{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit pleit ervoor om in ieder geval de kleinere schaden door het college te laten afwikkelen in het kader van de spoedprocedure. Er wordt nog bezien of voor de afwikkeling van dergelijke schaden een lichtere procedure kan worden getroffen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de praktijk zoals die zich heeft ontwikkeld in het voortgezet onderwijs in relatie tot het collectief verzekeringscontract. Deze praktijk houdt in dat bepaalde schaden (met name glasschade) rechtstreeks door de schoolbesturen kunnen worden afgewikkeld met een door de verzekeraars ingesteld bureau dat belast is met de afwikkeling. Het collectief contract, deze werkwijze incluis, wordt voor het jaar 1997 voortgezet. Op weg naar 1998 zal door alle betrokkenen worden bezien in hoeverre deze handelwijze ook na 1997 kan worden voortgezet en wellicht worden verbreed naar het primair onderwijs. Indien dit haalbaar mocht zijn dan kan een groot deel van de schadegevallen buiten de verordening om worden afgehandeld. Alleen voor de grotere schadegevallen zal dan de verordening in stelling moeten worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad f Evenals voor de invoering van de decentralisatie het geval was, kan aan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal acht weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwvoorbereiding voorzieningenDe wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft een facultatieve bepaling. Een gemeente is, met andere woorden, niet verplicht daadwerkelijk deze mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van ‘kenbaar bestuur’, waaronder het vooraf geven van duidelijkheid over het gemeentelijk optreden, is ervoor gekozen om in de verordening een bepaling op te nemen waarmee de lokale overheid aangeeft of, en zo ja ten aanzien van welke soort van huisvestingsvoorzieningen, de gemeente de mogelijkheid van een bouwvoorbereidingskrediet opent In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten in het kader van de bouwplanontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 4 van de verordening wordt de aanvraag en besluitvormingsprocedure voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een – ook in tijd bezien – gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een gescheiden traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het huisvestingsprogramma kan zijn. Om pragmatische redenen verdient het wèl de voorkeur een bouwvoorbereidinhgskrediet tegelijk met het huisvestingsprogramma vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling vergoeding voorzieningenDit artikel vormt de ‘kapstok’ op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programma vaststelling, de spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht Ten aanzien van de in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar: een normatieve en een feitelijke bepaling van de kosten die vergoed worden. Ook hier is uit oogpunt van ‘kenbaar bestuur’ ervoor gekozen om voorafgaande aan de indiening van en besluitvorming over aanvragen, duidelijk per voorziening aan te geven welke benadering ten aanzien van de vergoeding geldt. Bij de vaststelling van de verordening dient per voorziening de afweging te worden gemaakt welke benadering van toepassing is. Hierbij ligt het voor de hand om in ieder geval voor niet of nauwelijks vooraf te normeren kosten van bepaalde voorzieningen te kiezen voor een vergoedingswijze die gebaseerd is op een individuele beoordeling van de feitelijke kosten (de zgn. offertelijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgaande van de voorzieningen waarvoor in bijlage IV, deel A, van de verordening gezien de aard van de voorziening geen normvergoeding is bepaald, is de offertelijn in ieder geval goed denkbaar bij de volgende voorzieningen: verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen; herstel van constructiefouten; herstel en vervanging in verband met schade; aanpassingen aan gebouwen; gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw; aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een huisvestingsvoorziening; huur van bestaande andere, niet onderwijsgebouwen kosten van bouwvoorbereiding; medegebruik of nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie in het (v)so.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze worden gemaakt, die verankerd dient te worden in artikel 4 opdat de potentiële aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing is op een voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente toetst deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming op basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">InformatieverstrekkingDit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 87 WBO) Ook hier is omwille van de duidelijkheid voor zowel de schoolbesturen als de gemeente gekozen voor een zo concreet mogelijke invulling van de inhoud van de informatieverstrekking in de verordening. Artikel 5 omvat het informatieverkeer zoals dat zich voltrekt tussen schoolbestuur en lokale overheid, ongeacht of er sprake is van een verzoek om vergoeding van een huisvestingsvoorziening. De gemeente moet immers over een adequaat en daarmee up to date bestand beschikken van gegevens die relevant zijn voor de onderwijshuisvesting. Dit bestand vormt vaak het vertrekpunt bij de beoordeling van de huisvestingswensen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden 1 t/m 4 hebben betrekking op informatie die het schoolbestuur uit eigen beweging dient te verstrekken aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid ziet op een informatie verplichting van een schoolbestuur op een expliciet verzoek daartoe van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij een dergelijke functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in het informatie artikel is beschreven, valt de gegevensuitwisseling te onderscheiden in basis- en periodieke gegevens. Basisgegevens betreffen ‘basale’ gegevens over het bevoegd gezag, over de school en over de huisvestingssituatie van de school. De basisgegevens, die per 1 januari 1997 worden aangetroffen en verzameld, zullen bijvoorbeeld samen de input vormen van de ‘nulmeting’ (zie ook bijlage III, deel A). De nulmeting is de basis op grond waarvan de bestaande huisvestingssituatie in termen van aanwezige capaciteit wordt vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisgegevens zullen in de regel niet frequent wijzigen. Bij wijziging dienen de veranderde gegevens, door het bevoegd gezag wel gemeld te worden bij het college teneinde het gegevensbestand up to date te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast worden de periodieke gegevens onderscheiden. De belangrijkste hiervan is de jaarlijkse leerlingtelling, gezien de directe relatie tussen het aantal leerlingen en de benodigde huisvestingscapaciteit. Omdat deze telgegevens dermate belangrijk zijn voor de uitvoering van de huisvestingstaken, is de verstrekking daarvan expliciet opgenomen in de verordening. Met de jaarlijkse opgave van het aantal leerlingen worden de ‘telformulieren’ bedoeld die de schoolbesturen op basis van artikel 12 Bekostigingsbesluit WBV/OWBO en artikel 10 Bekostigingsbesluiten ISOVSO/OISOVSO, dienen te verstrekken aan de minister van OCenW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indiening aanvraag(Indienings)termijnenIn de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 2.6.3 de procedure (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende tijdpad) uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen, dat er voor de gemeente voldoende voorbereidingstijd is om te komen tot een zorgvuldige vaststelling van het programma. Dit behoeft allerminst uit te sluiten dat naar gelang de lokale situatie (zoals de omvang van de gebouwenvoorraad en de hiermee samenhangende omvang van het te verwachten aantal aanvragen, de mogelijke aanwezigheid van een meerjarige planning en hieraan gekoppelde afspraken over de huisvesting en de inrichting van de eigen organisatie) de voorbereidingstijd wordt bekort en dus van een later tijdstip van indiening wordt uitgegaan (1 maart of 1 april). Een verlenging van deze periode door het vervroegen van de indieningsdatum ligt minder voor de hand. Het tijdstip tussen indiening van de aanvraag en de beslissing daarop wordt dan aan de lange kant. Daarmee zou een belangrijk winstpunt ten opzichte van de procedures (OVH en IS procedures) die golden vóór invoering van de decentralisatie, aan kracht inboeten. Dit winstpunt heeft betrekking op het feit dat de procedures voor de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen met ongeveer een jaar bekort worden In de verordening is een sanctie verbonden aan een te late indiening van de aanvraag. Deze aanvraag wordt door het college niet in behandeling genomen. Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat de aanvraag niet door het college verder wordt betrokken bij van de voorbereiding van het programma en het overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke voorstel daarover aan de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen indiening aanvragen overzicht in het kader van meerjarig huisvestingsbeleid (het zgn. ‘consensusmodel’)In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 70 WBO). Bij de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: ‘Het overzicht [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is. De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als huisvestingsplan.’ (TK 1995 1996, 24 455, nr.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan ‘dwingen’ om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen, waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. Zo’n meerjarige planning kan gebaseerd zijn op: een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op basis van prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.); een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend in het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging; een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de meerjarenbegroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs een dergelijke meerjarige aanpak op lokaal niveau reeds wordt toegepast, in de vorm van ‘integrale huisvestingsplannen’ en plannen voor het meerjarig onderhoud. Niet verwonderlijk omdat: het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert (saneren van zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare leegstand; capaciteit creëren of in stand houden op die locaties waar de behoefte aanwezig is); gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de richting van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene omstandigheden vormt het programma het (jaarlijkse) formele sluitstuk van de bekostiging van voorzieningen die op zich reeds enige tijd werden voorzien en waarmee rekening was gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden afgedwongen. Dit laat natuurlijk onverlet dat de gemeente een dergelijke aanpak effectueert, indien daarover overeenstemming bestaat met de schoolbesturen (al dan niet per onderwijssoort). In aanvulling op hetgeen hierover al is opgemerkt in de algemene toelichting plaatst een dergelijk ‘consensusmodel’ de werking van de verordening in een ander daglicht. De verordening met al zijn normen en criteria is dan meer iets dat de gemeente achter de hand heeft in het geval het consensusmodel niet (meer) werkt. De verordening verkrijgt hiermee meer een ‘vangnetfunctie’. Daarnaast houdt de verordening zijn formele functie voor wat betreft de uiteindelijke toekenning van voorzieningen door middel van plaatsing op het programma. Het gaat daarbij om het (jaarlijks) formaliseren van de in het kader van het consensusmodel gemaakte afspraken, voor zover volgens deze afspraken de voorzieningen in het betrokken jaar aan bod dienen te komen. Hiermee vindt de uiteindelijke toekenning en bekostiging plaats met inachtneming van de door de wetgever gestelde kaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inhoudelijke zwaartepunt van het lokaal gevoerde huisvestingsbeleid ligt echter vast in de afspraken over het ‘integraal huisvestingsplan’, die jaarlijks worden herijkt. De inhoud en duur van de afspraken zal verschillen naargelang de lokale omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is van af gezien om in de verordening (facultatieve) bepalingen op te nemen in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen. Dit is gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken over een dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het kader van de vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg. Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op vrijwillige basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke kaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvraagformulier Een gestandaardiseerde wijze van indiening van aanvragen kan zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan zijn wanneer men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot prioritering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier, worden deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens standaard opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat, afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere aangevraagde voorziening van belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend, aanvullend gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant is om bij de beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of het gewenste onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. Ook ten aanzien hiervan wordt de praktijk van vóór 1 januari 1997 gecontinueerd. De bouwkundige rapportage dient een tweeledig doel: vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud; vaststelling van de mate van urgentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van het door het college vast te stellen formulier ‘Bouwkundige opname’. Bij de opzet van dit formulier is aangesloten bij een reeds door de Rijksgebouwendienst ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals deze voor de decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs werd toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3–5 Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid om als bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten behandeling te laten in verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden. De Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet nemen. Zo moet het besluit om de aanvraag niet te behandelen binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of wanneer de termijn die voor de aanvulling is gegeven ongebruikt verstreken is, aan de aanvrager bekend gemaakt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terwille van de duidelijkheid voor de potentiële aanvragers is ervoor gekozen om de concrete uitwerking van de Awb in dit opzicht in de verordening op te nemen. Deze uitwerking komt er op neer dat de duur van termijnen die het college kan hanteren in de verordening is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid die het college wordt toegekend om incomplete aanvragen niet te behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder stadium kunnen worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het kader van de vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud van volledige aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te houden. Dit komt ook overeen met de huidige bestuurspraktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Géén hardheidsclausule Er is van af gezien hier een hardheidsclausule op te nemen, die het mogelijk maakt om in geval van overmacht aan de zijde van de aanvrager af te wijken van de termijnen. Een gemeente kan zelf de afweging maken of men een dergelijke clausule, die een zekere mate van vrijheid toestaat bij het afwijken van de algemene regels, wenselijk vindt. Het gevaar van een hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak een beroep op wordt gedaan. De behandeling vergroot de uitvoeringslast van het bestuursorgaan en bekort bij toewijzing de beschikbare tijd voor de (voorbereiding van de) besluitvorming. Daarnaast lijkt een hardheidsclausule te veel van het goede tegen de achtergrond van de mogelijkheid om in klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend karakter in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de wettelijke teldatum van 1 oktober ‘onverwijld’ door te geven aan de gemeente. Dit omdat het resultaat – en de daarmee samenhangende behoefte aan huisvesting(scapaciteit) – van direct belang is voor de beoordeling van de noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen van de voorziening op het programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo zal bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee samenhangende ‘ruimtebeslag’ op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door de raad, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval is bij andere in de verordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen voor het werken met een fatale termijn. Daarbij is de gemeenteraad – en niet het college – het bestuursorgaan dat beslist om een aanvraag niet te behandelen wanneer de vereiste gegevens niet of te laat worden verstrekt. Dit vanuit de gedachte dat in de meeste gevallen het voorstel van het college over de vaststelling van het programma als bedoeld in paragraaf 3 van de verordening, al ter besluitvorming bij de raad ligt, dan wel de betrokken raadscommissie(s) zal hebben gepasseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid). Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan gehouden met deze mogelijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opgave ingediende aanvragenDit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook in procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te behandelen. De opgave van de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het bijzonder als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet naderhand nog aanvragen worden toegevoegd Bij het vooroverleg over de vaststelling van de verordening kan met de schoolbesturen worden afgesproken om deze informatieverstrekking per onderwijssector (basis , speciaal en voortgezet onderwijs) te regelen. Zo zal een bestuur voor voortgezet onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in welke huisvestingswensen er precies leven in het basisonderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begrotingLid 1Deze bepaling is met name opgenomen om de mogelijkheid een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven over de op zich complete aanvragen in tijd bezien te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief verloop van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma. Met deze bepaling wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het overleg als bedoeld in artikel 10 onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen. De datum van 1 mei is gekozen teneinde het college voldoende ruimte te bieden voor het opstellen van een ontwerpvoorstel voor het programma en het overzicht Lid 2Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijk kosten zal in eerste aanleg worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en het college indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de aanvrager overgelegde begroting. Het college kan na toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de begroting op een of meer onderdelen bijstelling behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg programma en overzicht; advies OnderwijsraadLid 1–4Met deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld dat de gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld overgaat tot de vaststelling van een huisvestingsprogramma Onder het overleg is ook vervat de hoorplicht ingevolge de Awb van de aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, moet gelegenheid worden gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die wel aan het overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar eventueel op kunnen reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg dat voorafgaat aan de vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit overleg praktisch het best kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector in te richten (primair en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed wordt in een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het lokaal onderwijsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5–9De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 69, lid 9 WBO). De Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 4:20 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid de gemeenteraad het programma vaststellen indien de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer de raad afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden ingevolge artikel 4:20 Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de huisvestingsverordening (zie artikel 7 met de daarbij behorende toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de wet is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma kan besluiten ‘uit eigen beweging’ een verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad dit aan het college. Dit sluit ook aan op de (voor de hand liggende) keuze om ook het voeren van het overleg over het programma over te laten aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtenwisseling laat uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle gevallen de Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting gebracht dat de raad – in navolging van het bepaalde in lid 5 – dit overdraagt aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat het door het college ingediende verzoek om advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de Onderwijsraad wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4 verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de indiening van het advies over te gaan. Minstens zo belangrijk is dat, zoals hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle relevante stukken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijstip vaststellingLid 1Hier wordt de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen vast te stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen teneinde bepaalde onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. Tevens kan een deel van het budget worden geoormerkt voor de gerichte aanwending van middelen voor de uitvoering van een meerjarige onderhoudsplanning van schoolgebouwen, die op lokaal niveau is overeengekomen Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen kan een belangrijk instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een adequate onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te kunnen inzetten is het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van de indiening van huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen duidelijkheid te bieden. Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en daarbij te waarborgen dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de vaststelling van het programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie met de volgorde van de hoofd en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage V te worden bezien. Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de beschikbare middelen ingevolge de niet aangepaste volgorde van urgentiecriteria moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf moet gaan met de schoolbesturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 2 en 3Uitgangspunt van de verordening is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de gemeentelijke begrotingscyclus. Dat leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het programma en het daaruit voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter bescherming van de aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende kalenderjaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt voor zich dat de gemeenteraad geen programma hoeft vast te stellen, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 71 WBO). Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat de vaststelling van een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen worden geplaatst op het programma of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend – en er dus ook geen kunnen worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Overschrijding van de uiterste datum van de programmavaststelling leidt er automatisch toe dat alle aangevraagde voorzieningen voor vergoeding in aanmerking moeten worden gebracht, net zoals dat bij de minister van OCenW het geval was. Om praktische redenen is ervoor gekozen om ook te vermelden dat het bijbehorende (norm)bedrag beschikbaar wordt gesteld; de aanvrager weet dan waar hij aan toe is. Wel moet in zo’n geval nog overleg over de wijze van uitvoering plaatsvinden en moet geregeld worden dat voor een bepaalde datum een bouwopdracht etc. moet zijn verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud programmaLid 1In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft, namelijk de inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot uitdrukking dat de raad het programma vaststelt als resultante van de toetsing aan de in de wet limitatief omschreven weigeringsgronden (zie bijvoorbeeld artikel 69, derde lid WBO). Een deel van deze weigeringsgronden wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing geoperationaliseerd via de nadere regels die de raad stelt op de onderdelen, genoemd in de tweede volzin Zo zijn de ‘beoordelingscriteria’ een nadere invulling van de toets of de aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond ‘dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...’ De regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten aanzien van de weigeringsgrond ‘... dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de verordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen. Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze – in tegenstelling tot de andere regels in het eerste lid – niet noodzakelijk bij de programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De zinsnede ‘voor zover van toepassing’ kan ook op de vergoeding betrekking hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in een (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan daaruit niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een dislocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud overzichtLid 1Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van de daar genoemde criteria blijkt of een voorziening op het programma dan wel op het overzicht terechtkomt Lid 2Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en overzichtLid 1Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht worden opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten uiteraard ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De termijn van twee weken is gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling van het programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met het college. Ingevolge artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling toe doen aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld voorafgaande aan de vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het besluit aan alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren heeft gebracht Lid 2De wet bepaalt alleen iets over de ter inzage legging van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het totaal ter inzage te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg wijze van uitvoeringLid 1Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over de wijze van uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de aanvrager en burgemeester een aantal praktische afspraken maken over aspecten die samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met dergelijke afspraken kunnen onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject worden voorkomen In ieder geval zal hierbij volstrekt duidelijk moeten zijn wie als bouwheer optreedt. De wet gaat er weliswaar vanuit dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, maar biedt de mogelijkheid dat het bevoegd gezag en het college overeenkomen dat de gemeente de voorziening tot stand brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan niet gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De passage ‘voor zover van toepassing’ is opgenomen om niet alle voorkomende varianten op het bouwheerschap en de eigendomssituatie te hoeven beschrijven. Daarnaast is het bijvoorbeeld denkbaar dat geen nadere afspraken behoeven te worden gemaakt over het tijdstip van indiening van het bouwplan en de desbetreffende begroting, eenvoudigweg omdat het college in het kader van artikel 16, vierde lid heeft besloten dat dit achterwege kan blijven. Hetzelfde kan gelden voor de uitvoering van de toets of zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de wijze en momenten waarop het college geïnformeerd wordt over de voortgang van de uitvoering van de voorziening, alsmede over de wijze waarop de finale verantwoording wordt afgelegd. Daarbij kan – zeker bij omvangrijke projecten – ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een accountantsverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is op de feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit het bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager, voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer het college heeft ingestemd met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel van het college eveneens gezien de aard van de voorziening niet vereist is (zie ook artikel 16, lid 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de afspraken over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager niet instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het niet eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dat wordt dit ook schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Hierin is bepaald dat het college, in geval in het overleg is medegedeeld dat de indiening van een bouwplan en begroting achterwege kan blijven en/of er geen nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden hoeft plaats te vinden (zie artikel 16, vierde lid), binnen vier weken nadat het overleg tot overeenstemming heeft geleid, de aanvrager uitsluitsel geeft wanneer de bekostiging een aanvang neemt. Het zal daarbij in de regel voorzieningen betreffen waarvoor in een eerder stadium al een offerte is overgelegd, die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de vervanging van de dakbedekking van een basisschool (onderdeel van de huisvestingsvoorziening onderhoud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt het overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in een overeenstemming tussen aanvrager en het college, dan is het college als bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het bevoegd gezag. Hierbij deelt het college mee wat de overwegingen zijn om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering. Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigen; overlegging offertesDit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de wettelijke bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een vergoeding van een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt, een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij het college (zie bijvoorbeeld artikel 78 WBO). Tevens geeft de aanvrager daarbij aan op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van het uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid uiteraard niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan indienen wanneer het een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting zal marginaal getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde vergoeding niet overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op een goede voortgang van de uitvoering en de duidelijkheid richting aanvrager is in het tweede lid voorzien in een fatale termijn (maximaal beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de gemeente het bouwplan en de begroting moet hebben goedgekeurd. Bij goedkeuring van het bouwplan en begroting stelt het college ook het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen (zie bijvoorbeeld artikel 73, eerste lid WBO). Wanneer de fatale termijn door het college wordt overschreden dan wordt het bouwplan en de begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te vangen op het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering van het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling van wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 75 WBO in samenhang met artikel 73, eerste lid WBO). Het moment is zodanig gekozen dat door de aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld het verlenen van een bouwopdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke kosten bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake van een begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk al bij de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie gehad om te komen tot een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvang bekostigingDit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in bijvoorbeeld artikel 76, vierde lid WBO. Er is gekozen voor een globale regeling waarin ruimte is voor variatie naargelang de concrete omstandigheden. De opdracht aan de raad in genoemde artikel van de WBO wordt gedelegeerd aan het college. Door de bepaling op te nemen dat de aanvrager altijd aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen, is de bescherming van de aanvrager gewaarborgd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen aanspraak op vergoedingLid 1De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling van de volgende gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten of een toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald moet worden. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht binnen twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een dergelijke bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ is opgenomen om duidelijk te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het recht op een vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening Lid 2Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van het verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 19–24 SpoedprocedureIn dit hoofdstuk van de verordening zijn nadere regels opgenomen over de indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op grond hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort ‘ontsnappingsroute’ kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou kunnen worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimd tijdig – op grond van artikel 6 van de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens toepassing van de financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een bevoegd gezag in de verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de spoedprocedure, omdat de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet kan worden gehanteerd door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere optie is dat een bevoegd gezag op ‘twee paarden wedt’, namelijk: voor dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het programma én een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al deze procedurele opties lopen echter bij toepassing van de verordening spaak, omdat het uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag. Onomstotelijk moet blijken dat het bij een aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een calamiteit in de ware zins des woords. Een calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens de wetgever zodanig moet zijn dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van een schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet doorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van de verordening leidt er toe dat in vergelijking met de situatie van voor de decentralisatie, het moment tussen indiening van een reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma, aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate wijze kan worden afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden scoren bij de toepassing van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment van indiening en op het moment van programmavaststelling (nog) niet kan worden gesproken over de noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen omdat anders het onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden verwacht dat de aanvragen die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook écht spoedeisend zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de toepassing, maar zeker ook de toewijzing in het kader van de spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indiening aanvraagHoewel de mogelijkheid tot het indienen van aanvragen met een spoedeisend karakter in de wet is vastgelegd, is deze mogelijkheid voor de inzichtelijkheid opgenomen in de verordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud aanvraagLid 1In aanvulling op de basisgegevens die zouden moeten worden overgelegd indien het om een reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk het spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen voortgang kan vinden) te worden toegelicht Lid 2De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het tenslotte gaat om het treffen van een voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de school, is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdstip beslissingenMet het oog op de wenselijkheid van een snelle beslissing is in de verordening de beslissingsbevoegdheid over de spoedeisende aanvragen door de raad gedelegeerd aan het college. Ook hier is de termijn voor beslissing kort gehouden, met als extra waarborg voor de aanvrager dat overschrijding van deze termijn van rechtswege leidt tot inwilliging van de aanvraag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">24 Inhoud en uitvoering beslissing; vervallen vergoedingBij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met een spoedeisend karakter is, afgezien van afwijkende termijnen, de lijn gevolgd die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van het programma en overzicht Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen weigeringsgronden (zie bij voorbeeld artikel 72 WBO), de toetsingscriteria worden toegepast overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra dimensie die ten opzichte van de ‘reguliere lijn’ aan deze toetsing wordt toegevoegd is het element dat het treffen van de voorziening geen uitstel kan lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de verordening tot uiting dat het college niet de financiële weigeringsgrond kan hanteren. Dit komt tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten beschouwing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 25–28 Vergoeding kosten bouwvoorbereidingGemeenten die geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee toekennen van vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen bij de vaststelling van de verordening de artikelen 3 en 25 t/m 28 achterwege laten. Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook de besteding zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten, die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan daarbij gaan om kosten van: architect; adviseur constructie; adviseur werktuigbouwkundige installatie; adviseur electrotechnische installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de kostenbeheersing of de bouwfysica.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan een beperking inhouden van de werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde overige adviseurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen wordt de opdracht aan de architect geregeld met toepassing van de standaardvoorwaarden 1988 Rechtsverhouding opdrachtgever architect, opgesteld door de BNA (SR 1988).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Leidraad 1994 blijvende voorzieningen in de huisvesting voor scholen VO en BVE, een gezamenlijke uitgave van de ministeries van OCenW en VROM (ISBN 90 346 2885 X), zijn in bijlage 8 nadere aanwijzingen gegeven omtrent de opdrachtverlening aan architect en adviseurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de huisvesting, omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag voor het programma is immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de verordening. Dit betekent ook dat de raad het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt voorbereid per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid met de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gebeurt omdat in de normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid dat de raad een vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid, omwille van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij is voorzien in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich dat de noodzaak van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd aanwezig moet zijn. Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en effectieve besteding van eventueel toe te kennen gelden voor de bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer de plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende – met behulp van het krediet voorbereide – aanvraag voor plaatsing op het programma te moeten constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor de realisering van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen in geval van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 29–36 Medegebruik en verhuurDe artikelen 76 WBO, 84 ISOVSO en 76m WVO geven de opdracht aan de gemeenteraad om in de huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik en de verhuur van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft houdt de opdracht in feite in het vastleggen van de wijze waarop het college met het recht tot het vorderen van leegstaande ruimten omgaat. Dit vorderingsrecht kan betrekking hebben op medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie, maar ook ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Met nadruk zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is artikel 37, Einde gebruik gebouwen, van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op zowel het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor sportterreinen die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet onderwijs. Het vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve van ander gebruik dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het recht van de gemeente om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de wel en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de procedure – het vorderen – vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in een gebouw van een school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet weg dat de criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook gelden voor gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van het college verlangd worden dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet, en ten aanzien van met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om eventuele wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de vrijheid van richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook in het overleg over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter altijd gaat om gebruik dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal het overleg daarover meer een praktisch dan een principieel karakter kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan. Dat kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een andere aanvraag zijn die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik wordt voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanduiding omstandighedenIn dit artikel is aangegeven dat er, alvorens het college kan overgaan tot vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag om een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die school ook een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid 1b ziet op de situatie dat er bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke onderhouds of aanpassingsbehoefte, terwijl medegebruik daarvoor een alternatief vormt. De leden 1c en d regelen dat er sprake dient te zijn van leegstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving leegstandLid 1aVoor 1 januari 1997 was op grond van de wet en regelgeving voor het primair onderwijs duidelijk wat er onder leegstand moest worden verstaan. Er werd uitgegaan van een strikt genormeerde benadering: als het aantal vierkante meters van een gebouw ruimte liet voor een extra groep leerlingen was er sprake van genormeerde leegstand. Of die leegstand wel of niet feitelijk aanwezig was of in gebruik was voor andere doeleinden deed niet ter zake. Aangezien de betreffende wet en regelgeving niet langer van toepassing is, is het van belang een definitie van het begrip leegstand in de verordening op te nemen. Bij de begripsaanduiding is gekozen voor eenzelfde benaderingswijze als voorheen, zij het met de volgende uitzondering Omdat bij de capaciteitsbepaling van een gebouw ingevolge bijlage III, deel A wordt uitgegaan van lokalen, kan het niet meer voorkomen dat er weliswaar een overmaat aan vierkante meters geconstateerd wordt maar dat er geen lokaal over is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor wordt verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor de goede orde: de zogenaamde eigendoms en huurscholen vallen dus wel onder het vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een (rijks)vergoeding verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten, strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1bVoor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt genormeerde, benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het vertrekpunt is wel hetzelfde: met behulp van het ruimtelijke normeringssysteem ingevolge bijlage III, deel A wordt bezien of er een overschot aan ruimte is. Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat niet automatisch te betekenen dat er dan ook een geschikte ruimte vrij is op de gewenste tijd. Een bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs heeft namelijk het recht, binnen de rijksbekostiging, om meer of minder uren aan bepaalde vakken toe te delen. Deze keuzen hebben consequenties voor het lesrooster en de omvang van de groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid van het gebouw. Daarom wordt bij een school voor voortgezet onderwijs vervolgens aan de hand van het lesrooster bekeken of er daadwerkelijk sprake is van leegstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien een bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand legt, is er sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2aVoor de beoordeling of er ruimte is in een gymlokaal dat gebruikt wordt door het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in gebruik is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar opgeteld. De capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de leegstand op. Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum aantal uren dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het aantal van 33,33 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs die de maximumgrens vormen. Het getal van 33,33 betekent uiteraard niet dat scholen voor primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen kunnen worden naar een gymnastiekruimte die nog geen 33,33 klokuren in gebruik is. Verwijzing kan alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende schoolsoort geldende reële schooltijden (basisonderwijs en (voorgezet) speciaal onderwijs 26 klokuren, voortgezet onderwijs 33,33 klokuren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2bDe reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als bij lid 1b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nalaten vordering; volgorde van vorderenLid 1Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van scholen. Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er geen reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk toe leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet worden toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale situatie is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze bepaling Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als peuterspeelzaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan een reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van het aantal groepen zodanig dat dit leidt tot een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De keuze voor deze volgorde van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden. Het verdient echter aanbeveling om deze keuze wel vast te leggen. Indien er meerdere opties zijn moet immers gemotiveerd kunnen worden hoe het college tot een bepaalde keuze is gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij uitstek aangelegenheden die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten worden, alvorens ze vast te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat voor de hele verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een schoolbestuur dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken naar eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer staande gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens komen tot een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht dit wel zo zijn dan is de kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur verwijst naar een van zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het financiële consequenties kan hebben om niet als eerste optie van de – qua oppervlakte en indeling – geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit hoofde van een doelmatiger oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige leegstand in een van de gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het gestelde onder b is minder relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om redenen van eenvoud is er echter voor gekozen geen aparte volgorde voor gymnastiekruimten op te nemen. Bij de toepassing van lid 3c dient het openbaar onderwijs in dit verband ook als een richting te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg en mededelingLid 1Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader van de vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er van medegebruik sprake kan zijn Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen opschortende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2De termijn van vier weken is uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De mededeling dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te staan dat er overeenstemming over de vordering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 3 en 4In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard geldt ook hier dat het ‘ontvangende’ bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5eDe vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan verlengd worden indien dat noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VergoedingVoor het primair onderwijs is, als gevolg van de vereenvoudiging van het Londo stelsel, in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat gebruik maakt van een gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen vergoeding doorbetaalt. Aangezien ‘de ontvangen’ vergoeding niet eenduidig te definiëren valt – de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang van de school – dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen plaats te vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke wettelijke bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een systematiek hievoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Aanduiding omstandighedenOnderdeel aZie de toelichting bij artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel bDe sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg en mededelingLid 2De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om gebruik van een gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste instantie is bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog meer waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik gaat. Het bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het overleg een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken worden dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de medegebruiker genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op een vergoedingsbedrag in het kader van de programma’s van eisen materiële instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage IV, deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen voldoende zijn; het gaat immers niet om huur Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt van uitgegaan dat deze door het college vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het verdient in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker, voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toestemming collegeLeden 2 en 3De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor de toetsing door het college aan de wet en regelgeving die bepaalde bestemmingen niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet toegestaan om een onderwijsgebouw of terrein te verhuren als woon of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid en 1624, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Ook een bestemming die zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school is in de onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter voor gekozen die afweging aan het bevoegd gezag te laten. Het college maakt wel de afweging of er een andere school is die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van eventueel binnengekomen verzoeken In dat verband is gekozen voor een onmiddellijke noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat geen reden voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien het college een indicatie heeft dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal zijn voor het onderwijs, dat zij dit aan het bevoegd gezag mededelen. Dat geldt evenzeer als het college voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik. Het bevoegd gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan tot verhuur. De risico’s voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij voortijdige opzegging van het contract omdat het college gebruik maakt van hun vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoudDe wetgeving voor het primair onderwijs kende tot 1 januari 1997 een bepaling waarin gesteld werd dat het gebruik van een dislocatie diende te worden beëindigd binnen drie maanden na beëindiging van de rijksbekostiging van dat gebouw. De rijksbekostiging werd beëindigd indien een dislocatie kon worden ‘leeggerekend’, dat wil zeggen indien het hoofdgebouw genormeerd zoveel ruimte bevatte dat alle groepen van de school daarin gehuisvest konden worden. Aangezien de rijksbekostiging niet langer gerelateerd is aan de gebouwen, is er geen sprake meer van ‘leegrekenen’ door het rijk. Aan een bepaling omtrent de beëindiging van het gebruik van dislocaties is echter wel behoefte, vooral vanwege het feit dat gemeenten door hergebruik van onderwijsgebouwen een deel van de beoogde efficiency moeten realiseren. Het eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen blijft in de wet gekoppeld aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld artikel 109 WBO. De WVO kent weliswaar niet zo’n bepaling, maar het spreekt voor zich dat het recht op het gebruik van een gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt opgeheven De artikelen 76 WBO, 84 ISOVSO en 76m WVO geven aan de gemeente opdracht om in de verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door gedeputeerde staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal ophouden het gebouw te gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure vaststellen voor een eventueel op te maken staat van onderhoud ingeval van beëindiging van het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 37 van de verordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van het gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van het gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in stand gehouden scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig onderhoud dus niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in stand worden gehouden. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit uiteraard in materiële zin wel het geval. Het volgen van eenzelfde handelwijze ligt dan ook voor de hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na de datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 84 WBO, 88d ISOVSO of 76u WVO. Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat het college en het bevoegd gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het gebouw beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover, indien gedeputeerde staten daar een beslissing over nemen op verzoek van een der partijen. In materiële zin kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het gebruik op een tijdstip dat ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen. Van belang is dan echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk is voor het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als datum is gekozen de datum die in de akte die bevoegd gezag en gemeente opstellen wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat zullen gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de datum aan het einde van het schooljaar liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen realiseren, is het nodig dat het college in een vroegtijdig stadium constateert dat een gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die constatering kan in de regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling van 1 oktober. Als er sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel 5 van de verordening. Direct na de telling van 1 oktober, of na de mededeling van het bevoegd gezag, kan de procedure voor de vaststelling van een gezamenlijke akte over het einde van het gebruik in gang worden gezet. Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan gedeputeerde staten om een beslissing worden verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van gedeputeerde staten is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen van beroep geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen vast te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet eerder kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. Ten aanzien van de eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus opschortende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de beslissing of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige voorziening bij de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van spoedeisende omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat, met het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had moeten zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college. Hiervoor kan het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst overleg met het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussie c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. De positie van het college is in dit kader vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur een inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder hersteld moet worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat bij het opmaken van de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Het college voert overleg met het bevoegd gezag over de uitkomsten van de staat van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men het daar wel of niet mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is geconstateerd, geeft het bevoegd gezag in het overleg aan of het bereid is dit alsnog uit te voeren. Er kan ook overeengekomen worden dat het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien partijen geen overeenstemming bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan bijvoorbeeld arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Het college kan zich ook wenden tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden. Gelet op de kosten en de moeite die dergelijke procedures voor beide partijen met zich meebrengen, verdient het veruit de voorkeur in gezamenlijk overleg een oplossing te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 38 en 39 Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte primair onderwijsIn de artikelen 38 en 39 zijn het gebruik van en de vergoeding voor gymnastiekruimten voor het primair onderwijs nader geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlegging per 1 januari 1997 van de geldstroom ‘materiële instandhouding gymnastiek’ voor het primair onderwijs naar de gemeenten via het Gemeentefonds leidt tot de opdracht aan de gemeenteraad om na overleg met de schoolbesturen voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding het aantal klokuren vast te stellen dat ten hoogste per groep leerlingen voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke opdracht is nader uitgewerkt in artikel 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de gemeente belast is met de bepaling van de omvang en de vergoeding van het onderwijsgebruik van gymnastiekruimten en – landelijk bezien – het overgrote deel van de gymnastiekruimten door of vanwege de gemeente worden beheerd, ligt het voor de hand dat de gemeente een coördinerende rol vervult bij de toedeling van dit gebruik. Dit is verder uitgewerkt in artikel 39.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omvang en vergoeding gebruikLid 1In het systeem in het primair onderwijs van voor de invoering van de decentralisatie werden de capaciteit en het gebruik van gymnastiekaccommodaties uitgedrukt in een aantal klokuren onderwijsgebruik. In lid 1 is ervoor gekozen deze systematiek ook na 1 januari 1997 te handhaven. Hiermee wordt voorkomen dat een onnodige breuk optreedt in de van overheidswege bekostigde omvang van het onderwijsgebruik van gymnastiekruimten De voor de bepaling van het aantal klokuren gymnastiek per schoolweek al voor het basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs in het recente verleden ontwikkelde en toegepaste rekenregels zijn dan ook overgenomen in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe is in het eerste lid bepaald dat de gemeente voor het basisonderwijs ten hoogste 1,5 klokuur gymnastiek per bovenbouwgroep bekostigt; voor het (voortgezet) speciaal onderwijs is dit ten hoogste 2,25 klokuur per bovenbouwgroep. In een specifiek geval is het in het (voortgezet) speciaal onderwijs mogelijk om voor een groep leerlingen jonger dan zes jaar een vergoeding te verkrijgen voor het gebruik van een gymnastiekruimte voor ten hoogste 3,75 klokuren per week. Deze mogelijkheid was al verankerd in de bekostigingsregels zoals deze golden voor 1 januari 1997. De formulering ‘ten hoogste’ betekent dat de gemeente ook minder klokuren kan bekostigen wanneer op basis van het activiteitenplan van de school het gebruik van de gymnastiekruimte onder dit niveau ligt. De formulering sluit tevens uit dat het gebruik boven deze norm voor bekostiging van gemeentewege in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze waarop het aantal groepen, waarvan de omvang van het gebruik wordt afgeleid, vastgesteld wordt, is neergelegd in bijlage III, deel B. Voor het basisonderwijs wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 1.2; voor het (voortgezet) speciaal onderwijs naar paragraaf 2.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet uitgesloten is dat de in deze paragrafen opgenomen berekeningswijze op korte termijn nog verandering ondergaat. Dit hangt samen met de vereenvoudiging van het Londo stelsel, die eveneens per 1 januari 1997 ingaat. Als gevolg van deze vereenvoudiging zal de wijze van vaststelling van het aantal groepen dat voor een materiële rijksvergoeding in aanmerking komt verandering ondergaan. De inhoud van deze verandering is nog niet exact bekend. Deze zal uiteindelijk worden vastgelegd in een wijziging van de Bekostigingsbesluiten WBO en ISOVSO. Om bij de gemeentelijke materiële vergoeding voor het gymnastiekonderwijs aansluiting te houden met de materiële rijksvergoedingen op de andere exploitatieonderdelen van de scholen, is het aan te bevelen om bij de bepaling van het aantal groepen dat voor gymnastiek in aanmerking komt een naadloze aansluiting te houden met hetgeen daarover geregeld wordt in het Londo stelsel. Dit betekent dat wijzigingen op dit onderdeel in het stelsel dienen te worden gevolgd in de genoemde bijlage bij de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de vaststelling van de inhoud van lid 1 voldoet de gemeente aan de wettelijke opdracht uit artikel 86, eerste lid WBO en artikel 88f, eerste lid ISOVSO. Het in deze wettelijke bepalingen voorgeschreven overleg met de schoolbesturen kan geacht worden te zijn gevoerd in het kader van het op overeenstemming gerichte overleg dat is voorafgegaan aan de vaststelling van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 2 en 3Deze leden zijn een nadere uitwerking van het gestelde in artikel 86, tweede lid WBO en artikel 88f, tweede lid ISOVSO. Hierin wordt de hoogte en wijze van vergoeding geregeld voor het gebruik door het primair onderwijs van gymnastiekruimten die in eigendom zijn van een schoolbestuur van een niet door de gemeente in stand gehouden school. Anders dan voor de gymnastiekruimten die door of vanwege de gemeente beschikbaar zijn voor het onderwijsgebruik, dient in dit geval een vergoeding aan het schoolbestuur te worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een school voor primair onderwijs welke een gemeentelijke accommodatie gebruikt als gymnastiekruimte krijgt hiervoor geen vergoeding. De gemeente bekostigt immers tot aan het genoemde maximum in lid 1 zelf de exploitatie van dit gebruik. Wanneer een schoolbestuur, niet zijnde de gemeente, eigenaar is van de accommodatie dan dient dit wel een vergoeding te ontvangen teneinde de kosten van het onderwijsgebruik te kunnen dekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span><span class=\"lf-art-t\">Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik door het primair onderwijs van gymnastiekruimten vindt meestal plaats in gemeentelijke accommodaties. Formeel beschouwd gaat het daarbij doorgaans om situaties van medegebruik en daarmee om een voorziening in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt in het aantal klokuren, jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het aantal leerlingen van een school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot aanvragen in het kader van het programma, dan wel spoedprocedure. Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig om jaarlijkse mutaties in het gebruik van gymnastiekaccommodaties aan te vragen. Dit geldt voor die mutaties die binnen de bestaande capaciteit kunnen worden opgevangen en dus niet leiden tot een uitbreiding of nieuwbouw van gymnastiekruimten. Zeker wanneer daarbij wordt bedacht dat de gemeente ingevolge de wet en artikel 38 gehouden is tot bekostiging van het genormeerde gymnastiekgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze achtergrond is in artikel 39 voor een benadering gekozen waarbij de huisvestingsprocedures worden ontlast van aanvragen die samenhangen met mutaties in klokuren, voor zover deze mutaties binnen de voorhanden zijnde capaciteit kunnen worden ondergebracht. Formeel worden de jaarlijkse opgaven van schoolbesturen van het gewenste gebruik van de gymnastiekruimten weliswaar beschouwd als een aanvraag in het kader van de spoedprocedure, materieel worden zij echter buiten deze procedure om afgewikkeld. Hiervoor in de plaats komt de benadering uit artikel 39, die in essentie op het volgende neerkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft als lokale overheid zicht op het onderwijsgebruik van de sportaccommodaties (welke school geeft gymnastiekonderwijs in welk gebouw, wanneer en voor hoeveel uren, en wat is de capaciteit van het gebouw?).</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende elementen zorgen ervoor dat de gemeente voor het primair onderwijs dit inzicht heeft: inventarisatie van de accommodaties die geschikt zijn voor gymnastiekonderwijs, inclusief de eigendomssituatie; vaststelling van de capaciteit en feitelijk/genormeerd klokuurgebruik per onderwijsgebruiker (school); jaarlijkse registratie van de mutaties in feitelijk/genormeerd klokuurgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mutaties zijn gebaseerd op: het aantal leerlingen op de teldatum t 1 voor de vaststelling van het genormeerde gebruik voor het daaropvolgende schooljaar; de opgaven van de schoolbesturen waarbij wordt aangegeven voor hoeveel uur men feitelijk gebruik wil maken van een gymnastiekruimte voor het komende schooljaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dit inzicht maakt de gemeente jaarlijks een voorstel tot inroostering van het onderwijsgebruik, waarbij indien nodig ook wordt bezien in hoeverre gebruik boven de norm kan plaatsvinden, gegeven de beschikbare capaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit voorstel wordt niet dan na overleg met de betrokken schoolbesturen vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opgaven van het gewenste gebruik, het voorstel tot en het vaststellen van de inroostering vinden relatief kort voor het nieuwe schooljaar plaats. Dit omdat de meeste schoolbesturen over de exacte omvang van het gymnastiekgebruik pas uitspraken kunnen doen wanneer zicht bestaat op de omvang en inzet van de personeelsformatie voor het komende schooljaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 40–45 OvergangsrechtHet overgangsrecht bevat de inhoud van de regeling die de gemeente ingevolge artikel XIX, lid 1 van de wet moet vaststellen voor de afhandeling van aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen voor het jaar 1997. Er is voor gekozen om deze regeling niet als een afzonderlijke ‘overgangsverordening’ te publiceren, maar hem als onderdeel van de ‘grote’ verordening op te nemen. Hierbij is er vanuit gegaan dat de verordening in zijn totaliteit, dus inclusief de overgangsregeling, voor 1 januari 1997 door de raad wordt vastgesteld (zie ook toelichting bij artikel 48). Het genoemde overgangsartikel XIX, eerste lid schrijft namelijk voor dat de overgangsregeling voor deze datum moet zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opgenomen bepalingen zijn ter uitvoering van het in de wet neergelegde overgangsrecht. Dat heeft achtereenvolgens betrekking op: de afhandeling van door de minister voor het jaar 1997 goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde huisvestingsvoorzieningen in het kader van de OVH procedures basis en speciaal onderwijs (artikel 40); de afhandeling van door de minister voor het jaar 1997 goedgekeurde kleine en tijdelijke huisvestingsvoorzieningen in het voortgezet onderwijs (artikel 41); bij de minister ingediende OVH aanvragen voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs voor het jaar 1998, waarover de minister geen beslissing heeft genomen en die na inwerkingtreding van de wet door de minister worden of inmiddels zijn toegezonden aan de betrokken gemeente (artikel 42). In feite betreft het hier het terugzenden van aan aanvraag, omdat het OVH door (tussenkomst van) de gemeente is ingediend bij de minister in het kader van de huisvestingsprocedure die voor 1 januari 1997 gold; de afhandeling van door de minister teruggestuurde aanvragen inzake het treffen van spoedeisende voorzieningen voor het jaar 1997 ten behoeve van scholen voor (v)so (artikel 43); de afhandeling van door de minister teruggestuurde of bij de gemeente ingediende aanvragen voor tijdelijke voorzieningen primair onderwijs voor 1997 (artikel 44); de afhandeling van bij de minister ingediende aanvragen voor aanschaf van inventaris voortgezet onderwijs voor 1997, die door hem zijn toegezonden aan de betrokken gemeente (artikel 45).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het overzicht op de volgende bladzijde is de reikwijdte van de overgangsbepalingen nog eens schematisch weergegeven. voorziening/ procedure gewenst jaar opmerkingen artikel verordening basisonderwijs blijvende voorzieningen (OVH 1997) 1997 door OCenW goedgekeurd; gemeente brengt voorziening voor vergoeding in aanmerking 40 blijvende voorzieningen (OVH 1998) 1998 worden beschouwd aanvragen voor programma 1998 42 tijdelijke voorzieningen (art. 71 en 73 WBO) 1997 gemeente beoordeelt aanvragen 44 (voortgezet) speciaal onderwijs blijvende voorzieningen(OVH 1997) 1997 door OCenW goedgekeurd; gemeente brengt voorziening voor vergoeding in aanmerking 40 blijvende voorzieningen (OVH 1998) 1998 worden beschouwd als aanvragen voor programma 1998 42 blijvende voorzieningen (spoedproc. art. 87 ISOVSO) 1997 gemeente beoordeelt aanvragen 43 tijdelijke voorzieningen (art. 79 en 81 ISOVSO) 1997 gemeente beoordeelt aanvragen 44 voortgezet onderwijs kleine huisvestingsvoorzieningen 1997 door OCenW goedgekeurd; gemeente brengt voorziening voor vergoeding in aanmerking 41 tijdelijke voorzieningen 1997 door OCenW goedgekeurd; gemeente brengt voorziening voor vergoeding in aanmerking 41 inventaris 1997 gemeente beoordeelt aanvragen 45 Inventarisatie overgangsproblematiekDe gemeente kan voorafgaande aan de vaststelling van de overgangsbepalingen – in overleg met de schoolbesturen – inventariseren of, en zo ja welke aanvragen er in het kader van het overgangsrecht moeten worden afgewikkeld. Op basis van deze inventarisatie kan precies worden vastgesteld welke van de overgangsrechtelijke bepalingen bij verordening moeten worden geregeld. Zo is het overgangsartikel 45 in eerste aanleg alleen maar relevant voor de groep van gemeenten met voortgezet onderwijs, en daarbinnen alleen maar voor die gemeenten waar zich instellingen bevinden die voor het schooljaar 1997/1998 een aanvraag voor eerste inrichting van inventaris hebben ingediend bij de minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor blijvende gebruik bestemde voorzieningen basisonderwijs en/of (voortgezet) speciaal onderwijs) voor 1997Dit artikel regelt de afhandeling van beslissingen die de minister nog heeft genomen over de toekenning van voorzieningen, bestemd voor blijvend gebruik, ten behoeve van het basis en (voortgezet) speciaal onderwijs voor het jaar 1997. De schoolbesturen kunnen met deze beschikkingen in de hand de gemeentelijke bekostiging van deze voorzieningen verlangen De gemeente zal de hoogte van de vergoeding zelf moeten bepalen, aangezien de minister voor de toegekende voorzieningen geen vergoeding meer vaststelt. De programma’s van eisen voor de huisvestingsvoorzieningen, die de vergoedingsgrondslag hiervoor geven, worden immers niet meer vastgesteld voor 1997. Door bijlage IV, deel D op deze voorzieningen van toepassing te verklaren, wordt hiervoor een oplossing geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de verdere uitvoering van de door de minister nog toegekende voorzieningen zijn de bepalingen inzake de wijze van uitvoering in de verordening (paragraaf 2.4) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kleine huisvestingsvoorzieningen en tijdelijke huisvesting voortgezet onderwijs voor 1997Op basis van overgangsartikel XVII, lid 3 van de wet is de gemeente gehouden alle beslissingen van de minister die betrekking hebben op 1997 (kleine huisvestingsvoorzieningen (KHV), tijdelijke voorzieningen) uit te voeren. De minister heeft de voorziening goedgekeurd en daarbij in de regel het met de realisering gemoeide bedrag vastgesteld. De gemeente betaalt slechts. Voor zover de minister in zijn beschikking geen bedrag heeft vastgesteld biedt bijlage IV, deel D, uitkomst Van belang voor de gemeente is dat er overleg plaatsvindt tussen schoolbestuur en gemeente over de wijze van betaling (tijdstip, ritme) en de wijze van verantwoording (bijvoorbeeld het overleggen van een accountantsverklaring). Dit artikel regelt dat het college het initiatief neemt voor een dergelijk overleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling ingediende aanvragenVerzoeken om voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen in het speciaal onderwijs, die in het kader van een bij de minister ingediend OVH 1997 1999 voor het jaar 1998 gewenst worden, worden aangemerkt als aanvragen die in het kader van het gemeentelijk programma 1998 zijn aangevraagd. Ditzelfde gaat op voor aanvragen die in het kader van het overzicht als bedoeld in artikel IX, tweede lid van de wet voor het jaar 1998 ten behoeve van het basisonderwijs bij de minister zijn ingediend Wanneer deze situatie speelt is het aan te bevelen dat burgemeester en contact opnemen met het bevoegd gezag met de vraag of het bevoegd gezag zijn aanvraag aangemerkt wil zien als een aanvraag voor het programma 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijkertijd, of vlak nadat het bevoegd gezag te kennen heeft gegeven dat dit het geval is, kan het college aangeven of, en zo ja op welke onderdelen, de aanvrager nog nadere – geactualiseerde – gegevens dient te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afhandeling van door de minister toegezonden aanvragen van voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen in de huisvesting wegens bijzondere omstandigheden (voortgezet) speciaal onderwijsVerzoeken om een voor 1997 gewenste spoedeisende, voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, die in 1996 nog bij de minister zijn ingediend, worden na inwerkingtreding van de wet teruggestuurd aan de betrokken gemeente Dit artikel bepaalt dat het college deze aanvraag materieel en procedureel behandelt als ware het een aanvraag die op basis van de in de verordening verankerde spoedprocedure (hoofdstuk 3) ter beoordeling zou voorliggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afhandeling van aanvragen voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen voor basisonderwijs en/of (voortgezet) speciaal onderwijs voor 1997Dit artikel regelt de behandeling van verzoeken voor het jaar 1997 voor tijdelijke voorzieningen voor het basis en (voortgezet) speciaal onderwijs, die nog onder de oude regelgeving zijn ingediend bij het college. Bij inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving kunnen deze verzoeken nog in procedure zijn bij het college, of al zijn voorgelegd ter finale besluitvorming aan de minister In beide gevallen zal na inwerkingtreding van de overgangsbepaling de gemeente in volle omvang belast worden met de besluitvorming over deze aanvragen. Het gaat daarbij dus niet alleen om een uitvoering van een al genomen beslissing, zoals bijvoorbeeld het geval is bij artikel 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is voor gekozen om de raad de gewenste tijdelijke voorzieningen in de huisvesting voor 1997 materieel te laten beoordelen op basis van de nieuwe regels uit de verordening. De facto betekent dit dat de betreffende verzoeken aan dezelfde toets worden onderworpen als het geval zou zijn geweest met aanvragen voor opneming in het gemeentelijk huisvestingsprogramma (inclusief de financiële weigeringsgrond). Dit echter met het verschil dat er geen sprake is van de vaststelling van een huisvestingsprogramma. De datum van 1 maart is gekozen om de betrokken schoolbesturen nog een reële mogelijkheid te bieden om de voorziening met ingang van het komende schooljaar (1997/1998) te realiseren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afhandeling van door de minister toegezonden aanvragen voor inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voortgezet onderwijs voor 1997In het overgangsartikel XVII, vijfde lid van de wet is geregeld dat tot 15 december 1996 nog aanvragen bij de minister voor inventaris (inrichting met leer en hulpmiddelen en meubilair) voor het jaar 1997 kunnen worden ingediend. Na inwerkingtreding van de wet decentralisatie huisvestingsvoorzieningen zal de minister de aanvragen doorsturen naar de desbetreffende gemeente. De gemeente zal vervolgens de beoordeling en eventuele uitvoering van de aanvragen ter hand moeten nemen. Deze beoordeling en uitvoering geschiedt op basis van het gestelde in dit artikel uit de invoeringsparagraaf Er is voor gekozen om de aanvragen zowel procedureel als inhoudelijk op dezelfde wijze af te handelen als het geval is bij de aanvragen voor de tijdelijke voorzieningen primair onderwijs 1997; vandaar de verwijzing naar artikel 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kan de betrokken gemeente de financiële gevolgen van dit artikel bijtijds inschatten, aangezien waarschijnlijk alleen die schoolbesturen voor eerste aanschaf van inventaris in aanmerking komen, die via procedure van het Investeringsschema of tijdelijke voorziening uitbreiding van hun huisvesting krijgen. Theoretisch is het mogelijk dat een schoolbestuur dat geen uitbreiding in de huisvesting krijgt, wel in aanmerking komt voor een eerste aanschaf van inventaris, echter in de praktijk komt dit zeer sporadisch voor. Voor de IS projecten kan een eventuele eerste aanschaf nu reeds worden bezien; voor de toewijzingen van tijdelijke voorzieningen wordt dit in september door OCenW aan de betrokken gemeenten bekendgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">IndexeringDeze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat jaarlijks de verordening door de raad moet worden gewijzigd, louter om de ingevolge artikel 4 gehanteerde genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV, deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk – net als de overige bijlagen – onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te delegeren aan het college wordt een dergelijke relatief zware procedure via de raad overbodig. Het kan nu via een lichtere procedure door op dit onderdeel het college de bevoegdheid tot wijziging te geven. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voorafgaat aan wijzigingen van de verordening, kan plaatsvinden door toezending van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te reageren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Citeeertitel; inwerkingtredingIngevolge het overgangsartikel XIX, eerste lid van de Wet decentralisatie huisvestingsvoorzieningen po/vo dient het bepaalde in hoofdstuk 8 van de verordening, dat het overgangsrecht regelt, voor 1 januari 1997 door de gemeenteraad te worden vastgesteld. Het ‘structurele’ deel van de verordening op basis waarvan de gemeente haar huisvestingstaak vanaf 1 januari 1997 uitoefent, dient volgens hetzelfde overgangsartikel XIX maar dan het tweede lid, ten minste acht weken voor het tijdstip waarop aanvragen voor het huisvestingsprogramma 1998 bij de gemeente moeten zijn ingediend, door de gemeenteraad te zijn vastgesteld. Uitgaande van de in de verordening opgenomen indieningsdatum van 1 februari betekent dit dat de verordening voor 7 december 1996 moet zijn vastgesteld. De verordening wordt voor 1 januari 1997 vastgesteld. Hiermee voldoet de gemeente aan de wettelijk gestelde eisen in artikel XIX, eerste en tweede lid. Inwerkingtreding van de verordening vindt plaats tegelijkertijd met de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke bepalingen in de WBO, ISOVSO en WVO over de onderwijshuisvesting, en wel per 1 januari 1997 BIJLAGEIVERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS GEMEENTE APELDOORN Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningenPer onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere voorwaarden waaronder (behoudens de financiële toets) de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen: deel A: lesgebouwen; deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL A Lesgebouwen1 BasisonderwijsDe voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.10 d worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 NieuwbouwDe noodzaak van nieuwbouw blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen redelijke afstand een passende huisvesting voor de school te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Vervangende bouwDe noodzaak van vervangende bouw blijkt uit: het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging); het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen redelijke afstand een passende huisvesting voor de school te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als: vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college; vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingsoperatie; vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Uitbreiding1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalenDe noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit: het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is; het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier jaren binnen het gebouw kunnen worden gehuisvest en het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen redelijke afstand een passende extra huisvesting voor de school te realiseren, terwijl evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3.2 Uitbreiding met een tweede speellokaalDe noodzaak voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit: het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen (van vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen telt en dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en voor ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht terwijl voor het spelen van (een deel van) de vier en vijfjarigen geen gebruik kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van een andere basisschool of school voor speciaal onderwijs binnen 300 meter hemelsbreed.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouwDe noodzaak van ingebruikneming blijkt uit: het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of het feit dat het huidige gebouw, gelet op het gestelde bij 1.2 onder a voor vervanging in aanmerking komt, terwijl de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en er binnen redelijke afstand geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren; er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalenDe noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat: er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen kunnen voorzien, terwijl er binnen redelijke afstand geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren en de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6 TerreinDe noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakketDe noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat de school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo=n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket, indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.8 Eerste inrichting meubilairDe noodzaak voor eerste aanschaf van meubilair blijkt uit het feit dat de school, op grond van de laatste teldatum voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo=n uitbreiding in de periode vanaf 1 augustus 1985 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra meubilair, indien het aantal groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.9 MedegebruikDe noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.10 AanpassingDe voorziening aanpassing bestaat, met uitzondering van het aanbrengen van een invalidentoilet en het toegankelijk maken van het gebouw voor gehandicapten, uit: wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D; een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten; creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw; creëren speellokaal binnen het gebouw; voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet en regelgeving en vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad aDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad bDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal groepen leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier en vijfjarigen of zes tot twaalfjarigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad cDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer groepen leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden aanwezig te zijn binnen een redelijke afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad dDe noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de school niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is.</p></div>", "next": 239872}