{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">g. de activiteit start uiterlijk vóór 31 december 2012 en is afgerond vóór 31 december 2013.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-464\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 75.000,--.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-465\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">90[Toelichting: In de aanvraag moet de aanvrager duidelijk maken wat de doelstelling van het project is en in beeld brengen hoe de aanvrager denkt de interactie met het publiek in te vullen. Bij de aanvraag overhandigt de aanvrager daarom een communicatie- en marketingplan.] In aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid overlegt de aanvrager een communicatie- en marketingplan, waarin: a. de doelstellingen van het project duidelijk zijn omschreven; b. in beeld is gebracht hoe invulling zal worden gegeven aan de interactie met het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-466\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.7 Cultureel erfgoed</h3>\n<p class=\"lf-p\">91[Toelichting: Het programma Cultureel Erfgoed richt zich op verschillende typen projecten in het stedelijk en landelijk gebied, zoals:1herstel en restauratiewerkzaamheden binnen een gebundelde aanpak; 2planvorming en uitvoering met als doel het behoud van cultureel erfgoed. Voor agrarisch en industrieel erfgoed kan een beroep gedaan worden op de regeling Stimulering re-animatie agrarisch en industrieel erfgoed. De subsidie die verstrekt wordt op basis van artikel 4.7.2 eerste lid van deze subsidieregeling kan niet gestapeld worden met andere subsidie voor restauratie en herstelwerkzaamheden. Voordat een aanvraag voor subsidie voor een project ter uitvoering van het transformatieplan wordt aangevraagd, dient uit vooroverleg met de desbetreffende gemeente te blijken dat er naar verwachting geen planologische bezwaren tegen het project zullen zijn. Eventuele subsidie wordt daarom verstrekt onder voorwaarde dat de bouwvergunning wordt verleend.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. cultureel erfgoed: gebouwen en bouwwerken die vanuit het verleden zijn overgebleven, die het waard zijn om behouden te blijven en die bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied. b. herstel- en restauratiewerkzaamheden: noodzakelijke renovatie werkzaamheden aan gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen, als bijvoorbeeld herstel voegwerk (knipvoeg, snijvoeg, platvol), inboetwerk (vervangend metselwerk invoegen in bestaand), herstel oorspronkelijke kozijnindeling, herstel/vervanging houten gevelbeschieting, herstel/vervanging dakkapel, herstel/vervanging goot/gootomtimmering/windveren, herstel cultuurhistorische elementen op een erf of landgoed, zoals stookhok/bakhuis/hooiberg en tuinornamenten, een en ander ter beoordeling van de Monumentencommissie. c. transformatieplan: verkenning en beschrijving van de mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen cultureel erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en een nieuwe toekomst en exploitatie kunnen bieden. d. stedelijk gebied: de steden Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle. e. gebiedsontwikkeling: het project is onderdeel van een integraal plan voor de ontwikkeling van een gebied, waarbij de provincie al betrokken is als partner of regisseur. f. herbestemmingsopgaven: cultureel erfgoed krijgt door aanpassing aan nieuwe functies en economische dragers een duurzame bestemming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-472\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">92[Toelichting: In het op te stellen transformatieplan wordt antwoord gegeven op de vragen wanneer iets cultureel erfgoed is, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik. Het transformatie-plan bestaat uit een viertal onderdelen:1inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis; 2het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen. Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; 3een goede inrichting van de omgeving van het erfgoed draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terreinontwerp is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; 4tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp. Ook is een checklist opgenomen, via de provinciale website www.overijssel.nl/erfgoed kunt u kennisnemen van de checklist met daarin de inhoudelijke onderdelen van transformatieplannen voor cultureel erfgoed. Tevens is een overzicht opgenomen van de processtappen die bij de opstelling van een transformatieplan moeten worden gezet. Voor het opstellen van een transformatieplan kan de aanvrager een professionele procesbegeleider die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied, inschakelen. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: de uitvoering van herstel- en restauratiewerkzaamheden, inclusief voorbereidende werkzaamheden, aan cultureel erfgoed, binnen een gebundelde aanpak, waardoor er een substantiële bijdrage wordt geleverd aan behoud, herstel of ontwikkeling van de karakteristieke identiteit van het gebied; herstel- en restauratiewerkzaamheden van cultureel erfgoed dat onderdeel is van een gebieds-ontwikkeling; 93[Toelichting: Voorbeelden van dit soort gebiedsontwikkelingen zijn de programma's voor de Nationale Landschappen en stationsomgevingen.] herstel- en restauratiewerkzaamheden die plaatsvinden bij het uitvoeren van herbestemmingsopgaven waarbij de provincie Overijssel al betrokken is als partner of regisseur.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: het opstellen van een transformatieplan op het gebied voor behoud, herstel en duurzame (her)bestemming van cultureel erfgoed, uitgezonderd agrarisch en industrieel erfgoed, als bedoeld in de subsidieregeling Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed; het uitvoeren van een transformatieplan als bedoeld onder sub a.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-473\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.7.2 eerste lid voldoet aan de volgende criteria: de aanvraag voor subsidie wordt ingediend door een rechtspersoon; er is in voldoende mate sprake van advisering door een deskundige organisatie; de werkzaamheden worden door professionals met relevante expertise uitgevoerd;</div>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening dan wel aan artikel 3 van de Vrijstellingverordening MKB.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie die verstrekt wordt op basis van deze paragraaf kan niet gestapeld worden met andere subsidies voor restauratie- en herstelwerkzaamheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aanvullend op het eerste lid moet een transformatieplan als bedoeld in artikel 4.7.2 tweede lid onder a worden opgesteld aan de hand van een aantal processtappen zoals opgenomen in het door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde overzicht proces transformatieplan.</div>\n<p class=\"lf-p\">94[Toelichting: De aanvrager kan hiervoor een professionele procesbegeleider inschakelen die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-474\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.7.2 eerste lid sub a, bedraagt 20% van de subsidiabele kosten voor werkzaamheden aan woonhuizen en bedrijfsgebouwen die in het kader van de reguliere bedrijfsvoering worden gebruikt, en 50% van de subsidiabele kosten voor overige gebouwen en bouwwerken met een maximum subsidiebedrag van € 200.000,-- per aanvraag. Hiervan wordt ten hoogste 10% besteed aan voorbereidende werkzaamheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.7.2 eerste lid sub b en c bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 200.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.7.2 tweede lid sub a bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 30.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.7.2 tweede lid sub b bedraagt 40% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 100.000,-- per transformatieplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-475\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag voor subsidie voor het opstellen van een transformatieplan als bedoeld in artikel 4.7.2 tweede lid sub a tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen en begeleiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-476\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-477\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor subsidie kan om advies voorgelegd worden aan de provinciale Monumentencommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-478\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">95[Toelichting: Aan de subsidieontvanger kan bij subsidieverlening de verplichting opgelegd om in de rapportage(s) van het project duidelijk te vermeld dat het project mede mogelijk is gemaakt met een subsidie uit de subsidieregeling Cultureel erfgoed van de provincie Overijssel. ] In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 moet de subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen voldoen: a. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan als bedoel in artikel 4.7.2 tweede lid sub a, dan wel met de uitvoering ervan als bedoeld in artikel 4.7.2 tweede lid sub b. b.Het opstellen van het transformatieplan als bedoel in artikel 4.7.2 tweede lid sub a dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.8 Stimulering Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">96[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. De subsidieregeling Cultureel erfgoed is van toepassing op het overige erfgoed.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-481\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">97[Toelichting: Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen:1inzicht in de historische ontwikkeling, de bestaande situatie en de cultuurhistorische waardering vormt de basis; 2het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen. Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van behoud c.q. versterking cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; 3een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; 4tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp. Ook is een checklist opgenomen, via de provinciale website www.overijssel.nl/erfgoed kunt u kennisnemen van de checklist met daarin de inhoudelijke onderdelen van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed. Tevens is een overzicht opgenomen van de processtappen die bij de opstelling van een transformatieplan moeten worden gezet.] In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn; b. agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn; c. transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-482\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Reanimatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'; b. het uitvoeren van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Reanimatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-483\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Reanimatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel' moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">98[Toelichting: De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn:1een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio's, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; 2het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; 3innovatieve ontwikkelingen stimuleren. Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; 4bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; 5het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; 6cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen' van agrarisch en industrieel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie. Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect en landschapsarchitect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur of een stedenbouwkundige.Het proces transformatieplan staat op de website www.overijssel.nl/erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het opstellen van een transformatieplan kan de aanvrager een professionele procesbegeleider die aantoonbare ervaring heeft op dit gebied, inschakelen.] de activiteit draagt bij aan een of meer doelstellingen van het provinciale Stimuleringsprogramma ‘Reanimatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2009-2012'; de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf; de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het Reconstructieplan Salland-Twente; bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest); ontwerpende partijen dienen te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit; het transformatieplan dient te worden opgesteld aan de hand van een aantal processtappen zoals opgenomen in het door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde overzicht proces transformatieplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie in de kosten van de uitvoering van een transformatieplan in het kader van het Stimuleringsprogramma ‘Reanimatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel' moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">99[Toelichting: Voordat een aanvraag voor subsidie voor een project ter uitvoering van het transformatieplan wordt aangevraagd, dient uit vooroverleg met de desbetreffende gemeente te blijken dat er naar verwachting geen planologische bezwaren tegen het project zullen zijn. Eventueel subsidie wordt daarom verleend onder voorwaarde dat de bouwvergunning wordt verleend.] het project is gebaseerd op een transformatieplan als bedoeld in artikel 4.8.2, sub a; tegen het project bestaan geen planologische bezwaren; er is aantoonbaar voorzien in de financiering van de totale projectkosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-484\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor het opstellen van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 30.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor het laten opstellen van een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 20.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor de uitvoering van een transformatieplan bedraagt ten hoogste 40% van de investeringskosten van het project met een maximum van € 100.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-485\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van een transformatieplan waarvoor subsidie kan worden aangevraagd betreffen de gezamenlijke kosten van een architect, een landschapsarchitect (in geval van agrarisch erfgoed) en een procesbegeleider.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-486\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag voor subsidie voor een transformatieplan tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige die het transformatieplan zal opstellen en begeleiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-487\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen 1 keer per jaar een subsidieplafond vast, dat, afhankelijk van het verloop, medio dat jaar kan worden bijgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-488\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.8</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie kan om advies worden voorgelegd aan de provinciale monumentencommissie, die binnen 6 weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-489\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">100[Toelichting: De werkzaamheden voor het opstellen van een transformatieplan, dan wel voor de uitvoering ervan, moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart. Een transformatieplan dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond. In de rapportage(s) van het project c.q. bij de uitvoering van het transformatieplan wordt duidelijk vermeld dat het project mede mogelijk is gemaakt met een subsidie uit het Stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. ] In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 moet de subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen voldoen: a. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan dan wel met de uitvoering ervan b. Het opstellen van het transformatieplan dient binnen zes maanden na de start te zijn afgerond. c. De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.9 Sportaccommodaties en jeugd</h3>\n<p class=\"lf-p\">101[Toelichting: In het Coalitieakkoord 2007-2011 \"&amp; Overijssel! Vertrouwen verbinden versnellen\" is in het hoofdstuk Sociale infrastructuur en cultuur opgenomen dat Gedeputeerde Staten versterking van de sportinfrastructuur in Overijssel wil. Gedeputeerde Staten willen gemeenten en sportverenigingen in staat stellen om te investeren in sportaccommodaties en willen daarbij de maatschappelijke functie van sportverenigingen benutten ten behoeve van ‘risico jongeren'. Risicofactoren als het ontbreken van een startkwalificatie, frequent spijbelen, een negatieve thuissituatie, veelvuldig gebruik van middelen, politiecontact of psychosociale problematiek maken jongeren kwetsbaar. Door middel van interventies kunnen deze jongeren het risicogedrag beheersen en weer een positief toekomstperspectief verkrijgen. De aanvragen worden ingediend door de gemeenten. De aanvragen worden in overleg met Sportservice Overijssel voorbereid door gebruik te maken van het aanvraagformulier ‘Sportaccommodaties en jeugd'.Sportservice Overijssel ondersteunt en begeleidt de gemeente bij de aanvraagprocedure.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-491\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. NOC*NSF: Nederlands Olympisch Comité* Nederlandse Sport Federatie is de bundeling van de georganiseerde sport in Nederland. b. sportaccommodatie: een onroerende zaak welke specifiek permanent is ingericht voor actieve sportbeoefening van één of meerdere door NOC*NSF erkende takken van sport, niet zijnde een accommodatie ten behoeve van professionele sportorganisaties. c. sportvereniging: Een volledige rechtsbevoegdheid bezittende vereniging die aangesloten is bij een landelijke of regionale sportbond die is aangesloten bij NOC*NSF. De sportvereniging biedt gedurende het sportseizoen minstens één keer per twee weken een sportactiviteit aan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-492\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">102[Toelichting: Gedeputeerde Staten vestrekken de subsidie aan gemeenten. Het gaat hierbij om subsidiering van de (ver)bouw van één of meer sportaccommodaties. Sportaccommodaties ten behoeve van professionele sportorganisaties zijn hiervan uitgesloten. Het gaat hierbij om kosten die gemaakt worden voor het totale traject van planvorming tot oplevering. Onder verbouwwerkzaamheden vallen alle werkzaamheden die ook uitgevoerd zouden worden als de te verbouwen sportaccommodatie opnieuw gebouwd zou worden. Dus vervanging van alle elementen die noodzakelijk zijn om de beoogde sport te kunnen beoefenen.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de bouw of verbouw van sportaccommodaties van een sportvereniging die zich vrijwillig inzetten voor risico jongeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-493\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">103[Toelichting: In het eerste lid staat vermeld aan welke voorwaarden de sportvereniging moet voldoen. Daarnaast dient de sportvereniging zich vrijwillig in te zetten voor ‘risico jongeren' door deel te nemen aan minimaal één van de projecten of activiteiten genoemd in het eerste lid 1 sub d. De sportvereniging kan bijvoorbeeld een training bieden aan sportleiders waardoor zij over deskundigheid beschikken die hen in staat stelt in een vroeg stadium te kunnen signaleren waneer sprake is van probleemontwikkeling bij het kind en dit bespreekbaar kunnen maken met de ouders c.q. opvoeders .Voor vragen over de keuzemogelijkheden genoemd onder sub d kan de gemeente of sportvereniging terecht bij Sportservice Overijssel. De gemeente stelt minimaal 10% van de verstrekte subsidie beschikbaar voor de vrijwillige inzet van de sportvereniging voor ‘risicojongeren'. ] Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De sportvereniging: staat ingeschreven in het verenigingsregister van de Kamer van Koophandel; stelt zich ten doel om zonder winstoogmerk door sportbeoefening in clubverband de vorming en ontwikkeling van alle leden te bevorderen; ontwikkelt beleid ter bevordering van haar maatschappelijke functie ten aanzien van risicojongeren; ontwikkelt vóór 31 december 2011, een maatschappelijke functie doordat deze zich vrijwillig inzet voor ‘risico jongeren' door deel te nemen aan minimaal één van de volgende projecten of activiteiten: project ‘Vitale sportvereniging', gericht op versterking maatschappelijke rol van de vereniging; trainingen en informatieavonden 'Vroegsignalering'; scholing ‘Kanjers in de sport'; interculturalisatiescan sportverenigingen met vervolg verenigingsadvies traject; opstellen van een jaarlijks sport- en beweegprogramma specifiek gericht op risicojongeren of gericht op jongeren die in de jeugdzorg verblijven of uitstromen uit de jeugdzorg; scholing ‘Triple P'; scholing ‘Vroegsignalering' van Scouting voor het betaald kader van de sportvereniging.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager is een Overijsselse gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De bouw- of verbouwwerkzaamheden als bedoeld in artikel 4.9.2 zijn uiterlijk 31 december 2012 gestart.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De gemeente besteed minimaal 10% van de verstrekte subsidie aan de activiteiten of projecten zoals genoemd in artikel 4.9.3 eerste lid sub d.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-494\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">104[Toelichting: De gemeente kan een gebundelde aanvraag voor meerdere sportaccommodaties indienen. De maximale subsidie per gemeente is € 134.000,-. Dit betekent dat een gemeente die in 2010 een subsidie heeft ontvangen van € 100.000,--, in 2011 maximaal € 34.000,-- kan aanvragen.] De subsidie bedraagt maximaal € 134.000,-- per gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-495\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">105[Toelichting: Het projectplan en communicatieplan dienen gemeenten samen met de betrokken sportverenigingen op te stellen. In dit communicatieplan geven de gemeenten en de sportverenigingen aan welke publiciteitsactiviteiten uitgevoerd zullen worden en hoe de provincie daarbij betrokken zal worden. Dit plan wordt tevens voorzien van een communicatiekalender.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag tevens: a. een projectplan met een beschrijving van de bouw of verbouwwerkzaamheden en een beschrijving van de activiteiten als genoemd in artikel 4.9.3 eerste lid sub d; b. een communicatieplan voorzien van een communicatiekalender.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-496\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-497\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieaanvrager</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 moet de subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen voldoen: a. De gemeente rapporteert jaarlijks voor 1 februari over de voortgang van de bouw- of verbouwwerkzaamheden. b. Uit de rapportage van 1 februari 2012 blijkt dat de activiteiten zoals genoemd in artikel 4.9.3 eerste lid sub d zijn afgerond.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.10 Overijssel werkt! KwaliteitsImpuls Toerisme in Overijssel</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. onderneming: duurzame organisatie die erop is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen aan het maatschappelijk productie- en/of handelsproces met het oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook redelijkerwijs verwacht kan worden. Deze organisatie is geen publiekrechtelijk lichaam en wordt niet voor meer dan 10% structureel gefinancierd door overheidsbijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">106[Toelichting: De volgende ondernemingen komen niet voor subsidie in aanmerking: sport- en recreatie-instellingen; exploitatie van en handel in onroerende zaken;(café-)restaurants; musea. ] b. toeristische onderneming: een bestaande onderneming gevestigd in de provincie Overijssel die valt in ten minste één van de volgende bedrijfsgroepen van de standaardbedrijfsindeling (SBI 2008) van het Centraal Bureau voor de Statistiek:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>hotels, pensions en conferentieoorden (551);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen (552) kampeerterreinen (553) Overige logiesverstrekking (559);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>pretparken, verkeerstuinen en recreatieparken (93211);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jachthavens en overige recreatie (93291, 93299);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verhuurbedrijf van pleziervaartuigen.</div>\n<p class=\"lf-p\">107[Toelichting: Toeristische nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf, waarbij de activiteiten in bedrijfseconomisch opzicht in voldoende mate afgezonderd opereren, kunnen behandeld worden als een toeristische onderneming. Ook hierbij geldt dat deze activiteiten staan ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De activiteiten mogen geen betrekking hebben op de primaire agrarische bedrijfsvoering zoals uiteengezet in Verordening (EG) nr 1/2004 van de Commissie van 23 december 2003 dan wel bijlage 1 van het Verdrag van de EU-gemeenschappen. ] c. dochteronderneming: een onderneming die geheel of gedeeltelijk eigendom is van de moederonderneming, artikel 2:24A, lid 1 Burgerlijk Wetboek, is van toepassing; d. bedrijfsmiddel: vaste zaak of object dat het economisch eigendom van de onderneming is en dat langdurig gebruikt wordt voor de bedrijfsuitvoering en dat niet is aangekocht om te verkopen; e. investering: een technisch, functioneel, in tijd samenhangend geheel van investeringen die leidt tot voor de consument zichtbare verbeteringen van de kwaliteit en uitstraling van een onderneming; f. vervangingsinvestering: vervanging van bestaande bedrijfsmiddelen door een vergelijkbaar bedrijfsmiddel; g. deskundige: degene die op grond van opleiding of ervaring geacht moet worden gekwalificeerd te zijn voor het geven van een advies op het gebied van (economische) kwaliteitsverbetering, innovatie natuurontwikkeling en landschappelijke inpassing of duurzaamheid. Een deskundige is onafhankelijk; h. adviestraject: een door een externe deskundige ten behoeve van de aanvrager uitgevoerd advies ter ondersteuning van de beslissing over te gaan tot een investering; i. investeringsplan: een plan waarin minimaal de volgende aspecten met betrekking tot de onderneming zijn uitgewerkt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>aard en omvang van de onderneming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>doelgroep van de onderneming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>visie op toekomstige ontwikkelingen van de onderneming ten aanzien van drie tot vijf jaren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ruimtelijke ontwikkeling. j. Green Key: internationaal keurmerk voor bedrijven in de toerisme- en recreatiebranche; k. rondvaartboot: een boot met een capaciteit van minimaal 20 zitplaatsen waarmee toeristen een boottocht kunnen maken; l. passiefhuis: een woning of bedrijfspand met optimale isolatie waarvoor het passiefhuiscertificaat is verstrekt; m. arbeidplaats: de permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende arbeidsplaats op jaarbasis; n. overheidssteun: totaal van de verleende steun door een overheid in welke vorm en met welk doel dan ook.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken aan een toeristische onderneming voor:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>een adviestraject;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een investeringsplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>een investering gericht op vernieuwing van de fysieke kwaliteit en uitstraling van een toeristische onderneming. Op een investering gericht op vernieuwing van de ruimtelijke kwaliteit van een toeristische onderneming is paragraaf 4.11 over bedrijfsnatuurplannen van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>een van de volgende investeringen gericht op duurzaamheid: het behalen van een Green Key, goud, zilver of brons of het behalen van een energielabel voor recreatiewoning en of elektrificeren van rondvaartboten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>projecten gericht op stimulering van samenwerking in de toeristische sector, waarbij het productresultaat bestaat uit een marktgerede nieuwe product-markt-partner-combinatie/arrangement.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.10.2. eerste of tweede lid voldoet aan de volgende criteria: de subsidiabele kosten voor een adviestraject bedragen minimaal € 3.000,--; het resultaat van een adviestraject is een investeringenplan; het adviestraject wordt uitgevoerd door een externe deskundige;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.10.2, derde lid voldoet aan de volgende criteria: de investering is nieuw/vernieuwend voor de onderneming; de investering leidt tot verbetering van de fysieke kwaliteit en uitstraling van de onderneming; de investering leidt niet tot vermindering van het aantal arbeidsplaatsen; de investering moet binnen twee jaren na subsidieverlening zijn afgerond; vervangingsinvesteringen komen niet in aanmerking voor subsidie; de investering bedraagt minimaal € 50.000,--; de investeringen zijn opgenomen in een investeringsplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.10.2, vierde lid, onder b voldoet aan de volgende criteria: voor recreatiewoningen geldt de energielabeling zoals die geldt voor woonhuizen; bij renovatie van bestaande woningen is het eindresultaat een energielabel A of een energielabel B als er geen ruimte genoeg is; bij nieuwbouw is het eindresultaat energieleverende woning (A+) of het certificaat voor passiefhuis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.10.2, vierde lid, onder c voldoet aan de volgende criteria: de onderneming heeft een vergunning voor het exploiteren van een rondvaartboot; de subsidie wordt verleend voor: de bouw van een nieuwe rondvaartboot of aanpassing bestaande rondvaarboot; een elektrische installatie aan boord; een elektrische installatie aan de wal; maatregelen of bouwkundige aanpassingen voor behandeling en opslag voor batterijen ten behoeve van de rondvaartboot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.10.2, vijfde lid voldoet aan de volgende criteria: het project is een samenwerkingsproject met minimaal twee partners, waarbij minimaal één toeristische onderneming; het project moet binnen een jaar na subsidieverlening zijn afgerond; de investering mag niet leiden tot vermindering van het aantal arbeidplaatsen. het project is nieuw in Overijssel of levert een bijdrage aan de verdere ontwikkeling van één van de Beeldverhalen IJssel, Kop van IJssel, Vechtdal Overijssel, Salland of Twente of is een uitwerking van de door Saxion Hogescholen opgestelde Leisure Scan of het project past binnen een van de in Overijssel Werkt! voor toerisme genoemde thema's Wellness, natuur- en Plattelandsbeleving, Cultuurbeleving of Proeven en Ruiken of het project is een aansluiting op de in Overijssel aanwezige toeristische basiskwaliteiten zoals de TOP's, fietsroutenetwerk of wandelnetwerk.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor een adviestraject als bedoeld in artikel 4.10.2. eerste lid, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 6.250,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor een investering als bedoeld in artikel 4.10.2. derde lid, alsmede het vierde lid, sub b en c, bedraagt 30% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 200.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor het behalen van een Green Key-goud, zilver of brons als bedoeld in artikel 4.10.2., vierde lid, onder a, bedraagt respectievelijk 35%, 25% of 15% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 200.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Subsidie voor samenwerkingsprojecten als bedoeld in artikel 4.10.2. vijfde lid, bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten met een maximale subsidie van € 50.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager maakt bij zijn aanvraag gebruik van de een daartoe beschikbaar aanvraagformulier KITO 2010.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvrager overlegt in aanvulling op 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag tevens alle gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier KITO 2010.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag tevens een einddeclaratie alsmede enkele foto's van het gerealiseerde object, waaruit aantoonbaar blijkt dat het project is gerealiseerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.11. Bedrijfsnatuurplannen recreatieondernemers (pMJP 3.2.5)</h3>\n<p class=\"lf-p\">108[Toelichting: Recreatiebedrijven liggen verspreid door de provincie en dus in verschillende landschapstypes. De inpassing van de bestaande recreatiebedrijven in haar omgeving laat in veel gevallen te wensen over en is voor verbetering vatbaar. In het merendelel van de gevallen betekent meer aandacht voor een landschappelijke inpassing en de natur op en rond het terrein een aanmerkelijke verbetering voor zowel het landschap, de natuurwaarden en de beeldkwaliteit. Deze verbetering kan worden gerealiseerd door het uitvoeren van Bedrijfsnatuurplannen (BNP's). Door de provincie is voor de beoordeling van aanvragen voor bedrijfsnatuurplannen een aantal criteria opgesteld. In de aanvragen voor het opstellen,dan wel voor het uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven (die als zodanig zijn opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan) dienen de criteria zoals genoemd in artikel 4.11.2 verwerkt dan wel beschreven te worden. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. de minimisverordening: Verordening (EG) 1998/2006 PbEU L379/10 van de commissie van 15 december 2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun; b. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; c. vrijstellingsverordening: een door de Europese Commissie vastgestelde verordening op basis van artikel 1, lid 1 van Verordening (EG) 994/98 Pb L142 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen en voor het uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven, die als zodanig zijn bestemd in een goedgekeurd bestemmingsplan. Voor kampeerterreinen geldt een minimum van 25 standplaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">109[Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt op de volgende aspecten beoordeeld:a. beschrijving van de omgeving van het recreatieterrein (landschapskenmerken en natuurdoelen)b. beschrijving van het recreatieterrein, waarbij in ieder geval aan de orde komen om welk soort recreatieterrein het gaat (bv. bungalowpark of camping), aantal en soort gebouwen, grootte, met of zonder privé-eigendommen, aanwezigheid water, aanwezige vegetatie/beplanting , enz.)c. confrontatie met de landschapskenmerken en de natuurdoelen;d. voorstellen tot verbetereing/aanpassing en de mate waarin de aanpassingen leiden tot herstel of toename van de biodiversiteit op het recreatieterrein en het herstel/de toename van de soorten rijkdoem door de maatregelen; e. inhoud van het beheer en onderhoudsplan;f. eventuele samenwerking met andere (aangrenzende) terreinen;g. beschrijving van de begroting en kostenraming in een financiële paragraaf;h. beschrijving wie het plan gaat uitvoeren, het initiatief neemt en wat de planning is;i. beschrijving van de kwaliteitswinst;j. beschrijving van de monitoring door de eigenaar van het bedrijf zelf;k. beschrijving van de toekomstplannen van de eigenaar van het recreatiebedrijf. ] Een aanvraag voor subsidie voor het opstellen en voor het uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvraag moet gericht zijn op het opstellen of op het uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan dat zich richt op de inrichting en ontsluiting van het recreatiebedrijf; b. de aanvraag is gericht op een betere inpassing van het bedrijf in het landschap; c. het plan leidt tot verbetering van de natuurwaarden en biodiversiteit op en rond het recreatiebedrijf. d. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening dan wel aan artikel 3 van de Vrijstellingverordening MKB. e. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten voor het opstellen of voor het uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan met een maximum van € 20.000 per recreatiebedrijf, indien het recreatiebedrijf is gelegen in reconstructiegebied.\\ 2. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor het opstellen of voor het uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan met een maximum van € 20.000 per recreatiebedrijf, indien het recreatiebedrijf is gelegen buiten reconstructiegebied.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.12. Routenetwerken (pMJP 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4)</h3>\n<p class=\"lf-p\">110[Toelichting: De provincie hecht grote waarde aan de ontwikkeling en instandhouding van landelijke, provinciale en regionale routestructuren voor wandelen, fietsen, paardrijden en varen. Incidenteel kunnen andere vormen van actieve recreatie worden ondersteund. Specifiek hierbij is de aanleg van wandelpaden over boerenland. Ook het oplossen van urgente knelpunten binnen de landelijke routenetwerken wandelen en fietsen op basis van het kwaliteitscriterium ‘veilig toegankelijk' valt hieronder. Leidraad voor de keuze voor de op te lossen knelpunten vormt het Meerjarenprogramma Landelijke Routenetwerken wandelen en fietsen 2007-2013 (vastgesteld door de IPO-adviescommissie Landelijk gebied en Economie) alsmede de nadere uitwerking ervan in de rapportage ‘0-meting'. Provinciaal en regionaal is het van belang nieuwe initiatieven te ontwikkelen gericht op uitbreiding en innovatie van de routenetwerken. Toepassing van nieuwe technieken is hierbij belangrijk. Nieuwe initiatieven dienen bji te dragen aan een samenhangend geheel van routes. Ten behoeve van deze routestructuren kunnen infrastructurele werken worden ondersteund. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. de-minimisverordening: Verordening (EG) 1998/2006 PbEU L379/10 van de commissie van 15 december 2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun; b. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; c. vrijstellingsverordening: een door de Europese Commissie vastgestelde verordening op basis van artikel 1, lid 1 van Verordening (EG) 994/98 Pb L142 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. Het ontwikkelen en onderhouden van landelijke routenetwerken voor varen. b. [ingetrokken] c. [ingetrokken] d. [ingetrokken] e. [ingetrokken]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.12.2 moet voldoen aan de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.12.2 sub a en b kan uitsluitend worden ingediend door de Stichtingen Landelijk Fietsplatform, Wandelplatform LAW en Recreatietoervaart Nederland (SRN).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.12.2 sub c kan uitsluitend worden ingediend door overheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.12.2 sub d kan uitsluitend worden ingediend door instanties en overheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.12.2 sub d en e dient aan te sluiten bij en een bijdrage te leveren aan een regionaal netwerk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening dan wel aan artikel 3 van de Vrijstellingverordening MKB.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 4.12.2 bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid geldt voor artikel 4.12.2 sub a, b en c een afwijkend percentage van maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidiabele kosten van een kilometer recreatief fietspad bedragen ten hoogste € 120.000,-- per kilometer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij artikel 4.12.2 sub e zijn de subsidiabele kosten € 0.45 per meter per jaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De volgende kosten zijn niet subsidiabel:</div>\n<p class=\"lf-p\">Interne kosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekenbare belastingen, heffingen of lasten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rente, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van planschade;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering Grondverwervingskosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.13. Vrijetijdseconomie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">111[Toelichting: Het onderhoud van de fiets-, wandel-, vaar- en ruiterroutes, inclusief de onderhoudskosten van LAW's, LF's en het kanoroutenetwerk, heeft betrekking op de werkgebieden van;- de Regio IJssel-Vecht;- de Regio Twente;- de Recreatiegemeenschap Salland;- het Waterschap Reest en Wieden. Het onderhoud heeft ook betrekking op dagrecreatieparken:- Het Hulsbeek, - Het Rutbeek;- het Arboretum Poort-Bulten; - het Lageveld;- de Wythmenerplas;- de passantenhaven Wijhe. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel: activiteiten voor het beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur in Overijssel; activiteiten die bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van de netwerken en recreatieve voorzieningen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten in het kader van de bevordering van toerisme in Overijssel: activiteiten van die organisaties die uitvoering geven aan de bevordering en vermarkting van het toerisme in de provincie Overijssel met daarin provinciebrede aandacht voor regionale toeristische merken, regio-overschrijdende thema's, ontwikkeling en innovatie van producten, onderzoek en kennisoverdracht; activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren; activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1. eerste lid sub a, moet voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag wordt gedaan door een gemeente of een samenwerkingsverband van gemeenten in Overijssel; de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur moet vóór 1 januari 1998 tot stand gebracht zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 eerste lid sub b, en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; de activiteit is nieuw voor Overijssel; de activiteit is bovengemeentelijk gericht; de aanvraag voor subsidie behelst geen individuele bedrijfssteun;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 eerste lid sub b moet tevens voldoen aan het criterium dat het een bijdrage moet leveren aan een van de volgende doelen: het verbinden van recreatieve fietsroutes met belevingselementen langs en in de buurt van de routes; de belevingswaarde van de routes verhoogt; het aansluiten van fietsroutenetwerken op andere recreatieve routenetwerken; het verbinden van stad naar platteland; het verbinden van utilitaire fietspaden met recreatieve fietspaden; het wegnemen van knelpunten in het fietsroutenetwerk.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">112[Toelichting: De subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen. Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners.] 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 eerste lid bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, waarbij de subsidiabele kosten van een project ten minste € 25.000,- bedragen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 tweede lid bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten van een project, waarbij de subsidiabele kosten van een project ten minste € 25.000,- bedragen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">113[Toelichting: De kosten van ‘Onvoorzien' boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.] In aanvulling op artikel 1.1.5 derde lid zijn de volgende kosten niet subsidiabel: a. interne kosten; b. verrekenbare belastingen, heffingen of lasten; c. rente, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; d. afschrijvingskosten; e. kosten van planschade; f. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; g. grondverwervingskosten; h. kosten van projectvoorbereiding (opstellen projectplannen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien: a. het project niet voldoet aan de speerpunten van het beleid, zoals opgenomen in de economische nota van de Provincie Overijssel; b. de co-financiering van het project door derden niet verzekerd is; c. binnen het project geen duidelijke projectverantwoordelijke is aangewezen;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2 eerste lid dan wel artikel 1.5.3 eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen 6 maanden na realisatie van de prestatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag tevens 3 foto's van het gerealiseerde project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod vervreemding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1, eerste lid sub a, en tweede lid, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, dan wel het recht van opstal.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.14 Vrijwilligers</h3>\n<p class=\"lf-p\">114[Toelichting: De provincie richt zich op de ondersteuning van vrijwilligers en mantelzorgers op regionaal niveau. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het vrijwilligerswerk op lokaal niveau. Dit is geregeld in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Met als uitgangspunt integratie en innovatie zet de provincie vrijwilligerswerk ook in op verschillende terreinen zoals jeugd en cultuur, zoals blijkt uit deze subsidieregeling.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">115[Toelichting: Dit artikel regelt op welke thema's Gedeputeerde Staten activiteiten subsidiëren. In de Nota Samen &amp; Overijssel wordt het vrijwilligerswerk breed ingezet. Gedeputeerde Staten ondersteunen initiatieven die leiden tot een toename van het aantal vrijwilligers in Overijssel, dit wordt onder andere bereikt door het verbeteren van het imago van het vrijwilligerswerk. De professionalisering en deskundigheidsbevordering van het vrijwilligerswerk wordt bereikt door de inzet van verschillende instrumenten, zoals een kennisconsortium, een vrijwilligersprijs en het opzetten van steunpunten. Gedeputeerde Staten ondersteunen initiatieven die hieraan bijdragen. Het ontwikkelen van een provinciaal masterplan \"promotie en innovatie vrijwillige inzet/vrijwilligerswerk\" is hiervan een voorbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast worden ook activiteiten ondersteund die zich richten op de groei van het aantal jeugdige vrijwilligers. Daarmee worden initiatieven ondersteund die het vrijwilligerswerk ten behoeve van jongeren bevordert. De maatschappelijke stage is een belangrijk instrument voor deze beoogde groei. Daarom worden eveneens initiatieven ondersteund die leiden tot een groei van maatschappelijke stages. Ook worden initiatieven ondersteund die leiden tot een toename van het aantal vrijwilligers in de culturele sector. Gedeputeerde Staten ondersteunen daarom ook die initiatieven die leiden tot professionalisering van de vrijwilligers in de culturele sector. Gedeputeerde Staten subsidiëren activiteiten die bijdragen aan een provinciaal dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen voor mantelzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast ondersteunen Gedeputeerde Staten activiteiten die zich richten op het behoud en het versterken van vrijwilligers in de palliatieve zorg. Activiteiten die zich richten op de groei van het vrijwilligerswerk door en voor minderheden worden tot slot ook door Gedeputeerde Staten ondersteund. Het begrip minderheid moet in deze zin breed worden opgevat: mensen met andere leefwerelden, opvattingen, gewoonten of culturen en mensen die vanwege hun seksuele geaardheid, handicap, afkomst of geloof minder zijn opgenomen in onze samenleving worden ook onder dit begrip verstaan. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die zich richten op één of meerdere van de volgende doelen: a. initiatieven die leiden tot werving en behoud van vrijwilligers; b. het verbeteren van het imago van het vrijwilligerswerk en de inzet van waarderingsinstrumenten; c. professionalisering en deskundigheidsbevordering van het vrijwilligerswerk; d. het ontwikkelen en delen van kennis en methoden om de inzet van jeugdigen in het vrijwilligerswerk te vergroten of om het vrijwilligerswerk rond jeugdigen te versterken; e. initiatieven die leiden tot de toename van het aantal vrijwilligers of het professionaliseren van vrijwilligers in de culturele sector; f. initiatieven die leiden tot behoud en versterking van mantelzorg en palliatieve zorg; g. het ondersteunen van mantelzorgers en het versterken van de zelfredzaamheid en kracht van mantelzorgers, met extra aandacht voor de ondersteuning van de allochtone mantelzorger; h. het ondersteunen van innovatieve ontwikkelingen en regionale samenwerking op het terrein van de palliatieve zorg, als bedoeld in artikel 2.3.1 sub c; i. het ondersteunen van vrijwilligers die betrokken zijn bij hospices of het begeleiden van thuis sterven; j. het ondersteunen van vrijwilligers die minderheden ondersteunen en coachen; k. het stimuleren van vrijwilligerswerk door minderheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">116[Toelichting: Gedeputeerde Staten zullen niet de totale kosten van de activiteiten subsidiëren. De cofinanciering kan ook in de loop van het project worden geregeld. De subsidieaanvrager moet altijd kunnen voorzien in 25% van de kosten. Het kan zijn dat deze 25% uit eigen middelen bestaat, echter kan het ook zijn dat een andere partij 25% van de kosten draagt. Wanneer een andere partij voorziet in 25% van de kosten moet dat blijken uit de begroting. De activiteiten moeten plaats vinden in minimaal 3 Overijsselse gemeenten. Gedeputeerde Staten willen door het verstrekken van deze subsidie een groei van minstens 10% zien van het aantal vrijwilligers wanneer de activiteiten zich richten op de onder a, d, e, j, en k genoemde prioriteiten.] 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.14.1 moet voldoen aan de volgende criteria: er is voor ten minste 25% cofinanciering van de subsidiabele kosten; het project heeft een regionaal karakter; de aanvrager is een rechtspersoon.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De activiteit op grond van artikel 4.14.1 sub a leidt tot een aantoonbare toename van het aantal vrijwilligers van ten minste 10%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De activiteit op grond van artikel 4.14.1 sub d leidt tot een aantoonbare toename van het aantal jeugdigen dat vrijwilligerswerk van ten minste 10%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De activiteit op grond van artikel 4.14.1 sub e leidt tot een aantoonbare toename van het aantal vrijwilligers in de culturele sector van ten minste 10%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De activiteit op grond van artikel 4.14.1 sub j of sub k leidt tot een aantoonbare toename van het aantal vrijwilligers met een minderheidsachtergrond van ten minste 10%.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.1 tweede lid weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als minder dan € 10.000,-- zal worden verstrekt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen Wonen en leefomgeving</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.1 Effectuering Ruimtelijk Beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">117[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het provinciaal belang bij het project is maatgevend voor het al dan niet verstrekken van een subsidie. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek, visievorming en/of planontwikkeling met betrekking tot concrete ruimtelijke projecten of ruimtelijke voorzieningen. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder externe kosten: de kosten van uitbesteding van de ruimtelijke activiteiten van een project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag moet passen binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag is afkomstig van een Overijsselse gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke ordening in Overijssel; 118[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">119[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager niet op een andere wijze in (een deel van) de kosten kan voorzien (geen medefinancier(s) voor het project heeft). Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit moet tot uitdrukking komen in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo'n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. ] De subsidie bedraagt maximaal 50% van de externe kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">120[Toelichting: Het gaat bij deze subsidieparagraaf in de regel om zeer complexe projecten. De aanvraag voor subsidie kan dan ook bij de aanvrager in de routing achterlopen op de start van het project. Dat die momenten niet altijd samenvallen of in de goede volgorde plaatsvinden, doet niet af aan het belang van het project als geheel. Daarom wordt een project, en de daarbij behorende kosten, als één geheel gezien, en in totaliteit beoordeeld en gefaciliteerd. ] In afwijking van artikel 1.1.5 derde lid zijn kosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.2 Samen bouwen aan de toekomst van Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">121[Toelichting: Ter uitwerking van de Provinciale Omgevingsvisie 2010-2019 hebben Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten prestatieafspraken gemaakt over een breed pakket van onderwerpen op het gebied van bouwen en wonen. De prestatieafspraken zijn in samenwerking met gemeenten opgesteld en zijn in de eerste helft van 2010 ondertekend. Gedeputeerde Staten en de Burgemeester en Wethouders hebben afspraken gemaakt over de volgende beleidsthema's:1Ruimtelijke kwaliteit: stimulansen voor ruimtelijke kwaliteit (cultureel erfgoed, stedenbouwkundige en architectonische ontwerpen, overgang stad en platteland en verruiming van de openbare ruimte), 2Energie &amp; duurzaamheid (energiebesparing bij de sociale sector, stimuleringsregeling particuliere sector, loket voor begeleiding particulieren, pilotprojecten), 3Woningbouwprogramma (minimaal en maximaal aantal woningen, maximale bestemmingsplancapaciteit), 4Binnenstedelijke vernieuwing (percentage binnenstedelijk en uitleg, herstructurering, bodem, geluid), 5Wonen, zorg en welzijn (realisatie van woonservicegebieden en huisvesting bijzondere doelgroepen), 6Geluid, 7Bodem en 8Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn op het gebied van:1binnenstedelijke vernieuwing, 2wonen, zorg en welzijn, 3geluid. Voor de prestatieafspraken onderdeel Energie &amp; duurzaamheid is paragraaf 8.2 Energiebesparingsfonds woningen Overijssel, van toepassing.] Subparagraaf 5.2.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder prestatieovereenkomst: prestatieafspraken Wonen 2010-2015, waarin Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van een gemeente in de provincie Overijssel afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de beleidsthema's; ruimtelijke kwaliteit, energie &amp; duurzaamheid, binnenstedelijke vernieuwing, wonen zorg en welzijn, geluid, bodem en Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen over aanvraag van gemeenten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een ondertekende prestatieovereenkomst geldt als aanvraag voor een subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De indieningstermijn uit artikel 1.2.2 is niet van toepassing indien de aanvraag bij ondertekende prestatieovereenkomst wordt ingediend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse voortgangsrapportage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente overlegt jaarlijks vóór 1 mei een schriftelijke voortgangsrapportage met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, aan de hand van de verplichte rapportage indicatoren zoals genoemd in bijlage 1 van de prestatieovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van subsidieverlening ex artikel 5.2.2.3 doet de gemeente hierbij tenminste een opgave van het aantal gereed gemelde woningen bij het Centraal bureau voor de Statistiek (CBS).</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.2. Binnenstedelijk vernieuwing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. feitelijk bebouwd gebied: een gebied dat per 1 januari 2010 in de provincie Overijssel geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden); b. transformatie: aanpassen- of vervangen van bestaande bebouwing met/door een andere functie dan een woonfunctie naar een woonfunctie; c. ISV I: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing I, periode 2000 t/m 2004; d. ISV II: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing II, periode 2005 t/m 2009; e. Bouwimpuls: de subsidieregeling Bouwimpuls Overijssel vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 1 november 2006, kenmerk RWB/2005/3061 en ingetrokken bij besluit van Gedeputeerde Staten van 15 december 2009, kenmerk 2009/0123586; f. Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw: subsidieregeling Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 22 september 2009, kenmerk 2009/0123586; g. woning: een binnen feitelijk bebouwd gebied tot bewoning bestemd gebouw dat, vanuit bouwtechnisch oogpunt gezien, is bestemd voor permanente bewoning door één particulier huishouden; h. Primos: Prognose-, Informatie- en Monitoringssysteem 2007, bevolkingsprognose opgesteld door ABF research in opdracht van het ministerie van VROM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren van woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">122[Toelichting: De gemeente kan subsidie ontvangen voor de realisatie van binnenstedelijke nieuwbouwwoningen. Binnenstedelijk betekent dat de woningen worden gerealiseerd op locaties binnen de contouren van feitelijk bebouwd gebied per 1 januari 2010. Locaties aan de rand van de kern, Vinex-locaties en uitleggebieden vallen hier niet onder. Vinex locaties zijn locaties die zijn aangewezen om op korte termijn een groot aantal woningen te realiseren (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra). Deze locaties bevinden zich buiten de bestaande bebouwde omgeving. Uitleggebieden zijn gebieden waar de functie verandert in een woon- en/of werkfunctie en daarmee een nieuw stuk stad of dorp wordt ontwikkeld buiten diens bestaande bebouwingscontouren. Meestal heeft het gebied vóór de ontwikkeling een agrarische- of een natuur bestemming. Niet subsidiabel zijn woningen die gerealiseerd worden als onderdeel van een project waarvoor Gedeputeerde Staten een subsidie hebben verstrekt in het kader van ISV I of II, de Bouwimpuls en/of de Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw.] Een aanvraag voor subsidie voor het realiseren van woningen voldoet aan de volgende criteria: a. de woningen worden gerealiseerd binnen feitelijk bebouwd gebied; b. voor de woning is geen subsidie verleend op grond van ISV I, ISV II de Bouwimpuls of Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">123[Toelichting: Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie van maximaal € 5.000,-- per gerealiseerde en gereed gemelde woning. De gemeente moet de woningen gereed moet melden vóór 31 december 2014.De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.2.2 bedraagt maximaal € 5.000,-- per bij het CBS gereed gemelde woning.] De subsidie bedraagt € 5.000,-- per gerealiseerde en per bij het CBS gereed gemelde woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">124[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 20% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het aantal binnenstedelijk te realiseren woningen zijn. Stel dat dit 200 woningen zijn, dan bedraagt de subsidie 200 x €5.000,-- = € 1000.000,--. Het eerste voorschot is dan 20% van € 1.000.000,-- is € 200.000,--. Jaarlijks dient de gemeente voor 31 december een voortgangsrapportage in, waarin de gemeente onder andere rapporteert over het aantal gereed gemelde woningen bij het CBS. Naar aanleiding van deze opgave kunnen Gedeputeerde Staten een aanvullend voorschot verstrekken. Stel dat uit de voortgangsrapportage over 2010 blijkt dat de gemeente 20 woningen heeft gereed gemeld in 2010, dan bedraagt het tweede voorschot 20 x 5.000,-- is € 100.000,--.] 1. In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager in het jaar 2010 een voorschot van 20% van de verleende subsidie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, nadat de voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 5.2.1.3 is ontvangen, een aanvullend voorschot. Het aanvullend voorschot is gelijk aan de gereed gemelde woningen in het jaar waarover wordt gerapporteerd, maal € 5.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het totaal van het eerste voorschot ex artikel 5.2.2.5 eerste lid en de aanvullende voorschotten ex artikel 5.2.2.5 tweede lid bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het aanvullend voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 heeft de gemeente de woningen gereed gemeld bij het CBS vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.3 Wonen, zorg en welzijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. realisatiekosten: kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van de projecten van het uitvoeringsplan; b. uitvoeringsplan: een door de gemeente vastgesteld projectplan met projecten ten behoeve van de realisatie van de ambitie met betrekking tot een woonservicegebied, zoals vermeld in paragraaf ‘wonen zorg en welzijn' van de prestatieovereenkomst; c. beleidsvisie: een door de gemeente vastgesteld document waarin de gemeente een definitie formuleert van een woonservicegebied en formuleert op welke wijze de woonservicegebieden vorm zullen worden gegeven; d. woonservicegebied: een door de gemeente in haar beleidsvisie over wonen en zorg vastgestelde definitie voor een gebied, waarin optimale condities worden geschapen langer zelfstandig wonen mogelijk maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een visie, inclusief definitie woonservicegebied en een uitvoeringsplan; b. de realisatiekosten van de uitvoering van de projecten van het uitvoeringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor de realisatiekosten van de uitvoering van projecten in het uitvoeringsplan moet voldoen aan de volgende criteria: a. de gemeente heeft een beleidsvisie en een uitvoeringsplan vastgesteld door Burgemeester &amp; Wethouders; b. het uitvoeringsplan bevat een planning met een opleverdatum vóór 31 december 2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">125[Toelichting: De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.3.2 is bepaald aan de hand van de verdeelsleutel op basis van het percentage 65 plussers binnen de gemeente op 1 januari 2015 conform PRIMOS 2007. ] De subsidie bedraagt maximaal het bedrag dat genoemd is in de prestatieovereenkomst, onder paragraaf Wonen, zorg en welzijn, voor het opstellen van de visie, inclusief definitie woonservicegebied en de realisatie van de projecten uit het uitvoeringsplan tezamen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">126[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 10% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het maximale subsidie voor het onderdeel ‘Wonen, zorg en welzijn bedraagt. Stel dat dit € 100.000,-- is, dan bedraagt het eerste voorschot bij subsidieverlening € 10.000,--, te gebruiken voor het opstellen van het uitvoeringsplan. Het aanvullende voorschot wordt bepaald aan de behaalde resultaten blijkend uit de jaarlijkse voortgangsrapportage. Gedeputeerde Staten bepalen zelf wat het aanvullende voorschot zal zijn.] 1. In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager in het jaar 2010 een voorschot van 10% van de verleende subsidie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, op basis van de voortgangsrapportage als bedoelt in artikel 5.2.1.3, een aanvullend voorschot te bepalen door Gedeputeerde Staten. Het totaal van het eerste voorschot en de aanvullende voorschotten bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het aanvullende voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">127[Toelichting: De gemeente moet de prestatieafspraken aanvullen met een beleidvisie en uitvoeringsplan ten aanzien van realisatie van woonservicegebieden. Naar aanleiding van dit uitvoeringsplan kunnen Gedeputeerde Staten een subsidie verstrekken aan realisatiekosten van het uitvoeringsplan, die het langer zelfstandig wonen mogelijk maken in enigerlei vorm van een woonservicegebied. Een woonservicegebied biedt allerlei voorzieningen en of aanpasbare woningen die geschikt zijn voor zorgbehoevenden bijvoorbeeld: levensloopbestendige of 0-trede woningen. Het budget mag voor maximaal 10% worden ingezet voor het opstellen van de visie en het uitvoeringsplan. Van de overige 90 % mag de subsidie voor maximaal 25% worden ingezet voor het nemen van sociale maatregelen. Het resterende budget dient te worden ingezet voor fysieke maatregelen. Gedeputeerde Staten hebben een format opgesteld dat per project ingevuld dient te worden en als bijlage met het uitvoeringsplan wonen en zorg meegestuurd dient te worden. Dit kan gedownload worden van de website van de provincie Overijssel: www.overijssel.nl/subsidie. ] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 5.2.1.2 een beleidvisie en een uitvoeringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 dient het uitvoeringsplan gerealiseerd te zijn vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.4. Geluid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. A-lijst woningen: woningen die als gevolg van het wegverkeerslawaai in 1986 een geluidsbelasting op de gevel van meer dan 65 dB(A) ondervonden, niet zijnde woningen langs spoor/rijkswegen. b. uitvoeringsplan: een plan van aanpak ten behoeve van de uitvoering van de in de prestatieafspraken geformuleerde ambitie zoals vermeld in paragraaf ‘geluid' van de prestatieovereenkomst. c. saneren: maatregelen die getroffen worden aan de gevel van de woning om de geluidsbelasting terug te brengen tot onder 65 dB(A).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">128[Toelichting: Sanering betekent het verminderen van geluidhinder door gevelisolatie of andere maatregelen die het geluidsniveau op de gevel naar beneden brengen. Bij A-lijst woningen gaat het om woningen die niet zijn gelegen aan spoorwegen en/of Rijkswegen. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het saneren van A-lijst woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie voor het saneren van A-lijst woningen moet voldoen aan het volgende criterium: er is een uitvoeringsplan dat een omschrijving bevat van de saneringsmaatregelen voor de te saneren A-lijst woningen en een planning met een uiterste opleveringsdatum van 31 december 2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.4.2 bedraagt maximaal 100% van de kosten van de geluidssanering voor de te saneren woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">129[Toelichting: De gemeente dient voor de aanvraag voor subsidie de prestatieafspraken aan te vullen met een uitvoeringsplan geluidsanering. Het gaat hierbij om geluidssanering van A-lijst woningen. ] In afwijking van artikel 5.2.1.2 gelden de prestatieafspraken pas als aanvraag indien de gemeente een uitvoeringsplan en een overzicht met de te saneren A-lijst woningen overlegt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 geldt dat uitvoeringsplan wordt gerealiseerd vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.5. Bodem 130[Toelichting: Het doel van de subsidie is een financiële oplossing te bieden als bodemverontreiniging een knelpunt vormt bij stedelijke ontwikkeling. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">131[Toelichting: De subsidiabele saneringskosten zijn gelijk aan de kosten die vanuit de Bedrijvenregeling voor subsidie in aanmerking komen, met uitzondering van de kosten voor sloop. Voor de subsidiabele saneringskosten verwijzen wij derhalve naar Bijlage 7, behorende bij artikel 9, eerste lid, en 10, eerste lid, Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005, exclusief de sloopkosten. De reden hiervoor is dat slopen hoe dan ook noodzakelijk is om de stedelijke vernieuwing te realiseren. ] In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. Wet: Wet bodembescherming b. Spoedeisend om milieuhygiënische redenen: een locatie ten aanzien waarvan op grond van een beschikking ex artikel 37 van de Wet is vastgesteld dat het huidige gebruik van de bodem leidt tot zodanige humane risico's en/of verspreidingsrisico's en/of ecologisch risico dat spoedige sanering noodzakelijk is alsmede een locatie ten aanzien waarvan dit met gebruikmaking van een verkorte onderzoeksmethode (hierna: het versnellingsprotocol) aannemelijk wordt geacht. c. Saneren/sanering: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem op grond van artikel 1 van de Wet. d. Subsidiabele saneringskosten: de werkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van de sanering, overeenkomstig het saneringsplan, die voor subsidie in aanmerking komen. Voor subsidie komen in aanmerking de in Bijlage 7, behorende bij artikel 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005 opgesomde kosten, met uitzondering van de sloopkosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van een sanering op stedelijke vernieuwingslocaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van de uitvoering van een sanering op stedelijke vernieuwingslocaties moet voldoen aan de volgende criteria: a. De aanvraag is ingediend door een gemeente; b. De betreffende locatie moet zich bevinden binnen feitelijk bebouwd gebied per 01-01-2010; 132[Toelichting: Een gebied gelegen in de provincie Overijssel dat per 1 januari 2010 geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden).] c. Er is geen sprake van een locatie die een waterbodem betreft; d. Er is geen sprake van een aanpak van een locatie die valt onder een brancheafspraak; 133[Toelichting: Voor bepaalde categorieën van verontreinigde locaties zijn landelijk brancheafspraken gemaakt, zoals voor Gasfabrieksterreinen, VINEX-locaties en in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen. Saneringen op deze locaties worden niet met onderhavige middelen gesubsidieerd.] e. Er is geen sprake van een ingebruik zijnd en blijvend bedrijfsterrein zoals bedoeld in artikel 55a van de Wet; 134[Toelichting: In gebruik zijnd en blijvend bedrijfsterrein. Hieronder wordt verstaan een terrein dat meer dan 5 jaar na de verleningsbeschikking in gebruik blijft als bedrijfsterrein.] f. Er moet sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 1 van de Wet waarvan de sanering spoedeisend is om milieuhygienische redenen of spoedeisend wordt om redenen van stedelijke vernieuwing. 135[Toelichting: Van een locatie die met spoed gesaneerd moet worden om milieuhygienische redenen is sprake indien: de verontreiniging op de locatie bij het huidige gebruik risico's kent en reeds op grond van een beschikking (art. 37 van de Wet) is vastgesteld dat met spoed gesaneerd dient te worden; of aannemelijk is dat de locatie bij huidig gebruik met gebruikmaking van de verkorte onderzoeksmethode (het door VROM opgestelde versnellingsprotocol) zeer waarschijnlijk spoedeisend is. Van een locatie die spoedeisend is om redenen van stedelijke vernieuwing is sprake als de locatie bij het toekomstig gewenste gebruik risico's kent die als spoedeisend beoordeeld zullen worden.] g. De ernstige verontreiniging moet voor 1987 ontstaan zijn; 136[Toelichting: Ontstaan voor 1987: In het Uitvoerings- en toetsingskader bodem is toegelicht wanneer sprake is van een historische verontreiniging (voor 1987) en wanneer sprake is van een nieuwe verontreiniging.] h. De sanering moet noodzakelijk zijn om een geplande stedelijke vernieuwing mogelijk te maken; i. Er zijn aantoonbare maximale inspanningen verricht om te komen tot cofinanciering in de saneringskosten zoals bedoeld in artikel 1.1.1 sub c. 137[Toelichting: Onder cofinanciering wordt verstaan dat andere partijen dan de aanvrager bijdragen in de kosten van de gesubsidieerde activiteit. Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk geld uit de markt wordt gehaald: Er dient inzicht te worden gegeven in wat de gemeente, de projectontwikkelaar en de aansprakelijke partij(en) aan de sanering bijdragen en welke inspanningen de gemeente heeft gepleegd om tot deze bijdrage te komen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">138[Toelichting: De subsidiabele saneringskosten zijn gelijk aan de kosten die vanuit de Bedrijvenregeling voor subsidie in aanmerking komen, met uitzondering van de kosten voor sloop. Voor de subsidiabele saneringskosten verwijzen wij derhalve naar Bijlage 7, behorende bij artikel 9, eerste lid, en 10, eerste lid, Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005, exclusief de sloopkosten. De reden hiervoor is dat slopen hoe dan ook noodzakelijk is om de stedelijke vernieuwing te realiseren. ] De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele saneringskosten die zijn gebaseerd op de begrote saneringkosten zoals genoemd in de offerte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2 geldt dat een aanvraag voor subsidie ontvangen moet zijn vóór 1 mei 2011.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in afwijking van artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag: a. het concept-saneringsplan voor de te saneren locatie; b. de gekozen offerte voor de saneringswerkzaamheden waarin een planning is opgenomen betreffende de start van de sanering; c. het dekkingsvoorstel voor de geoffreerde saneringskosten; d. een verslag van hoe de gemeente is gekomen tot cofinanciering van de saneringskosten. e. stukken waaruit voldoende aannemelijk is dat de plannen met betrekking tot stedelijke vernieuwing zullen worden gerealiseerd. 139[Toelichting: Deze stukken zijn noodzakelijk voor de beoordeling van het criterium genoemd in artikel 5.2.5.3 sub h. Een dergelijk stuk is bijvoorbeeld het Raadsbesluit over de plannen op die locatie. Tijdens vooroverleg met de provincie kan de locatie getoetst worden aan de criteria van deze subsidieverordening. Met de uitkomst van dit vooroverleg kan het Raadsbesluit onderbouwd worden.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verdelen het beschikbare bedrag naar evenredigheid over de subsidieaanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 dient de sanering waarvoor subsidie is verleend binnen een jaar na verlening van de subsidie conform de daarvoor in de Wet opgenomen voorschriften te zijn aangevangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.3 tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger op verzoek bij eerste subsidieverlening een voorschot van 10% van het verleende subsidiebedrag verlenen. Het aanvullende voorschot van 70% wordt uitgekeerd na aanvang van saneringswerkzaamheden. De resterende 20% wordt uitgekeerd bij vaststelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag tevens een voorontwerp bestemmingsplan voor de betreffende locatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.5.1 worden subsidies tot € 25.000 ambtshalve vastgesteld. 140[Toelichting: Uitgangspunt is dat subsidies tot € 25.000 direct worden vastgesteld. Hiervan wordt in dit artikel afgeweken. In dit geval verlenen Gedeputeerde Staten wel eerst subsidie en wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld (zonder aanvraag van de subsidieontvanger). Een verleningsbesluit is nodig om verplichtingen op te leggen die de subsidieontvanger bij de uitvoering van de activiteit moet naleven.] 2. Ambtshalve vaststelling vindt plaats binnen 22 weken na afloop van de activiteiten of het tijdvak.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.6. Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO): een groep particulieren, georganiseerd in een vereniging of stichting, die in eigen met beheer, met zelfgekozen partners, zonder winstoogmerk, een (woning-) bouwproject ontwikkelt en realiseert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken aan: a. een groep particulieren voor activiteiten ter voorbereiding van een eigen woningbouwproject. b. een gemeente voor het inhuren van externe deskundigheid dat leidt tot vergroting van interne deskundigheid en/of voor het stimuleren van concrete activiteiten zoals genoemd in sub a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2.6.2 sub a moet voldoen aan de volgende criteria: a. De groep particulieren is georganiseerd in een vereniging of stichting. b. Het woningbouwproject van de groep particulieren bestaat uit minimaal 3 woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.6.2 sub a bedraagt € 2.500,-- per woning tot maximaal € 25.000,-- per project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.6.2 sub b bedraagt maximaal 50% van de kosten tot maximaal € 10.000,--.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.3 Ruimtelijke kwaliteit</h3>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat mens, plant en dier belangrijk is. b. Groene kwaliteit: de kwaliteit van het buitengebied met een grote verscheidenheid aan woon-, werk-, geniet- en natuurlandschappen. De groene kwaliteit heeft betrekking op het grondgebied buiten en rond steden, dorpen en de hoofdinfrastructuur. c. Rode kwaliteit: de ruimtelijke kwaliteit van de stedelijke omgeving, het bestaande gebouwde gebied van steden, dorpen, kernen en hoofdinfrastructuur. d. Rood/groen/blauwe kwaliteit: de ruimtelijke kwaliteit in gebieden waar rode, blauwe en groene functies samenkomen. Dit zijn gebieden met een verwevenheid van landbouw, natuur en andere maatschappelijke doelen, veelal de stads- en dorpsrandzones.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan het criterium dat het project of projectonderdeel van provinciaal belang is en moet bijdragen aan de kwaliteitsambities in het kader van de Omgevingsvisie Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen over aanvragen van gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt door een gemeente ingediend conform het format zoals besproken in het Investeren met Gemeenten traject tussen gemeenten en provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subparagrafen vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 moet de subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen voldoen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De gemeente overlegt jaarlijks een schriftelijke voortgangsrapportage met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten aan de hand van de in het format opgenomen tussenresultaten per jaar en de daaraan gekoppelde investeringen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Uitvoering van het project of projectonderdeel start voor januari 2012.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.2 Kwaliteitsimpuls Groene kwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. Groen blauwe raamwerken: netwerken van natuurlijke en waterelementen, vaak de ruggengraat van bredere landschappelijke ontwikkelingen en de versterking van recreatieve structuren en elementen, zoals natuurlijke en landschappelijke casco's. b. Landschapsstructuren: een ensemble van zowel aardkundige, groene en/of blauwe elementen in het landschap die de wordingsgeschiedenis van de plek duiden. c. Groene omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied; d. Groen/blauw project: project dat gericht is op het versterken en/of aanvullen van de groene en water elementen in het landschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de groen blauwe raamwerken en landschapsstructuren zo mogelijk gecombineerd met versterking van de leefbaarheid, toegankelijkheid en recreatieve structuren en elementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.2.2 moet in aanvulling op artikel 5.3.1.2 voldoen aan de volgende criteria: a. het betreft een concreet groen/blauw project of projectonderdeel; b. het project vindt plaats in stads- en dorpsrandgebieden of in de Groene Omgeving; c. groen/blauwe raamwerken en delen daarvan, zijnde landschapsstructuren en elementen, worden versterkt; d. het betreft een integrale opgave waarbij bundeling van één of meerdere provinciale doelen plaatsvindt; e. bij gebiedsontwikkeling heeft het project een duidelijke aanvulling op de basisinvestering ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 2.6.1. Omgevingsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.2.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.3 Kwaliteitsimpuls Rode Kwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. transformatie/herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken of bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie. b. parel: bijzondere bestaande en nieuwe ruimtelijke identiteitsdrager in het landelijke en stedelijke gebied variërend van een object tot wijkniveau met een bovenlokale/regionale uitstraling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. transformatie of herstructurering van stedelijke gebieden, ruimten en objecten; b. transformatie of herstructurering van dorpsgebieden/ kernen/ knopen / linte; c. ruimtelijke initiatieven of ontwikkelingen van rood naar roodgroen of groen; d. ruimtelijke ontwikkeling van parels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 sub a en b voldoen aanvullend op artikel 5.3.1.2. aan de volgende criteria: behoud door ontwikkeling van ruimtelijke plaatsgebonden bijzondere karakteristieken; behoud door ontwikkeling van de ruimtelijke diversiteit en eigenheid gecombineerd met zuinig ruimtegebruik en programmatische diversiteit; gericht op ruimtelijke/programmatische en maatschappelijke imagoversterking en kwaliteitsverbetering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 sub c voldoet aanvullend op artikel 5.3.1.2. aan de volgende criteria: er moet sprake zijn van een significante toename van groene/openbare ruimte;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 sub d voldoet aanvullend op artikel 5.3.1.2. aan de volgende criteria: behoud door ontwikkeling van ruimtelijk plaatsgebonden bijzondere karakteristieken; er moet sprake zijn van een regionale uitstraling en een levensvatbaar en duurzaam initiatief.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.4 Kwaliteitsimpuls Rood/groen/blauwe kwaliteit (randzones)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: stads en dorpsranden: multifunctionele/gemengde gebieden in de overgang tussen stad en land.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het uitvoeren van een ontwikkelvisie voor stads- en dorpsranden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.3.4.2 voldoet aanvullend op artikel 5.3.1.2 aan de volgende criteria: a. de ontwikkelvisie is gericht op behoud door ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van stadsranden; b. de uitvoering geschiedt op basis van een integrale visie op het stadsrandgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.4.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.4 Ontwikkelen van woonzorgzones (pMJP 4.1.2)</h3>\n<p class=\"lf-p\">141[Toelichting: De gemeenten worden, via subsidie voor de ontwikkeling van woonzorgzones, ondersteund in het proces bij het opstellen van integrale woonplannen, waarin naast het wonen ook de terreinen zorg en welzijn dienen te worden meegenomen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. woonzorgzones: een wijk of een dorp, of een deel daarvan, waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg en welzijn, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg; b. proceskosten: eenmalige activiteiten en kosten die gelieerd zijn aan het proces; c. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; d. gebiedsprogramma: jaarlijks voortschrijdend meerjarenprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 tot uitvoering van het pMJP in een gebied. Het programma wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een masterplan woonzorgzones waarin aangegeven is waar de zones in de gemeente worden ontwikkeld; b. proceskosten in verband met het ontwikkelen van een woonzorgzone.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente; b. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1; 142[Toelichting: In paragraaf 9.1 ligt de basis voor de beoordeling van subsidieaanvragen in het kader van het pMJP en het gebiedsprogramma.] c. er is sprake van cofinanciering door andere gemeenten of participanten; d. de ontwikkeling van woonzorgzones sluit aan op en wordt nader uitgevoerd in het kader van het gemeentelijk woon-/welzijnbeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">143[Toelichting: Het moet gaan om proceskosten en dus niet om fysieke kosten. Zo zijn bijvoorbeeld kosten van bouwmateriaal voor woonzorgcomplexen uitgesloten. ] De subsidie bedraagt maximaal € 42.667,-- per gemeente, waarvan maximaal 50% aangewend wordt voor proceskosten als bedoeld in artikel 5.4.2 sub b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.5. Kulturhusen (pMJP 4.1.1)</h3>\n<p class=\"lf-p\">144[Toelichting: De kern van deze regeling is het geven van een impuls aan de vitaliteit en leefbaarheid in (kleine) kernen door het investeren in basisvoorzieningen. We spreken van een impuls indien door de investering nieuwe activiteiten of voorzieningen kunnen worden toegevoegd en/of nieuwe doelgroepen gebruik kunnen maken van de voorzieningen.Deze subsidieregeling is vraaggericht opgesteld en geeft geen voorwaarden aan ten aanzien van de spreiding van voorzieningen over de gemeenten of provincie. Dit houdt in, dat in één gemeente meerdere kulturhusen gesubsidieerd kunnen worden.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. kulturhus: een openbaar toegankelijke voorziening, waarin diensten worden aangeboden op minimaal drie van de gebieden van welzijn, sport, cultuur, educatie, zorg, maatschappelijke dienstverlening en commerciële dienstverlening; b. haalbaarheidsonderzoek: een onderzoek naar de financiële en inhoudelijke haalbaarheid van de bouw, verbouw en exploitatie van een kulturhus; c. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; d. gebiedsprogramma: jaarlijks voortschrijdend meerjarenprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 tot uitvoering van het pMJP in een gebied. Het programma wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">145[Toelichting: Een Kulturhus hoeft niet perse te bestaan uit één gebouw, maar kan ook bestaan uit meerdere gebouwen, een openluchtlokatie of een combinatie daarvan. Het concept kulturhus dient dan tot uitdrukking te komen door de gezamenlijke programmering en gezamenlijk beheer, waarbij onverminderd de criteria uit artikel 5.5.3 van kracht blijft. Sectorale basisvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de renovatie of aanpassing van peuterspeelzalen of een verenigingsgebouw van een tennisvereniging komen op basis van deze definitie niet voor subsidiëring in aanmerking. Reguliere onderhouds- en exploitatiekosten, waaronder (aanvullende) maatregelen die op basis van wettelijke bepalingen moeten worden genomen, komen nadrukkelijk niet voor subsidie in aanmerking. Kulturhusen waarin in het verleden reeds een bijdrage is verstrekt door de provincie Overijssel ten behoeve van de bouw of verbouw, komen niet nogmaals in aanmerking voor een subsidie.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. een haalbaarheidsonderzoek; b. de bouw of verbouw van een kulturhus; c. experimenten die bijdragen aan kennis en ervaring voor het ontwikkelen van toekomstbestendige kulturhusen; d. het leveren van een extra impuls aan de gezamenlijke programmering of het gezamenlijke beheer van een kulturhus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-553\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor een subsidie voor een haalbaarheidonderzoek als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente; de gemeente draagt aantoonbaar voor minimaal 25 % bij aan de subsidiabele kosten; het haalbaarheidsonderzoek moet inzicht geven in de volgende aspecten: de financiële haalbaarheid van de bouw/verbouw; de exploitatie van het kulturhus in de eerste 5 jaren na realisatie van de bouw of verbouw; mate van burgerparticipatie en draagvlak onder de lokale bevolking in de voorbereidende fase, opstartfase en exploitatiefase; afstemming tussen behoeften van de lokale bevolking op (middel)lange termijn en aanbod van het te verbouwen of op te richten kulturhus; indien er sprake is van verbouwing van een bestaande voorziening wordt aangetoond dat er substantieel nieuwe activiteiten worden ontplooid of dat nieuwe doelgroepen worden bereikt of dat, zonder deze impuls, voorzieningen uit de kern dreigen te verdwijnen. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor een subsidie voor de bouw en verbouw van een kulturhus als bedoeld in artikel 5.5.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1; de aanvrager is een Overijsselse gemeente; het kulturhus ligt in een kern, niet zijnde de stadskern van Zwolle, Deventer, Enschede, Hengelo en Almelo; er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, tenminste door de aanvragende gemeente; er is een haalbaarheidsonderzoek bijgevoegd als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a en deze is op alle genoemde punten positief;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor experimenten als bedoeld in artikel 5.5.2 sub c voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon; het project is innovatief; de resultaten van het project zijn overdraagbaar aan andere kulturhusen. In het projectplan wordt aangegeven hoe de projectuitvoerder actief zal bijdragen aan deze overdracht; bij experimenten met commerciële partijen dient het project aantoonbaar een bijdrage te leveren aan de duurzame exploitatie van kulturhusen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag voor gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering als bedoeld in artikel 5.5.2. sub d voldoet aan de volgende criteria: 146[Toelichting: Het ontwikkelen van gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het oprichten van een Stichtingsbestuur met statuten, het vrijmaken van medewerkers voor het opzetten en ontwikkelen van een gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering, een gezamenlijke (meerjarige) begroting, enz. Het indienen van een gezamenlijk activiteitenplan alleen is niet voldoende. Wij adviseren tijdens het haalbaarheidsonderzoek specifiek aandacht te besteden aan de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering.] de aanvrager is een rechtspersoon; de activiteiten dragen aantoonbaar bij aan het ontwikkelen van gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering van het betrokken kulturhus; er is in het verleden geen provinciale subsidie van 500.000 gulden ontvangen voor het betreffende kulturhus.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-554\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a en d, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met als maximum subsidiebedrag € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2. sub b, bedraagt driemaal de gemeentelijke bijdrage, tot maximaal 50% van de subsidiabel kosten met als maximale subsidie € 100.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2. sub c, bedraagt maximaal € 40.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-555\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor de subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a geldt in aanvulling op artikel 1.1.5 eerste lid dat:</div>\n<p class=\"lf-p\">Alleen de directe loonkosten inclusief sociale lasten, maar exclusief overhead, subsidiabel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gemeente zelf het haalbaarheidsonderzoek uitvoert, kunnen eigen uren worden opgevoerd. De gemeente toont dan expliciet aan dat deze uren specifiek gemaakt zijn ten behoeve van de pMJP-prestatie en anders niet zouden zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden die ook het algemeen belang dienen of als regulier/gangbaar kunnen worden aangemerkt, zijn niet subsidiabel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de subsidie als bedoel in artikel 5.5.2 sub b geldt in afwijking van artikel 1.1.5 eerste lid, dat:</div>\n<p class=\"lf-p\">De investeringskosten in bouw of verbouw van het kulturhus en met de bouw of verbouw samenhangende aard- en nagelvaste inventaris, en onkosten(vergoedingen) die gemaakt worden door of voor vrijwilligers subsidiabel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfwerkzaamheid bij de (ver)bouw is niet subsidiabel. 147[Toelichting: De zelfwerkzaamheid kan niet opgevoerd worden binnen de financiële dekking van de aanvraag. Zelfwerkzaamheid kan weliswaar inzichtelijk gemaakt worden door de bespaarde kosten af te trekken binnen het lastenoverzicht.]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.6 Dorpsplanplus (DOP+) (pMJP 4.2.1)</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.7 Herstructurering van bedrijventerreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Bedrijventerrein: een terrein van minimaal één hectare, dat in gebruik is door twee of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening. Daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca. 148[Toelichting: Het moet gaan over een terrein ouder dan tien jaar gerekend vanaf het moment van eerste bedrijfsvestiging. Het betreffende bedrijventerreinen moet voorts opgenomen zijn in het Meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015.] b. Kwaliteitsscan: een systematische beoordeling van de aanwezige kwaliteit op een bedrijventerrein, als onderdeel van het kwaliteitsscoresysteem. 149[Toelichting: Een kwaliteitsscan vindt plaats door middel van een systematische beoordeling van de aanwezige kwaliteit op een bedrijventerrein. De scan is een onderdeel van het kwaliteitsscoresysteem. Dit systeem wordt door Gedeputeerde Staten als een gekwalificeerd systeem beschouwd. Deze moet zijn geborgd in een onafhankelijke stichting. De scan vindt plaats in opdracht van het gemeentebestuur. Door middel van objectieve en toetsbare criteria volgen vanuit de toepassing van dit systeem, de scores met betrekking tot de kwaliteit op de diverse relevante aspecten. Dit leidt tot het geven van één of meer sterren, naar analogie van het hotel-classificatiesysteem. Vervolgens worden door middel van een kansenkaart aanbevelingen gedaan en de concrete activiteiten benoemd, die moeten worden getroffen om een hogere en duurzamere kwaliteit van het bedrijventerrein te bereiken. Dit instrument scherpt de discussies aan tussen de gemeente en de ondernemers over het te bereiken kwaliteitsniveau van een bedrijventerrein. Voorafgaand aan de opstelling van een herstructureringsplan, vindt de scan plaats als nul-meting. Na uitvoering van het herstructureringsproject wordt de kwaliteit als gevolg van de genomen maatregelen, opnieuw met een scan bepaald. Hiermee vindt monitoring van de kwaliteit plaats.] c. Herstructureringsplan: het plan bevat de visie(s) met betrekking tot de herstructurering van het betreffende bedrijventerrein. Het is de nadere uitwerking op uitvoeringsniveau, van de te nemen concrete activiteiten in de publieke ruimte en het daarbij behorende financieringsplan en de planning. 150[Toelichting: Een herstructureringsplan komt tot stand in overleg tussen het gemeentebestuur en de ondernemers of de ondernemersvereniging. Het plan wordt door het gemeentebestuur vastgesteld. Het plan is (mede) gebaseerd op de daaraan voorafgaande kwaliteitsscan. Het plan bevat de visie(s) met betrekking tot de herstructurering van het betreffende bedrijventerrein. Het aspect duurzaamheid, waaronder ruimtewinst, maar ook het aspect ruimtelijke kwaliteit, wordt in het plan zichtbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herstructureringsplan is de nadere uitwerking op uitvoeringsniveau, van de te nemen concrete activiteiten en het daarbij behorende financieringsplan (inclusief kosten, c.q. exploitatiebegroting). Als het herstructureringsplan zowel werkzaamheden in de publieke ruimte als in de private sector omvat, dan worden deze in samenhang in het plan beschreven en in samenhang uitgevoerd. Het plan bevat voorts een overzicht van subsidieabel geachte kosten, waarover - via vooroverleg tussen gemeente en provincie - overeenstemming bestaat. Dit overzicht dient ter bepaling van de prestaties in de beschikking tot subsidieverlening. Het overzicht is tevens basis voor de beoordeling van geleverde prestaties ten behoeve van de vaststelling van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het plan blijkt dat alle bij het herstructureringsproject betrokken partijen de uitvoering ervan onderschrijven. Het herstructureringsplan bevat voorts een plan van aanpak om het met de herstructurering bereikte kwaliteitsniveau te borgen. Dat kan zijn door middel van afspraken tussen gemeente en bedrijven over beheer en onderhoud, het structureel beheer. Ook kan dat plaatsvinden door middel van parkmanagement. Als het herstructureringsplan ook werkzaamheden bevat in de private sector, dan worden de werkzaamheden in de publieke ruimte en die in de private sector in samenhang in het herstructureringsplan beschreven en in samenhang uitgevoerd. Voor zover (de) initiatiefnemer(s) bij het project een betrokkenheid wensen van de HMO, bevat het herstructureringsplan de gemotiveerde reden(en) hiertoe.] d. Publieke ruimte: de fysieke ruimte die het domein is van de overheid en door haar wordt beheerd. e. Structuurvisie: een gemeentelijke structuurvisie op basis van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (nWro). De paragraaf Bedrijventerreinen bevat een samenhangende en zorgvuldige beleidsvisie voor de lange termijn voor bedrijventerreinen. f. Herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein waarvan de economische functie behouden blijft, die tot doel hebben veroudering van het terrein als geheel te bestrijden, en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijventerreinen, opgenomen in het meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015, betreffende de volgende activiteiten: a. het uitvoeren van een kwaliteitsscan; 151[Toelichting: De uitvoering van de kwaliteitsscan komt voor subsidiëring in aanmerking als deze op grond van de regeling vereist is. Vereist in die zin dat deze vooraf moet gaan aan een herstructureringsplan waarvoor subsidie wordt gevraagd. De scan wordt uitgevoerd conform de systematiek van het kwaliteitsscoresysteem. Het gaat hier om de eerste nul-meting, ter voorbereiding van de opstelling van het herstructureringsplan. Voor die scan kan subsidie worden aangevraagd. Ook vindt er een (monitoring)scan plaats, nadat het herstructureringsproject is afgerond. Laatstbedoelde scan, waarvoor specifiek subsidie moet worden aangevraagd, is gekoppeld aan de aanvraag voor vaststelling van de subsidie voor het uitvoeren van het herstructureringsplan.] b. het opstellen van een herstructureringsplan; 152[Toelichting: Het herstructureringsplan is (mede) gebaseerd op de kwaliteitscan. In de toelichting op het begrip herstructureringsplan wordt op de bedoeling en inhoud van het plan ingegaan.] c. het uitvoeren van een herstructureringsplan; 153[Toelichting: Een herstructureringsproject mag geen eindeloos aantal jaren doorlooptijd hebben. De termijnen vereisen van initiatiefnemers een voortdurende actieve opstelling met betrekking tot de doorlooptijd van het proces. Om die reden is ook subsidie voor procesmanagement mogelijk gemaakt. De maximale termijn voor de uitvoering van een herstructureringsproject is vastgesteld op 6 jaar.] d. project- en procesmanagement. 154[Toelichting: Het onderdeel project- en procesmanagement vormt in de praktijk nogal eens een zwakke schakel. Hierdoor komen herstructureringsprojecten niet van de grond, of hebben een erg lange doorlooptijd. Om ook hierin verbetering te brengen bieden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om hiervoor een subsidie te verkrijgen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub a moet voldoen aan het criterium dat het alleen de door de provincie Overijssel gehanteerde kwaliteitsscoresystematiek betreft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Het herstructureringsplan moet gebaseerd zijn op een actuele kwaliteitsscan;</p>\n<p class=\"lf-p\">De opstelling van de kwaliteitsscan en de opstelling, respectievelijk de uitvoering van het herstructureringsplan lopen niet teveel in tijd uiteen;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub c, moeten voldoen aan de volgende criteria: er moet een door het gemeentebestuur vastgesteld herstructureringsplan aan de uitvoering van de herstructurering van het bedrijventerrein ten grondslag liggen. Het herstructureringsplan is in overeenstemming met de provincie opgesteld; de kosten voor werkzaamheden, als vermeld in het herstructureringsplan, hebben uitsluitend betrekking op werkzaamheden in de publieke ruimte; de begroting van de werkzaamheden van de uitvoering van het herstructureringsplan is na de verlening van de provinciale subsidie sluitend; met de uitvoeringswerkzaamheden van het herstructureringsplan moet zijn begonnen binnen 9 maanden na de vaststelling van het herstructureringsplan; over de voortgang van de uitvoering van de werkzaamheden van het herstructureringsplan rapporteert het gemeentebestuur eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten; de uitvoering van de werkzaamheden van het herstructureringsplan zijn afgerond binnen 6 jaar na verlening van de subsidie. Na afronding moet een (monitoring)scan worden uitgevoerd, waarvoor subsidie kan worden gevraagd als bedoeld in artikel 5.7.2 sub a. 155[Toelichting: Onder \"met de uitvoeringswerkzaamheden moet zijn begonnen\", wordt het volgende verstaan. De werkzaamheden moeten niet alleen zijn aanbesteed en gegund, maar ook daadwerkelijk zijn gestart. Die start mag geen pro forma karakter hebben, maar moet werkzaamheden betreffen, die een fysieke betekenis hebben en een continu karakter. Bodemonderzoek valt daar bij voorbeeld niet onder.] 4. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub d is gericht op de activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.2 eerste lid, sub b en c.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b, c en d kan worden ingediend door gemeenten die een paragraaf Bedrijventerreinen in de gemeentelijke structuurvisie hebben opgenomen, dan wel een ander document met een gelijkwaardige status.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor het uitvoeren van een kwaliteitsscan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub a bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 5.000,-- per kwaliteitsscan per bedrijventerrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor het opstellen van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor het uitvoeren van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub c bedraagt € 50.000,-- per ha van het totale herstructureringsproject, als opgenomen in het herstructureringsplan. De subsidie bedraagt in totaal ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 500.000,-- per bedrijventerrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie voor project- en procesmanagement als bedoeld in artikel 5.7.2 sub d bedraagt 50% van de kosten met een maximum van € 50.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-575\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.5 derde lid zijn de volgende kosten niet subsidiabel: a. interne kosten; b. verrekenbare belastingen, BTW, heffingen of lasten, waaronder kosten van aanleg/herstel/vervanging van riolering; c. rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; d. afschrijvingskosten; e. kosten van planschade; f. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; g. kosten van werkzaamheden die tot het reguliere onderhoud worden gerekend; h. de aanleg of verbetering van bovenwijkse infrastructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-576\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag voor subsidie voor het opstellen en uitvoeren van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b en sub c tevens: a. de uitgevoerde kwaliteitsscan die ten grondslag ligt aan de opstelling van het herstructureringsplan, respectievelijk de uitvoering van dat plan; b. de door het gemeentebestuur in de vastgestelde structuurvisie opgenomen paragraaf Bedrijventerreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-577\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.3 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening: a. voor het opstellen van het herstructureringsplan een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag; b. voor het uitvoeren van het herstructureringsplan een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag, als met de uitvoeringswerkzaamheden van het herstructureringsplan is begonnen en de gemeente daarvan de provincie schriftelijk mededeling heeft gedaan; c. voor project- en procesmanagement een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag, als de projectmanager met de feitelijke werkzaamheden is gestart en de gemeente daarvan de provincie schriftelijk mededeling heeft gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-578\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoedingsplicht bij vermogensvorming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen bedoeld in artikel 4:41 tweede lid Awb is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-579\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag voor vaststelling voor het uitvoeren van het herstructureringsplan tevens de resultaten van de vooraf uitgevoerde kwaliteitsscan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Bijzondere bepalingen Innovatie</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.1 Economische Innovatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder samenwerkingsprojecten: projecten waarbij meerdere bedrijven, onderzoeks- of onderwijsinstellingen en/of overheden deel uitmaken van de samenwerking om een project uit te voeren en waarbij partijen een onderling overeengekomen inbreng leveren in geld en menskracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten en projecten die bijdragen aan: a. de actielijnen in het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland (PIDON), b. de uitvoering van de Twentse Innovatieroute, c. de Innovatieagenda Oost-Nederland (Kennisbeleid Oost) en Oost Nederland Maakt Het, d. het Operationeel Programma Oost-Nederland (GO Gebundelde Innovatiekracht) e. kennis- en innovatieprogramma Zwolle Kampen Netwerkstad/regio IJsselvecht, f. het Economisch Uitvoeringsprogramma Stedendriehoek ‘Stedendriehoek Onderneemt' g. het Interreg IV A-programma ‘Deutschland-Nederland' of Interreg IV B en C -programma's h. de Innovatiedriehoek Twente, i. het uitvoeringsprogramma Kennispark Twente en j. de vastgestelde pilots voor glasvezel in Zwolle, Steenwijkerland en Twente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten zijn gericht op het stimuleren van innovatieve processen of het versterken van de regionale infrastructuur, zoals verwoord in hoofdstuk 2, Economische Innovatie van het meerjarig Economisch Uitvoeringsprogramma 2008-2011 Overijssel werkt!</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient sprake te zijn van samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen van individuele bedrijven voor individuele steun komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten en projecten conform artikel 6.1.2 sub b, sub e en sub f dienen bij te dragen aan het stimuleren van clusters en netwerken met een economisch rendement op regionaal of provinciaal niveau. Leidend voor het beoordelen van de aanvragen is de bijdrage van de activiteiten aan de ontwikkeling van de kennisdomeinen Voeding, Gezondheid en Technologie zoals vastgelegd in Kennisbeleid Oost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van medefinanciering van projecten of activiteiten in het kader van artikel 6.1.2 sub a, sub d of sub g, dan zijn de voorwaarden en voorschriften van de van toepassing zijnde regelgeving en programmadocumenten van kracht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvullend op het eerste lid moeten projecten conform artikel 6.1.2. sub f voldoen aan ten minste één van de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 80% van de kosten worden gemaakt door een partij of partijen gevestigd in Deventer, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van projectpartners buiten Deventer worden voor meer dan 80% ge(co)financierd door derden, zoals provincie Gelderland, Regio Stedendriehoek, of door partijen zelf, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">Projectpartner(s) buiten Deventer betreft/betreffen (een) onderwijs- of kennisinstelling(en), of;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer dan 80% van de kosten wordt in Overijssel gemaakt en betaald, en het project levert een bijdrage aan uitvoeringsprogramma S3H Onderneemt in combinatie met een van de andere economische programma's die in artikel 6.1.2. zijn genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.1.5. derde lid mogen projecten die eerst instemming van de in artikel 6.1.7. genoemde adviesorganen nodig hebben, kosten opvoeren vanaf het moment dat de projecten zijn geagendeerd voor de eerste bestuurlijke bespreking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.1.5. derde lid kunnen projecten, die op grond van een geheimhoudingsplicht pas na een door het samenwerkingsverband bepaald moment naar buiten mogen treden, de subsidiabele kosten met terugwerkende kracht tot een periode van maximaal 6 maanden voor indiening van de aanvraag opvoeren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2 tweede lid wordt een aanvraag voor subsidie voor een jaarlijkse subsidie ingediend uiterlijk twee weken voor het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4></div>", "next": 239422}