{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de aanvraag voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak de mede door de aanvrager ondertekende offerte van een gecertificeerd bedrijf dat het groene dak gaat aanleggen waar in ieder geval het volgende in is opgenomen: de waterbergingscapaciteit van het groene dak; de lagen van het aan te leggen groene dak; de oppervlakte van het groene dak; de hellingshoek van het groene dak; de toegepaste plantensoorten en de omvang van het percentage waarin ze worden toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-197-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van ontvangst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij een lager aangevraagd subsidiebedrag voorgaat op een hoger aangevraagd subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-198-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel19.8</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6 heeft de subsidieontvanger de verplichting om:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het project binnen zes maanden na verlening van de subsidie te realiseren; het groene dak minimaal 5 jaar na verlening van de subsidie in stand te houden en deugdelijk te onderhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk20Bijzondere bepalingen voor het verstrekken van cofinanciering voor het EFRO Programma Zuid-Nederland 2021-2027</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb EU L 187/1 van 26 juni 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerautoriteit: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant aangewezen als beheerautoriteit als bedoeld in artikel 71 van verordening 2021/1060 voor het EFRO Programma Zuid-Nederland 2021-2027; de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj);</p>\n<p class=\"lf-p\">EFRO programma Zuid-Nederland 2021-2027: gezamenlijk programma als bedoeld in artikel 22 van verordening 2021/1060 van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, goedgekeurd door de Europese Commissie op 29 juni 2022, voor activiteiten die in Zuid-Nederland financiering kunnen ontvangen uit het EFRO;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van provincie Zeeland;</p>\n<p class=\"lf-p\">REES 2021: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">RIS3 Zuid-Nederland 2021-2027: Regionale Innovatie Strategie Slimme Specialisatie voor programma’s Europese fondsen vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg op 21 april 2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieregeling OPZuid: Subsidieregeling OPZuid 2021-2027.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door de penvoerder die namens een samenwerkingsverband subsidie heeft aangevraagd op grond van de Subsidieregeling OPZuid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op: het bevorderen van innovatie met maatschappelijke en economische impact in Zuid-Nederland; het bevorderen van de demonstratie, vermarkting en opschaling van kansrijke innovatieve oplossingen die de energietransitie bevorderen, in samenwerking met het mkb en maatschappelijke middenveld in Zuid-Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: voor het project wordt subsidie verleend op grond van artikel 3.2 van de Subsidieregeling OPZuid; de subsidie wordt aangevraagd als cofinanciering op de subsidie op grond van de Subsidieregeling OPZuid; het project komt ten goede aan de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het project komt ten goede aan de provincie Zeeland als bedoeld in het eerste lid, onder c, als: meer dan de helft van de subsidiabele kosten wordt gemaakt door deelnemers aan het project die zijn gevestigd in de provincie Zeeland; en de resultaten van het project overwegend zijn gericht op de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het projectplan, bedoeld in artikel 3.4, onder a, van de Subsidieregeling OPZuid, wordt opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan het eerste lid, onder c.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.3.1, eerste lid, en in afwijking van artikel 1.3.3, is artikel 1.3 van de REES 2021 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 wordt, als de aanvrager gebruik maakt van de kostensoort personeelskosten, de berekeningswijze, genoemd in de artikelen 1.3 tot en met 1.3b van de REES 2021 gehanteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten indiening subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van aanvrager wordt de aanvraag om subsidie op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode die door Gedeputeerde Staten is vastgesteld in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen per tenderperiode als bedoeld in artikel 20.6, tweede lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 857.143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvrager minder dan 15% van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt, onverminderd het eerste lid, slechts maximaal het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorgaande leden, wordt, indien sprake is van staatssteun: maximaal een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden; of en geen van de vrijstellingen uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelcriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het daarvoor vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, wordt, in geval door de Beheerautoriteit op grond van artikel 3.8 van de Subsidieregeling OPZuid een rangschikking is gemaakt, subsidie verleend op grond van de volgorde van die rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde rangschikking niet is gemaakt door de Beheerautoriteit, is artikel 3.8 van de Subsidieregeling OPZuid van toepassing op subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijn van artikel 4.2.4 van de REES 2021 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 van de Subsidieregeling OPZuid is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.6.3 en 1.6.6, derde lid, zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.6 van de Subsidieregeling OPZuid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving, worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de subsidieontvanger wordt de aanvraag tot vaststelling op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag tot vaststelling op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijn van artikel 4.2.17 van de REES 2021 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.13</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling en bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 100% van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten betalen het voorschot in een keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk21Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidsscans voor bedrijven en bedrijventerreinen Vervallen Hoofdstuk22Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Hergebruik Leegstaande Panden voor Wonen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beeldbepalend gebouw: een leegstaand gebouw, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; beeldverstorend verpauperd gebouw: een leegstaand gebouw dat door een combinatie van het ontbreken van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; herbestemmen: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw die, zo nodig, juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; leegstaand: het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn; rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; slopen: het afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; transformeren: het verrichten van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft: het herbestemmen of transformeren van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen naar een woonfunctie; het slopen van beeldverstorende verpauperde gebouwen die niet meer zinvol kunnen worden herbestemd of getransformeerd, gevolgd door herontwikkeling of een andere herinvulling van de vrijgekomen ruimte gericht op wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van het gebouw waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijk persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de activiteit in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b tezamen, minder dan 75 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, minder bedraagt dan 300 punten; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied; het gebouw minder dan één jaar leegstaat; het te herbestemmen, te transformeren of te slopen gebouw een woonbestemming heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel f bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vooroverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een aanvraag wordt ingediend, kan er een vooroverleg plaatsvinden aan de hand van het op de website van de provincie Zeeland beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. Het vooroverleg vindt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het vooroverlegformulier plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld: locatie en eigenaarschap van de locatie; huidige en beoogde situatie van het project, inclusief leegstandsduur; de financiële haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd; of de activiteit niet in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de duurzaamheidsmaatregelen van het project; de overige informatie die bij de aanvraag moet worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor marketing en promotie; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten van planschade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.7</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie Hergebruik Leegstaande Panden voor wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2: een plan van aanpak, met daarin: een locatieaanduiding waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat; en algemene beschrijving van de herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt het terugdringen van leegstand, de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en waar van toepassing de cultuurhistorie; een toelichting van de te nemen maatregelen, inclusief de duurzaamheidsmaatregelen; tekeningen van de bestaande en gewenste situatie, plattegrond(en) en gevelaanzichten; maximaal vijf foto’s van de bestaande situatie; een (onderbouwde) financieringstoelichting van het project met in ieder geval: een uitgebreide begroting met een (onderbouwde) raming van de kosten per maatregel; recente taxaties van de waarde van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; de waarde van de gronden en opstallen of de opbrengst door verkoop of verhuur na voltooiing van het project; een beschrijving van de tijdplanning van het project; een bewijs van eigendom van de locatie; een schriftelijke verklaring dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit; een toelichting waaruit de oorzaak en duur van de leegstand van het pand of de panden blijkt; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.9</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vooroverleg en de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de onderstaande criteria: kwaliteitsverbetering: de mate waarin het project door hergebruik en door de bouwkundige en esthetische verbetering van het gebouw bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; impact: de mate waarin het project leidt tot een verbetering in de omgeving; herbestemming: de mate waarin door herbestemming, transformatie of herontwikkeling wordt bijgedragen aan de woonbehoefte of maatschappelijke doelen; duurzaamheid: de mate waarin het project zorgt voor de verduurzaming van het gebouw; cultuurhistorie: de mate waarin het project bijdraagt aan de cultuurhistorische waarden van het gebouw en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: kwaliteitsverbetering: ten hoogste 200 punten; impact: ten hoogste 100 punten; herbestemming: ten hoogste 100 punten; duurzaamheid: ten hoogste 100 punten; cultuurhistorie: ten hoogste 50 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium kwaliteitsverbetering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de activiteit wordt binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid, gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk23Bijzondere bepalingen Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Adviescommissie: Adviescommissie Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland; bovenlokale uitwerking: uitwerking die zijn weerslag heeft in ten minste twee Zeeuwse gemeenten; culturele instelling: instelling met rechtspersoonlijkheid die blijkens haar statuten het uitvoeren van culturele activiteiten tot doel heeft of een zelfstandige die beroepsmatig werkzaam is in de culturele sector; duurzame samenwerking: samenwerking die structureel van karakter is; nieuwe maker: cultuurprofessional of ambachtsbeoefenaar, die maximaal vijf jaren voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag een diploma kunstvakonderwijs heeft behaald of staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige; publieksbereik: het publiek dat wordt bereikt met het culturele aanbod; verdienmodel: wijze om omzet te genereren; vrijwilligerspotentieel: potentieel aan vrijwilligers en het potentieel aan kennis en kunde onder vrijwilligers dat nog niet is ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-232-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen een subsidieplafond vast, ten laste waarvan aanvragen kunnen worden ingediend gedurende een openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten die zijn gericht op het versterken van de culturele sector in Zeeland en betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen: het verbreden van het publieksbereik tot doelgroepen die nu niet of beperkt gebruik maken van het aanbod in de culturele sector; de totstandkoming van duurzame samenwerking binnen en buiten de culturele sector; het scheppen van randvoorwaarden voor het opbouwen van een beroepspraktijk ten behoeve van nieuwe makers; het versterken van het vrijwilligerspotentieel; het doen van onderzoek naar een of meer van de onderwerpen genoemd onder a tot en met d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het doen van onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onder e, worden per openstellingsperiode maximaal twee subsidies toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvanger - penvoerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend aangevraagd door en verstrekt aan een penvoerder van een samenwerkingsverband van tenminste twee instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De penvoerder is werkzaam binnen één of meer van de volgende culturele disciplines: audiovisuele kunsten; beeldende kunsten, architectuur en vormgeving; bibliotheekwerk; cultureel erfgoed; letteren; podiumkunsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De penvoerder is een culturele instelling met rechtspersoonlijkheid en het aanspreekpunt voor het bevoegd gezag voor alle zaken die de subsidie betreffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend verstrekt wanneer: de penvoerder is gevestigd in Zeeland; het project binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid, wordt gestart en binnen 24 maanden na afloop van deze periode wordt gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.6</span><span class=\"lf-art-t\">De-minimissteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de penvoerder op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidiebedrag en niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 70% van de kosten als bedoeld in artikel 1.3.1, tot een maximum van € 50.000 per project.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt geen subsidie verstrekt voor kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.8</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Samen in Zee: versterking cultuur in Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, wordt bij de aanvraag overgelegd: het projectplan van maximaal 8 pagina’s A4 waarin het volgende wordt beschreven: een omschrijving van het project, waaronder de projectopzet en de uit te voeren activiteiten; een onderbouwing van de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten, waaronder de projectplanning en de risicofactoren die in de weg kunnen staan aan het behalen van het beoogde resultaat; de mate waarin het project bijdraagt aan de versterking van de Zeeuwse culturele sector; de meerwaarde ten opzichte van bestaande producten, processen, diensten, onderzoeken of ontwikkelingen; de verwachte bovenlokale uitwerking; de mate waarin de resultaten overdraagbaar of toepasbaar zijn op andere disciplines binnen de culturele sector; de samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband; een sluitende (meerjaren)begroting als bedoeld in artikel 1.4.3, voorzien van specificatie en toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.9</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd gedurende een openstellingsperiode die gedeputeerde staten hebben vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.11</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Adviescommissie beoordeelt en rangschikt de aanvragen op volgorde van verlening op grond van de beoordelingscriteria genoemd in het tweede lid en adviseert gedeputeerde staten over de volgorde van verlening en over het toepassen van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 23.13, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende beoordelingscriteria: de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten; de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking van de culturele sector in Zeeland; de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft; de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan ieder criterium als genoemd in het tweede lid wordt een score toegekend op basis van de bij dit artikel behorende scoretabel. Naarmate een project meer bijdraagt aan het realiseren van een criterium wordt een hogere score toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de toekenning van de scores worden de aanvragen gerangschikt op basis van de totaalscore, waarbij de aanvraag met het hoogste puntenaantal als eerste in de rangschikking wordt opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgorde van gelijk geplaatste subsidieaanvragen wordt als volgt bepaald wanneer subsidieverlening voor die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond: prioriteit wordt gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder b; in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder a; in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder d; als ook dan nog steeds sprake is van een gelijke score, vindt loting tussen die betreffende aanvragen plaats. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer door toekenning van een aanvraag het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de subsidie niet verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rangschikking blijft achterwege wanneer de subsidieverlening voor de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie, niet zal leiden tot overschrijding van het subsidieplafond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van het zevende lid toetst de Adviescommissie of sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 23.13, eerste lid en brengt daarover advies uit aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scoretabel behorend bij artikel 23.11, derde lid: beoordelingscriteria score de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking van de culturele sector in Zeeland onvoldoende: 0 punten voldoende: 10 punten goed: 20 punten excellent: 30 punten de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten totaalscore (a+b+c+d) maximaal 75 punten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderde het bepaalde in de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.5 is de subsidieontvanger verplicht: de projectresultaten en ontwikkelde methodieken openbaar te maken en te verspreiden onder Zeeuwse instellingen; de Governance Code Cultuur, Code Diversiteit en Inclusie en de Code Fair Practice bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten toe te passen dan wel toe te lichten waarom de codes niet of niet geheel worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.6.6, eerste lid, verbinden gedeputeerde staten aan de subsidie de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen vermeldt dat het project mede mogelijk wordt gemaakt door de Zeeuwse gemeenten en de provincie Zeeland en wordt hiertoe het logo van Samen in Zee afgebeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6.6, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.13</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten weigeren de subsidie wanneer op één of meer van de beoordelingscriteria de score ‘onvoldoende’ wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1, tweede lid, onder d, weigeren gedeputeerde staten de subsidie wanneer de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk24Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie bij planvorming ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen– planvorming)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; collectieve fysieke maatregelen: fysieke maatregelen die bedrijven en overheden kunnen nemen die impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; gebiedsproces: een proces gericht op het koppelen van belangen en het verbinden van partijen in een gebied voor een goede afweging van te realiseren doelen; herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebbende kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslagen hogere temperaturen op te kunnen vangen; toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat inspeelt op toekomstige kansen en opgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, waardoor het terrein aantrekkelijk blijft als vestigingslocatie; verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te stimuleren; zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port; zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de planvorming van collectieve fysieke maatregelen ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen die zich richt op het opzetten en uitvoeren van een gebiedsproces, het inventariseren van kansen en knelpunten (w.o. duurzaamheidsscan), het onderzoeken van de haalbaarheid of het uitwerken van ruimtelijke plannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze planvorming van collectieve fysieke maatregelen dient betrekking te hebben op minimaal drie van de volgende thema’s: herstructurering in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan de verduurzaming van het bedrijventerrein of de verduurzaming van de daarop gevestigde bedrijven mogelijk maakt; energietransitie; circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; zero-emissie mobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ondernemingen gevestigd op het bedrijventerrein waarop de subsidiabele activiteit ziet; gemeenten binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt als de collectiviteit van de activiteiten voldoende wordt aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid wordt, indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen, subsidie slechts verstrekt als de activiteit wordt ondersteund door de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen zes maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend; de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen vijftien maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vijfde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.3.1 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – planvorming’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie: een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit, inclusief tijdsplanning; een offerte voor de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie; indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen: een ondersteuningsbrief van de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk25Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de flexibele inzet voor versnelling van de Zeeuwse woningbouwopgave</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; collectief particulier opdrachtgeverschap: collectief van toekomstige bewoners van een woningbouwproject waarbij zij gezamenlijk opdrachtgever zijn voor de gehele realisatie van de woningen; externe expertise: externe deskundige met expertise op het gebied van woningbouw of op het gebied van knelpunten die zich binnen een specifiek project afspelen, die een gemeente ondersteunt bij het oplossen van het betreffende knelpunt; flexwonen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden; herstructureringsproject: project dat ten doel heeft meerdere woningen in een afgebakend gebied te renoveren of slopen en nieuw terug te bouwen; innovatieve woonvormen: woonvormen die qua concept, product of proces niet eerder zijn toegepast in de Zeeuwse woningbouwsector en die de mogelijkheid bieden op te schalen of waarvan de leereffecten elders kunnen worden toegepast; internationale werknemer: economisch-actieve burger afkomstig uit een ander land, die tijdelijk in Zeeland verblijft om hier te werken, maar niet van plan is zich voor langere tijd te vestigen; knelpunt: specifiek voorliggend probleem dat de doorgang van actieve woningbouw of herstructurering van de woningvoorraad stagneert; kwetsbare doelgroepen: dak- en thuislozen en spoedzoekers. Spoedzoekers zijn mensen die met haast een woning nodig hebben, maar niet in aanmerking komen voor een urgentiestatus, omdat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie of acuut probleem (bijvoorbeeld mensen die door een scheiding hun huis verliezen of statushouders); levensloopbestendige woningen: woningen die geschikt zijn of eenvoudig geschikt zijn te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buitenaf bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenoemde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; middeldure huurwoningen: woningen met een huurprijs hoger dan € 752,33 (dit is de liberalisatiegrens op 1 januari 2021) en tot € 1.100,00, met inachtneming van de indexering van de rijksoverheid die geldt voor woningen tot de liberalisatiegrens;</p>\n<p class=\"lf-p\">overtollige plancapaciteit voor woningbouw: planologische mogelijkheid om woningen toe te voegen aan de woningvoorraad waarvan de benutting ervan ongewenst is verklaard door het verantwoordelijke gemeentebestuur; tijdelijke capaciteit: inhuur van capaciteit omdat de gemeente niet over voldoende capaciteit beschikt om knelpunten in het kader van woningbouw op te lossen; transformatieproject: project dat ten doel heeft de ruimtelijke functie van een gebouw of gebied te transformeren voor de functie ‘Wonen’, waarbij zowel een ruimtelijke ingreep of verbouwing noodzakelijk is, evenals het vastleggen van de nieuwe bestemming in een bestemmings- of inpassingsplan; wooncoöperatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt om haar leden in staat te stellen zelfstandig te voorzien in het beheer en onderhoud van de door hen bewoonde woongelegenheden en de direct daaraan grenzende omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise ter bevordering van de snelheid in de voorfase van woningbouwactiviteiten, ten behoeve van: de vergunningverlening van woningbouwprojecten; het uitwerken van een woningbouwproject; het sluiten van anterieure overeenkomsten met marktpartijen; of het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de bijbehorende procedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt indien de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise waarvoor subsidie wordt gevraagd betrekking heeft op een van de volgende woningbouwactiviteiten: het wegnemen van overtollige plancapaciteit voor woningbouw; het versnellen van herstructureringsprojecten; het versnellen van transformatieprojecten; het versnellen van woningbouwprojecten voor flexwonen, levensloopbestendige woningen, middeldure huurwoningen, kwetsbare doelgroepen, internationale werknemers, collectief particulier opdrachtgeverschap, wooncoöperaties of innovatieve woonvormen; het versnellen van woningbouwprojecten voor overige doelgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt indien de woningbouwactiviteiten plaatsvinden binnen het bestaand stedelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.4</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente in de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder a, b, c of d, bedraagt de subsidie maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 45.000,- per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder e, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 30.000,- per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per aanvrager wordt maximaal €100.000 subsidie verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.3.1 en artikel 1.3.3 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise en voor zover zij zien op de periode tot uiterlijk 31 december 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.8</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en verdeelmethode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.9</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie Tijdelijke Inhuur Capaciteit en Expertise voor Woningbouw zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie: een plan van aanpak, met daarin de beschrijving van de werkzaamheden en de woningbouwactiviteit waarvoor de tijdelijke capaciteit of externe expertise wordt ingezet; een offerte voor de tijdelijke inhuur van capaciteit of externe expertise.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen twee maanden na subsidieverlening; de activiteit is uiterlijk op 31 december 2023 afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.11</span><span class=\"lf-art-t\">SiSa-verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verantwoording van de subsidie is artikel 1.5.4 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk26Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Gebiedsgerichte Aanpak Wonen (GAW)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-261-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; complementaire woningtypen: woningtypen waar een gebrek aan is of in de toekomst een gebrek aan ontstaat, zoals levensloopbestendige woningen, middeldure huurwoningen, woonzorg-woningen en flexwoningen; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; exploitatiegebied: afgebakend gebied waarbinnen de activiteiten ten behoeve van de gebiedsgerichte aanpak tot uitvoering worden gebracht; flexwoningen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden; gebiedsgerichte aanpak: de projectmatige integrale aanpak van een afgebakend gebied in het bestaand stedelijk gebied waarmee een sterke bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van de woonkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit; herstructurering: activiteit waarbij door woningtoevoeging (nieuwbouw en splitsing) en/of woningonttrekking (sloop en samenvoeging) de samenstelling van de bestaande woningvoorraad binnen bestaand stedelijk gebied verandert zonder ingrijpende wijziging van de planologische functie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; kwetsbaar overschot: woningen die naar verwachting op de korte of middellange termijn leeg komen te staan, omdat ze slecht scoren op een combinatie van woningkenmerken (energieprestatie, levensloopgeschiktheid, waardeontwikkeling, uitstraling) en buurtkenmerken (voorzieningenniveau, openbare ruimte, veiligheid, sociaaleconomische standaard); kwetsbare woningvoorraad: woningen die op korte of middellange termijn slecht in de markt komen te liggen, met onderscheid in het kwetsbare overschot en overige kwetsbare woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">levensloopbestendig: geschikt of eenvoudig geschikt te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buitenaf bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; middeldure huurwoningen: woningen met een huurprijs hoger dan € 808,06 (dit is de liberalisatiegrens op 1 januari 2023) en tot € 1.100 met inachtneming van de indexering van de rijksoverheid die geldt voor woningen tot de liberalisatiegrens; overige kwetsbare woningen: relatief kwetsbare woningen zonder risico op leegstand, maar waarvoor een inspanning (opwaardering en isolatie) wenselijk is; regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in de Zeeuwse Omgevingsvisie (vastgesteld door Provinciale Staten op 12 november 2021, te consulteren op: www.zeeland.nl); renovatie: het uitvoeren van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw om de woonfunctie aan te passen naar de eisen van de tijd, zoals verduurzaming en levensloopbestendig maken; ruimtelijke kwaliteit: de balans tussen de gebruikswaarde (functionaliteit, nut en noodzaak), belevingswaarde (beeldkwaliteit, eigenheid, gevoel van gebruikers) en toekomstwaarde (het vermogen om veranderingen op te vangen) van gebieden, projecten en gebouwen; rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; sloop: het afbreken van gebouwen, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; transformatie: activiteit waarbij door woningtoevoeging in gebouwen of op (bebouwde) gronden (nieuwbouw en functiewijziging) in bestaand stedelijk gebied de planologische functie van het gebouw of de (bebouwde) grond verandert, met uitzondering van agrarische gronden en (onbebouwde) gronden met gebruik als stedelijk groen zoals sportvelden; verduurzaming: het treffen van maatregelen voor het verminderen van het energieverbruik en het opwekken van duurzame energie van bestaande woningen; woonzorgwoningen: nultredenwoningen binnen een complex of buurtje dat zo is opgezet dat senioren zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen, maar eenzaamheid voorkomen wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een gebiedsgerichte aanpak binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij sprake is van een verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door middel van renovatie, herstructurering of transformatie, gecombineerd met een herinrichting van de openbare ruimte en passend in een actuele gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland die initiatiefnemer is van de gebiedsgerichte aanpak waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000 of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied; de activiteit op basis van artikel 26.9, tweede lid, aanhef en onderdeel e, minder dan 60 punten scoort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor marketing en promotie; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwerving of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en met een hogere waarde dan de actuele getaxeerde marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten van planschade; kosten van bovenwijkse voorzieningen; kosten die zijn gemaakt voor ontvangst van de volledige subsidieaanvraag; kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Gebiedsgerichte Aanpak Wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 26.2: een plan van aanpak, met daarin: een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven en waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat; een algemene beschrijving van de beoogde renovatie, herstructurering en/of transformatie in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd, inclusief het aantal particuliere woningen en het aantal sociale huurwoningen waarop het project betrekking heeft; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door: de toevoeging van complementaire woningtypen; de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad; het levensloopbestendig maken van de bestaande woningvoorraad; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte door: de herinrichting van de openbare ruimte; de inrichtingsmaatregelen die bijdragen aan de leefbaarheid en gezondheid van bewoners; een onderbouwing op welke wijze de gebiedsgerichte aanpak extra ruimtelijke kwaliteit levert door middel van bovenwettelijke maatregelen die bijdragen aan de volgende doelen: circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; energietransitie; belevingswaarde; een onderbouwing op welke wijze deze aanpak past binnen een gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied; een toelichting op de te nemen maatregelen; tekeningen of schetsen van de bestaande en gewenste situatie; een onderbouwde financieringstoelichting van het project met daarin: grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; een onderbouwde raming van de kosten per maatregel, zoals opgenomen in het plan van aanpak; een realistische planning die aantoont: welke werkzaamheden van het project voor de indiening van de aanvraag zijn uitgevoerd; dat de uitvoering van het project binnen een jaar na beëindiging van de openstellingsperiode kan starten; dat het project binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode kan worden afgerond; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.8</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: realisatie complementaire woningtypen: de mate waarin de activiteit door middel van renovatie, herstructurering of transformatie voorziet in de realisatie van woningtypen die complementair zijn aan de bestaande woningvoorraad; aard van de aanpak: de mate waarin er sprake is van herstructurering, renovatie van de kwetsbare woningvoorraad en/of transformatie; particulier eigendom: de mate waarin er sprake is van particulier woningbezit bij aanvang van het project; aanpak openbare ruimte: de mate waarin de openbare ruimte ingericht wordt ter bevordering van de leefbaarheid en de gezondheid van bewoners; verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: de mate waarin de activiteit door het opnemen van bovenwettelijke maatregelen bijdraagt aan circulaire economie, biodiversiteit, klimaatadaptatie, energietransitie en/of de belevingswaarde van de gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: realisatie juiste woningen: ten hoogste 100 punten; aard van de aanpak: ten hoogste 90 punten; particulier eigendom: ten hoogste 50 punten; aanpak openbare ruimte: ten hoogste 60 punten; verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: ten hoogste 150 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met de hoogste score behaald op basis van het criterium a, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid; de activiteit wordt binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid, gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk27Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van mobiliteitshubs Zeeland 2022-2024 Paragraaf27.1Algemene Bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">buurthub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen in een wijk waar reizigers gebruik van maken voor korte verplaatsingen als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand; deelmobiliteit: mobiliteitsvorm verzorgd door deelvoertuigen zoals deelfietsen, e-deelfietsen, e-deelscooters en e-deelauto’s; deelmobiliteithub: buurthub, wijkhub en regiohub; e-: elektrische; halte: herkenbare plek die deel uitmaakt van een gestrekte buslijn, waar de reiziger kan opstappen op de grote bus, dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; haltevertrekstaat en contactinformatie; duidelijke bewegwijzering; hub: reguliere hub en regionale hub; knooppunt: een punt in het vervoersnetwerk waar een overstap tussen meerdere openbaar vervoerswijzen gefaciliteerd wordt; regiohub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen in landelijk gebied bij of een intercity-station, of een park &amp; ride aan een grotere weg, of aan de rand of op enige afstand van een stad bij een openbaar vervoerverbinding, waar reizigers gebruik van maken als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand; regionale hub: een knooppunt met een grote regionale functie en dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; een kiss &amp; ride-zone; duidelijke bewegwijzering op de hub; routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs; parkeer- en stallingsmogelijkheden voor deelmobiliteit; overdekt fietsparkeren en voldoende aanbindpunten; volgens de in de betreffende gemeente geldende parkeernorm voldoende ruimte voor parkeren van niet e-auto’s; voorzieningen voor laadpunten voor e-fietsen, e-scooters en e-auto’s; overdekte en afgesloten wachtruimte; wifi en een watertappunt; reguliere hub: knooppunt dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs; overdekt fietsparkeren; autoparkeren en een kiss &amp; ride-zone; overdekte wachtruimte;</p>\n<p class=\"lf-p\">TOMP API: Transport Operator to Mobility Provider-Application Programming Interface; wijkhub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen op een centrale plek in een wijk of aan de rand van een wijk bij een openbaar vervoerverbinding, waar reizigers gebruik van maken voor korte verplaatsingen als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene subsidievoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt wanneer: de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, passen in de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland zoals vastgesteld door provinciale staten op 17 december 2021; de halte, hub of deelmobiliteithub gelegen is in de openbare ruimte en voor alle reizigers toegankelijk is; voor alle voertuigen wordt gezorgd voor een goede ondergrond, belijning en bebording; de halte, hub of deelmobiliteithub past binnen het bestemmingsplan en ruimtelijk wordt ingepast; de subsidieaanvrager die niet tevens eigenaar is van de grond waarop de subsidiabele activiteiten plaatsvinden, daarvoor toestemming van die eigenaar heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht voor het regelen van de exploitatie en het beheer en onderhoud van een halte, hub of deelmobiliteithub tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten weigeren de subsidie voor zover de activiteit in een vergelijkbare vorm naar het oordeel van gedeputeerde staten, middels al verleende subsidie of (in)directe financiering, door de provincie Zeeland financieel wordt ondersteund.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 zijn personeelskosten van medewerkers die in dienst zijn van gemeenten niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid zijn niet subsidiabel: de onderhoudskosten aan infrastructuur of voorzieningen en de kosten als gevolg van achterstallig onderhoud; de kosten voor de onderdelen van de infrastructuur of dienst die niet direct leiden tot het bereiken van de doelstellingen van de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland; de kosten voor de aanschaf en het plaatsen van laadpalen; de kosten voor de aanschaf en exploitatie van deelvoertuigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aantal halte, hub en deelmobiliteithub</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het tijdvak 2022-2024 wordt subsidie verleend voor maximaal vijf regionale hubs, acht re- guliere hubs, tien haltes en dertig deelmobiliteithubs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn, subsidieplafond en verdeling subsidieplafonds</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen worden ten minste acht weken voor aanvang van de subsidiabele activiteiten ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieplafonds worden op volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum van ontvangst is het tijdstip waarop de aanvraag volledig is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover aanvragen op hetzelfde tijdstip zijn ingediend en toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, bepalen gedeputeerde staten door middel van loting in welke volgorde de aanvragen worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf27.2Realisatie halte en hub</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor: de realisatie van een nieuwe halte in Zeeland; de realisatie van een hub.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt aan gemeenten in de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 27.1.4, zullen gedeputeerde staten de subsidie weigeren als het niet aannemelijk is dat de realisatie van een nieuwe halte of hub binnen twee jaar na indiening van de aanvraag om subsidie is afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier ‘halte en hub realisatie’, te vinden op www.zeeland.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, ten minste de volgende bijlagen: sluitende (meerjaren)begroting met kostenraming en dekkingsposten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Plan van Aanpak met minimaal de volgende onderdelen: onderbouwing per locatie; planning; foto’s van de huidige locatie; (ontwerp)schetsen toekomstige invulling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van: € 50.000,- voor de realisatie van een nieuwe halte; € 150.000,- voor de realisatie van een reguliere hub; € 300.000,- voor de realisatie van een regionale hub.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf27.3Realisatie deelmobiliteithub</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van een deelmobiliteithub in Zeeland, mits deze parkeer- en stallingsruimte biedt voor minimaal de volgende deelmobiliteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">5 deelvoertuigen als het gaat om een buurthub;</p>\n<p class=\"lf-p\">10 deelvoertuigen als het gaat om een wijkhub;</p>\n<p class=\"lf-p\">15 deelvoertuigen als het gaat om een regiohub.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvangers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt aan gemeenten in de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2733\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende subsidievoorwaarden deelmobiliteitshub</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 27.1.2, geldt voor de realisatie van een deelmobiliteithub de volgende voorwaarden: voor fietsen, e-fietsen en e-scooters wordt een stalling gerealiseerd; voor e-deelvoertuigen wordt voldoende laadinfrastructuur gerealiseerd, met een aansluiting op het net; de realisatie van een deelmobiliteithub dient conform toepassing van de landelijk vastgestelde mijksenaarstijl te gebeuren; de realisatie van een deelmobiliteithub is binnen een jaar na indiening van de aanvraag om subsidie afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2734\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht ervoor zorg te dragen dat: alle deelmobiliteitaanbieders in beginsel kans maken om deelmobiliteit aan te bieden op de deelmobiliteithub onder gelijke condities via een vergunningenstelsel of openbare aanbesteding; deelmobiliteitsaanbieders contractueel of in een vergunning worden verplicht om de TOMP API te implementeren; deelmobiliteitsaanbieders juridisch verplicht zijn om geanonimiseerde data te leveren over het gebruik van de deelmobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2735\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier ‘deelmobiliteithub’, te vinden op www.zeeland.nl en bevat de daarin voorgeschreven bijlagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2736\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag bedraagt voor de realisatie van een deelmobiliteitshub maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van: € 20.000,- in het geval van een buurthub; € 35.000,- in het geval van een wijkhub; € 50.000,- in het geval van een regiohub.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2737\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">De-minimissteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de penvoerder op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk28Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de uitvoering van fysieke maatregelen ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-281-292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; collectieve fysieke maatregelen: fysieke maatregelen die bedrijven en overheden kunnen nemen die impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat inspeelt op toekomstige kansen en opgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, waardoor het terrein aantrekkelijk blijft als vestigingslocatie; verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te stimuleren; zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port; zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van collectieve fysieke maatregelen met inbegrip van de procesbegeleiding ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze collectieve fysieke maatregelen dienen betrekking te hebben op één of meerdere van de volgende thema’s: herstructurering in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan de verduurzaming van het bedrijventerrein of deze de verduurzaming van de daarop gevestigde bedrijven mogelijk maakt; energietransitie; circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; zero-emissie mobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep, voorwaarden en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt als: er sprake is van een tekort in de financiering van de activiteit; de activiteit aantoonbaar bijdraagt aan het toekomstbestendiger maken van het bedrijventerrein; de activiteit een multiplier effect heeft voor ontwikkelingen op het bedrijventerrein; de collectiviteit van de te realiseren fysieke maatregelen voldoende wordt aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein; de som van het aantal toegekende punten aan de activiteit op basis van artikel 28.8, tweede lid, minder bedraagt dan 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie hoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor de indiening van de aanvraag; kosten voor marketing en promotie; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden en opstallen; kosten voor bodemsanering, voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van maatregelen die gerekend kunnen worden tot het regulier onderhoud van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na beëindiging van de openstellingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen’, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie: een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit, inclusief uitgewerkte meerjarenbegroting en realistische tijdsplanning; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: impact: de mate waarin de maatregel bijdraagt aan het vergroten van de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein; multiplier: de mate waarin de subsidie een multipliereffect heeft op ontwikkelingen op het bedrijventerrein; kwaliteit: de kwaliteit en haalbaarheid van het plan van aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: impact: ten hoogste 50 punten; multiplier: ten hoogste 30 punten; kwaliteit: ten hoogste 20 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.9</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 29 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor maatregelen biodiversiteit en klimaatadaptatie op bedrijfspercelen</h3>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelI Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bedrijfspand: gebouw of opstal gelegen op een bedrijventerrein; bedrijfsperceel: perceel gelegen op een bedrijventerrein en waarop één of meer bedrijfspanden zijn gevestigd; bedrijventerrein: terrein van ten minste één hectare dat bestemd is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; btw: belasting over toegevoegde waarde; biodiversiteit: soortenrijkdom aan planten, dieren of ecosystemen; groen dak: dak van een bedrijfspand met een maximale hellingshoek van 35 graden en met begroeiing; klimaatadaptatie: aanpassing van de fysieke leefomgeving, om de gevolgen van klimaatverandering door droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen te beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-292-301\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele maatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt voor het uitvoeren van een projectplan dat voorziet in de realisatie van fysieke maatregelen op bedrijfspercelen in Zeeland, die: bijdragen aan de toename van biodiversiteit op het bedrijfsperceel; en de gevolgen van tenminste één van de klimaataspecten droogte, hitte en wateroverlast door regenval verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregelen kunnen zowel de inrichting van het bedrijfsperceel betreffen, als aanpassingen aan daarop aanwezige bedrijfspanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of erfpachter van een bedrijfspand waaraan of een bedrijfsperceel waarop het projectplan wordt uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een projectplan komt voor subsidie in aanmerking voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het projectplan past binnen regels van het vigerende bestemmingsplan of omgevingsplan voor het bedrijfsperceel waarvoor de subsidieaanvraag wordt gedaan; de te realiseren maatregelen die onderdeel uitmaken van het projectplan volgen niet uit een verplichting in het kader van voorwaarden in verband met de ruimtelijke ordening; en het is aannemelijk dat het projectplan binnen 2 jaar na de datum van subsidieverlening is uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en openstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na beëindiging van de openstellingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet bestaan uit een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier subsidie biodiversiteit en klimaatadaptie bedrijfspercelen, zoals beschikbaar op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2, tweede lid, van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023, worden bij een aanvraag om subsidie gevoegd: het vastgestelde bestemmingsplan dat van toepassing is op het bedrijfsperceel waar de maatregelen zullen worden uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 en artikel 1.2.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023, wordt subsidie geweigerd: wanneer de aanvrager op het moment van ontvangst van de aanvraag al is gestart met de uitvoering van het projectplan waarvoor subsidie is aangevraagd; wanneer het projectplan in de rangschikking zoals vermeld in artikel 29.13, minder dan 30 punten toegekend krijgt; voor zover gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie heeft verstrekt voor de uitvoering van een of meer maatregelen die deel uitmaken van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023, tweede lid onder d, wordt de subsidie geweigerd wanneer de te verlenen subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.9</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,- per aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2910\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie: kosten van maatregelen voor herstel of aanleg van landschappelijke elementen; kosten van maatregelen ter verbetering van de waterhuishouding en het vasthouden en bergen van water; kosten van grondverzet; kosten van verwijdering van bestaande begroeiing en beplanting, als deze verwijdering nodig is voor uitvoering van de maatregelen in de subsidieaanvraag; kosten van overige maatregelen voor zover noodzakelijk voor uitvoering van de maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.11</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor het indienen van de aanvraag; kosten voor marketing en promotie in verband met de maatregelen uit de aanvraag; kosten voor benodigde vergunningen en ontheffingen; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden en opstallen; kosten voor afvoer van grond; kosten voor bodemsanering en afvoer van verontreinigde grond; kosten van maatregelen die gerekend kunnen worden tot het regulier onderhoud van het bedrijf van de aanvrager; kosten voor de bouw van opstallen; kosten voor de aanschaf van machines; kosten voor het wegwerken van achterstallig onderhoud; kosten voor de aanschaf van materialen, anders dan de materialen die nodig zijn voor het realiseren van de subsidiabele maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als toekenning van de subsidieaanvragen die in aanmerking komen voor een subsidie leidt tot overschrijding van het subsidieplafond, rangschikken gedeputeerde staten die aanvragen naarmate zij meer bijdragen aan de volgende criteria: biodiversiteit: de mate waarin het project bijdraagt aan de toename van biodiversiteit op het bedrijfsperceel; wateroverlast: de mate waarin het project bijdraagt aan de beperking van wateroverlast op het bedrijfsperceel en de directe omgeving; droogte: de mate waarin het project bijdraagt aan het beperken van droogte op het bedrijfsperceel en de directe omgeving; hitte: de mate waarin het project bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van hitte op het bedrijfsperceel en de directe omgeving;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking de volgende punten toe: voor biodiversiteit ten hoogste 20 punten, waarbij op de volgende subcriteria punten worden toegekend: realiseren van landschapselementen met struiken en bomen: 3 punten; creëren van een leefgebied voor flora en fauna: 3 punten; verschralen van graslanden: 3 punten; introduceren van lokaal passende plantensoorten: 3 punten; verhogen van de waterstand op het perceel: 2 punten; aanbrengen of realiseren van verblijfplaatsen voor fauna: 3 punten; creëren van verschillende gradiënten in het landschap: 3 punten; voor wateroverlast ten hoogste 10 punten, waarbij op de volgende subcriteria punten worden toegekend: hemelwaterafvoer loskoppelen van de riolering en hemelwater verwerken op eigenterrein middels berging of infiltratie: 5 punten; voorzieningen aanleggen die tenminste 30 millimeter neerslag ten opzichte van de verharding op het perceel kunnen bergen: 5 punten; voor droogte ten hoogste 10 punten, waarbij op de volgende subcriteria punten worden toegekend: voorzieningen voor nuttig gebruik van hemelwater op eigen terrein: 3 punten; hydrologische maatregelen voor een langdurige verhoging van de grondwaterstand op het terrein: 3 punten verhoging van de bodemvitaliteit en toepassing van speciale vegetatie om meer vocht in de bodem vast te houden: 4 punten; voor hitte ten hoogste 10 punten, waarbij op de volgende subcriteria punten worden toegekend: aanplant van struiken en bomen op tenminste 30% van het terrein rond de aanwezige bedrijfspanden: 4 punten; vervanging van bestaande verharding door verharding die minder warmte vasthoudt: 3 punten; aanleg van een groen dak met voldoende dikte op tenminste 30% van de op het perceel aanwezige daken: 3 punten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten van hoog naar laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, dan wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium biodiversiteit. Wanneer de aanvragen hetzelfde aantal punten hebben behaald op basis van het criterium biodiversiteit, dan vindt rangschikking plaats door loting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2913\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 is de subsidieontvanger verplicht: het project binnen 2 jaar na datum van de subsidieverlening uit te voeren; de getroffen maatregelen in stand te houden tot tenminste 5 jaar na de datum van vaststelling van de subsidie; tot 5 jaar na de datum van vaststelling op verzoek van gedeputeerde staten informatie te verstrekken over de resultaten die met de gerealiseerde maatregelen zijn bereikt voor zover het biodiversiteit en klimaatadaptie betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de aanvrager de termijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 30 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor apparaatskosten en maatregelen ter regulering van recreatiedruk in het kader van het Programma Natuur Zeeland</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 30.1 Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">apparaatskosten: kosten als bedoeld in artikel 1 van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">IKS: integrale kostensystematiek als bedoeld in aanwijzing 19 van het Uniform Subsidiekader (USK);</p>\n<p class=\"lf-p\">Programma Natuur: Programma Natuur Zeeland, gericht op natuurherstel van stikstof overbelaste Natura 2000-natuur, fase 1 2021-2023; recreatieve voorziening: faciliteit, zijnde een voorziening waar je gebruik van kunt maken, ten behoeve van recreatie of toerisme.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvangers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verstrekt aan organisaties en bestuursorganen die worden genoemd in het Programma Natuur Zeeland, voor zover zij gelet op hun grondgebied, taak of werkgebied naar het oordeel van gedeputeerde staten betrokken zijn bij de natuurherstelmaatregelen waarvoor subsidie wordt aangevraagd en waarop het Programma Natuur Zeeland betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond en openstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 30.2 Apparaatskosten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3021\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de besteding van voorbereidings- en onderzoeksuren in verband met het inbrengen en delen van kennis: ten behoeve van projecten en herstelmaatregelen uit fase 1 van het Programma Natuur Zeeland; ter onderbouwing van het op te nemen maatregelpakket in fase 2 van het Programma Natuur Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de subsidiabele activiteiten als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval begrepen: het leveren van monitoringsgegevens uit en rondom Natura 2000-gebieden op het gebied van ecologie en hydrologie aanvullend op wat geregeld is via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap en Natura 2000 monitoring; het organiseren van en deelnemen aan veldbezoeken in het kader van het Programma Natuur Zeeland; het leveren van specialistische kennis die nodig is ter onderbouwing van fase 2 van het Programma Natuur Zeeland; het meewerken aan het opstellen van een effectief maatregelpakket voor fase 2 van het Programma Natuur; het deelnemen aan overleg en planvorming ten behoeve van de uitvoering van fase 1 en ter voorbereiding van fase 2 van het Programma Natuur Zeeland; het leveren van specialistische kennis ten behoeve van het opstellen van Natuur Doel Analyses.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, onder a, kan subsidie worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3022\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier apparaatskosten en maatregelen ter regulering van recreatiedruk, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2, tweede lid, worden bij een aanvraag om subsidie gevoegd: een beschrijving van de activiteiten die voorafgaand aan de indiening van de subsidieaanvraag vanaf 1 januari 2023 zijn uitgevoerd, inclusief de bestede uren en de gemaakte apparaatskosten per activiteit; en een beschrijving van de activiteiten die de aanvrager verwacht na indiening van de aanvraag uit te voeren, inclusief een inschatting van de te besteden uren en van de apparaatskosten per activiteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3023\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor gemaakte apparaatskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die direct verbonden zijn aan de fysieke uitvoering van inrichting of beheer van een natuurterrein komen niet voor een subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3024\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiebedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, is de toepassing van de IKS voor de berekening van uurtarieven van personeel toegestaan, mits de subsidieaanvrager bij indiening van de aanvraag aantoont dat de systematiek en uurtarieven zijn getoetst en goedgekeurd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3025\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 5 van de Asv 2023 en artikel 1.2.1 wordt subsidie geweigerd: wanneer de apparaatskosten zijn gemaakt voor activiteiten die tot de reguliere werkzaamheden van de aanvragers behoren; wanneer de apparaatskosten al via een andere regeling of prestatieovereenkomst zijn of worden gedeclareerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3026\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, uiterlijk 31 december 2025 af te ronden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 30.3 Regulering recreatiedruk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3031\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor het treffen van maatregelen gericht op het verminderen van recreatiedruk op de Natura 2000-gebieden als genoemd in het Programma Natuur Zeeland en voor zover de maatregelen in het programma passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan in ieder geval worden verstrekt voor de volgende maatregelen: het doen van onderzoek naar: het aanpassen van de paden- of routestructuur of de toegankelijkheid van gebieden; het aanpassen, verwijderen, plaatsen of verplaatsen van een recreatieve voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie en bezoek; het aanpassen van openbare wegen, fietspaden of parkeerplaatsen. de uitvoering van: et aanpassen van de paden- of routestructuur of de toegankelijkheid van gebieden; het aanpassen, verwijderen, plaatsen of verplaatsen van een recreatieve voorziening; ommunicatie over de uit te voeren maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt niet verstrekt voor het beheer en onderhoud van maatregelen en niet voor toezicht op en handhaving van regelgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3032\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2, tweede lid, vermeldt de aanvraag voor zover van toepassing de per maatregel te realiseren oppervlakte in hectare en per natuurgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3033\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een te treffen maatregel leidt tot planologisch strijdig gebruik, kan de subsidie worden verleend onder de voorwaarde dat de subsidieontvanger aantoont dat het bevoegde bestuursorgaan meewerkt aan of bereid is mee te werken aan de benodigde wijziging van het bestemmingsplan dan wel aan het verlenen van een vergunning voor het beoogde planologisch strijdig gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3034\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">(Niet) Subsidiabele kosten en hoogte subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de kosten van de maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid, zijn interne loonkosten van een gemeente of waterschap niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorgaande leden, wordt, indien sprake is van staatssteun: maximaal een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit een Europese vrijstellingsverordening niet wordt overschreden; of en geen van de vrijstellingen uit de Europese vrijstellingsverordeningen van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3035\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.2.1 wordt subsidie voor de maatregelen als bedoeld in artikel 30.3.1, tweede lid, onder b, geweigerd voor zover de uitvoering van de bedoelde maatregelen in strijd komt met de bepalingen uit de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap Zeeland, de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Zeeland 2016 en het Natuurbeheerplan Zeeland omtrent de openstelling, toegankelijkheid en beleefbaarheid van natuurterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3036\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 is de subsidieontvanger verplicht: een verwijderde recreatieve voorziening tot vijf jaar na datum van vaststelling van de subsidie, verwijderd te houden; de maatregelen waarvoor subsidie wordt verleend, uiterlijk 31 december 2025 te hebben uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3037\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststellen subsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in paragraaf 1.7 Arrangement 1 is paragraaf 1.8 Arrangement 2 van toepassing op aanvragen tot en met € 10.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in de artikelen 1.8.5 en 1.8.8 wordt bij de aanvraag tot vaststelling van subsidies tot en met € 50.000,- een financiële verantwoording overgelegd en wordt de subsidie niet alleen vastgesteld op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken maar ook op basis van de financiële verantwoording waaruit moet blijken dat de subsidie is besteed aan de subsidiabele activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht alle overige gegevens aan te leveren die gedeputeerde staten nodig hebben in het kader van het afleggen van verantwoording over de besteding van de specifieke uitkering aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waaronder voor zover van toepassing de per maatregel gerealiseerde oppervlakte en de oppervlakte onderhanden in hectare en per natuurgebied.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 31 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Impuls Jongerencultuur</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bovenlokaal bereik: een bereik van ten minste twee gemeenten; culturele activiteit: activiteit waarin één of meer culturele disciplines beoefend en/of getoond worden; culturele disciplines: audiovisuele kunsten (bijvoorbeeld film, video); beeldende kunsten, architectuur en vormgeving (bijvoorbeeld schilderen, graffiti, fashion, beeldhouwen, graphics); cultureel erfgoed (bijvoorbeeld monumenten, archeologie); letteren (bijvoorbeeld poëzie, literatuur); podiumkunsten (bijvoorbeeld theater, muziek, dans); jongeren: natuurlijke personen in de leeftijdscategorie 14 tot en met 27 jaar; regionaal bereik: een bereik van drie of meer gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van culturele activiteiten die aansluiten bij de interesse en voorzien in de behoefte van jongeren en die door hen bezocht worden; en/of waaraan door hen wordt deelgenomen; en/of die door hen uitgevoerd worden; en die een toevoeging zijn op of een uitbreiding vormen van het bestaand cultureel aanbod in Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de activiteit vindt plaats in de provincie Zeeland; de activiteit neemt de vraag vanuit jongeren als belangrijkste uitgangspunt; in de aanvraag is voldoende onderbouwd dat jongeren worden betrokken bij de activiteit en in welke rol; de activiteit start vóór 1 januari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij subsidies hoger dan € 10.000,- en tot en met € 50.000,- geldt in aanvulling op het eerste lid het vereiste dat de activiteit minimaal een bovenlokaal bereik heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij subsidies hoger dan € 50.000,- gelden in aanvulling op het eerste lid de volgende vereisten: de activiteit heeft minimaal een regionaal bereik; de activiteit heeft een duurzaam karakter waarbij: de activiteit na afloop van de subsidieperiode aantoonbaar gericht is op voortbestaan; en het voortbestaan zonder provinciale subsidie financieel haalbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd, is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1 wordt subsidie voorts niet verstrekt indien: de aanvraag een activiteit betreft gericht op het ophalen van ideeën bij jongeren in verband met beleidsontwikkeling; de aanvraag een cultuureducatieve activiteit binnen het onderwijs betreft; de activiteit onvoldoende voorziet in de behoefte van jongeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidiebedrag en niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt: bij een subsidie tot en met € 10.000,-: maximaal 90% van de subsidiabele kosten; bij een subsidie hoger dan € 10.000,- en tot en met € 50.000,-: maximaal 80% van de subsidiabele kosten; bij een subsidie hoger dan € 50.000,-: maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 100.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van overheidsinstellingen niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor de aanschaf van muziekinstrumenten; kosten voor de aanschaf van apparatuur zoals laptops, telefoons en soortgelijke producten die ook voor andere doeleinden te gebruiken zijn; kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan reeds subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.6</span><span class=\"lf-art-t\">De-minimissteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L, 2023/2831, 15.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2831/oj) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Impuls Jongerencultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het projectplan, bedoeld in artikel 1.4.2, tweede lid, onderdeel a, beschrijft in ieder geval de inhoud van de activiteit en de rol van jongeren daarbij en beslaat: bij een aangevraagd subsidiebedrag tot en met € 10.000,- maximaal 2 pagina’s A4; bij een aangevraagd subsidiebedrag hoger dan € 10.000,- maximaal 4 pagina’s A4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aangevraagd subsidiebedrag hoger dan € 50.000,- bevat de aanvraag tevens een concrete beschrijving van maximaal 1 pagina A4 hoe het voortbestaan van de activiteit richting de toekomst wordt geborgd, inclusief een realistisch financieel plan van aanpak ter borging van de toekomstige activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend binnen de openstellingsperiode die door gedeputeerde staten is vastgesteld in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen per openstellingsperiode als bedoeld in artikel 31.7, derde lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel31.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelwijze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd paragraaf 1.6 is de subsidieontvanger verplicht mee te werken aan activiteiten met betrekking tot onderzoek en evaluatie in het kader van de specifieke uitkering Impuls Jongerencultuur.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 32 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor aankoop van NNN-gronden (Subsidieregeling Grondverwerving Natuurnetwerk Zeeland)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beheertype: natuur- of landschapsbeheertype;</p>\n<p class=\"lf-p\">DAEB Kaderregeling: EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (PbEU 2012, C 8); marktwaarde: de waarde van de grond vastgesteld door middel van een onafhankelijke taxatie, gebaseerd op algemeen aanvaarde marktindicaties en taxatiecriteria; natuur- of landschapsbeheertype: beheertype genoemd in bijlage 2 of bijlage 1 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zeeland 2016, als beschreven in de Index Natuur en Landschap, te raadplegen via de website www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap; natuurbeheerplan: plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Zeeland 2016, zoals geldend op het moment van de subsidieaanvraag; natuurterrein: binnen de provincie gelegen gronden met als hoofdfunctie natuur die in het natuurbeheerplan is aangeduid, alsmede grond waarvoor reeds een subsidie is verleend op grond van deze regeling dan wel op grond van artikel 15 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Zeeland;</p>\n<p class=\"lf-p\">NNN: Natuurnetwerk Nederland, zijnde een samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang als opgenomen en begrensd in de provinciale omgevingsverordeningen; verwerving: verkrijging van het recht van eigendom door middel van koop of ruil; waardevermindering: verschil tussen enerzijds de marktwaarde van de grond bij verwerving en anderzijds de marktwaarde van de grond na omzetting in natuurterrein, gebaseerd op een onafhankelijke taxatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het realiseren van natuur door middel van het verwerven van grond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie als bedoeld in artikel 32.2 kan worden verstrekt aan een ieder die duurzaam natuurbeheer verricht dan wel kan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 32.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 32.2 bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 32.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen indien zij dit relevant achten voor de beoordeling van de subsidieaanvraag, een hertaxatie van de marktwaarde van de grond als bedoeld in artikel 32.1, onder i, laten verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of de maximaal toelaatbare vergoeding op grond van Europese regels of dit besluit te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien: reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project; het project betrekking heeft op grond waarvan reeds duurzaam geborgd is dat deze als natuur in stand wordt gehouden; het project de uitvoering betreft van wettelijke taken, regelingen of verplichtingen die uit convenanten voortvloeien; de subsidieontvanger een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in punt 20 van de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (Pb EU 2014 C49).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van paragraaf 1.3 komen uitsluitend en voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: de waardevermindering van de grond; veilingkosten; overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend; kosten voor bodemonderzoek; kadasterkosten; notariskosten; taxatiekosten; bemiddelingskosten; kosten voor de aanvraag tot wijziging van een bestemmingsplan; kosten voor de afkoop van landinrichtingsrente, voor zover niet meegenomen in de waardevermindering als bedoeld onder a; kosten van het opstellen van een controleverklaring door een accountant bedoeld in artikel 32.13.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.7</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 32.6 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: compensabele of verrekenbare btw; kosten waarvoor reeds eerder een subsidie of een bijdrage is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.8</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend bij gedeputeerde staten door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidieregeling Grondverwerving Natuurnetwerk Zeeland’, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie bevat ten minste de in het aanvraagformulier voorgeschreven bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.4.2 en in aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, aanhef en onder a, bevat het projectplan ten minste de in artikel 32.9 onder c bedoelde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 32.9 wordt een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 32.2 ingediend uiterlijk op de dag vóór het passeren van de notariële akte van levering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de subsidieaanvrager verricht blijkens haar statutaire doelstellingen duurzaam natuurbeheer dan wel maakt voldoende aannemelijk duurzaam natuurbeheer te kunnen verrichten overeenkomstig het Natuurbeheerplan; het project heeft betrekking op grond: die deel uitmaakt van in de provincie Zeeland gelegen NNN en in het Natuurbeheerplan is aangeduid als te realiseren natuur; of die op grond van een ecologische onderbouwing aantoonbaar geschikt is om op voorzienbare termijn toe te voegen aan het NNN; aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten in dit artikel; een kadastrale omschrijving van de grond en een kaart met topografische ondergrond met een schaal van ten hoogste 1:10.000, met daarop de ligging van de grond; een inrichtingsschets voor de te verwerven gronden, waaruit tenminste het beoogde beheertype, de te nemen maatregelen en de oppervlakte van de te realiseren natuur blijkt; een onderbouwing van de kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.10</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafonds en verdelingswijze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 32.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie. Gedeputeerde staten stellen hierbij tevens het aanvraagformulier als bedoeld in artikel 32.8, eerste lid, vast Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.5 en in afwijking van artikel 1.6.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen. De subsidieontvanger: verwerft de grond binnen 13 weken na subsidieverlening; werkt samen met de beheerders van omliggende natuurterreinen om tot een samenhangend beheer te komen; dient bij het bevoegd gezag een aanvraag in tot wijziging van de bestemming inhoudende dat de grond enkel als natuur mag worden gebruikt; stelt Gedeputeerde Staten in kennis van het voornemen de grond te vervreemden, in erfpacht uit te geven of daarop zakelijke rechten te vestigen; houdt gedurende 10 jaar na subsidieverlening alle gegevens inzake de subsidieverstrekking beschikbaar; houdt een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten; laat eventuele opbrengsten van economische activiteiten van het project ten goede komen aan het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het wegens onvoorziene omstandigheden niet mogelijk is om binnen de in het eerste lid, onder a tot en met d, gestelde termijn de vermelde verplichtingen na te komen, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging van die termijn met maximaal 1 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid, sluit de subsidieontvanger binnen 4 weken na subsidieverlening met Gedeputeerde Staten een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Awb, waarin is opgenomen: de verplichting van de eigenaar om voor onbepaalde tijd de ontwikkeling dan wel instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype te dulden; de verplichting van de eigenaar de betreffende grond na inrichting niet te gebruiken of te doen gebruiken als landbouwgrond en datgene na te laten wat de ontwikkeling en instandhouding van het op grond van het Natuurbeheerplan te realiseren beheertype in gevaar brengt of verstoort; dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, zullen overgaan op degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn degene die van de rechthebbende een recht op gebruik van het goed zullen krijgen; dat de verplichtingen, bedoeld onder a en b, als kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 BW, zullen worden ingeschreven in de openbare registers en binnen welke termijn deze inschrijving dient plaats te vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.12</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op aanvraag een voorschot van ten hoogste 80% van de maximale subsidie verlenen, mits de aanvraag vergezeld gaat van een overzicht van de gemaakte kosten en de betalingsbewijzen daarvan, dan wel van goedgekeurde offertes waaruit de betalingsverplichtingen blijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32.13</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievaststelling en verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het verstrekken van subsidie voor aankoop van NNN gronden zijn de paragrafen 1.7, 1.8 en 1.9 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen subsidies ingevolge de DAEB-kaderregeling vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger dient uiterlijk twaalf weken na het passeren van de notariële akte van levering van de te verwerven grond waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger toont bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken: een afschrift van de notariële akte betreffende de kwalitatieve verplichting, bedoeld in artikel 32.11, derde lid, onder d en de inschrijving daarvan in de openbare registers; indien sprake is van economische activiteiten, een overzicht van de wijze waarop de opbrengsten, bedoeld in artikel 32.11, eerste lid, onder g, ten goede zijn gekomen aan het project. een afschrift van de aanvraag tot wijziging van de bestemming, bedoeld in artikel 32.11, eerste lid, onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het tweede lid, overlegt de subsidieontvanger een afschrift van de leveringsakte van de grond en de inschrijving daarvan in de openbare registers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de voorgaande leden, overlegt de subsidieontvanger een controleverklaring als bedoeld in artikel 1.9.5 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk33Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-331\"><span class=\"lf-art-num\">§33.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking en overgangsrecht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijft van toepassing op besluiten omtrent subsidie die zijn genomen voor 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijft van toepassing op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijft van toepassing op aanvragen om subsidie die worden ingediend na 1 januari 2023 voor zover deze worden ingediend in het kader van een tenderprocedure waarvan de openstellingsperiode is aangevangen voor 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is niet van toepassing op aanvragen om integrale kosten subsidies als bedoeld in hoofdstuk 2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-332\"><span class=\"lf-art-num\">§33.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en aanhaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023’, afgekort tot ‘Asb 2023’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van 20 december 2022.Drs. J.M.M. Polman, voorzitterA.W. Smit, secretarisBijlageA als bedoeld in artikel 1.9.7van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Uitgangspunten</h3>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Doelstelling Dit controleprotocol heeft betrekking op subsidies die de provincie Zeeland verstrekt aan instellingen op grond van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 (afgekort Asb 2023).</p></div>", "next": 239424}