{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In deze richtlijn wordt aangegeven per welke datum verlagingen welke krachtens de afstemmingsverordening worden toegepast ingaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een besluit tot het opleggen van een maatregel niet kan worden uitgevoerd omdat de bijstand is beëindigd of ingetrokken, wordt het besluit alsnog uitgevoerd indien de belanghebbende binnen 12 maanden na de dagtekening van de beschikking, waarin het besluit tot beëindiging of intrekking van de bijstand bekend is gemaakt, wederom een beroep doet op bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer er sprake is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend gemaakt, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de uitkering al beëindigd dan wordt de maatregel met terugwerkende kracht toegepast. Dit houdt in een herziening van het recht op bijstand tot het bedrag van de maatregel over de periode volgend op de periode waarin de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden. Dit betreft de situatie dat over de periode waarin deze schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd. In de situatie dat over deze periode de verstrekte bijstand niet volledig wordt teruggevorderd, kan de herziening tot het bedrag van de maatregel plaatsvinden over dezelfde periode. De herziening resulteert in een terugvordering van bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aansluitend aan de periode waarin de schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden, de uitkering beëindigd, dan kan de maatregel niet geëffectueerd worden. In dit geval kan de maatregel over een toekomstig recht worden opgelegd. Indien de belanghebbende op een later tijdstip, binnen vijf jaar, wederom een uitkering aanvraagt, kan de maatregel alsnog worden uitgevoerd. De belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van de uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er een maatregel opgelegd kan worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand. (zie ook richtlijn B044.) B049 Termijn heroverweging besluit tot verlaging In deze richtlijn wordt aangegeven binnen welke termijn een beslissing tot een verlaging krachtens de afstemmingsverordening wordt heroverwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting De herbeoordeling dient plaats te vinden binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo'n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bijstand B144 Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar Het college van burgemeester en wethouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collegevoorstel 0955615 Gelet op artikel 2 Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 Besluit Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B144 Verlaging algemene bijstand voor personen van 18, 19 of 20 jaar ArtikelI Richtlijn nr. B144 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlagingen in de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 gelden niet voor personen van 18 t/m 20 jaar. In individuele gevallen kan het college de norm verlagen indien deze hoger is dan de bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) die zou gelden indien de belanghebbende 21 jaar zou zijn. Zie voor de berekening van de bijstandsnorm voor personen van 21 t/m 64 jaar paragraaf B6.6 van het handboek WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 16 juni 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">10 juli 2009 De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting In deze richtlijn wordt aangegeven of de algemene bijstand voor belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar wordt verlaagd overeenkomstig de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.5 onderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen Het college heeft de bevoegdheid om op grond van de artikelen 26, 27 en 28 WWB in de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 verlagingen op te nemen (ook) voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jongerennormen van artikel 20 WWB is al rekening gehouden met het feit dat de jongere lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft doordat hij meestal nog een beroep op zijn ouders kan doen. Nog eens verlagen is dan 'dubbelop', voor zover de normen van artikel 20 WWB al hoog genoeg zijn om overeenkomstig de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 verlaagd te kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2 van de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 is bepaald dat de bepalingen van de verordening alleen gelden voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar..</p>\n<p class=\"lf-p\">B050 Toeslagen algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 (zie bijlage GB01) kent de volgende toeslagen toe aan personen van 27 tot 65 jaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie Toeslag</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>alleenstaande (ouder) in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft 20%</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een adresloze, waarbij tevens een verlaging wordt toegepast wegens het ontbreken van woonkosten 20%</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>alleenstaande ( ouder ) in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft 10%</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>alleenstaande ( ouder ) in wiens woning een thuiswonend kind woont van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 20% Uitdrukkelijk geldt dat wanneer er inwonende andere kinderen zijn die wel geacht kunnen worden bij te dragen in de vaste lasten, het gestelde onder het laatste punt niet opgaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">De adresloze (de alleenstaande (ouder) als bedoeld in het Bijstandsbesluit adreslozen (hoewel het Bijstandsbesluit adreslozen is vervallen, heeft artikel 11 Besluit WWB jo. onderdeel A van de bijlage van het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid hetzelfde gevolg) bewoont geen woning en kan ook geen kosten delen met anderen. Er wordt dan ook een toeslag toegekend van 20%. Deze toeslag wordt verlaagd met de verlaging vanwege het ontbreken van woonkosten. Ondanks het feit dat een adresloze geen woning bewoont wordt artikel 5 van de Verordening van overeenkomstige toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook voor de adresloze die gebruik maakt van de nachtopvang van instellingen als d’n Herd en De Oversteek en de adresloze die alleen een briefadres heeft op het adres Churchilllaan 109, van BJ-Brabant of de LEV-groep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien blijkt dat de adresloze aantoonbaar meer kosten heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, kan op grond van artikel 18 lid 1 WWB individualisering plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thuislozen die verblijven in d’n Herd vallen niet onder het begrip ‘adreslozen’. Zij staan ingeschreven in d’n Herd en kunnen aanspraak maken op een toeslag van 10%. Evenals alleenstaande (ouders) die verblijven in instellingen als De Koning, De Passages, sociaal pension of begeleid wonen, er geldt dat zij de kosten van het bestaan niet geheel met die andere medebewoners kunnen delen. Zij komen dan ook in aanmerking voor een toeslag van 10%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar toepassing van de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 voor de belanghebbende die reeds algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ontvangt, nadeliger uitwerkt dan toepassing van de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Helmond 2004, geldt er een gewenningsperiode. Deze gewenningsperiode houdt in dat de belanghebbende bij het eerstvolgende periodieke onderzoek naar de rechtmatigheid van het recht op bijstand daarover geïnformeerd wordt en waarbij wordt aangegeven dat de gunstiger toepassing van de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Helmond 2004 vanaf dat moment nog voor een periode van 6 maanden blijft gelden. In een beschikking aan de belanghebbende wordt dit expliciet zo opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Situaties waarbij aan toepassing van een gewenningsperiode gedacht kan worden is bijv. hulpbehoevendheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Helmond 2004 was nog opgenomen een bepaling inhoudende dat bij een alleenstaande (ouder) een toeslag wordt toegekend van 20% in plaats van 10% wanneer deze aangemerkt kan worden als verzorger van een hulpbehoevend persoon. De achtergrond hiervan was dat onder het regime van de Algemene Bijstandswet (ABW) en de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers (RWW) (tot 1996) afgezien kon worden van de zogenaamde kostgangerskorting indien er sprake was van hulpbehoevendheid. De kostgangerskorting berustte op artikel 10 eerste lid onder a BLN (Besluit landelijke normering). Volgens artikel 10b BLN was dat voorschrift ook van toepassing ten aanzien van een hulpbehoevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de invoering van de Algemene bijstandswet (Abw) in 1996 is deze landelijk geldende korting komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de invoering van de Abw in 1996 zijn de gemeenten bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag of verlaging vrij geweest om wel of geen rekening te houden met de verzorging van een hulpbehoevend persoon. Dit diende in de verordening geregeld te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening Toeslagen en Verlagingen Algemene bijstandswet (onder de Abw tot 1 januari 2004) als ook de Verordening toeslagen en verlagingen wet werk en bijstand gemeente Helmond (onder de WWB vanaf 1 januari 2004) is het afzien van een korting in verband met inwoning van een hulpbehoevende bij een alleenstaande of bij een alleenstaande ouder gehandhaafd. De verordening bevatte geen bepaling ten aanzien van inwoning van een hulpbehoevende bij een gezin. Dit betekent echter wel dat de Toeslagenverordening dan zodanig uitwerkt dat er o.g.v. artikel 26 IVBPR (Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten) sprake is van een verboden onderscheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is een bepaling over hulpbehoevendheid in de verordening formeel gezien niet juist. In artikel 30 lid 3 WWB wordt bepaald dat alleen de verhogingen of verlagingen genoemd in de artikelen 25 t/m 29 WWB mogen worden opgenomen. Hulpbehoevendheid valt daar niet onder. Wanneer op dat punt in de verordening wel een bepaling wordt opgenomen, is dat in formele zin in strijd met de WWB en onverbindend. Hulpbehoevendheid speelt geen rol bij de centrale vraag of de noodzakelijke bestaanskosten (m.n. woonkosten) slechts zo beperkt kunnen worden gedeeld dat van een verlaging moet worden afgezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 24-04-2001, nr. 99/87 NABW) heeft de Raad aangegeven dat in de Toeslagenverordening geen regeling opgenomen behoeft te worden voor situaties van hulpbehoevendheid en verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze redenen is in de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 geen bepaling meer opgenomen omtrent hulpbehoevendheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze richtlijn is opgenomen welke toeslagen, op grond van de verordening bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB (de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009), worden toegekend aan de alleenstaande en alleenstaande ouder (van 21 tot 65 jaar) vanwege het hebben van hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen De juridische grondslag voor deze richtlijn is gelegen in artikel 8 lid 1 onderdeel c j° artikel 30 WWB en artikel 25 lid 1 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB bepaalt, dat de Gemeenteraad een verordening moet vaststellen waarin conform artikel 30 WWB:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wordt aangegeven voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd, en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging wordt bepaald. Uit deze toeslagenverordening moet blijken voor welke categorieën er een verhoging van de landelijke normen plaatsvindt en tevens op grond van welke criteria het bedrag van die verhoging wordt vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">B051 Verlaging algemene bijstand gehuwden De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 (zie bijlage GB01) kent de volgende verlagingen toe aan personen van 27 tot 65 jaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie Verlaging</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gehuwden in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft 0%</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gehuwden in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf heeft 10%</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gehuwden in wiens woning twee of meer anderen hun hoofdverblijf hebben 20%</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gehuwden in wiens woning een thuiswonend kind woont van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000 0% Uitdrukkelijk geldt dat wanneer er inwonende andere kinderen zijn die wel geacht kunnen worden bij te dragen in de vaste lasten, het gestelde onder het laatste punt niet opgaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor gehuwden die beiden verblijven in instellingen als D'n Herd, De Koning, De Passages, sociaal pension of begeleid wonen, geldt dat zij de kosten van het bestaan met meerdere anderen kunnen delen. Voor hen geldt dus een verlaging van 20%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze richtlijn is opgenomen in hoeverre, op grond van de verordening bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB, de norm van gehuwden (van 21 tot 65 jaar) wordt verlaagd vanwege het hebben van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van het kunnen delen van deze kosten met een ander.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.6 onderdeel 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen De juridische grondslag voor deze richtlijn is gelegen in artikel 8 lid 1 onderdeel c j° artikel 30 en artikel 26 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB bepaalt, dat de Gemeenteraad een verordening moet vaststellen waarin conform artikel 30 WWB:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wordt aangegeven voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verlaagd, en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op grond van welke criteria de hoogte van die verlaging wordt bepaald.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze toeslagenverordening moet blijken voor welke categorieën er een verlaging van de landelijke normen plaatsvindt en tevens op grond van welke criteria het bedrag van die verlaging wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">B052 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten Het college van burgemeester en wethouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collegevoorstel 0955615;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c j° artikel 30 en artikel 27 Wet werk en bijstand (WWB), artikel 2 en 5 Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 Besluit Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B052 Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten ArtikelI Richtlijn nr. B052 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 (zie bijlage GB01) maakt in artikel 5 gebruik van de mogelijkheid die de WWB geeft, om een speciale verlaging toe te passen indien de belanghebbende een woning bewoont waaraan geen woonkosten verbonden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijstandsnorm van de belanghebbende die een woning bewoont waaraan geen kosten van huur of hypotheeklasten zijn verbonden, wordt verlaagd met het bedrag dat gelijk is aan de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag. Als er sprake is van extra kosten die samenhangen met het ontbreken van kosten van huur of hypotheeklasten kan de verlaging worden verminderd met een bedrag dat met die extra kosten overeenkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel wordt dus uitgegaan van de vaste korting gelijk aan de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In individuele gevallen kan deze worden verminderd omdat de belanghebbende kosten in verband met het wonen heeft die niet onder de definitie van woonkosten vallen. Bijvoorbeeld de kraker die geen huur betaalt, maar gezien de staat van het pand wel kosten van groot onderhoud moet maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms zou misschien aan een hogere korting gedacht kunnen worden (bijv. bij een grote woning). Juist in die situaties zullen zich echter vaak andere kosten voordoen, waarvoor de vaste verlaging dan nog ruimte laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijkingen in de hoogte van de vaste korting dient te worden beoordeeld op grond van artikel 18 lid 1 en lid 4 WWB. Rechters zullen echter niet snel aanleiding zien voor een hogere korting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlaging geldt indien er voor de woning in het geheel geen woonkosten verschuldigd zijn. Daarnaast geldt ingevolge jurisprudentie dat deze verlaging ook in het geval de ex-partner de woonkosten van de woning blijft voldoen (CRvB 20-01-2001, nr. 99/644 NABW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de specifieke regels omtrent daklozen wordt verwezen naar paragraaf B6.9 onderdeel 6 inzake daklozen, richtlijn B059. Wanneer de belanghebbende die geen woning bewoont onderdak (of een postadres) heeft gevonden bij het AMW, BJ-Brabant of De Oversteek wordt als volgt gehandeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">AMW of BJ-Brabant Cliënten van het AMW of BJ-Brabant komen voor bijstand, met de instelling als postadres, in aanmerking onder de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkenen verblijven in, en hebben een langdurige band met, Helmond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instelling oordeelt de regeling noodzakelijk voor een goed verloop van de hulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur is máximaal 3 maanden; tijdens deze periode wordt alles in het werk gesteld om in Helmond een woning te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instelling geeft mutaties onmiddellijk door.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering bedraagt: voor personen van 21 jaar en ouder: de norm van artikel 21 WWB +20% toeslag omdat betrokkene zijn algemeen noodzakelijke kosten met niemand kan delen -/- het bedrag van de verlaging bij ontbrekende woonkosten. voor 18 t/m 20-jarigen: de norm van artikel 20 WWB als recht bestaat op bijzondere bijstand ingevolge artikel 12 WWB: + aanvulling zodanig vastgesteld dat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand op grond van artikel 20 WWB + bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB) overeenkomt met hoogte van de bijstandsuitkering (norm + toeslag - verlaging) die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor personen van 21 jaar (zie richtlijn nr.B079). -/-het bedrag van de verlaging bij ontbrekende woonkosten; dit bedrag wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Oversteek Betreft: mensen in de nachtopvang van De Oversteek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanzuigende werking op mensen van buiten Helmond moet worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom gelden o.a. de volgende afspraken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Oversteek stuurt iemand pas door voor een bijstandsaanvraag na een wachttijd van 5 dagen waarin wordt bekeken of hij in de nachtopvang blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende meldt zich, met een geldige legitimatie + een verklaring van D'n Herd over het verblijf in de nachtopvang, bij de Stadswinkel voor inschrijving in het bevolkingsregister op het adres van De Oversteek, Kasteeltraverse 102.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dezelfde gegevens meldt hij zich bij het Werkplein voor de bijstandsaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">W&amp;I grijpt voor wat betreft de ingangsdatum van de uitkering terug op de datum van aanvang van het verblijf in De Oversteek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Oversteek verstrekt aan het einde van elke maand een overzicht van het aantal malen dat elke cliënt daar nachtrust heeft gehad + een nota van het totaal aantal overnachtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">W&amp;I blokkeert maandelijks de uitkering. Heeft de cliënt nog recht dan wordt het bedrag van de nota rechtstreeks aan De Oversteek voldaan; het restant wordt - behoudens andere inhoudingen - aan belanghebbende betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de belanghebbende gedurende een volle kalendermaand niet in de nachtopvang verbleven, dan wordt de uitkering beëindigd per de eerste van die maand. De Oversteek zorgt dan ook voor uitschrijving bij de Stadswinkel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de hoogte van de uitkering worden mensen in de nachtopvang geacht niet alle kosten te kunnen delen. Voor de alleenstaande van 21 t/m 64 jaar oud betekent dit dus 10% toeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor specifieke regels met betrekking tot daklozen ook paragraaf B6.9 onderdeel 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 16 juni 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">10 juli 2009 De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting In deze richtlijn is opgenomen in hoeverre, op grond van de verordening bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB, de norm wordt verlaagd vanwege het hebben van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de woonsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.6 onderdeel 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen De juridische grondslag voor deze richtlijn is gelegen in artikel 8 lid 1 onderdeel c j° artikel 30 en artikel 27 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB bepaalt, dat de Gemeenteraad een verordening moet vaststellen waarin conform artikel 30 WWB: wordt aangegeven voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging wordt bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze toeslagenverordening moet blijken voor welke categorieën er een verlaging van de landelijke norm of toeslag als bedoeld in artikel 25 WWB plaatsvindt en tevens op grond van welke criteria het bedrag van die verlaging wordt vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WWB geeft het college de mogelijkheid om de norm te verlagen in het geval de woonsituatie van belanghebbende met zich meebrengt dat hij daardoor lagere noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Hier is nadrukkelijk ook onder begrepen de situatie waarin belanghebbende geen woning bewoont. Bij de bijstandsverlening moet met deze lagere bestaanskosten rekening kunnen worden gehouden. De wetgever heeft hiertoe in artikel 27 WWB een aparte rechtsgrond opgenomen, omdat de in de artikel 25 WWB en artikel 26 WWB genoemde rechtsgrond voor een toeslag en verlaging uitsluitend ziet op het kunnen delen van de kosten met een ander Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers of in het geval waarin de belanghebbende anderszins geen huurder of eigenaar van de woning is (zie CRvB 03-01-2006, nr. 05/5952 WWB). Hiervan is echter ook sprake in geval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat de Gemeenteraad in de toeslagenverordening kan opnemen welke woonkosten moeten ontbreken om voor een verlaging van de bijstandsnorm in aanmerking te kunnen komen. Woonkosten die niet zijn opgenomen in de verordening kunnen eventueel afgestemd worden op grond van artikel 18 lid 1 van de WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">B053 Verlaging algemene bijstand schoolverlaters Het college van burgemeester en wethouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collegevoorstel 0955615;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c j° artikel 30 en artikel 28 Wet werk en bijstand (WWB), artikel 2 en 6 Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 Besluit Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B053 Verlaging algemene bijstand schoolverlaters ArtikelI Richtlijn nr. B053 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schoolverlater is niet uitgesloten van het recht op uitkering. Echter, gedurende het eerste half jaar na beëindiging van de opleiding wordt de uitkering verlaagd. De verlaging bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief de toeslag (indien het een alleenstaande (ouder) betreft) en het van toepassing zijnde bedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 33, tweede lid van de wet bij aanvang van de bijstandsverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdstip van beëindiging deelname aan onderwijs of beroepsopleiding De schoolverlaterperiode vangt aan op het tijdstip waarop de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding eindigt. Deelname aan onderwijs of beroepsopleiding is beëindigd op het moment waarop geen aanspraak meer bestaat op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van respectievelijk de WSF 2000 en de Wtos. (De aanspraak eindigt dan altijd op een eerste van de maand.) Onderbreken van de bijstandsverlening tijdens de schoolverlatersperiode Het aanvaarden van werk voor kortere of langere duur schort de termijn van de verlaging niet op. Een 24-jarige schoolverlater die op 23 december is afgestudeerd, krijgt dus in de periode januari t/m juni te maken met de schoolverlatersverlaging. Gaat hij in maart en april werken dan schort dit de termijn van de verlaging niet op. Vanaf juli wordt de verlaging niet meer toegepast. Vraagt hij pas in april bijstand aan, dan geldt eveneens dat de verlaging vanaf juli niet meer wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 16 juni 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">10 juli 2009 De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting In deze richtlijn is opgenomen in hoeverre, op grond van de verordening bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB, een verlaging wordt toegepast voor een belanghebbende die recent deelname aan onderwijs of beroepsopleiding heeft beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.6 onderdeel 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen De juridische grondslag voor deze richtlijn is gelegen in artikel 8 lid 1 onderdeel c jo artikel 30 en artikel 28 lid 1 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB bepaalt, dat de Gemeenteraad een verordening moet vaststellen waarin conform artikel 30 WWB: wordt aangegeven voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging wordt bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze toeslagenverordening moet blijken voor welke categorieën er een verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt en tevens op grond van welke criteria het bedrag van die verhoging of verlaging wordt vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WWB bepaalt, dat het college de bijstandsnorm of de toeslag lager kan vaststellen voor de belanghebbende die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WWB spreekt over onderwijs of een beroepsleiding waarvoor aanspraak (lees: recht) bestond op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) De WSF 2000 geeft recht op studiefinanciering aan personen tot 30 jaar en aan degenen die tijdens de studie 30 jaar worden en hun studie zonder onderbreking voortzetten (zij hebben nog 48 maanden aanspraak op een lening). Dit betekent dat er per saldo een leeftijdsgrens van maximaal 34 jaar bestaat voor schoolverlaters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in theorie recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 36 Abw, de rechtsvoorganger van artikel 28 WWB. Daar is immers aangegeven dat het niet wenselijk is dat een jongere die vanuit een situatie van studiefinanciering een bijstandsuitkering ontvangt, een aanmerkelijk hoger inkomen zal ontvangen. De ratio van artikel 28 WWB is dat een belanghebbende niet onmiddellijk recht kan doen gelden op een relatief hoge bijstandsuitkering aansluitend op het relatief lage bedrag dat hij aan studiefinanciering ontving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Memorie van toelichting wordt aangegeven dat eventuele inkomsten naast studiefinanciering geen rol mogen spelen bij de toepassing van de verlaging. Zie TK 2002–2003, 28 870, nr. 3, p. 54. Daarbij zij opgemerkt dat bij van de toepassing van artikel 36 Abw niet zomaar voorbij kon worden gegaan aan dergelijke inkomsten. Het individualiseringsbeginsel van artikel 13 lid 1 Abw stond daaraan in de weg. Eens temeer vanwege het feit dat artikel 38 lid 4 Abw de werking van artikel 13 lid 1 Abw onverlet laat. Zie CRvB 07-12-1999, nr. 98/1937 NABW. Aangezien artikel 30 lid 4 WWB een soortgelijke bepaling kent ten aanzien van artikel 18 lid 1 WWB, moet er niet op voorhand van worden uitgegaan, dat door de betreffende opmerking in de Memorie van toelichting deze jurisprudentie haar betekenis verloren heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WWB heeft het tevens over beëindiging van onderwijs of beroepsopleiding. Dit moment van beëindiging wordt evenals in artikel 36 Abw niet nader omschreven. Gelet op het feit dat artikel 36 Abw gemeenten de mogelijkheid bood om de regeling op grond van het BLN voort te kunnen zetten (TK 1993-1994, 22 545, nr. 18, p. 95 en 96) ligt het voor de hand om ook bij de toepassing van artikel 28 WWB voor het begrip \"tijdstip van die beëindiging\" aansluiting te zoeken bij het BLN. Artikel 1a lid 1 BLN gebruikte de volgende definiëring voor het moment waarop de schoolverlatersperiode zijn aanvang vond de eerste dag van de maand waarin geen aanspraak meer bestaat op bedoelde studiefinanciering; onderscheidenlijk de eerste dag van de maand volgende op die waarin het onderwijs of de beroepsopleiding is beëindigd.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Met gebruikmaking van deze definitie ligt het tijdstip van beëindiging van de deelname aan onderwijs of beroepsopleiding, voor zover het onderwijs of beroepsopleiding betreft met aanspraak op studiefinanciering dan wel een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten, vast. Het moment waarop geen aanspraak meer bestaat op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten wordt in respectievelijk de WSF 2000 en de Wtos namelijk duidelijk omschreven. Daarbij eindigt de aanspraak op studiefinanciering grond van de WSF 2000 ook altijd op de eerste van de maand. \"Het tijdstip van die beëindiging\" is daarmee gelijk aan het moment waarop belanghebbende geen studiefinanciering meer ontvangt en daarop ook geen aanspraak meer op kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlaging wegens recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding mag niet gelijktijdig worden toegepast met de verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden (artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB). De verordening (zie artikel 7) dient ten aanzien van 21- en 22-jarige alleenstaande schoolverlaters dus duidelijk te bepalen of ten aanzien van hen artikel 28 WWB (schoolverlatersverlaging) of artikel 29 WWB (leeftijdsverlaging) wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">B054 Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar Het college van burgemeester en wethouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collegevoorstel 0955615;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c j° artikel 30 en artikel 29 Wet werk en bijstand (WWB), artikel 2 en 7 Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 Besluit Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B054 Verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar ArtikelI Richtlijn nr. B054 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bijstandsuitkering van de 21- en 22-jarige alleenstaande die een toeslag ontvangt in verband met het niet of het niet geheel kunnen delen van de bestaanskosten met een ander (artikel 2 en 3 van de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009) meer bedraagt dan 75% van het voor de betreffende leeftijd geldende minimumloon wordt de toeslag zodanig verlaagd dat de uitkering maximaal 75% van het minimumloon bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is voorzien in een aanpassing van de toeslag voor 21- en 22-jarigen. De uitkering zou anders meer kunnen bedragen dan het voor de betreffende leeftijdscategorie geldende minimumloon. Met de aftopping van de uitkering op 75% van het minimumloon blijft er voldoende stimulans tot werken bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op: de verlaging voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar heeft dus alleen betrekking op de toeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 16 juni 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">10 juli 2009 De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting In deze richtlijn is opgenomen of, op grond van de verordening bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB, de toeslag voor een 21- of 22-jarige alleenstaande afwijkend wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.6 onderdeel 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen De juridische grondslag voor deze richtlijn is gelegen in artikel 8 lid 1 onderdeel c jo artikel 30 en artikel 25 lid 1 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB bepaalt, dat de Gemeenteraad een verordening moet vaststellen waarin conform artikel 30 WWB: wordt aangegeven voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging wordt bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze toeslagenverordening moet blijken voor welke categorieën er een verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt en tevens op grond van welke criteria het bedrag van die verhoging of verlaging wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 29 lid 1 WWB bepaalt dat het college voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar de toeslag bedoeld in artikel 25 WWB afwijkend kunnen vaststellen voor zover zij van oordeel zijn dat, gezien de hoogte van het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan vormen voor de aanvaarding van arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evenwel niet mogelijk om een 21- of 22-jarige belanghebbende gelijktijdig te confronteren met een afwijkende toeslag krachtens artikel 29 lid 1 WWB én een verlaging van de norm en/toeslag wegens het recent beëindigd hebben van deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 28 WWB (zie richtlijn nr.B055).</p>\n<p class=\"lf-p\">B055 Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand In deze richtlijn wordt aangegeven welke anticumulatiebepalingen er gelden in de verordening als bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collegevoorstel 0955615;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 30, tweede lid, onderdeel b Wet werk en bijstand (WWB), artikel 6 sub c Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 Besluit Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B055 Anticumulatiebepaling verlaging algemene bijstand ArtikelI Richtlijn nr. B055 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij samenloop (bv. bij verlaging algemene bijstand schoolverlaters en bij verlaging toeslag algemene bijstand alleenstaande van 21 of 22 jaar) dient er volgens de Verordening toeslagen en verlagingen WWB Helmond 2009 twee verschillende verlagingen plaats te vinden. Wanneer er sprake is van twee (of meer) toepasselijke verlagingen prevaleert de verlaging in verband met recente beëindiging van onderwijs/opleiding, en vinden derhalve de andere verlaging(en) niet plaats, zolang er sprake is van recent beëindigen van onderwijs of beroepsopleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 16 juni 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">10 juli 2009 De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting In deze richtlijn is aangegeven welke anticumulatiebepalingen er gelden in de verordening als bedoeld in artikel 8 lid 1 onderdeel c WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.6 onderdeel 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel c jo. artikel 30 WWB moet de Gemeenteraad in een verordening vastleggen welke toeslagen en verlagingen er worden toegepast op basis van de artikel 25 t/m 29 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB bepaalt uitdrukkelijk, dat in deze toeslagenverordening moet worden vastgelegd, dat niet gelijktijdig gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheid om de norm en/of toeslag lager vast te stellen voor de belanghebbende die recent deelname beëindigd heeft aan onderwijs of een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 28 WWB en van de bevoegdheid om de toeslag voor een 21- of 22-jarige lager vast te stellen als bedoeld in artikel 29 lid 1 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">B056 Ingangsdatum normwijziging alleenstaande ouder/alleenstaande In deze richtlijn wordt aangegeven op welk moment de norm bij een overgang van alleenstaande ouder naar alleenstaande wordt gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normwijziging en de eventuele andere wijzigingen gaan in op de dag dat het laatste ten laste komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt of niet meer door belanghebbende verzorgd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering bestaat ten aanzien van een studerend kind dat 18 jaar wordt. Indien het laatste ten laste komend kind een opleiding volgt waarvoor recht bestaat op studiefinanciering krachtens de WSF 2000 of een tegemoetkoming krachtens de Wtos, wordt de bijstandnorm eerst gewijzigd op de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het kind 18 jaar is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking met ingang van 1 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 10 maart 2009 Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">13 maart 2009 De gemeentesecretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze richtlijn wordt aangegeven op welk moment de norm bij de overgang van alleenstaande ouder naar alleenstaande wordt gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.6 onderdeel 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen De juridische grondslag voor deze richtlijn is gelegen in de overgang van alleenstaande ouder naar alleenstaande als bedoeld in artikel 4 onderdeel a WWB (zie CRvB 30-03-2004, nr. 01/3031 NABW). Hetzelfde gebeurt in het geval het laatste minderjarig ten laste komend kind niet langer door de alleenstaande ouder wordt verzorgd. Echter in geval van overlijden van het laatste minderjarige ten laste komend kind is de overlijdensuitkering van artikel 45 lid 5 WWB van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de dag dat het laatste ten last komend kind de leeftijd van 18 jaar bereikt (=verjaardag) of niet meer verzorgd wordt door belanghebbende valt belanghebbende niet meer onder de definitie van het begrip alleenstaande ouder zoals dat gebruikt wordt in de WWB (zie ook paragraaf B1.6 van het handboek WWB). Als gevolg daarvan is ook, per die datum, een andere norm (paragraaf B6.3 van het handboek WWB) en waarschijnlijk ook een andere toeslag (paragraaf B6.3 van het handboek WWB) van toepassing op belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Studiefinanciering krachtens de WSF 2000 of een tegemoetkoming krachtens de Wtos kunnen pas voor het eerst ontvangen worden in het eerste kwartaal na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar. Wegens het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding als bedoeld in de WSF 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wtos is het 18-jarige kind zelf uitgesloten van het recht op bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">B057 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting In deze richtlijn kan het college aangeven op welk moment de bijstandsnorm moet worden aangepast indien de belanghebbende wordt opgenomen in een inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Formeel moet met ingang van de dag van opname uitkering worden verleend ingevolge artikel 23 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, als de belanghebbende voorheen als thuiswonende al een uitkering van de gemeente ontving, leidt aanpassing tot extra administratieve beslommeringen. In dat geval wordt daarom als volgt gehandeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering blijft ongewijzigd als het verblijf in de inrichting voor het einde van de maand na die van opname eindigt of mogelijk eindigt (als de exacte duur onbekend is);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een langer verblijf wordt de uitkering zo spoedig mogelijk doch uiterlijk na de maand volgend op die van opname, aangepast. Ook de uitkering van eventuele thuisblijvende gezinsleden wordt dan aangepast. De uitkering kan dus maximaal 2 maanden ongewijzigd blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering wordt onmiddellijk afgestemd op het verblijf in de inrichting als voor de opname hier geen bijstand werd ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B058 Bijzondere bijstand voor vaste lasten tijdens verblijf in inrichting In deze richtlijn wordt aangegeven in welke situaties bijzondere bijstand wordt verleend voor de vaste lasten tijdens het verblijf in een inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bijstand is afgestemd op het verblijf in de inrichting, kan zo nodig extra bijzondere bijstand worden verleend in de doorlopende lasten waarvan gezien alle omstandigheden, waaronder de duur van de opname, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat ze worden beëindigd. Het kan hier gaan om huur, vastrecht energie, WA- en inboedelverzekering, onroerende zaakbelasting en/of abonnement telefoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">B059 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen In deze richtlijn wordt het beleid aangegeven inzake bijstandverlening aan een belanghebbende zonder adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op artikel 40, eerste en tweede lid, Wet werk en bijstand (WWB) en artikel 11 van het Besluit WWB 2007 B e s l u i t Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B059 Beleid inzake bijstandsverlening aan daklozen ArtikelI Richtlijn nr. B059 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Helmond is één van de gemeenten die bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als centrumgemeente voor de bijstandsverlening aan daklozen zonder adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichtingen die de WWB aan de uitkering verbindt gelden in beginsel ook voor zwervende daklozen. Gezien hun omstandigheden zullen in de praktijk andere eisen aan de uitvoering worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna wordt ingegaan op de voorwaarden waaraan moet worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving van de doelgroep De regeling voor bijstandsverlening aan adreslozen door aangewezen gemeenten heeft betrekking op een specifieke groep daklozen. Het gaat hier niet om de daklozen die bij opvanginstellingen worden opgevangen (de zogenaamde thuislozen) of die een briefadres bij vrienden, familie of een hulpverleningsinstantie hebben. Deze groepen komen in aanmerking voor een uitkering op grond van de WWB, welke kan worden verstrekt door de gemeente waar zij feitelijk verblijven. Dit kan ook een niet-aangewezen gemeente zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De speciale daklozenregeling geldt alleen voor zwervende daklozen (adreslozen), waarmee personen bedoeld worden die niet beschikken over of niet langdurig gebruikmaken van zelfstandige huisvesting of van residentiële huisvesting (waaronder ook ziekenhuizen en gevangenissen zijn te rekenen). Zij hebben ook geen onderdak bij familie en vrienden en zij beschikken niet over een adres (zie ook CRvB 20-04-2004, nrs. 01/6150 NABW e.a.). Zij leiden een zwervend bestaan en brengen de nacht door op straat, in parken, portieken, openbare gebouwen en andere plaatsen die enige beschutting bieden tegen weer en wind. Soms brengen zij een beperkt aantal nachten door in opvangcentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Formeel valt een belanghebbende onder de specifieke regeling voor adreslozen, wanneer hij niet beschikt over: adres waar hij woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan een adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; of een adres waar hij, bij het ontbreken van een adres als hiervoor aangegeven, naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten; of een adres waar voor hem bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, de belanghebbende bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststellen van het recht / specifieke voorwaarden -Gba check, wel of geen recht De belanghebbende dient als laatste adres te zijn ingeschreven geweest in de gemeente, of reeds enige tijd bekend en in traject te zijn bij hulpverleningsinstanties als b.v. Novadic of GGZ. Wanneer dit niet het geval is, dient te worden verwezen naar de gemeente waar belanghebbende als laatste is geregistreerd. Altijd vragen waar men voorheen heeft verbleven en in de betreffende gemeente controleren. Relevant is in welke gemeente de belanghebbende hoofdzakelijk het verblijf heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de belanghebbende afkomstig is uit de gemeente Eindhoven vindt er een afstemming plaats met die gemeente. -Verwijzing naar nachtopvang De belanghebbende die als dak-en thuisloze een uitkering komt aanvragen, krijgt direct de verplichting opgelegd zich te melden bij de nachtopvang, behoudens in individuele gevallen. Indien hiervan geen gebruik wordt gemaakt, dient de belanghebbende bij het tweede contact (overleggen bewijsstukken en aanvraagformulieren) of bij de eerste weekbetaling te verklaren waar hij daadwerkelijk heeft verbleven. Indien niet aannemelijk is te maken dat belanghebbende daadwerkelijk in Helmond heeft verbleven, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en wordt de aanvraag niet in behandeling genomen of afgewezen. -Jongeren tot 23 jaar Indien de belanghebbende jonger is dan 23 jaar, dient in eerste instantie te worden bezien, of hij tot de doelgroep van BJ Brabant behoort. Alvorens een aanvraag in te nemen, dient hij daarnaar te worden doorverwezen. Wanneer hij via BJ Brabant over een tijdelijk briefadres kan beschikken, dient een uitkeringsaanvraag via het CWI te worden ingediend. Als contactpersoon wordt dan een klantbegeleider voor de doelgroep Jongeren aangewezen. -Beschikbaar stellen van briefadres, andere briefadressen De belanghebbende zonder vast verblijfadres, welke niet behoort tot de groep dakloze verslaafden, die op de Kasteeltraverse 102 staan geregistreerd, wordt op het adres van de gemeente geregistreerd, m.u.v. hem, die via BJ Brabant of Algemeen Maatschappelijk Werk een briefadres ter beschikking heeft gekregen c.q. kan krijgen. Het briefadres wordt, indien dit niet via de genoemde instellingen kan, voor een periode van 3 maanden, dat op individuele gronden verlengd kan worden, ter beschikking gesteld, indien redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat belanghebbende in de regio van Helmond verblijft en er sprake is van zorgbehoeftigheid, in de vorm van schuld- en/of psychische hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor het gebruik van het briefadres zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende moet de reden/noodzaak van het gebruik van het briefadres voldoende aannemelijk maken. Hij zal moeten aangeven waar hij in de tussentijd daadwerkelijk verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij moet actief woonruimte zoeken en daarvan schriftelijke bewijzen overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij moet wekelijks de post ophalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij moet desgevraagd verantwoording afleggen aan de klantbegeleider over de vorderingen van het zoeken naar nieuwe huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende tekent bij het in behandeling nemen van de aanvraag een formulier waarin de voorwaarden voor het gebruik van het briefadres zijn opgenomen. -Inschrijfprobleem De belanghebbende, die wel op een adres verblijft, maar zich hier niet kan laten registreren, kan op grond van zijn verblijfplaats recht hebben op een reguliere uitkering, indien er sprake is van woonlasten. Middels een huisbezoek kan worden vastgesteld of de belanghebbende op het opgegeven adres verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 40 lid 3 WWB vindt er een opschorting van het recht op bijstand plaats wanneer het door belanghebbende verstrekte adres afwijkt van het adres waaronder hij in GBA staat ingeschreven. -Termijn van 3 maanden De belanghebbende met een inschrijfprobleem kan toestemming krijgen om tijdelijk gebruik te maken van het briefadres Churchilllaan 109. De toestemming wordt verleend voor de duur van 3 maanden, waarin belanghebbende de gelegenheid heeft om een vast adres te vinden en zich daar te laten registreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende na het verstrijken van de toegekende termijn van 3 maanden nog niet beschikt over een regulier verblijfadres, wordt bezien of de toestemming tot het gebruik van het adres nog voor maximaal 3 maanden gecontinueerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlenging is eenmalig en alleen mogelijk als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er daadwerkelijk vooruitzicht is op passende woonruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende aantoonbaar voldoende moeite doet om passende woonruimte te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belanghebbende niet te verwijten is, dat hij niet tijdig over een vast verblijfadres beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de belanghebbende niet naar vermogen aan zijn verplichtingen voldoet, wordt na de periode van 3 maanden een maatregel overwogen of wordt het recht op bijstand opgeschort (artikel 40 lid 3 t/m 6 WWB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de afweging moeten ook de eventuele schulden- en/of psychische problematiek, alsmede de ondernomen stappen richting de aangewezen hulpverleningsinstanties worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende wordt, indien mogelijk, zowel mondeling als bij beschikking hiervan op de hoogte gebracht. -Gebruik maken van faciliteiten nachtopvang De belanghebbende zonder vast verblijfadres heeft de verplichting gebruik te maken van de in Helmond aangeboden faciliteiten voor nachtopvang. Er dient periodiek te worden gecontroleerd. Wanneer de belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van, of zich heeft gemeld bij de nachtopvang (norm = 16 keer per maand), kan redelijkerwijs worden aangenomen dat belanghebbende over een vast verblijfadres beschikt, waar hij zich niet kan of wil laten registreren. Belanghebbende dient te verklaren waar hij wel verblijft. Indien dit niet gebeurt, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en dient de uitkering te worden beëindigd met ingang van het begin van de maand, volgend op de gecontroleerde maand. De toestemming om gebruik te maken van het briefadres Churchilllaan 109 wordt per dezelfde datum ingetrokken. -Melding Er bestaat een wekelijkse meldingsplicht. Wanneer de belanghebbende zich een week niet meldt, dient te worden vastgesteld of er gebruik is gemaakt van de nachtopvang. Als dit niet is gebeurd, dient aannemelijk te worden gemaakt, waar hij heeft verbleven. Indien de belanghebbende zich 2 achtereenvolgende weken niet heeft gemeld, wordt de uitkering beëindigd met ingang van de laatste dag van signalering op het Werkplein of bij een betrokken instantie (bijvoorbeeld Novadic, GGZ, Politie, Nachtopvang) om reden dat het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. -Handhaving Om te kunnen beoordelen of belanghebbende daadwerkelijk de verplichtingen, gekoppeld aan het recht op uitkering nakomt, dient periodiek te worden gecontroleerd of gebruik gemaakt wordt van de nachtopvangfaciliteiten. -Intrekken briefadres Wanneer blijkt dat de belanghebbende langer dan 2 weken zijn post niet meer komt ophalen, geen gebruik heeft gemaakt van de opvangvoorzieningen en door contactpersonen bij andere betrokken instanties (zie Melding) niet meer gezien wordt, kan het recht op bijstand niet langer worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit onderzoek bovenstaande is gebleken kan de WWB-uitkering worden beëindigd omdat het recht op uitkering niet meer kan worden vastgesteld. Dit moet dan ook als reden worden opgenomen in de beëindigingsbeschikking. Het kan namelijk voorkomen dat belanghebbende, ook al maakt hij geen gebruik meer van de adressen voor nachtopvang, zich toch nog in Helmond bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het recht op een bijstandsuitkering vervalt, vanwege het verkrijgen van inkomsten, hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm, wordt eveneens de toestemming tot gebruik van het briefadres ingetrokken. Ook dit dient in de beëindigingsbeschikking te worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluitende aanpak In het kader van sluitende aanpak worden dak- en thuislozen verwezen naar de nachtopvang. Enerzijds om personen zo spoedig mogelijk te begeleiden naar zelfstandig wonen en activiteiten, anderzijds wordt de rechtmatigheid voor een groot deel geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting om gebruik te maken van de nachtopvang kan gebaseerd worden op artikel 55 WWB. (Opm. Uitspraak Rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 23-04-2007, LJN: BA4964: De verplichting tot het gebruik maken van de nachtopvang, die met het oog op arbeidsinschakeling is opgelegd aan een dak- en thuisloze, verdraagt zicht niet met artikel 55 WWB. In artikel 55 WWB is bepaald dat, naast de verplichtingen die op grond van hoofdstuk 2 aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen worden, het college vanaf de dag van melding verplichtingen kan opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr.3, p.76) kan het opleggen van deze nadere verplichtingen bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer in de persoon gelegen problemen aan arbeidsinschakeling in de weg staan, zoals bij psychische moeilijkheden of verslavingsproblemen. De rechtbank is van oordeel dat slechts die verplichtingen kunnen worden opgelegd en oordeelt dat er onvoldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de verplichting tot het gebruik maken van de nachtopvang enerzijds en het belang van de arbeidsinschakeling, alsmede de mogelijke vermindering of beëindiging van de bijstand anderzijds. Het opleggen van een dergelijke verplichting gaat het kader van artikel 55 WWB te buiten.) Uit ingewonnen informatie van de helpdesk van StimulanSZ zou gesteld kunnen worden dat een dergelijke verplichting wel opgelegd kan worden als er sprake zou zijn van sollicitatieactiviteiten of een activeringstraject. Wanneer er een verband aangetoond kan worden tussen een concrete voorziening en het niet goed kunnen traceren van de belanghebbende dan kan een dergelijke verplichting o.g.v. artikel 55 WWB tot de mogelijkheden behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting tot het gebruik maken van de nachtopvang kan niet gebaseerd worden op de reïntegratieverplichting van de belanghebbende waaronder begrepen sociale activering (artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB) en bij het niet nakomen van die verplichting een maatregel opleggen op basis van de Maatregelenverordening (maatregel van 100% een maand, artikel 9 lid 3 sub d en artikel 10 lid 1 sub c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verplichting kan hier niet op gebaseerd worden, aangezien de belanghebbende wel kan voldoen aan zijn reïntegratieverplichting. Er dient nl. daadwerkelijk door zijn gedraging een verplichting te worden geschonden. Het niet gebruik maken van nachtopvang is niet concreet genoeg om dit onder de reïntegratieverplichting te kunnen scharen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel heeft het college de bevoegdheid om de bijstand in de vorm van dag/nachtverblijf aan te bieden door middel van bijstand in natura als bedoeld in artikel 57 onderdeel b WWB (zie TK 2002-2003, 28 870, nr.3, p.53-54).</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden van een dergelijke toepassing van artikel 57 WWB is het feit dat de belanghebbende beschermd moet worden tegen het afglijden in de maatschappij en tekort schieten in zijn zelfredzaamheid, zoals dakloosheid, psychosociale problemen, verslaving en schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke bijstand in natura is een vorm waarbij de uitkering gedeeltelijk niet in de vorm van geld, maar rechtstreeks in de vorm van goederen en/of diensten wordt verstrekt. De gemeente kan dan bijvoorbeeld fungeren als inkoper van goederen en diensten en die leveren aan de belanghebbende, zoals het voorzien in een slaapplaats voor een dak- of thuisloze. De met deze natura-verstrekkingen gemoeide kosten kunnen, zowel feitelijk als forfaitair, worden verrekend met de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting van het gebruik van de nachtopvang wordt al bij de eerste melding ingezet. Allereerst om te kunnen vaststellen dat er sprake is van dakloosheid. In tweede instantie ten behoeve van de reïntegratie, wanneer een activeringsprogramma wordt opgestart. Het gebruik van de nachtopvang is een eerste stap om te komen tot een traject. Het is dan ook van belang dat zo spoedig mogelijk een traject ingezet wordt, gericht op zorg, wonen activeren en werk. Indien een maand na aanvang bijstandsverlening is gebleken, dat belanghebbende zich correct aan de verplichting heeft gehouden, dient het traject te worden opgestart. -Activering Bij toekenning van daklozenuitkering wordt na een maand een (sociale) activeringstraject opgestart, waarbij ook aandacht moet bestaan voor schuldenproblematiek, psychische problematiek (eventueel psychodiagnostisch rapport) om een onderscheid te kunnen maken tussen een zorg, sociale activering of reïntegratie. -Nazorg Wanneer de belanghebbende een vast adres heeft verkregen, behoudt hij gedurende 6 maanden de contactpersoon. Pas wanneer na 6 maanden wordt vastgesteld dat er sprake is van een stabiele woonsituatie, kan hij (eventueel) worden overgedragen aan een andere klantbegeleider als contactpersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelenbeleid Alle belanghebbenden met een bijstandsuitkering dienen te voldoen aan de arbeidsverplichtingen. Op maat wordt een plan vastgesteld waarbij een doel wordt geformuleerd, zodat personen weer zo zelfstandig mogelijk kunnen gaan functioneren, met bij voorkeur een eigen inkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De middelen die noodzakelijk zijn om te kunnen komen tot dit doel, maken onderdeel uit van de reïntegratieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van personen, die dak- en thuisloos zijn, is een eerste vereiste om te kunnen reïntegreren naar arbeid, het hebben van een vaste slaapplaats. Het is aannemelijk te stellen, dat personen die gedurende de nacht op straat verkeren of in illegale panden verblijven, onvoldoende zijn toegerust om overdag inspanningen te verrichten. Derhalve wordt in het kader van de dak- en thuislozen, daar waar nodig is, de verplichting opgelegd om te verblijven in de nachtopvang, indien geen andere opvangvoorziening voorhanden is. Deze verplichting maakt dan ook deel uit van het reïntegratieplan als eerste stap richting zorg, activering en reïntegratie (doelmatigheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet voldoen aan de verplichtingen m.b.t. nachtopvang Indien belanghebbende niet voldoet aan de verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de nachtopvang of geen gebruik maakt van een verwijzing door de contactpersoon bij W&amp;I en er is sprake van sollicitatieactiviteiten of een activeringstraject, kan in verband met het niet in voldoende mate nakomen van een verplichting zoals bedoeld in artikel 55 WWB een maatregel worden opgelegd (maatregel van 20% 1 maand, artikel 20 Maatregelenverordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beoordelen van een maatregel, i.v.m. andere verplichtingen die aan de belanghebbende worden opgelegd (zoals bv. de reïntegratieverplichting), worden dezelfde criteria gehanteerd als betrof het een reguliere WWB-uitkering. Het doel van de maatregel en de invloed op de uitkeringsduur spelen bij deze beoordeling tevens een belangrijke rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn bij maatregelen bij niet gebruik nachtopvang Belanghebbende ondertekent bij het indienen van de uitkeringsaanvraag een formulier, waarin hij zich akkoord verklaart met de bij de bijstandsverlening behorende verplichtingen, waaronder de verplichting tot gebruik van de nachtopvang (artikel 55 WWB, er dient dan wel reeds sprake te zijn van sollicitatieactiviteiten of een activeringstraject), indien geen andere woonvoorziening voorhanden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende dient volledig gebruik te maken van de nachtopvang, mede ter bevordering van het in te zetten traject. Als richtlijn wordt het aantal benodigde nachten in de Oversteek aangehouden (16 nachten of meer, waarbij in aanmerking dient te worden genomen, dat deze dan verspreid door de maand dienen te liggen. Dit om aannemelijk te maken, dat cliënt voornamelijk in Helmond verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de nachtopvang (&lt; 16 meldingen), geldt in principe als richtlijn de maatregel o.g.v. artikel 20 Maatregelenverordening. Indien de belanghebbende zich in het geheel niet heeft gemeld voor nachtopvang, dient in principe de aanvraag te worden afgewezen, c.q. de uitkering te worden beëindigd omdat het recht niet kan worden vastgesteld met ingang van de 1e dag van de nieuwe maand (bij controle aan het einde van de maand) of er wordt een maatregel opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens dient belanghebbende te verklaren waar hij gedurende de betreffende periode heeft verbleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit niet gebeurt, is het recht op een bijstandsuitkering niet langer vast te stellen en dient de uitkering te worden beëindigd. Indien hij wel aannemelijk maakt waar hij heeft verbleven, dient in verband met mogelijk ten onrechte verstrekte bijstand een maatregel o.g.v. de Maatregelenverordening te worden bezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelenbeleid Indien aan het einde van de 1e uitkeringsmaand (kalendermaand) wordt vastgesteld, dat de belanghebbende onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de nachtopvangfaciliteiten, dient een maatregel te worden bezien o.g.v. artikel 20 Maatregelenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen gebruik is gemaakt van de nachtopvang, en belanghebbende verklaart niet waar hij daadwerkelijk heeft verbleven, wordt de aanvraag over deze periode afgewezen, vanwege het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand. Over de betreffende periode wordt dan overgegaan tot herziening en terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening en uitbetaling van de uitkering -De hoogte van de uitkering De hoogte van de uitkering is vastgelegd in de Toeslagenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor 23 tot 65 jarigen zonder vast verblijfadres geldt dat bij inschrijving op het adres Churchilllaan 109, de toepasselijke norm plus de volledige toeslag wordt berekend, verlaagd met een bedrag, gelijk aan de huurtoeslaggrens, omdat er geen sprake is van woonlasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de belanghebbende, die staat ingeschreven op het adres Kasteeltraverse 102 of wel over een vast verblijfadres beschikt, maar zich hier niet kan laten registreren, betekent dit voor bovenstaande leeftijdscategorie dat de norm plus toeslag wordt verlaagd met 10%, omdat er maar in geringe mate sprake is van woonkosten. De verlaging vanwege het ontbreken van woonlasten wordt niet toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor jongeren tot 23 jaar en ouderen gelden voor wat betreft de hoogte van de uitkering geen afwijkende bedragen ten opzichte van de reguliere WWB-uitkeringen voor deze leeftijdsgroepen. -Gehuwden Gehuwden of partners worden aangemerkt als 2 alleenstaanden. Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering, wordt van beide belanghebbenden afzonderlijk de van toepassing zijnde norm en toeslag berekend. Op beide uitkeringen wordt de verlaging vanwege het ontbreken van woonlasten toegepast. -Wijze van betaling, termijnen, bedragen De uitkering wordt wekelijks betaalbaar gesteld. Voor het vaststellen van de hoogte van de wekelijkse betaling, wordt de toegekende netto maanduitkering na aftrek van de vakantietoeslag, de premie zorgverzekering, eventueel beslag en terugvordering, gedeeld door 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwogen moet worden of de premie van de (verplichte) zorgverzekering op de uitkering moet worden ingehouden en direct aan de verzekeraar moet worden doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betalingen vinden plaats op de bankrekening van belanghebbende. Daarvoor dient deze zich uiterlijk op dinsdag tijdens het telefonisch spreekuur bij de contactpersoon te melden. Indien de belanghebbende niet beschikt over een bankrekening en ook geen bankrekening kan openen, dient daarvan een bewijs te worden overgelegd. Vervolgens zal door W&amp;I een bankrekening worden geopend bij de Bank Nederlandse Gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor incidentele betalingen kan gebruik worden gemaakt van een noodpasje, welke aan belanghebbende voor 1 dag ter beschikking wordt gesteld. Hiervoor dient een formulier te worden ondertekend. Het ter beschikking gestelde bankpasje dient nog dezelfde dag te worden ingeleverd aan de balie op het Werkplein.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de wekelijkse meldingsplicht, dient de belanghebbende wekelijks de post te halen op het Werkplein. -Leenbijstand voor 1e huur/ inrichtingskosten, in relatie tot de verplichting van het</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verkrijgen van een vast adres Voor de belanghebbende met een inschrijfprobleem of met een adresprobleem geldt de verplichting van het verkrijgen van een vast verblijfadres. Indien een adres wordt verkregen dient, wanneer de noodzaak kan worden vastgesteld, bijzondere bijstand te worden verstrekt ter hoogte van de 1e huur en de borg (richtlijn nr. B103: 1e huur: om niet; waarborgsom: leenbijstand).</div>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van individuele omstandigheden kan er bijzondere bijstand voor inrichtingskosten worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weekbetalingen in de maand, volgend op het verkrijgen van een vast verblijfadres, worden niet ineens met de uitkering verrekend, maar in termijnen, welke vergelijkbaar zijn met de termijnbedragen, zoals gebruikt bij terugvordering. Het doel hiervan is de overgang van weekbetaling naar maandbetaling probleemloos te laten verlopen, zodat de (gewijzigde) algemene bijstand met ingang van de volgende betalingsrun per maand kan worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraag daklozenuitkering Voorlopige intake voor daklozenuitkering Identiteitsbewijs / nationaliteit / verblijfsvergunning Plaats van herkomst. Indien niet uit de gemeente, waar als laatste geregistreerd (zwerver of adresprobleem) sinds wanneer dakloos hoe is men in deze situatie terecht gekomen (kort) waar heeft men tot nu toe verbleven waarvan heeft men geleefd waar zijn de bezittingen bekend met nachtopvang, zo niet, verwijzen bekend in hulpverleningscircuit in gemeente, zo ja welke, contactpersonen Bij tijdelijk verblijf op vast adres, maar geen inschrijving, dient in eerste instantie alsnog te worden geprobeerd zich daar te laten registreren. Indien niet mogelijk, huisbezoek verrichten om het recht vast te stellen, geen betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorlopig vastgesteld recht na GBA-controle (in PIV en telefonisch op tel. 7274), aanvraagformulier verstrekken en afspraak plannen, bij voorkeur op een dag voor de betalingen. Controle m.b.t. eerdere uitkering en interne vorderingen. Toestemming briefadres klaarmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer men door verlies of diefstal niet meer over een identiteitsbewijs beschikt, dient een bewijs van aangifte bij de politie te worden overgelegd. Om het mogelijk te maken een geldig identiteitsbewijs te verkrijgen, wordt per de eerstvolgende betalingsmogelijkheid een voorschot verstrekt van € 70.00 (inclusief boete en foto’s). Het betreft geen bijzondere bijstand en wordt dus direct verrekend met de algemene bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de inschrijving in het GBA is gerealiseerd en een bewijs van aanvraag van het nieuwe identiteitsbewijs is overgelegd, kan een voorschot worden verstrekt. Voor uitbetaling van het eerste voorschot dient te worden gecontroleerd of gebruik is gemaakt van de nachtopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intake Controle inlichtingenformulier en bewijsstukken (zie voorl. intake).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verhaal van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontbrekende bankafschriften kan worden volstaan met een saldo opgave van de bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij schulden- en/of psychische problematiek dient men te worden verwezen naar de daarvoor aangewezen instanties om stappen m.b.t. oplossingen te ondernemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie verstrekken m.b.t. de bijstand aan de hand van checklist, aangevuld met bijzondere verplichtingen: verkrijgen vast verblijfadres, het gebruik van de nachtopvang, inzet reïntegratietraject en eventuele tijdelijkheid van de uitkering, wekelijkse melding en betaaldagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verkrijging vast verblijfadres Indien belanghebbende vanuit een dakloze situatie de mogelijkheid krijgt om een vast verblijfadres te verkrijgen, is het aannemelijk, dat hij niet beschikt over de nodige gelden. Om het mogelijk te maken dat men een gevonden verblijfadres kan accepteren, dient bijzondere bijstand voor de 1e huur (en borg) te worden bezien. Hierbij wordt de volgende werkwijze toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geldlening 1e huur en borg Een voorlopig huurcontract, waarop het bankrekeningnummer en het telefoonnummer van de verhuurder staan vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telefonisch contact opnemen met de verhuurder, enerzijds ter verificatie, anderzijds om afspraken te maken m.b.t. de betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschot op rekening van de verhuurder overmaken. Op het voorschotformulier bij de bankrekening de derdenbetaling vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geldig huurcontract.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschot verrekenen met toe te kennen leenbijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgang naar maandbetaling Na inschrijving op het nieuwe adres en het preventieonderzoek dient de uitkering te worden gewijzigd. Uit de praktijksituatie is gebleken, dat de overgang van weekbetalingen naar maandbetaling problematisch is en in veel gevallen nagenoeg onmogelijk. Om dit te ondervangen dient er een overbruggingsvoorschot te worden geregeld ter hoogte van 1 maand uitkering (naar beneden afgerond). Dit overbruggingsvoorschot wordt in wekelijkse betalingen verstrekt, zodat bij de eerst volgende maandrun kan worden overgegaan op maandbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties Afspraken maken met nachtopvangfaciliteiten m.b.t. periodiek verstrekken van gegevens. (Oversteek nu maandelijks, d’n Herd op verzoek) Afspraken maken met SMO i.v.m: -sociale activering voor daklozen – aanmelding SMO via E-mail Contact met Afd. Bevolking inzake: update bestaande afspraken. inschrijving GBA zonder einddatum. al dan niet inschrijven op Churchilllaan bij inschrijfprobleem. lijst van kamerverhuuradressen. automatische betaling i.v.m. verkrijging nieuw ID-bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intern Het moet bij de klantbegeleider bekend zijn, of de eindbetaling van de maand wel of niet is verstrekt. In verband met mogelijke verzoeken om extra betaling i.v.m. urgente kosten, moet het mogelijk zijn vast te stellen of en hoeveel recht nog bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit niet mogelijk is, kan worden overwogen de eindbetaling in het geheel niet of slechts op verzoek van de belanghebbende te doen. Voorwaarde is dan wel dat de premie zorgverzekering wordt doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraak HSZ m.b.t. huisbezoek bij mensen met een inschrijfprobleem en mensen, die vanuit daklozensituatie een vast verblijfadres hebben verkregen. Deze huisbezoeken dienen op zeer korte termijn te kunnen plaatsvinden, waarna de bijbehorende rapportage zo snel mogelijk wordt verstrekt aan de klantbegeleider.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervaardigen specifieke formulieren i.v.m. bijzondere verplichtingen en reïntegratie/ zorgtraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstellen van zorgtrajecten, contacten en afspraken met betrokken instanties (budgetwinkel, SMO, - Novadic, GGZ) ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze richtlijn wordt het beleid aangegeven inzake bijstandverlening aan belanghebbende zonder adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B6.10 onderdeel 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen Op grond van artikel 40 lid 1 WWB kan bij AMvB bepaald worden dat bijstandsverlening aan belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geschiedt door in deze AMvB aan te wijzen gemeenten. In artikel 11 van het Besluit WWB 2007 worden de volgende gemeenten aangewezen in verband met de verlening van bijstand aan daklozen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alkmaar, Almelo, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen, Bergen op Zoom, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Den Helder, Deventer, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Hoorn, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Oss, Purmerend, Rotterdam, Spijkenisse, Tilburg, Utrecht, Venlo, Vlaardingen, Vlissingen, Zaanstad en Zwolle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van B&amp;W van Helmond is op grond van artikel 40 lid 2 WWB verplicht om aan de belanghebbende zonder adres een briefadres als bedoeld in artikel 1 Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ter beschikking te stellen, van welk adres belanghebbende aangifte moet doen bij de GBA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen door adresloze belanghebbende dienen op grond van artikel 41 lid 2 WWB direct bij het college te worden ingediend. Artikel 41 lid 4 WWB biedt evenwel de mogelijkheid dat het college en de Centrale organisatie werk en inkomen afspreken dat deze aanvragen ook bij de Centrale organisatie werk en inkomen moeten worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft in dezen beleidsvrijheid ten aanzien van welk briefadres verstrekt wordt aan een adresloze belanghebbende en of er een afspraak met de Centrale organisatie werk en inkomen gemaakt wordt om adresloze belanghebbende bij de Centrale organisatie werk en inkomen de aanvraag te laten indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is er beleidsvrijheid in het kader van de Toeslagenverordening. Daarin wordt bepaald welke toeslag of verlaging van toepassing is in geval van het ontbreken van een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">B060 Berekening hoogte algemene bijstand bij co-ouderschap In deze richtlijn wordt aangegeven hoe bij co-ouderschap de hoogte van de bijstand wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit probleem op te lossen moet een nieuwe basisnorm berekend worden die is opgebouwd uit een alleenstaande-deel en een alleenstaande-ouder-deel. Voor het aantal dagen per week (of per maand) dat de kinderen bij de ouder verblijven, wordt deze aangemerkt als alleenstaande ouder. Voor de overige dagen per week (of per maand) geldt hij of zij als alleenstaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het co-ouderschap zal doorgaans geen invloed hebben op de hoogte van de toeslagen en de verlagingen. Deze zijn immers gelijk voor alleenstaanden en alleenstaande ouders (uitzondering: 21- en 22-jarige alleenstaanden; zij worden onder omstandigheden in sommige gemeenten geconfronteerd met een extra verlaging; artikel 29 WWB; zie ook paragraaf B6.7 onderdeel 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op: De hier geformuleerde regel inzake de berekening van de basisnorm algemene bijstand bij co-ouderschap kan alleen worden toegepast wanneer beide ouders over het co-ouderschap duidelijke (en langdurige) afspraken hebben gemaakt en deze afspraken daadwerkelijk nakomen (de feitelijke situatie is van belang!) De co-ouderschapsregeling is dus niet bedoeld voor de gevallen waarin de kinderen vrijwel altijd bij de ene ouder verblijven en slechts incidenteel bij de andere ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Peter (27) en Wendy (30) zijn gescheiden. Marja, hun enige kind verblijft door de week bij Wendy en in het weekend bij Peter. Wendy en Peter delen hun woningen niet met anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering algemene bijstand van Peter is als volgt opgebouwd:</p>\n<p class=\"lf-p\">5/7 x basisnorm alleenstaande + 2/7 x basisnorm alleenstaande ouder + 20% toeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering algemene bijstand van Wendy ziet er zo uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">2/7 x basisnorm alleenstaande + 5/7 x basisnorm alleenstaande ouder + 20% toeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">B061 Vaststelling vermogen bij co-ouderschap In deze richtlijn wordt aangegeven hoe bij co-ouderschap het vermogen wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan. Indien een ouder gemiddeld minder dan twee etmalen per week belast is met de verzorging van het kind, wordt dit niet gezien als co-ouderschap, maar als een omgangsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermogensgrens voor de co-ouder wordt berekend door de vermogensgrens voor een alleenstaande te vermeerderen met x/7 maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder - de vermogensgrens voor een alleenstaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventueel inkomen en vermogen van het kind worden voor x/7 toegerekend aan betreffende ouder. Hierbij staat x voor het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB: Het gehanteerde gemiddelde aantal verzorgingsdagen per week is het als bij de vaststelling van de norm in geval van co-ouderschap (zie paragraaf B6.11).</p>\n<p class=\"lf-p\">B158 Beoordeling geringe inkomsten Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op artikel 36 Wet werk en bijstand (WWB) Besluit Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B158 Beoordeling geringe inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelI Richtlijn nr. B158 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college acht geen arbeidsmarktperspectief aanwezig indien een belanghebbende gedurende de referteperiode van 60 maanden netto inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen die een bedrag van € 3.820,-- niet te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende dient zelf bij de aanvraag voor de langdurigheidstoeslag de gegevens te overleggen, waarmee hij aannemelijk kan maken dat hij in de referteperiode van 60 maanden niet meer inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen dan € 3.820,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij belanghebbenden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 procent wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dit netto inkomen incl. de vakantietoeslag vergeleken wordt met de van toepassing zijnde bijstandsnorm incl. vakantietoeslag, waarbij er sprake mag zijn van een overschrijding van maximaal 1/12 van het van toepassing zijnde bedrag aan langdurigheidstoeslag. (Is bij een alleenstaande maximaal € 28,00 (€ 336,00 : 12), bij alleenstaande ouders maximaal € 35,83 (€ 430,00 : 12) en bij gehuwden/samenwonenden maximaal € 39,83 (€ 478,00 : 12) (norm per 01-01-2007). (Is bij een alleenstaande maximaal € 28,42 (€ 341,00 : 12), bij alleenstaande ouders maximaal € 36,33 (€ 436,00 : 12) en bij gehuwden/samenwonenden maximaal € 40,50 (€ 486,00 : 12) (norm per 01-01-2008).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 36 lid 1 onderdeel b WWB is per 1 september 2006 gewijzigd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen met een peildatum voor 1 januari 2006 worden beoordeeld aan de hand van het oude beleid. Ook personen die niet hebben aangevraagd over 2004 en 2005 worden aan de hand van de oude regels beoordeeld. Bij aanvragen met een peildatum gelegen voor 1 januari 2006 wordt, indien er sprake is van beperkte inkomsten uit of in verband met arbeid, dus geen langdurigheidstoeslag verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen met een peildatum vanaf 1 januari 2006 worden beoordeeld aan de hand van het nieuwe beleid. Dit betekent dat bij een aanvraag met een peildatum na 1 januari 2006 gekeken wordt naar de daaraan voorafgaande referteperiode van 60 maanden. Indien men in die periode inkomsten uit of in verband met arbeid heeft gehad tot het bedrag van € 3.820,--, komt men in aanmerking voor langdurigheidstoeslag. Het is dus niet de bedoeling aanvragen uit 2004 en 2005 te gaan herbeoordelen op basis van het gewijzigde beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 januari 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum is de eerder op 26 juni 2007 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 26 augustus 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer er naar het oordeel van het college geen sprake is van een reëel arbeidsmarktperspectief vanwege de zeer geringe hoogte en duur van inkomsten uit of in verband met arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B8.2 onderdeel 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen De juridische grondslag van deze richtlijn wordt gevorm door artikel 36 lid 1 onderdeel b WWB, tweede zinsdeel. Op grond van deze bepaling kan het college, ondanks het feit dat een belanghebbende gedurende de referteperiode van 60 maanden inkomsten uit of in verband met arbeid heeft gehad, oordelen dat deze belanghebbende geen reëel arbeidsmarktperspectief heeft als de inkomsten slechts zeer gering zijn en de inkomsten zijn ontvangen gedurende een zeer geringe periode. Als het college tot het oordeel komt dat er geen reëel arbeidsmarktperspectief is voor een belanghebbende dan komt hij, mits ook voldaan is aan de overige voorwaarden van artikel 36 lid 1 WWB, in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de jurisprudentie van de Centrale raad van Beroep (CRvB) kunnen inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet maken dat reeds daardoor geen recht op een langdurigheidstoeslag kan bestaan, omdat er daardoor een verboden onderscheid in de zin van artikel 26 IVBPR zou worden gemaakt (zie CRvB 04-07-2006, nr. 05/6738 WWB). Aangenomen moet worden dat dit in wezen voor alle vormen van inkomsten in verband geldt. Niettemin moet het college bij de beoordeling van de geringe inkomsten kijken naar zowel de inkomsten uit arbeid als de inkomsten in verband met arbeid. Het buiten toepassing laten van de wet wegens strijd met artikel 26 IVBPR is immers eerst aan de orde wanneer de uitkomst een verboden onderscheid oplevert. Het feit dat in de bepaling in wezen een verboden onderscheid besloten ligt is geen reden om die bepaling niet gewoon te volgen in die gevallen waarin de uitkomst zelf geen verboden onderscheid oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het college bij de beoordeling van de inkomsten in relatie tot het arbeidsmarktperspectief beleidsvrijheid heeft, moet het college overigens in voorkomende gevallen ook nagaan of het met toepassing van artikel 4:84 Awb ten gunste van een belanghebbende moet afwijken van het beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van € 3.820,-- vloeit voort uit de vrijlating ingevolge artikel 31 lid 2 aanhef en onder k WWB en artikel 7 onderdeel h van de Regeling WWB, de zgn. lage vrijwilligersvergoeding. Deze kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk bedraagt nu (2007 en 2008) € 764,-- per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De referteperiode bedraagt 60 maanden. Door te toetsen op basis van 60 maanden (5 x € 764,-- = € 3.820,--) in plaats van toetsing per jaar voorkomt het college dat burgers die per jaar net iets meer dan het toetsbedrag hebben verdiend in de 5 daarop volgende jaren van de langdurigheidstoeslag zijn uitgesloten. Door aan te sluiten bij deze vrijwilligersvergoeding kan beargumenteerd worden dat belanghebbenden die niet meer in staat zijn meer te verdienen dan het bedrag van de lage vrijwilligersvergoeding (die niet gericht is op arbeidsinschakeling) geen arbeidsmarktperspectief meer hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college dient jaarlijks rekening te houden met de indexering van de vrijwilligersvergoeding. Wanneer de vrijwilligersvergoeding verhoogd wordt (artikel 7a Regeling WWB), zal ook het bedrag van € 3.820,-- m.b.t. langdurigheidstoeslag worden verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende dient zelf bij de aanvraag voor de langdurigheidstoeslag de gegevens over te leggen, waarmee hij kan aantonen dat hij in de referteperiode van 60 maanden niet meer inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen dan € 3.820,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitvoering van de langdurigheidstoeslag bij De Zorgpoort wordt er tegenaan gelopen dat cliënten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 procent in het verleden een langdurigheidstoeslag uitgekeerd kregen omdat de WAO-uitkering niet hoger was dan de betreffende bijstandsnorm. Gebleken is nu dat van deze zelfde cliënten de WAO-uitkering vanaf 1 januari 2007 hoger is dan de bijstandsnorm. Het verschil varieert van € 14,00 tot € 20,00 per maand (de netto WAO incl. vt afgezet tegen de bijstandsnorm incl. vt). Doordat het inkomen dan niet meer voldoet aan het gestelde van artikel 36 lid 1 onderdeel a WWB, betekent dit dat die cliënten niet meer in aanmerking komen voor langdurigheidstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een marginale overschrijding in dezen van de bijstandsnorm hoeft niet tot afwijzing van de langdurigheidstoeslag te leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom wordt hier als uitgangspunt gehanteerd dat dit netto inkomen incl. de vakantietoeslag vergeleken wordt met de van toepassing zijnde bijstandsnorm incl. vakantietoeslag, waarbij er sprake mag zijn van een overschrijding van maximaal 1/12 van het van toepassing zijnde bedrag aan langdurigheidstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze systematiek gaan belanghebbenden bij een lichte stijging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering er nooit op achteruit. Of de stijging is zodanig dat deze op jaarbasis gelijk is aan de langdurigheidstoeslag of meer. Of de stijging is op jaarbasis minder dan het bedrag aan langdurigheidstoeslag, men behoudt dan het recht op langdurigheidstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: Een alleenstaande met een WIA/WAO uitkering heeft een netto maanduitkering excl. vakantietoeslag van € 830,00. Inclusief vakantietoeslag is de uitkering € 880,00. De bijstandsnorm voor een alleenstaande is € 865,80 (norm 01-01-2007). Deze persoon zit € 14,20 boven de norm. Hij/zij ontvangt dan wel langdurigheidstoeslag daar € 14,20 minder is dan 1/12 van € 336,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn nr. B158 is gebaseerd op artikel 36 lid 1 onderdeel b WWB. Deze bepaling is per 1 september 2006 gewijzigd met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Het college zou op grond van de jurisprudentie het gewijzigde artikel 36 lid 1 onderdeel b WWB reeds vanaf de inwerkingtreding van de WWB, dus vanaf 1 januari 2004, op dezelfde wijze moeten toepassen. Voor zover de tekst van artikel 36 lid 1 onderdeel b WWB, zoals deze geldend was over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2006, in het geval van zeer geringe inkomsten over een zeer geringe duur aan de toekenning van een langdurigheidstoeslag in de weg staat, zou deze bepaling buiten toepassing moeten worden gelaten (zie CRvB 04-07-2006, nr. 05/4005 WWB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorgesteld is om alleen aanvragen met een peildatum vanaf 1 januari 2006 aldus te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">W011 Loonkostensubsidie Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op artikel 7 eerste lid onderdeel a en artikel 8 eerste lid onderdeel a Wet werk en bijstand (WWB), artikel 13 tweede en derde lid van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Helmond Besluit Vast te stellen de invulling van richtlijn nr. W011 Loonkostensubsidie ArtikelI Richtlijn nr. W011 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Loonkostensubsidie voormalige ID banen Algemeen Een voormalige ID baan is een arbeidsplaats waarop een persoon werkzaam is die onder de doelgroep WWB valt en waarvoor vóór 1 januari 2004 loonkostensubsidie werd verleend o.g.v. het Besluit in- en doorstroombanen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van 1 januari 2004 tot 1 januari 2008 werd deze loonkostensubsidie, gelet op artikel 13 lid 2 en lid 3 van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Helmond, gebaseerd op de “Uitvoeringsregels omtrent het verstrekken van subsidie aan werkgevers met werknemers van het voormalig Besluit in- en doorstroombanen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1 januari 2008 komen de “Uitvoeringsregels omtrent het verstrekken van subsidie aan werkgevers met werknemers die geplaatst zijn onder het voormalig Besluit in- en doorstroombanen” te vervallen en treedt daarvoor in de plaats het “Arrangement gesubsidieerde arbeid”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel1</span><span class=\"lf-art-t\">Arrangement gesubsidieerde arbeid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit Arrangement houdt in dat van de bij de betreffende werkgever in dienst zijnde ID-werknemer(s) op grond van inventariserende gesprekken met Matchcare B.V. begin 2006 de afstand tot reguliere arbeid in kaart is/zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemers met een zeer korte afstand tot reguliere arbeid (uitstroom naar regulier werk per direct bij de eigen werkgever/uitstroom naar regulier werk binnen een termijn van 6 maanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de betreffende werknemer van wie is vastgesteld dat hij een zeer korte afstand tot reguliere arbeid heeft wordt een loonkostensubsidie toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze loonkostensubsidie wordt toegekend voor een periode van 6 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de loonkostensubsidie is vastgesteld op Eur 7.500,= op basis van een fulltime dienstverband van 32 uur per week. Bij een geringer aantal werkuren wordt de loonkostensubsidie naar rato aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval dat in de genoemde periode van zes maanden de arbeidsovereenkomst van de werknemer tussentijds wordt beëindigd - bijvoorbeeld vanwege het vinden van ander regulier werk - eindigt per die datum ook de loonkostensubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het dienstverband van de werknemer na deze periode van 6 maanden voorzienbaar niet wordt voortgezet als gevolg van het beëindigen van de loonkostensubsidie wordt gebruik gemaakt van outplacement welke door de gemeente Helmond wordt aangeboden. Dit outplacement bestaat uit ondersteuning van de werknemer bij het zoeken naar regulier werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt afgesproken dat van de betreffende werknemer na het beëindigen van de loonkostensubsidie het arbeidscontract wordt voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemers met een iets grotere maar niet onoverbrugbare afstand tot reguliere arbeid (uitstroom naar regulier werk binnen een termijn van 12 maanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de betreffende werknemer van wie is vastgesteld dat hij een iets grotere maar niet onoverbrugbare afstand tot reguliere arbeid heeft wordt een loonkostensubsidie toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze loonkostensubsidie wordt toegekend voor een periode van 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de loonkostensubsidie is vastgesteld op Eur 15.000,= per 12 maanden op basis van een fulltime dienstverband van 32 uur per week. Bij een geringer aantal werkuren wordt de loonkostensubsidie naar rato aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval dat in de genoemde periode van 12 maanden de arbeidsovereenkomst van de werknemer tussentijds wordt beëindigd - bijvoorbeeld vanwege het vinden van ander regulier werk - eindigt per die datum ook de loonkostensubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het dienstverband van de werknemer na deze periode van 12 maanden voorzienbaar niet wordt voortgezet als gevolg van het beëindigen van de loonkostensubsidie wordt gebruik gemaakt van outplacement welke door de gemeente Helmond wordt aangeboden. Dit outplacement bestaat uit ondersteuning van de werknemer bij het zoeken naar regulier werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt afgesproken dat van de betreffende werknemer na het beëindigen van de loonkostensubsidie het arbeidscontract wordt voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemers met een grote maar niet onoverbrugbare afstand tot reguliere arbeid (uitstroom naar regulier werk binnen een termijn van 24 maanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de betreffende werknemer van wie is vastgesteld dat hij een grote maar niet onoverbrugbare afstand tot reguliere arbeid heeft wordt een loonkostensubsidie Deze loonkostensubsidie wordt toegekend voor een periode van 24 maanden.De hoogte van de loonkostensubsidie is vastgesteld op Eur 15.000,= per 12 maanden op basis van een fulltime dienstverband van 32 uur per week. Bij een geringer aantal werkuren wordt de loonkostensubsidie naar rato aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval dat in de genoemde periode van 24 maanden de arbeidsovereenkomst van de werknemer tussentijds wordt beëindigd - bijvoorbeeld vanwege het vinden van ander regulier werk - eindigt per die datum ook de loonkostensubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het dienstverband van de werknemer na deze periode van 24 maanden voorzienbaar niet wordt voortgezet als gevolg van het beëindigen van de loonkostensubsidie wordt gebruik gemaakt van outplacement welke door de gemeente Helmond wordt aangeboden. Dit outplacement bestaat uit ondersteuning van de werknemer bij het zoeken naar regulier werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt afgesproken dat van de betreffende werknemer na het beëindigen van de loonkostensubsidie het arbeidscontract wordt voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemers met een zeer grote afstand tot reguliere arbeid (uitstroom naar regulier werk binnen een termijn van 36 maanden is niet te verwachten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de betreffende werkgever is overeengekomen dat het dienstverband met de betreffende werknemer per 1 januari 2008 gecontinueerd wordt en dat de gemeente Helmond dit ondersteunt door het voortzetten van de subsidie. De subsidie wordt toegekend als loonkostensubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie wordt toegekend op basis van de thans geldende normen met dien verstande dat de werkelijke loonwaarde van deze werknemer bepaalt zal gaan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de datum van bepaling van de vastgestelde loonwaarde zal de hoogte van de subsidie worden aangepast naar analogie van de vastgestelde loonwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie heeft telkens betrekking op een periode van 12 maanden en op basis van een fulltime dienstverband van minimaal 32 uur per week. Bij een geringer aantal werkuren per week wordt de subsidie naar rato aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval dat de arbeidsovereenkomst van de werknemer wordt beëindigd - bijvoorbeeld vanwege het vinden van regulier werk of het bereiken van de 65 jarige leeftijd - eindigt voor deze werknemer per die datum ook de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede helft van het jaar van toegekende subsidie vindt een herbeoordeling van de situatie plaats, en beslist de gemeente of de subsidie van de genoemde werknemer wordt voortgezet op basis van de afstand van deze werknemer tot reguliere arbeid, de persoonlijke situatie van de werknemer op dat moment en van de beschikbare middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming opleidingskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat een werknemer uitstroomt naar reguliere arbeid (voor minimaal 1 jaar en voor tenminste 32 uur per week) kunnen de opleidingskosten voor deze werknemer met terugwerkende kracht vergoed worden aan de werkgever, met een maximum van Eur 2.000,-- per fte per jaar voor maximaal twee aaneensluitende jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever komt in aanmerking voor deze tegemoetkoming in opleidingskosten indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">De werknemer moet uitstromen naar reguliere arbeid of werk als zelfstandige gaan verrichten;</p>\n<p class=\"lf-p\">De reguliere arbeid of het werk als zelfstandige moet direct aansluiten op de uitstroom uit gesubsidieerde arbeid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van volledige uitstroom uit gesubsidieerde arbeid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijzen en nota’s van de gevolgde opleiding dienen overlegd te worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde opleidingskosten moeten volledig ten laste van de werkgever komen, met andere woorden er mag geen mogelijkheid bestaan tot vergoeding van de opleiding uit andere financieringsbronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3</span><span class=\"lf-art-t\">Betaalbaar stellen subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt per kwartaal op basis van een voorschot betaalbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervanging bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer bij voortbestaan van de dienstbetrekking en ingeval van ziekte van de werknemer, de werkgever op grond van de geldende centrale arbeidsovereenkomst het loon aan de werknemer moet doorbetalen, wordt de subsidie aan de werkgever doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Kosten voor eventuele vervanging van de zieke werknemer, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode, komen geheel ten laste van de werkgever.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De werkgever doet schriftelijk aan de gemeente op verzoek of onverwijld uit eigen beweging opgave van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte of de duur van de subsidie die aan hem betaald wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij beëindiging van de dienstbetrekking tussen de werkgever en de werknemer dient de werkgever dit direct, ongeacht de reden van de beëindiging, schriftelijk aan burgemeester en de wethouders te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wijziging in gegevens welke van belang zijn voor de subsidieverlening worden door de werkgever schriftelijk doorgegeven aan burgemeester en wethouders, ter attentie van het hoofd van de afdeling Werk en Inkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6</span><span class=\"lf-art-t\">Verlening, betaling, vaststelling subsidie en informatieverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voorschotbetalingen / subsidie kan, gedurende en na afloop van een kalenderjaar, in ieder geval worden stopgezet, beëindigd en teruggevorderd worden indien: het aan de werknemer betaalde loon, het in deze beleidsregels genoemde maximum te boven gaat; gedeclareerde kosten niet blijken te zijn gemaakt; gedeclareerde kosten blijken te zijn gemaakt voor een ander doel dan waarvoor de betaling is bedoeld; de werkgever relevante informatie niet (tijdig) aan burgemeester en wethouders verstrekt; de werkgever niet voldoet aan de eisen gesteld in de Reïntegratieverordening respectievelijk deze beleidsregels of door burgemeester en wethouders; de werkgever andere verplichtingen niet of niet op de juiste wijze nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De werkgever verstrekt desgevraagd aan burgemeester en wethouders kosteloos alle inlichtingen die zij voor de informatievoorziening, de beleidsvorming en voor het betalen en vaststellen van de subsidie nodig heeft en werkt mee aan een door of namens burgemeester en wethouders ingesteld onderzoek, dat erop gericht is burgemeester en wethouders inlichtingen te verschaffen ten behoeve van beleidsontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de inlichtingen, bedoeld in het vorige lid, niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen, schorten burgemeester en wethouders de betaling van de voorschotten, bedoeld in dit artikel, op. Hervatting van de betaling en nabetaling van de niet betaalde voorschotten vindt zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de bedoelde gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen subsidie bij wijziging functie respectievelijk vertrek werknemer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wijziging van de functie-inhoud kan slechts plaatsvinden na schriftelijke goedkeuring door of namens burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij vertrek, ontslag of beëindiging van het dienstverband van een werknemer vindt geen invulling van de ontstane vacature op grond van deze beleidsregels plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij vertrek, ontslag of beëindiging van het dienstverband met de werknemer voor de functie zoals die bestond op 31 december 2003, bestaat geen recht op continuering van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing bij het doorstromen van de werknemer bij dezelfde werkgever naar een functie die niet dezelfde is, dan waar werknemer werkzaam in was bij het dienstverband op 31 december 2003.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8</span><span class=\"lf-art-t\">Aansprakelijkheid, vrijwaring en wijziging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente Helmond aanvaardt geen aansprakelijkheid voor het vervallen van de subsidie als gevolg van het niet naleven door de werkgever van deze beleidsregels, de in de beschikking of richtlijnen, vastgelegde voorwaarden. De gemeente Helmond aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de kosten en of schade ontstaan door handelen of nalaten van de werknemer of werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De werkgever vrijwaart de gemeente Helmond van alle aanspraken van de werknemer ten gevolge van geschillen met de werkgever of ten gevolge van de uitvoering van de beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Helmond verstrekt de werkgever geen subsidie indien de werkgever, in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking of aanstelling, via een rechterlijke uitspraak dan wel via arbitrage is gehouden tot doorbetaling van loon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Deze beleidsregels kunnen worden gewijzigd. Indien en voor zover de inhoud van de wijzigingen daartoe aanleiding geven zal burgemeester en wethouders de voorwaarden of beschikking aanpassen en gaan de wijzigingen tegelijkertijd in met de vastgestelde ingangsdatum van de wijziging. De wijzigingen zullen worden toegezonden door of namens burgemeester en wethouders aan de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien sprake is van gewijzigd gemeentelijk beleid, en de gevolgen van de wijzigingen van deze beleidsregels zijn nadelig zijn voor de werkgever, zal de gemeente die wijzigingen laten ingaan met ingang van 1 januari van het nieuwe kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9</span><span class=\"lf-art-t\">Onvoorziene omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslissen burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen de subsidie beëindigen indien het verstrekken naar haar oordeel niet langer zinvol is als gevolg van onvoldoende medewerking van de werkgever aan activiteiten, gericht op zodanige participatie van de werknemer op de reguliere arbeidsmarkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering van subsidie op de werkgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Terugvordering van subsidie vindt plaats, behoudens voor zover het betreft de vastgestelde eigen bijdrage, naast de redenen vermeld in deze beleidsregels, op grond van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Subsidie die door burgemeester en wethouders verstrekt zijn op grond van door de werkgever verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen kunnen te allen tijde worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kan eventuele invorderingskosten verhalen op de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige bepalingen De eindafrekening van de subsidiebedragen vindt plaats na afloop van elk jaar en vindt plaats op basis van een jaaropgave vergezeld van een goedkeurende accountantsverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever is gehouden voor 1 april van het jaar een jaaropgave over het voorgaande kalenderjaar naar de gemeente Helmond te sturen, vergezeld van een accountantsverklaring en een individuele loonstaat van de werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gevraagde bescheiden niet worden toegestuurd, kan dit uiteindelijk leiden tot voortijdige stopzetting van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht uit controle blijken dat de werkgever onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst in het arrangement, dan zal het beschikbaar gestelde bedrag door de gemeente niet worden verstrekt en worden eventueel bevoorschotte bedragen teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijke inzet andere vormen van arbeid De gemeente Helmond biedt de werkgever de mogelijkheid om na 1 januari 2008 gebruik te maken van eventueel geschikte werknemers in het kader van de reïntegratieverordening In deze regeling kan een persoon uit de WWB voor een periode van maximaal zes maanden bij de werkgever werken met behoud van uitkering. Er ontstaat dientengevolge geen arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze richtlijn wordt bekend gemaakt in het Gemeenteblad en treedt in werking op 1 januari 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 09 oktober 2007 Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">15 oktober 2007 De secretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze richtlijn wordt het beleid aangegeven inzake de verlening van loonkostensubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf W1.3 onderdeel 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van een compensatie van het feit dat voor de belanghebbende tenminste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever de belanghebbende (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de reïntegratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (zie TK 2004-2005, 28 870, nr. 125). Van belang is dat de subsidie niet alleen toegekend mag worden aan lokale ondernemers. De subsidie moet, ter voorkoming van de verboden staatssteun, ter beschikking staan aan alle ondernemers, ongeacht de plaats van vestiging. Ten aanzien van de belanghebbende geldt uiteraard wel dat deze woonachtig moet zijn in de subsidieverlenende gemeente. Het beleid van de gemeente komt mede tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie (eventueel gekoppeld aan de mate van productiviteit), de termijn en de aan de subsidie verbonden verplichtingen (b.v. bieden van scholing en begeleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bijstand B062 Moment aanvragen bijzondere bijstand (terugwerkende kracht) In deze richtlijn wordt aangegeven op welk moment een aanvraag bijzondere bijstand moet worden ingediend dan wel in hoeverre verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk is. * Gedurende het eerste draagkrachtjaar kan bijzondere bijstand worden aangevraagd voor de kosten die zich tot maximaal twee jaar vóór de ingangsdatum van het eerste draagkrachtjaar hebben voor gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: bij een eerste draagkrachtjaar van 1 mei 1999 tot en met 30 april 2000, kan gedurende die hele periode nog een aanvraag worden gedaan voor de kosten vanaf 1 mei 1997 * Voor kosten in een bepaald draagkrachtjaar kan nog gedurende de volgende twee draagkrachtjaren een aanvraag worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: het draagkrachtjaar loopt van 1 mei tot en met 30 april. Voor de kosten in de periode van mei 1999 tot en met april 2000 kan ook nog een aanvraag worden gedaan in de perioden van mei 2000 tot en met april 2001 en van mei 2001 tot en met april 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">B137 In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht In deze richtlijn wordt aangegeven welke middelen - zijnde de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover het meer bedraagt dan de bijstandsnorm al dan niet in- of exclusief de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 WWB en artikel 34 lid 2 WWB - in aanmerking worden genomen voor de draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling van het inkomen Het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen wordt bepaald aan de hand van het inkomen gedurende het aan de aanvraag voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanmerking te nemen inkomen Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 WWB en artikel 33 lid 5 WWB niet tot het draagkrachtinkomen van belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemde artikelen worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten. (Het inkomen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.) Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen (artikel 31 lid 2 onder h WWB) worden dus alleen vrijgelaten indien het bijzondere bijstand betreft voor een ander in de bijstand begrepen persoon dan het minderjarig kind met inkomsten uit arbeid. Betreft het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf dan moeten deze inkomsten wel worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanmerking te nemen vermogen Van het in aanmerking te nemen vermogen worden de middelen bedoeld in artikel 34 lid 2 WWB niet tot het draagkrachtvermogen van belanghebbende gerekend. De middelen als bedoeld in genoemd artikel worden dus ook voor de bijzondere bijstand vrijgelaten. (Het vermogen wordt dus op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand.) B063 Draagkrachtpercentages In deze richtlijn wordt aangeven hoe de draagkracht van belanghebbende wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders, Gelet op artikel 35 lid 1 Wet werk en bijstand (WWB) Besluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vast te stellen de gewijzigde invulling van richtlijn nr. B063 Draagkrachtpercentages ArtikelI Richtlijn nr. B063 wordt als volgt ingevuld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Draagkracht uit inkomen 10% van de eerste € 70,00 per maand van het in aanmerking te nemen inkomen incl. vt;</p>\n<p class=\"lf-p\">35% van de volgende € 90,00 (tot € 160,00) per maand van het in aanmerking te nemen inkomen incl. vt;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van de volgende € 180,00 (tot € 340,00) per maand van het in aanmerking te nemen inkomen incl. vt;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van het in aanmerking te nemen inkomen incl. vt boven de € 340,00 per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, het in aanmerking te nemen inkomen incl. vt wordt in beginsel voor 100% als draagkracht aangemerkt bij bijzondere bijstand: in de vorm van woonkostentoeslag; in de vorm van leenbijstand; voor de kosten van de jongere van 18 t/m 20 die het gevolg zijn van zijn zelfstandig wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere individuele omstandigheden kunnen bijvoorbeeld leiden tot: een lager draagkrachtpercentage. Bijvoorbeeld i.v.m. de aard van de kosten, bijvoorbeeld van medische aard, in relatie tot alle persoonlijke omstandigheden. een hoger draagkrachtpercentage. Bijvoorbeeld als de kosten het gevolg zijn van onvoldoende betoond verantwoordelijkheidsbesef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op: -Inkomens uit AOW, Anw en Wajong kunnen netto hoger zijn dan de bijstandsnorm. Er</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wordt echter van uitgegaan dat deze inkomens gelijk zijn aan bijstandsniveau en dus niet</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>leiden tot draagkracht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Berekening vakantietoeslag Voor de berekening van de vakantietoeslag moet uit worden gegaan van het netto-inkomen zonder dat daarop verplichte betalingen aan derden zijn ingehouden. Het gaat hierbij vooral om beslagen en AWBZ-bijdragen van personen die in een inrichting verblijven. De precieze hoogte van de vakantietoeslag kan worden berekend met behulp van de regels uit de Regeling WWB (zie ook paragraaf B4.3 onderdeel 4 van het handboek WWB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld Een alleenstaande van 65 jaar of ouder die in een inrichting verblijft heeft recht op AOW van ongeveer € 681,-- bruto. Na aftrek van belastingen, premies en AWBZ bijdrage houdt hij per maand ongeveer € 177,-- netto over. Het vakantiegeld moet echter niet over dit bedrag worden berekend, maar over het nettobedrag voor aftrek van de AWBZ-bijdrage: ongeveer € 613,-- per maand. Hierdoor hebben ouderen die in een inrichting verblijven, ondanks dat hun maandinkomen op bijstandsniveau ligt, in de praktijk vaak toch enige draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Draagkracht uit vermogen -100% van het in aanmerking te nemen vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII De invulling van deze gewijzigde richtlijn treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking daarvan in het Gemeenteblad en werkt terug tot en met 1 juli 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van deze datum wordt de eerder op 14 februari 2004 vastgestelde richtlijn ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten in de vergadering van 10 februari 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders van Helmond, De burgemeester, Drs. A.A.M. Jacobs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris , Mr. A.C.J.M. de Kroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bekend gemaakt op:</p>\n<p class=\"lf-p\">13 februari 2009 De gemeentesecretaris, Mr. A.C.J.M. de Kroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze richtlijn wordt aangegeven hoe de draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze richtlijn is in het handboek WWB te vinden in: paragraaf B7.3 onderdeel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen Op grond van artikel 35 lid 1 WWB heeft het college de bevoegdheid om te bepalen in hoeverre de kosten waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is kunnen worden voldaan uit het inkomen of het vermogen van belanghebbende. De WWB spreekt overigens in tegenstelling tot de Abw niet expliciet over het bepalen van draagkracht. Slechts in de toelichting bij artikel 35 WWB staat dat het college in het kader van de bijzondere bijstand rekening kan houden met de draagkracht van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen die bij de vaststelling van de draagkracht een rol kunnen spelen, zijn de aard van de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd, eventuele buitengewone lasten van de belanghebbende en overige persoonlijke omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college wordt hierbij de volledige vrijheid gegeven (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 64-65).</p>\n<p class=\"lf-p\">B064 Draagkrachtperiode bijzondere bijstand In deze richtlijn wordt aangegeven over welke periode de draagkracht in aanmerking wordt genomen en op welk tijdstip de draagkrachtperiode begint.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover de draagkracht wordt vastgesteld, de draagkrachtperiode, is in beginsel een jaar, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd. Er moet dus over een jaar worden berekend hoe groot de ruimte in het inkomen en het vermogen is. Vervolgens moet op het totaal hiervan het draagkrachtpercentage worden losgelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">B065 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode In deze richtlijn wordt aangegeven hoe om te gaan met een eventuele wijziging van de draagkracht tijdens de draagkrachtperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">De draagkracht wordt voor het resterende deel van de lopende draagkrachtperiode opnieuw vastgesteld indien zich wijzigingen voordoen in het inkomen of de gezinsomstandigheden (bijvoorbeeld: huwelijk, echtscheiding of overlijden). Wanneer bij de vaststelling van de draagkracht al een inkomenswijziging kan worden voorzien, dient deze zoveel mogelijk te worden meegenomen (bijvoorbeeld: pensionering of beëindiging van studie).</p>\n<p class=\"lf-p\">B066 Drempelbedrag In deze richtlijn wordt aangegeven of er een drempelbedrag wordt toegepast voordat er tot verlening van bijzondere bijstand wordt overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sedert 1 juli 1999 wordt geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 WWB (een bedrag dat niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komt), meer gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel geldt een zogenaamde administratieve drempel. De hoogte van deze drempelbedrag is gelijk aan € 50,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de totale kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd in een bepaald draagkrachtjaar benenden de € 50,00 blijven, komen deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd in een bepaald draagkrachtjaar € 50,00 of meer bedragen, komt het totaalbedrag (naar draagkracht) voor bijzondere bijstand in aanmerking. Bij hogere kosten geldt dus in het geheel geen drempelbedrag meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">B067 Stappenplan berekening bijzondere bijstand In deze richtlijn is een stappenplan opgenomen voor de berekening van bijzondere bijstand met inachtneming van de gemeentelijke regels ten aanzien van het drempelbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening van de bijzondere bijstand verloopt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaal de hoogte van de voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komende kosten aan de hand van nota’s e.d.; Indien dit bedrag lager is dan € 50,00 wordt er geen bijstand verleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaal de draagkrachtperiode;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaal de ruimte in het inkomen over de draagkrachtperiode;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminder de ruimte in het inkomen met de buitengewone uitgaven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaal de ruimte in het vermogen over de draagkrachtperiode;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaal de draagkracht in euro's door het draagkrachtpercentage(s) toe te passen op de uitkomst van stappen 4 en 5;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereken als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten (1) Draagkracht (6) -/- Bijzondere bijstand B068 Telefoonnummer ziekenfonds In deze richtlijn zijn telefoonnummers en overige adresgegevens van relevante zorgverzekeraars opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agis (OWM Agis Zorgverzekeringen UA) Van Asch van Wijckstraat 55, Amersfoort Postbus 19, 3800 HA AMERSFOORT Telefoon (033) 4456911 Fax (033) 4612733 Website: www.agisweb.nl Amicon (OWM Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds UA) De Ruyterlaan 25, Enschede Postbus 75000, 7500 KC ENSCHEDE Telefoon (053) 4853853 Fax (053) 4853299 Website: www.amicon.nl AnderZorg (Onderlinge Ziekenfonds Maatschappij AnderZorg UA) Van Swietenlaan 25-3, Groningen Postbus 11072, 9700 CB GRONINGEN Telefoon (050) 5234951 Fax (050) 5265273 E-mail info@anderzorg.nl Website: www.anderzorg.nl Azivo (OWM AZIVO Algemeen Ziekenfonds De Volharding UA) Oude Haagweg 128, 's-Gravenhage Postbus 13731, 2501 BP 'S-GRAVENHAGE Telefoon (070) 4402400 Fax (070) 4402401 E-mail info@azivo.nl Website: www.azivo.nl AZvZ (Stichting Algemeen Ziekenfonds voor Zeelieden) Molenwerf 2-8, Amsterdam Postbus 9251 1006 AG AMSTERDAM Telefoon (020) 6074444 Fax (020) 6074680 E-mail scheepvaart@pvf.nl Website: www.azvz.nl CZ Groep (Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep, Ziekenfonds) Ringbaan West 236, Tilburg Postbus 90152, 5000 LD TILBURG Telefoon (013) 5949949 Fax (013) 5949500 E-mail info@cz.nl Website: www.cz.nl Wulfaertstraat 25, Goes Postbus 4400, 4460 CZ GOES Telefoon (0113) 274400 Fax (0113) 274427 Wilhelminastraat 39, Sittard Postbus 55, 6130 MA SITTARD Telefoon (046) 4595656 Fax (046) 4528634 De Friesland (OWM De Friesland Zorgverzekeraar UA) Harlingertrekweg 53-55, Leeuwarden Postbus 270, 8901 BB LEEUWARDEN Telefoon (058) 2913913 Fax (058) 2153759 E-mail dfz@xs4all.nl Website: www.defriesland.nl DSW (OWM Zorgverzekeraar DSW UA) 's-Gravelandseweg 555, Schiedam Postbus 173, 3100 AD SCHIEDAM Telefoon (010) 2466466 Fax (010) 4265506 E-mail info@dsw.nl Website: www.dsw.nl Geové zorgverzekeraar (OWM Geové zorgverzekeraar UA) Schweitzerlaan 6, Groningen Postbus 64, 9700 MD GRONINGEN Telefoon (050) 5233333 Fax (050) 5233470 E-mail info@geove.nl Website: www.geove.nl Groene Land PWZ (OWM Groene Land PWZ Zorgverzekeraar UA) Werkhorst 36, Meppel Postbus 50, 7940 GA MEPPEL Telefoon (0522) 266911 Fax (0522) 266996 Website: www.groeneland-achmea.nl Ebbehout 1, Zaandam Postbus 2169, 1500 GD ZAANDAM Telefoon (075) 6514000 Fax (075) 6514001 Website: www.pwz-achmea.nl Nederzorg (OWM Ziekenfonds Nederzorg UA) Westblaak 67, Rotterdam Postbus 1236, 3000 BE ROTTERDAM Telefoon (0900)2020405 Fax (0900)2020406 Website: www.nvs-verzekeringen.com Nuts (OWM Nuts Zorgverzekering UA) Johanna Westerdijkplein 1, 's-Gravenhage Postbus 29666, 2502 LR 'S-GRAVENHAGE Telefoon (070) 3100911 Fax (070) 3100407 Website: www.nuts.nl ONVZ (Onderlinge ONVZ Ziekenfonds UA)</p>\n<p class=\"lf-p\">De Molen 66, Houten Postbus 407, 3990 GE HOUTEN Telefoon (030) 6396222 Fax (030) 6351275 E-mail info@onvz.nl Website: www.onvz.nl OZ (OWM OZ zorgverzekeringen UA) Chasséveld 17, Breda Postbus 90150, 4800 RB BREDA Telefoon (076) 5243000 Fax (076) 5227076 Website: www.oz.nl Oostkant 2, Terneuzen Oostkant 2, 4531 HA TERNEUZEN Telefoon (0115) 677700 Fax (0115) 631220 IJsselmeer 32, Zwijndrecht IJsselmeer 32, 3332 EX ZWIJNDRECHT Telefoon (078) 6209096 Fax (078) 6196550 OZB (OWM Onafhankelijk Ziekenfonds Bedrijven UA) Mosweg 21b, Hengelo Postbus 127, 7550 AC HENGELO Telefoon (074) 7890789 Fax (074) 7890779 Website: www.ozf.nl Salland (OWM Salland zorgverzekeringen UA) Munsterstraat 6, Deventer Postbus 166, 7400 AD DEVENTER Telefoon (0570) 687000 Fax (0570) 687332 Website: www.salland.nl Stad Rotterdam (OWM SR-Zorgverzekeraar UA) Weena 70, Rotterdam Postbus 570, 3000 AN ROTTERDAM Telefoon (010) 2466480 Fax (010) 2466468 Website: www.sr.nl Trias (OWM Zorgverzekeraar Trias ua) Stadhuisplein 70, Gorinchem Postbus 38, 4200 AA GORINCHEM Telefoon (0183) 681681 Fax (0183) 681682 E-mail postbus@trias.nl Website: www.trias.nl Harderwijkweg 1, Gouda Postbus 201, 2800 AE GOUDA Telefoon (0182) 568268 Fax (0182) 539870 Univé (Onderlinge Verzekerings Maatschappij Univé Zorgverzekeraar UA) R.van der Weijdestraat 1, Alkmaar Postbus 276, 1800 BJ ALKMAAR Telefoon (072) 5277277 Fax (072) 5277204 Website: www.unive.nl VGZ (Stichting Ziekenfonds VGZ) Wijchenseweg 20, Nijmegen Postbus 30374, 6503 HZ NIJMEGEN Telefoon (024) 3436666 Fax (024) 3436777 Website: www.vgz.nl Peter Vineloolaan 4, Bergen op Zoom Postbus 333, 4600 AH BERGEN OP ZOOM Telefoon (0164) 283400 Fax (0164) 253300 Kennedyplein 300, Eindhoven Postbus 445, 5600 AK EINDHOVEN Telefoon (040) 2322911 Fax (040) 2454870 Randwijcksingel 20, Maastricht Postbus 1225, 6201 BE MAASTRICHT Telefoon (043) 3501212 Fax (043) 3612716 Keizer Karelplein 32, Nijmegen Postbus 30374, 6503 HZ NIJMEGEN Telefoon (024) 3287999 Fax (024) 3236958 Nieuwstraat 77, 's-Hertogenbosch Postbus 1022, 5200 BA 'S-HERTOGENBOSCH Telefoon (073) 6156411 Fax (073) 6156469 Spoorlaan 396, Tilburg Postbus 200, 5000 AE TILBURG Telefoon (013) 5376222 Fax (013) 5376226 Prinsessesingel 22, Venlo Postbus 9001, 5900 MB VENLO Telefoon (077) 3879391 Fax (077) 3870840 Zilveren Kruis Achmea (OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds UA) Weena 119-173, Rotterdam Postbus 1311, 3000 BH ROTTERDAM Telefoon (0900) 9674 Fax (010) 4762123 Website: www.zilverenkruisachmea.nl Diakenhuisweg 29-35, Haarlem Postbus 1311, 3000 BH ROTTERDAM Telefoon (0900) 9674 Fax (023) 5282848 Van de Mortelstraat 4, Noordwijk</p>\n<p class=\"lf-p\">Postbus 30000, 2200 GA NOORDWIJK Telefoon (0900) 9674 Fax (071) 3670506 Zorg en Zekerheid (OWM Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid ua) Haagse Schouwweg 12, Leiden Postbus 400, 2300 AK LEIDEN Telefoon (071) 5825000 Fax (071) 5825011 E-mail mail@zorgenzekerheid.nl Website: www.zorgenzekerheid.nl B069 Waar en wanneer medisch advies vragen In deze richtlijn wordt aangegeven wanneer en waar medische adviezen worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen zal het nodig zijn om in het kader van de bijstandsverlening een medisch advies te vragen aan een arts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van mate van arbeids(on)geschiktheid wordt gebruik gemaakt van de REA toets bij Argonaut, toets wordt aangevraagd via Atlant.</p></div>", "next": 239836}