwikkelingen. Afwijkingsmogelijkheid 1 - Groot openbaar belangDe gemeenteraad is op grond van artikel 2.7.4 lid 1 bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan af te wijken van het beschermingsregime dat op grond van artikel 2.7.3 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moet dan wel aangetoond hebben dat er sprake is van groot openbaar belang én dat er geen reële alternatieven voor de betreffende ingreep zijn. Ook dient de gemeente te verzekeren dat de gevolgen van de ingreep zoveel mogelijk beperkt worden (mitigatie) en de overblijvende effecten voldoende gecompenseerd worden (compensatie). Bij ontwikkelingen van groot openbaar belang kan gedacht worden aan veiligheid, drinkwatervoorziening en plaatsing van installaties voor winning, opslag of transport van gas. De mitigerende maatregelen moeten ervoor zorgen dat de negatieve effecten van de beoogde activiteit die niet kunnen worden voorkomen wel zoveel mogelijk beperkt worden gehouden. De compenserende maatregelen moeten ervoor zorgen dat de overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende, tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na uitvoering van de compensatie moet er een duurzame situatie ontstaan. Om te borgen dat de compensatie binnen redelijke termijn gerealiseerd wordt, zal de compensatie geregeld moeten worden in hetzelfde plan dat de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt. Als de compensatie plaatsvindt buiten het plangebied, moet de planologische regeling voor de compensatie zoveel mogelijk gelijktijdig in procedure worden gebracht met het bestemmingsplan waarin de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Wij benadrukken dat aan alle voorwaarden in artikel 2.7.4 lid 1 moet worden voldaan, voordat meegewerkt kan worden aan een afwijking. Ook hier geldt dat er vanuit andere wet- en regelgeving beperkingen kunnen gelden die toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de onderbouwing dat er in voldoende mate en tijdig wordt gemitigeerd en gecompenseerd, wordt in artikel 2.7.4 lid 2 een compensatieplan voorgeschreven. Het compensatieplan moet niet alleen de onderbouwing leveren wat er aan compensatie nodig is, maar ook garanties dat de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen daadwerkelijk worden doorgevoerd. Het compensatieplan kan onderdeel uitmaken van de toelichting van het bestemmingsplan of de wijziging daarvan. In artikel 2.7.5 is aangegeven wat in ieder geval in een compensatieplan moet zijn opgenomen. Afwijkingsmogelijkheid 2 - Kleinschalige ontwikkelingDe gemeenteraad is op grond van artikel 2.7.4 lid 3 bevoegd om bij de vaststelling van bestemmingsplannen af te wijken ten behoeve relatief kleinschalige ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een kleinschalige ontwikkelingen kan gedacht worden aan de plaatsing van een bijgebouw bij een woning die zelf net buiten de EHS ligt of het realiseren van een uitkijktoren van enige omvang ten behoeve van het recreatieve medegebruik van de EHS. Voordat een gemeenteraad meewerkt aan een afwijking moet zijn aangetoond dat door de voorgestelde ruimtelijke ingreep slechts een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied plaatsvindt. Verder moet aangetoond zijn dat het initiatief per saldo leidt tot een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS of tot vergroting van de oppervlakte van de EHS. De gemeente zal ook moeten onderbouwen dat de ruimtelijke ingreep op de gegeven locatie nodig is met een afweging van alternatieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard zullen er ter plekke zodanige maatregelen genomen moeten worden dat er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing.Wij benadrukken dat bij een afwijking ten behoeve van kleinschalige ontwikkelingen aan alle hierboven genoemde voorwaarden moet worden voldaan. Overigens kunnen er vanuit andere wet- en regelgeving beperkingen gelden aan de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid.In de toelichting op het bestemmingsplan dat de beoogde ontwikkeling mogelijk maakt, zal moeten worden aangetoond dat aan bovenstaande punten wordt voldaan. Voor kleinschalige ontwikkelingen is geen compensatieplan vereist. Wel zullen onderzoeken en onderzoeksgegevens waarmee wordt aangetoond dat de effecten van de ingreep inderdaad beperkt zijn, als bijlage bij de toelichting moeten worden gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">MeldingsplichtDe EHS is van groot provinciaal belang. Als de gemeente van plan is om af te wijken van het beschermingsregime voor de EHS, dan dient dit in een vroeg stadium afgestemd te worden met de provinciale diensten als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hiervoor is het ruimtelijke vooroverleg tussen provincie en gemeente het meest geëigende forum. In dit overleg kan worden bezien of aan alle relevante voorwaarden voor afwijking kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.7.4 lid 4 bevat de opdracht aan de gemeente om na de vaststelling van een bestemmingsplan (actief) bij Gedeputeerde Staten te melden dat gebruik is gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden van artikel 2.7.4 lid 1 en 3. Deze gegevens worden gebruikt voor het voorstel tot herbegrenzing aan Provinciale Staten waarbij de begrenzing van de EHS geactualiseerd wordt. Zie artikel 2.7.2.] 1. De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief grootschalige ontwikkelingen of een combinatie van ingrepen binnen de EHS af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat: er sprake is van redenen van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, voor zover de negatieve effecten tengevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden gehouden, overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende maar tenminste op een gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd. Het besluit hiertoe dient tegelijk genomen te worden met het besluit tot wijziging van de bestemming of de regels ter zake het gebruik van de grond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de onderbouwing van het bepaalde in lid 1 sub c en d wordt een compensatieplan vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen de EHS af te wijken van het beschermingsregime zoals vastgelegd in artikel 2.7.3 mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging: de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast, per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS, of een vergroting van de oppervlakte van de EHS, plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Wanneer het bestemmingsplan waarvoor een afwijking is toegepast als bedoeld in het eerste en derde lid onherroepelijk is geworden, doen burgemeester en wethouders hiervan melding bij Gedeputeerde Staten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Compensatieplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">15[Toelichting: Een afwijking op grond van artikel 2.7.4 is alleen aanvaardbaar als compensatie van de negatieve effecten op de EHS voldoende verzekerd is. Het compensatieplan moet duidelijk maken welke compenserende en mitigerende maatregelen nodig zijn om de nadelige effecten van de ingreep weg te nemen of de ondervangen. Dit betekent dat in ieder geval er inzicht moet zijn in de effecten op de EHS. Daarom moeten onderzoeken en onderzoeksgegevens naar de effecten als bijlage bij het compensatieplan gevoegd worden. Ook moet uit het compensatieplan duidelijk worden welke waarde en betekenis de gemeente bij het bepalen van de compensatie heeft toegekend aan wettelijke regelingen en beleidsvisies van Rijk en provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de opgave tot compensatie en mitigatie te kunnen benoemen, moet de actuele natuurkwaliteit in het veld zijn bepaald. In het compensatieplan zal beschreven moeten worden welke maatregelen getroffen zullen worden om het verlies van de kwantiteit en kwaliteit van de EHS tegen te gaan. Het compensatieplan moet inzicht bieden in de wijze waarop het verlies aan (actuele) natuurwaarden wordt gecompenseerd. Voor het bepalen van de benodigde compensatie, wordt gebruik gemaakt van compensatiefactoren. Deze werkwijze is uitgewerkt in de Spelregels EHS. Voor de Natura 2000 gebieden, die zowel binnen als buiten de EHS liggen, zijn ook eisen van de Natuurbeschermingswet en bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat er voor de Natura 2000-gebieden een aanvullend regime geldt naast het regime dat in deze verordening voor de EHS is geregeld. Van groot belang is het verkrijgen van voldoende zekerheid dat een voorgenomen ingreep niet alleen op papier, maar ook daadwerkelijk zal worden gecompenseerd. Het wat, waarom, wanneer en door wie moet duidelijk zijn. Het compensatieplan moet inzicht geven wat er planologisch geregeld moet worden om de compensatie te kunnen realiseren. Ook moet het compensatieplan inzicht geven in de waarborgen die de gemeente biedt voor daadwerkelijke uitvoering van de compensatie. Dit speelt met name wanneer de initiatiefnemer (een burger of rechtspersoon) zelf de compenserende maatregelen moet (laten) uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze waarborgen kunnen op verschillende manieren geboden worden. In veel gevallen zal een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer juridische waarborgen moeten bieden dat de compensatie daadwerkelijk plaatsvindt. In artikel 2.7.5 lid 1 sub c is de mogelijkheid voorzien dat compensatie geregeld wordt in de vorm van financiële compensatie voor het geval dat het de initiatiefnemer niet lukt om de benodigde compensatie fysiek te regelen. Op grond van nationale en internationale wet- en regelgeving is voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geen financiële compensatie mogelijk.] 1.Uit het compensatieplan, zoals bedoeld in artikel 2.7.4, lid 2 blijkt in ieder geval dat: de nadelige effecten zoveel mogelijk worden beperkt en -voor zover deze niet kunnen worden beperkt -voldoende worden gecompenseerd. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 1 betekent dit dat er geen nettoverlies van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden plaatsvindt. In geval van afwijking op grond van artikel 2.7.4 lid 3 betekent dit dat per saldo een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden of vergroting van het areaal van de EHS plaatsvindt, de compensatie door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie elders plaatsvindt, de compensatie op financiële wijze afdoende is geregeld als fysieke compensatie als bedoeld in lid b niet mogelijk is, de tenuitvoerlegging van de compensatie planologisch is dan wel mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan dat voorziet in de betreffende ontwikkeling in het geval de compensatie binnen hetzelfde plangebied plaatsvindt, de tenuitvoerlegging van de compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door (wijziging van) een ander bestemmingsplan dan het bestemmingsplan dat in de betreffende ontwikkeling voorziet in het geval dat de compensatie elders plaats vindt, welke compensatiemaatregelen zullen getroffen, waarbij zowel de aard, omvang, kwaliteit, locatie als tijdvak van uitvoering van de maatregelen en voorzieningen worden beschreven, de inrichting- en beheerskosten van de maatregelen en voorzieningen duurzaam geregeld zijn, de compensatie uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd kan worden en de wijze van monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien het compensatieplan betrekking heeft op de uitvoering van een combinatie van ingrepen bevat het plan in aanvulling op lid 1 in ieder geval: een ruimtelijke visie waarin de plannen, projecten of handelingen in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd en waaruit blijkt dat het oppervlak natuur binnen de EHS minimaal gelijk blijft dan wel het EHS-areaal wordt vergroot, waarborgen dat de plannen, projecten of handelingen conform de ruimtelijke visie als bedoeld in sub a in onderlinge samenhang worden gerealiseerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien de compensatie bedoeld in het eerste en tweede lid voorziet in ontwikkelingen die gerealiseerd worden door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan dient het compensatieplan specifieke waarborgen te bevatten dat de vereiste compensatie daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. Deze waarborg dient tenminste te omvatten: de wijze waarop financiële zekerheidsstelling is gerealiseerd voor uitvoering van de maatregelen en voorzieningen van het compensatieplan alsmede voor de financiering van het ontwikkelingsbeheer, de uiterste termijn voor realisatie alsmede een effectieve boeteclausule die van toepassing is bij een niet tijdige of genoegzame tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit het compensatieplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de compensatie zoals bedoeld in dit artikel.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.8. Bos en natuurgebieden buiten de EHS</h3>\n<p class=\"lf-p\">16[Toelichting: Provinciaal belang Buiten de EHS zijn in de provincie in ruime mate bos- en natuurgebieden aanwezig. Deze gebieden hebben vaak gebiedskenmerken die bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit en die daarom behouden dienen te blijven. In aanvulling op de gebiedskenmerken - die vooral gericht zijn op het behoud en herstel van landschapskenmerken - voorziet de verordening in een aanvullende bescherming voor bos- en natuurgebieden vanwege het belang van deze gebieden voor flora- en fauna. Gelet op dit functie is het ongewenst dat bos- en natuurelementen worden ‘verplaatst'. De gebiedskenmerken sluiten immers niet uit dat bestaande groene elementen worden ‘verschoven' mits daarbij de karakteristiek van het gebied gehandhaafd blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zou een verlies van natuurwaarden kunnen betekenen, bijvoorbeeld waar oude bosbodems verloren gaan. Specifieke bestemming Daarom wordt in artikel 2.8.2. bepaald dat bestaande bos- en natuurgebieden die als zodanig zijn bestemd in geldende bestemmingsplannen ook in de toekomst voorzien moeten blijven van een specifieke bestemming. Deze bepaling is alleen van toepassing op bos- en natuurgebieden en niet op landschapselementen. Aantasting van de aanwezige en te ontwikkelen waarden alleen in zeer uitzonderlijke situaties toegestaan. In die gevallen moet aangetoond worden dat er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor geen alternatieve oplossingen gevonden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzekerd moet zijn dat de ingrepen voldoende worden gecompenseerd. Dit houdt in dat de aanwezige waarden in het gebied in kwantitatieve en kwalitatieve zin ten minste behouden blijven. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: a. bestaande natuur: bestaande bos- en natuurgebieden buiten de EHS die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in geldende bestemmingsplannen als zodanig zijn bestemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande natuur voorzien in een specifieke, daarop toegesneden bestemming die gericht is op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien niet in ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen ontwikkelingen worden toegestaan die uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzakelijk zijn en waarin niet op een andere wijze kan worden voorzien, mits in voldoende mate in compensatie is voorzien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen voor het bieden van compensatie als bedoeld in het vorige lid.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.9. Reconstructiebeleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">17[Toelichting: Provinciaal belang Naast de Omgevingsvisie blijft het Reconstructieplan Salland-Twente van kracht. Eén van de instrumenten voor uitvoering van het reconstructieplan was tot 1 juli 2008 de provinciale goedkeuring van gemeentelijke bestemmingsplannen. Met dat instrument kon vooral effectief worden voorkomen dat bestemmingsplannen rechtskracht zouden krijgen die ontwikkelingsmogelijkheden boden in strijd met het reconstructieplan. Die waarborg is als zodanig met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening verdwenen. Om de doorwerking van het reconstructieplan veilig te stellen is het noodzakelijk om in de provinciale verordening te bepalen dat -kort gezegd- het in het reconstructieplan vastgelegde beleid in gemeentelijke bestemmingsplannen moet worden vertaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorwerking in gemeentelijke plannen Omwille van de rechtszekerheid wordt die verplichting geënt op het reconstructieplan zoals dat is vastgesteld en nadien gewijzigd door Provinciale Staten bij besluit van 15 december 2004, laatstelijk gewijzigd per 1 juli 2009 De verplichting heeft dus niet automatisch betrekking op eventuele toekomstige herzieningen van het reconstructieplan. Indien ook die herzieningen hun doorwerking moeten vinden in gemeentelijke bestemmingsplannen, zal de verordening in die zin moeten worden aangepast. Met de reconstructiegemeenten zijn bestuurlijke afspraken gemaakt, strekkend onder andere tot aanpassing van de gemeentelijke bestemmingsplannen aan het reconstructieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is ook overeengekomen binnen welke termijn die aanpassingen hun beslag moeten hebben gekregen. Niet alle afspraken op dit punt zijn geëffectueerd. Ook is met de afspraken niet of niet volledig geborgd dat de bestemmingsplannen met het reconstructieplan in overeenstemming zullen blijven. Die waarborg wordt wel verkregen via het bepaalde in artikel 2.9.2., inhoudende dat bestemmingsplannen met het reconstructieplan in overeenstemming dienen te zijn (en dus ook te blijven). In aanmerking genomen dat de destijds overeengekomen termijn voor aanpassing van de gemeentelijke plannen al enkele jaren is verstreken, is het ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen niet meer dan redelijk, zo niet noodzakelijk, om voor die aanpassing nu een termijn te bepalen die de helft bedraagt (zes maanden) van de termijn voor overige aanpassingen van bestemmingsplannen aan de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ook bij de toelichting op de kwaliteitsimpuls Groene omgeving is vermeld, blijft het generieke beleid zoals neergelegd in titel 2.9. daarbij onverkort van toepassing. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: a. reconstructieplan: het Reconstructieplan Salland-Twente, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 september 2004 (nr. PS/2004/738) en laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 juli 2009.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doorwerking reconstructieplan</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan dienen, voor wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming te zijn met het reconstructieplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor zover aan het bepaalde in lid 1 nog niet is voldaan, geldt voor die vaststelling in afwijking van het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, een termijn van zes maanden na inwerkingtreding van deze titel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen toelichting</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voor gebieden die als landbouwontwikkelingsgebied zijn opgenomen in het reconstructieplan gaan vergezeld van een toelichting dan wel onderbouwing, waaruit blijkt op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten, een en ander in overeenstemming met de vereisten van het Reconstructieplan Salland-Twente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij de toelichting dan wel onderbouwing als bedoeld in lid 1 wordt in elk geval expliciet verwoord op welke wijze de regels met betrekking tot bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen op het reconstructieplan zijn afgestemd.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.10. Glastuinbouwlocaties</h3>\n<p class=\"lf-p\">18[Toelichting: Provinciaal belang Het beleid in de Omgevingsvisie is gericht op verdere ontwikkeling van het glastuinbouwcluster in de Koekoekspolder binnen de daarvoor aangegeven grens en op het tegengaan van nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven buiten dat gebied. Alleen in Koekoekspolder Titel 2.10. beoogt de doorwerking van dit beleid juridisch te borgen. Al bestaande en als zodanig bestemde glastuinbouwbedrijven buiten de Koekoekspolder worden door het bepaalde in artikel 1 niet in hun uitbreidingsmogelijkheden beperkt, met dien verstande dat dergelijke beperkingen wel kunnen voortvloeien uit andere regels en dat de voorgenomen uitbreidingen uiteraard niet feitelijk het karakter van nieuwvestiging mogen hebben. Ondersteunend glas Overigens ziet titel 2.10. niet op gevallen waar sprake is van ondersteunend glas, bijvoorbeeld ten behoeve van de boomteelt. Daarvoor gelden overigens wel de generieke bepalingen van titel 2.1. (voorwaarden van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in nieuwe mogelijkheden voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten het daarvoor op de kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 009295055 als ‘glastuinbouw’ aangegeven glastuinbouwgebied de Koekoekspolder.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.11. Cultuurhistorie</h3>\n<p class=\"lf-p\">19[Toelichting: Provinciaal belang Cultuurhistorische waarden spelen een belangrijke rol in de identiteit en de leefkwaliteit van Overijssel. De provincie zet in op een integrale benadering van het cultuurhistorisch erfgoed in ruimtelijke ontwikkelingen. De uitdaging ligt in het behouden van cultuurhistorische waarden door ze te verbinden met actuele en toekomstige (ruimtelijke) ontwikkelingen. Door het vinden van een nieuwe functie en bestaansbasis die aansluit bij de eisen van de huidige samenleving wordt behoud op de lange termijn veilig gesteld. Het behoud en het beleefbaar maken van cultuurhistorische waarden levert een bijdrage aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat en aan een grotere toeristische belevingswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorische waarden zijn in deze optiek geen belemmering voor voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, maar bieden juist kansen om te benutten bij het versterken van het ruimtelijke ontwerp. Om die rol goed te kunnen vervullen is het van belang dat in vroegtijdig stadium van de planvorming bekend is welke waarden in een gebied aanwezig zijn zodat daarmee gerekend kan worden. Gebiedskenmerken Door middel van de gebiedskenmerken zoals die in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn benoemd wordt voor een groot deel al bereikt dat rekening wordt gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Deze gebiedskenmerken zullen vooral een rol gaan spelen op het moment dat over wordt gegaan tot inpassing van een ontwikkeling in het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke motiveringsplicht die geregeld wordt in artikel 2.12.2. moet ertoe leiden dat in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling rekening wordt gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden zodat die niet alleen beschermd worden, maar ook positief benut gaan worden bij de keuze van de locatie en de aard en functie van ruimtelijke ontwikkelingen. Gemeenten zijn op basis van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg al verplicht om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te treffen om dit te bewerken. Dit is een punt van aandacht in de toelichting op bestemmingsplannen. Deze motiveringsplicht wordt met deze regeling in de verordening verbreed zodat ook aan het bovengrondse deel van het cultuurhistorisch erfgoed in de ruimtelijke afwegingen aandacht moet worden besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologische verwachtingskaart De Archeologische Verwachtingskaart geeft de kans op het aantreffen van archeologische waarden en de Archeologische Gebiedenkaart geeft de archeologische waarden en monumenten aan die op basis van vondsten bekend zijn. Deze kaarten kunnen gebruikt worden bij het ontwikkelen van een visie op ruimtelijke plannen. In 2009 wordt nog een detailkaart aardkundige waarden gemaakt. In de Catalogus Gebiedskenmerken wordt voor diverse landschapstypen aandacht gevraagd voor cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden. De provinciale archeologische gebiedenkaart en de provinciale archeologische verwachtingenkaart geven de archeologische waarden en verwachtingen weer op provinciaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het merendeel van de Overijsselse gemeenten beschikt echter ook over een eigen archeologische waardenkaart om aan de verplichtingen van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg te voldoen. Gemeenten kunnen bij de ontwikkeling van hun plannen uiteraard gebruik maken van dit meer gedetailleerde kaartmateriaal. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: a. cultuurhistorische waarden: het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.12. Verblijfsrecreatie</h3>\n<p class=\"lf-p\">20[Toelichting: Provinciaal belang Het huidige aanbod aan verblijfsaccommodaties in Overijssel sluit niet in alle opzichten aan op de behoeften van recreanten en toeristen. Kwantitatief is er in principe voldoende aanbod. Kwalitatief schiet het aanbod nog te kort. Verdere uitbreiding van het aantal recreatiewoningen is ongewenst omdat bij een te lage bezettingsgraad van recreatiewoningen het risico van permanente bewoning toeneemt. Ook om het ondernemerschap en de kwaliteit van de voorzieningen onder druk te staan. Afgezien daarvan is het uit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik ongewenst om nieuw aanbod te creëren die niet zal worden opgenomen door de recreatieve verhuurmarkt. Om het huidige aanbod aan recreatiewoningen meer aan te laten sluiten op de vraag zet de provincie in op kwaliteitsverbetering en het vergroten van de diversiteit in het aanbod aan verblijfsaccommodatie in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatiewoningen dienen beschikbaar te zijn voor de verhuur omdat hierdoor meer mensen kunnen profiteren van deze verblijfsrecreatieve voorzieningen en er meer toeristen naar Overijssel kunnen komen. De provincie verwacht dat door de steeds wisselende vakantiegangers, het economische effect (= bestedingen) voor de omgeving groter is. De bedrijfsmatige exploitatie van complexen van recreatiewoningen biedt garanties dat de recreatiewoningen op de lange termijn beschikbaar blijven voor verhuur. Beperkt ruimte In de verordening wordt de uitspraak in de Ontwerp Omgevingsvisie vastgelegd dat alleen nog ruimte wordt geboden voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen als sprake is van een innovatief concept en als verzekerd is dat de recreatiewoningen voor de verhuur beschikbaar zijn en bedrijfsmatig geëxploiteerd zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder innovatieve concepten worden verstaan verblijfsrecreatieve voorzieningen die voorzien in een nieuw aanbod waarin de markt tot dusver nog niet voorziet en die een meerwaarde bieden voor het toeristisch-recreatieve product van Overijssel. Onder de kwaliteitsimpuls voor bestaande recreatiebedrijven vallen die situaties waarin een bestaand recreatieterrein een totale verbetering ondergaat door investeringen in de aanwezige recreatieverblijven waarbij voor de exploitatie ook nieuwe recreatiewoningen moeten worden toegevoegd. Daarbij geldt dat ook geïnvesteerd moet worden in de inpassing van het recreatieterrein in het landschap waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd. Hierdoor wordt niet alleen de kwaliteit van de voorziening verbeterd, maar ook de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder worden enkele specifieke locaties (die al in het Gebiedsperspectief Noordwest-Overijssel waren voorzien en de locatie Saasveld waarvoor eerder een plan voor verblijfsrecreatie is goedgekeurd) buiten het ‘verbod op nieuwe recreatiewoningen' gehouden omdat daar sprake is van ‘bestaande rechten'. Voor deze locaties geldt uiteraard wel de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie. Op het moment dat toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12.2. lid 1 is ook artikel 2.1.6. (kwaliteitsimpuls) van toepassing en zal een extra investering moeten worden gedaan in ruimtelijke kwaliteit. AMvB Ruimte In de AMvB Ruimte zal het Rijk juridisch bindende normen opnemen ten aanzien van de nieuwbouw van recreatiewoningen die rechtstreeks doorwerking hebben op gemeentelijke bestemmingsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar het Rijk ruimte biedt voor nieuwbouw van recreatiewoningen op locaties buiten het bestaand bebouwd gebied waar ook woningbouw kan worden toegestaan en voor complexen van recreatiewoningen voor zover het recreatieve gebruik door middel van een bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd, ziet de provincie aanleiding om verdergaande beperkingen op te leggen gelet op het aanwezige aanbod in Overijssel. De aanvullende eis is dat er sprake moet zijn van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande terreinen. Verder moet het gaan om een op verhuur gerichte exploitatie. Permanente bewoning In de verordening wordt het principe vastgelegd dat recreatiewoningen die op enig moment als zodanig zijn gebouwd, beschikbaar moeten blijven voor recreatief gebruik door een breed publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform het Rijksbeleid wordt ruimte gelaten voor een persoonsgebonden overgangsrecht/gedoogbeschikking/ontheffing voor die gevallen waarin vóór 31 oktober 2003 sprake was van permanente bewoning die sindsdien onafgebroken is voortgezet. Waar gemeenten op het moment van inwerkingtreding van de verordening een objectgebonden overgangsrecht hebben toegekend, wordt dit als een bestaand recht gerespecteerd. Geen woonbestemming In aanvulling op de toekomstige regeling in de AMvB Ruimte - die voor de provincie Overijssel te ruim wordt geacht - wordt geregeld dat de bestemming van recreatiewoningen niet mag worden gewijzigd in een woonbestemming. De achtergrond van deze regel is dat recreatiewoningen die op enig moment als zodanig zijn gebouwd, beschikbaar moeten blijven voor een recreatieve functie om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de groene omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor die permanent bewoonde recreatiewoningen die staan in stads- en dorpsrandgebieden, voor zover het niet gaat om gebieden die aangewezen zijn als EHS en nationaal landschap. Daarbij moet ook worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit voor (bestaande) regulier woningen en relevante milieuwetgeving en milieuregelgeving. Reden voor deze uitzondering is dat deze gebieden op termijn wellicht toch gaan vallen binnen het stads- en dorpsgebied in het kader van stadsuitleg en een woonfunctie aansluit bij de functie van het naastgelegen gebied. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.1</span><span class=\"lf-art-t\">In deze verordening wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, dat niet op wielen verplaatsbaar is en dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen; b. recreatieverblijf: een gebouw of kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt; c. kampeermiddel: een tent, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of voertuig of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd zijn of kunnen worden gebruikt voor toeristisch nachtverblijf; d. bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer dat in de recreatieve verblijven daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft: de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt; de locaties voor verblijfsrecreatie die als zodanig zijn aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051, waarbij geldt dat op locaties aangeduid met * alleen kleinschalige complexen zijn toegestaan, mits door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie verzekerd is dat er sprake zal zijn van recreatief gebruik.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op recreatiewoningen die worden gerealiseerd in het kader van de kwaliteitsimpuls Groene omgeving, voor zover deze recreatiewoningen voldoen aan de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De regels van bestemmingsplannen sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht persoonsgebonden overgangsrecht, een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden ontheffing, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht objectgebonden overgangsrecht, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet, voor zover op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in een geldende bestemmingsplan voorzien was in een dergelijk objectgebonden overgangsrecht.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">21[Toelichting: Het Rijk heeft er vanaf gezien om in de AmvB Ruimte/Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een regeling te treffen voor permanent bewoonde recreatiewoningen. De provincie Overijssel ziet vanuit haar belang van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik wel aanleiding om hiervoor iets te regelen. Kern van de bepaling is dat de bestemming van recreatiewoningen niet mag worden gewijzigd in een woonbestemming. De achtergrond van deze regel is dat recreatiewoningen die nu als zodanig bestemd zijn, beschikbaar moeten blijven voor een recreatieve functie om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de groene omgeving.Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor die permanent bewoonde recreatiewoningen die staan in stads- en dorpsrandgebieden, voor zover het niet gaat om gebieden die aangewezen zijn als EHS en Nationaal Landschap. Daarbij moet ook worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit voor (bestaande) reguliere woningen en relevante milieuwetgeving en milieuregelgeving. Reden voor deze uitzondering is dat deze gebieden op termijn wellicht toch gaan vallen binnen het stads- en dorpsgebied in het kader van stadsuitleg en een woonfunctie die aansluit bij de functie van het naastgelegen gebied.] 1. Bestemmingsplannen voorzien niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op dat moment als zodanig is bestemd, een woonbestemming wordt toegekend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan aan recreatiewoningen een woonbestemming worden toegekend voor zover deze recreatiewoningen al vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond werden en deze permanente bewoning sindsdien onafgebroken is voortgezet voor zover:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voldaan wordt aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 voor (bestaande) reguliere woningen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voldaan wordt aan relevante milieuwet- en regelgeving;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de recreatiewoningen staan in stads- en dorpsrandgebieden voor zover het niet gaat om gebieden die zijn aangewezen als EHS en Nationaal Landschap.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.13. Drinkwatervoorziening</h3>\n<p class=\"lf-p\">22[Toelichting: Provinciaal belang De bescherming van het grondwater met het oog op de openbare drinkwatervoorziening is een provinciaal belang. Daarom worden de bestaande en toekomstige drinkwatervoorzieningen (ook) via de ruimtelijke ordening beschermd. Voor het ruimtelijke ordeningsbeleid is het uitgangspunt dat het risico op verontreiniging van het grondwater binnen grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden wordt tegengegaan. Hierbij worden in deze titel bepalingen opgenomen die ruimte bieden voor ontwikkelingen in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden voor zover deze ontwikkelingen: ¿ Bijdragen aan kwalitatief goed grondwater; ¿ De risico van grondwaterverontreiniging verkleinen; ¿ Geen risico van grondwaterverontreiniging met zich meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drinkwaterwet Overigens werkt het Rijk aan een (nieuwe) Drinkwaterwet. In deze wet wordt rechtstreeks de bescherming van de drinkwatervoorzieningen geregeld en beschermd. Bij de opstelling van de bepalingen is al rekening gehouden met de komende wetgeving. Werkingsgebied Voor een juiste bepaling van de locaties waarvoor de betreffende onderdelen van toepassing zijn, zijn aan de verordening kaarten (op perceelsniveau) toegevoegd die de volgende gebieden aanduiden: ¿ Grondwaterbeschermingsgebieden ¿ Grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies ¿ Intrekgebieden ¿ Intrekgebieden met stedelijke functies ¿ Waterwingebieden Relatie milieuspoor De bescherming van de drinkwatervoorziening dient enerzijds gerealiseerd te worden door middel van het ruimtelijke ordeningsspoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds dient ook in het milieuspoor zorg te worden gedragen voor de bescherming van de drinkwatervoorziening. Hiervoor zijn in hoofdstuk 3 van deze verordening de noodzakelijke regelingen getroffen. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar de passages bij hoofdstuk 3. Definities In titel 2.13. is voor de gebruikte definities aansluiting gevonden bij de omschrijvingen zoals opgenomen in de waterbijlage van de Omgevingsvisie. Het gaat daarbij om onder andere de volgende definities: harmoniërende functies, niet-risicovolle functies, grote en grootschalige risicovolle functies, stand still-principe en stap vooruit-principe. Onder harmoniërende functies worden in elk geval verstaan: ¿ Extensieve land- en tuinbouw, waaronder beheerslandbouw en biologische land- en tuinbouw ¿ Extensieve recreatie ¿ Landschaps-, natuur- en bosbouw ¿ Nieuwe landgoederen en buitenplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies worden onder niet-risicovolle functies in ieder geval begrepen projecten van minder dan 10 woningen. In intrekgebieden met stedelijke functies worden onder niet-risicovolle functies in elk geval begrepen projecten van minder dan 100 woningen. Onder grote of grootschalige risicovolle functies worden in elk geval verstaan grote en grootschalige vormen van: ¿ (Dag- en verblijfs-)recreatie ¿ Woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen) ¿ Stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening) ¿ Autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia), spoorwegen (inclusief emplacementen) en waterwegen (inclusief havens) ¿ Bedrijventerreinen ¿ Buisleidingen voor gas, olie(producten) of chemicaliën ¿ Nieuwe rioolwaterzuiveringsinstallaties en diepteontgrondingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder niet-risicovolle functies worden alle functies verstaan die niet gerekend worden tot harmoniërende functies en tot grote of grootschalige risicovolle functies. Bescherming RO-spoor De grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden krijgen in deze titel hun bescherming in de RO-regelgeving. Het beschermingsregime voor intrekgebieden is in grote lijnen vergelijkbaar met dat van grondwaterbeschermingsgebieden. De intrekgebieden liggen echter op een grotere afstand van de winputten en zijn daarom minder kwetsbaar. Daarom is voor intrekgebieden het aanvaardbaar dat er minder zware eisen worden gesteld aan nieuwe ontwikkelingen. Waar in grondwaterbeschermingsgebieden alleen niet-risicovolle functies worden toegestaan die voldoen aan het stand still-principe, geldt dat in intrekgebieden naast niet-risicovolle ook grote risicovolle functies worden toegestaan die aan dit principe voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grondwaterbeschermingsgebieden geldt voor grote en grootschalige activiteiten de eisen van zwaarwegend maatschappelijk belang, ontbreken alternatieven en stap-vooruit. In intrekgebieden worden deze voorwaarden alleen gesteld bij grootschalige activiteiten. Verder wordt een onderscheid gemaakt tussen grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden met stedelijke functies en overige, overwegend landelijke gebieden. In gebieden met stedelijke functies komen vaak van oudsher al activiteiten voor die een risico kunnen opleveren voor de grondwaterkwaliteit. De eisen van zwaarwegend maatschappelijk belang en het ontbreken van alternatieven zou voor deze gebieden ongerechtvaardigde beperkingen opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is voor deze gebieden een afwijkende regeling van toepassing zodat nieuwe stedelijke functies kunnen worden toegestaan mits de risico's worden verminderd (stap vooruit principe in grondwaterbeschermingsgebieden) of de risico's niet toenemen (stand still-principe in intrekgebieden). Voor het overige wordt de bescherming van de grondwaterbeschermingsgebieden geregeld in hoofdstuk 3. Voor deze gebieden geldt namelijk dat er op allerlei activiteiten die risico's opleveren voor de kwaliteit van het grondwater, milieuregels van toepassing zijn. Voor grote en grootschalige activiteiten is een ontheffing nodig. Ten aanzien van de intrekgebieden geldt dat er alleen bescherming is via het ruimtelijke spoor mogelijk is omdat de Wet milieubeheer hierin niet voorziet. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. waterwingebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; b. grondwaterbeschermingsgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; c. grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; d. intrekgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; e. intrekgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; f. stand still-principe: beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen; g. stap vooruit-principe: beginsel dat erop gericht is de risico’s op verontreiniging van het grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te verbeteren; h. methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming: de door Gedeputeerde Staten als zodanig vastgestelde methodiek; i. niet-risicovolle functies: alle functies behalve harmoniërende functies en grotere of grootschalige risicovolle functies; j. harmoniërende functies: functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning; k. grote en grootschalige risicovolle functies: functies die gelet op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Waterwingebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten dienste staan aan de drinkwaterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in grondwaterbeschermingsgebieden ook nieuwe niet-risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Grote of grootschalige risicovolle functies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterbeschermingsgebieden met een stedelijke functie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.4 en 2.13.6 kunnen binnen grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies nieuwe grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functies voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stap vooruit-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.8</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekgebieden met stedelijke functies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.5 en 2.13.6 kunnen binnen intrekgebieden met stedelijke functies nieuwe grotere of grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functie voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stand still-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.9</span><span class=\"lf-art-t\">Toelichting op bestemmingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij enig bestemmingsplan ingevolge dit hoofdstuk dient te zijn voldaan aan het stand still-principe of aan het stap vooruit-principe, wordt dat in de toelichting bij dat plan verantwoord op basis van toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.14. Watergebiedsreservering</h3>\n<p class=\"lf-p\">23[Toelichting: Provinciaal belang Doel van deze regeling is bescherming te bieden tegen overstroming en wateroverlast. Door klimaatverandering neemt de kans daarop toe. Primaire watergebieden en waterbergingsgebieden Primaire watergebieden en waterbergingsgebieden worden aangewezen als gebieden waarin water in extreme situaties kan worden vastgehouden om te voorkomen dat waterafvoersystemen overbelast raken en er wateroverlast optreedt op plekken waar dit meer schade toebrengt. Primaire waterbergingen zijn gebieden die vanwege de natuurlijke lage ligging bij hoog water gemakkelijk onderlopen. Waterbergingsgebieden zijn gebieden die door het aanbrengen van waterhuishoudkundige werken zoals dijken, kades en toevoerwerken geschikt gemaakt zijn voor waterberging.</p>\n<p class=\"lf-p\">In primaire watergebieden en waterbergingsgebieden mag worden gebouwd mits hierdoor het waterbergend vermogen niet wordt aangetast. Daarbij geldt wel dat nieuwe kapitaalintensieve functies zoveel mogelijk worden geweerd in verband met schadekosten. Gebieden met risico op overstroming Gebieden met risico op overstroming zijn gebieden in lage delen van Overijssel die geheel of gedeeltelijk omgeven zijn door primaire waterkeringen en waar het risico bestaat dat bij een doorbraak het gebied snel en diep dan wel minder snel en ondiep onderloopt. De gevolgen van een overstroming worden bepaald door de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart) en de snelheid waarmee een gebied overstroomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overstromingsrisicogebieden die snel en diep onderlopen (gelegen binnen dijkring 10: Mastenbroek en dijkring 11: IJsseldelta) mag in principe geen nieuwe bebouwing worden toegevoegd. Een uitzondering wordt gemaakt voor nieuwe bebouwing die nodig is vanuit zwaarwegende maatschappelijke belangen en t.b.v. agrarische functies of kleinschalige individuele woonfuncties. Voor alle gebieden binnen dijkringen is het gewenst dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe woonwijken, bedrijventerreinen en herstructurering) tijdig nadenken over voorzieningen die in zo'n geval getroffen kunnen en moeten worden om de bebouwing te beschermen tegen onderlopen, het gebied te kunnen evacueren of belangrijke functies veilig te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij bijvoorbeeld over het ophogen van gebieden, het realiseren van hoger gelegen wegen of locale dijken en kaden die vitale bebouwing beschermen. De urgentie van dit soort voorzieningen is hoger voor gebieden die snel en diep onderlopen (binnen dijkring 10:Mastenbroek en dijkring 11: IJsseldelta) dan voor gebieden die langzaam en minder diep onderlopen (binnen dijkring 9: Vollenhove, dijkring 52: Oost-Veluwe en dijkring 53: Salland). De verordening schrijft voor dat voor gebieden met risico op overstroming een overstromingsrisicoparagraaf wordt opgenomen in de toelichting bij bestemmingsplannen, waarin aandacht wordt besteed aan deze aspecten. Essentiële waterlopen Voor essentiële waterlopen geldt dat er aan weerszijden een strook van 100 meter wordt aangewezen als zone die gevrijwaard moet worden van ontwikkelingen die nu en in de toekomst belemmerend kunnen werken voor het waterafvoerend en waterbergend vermogen van deze waterlopen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Primaire watergebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen die betrekking hebben op primaire watergebieden zoals op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 aangegeven, voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Waterbergingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen die betrekking hebben op waterbergingsgebieden die als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, regelen de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken en voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.3</span><span class=\"lf-art-t\">Gebieden met risico op overstroming (minder snel en ondiep onderlopende gebieden)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 9: Vollenhove, 52: Oost-Veluwe, 53: Salland (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, voorzien alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen binnen deze gebieden als in het desbetreffende bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De toelichting bij bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de risico’s bij overstroming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gebieden met risico op overstroming (snel en diep onderlopende gebieden)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 10: Mastenbroek en 11: IJsseldelta (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, voorzien alleen in het realiseren van nieuwe bebouwing binnen deze gebieden als er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. Het desbetreffende bestemmingsplan stelt in dit geval zodanige voorwaarden dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het gestelde in lid 1 wordt de voorwaarde van zwaarwegend maatschappelijk belang, niet gesteld ten aanzien van agrarische functies en incidentele woonbebouwing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de risico’s bij overstroming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.5</span><span class=\"lf-art-t\">Essentiële watergangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen die op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 als zodanig zijn aangegeven, voorzien binnen stroken van 100 meter aan weerzijden van deze essentiële waterlopen niet in nieuwe ontwikkelingen die:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de functie van deze waterlopen voor de waterafvoer beperken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de toekomstige verruiming van de waterloop ten behoeve van afvoer en berging van water onmogelijk maken.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.15. Windturbines</h3>\n<p class=\"lf-p\">24[Toelichting: Provinciaal beleid De provincie bevordert de opwekking van duurzame energie. In dat kader wordt ingezet op het vergroten van het aandeel van windenergie in de energieopwekking. Op dit moment leveren de 3 windturbines in Staphorst (de Lichtmis) een totaalvermogen van 6 MW (megawatt). De provincie heeft met het Rijk afgesproken dat in 2010 tenminste 80 MW in de vorm van duurzame energie zal worden geleverd. Inmiddels zijn diverse projecten in voorbereiding waarbij windturbines zullen worden opgericht. Met name in de gebieden die in de Omgevingsvisie zijn aangemerkt als kansrijk zoekgebied windenergie verwacht de provincie haar taakstelling op het gebied van windenergie te kunnen behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen Niet overal binnen Overijssel is de oprichting van windturbines gewenst gelet op de impact die dat kan hebben op landschappelijke en natuurlijke waarden. Verder geldt dat hoge bouwwerken ongewenst zijn binnen zones waar (laag) gevlogen kan worden. In de verordening wordt daarom de oprichting van windmolens uitgesloten binnen de EHS, de twee nationale landschappen (IJsseldelta en Noordoost-Twente) en gebieden die zijn aangewezen als laagvliegroutes en funnels. Verplichte clustering In de verordening is het principe van verplichte clustering vastgelegd. In de groene omgeving zijn windturbines alleen toegestaan in de vorm van een windpark. Een windpark bestaat uit minimaal 4 windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering op dit principe van clustering wordt gemaakt voor windturbines met een maximale tiphoogte van 25 meter. De invloed van deze kleine molens op de omgeving is namelijk relatief gering. Gebiedskenmerken Buiten deze gebieden is de oprichting van windturbines in principe toegestaan op grond van het provinciale beleid. Gemeenten zullen de initiatieven voor het plaatsen van windturbines verder moeten beoordelen op basis van een nadere verkenning van de lokale situatie. Afhankelijk van de situering ten opzichte van natuurgebieden, zal ecologisch onderzoek nodig zijn om aan te tonen dat de oprichting van de windmolens niet zal leiden tot significante effecten op beschermde natuurwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle gevallen zal toegelicht moeten worden hoe de plaatsing van windturbines zich verhoudt tot de aanwezige gebiedskenmerken. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 2.1.5. van deze verordening (sturen op ruimtelijke kwaliteit). ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. windturbines: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15.2</span><span class=\"lf-art-t\">Uitsluiting windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op grond van artikel 2.7.2. gerekend worden tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op grond van artikel 2.6.2. worden aangemerkt als Nationaal Landschap of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>die vallen binnen de als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven laagvliegroutes en funnel vliegveld Twente.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eis van clustering</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op de groene omgeving voorzien uitsluitend in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines in de vorm van windparken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen bestemmingsplannen voor de Groene omgeving individuele windturbines toestaan voor zover de tiphoogte daarvan niet meer bedraagt dan 25 meter.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.16. Basisrecreatietoervaartnet</h3>\n<p class=\"lf-p\">25[Toelichting: Provinciaal belang De landelijke toeristisch-recreatieve infrastructuur voor de recreatieve toervaart is van belang voor de beleving van de omgeving en de toeristische aantrekkingskracht van de provincie. Niet alleen hebben de routes een hoge recreatieve belevingswaarde, maar ook hebben zij een gunstig effect op de economische omzet van bedrijven langs deze routes. Voor de aantrekkelijkheid van de routes is - naast de vrije doorvaart - het van belang dat zij goed worden ingepast bij eventuele nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen. Motiveringsplicht De regeling voorziet in een bijzondere motiveringsplicht, om te verzekeren dat in gebieden rond het als zodanig aangegeven basisrecreatietoervaartnet in een vroeg stadium van de planontwikkeling hieraan aandacht wordt geschonken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens blijven daarnaast de generieke bepalingen in titel 2.1. (principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken) van toepassing. AMvB Ruimte Deze regeling is een aanvulling op de regeling die het Rijk zal treffen in de AMvB Ruimte en die gericht is op het veiligstellen van de vrije doorvaart op de basisrecreatietoervaartnet, dat in de Nota Ruimte is aangemerkt als nationaal belang. De ontwerp-AMvB voorziet in een (rechtstreekse) opdracht aan de raad om ten opzichte van geldende bestemmingsplannen geen wijzigingen aan te brengen in de bestemming die een nieuwe belemmering vormen of kunnen vormen voor de doorgang van schepen met bepaalde doorvaartmaten. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het basisrecreatietoervaartnet zoals is aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.17. Fiets- en wandelroutestructuren</h3>\n<p class=\"lf-p\">26[Toelichting: Provinciaal belang De bovenlokale toeristisch-recreatieve infrastructuur voor fietsen en wandelen is van belang voor de beleving van de omgeving en de toeristische aantrekkingskracht van de provincie. Niet alleen hebben de routes een hoge recreatieve belevingswaarde, maar ook hebben zij een gunstig effect op de economische omzet van bedrijven langs deze routes. Naast de landelijke routes zoals de Lange afstand wandelpaden (LAW's) en de Landelijke Fietsroutes (LF's) die door Overijssel lopen, gaat het om provinciale fiets- en wandelstructuren zoals de paden die deel uitmaken van het Raamplan Fietspaden, het Fietsroutenetwerk Overijssel en het Wandelnetwerk Twente. Motiveringsplicht Voor de aantrekkelijkheid van de bovenlokale routes is het van belang dat zij goed worden ingepast bij eventuele nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen. Het ontstaan van nieuwe belemmeringen, barrières en knelpunten moet zoveel mogelijk worden tegengegaan en in ieder geval gecompenseerd moeten worden door bijvoorbeeld het aanleggen van alternatieve tracés waarbij de belevingswaarde van de route gewaarborgd blijft. De regeling voorziet in een bijzondere motiveringsplicht, om te verzekeren dat in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling hieraan aandacht wordt geschonken. Overigens blijven daarnaast de generieke bepalingen in titel 2.1. (principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken) van toepassing. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met bestaande bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.18. Externe Veiligheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">27[Toelichting: Provinciaal belang Economische ontwikkeling en toename van de bevolking betekenen een toename van externe veiligheidsrisico's. De intensiteit van risicovolle activiteiten, waaronder het transport van gevaarlijke stoffen via weg, spoor en water en via ondergrondse transportleidingen neemt toe. Daarnaast is er de opgave om voor de bevolking en veilige woon-, werk-, en leefomgeving in stand te houden en daar waar nodig te creëren. Daarom zijn keuzes noodzakelijk. Provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen over (vaar)wegen is een provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen aangewezen. Het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen is afgestemd op het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen voor weg, water en spoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen komen tot een aaneengesloten route van transport van gevaarlijke stoffen is het van belang om langs (vaar)wegen die zijn vrijgegeven en (mogelijk) aangewezen worden als route gevaarlijke stoffen, het toevoegen van kwetsbare functies te voorkomen als dit zou leiden tot beperking van de gebruiksmogelijkheden van de (vaar)weg als onderdeel van de route gevaarlijke stoffen. Buisleidingen Uit een oogpunt van externe veiligheid stimuleert de provincie het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Voor hoofdtransportleidingen en regionale transportleidingen van aardgas worden vooruitlopend op de AMvB Buisleidingen vrijwaringszones geregeld waarbinnen niet gebouwd mag worden als dit zou leiden tot een inperking van de ruimtelijke reservering voor intensivering van de transportfunctie van deze leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essentiële functies Essentiële functies en gebouwen moeten zonder meer inzetbaar zijn bij een crisis, ramp of andere calamiteit. Dit geldt voor rampencoördinatiecentra, als traumacentrum aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales, specifieke infrastructuur enz. Deze functies dienen te worden beschermd tegen externe veiligheidsrisico's. Kwetsbare objecten dienen ruimtelijk gescheiden te zijn van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. buisleiding gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven regionale en hoofdtransportleidingen voor het transport van aardgas, olie, olieproducten, chemicaliën en CO2; b. provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven (vaar)wegen die vrijgegeven zijn en (mogelijk) aangewezen worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over weg of water; c. essentiële functies en gebouwen: functies en gebouwen die essentieel zijn voor het effectief kunnen bestrijden en beperken van gevolgen van crises, rampen en andere calamiteiten, zoals rampencoördinatiecentra, als traumacentra aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en infrastructuur die nodig is bij eventuele ontruimingen van een gebied; d. kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening; e. beperkt kwetsbare objecten: objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening; f. groepsrisico: cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van risicobron; g. plaatsgebonden risico: risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met een risicobron; h. invloedsgebied: gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico; i. exploitant: de instantie die verantwoordelijk is voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de risicobron; j. risicokaart: een geografische kaart waarop de in de provincie aanwezige risico’s zijn aangeduid als bedoeld in artikel 6a van de Wet Rampen en zware ongevallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.2</span><span class=\"lf-art-t\">Buisleiding gevaarlijke stoffen en belemmeringenstroken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">28[Toelichting: Artikel 2.18.2. en 2.18.3. geven voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst geregeld worden door een AMvB (Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen) en de structuurvisie buisleidingen. De procedure daarvan loopt, maar de verwachting is dat de AMvB en structuurvisie pas over enige tijd in werking zal treden. Bij buisleidingen die op de risicokaart staan kan men op deze kaart ook de GR (groepsrisico) en PR- (plaatsgebonden risico) contour aflezen. Zolang dit nog niet voor de volledige 100% is geborgd kunnen de contouren nog bij de Gasunie of NAM worden opgevraagd. Dat kan via het steunpunt of via info@concernloket.nl ] 1. Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke bestemming en/of aanduiding voor de in het plangebied aanwezige buisleidingen gevaarlijke stoffen en de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt bepaald dat bouwwerken alleen zijn toegestaan na ontheffing gehoord de exploitant. Deze ontheffing kan alleen worden verleend voor zover de buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbare objecten worden toegelaten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de buisleiding.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkelingen nabij buisleiding gevaarlijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">29[Toelichting: Artikel 2.18.2. en 2.18.3. geven voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst geregeld worden door een AMvB (Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen) en de structuurvisie buisleidingen. De procedure daarvan loopt, maar de verwachting is dat de AMvB en structuurvisie pas over enige tijd in werking zal treden. Bij buisleidingen die op de risicokaart staan kan men op deze kaart ook de GR (groepsrisico) en PR- (plaatsgebonden risico) contour aflezen. Zolang dit nog niet voor de volledige 100% is geborgd kunnen de contouren nog bij de Gasunie of NAM worden opgevraagd. Dat kan via het steunpunt of via info@concernloket.nl] 1. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object als is aangetoond dat de grenswaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten in acht genomen wordt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object of van een buisleiding met gevaarlijke stoffen als rekening is gehouden met de richtwaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het gestelde onder lid 2 kan overschrijding van de richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan na ontheffing zoals bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro, mits:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>sprake is van een groot maatschappelijk belang en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>verzekerd is dat zodanige maatregelen worden getroffen dat een goed woon- en leefklimaat verzekerd is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.4</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe ontwikkelingen en transport gevaarlijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">30[Toelichting:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(nieuwe ontwikkelingen nabij provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen) Dit artikel geeft een voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst geregeld worden door een AMvB (Besluit Transport Externe Veiligheid). De procedure daarvan loopt, maar de verwachting is dat de AMvB pas over enige tijd in werking zal treden. De toekomstige AMvB stelt dat bij alle overige wegen (de niet in het landelijk basisnet genoemde wegen) naast het GR en het PR ook rekening moet worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied van 20 meter. Daarnaast geeft het toekomstige basisnet naar alle waarschijnlijkheid de mogelijkheid een provinciaal basisnet op te zetten. Samenhang en continuïteit routenetwerk In de verordening is een bijzondere motiveringsplicht opgenomen op grond waarvan gemeenten in de toelichting moeten ingaan op de vraag in hoeverre bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het principe van provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk vervoer gevaarlijk stoffen Nieuwe ontwikkelingen Door nu via de Omgevingsverordening te borgen dat rekening wordt gehouden met als zodanig op de kaart aangegeven provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen, hoeft alleen bij die wegen rekening gehouden te worden met het plasbrandaandachtsgebied (i.p.v. bij alle gemeentelijke en provinciale wegen). Overigens is het relevant om te weten dat bij gemeentelijke en provinciale wegen de PR 10-6 contour in de regel op de weg zelf ligt en het plasbrandaandachtsgebied in de toekomst de voornaamste ruimtelijke belemmering zal zijn rondom deze wegen. Als (een deel van) de ruimtelijke ontwikkeling binnen de 200 meter van de weg plaatsvindt kan het, afhankelijk van de verwachte verandering van het groepsrisico, noodzakelijk zijn een berekening van het groepsrisico uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontwikkeling buiten deze 200 meter plaatsvindt, is een berekening in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Voor wat betreft artikel 2.18.4. lid 4, sub b is het de bedoeling dat in één grafiek de 0-situatie, de eindsituatie en oriënterende waarde van het groepsrisico met elkaar worden vergeleken. Essentiële functies Het begrip ‘Essentiële functies en gebouwen' is niet limitatief. Het gaat om functies en gebouwen die zonder meer inzetbaar moeten zijn bij een crisis, ramp of andere calamiteit. Dit geldt in ieder geval voor rampencoördinatiecentra, als traumacentrum aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en specifiek voor de rampenbestrijding benodigde infrastructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doorfunctioneren van deze functies dient te worden gegarandeerd door ze te beschermen tegen externe veiligheidsrisico's. Hierbij zal specifiek gekeken moeten worden naar de invloed op het doorfunctioneren van de essentiële functie. Bijvoorbeeld: een toxische wolk zal het doorfunctioneren van het C2000 netwerk niet beïnvloeden, maar heeft bij een als traumacentrum aangewezen ziekenhuis wel duidelijke gevolgen voor de inzetbaarheid. ] 1. In de toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op wegen en vaarwegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het uitgangspunt dat de provinciale samenhang en de continuïteit van dit routenetwerk moet worden geborgd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een (vaar)weg die op de risicokaart is aangeduid als ‘route gevaarlijke stoffen’ nadat is aangetoond dat dit geen beperkingen zal opleveren voor de functie van de (vaar)weg als onderdeel van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen en advies is gevraagd van de regionale brandweer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 stelt het bevoegd gezag, het bestuur van de regionale brandweer in wier gebied het bestemmingsplan ligt, in de gelegenheid advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In de toelichting op een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 wordt in elk geval vermeld: de aanwezige en de op grond van het bestemmingsplan te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; het groepsrisico per kilometer (vaar)weg op het tijdstip waarop het bestemmingsplan wordt vastgesteld en de invloed van het bestemmingsplan op de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval van 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast; andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan; de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet; het plasbrandaandachtsgebied en de maatregelen die met betrekking tot dit gebied zijn getroffen om de effecten van een zwaar ongeval of ramp te beperken; een samenvatting van het advies van de regionale brandweer over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp of het zware ongeval als bedoeld in de Wet Rampen en zware ongevallen, alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.5</span><span class=\"lf-art-t\">Essentiële functies en gebouwen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe essentiële functies en gebouwen binnen het invloedsgebied van inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en/of binnen het invloedsgebied van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen als zich binnen het invloedsgebied essentiële functies en gebouwen bevinden, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.19. Mobiliteit</h3>\n<p class=\"lf-p\">31[Toelichting: Provinciaal belang Goede verbindingen zijn essentieel voor de economische groei en stedelijke ontwikkeling van de economische kerngebieden. Aan de andere kant kan mobiliteit ook de kwaliteit van de leefomgeving aantasten. Daarom wordt ingezet op bundeling van verkeersstromen op de hoofdinfrastructuur waar het belang van een goede en veilige doorstroming vervolgens voorop wordt gezet. Voor de overige wegen geldt dat het mobiliteitsbelang ondergeschikt wordt gesteld aan de kwaliteit van de leefomgeving, zoals de woonomgeving, landschap, natuur, toerisme en recreatie. Wegencategorisering Met het systeem van wegencategorisering wordt aan de diverse wegen een functie toegekend, waarop vervolgens de inrichting van de weg wordt aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee is niet alleen doorstroming gediend, maar wordt ook bijgedragen aan de verkeersveiligheid. Met gemeenten worden afspraken gemaakt over het toepassen van het systeem van wegencategorisering op gemeentelijke wegen. Concentratie De provincie zet vanuit het belang voor de economische ontwikkeling in op een goede bereikbaarheid van en naar stedelijke en streekcentra met zowel per auto, met het openbaar vervoer, met de fiets als over water. Omgekeerd dient bij het projecteren van ruimtelijk-economische activiteiten rekening gehouden worden met de effecten op de (hoofd)infrastructuur. Ontwikkelingen die mobiliteit oproepen dienen bij voorkeur geprojecteerd te worden nabij aansluitingen op de hoofdinfrastructuur en multimodale knooppunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluitingen Om de doorstroming op de hoofdinfrastructuur te verzekeren dient het aantal aansluitingen op deze wegen beperkt te blijven. Voor zover het gaat om provinciale wegen zal de provincie als wegbeheerder terughoudend omgaan met het toestaan van nieuwe aansluitingen. Wij gaan er vanuit dat voor rijkswegen het bestaande terughoudende beleid ten aanzien van het toestaan van nieuwe aansluitingen wordt gehandhaafd. In hoofdstuk 5 Verkeer is voorzien in een ontheffingssysteem voor uitwegen en aansluitingen op provinciale wegen. Door middel van beleidsregels worden kaders gesteld aan de verlening van dergelijke ontheffingen. Fietsverbindingen De provincie wil het aandeel van het fietsverkeer in het totaal aan verkeersbewegingen vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvoor is van belang dat fietsverbindingen voldoende kwaliteit hebben en snelle en aantrekkelijke routes volgen. Bij het projecteren van stedelijke ontwikkelingen dient aandacht te zijn voor een goede aansluiting op hoofdfietsverbindingen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. hoofdinfrastructuur: weg-, vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra; b. hoofdfietsverbindingen: hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en streekcentra; c. multimodale knooppunten: locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen verkeersmodaliteiten (weg, water, spoor).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19.2</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe ontwikkelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.20. Winlocaties grondstoffen</h3>\n<p class=\"lf-p\">32[Toelichting: Provinciaal belang Vanuit de ambitie dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met de ondergrond, is in de Omgevingsvisie vastgelegd dat wanneer de ondergrond gebruikt kan worden als bron van grondstoffen (waaronder oppervlaktedelfstoffen), deze kans duurzaam moet worden benut. Voor nieuwe ontgronden geldt dat deze multifunctioneel moeten zijn, moeten passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit. Vergunningverlening Nu is de provincie op grond van de Ontgrondingenwet de instantie die moet beslissen over de vergunningen voor ontgrondingen. Dit betekent echter niet zonder meer dat ook het provinciale ruimtelijke beleid ten aanzien van zandwinningen zonder meer bij die beslissing kunnen worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het systeem van vergunningverlening voor ontgrondingen komt kortweg op het volgende neer: 1. Het is verboden te ontgronden zonder vergunning. 2. Bij de beslissing over verlening van een ontgrondingsvergunning moeten alle betrokken belangen worden afgewogen. 3. Een ontgrondingsvergunning wordt geweigerd indien sprake is van strijd met een ruimtelijk besluit, tenzij die strijd naar verwachting zal worden opgeheven. Ruimtelijke spoor Omdat de provinciale structuurvisie (Omgevingsvisie) niet mag worden aangemerkt als een ruimtelijk besluit (dus als weigeringsgrond), is het nodig om in de verordening hiervoor een kader te geven omdat die wel een externe bindende/normerende werking heeft. De vergunning kan op grond van de Ontgrondingenwet weliswaar worden geweigerd op basis van een \"afweging van alle betrokken belangen\", dus ook die waar de Omgevingsvisie op ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij kan echter niet de formele \"strijd met de Omgevingsvisie\" als motivering wordt gehanteerd, maar alleen inhoudelijke strijd met belangen van bijvoorbeeld natuur, landschap, aardkundige waarden etc. Daarmee is dan nog niet verzekerd dat in de locatieafweging voor ontgrondingen de principes van multifunctionaliteit, passendheid in het netwerk van zandwinningen en ruimtelijke kwaliteit worden toegepast. Via artikel 2.20.1. wordt bereikt dat bestemmingsplannen alleen ontgrondingen mogelijk maken die voldoen aan deze principes. Dit heeft als resultaat dat gevraagde vergunningen voor ontgrondingen die vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst zijn, geweigerd kunnen worden wegens strijd met het bestemmingsplan en met de ruimtelijke verordening die hiermee ook op zichzelf als een weigeringsgrond kan worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoutwinlocaties In artikel 2.20.2. is een regeling opgenomen die ervoor zorgt dat nieuwe zoutwinlocaties alleen worden toegelaten als deze kunnen worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap conform de gebiedskenmerken. Op grond van de Mijnbouwwet zal eventuele schade als gevolg van de winning, bijvoorbeeld door bodemdaling en bodemtrillingen, gecompenseerd moeten worden. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontgrondingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe, multifunctionele ontgrondingslocaties, indien deze passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 regelt, voor zover mogelijk, dat de ontgrondingslocatie zodanig wordt geprojecteerd en ingericht dat tijdens de zandwinning de invloed op de omgevingskwaliteiten beperkt blijft en de locatie na het (gefaseerd) beëindigen van de zandwinning eenvoudig geschikt te maken is voor de beoogde nieuwe bestemming.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Zoutwinningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinlocaties indien de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.21 ruimtelijke reservering luchthaven Twente</h3>\n<p class=\"lf-p\">33[Toelichting: Provinciaal belangOp 16 juni 2010 is de ruimtelijke visie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente en omgeving vastgesteld als uitwerking van de provinciale Omgevingsvisie. De ruimtelijke visie voorziet in de doorontwikkeling van de voormalige militaire luchtbasis Twente tot burgerluchthaven. De benutting van de aanwezige luchthavenvoorzieningen, waaronder een relatief lange start- en landingsbaan als luchthaven voor zakelijk, toeristisch en recreatief vliegverkeer is een passende vervolgfunctie, die bijdraagt aan de economische ontwikkeling van de regio. Op grond van artikel 19 van het Besluit burgerluchthavens moet bij de vaststelling van het luchthavenbesluit een afweging worden gemaakt over de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied gelegen tussen de geluidscontour van 56 dB(A) Lden en de geluidcontour van 48 dB(A) Lden in relatie tot het gebruik van de luchthaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van dit afwegingsgebied is in de ruimtelijke visie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente eo vastgelegd dat de provincie nieuwbouw van woningen en andere geluidgevoelige functies als scholen, ziekenhuizen en verpleeginrichtingen niet mogelijk acht. In artikel 2.21.2 lid 1 wordt daarom uitdrukkelijk de bouw van dergelijke nieuwe geluidgevoelige functies binnen het afwegingsgebied uitgesloten.Op dit moment geldt rond de luchthaven de geluidszone die door het Rijk is vastgesteld is op basis van militair gebruik. De vergunde militaire geluidscontour voor 35 Kosten-eenheden (Ke) beslaat een oppervlakte van 38,71 km2. Voor het gebruik als burgerluchthaven kan worden volstaan met een kleinere zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit berekeningen blijkt dat in dat geval kan worden volstaan met een contour van 56 dB(A) Lden. Dit gebied van ongeveer 8 km2 geldt als beperkingengebied, waarbinnen nieuwbouw van woningen en de bebouwing voor andere geluidgevoelige functies niet is toegestaan. Deze geluidscontour zal te zijner tijd op basis van aanvullend onderzoek en van een besluit-MER worden vastgelegd in het Luchthavenbesluit. Voor dit besluit is de minister van Infrastructuur en Milieu verantwoordelijk. In de ruimtelijke visie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente is vastgelegd dat het vanwege de belangen van welzijn en volksgezondheid het hoogst onwenselijk is wanneer zich direct buiten de contour van 56 dB(A) Lden zich nieuwe geluidgevoelige functies zouden ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom wordt rekening gehouden met een buffer binnen het afwegingsgebied met een oppervlakte van 10,6 km2, waarbinnen de provincie nieuwbouw van woningen en andere geluidgevoelige functies zoals scholen, ziekenhuizen en verpleeginrichtingen niet mogelijk achten. Voor deze bufferzone geldt dat bij uitzondering geluidgevoelige functies kunnen worden toegestaan.Zowel de geluidscontour voor de 8,0 km20-zone als de geluidscontour voor de 10,6 km2-zone zijn globaal aangegeven in de ruimtelijke visie Gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente eo. Deze zones zijn tot dusver nog niet juridisch bindend vastgelegd. Op dit moment wordt bij ontwikkelingen in de omgeving van de luchthaven al geanticipeerd op het terugleggen van de geluidzone door het Rijk.</p></div>", "next": 238353}