{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Restaurants zijn eetgelegenheden met een restaurantvergunning die volledige maaltijden mogen verstrekken. Tevens worden ook nachtrestaurants hiertoe gerekend. De restaurants hebben veelal een positief effect op het leefmilieu. Zij veroorzaken over het algemeen weinig overlast en laten zich goed mengen met andere functies.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Cafés/bars Deze grootste categorie bevat alle alcoholhoudende drank verstrekkende cafés, bars, partycentra, biljartcentra etc. met diverse openingstijden. Het betreft ook eetcafés, brasseries en petit-restaurants omdat deze geen volledige maaltijden (in tegenstelling tot restaurants) verstrekken, en veelal met een cafévergunning werken. Veelal is het 'café' de hoofdactiviteit.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een aparte categorie omdat deze door de verstrekking van drank een overlastkern in zich houdt. Ook de uitstraling van terrassen rechtvaardigt het onderscheid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Fastfood Met deze groep wordt gedoeld op bedrijven die niet over een drank- en horecavergunning beschikken maar wel voornamelijk etenswaren verstrekken al dan niet in combinatie met alcoholvrije dranken. Aantasting van het woon- en leefklimaat wordt voornamelijk veroorzaakt door afval van buiten de vestiging geconsumeerde consumpties en stank- en of geluidsoverlast.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een onderscheid in de volgende twee categorieën fastfood is gewenst: a. Fastfood restaurants (met overwegend zitplaatsen/restaurants') Met deze groep wordt gedoeld op bedrijven die vanwege hun grootschaligheid en laagdrempelig karakter veel jongeren aantrekken. b. Fastfood met overwegend toonbankloket activiteiten Deze zaken zijn hoofdzakelijk ingericht voor het meenemen dan wel snel nuttigen ter plaatse van eetwaren. Het betreft hier snackbars, cafetaria's, lunchrooms, shoarmabedrijven, croissanteries etc. Als toetsingscriterium wordt gehanteerd een vloeroppervlak dat voor minder dan 40% als zitruimte voor klanten is ingericht. De overlast door dit type horeca bedrijven wordt vooral veroorzaakt doordat klanten hun consumpties veelal op straat nuttigen en dikwijls ook de resten en verpakkingen weggooien en de zuigende werking op bezoekers tot diep in de nacht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Coffeeshop Hier wordt gedoeld op die horecabedrijven waar - binnen de bekende gedoogrichtlijnen van het Openbaar Ministerie - soft drugs worden verstrekt. Deze bedrijven vergen eigenlijk een afzonderlijke behandeling. De verkoop van soft drugs wordt onder bepaalde voorwaarden gedoogd. Bij omwonenden kunnen zij door hun uitstraling en publiek gevoelens van onbehagen veroorzaken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duidelijkheid zij er nog bij vermeld, dat het uitsluitend een alcoholvrij bedrijf mag betreffen. Alcoholverstrekkende 'coffeeshops' zijn in strijd met artikel 14 van de Drank- en Horecawet en worden niet getolereerd. Bovendien moet de combinatie van drugs en alcohol zoveel mogelijk worden voorkomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Zalenverhuur Het betreft cafés/restaurants en hotels met verhuur van een zaal voor besloten partijen (bruiloften e.d.).</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel zalenverhuur qua drankverstrekking en soms qua openingstijden overeenkomt met bovenstaande categorie heeft 'zalenverhuur' veelal een meer besloten karakter, waardoor er minder overlast veroorzaakt wordt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Nachtzaken Dit zijn dancings, discotheken, sociëteiten die geopend zijn tussen circa 22.00 uur en 06.00 uur, die dansgelegenheid bieden en waar alcoholische drank verstrekt wordt. Ook cafés met een dansvloer van &gt;10m2 vallen in deze categorie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze zaken kunnen het woon- en leefklimaat aantasten door de openingstijden en vooral wanneer 's nachts in korte tijd veel mensen tegelijk het bedrijf verlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een disco/dansgelegenheid trekt een bepaald publiek (zelfstandige stroom van bezoekers) aan, dat niet primair komt voor eten en/of drinken. In de horecapraktijk kent echter een aantal gemengde bedrijven, dat naast gewone caféfaciliteiten ook gelegenheid biedt tot dansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen of een inrichting een disco is of niet, kunnen de volgende punten als richtlijn dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minimaal benodigde muziekniveau in een disco is 90 dB, met levende muziek iets hoger. Er moet derhalve een geluidsinstallatie aanwezig zijn die minimaal 90 dB kan/mag produceren; bij een lager geluidsniveau is het minder aantrekkelijk om te dansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichting biedt regelmatig gelegenheid tot dansen. Als het café in het weekend tevens dienst doet als discotheek, is dat regelmatig gelegenheid bieden tot dansen (minimaal twee keer per week). Eén keer per maand is niet regelmatig genoeg om als disco te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan een inrichting zich als disco profileren, bijvoorbeeld door het uitdelen van flyers, of advertenties (via internet) waarin een overzicht gegeven wordt van allerlei geplande programma’s (bijvoorbeeld live-muziek). Daarnaast kan de ‘aankleding’ een rol spelen: is er sprake van speciale discoverlichting (lampen en/of andere lichteffectvoorzieningen), wat staat er aan de buitenkant (‘kom dansen!’) en is er binnen fysieke ruimte (een open plek) om te dansen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De grootte van de dansvloer. Voorheen gold het criterium van een dansvloer van ten minste 10 m2 voor een vergunningplichtig bedrijf krachtens de Hinderwet/Wet Milieubeheer. Nu deze vergunningplicht is vervallen kan niet aan deze norm worden vastgehouden. Vaak is het moeilijk te bepalen of er een dansvloer van 10m2 of meer is. Op de dag staan er in de zaak tafeltjes, ’s avonds zijn deze aan de kant geschoven en is er dansgelegenheid. In lang niet alle gevallen is er sprake van een opgehoogde dansvloer (en zelfs daar kunnen ook nog tafels en stoelen staan), en ook langs de bar (als hier een ruime doorloop is) wordt gedanst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kunnen leeftijdscontrole, portiers aan de deur en de heffing van entreegeld een aanwijzing zijn dat het om een disco gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaande tabel is de categorie-indeling volgens het bestemmingsplan gecombineerd met de typen-indeling van overlastgevende bedrijven volgens de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uit dit schema blijkt, valt categorie 2 (Additionele horeca) NIET onder één van de aangegeven horecacategorieën (1 t/m 3). Het betreft hier namelijk een vorm van horeca die als ondergeschikte nevenactiviteit wordt gekwalificeerd. De indeling naar bestemming is gebaseerd op de hoofdactiviteit, bijvoorbeeld “detailhandel” (een bakker of tuincentrum met koffiehoekje), “sport” (een voetbalvereniging met kantine) of “sociaal-cultureel” (een buurthuis, een theater of bioscoop met bargelegenheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Combinaties / twijfelgevallen Wanneer een bedrijf zich richt op twee of meerdere activiteiten, kan twijfel ontstaan over het gewicht van de ene activiteit ten opzichte van de ander. Het is dan onduidelijk op welke activiteit het horecabedrijf in hoofdzaak is gericht en het bedrijf kan daarom onder twee of, in sommige gevallen zelfs onder drie categorieën geschaard worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te mate van overlast te bepalen wordt het bedrijf in dat geval ingedeeld in de zwaarste van de relevante categorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strijd met bestemmingsplan Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan moet worden gekeken naar de omschrijving zoals die is vermeld onder de hiervoor genoemde horecacategorieën 1 t/m 3. Voor zover een aanvraag om een exploitatievergunning strijdig is met het bestemmingsplan, kan de vergunning worden geweigerd op grond van artikel 2.3.1.3.B, lid 1 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadelige beïnvloeding van de woon- of leefsituatie / openbare orde of veiligheid Is er geen sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan, dan moet vervolgens worden bezien of er sprake is van een nadelige beïnvloeding van de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid door de aanwezigheid van het horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, wordt gekeken naar de omschrijving zoals die is vermeld onder de hiervoor de genoemde horecacategorieën 1 t/m 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de situatie dat de vestiging van een horecabedrijf wél past binnen het bestemmingsplan, maar een nadelige beïnvloeding van de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid tot gevolg zal hebben, kan de vergunning in principe worden geweigerd op grond van artikel 2.3.1.3.B, lid 2 en 3 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, dat kan niet zomaar. Om te voorkomen dat willekeur ontstaat in afwegingscriteria, moet het antwoord op de vraag of de vestiging van een (type) horecabedrijf de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig beïnvloedt, worden gevonden in een vastgesteld (beleids)document (bestemmingsplan). In het bestemmingsplan staat dan aangegeven in welke delen van een stad welke typen horecabedrijven zich al dan niet kunnen vestigen, waar uitbreiding van bestaande typen horecabedrijven al dan niet is toegestaan, waar consolidatie plaatsvindt en waar een uitsterfbeleid geldt. De aanvraag kan dan aan de uitgangspunten van een dergelijk door het gemeentebestuur vastgesteld bestemmingsplan worden getoetst. Er zal op basis daarvan een vergunning kunnen worden verleend of worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zal echter steeds worden nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op dit beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen te worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de aantasting van de woon- of leefsituatie en/of de openbare orde of veiligheid in de omgeving van een horecabedrijf moet de burgemeester, op grond van artikel 2.3.1.3.b, lid 2 APV, rekening houden met het karakter van de straat en de wijk waarin het bedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse al blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf. Ook houdt de burgemeester rekening met de wijze van bedrijfsvoering van de houder of leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat de vestiging van dit horecabedrijf de woon- of leefsituatie en/of de openbare orde of veiligheid in de omgeving nadelig beïnvloedt, zal aanvullend worden bezien of deze nadelige invloed kan worden ondervangen door het stellen van aanvullende voorwaarden in de exploitatievergunning óf door het opleggen van nadere eisen op basis van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.4.2 van de bij dit besluit behorende bijlage is bepaald dat degene die de inrichting drijft zodanige maatregelen en voorzieningen treft dat hinder, veroorzaakt door komende en vertrekkende bezoekers, wordt voorkomen dan wel, voor zover dit niet mogelijk is, zoveel mogelijk wordt beperkt. Die voorzieningen en maatregelen kunnen betrekking hebben op: het geleidelijk aankondigen van het sluitingstijdstip; het gebruik van aanwezige toe-, in- of uitgangen; het gebruik van tot de inrichting behorende parkeervoorzieningen; het gebruik of de periode van openstelling van de inrichting of delen ervan; het houden van toezicht in de directe omgeving van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan een goede organisatie van de parkeervoorzieningen en het houden van toezicht een beperking van de overlast opleveren en kan het dagelijks bestuur op basis van artikel 5 van dat Besluit in verband met voorschrift 4.1.4 uit de bijlage bij dat Besluit nadere eis stellen ten aanzien van: het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting; de periode van openstelling van de gehele inrichting, een terras, een parkeerterrein of een ander gedeelte van de inrichting; de situering van een terras of een parkeerterrein; het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden genomen, waaronder regels ten aanzien van aan- en afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover op voorhand duidelijk is dat met het opleggen van de hiervoor beschreven maatregelen, de nadelige invloed op het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde en veiligheid niet kan worden voorkomen, dan kan de vergunning worden geweigerd op grond van artikel 2.3.1.3.B, lid 2 en 3 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens artikel 1.4 van de APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de exploitatievergunning. Denkbaar is dat die betrekking hebben op dezelfde onderwerpen als hiervoor genoemd, indien daarmee wordt beoogd de openbare orde of de woon en leefomgeving te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Wijze van bedrijfsvoering Een exploitatievergunning kan worden geweigerd op grond van de wijze van bedrijfsvoering (artikel 2.3.1.3.B, lid 3 APV). Het is niet mogelijk om een limitatieve opsomming te geven van handelswijzen die leiden tot de weigering van een exploitatievergunning wegens de wijze van bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, richtinggevend voor een dergelijke weigeringsgrond is bijvoorbeeld het feit dat een eerdere vergunning van de exploitant is ingetrokken of dat meerdere sancties zijn opgelegd wegens voortdurende overtreding van de vergunningsvoorschriften of ernstige vormen van hinder/overlast door de wijze van exploiteren van het betreffende horecabedrijf in het recente verleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens kan worden onderzocht of de gewenste exploitatievorm en wijze (soort onderneming, de doelgroep, de visie, de uitstraling en mogelijk verdere ontwikkelingsmogelijkheden) past binnen in paragraaf 4.4 beschreven typen horecabedrijven. Op basis daarvan kan in redelijke mate worden ingeschat of de wijze van exploiteren van het horecabedrijf, het woon- en leefklimaat ter plaatse nadelig kan of zal beïnvloeden Ook het feit dat de ondernemer een horecabedrijf wil exploiteren / exploiteert met een leidinggevende die niet in het bezit is van een rechtsgeldige verblijfstitel, of een horecabedrijf exploiteert of heeft geëxploiteerd waarin zich zaken hebben voorgedaan of waarvan het vermoeden bestaat dat zich zaken voordoen zoals genoemd in artikel 2.3.1.3.B, lid 5 onder a tot en met f van de APV, getuigen voorts niet van een verantwoorde wijze van bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afval Ook het continue vervuilen van de omgeving van het horecabedrijf door de wijze van exploiteren van het horecabedrijf, heeft een directe relatie met de wijze van bedrijfsvoering door de horecaondernemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4.1. van de bijlage behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, is degene die de inrichting (het horecabedrijf) drijft verantwoordelijk voor het opruimen van de omgeving voor zover aldaar etenswaren, verpakkingen e.d. rondzwerven die afkomstig zijn uit het betreffende horecabedrijf. Het betreft een straal van omstreeks 25 meter rondom het bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Levensgedrag De ondernemer en de overige leidinggevenden in en van een horecabedrijf waarin bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, hebben een bijzondere verantwoordelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook leidinggevenden van horecabedrijven waar géén alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, hebben een bijzondere verantwoordelijkheid. De aanwezigheid van elk type horecabedrijf (alcoholverstrekkend én alcoholvrij) kan, door de wijze waarop het bedrijf wordt geëxploiteerd, namelijk met zich mee brengen dat de openbare orde wordt verstoord of het omliggende woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verantwoordelijkheid brengt derhalve met zich mee dat drempels moeten worden opgeworpen tegen personen die - blijkens hun(strafrechtelijke) verleden - onvoldoende beschikken over de bij het verstrekken van alcohol en het exploiteren van een horecabedrijf horende bijzondere verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid is belangrijk. De ondernemer en leidinggevende moet blijk geven van voldoende moraliteit. .</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidinggevenden in de horeca die zelf strafbare feiten hebben gepleegd zijn immers onvoldoende in staat hun klanten op naleving van waarden en normen aan te spreken. Van dergelijke leidinggevenden wordt aangenomen dat zij niet kunnen tegenhouden dat criminele groeperingen zich nestelen in een horecabedrijf, omdat zij zelf een geschonden blazoen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat kader is het voorts van belang te beoordelen hoeveel strafbare feiten zijn gepleegd, wanneer deze feiten zijn gepleegd en of de betrokken leidinggevende voor deze strafbare feiten binnen de laatste vijf jaar meer dan één maal onherroepelijk is veroordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschillende regelgeving Het feit dat een persoon van goed levensgedrag moet zijn om een openbaar toegankelijke inrichting te mogen exploiteren is in verschillende regelgeving nader uitgewerkt. In bijlage 12 is een en ander nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de bevoegdheid om justitiële documentatie op te vragen is ondergebracht bij verschillende organen; de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders. De eisen omtrent het levensgedrag van personen die een openbaar toegankelijke inrichting exploiteren zijn ook in verschillende wet- en regelgeving te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Justitiële en strafvorderlijke gegevens Een bestuursorgaan dat moet beoordelen of een persoon beschikt over voldoende moraliteit, moet wel kunnen beschikken over daartoe van belang zijnde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wet op de justitiële en strafvorderlijke gegevens is nader uitgewerkt welk orgaan waarvoor gegevens kan opvragen uit het justitiële documentatieregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 13 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en het bepaalde in artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens, kan: het college van burgemeester en wethouders informatie opvragen uit het justitiële documentatieregister met betrekking tot personen die als leidinggevenden worden opgegeven bij de aanvraag van een drank- en horecavergunning; de burgemeester op grond van genoemde artikelen informatie opvragen uit het justitiële documentatieregister met betrekking tot personen die een aanwezigheidsvergunning aanvragen op grond van de Wet op de kansspelen..</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens niet de gemeentelijke exploitatievergunning wordt opgesomd, betekent dit dat de burgemeester géén gegevens uit het justitiële documentatieregister kan opvragen van personen die een exploitatievergunning (o.g.v. de APV) aanvragen. Dit gebrek aan informatie doet zich overigens alleen voor bij alcoholvrije bedrijven. Van de ondernemer die naast de exploitatievergunning tevens een drank- en horecavergunning aanvraagt, zijn deze gegevens zoals vermeld wél beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van het levensgedrag van personen in een alcoholvrij bedrijf kan de burgemeester in dat geval alléén gebruik maken van de gegevens zoals die zijn opgenomen in de Politieregisters. De burgemeester kan deze gegevens opvragen op grond van het bepaalde in artikel 15, lid 1 onder b 2 van de Wet politieregisters (handhaving van de openbare orde) .</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van het levensgedrag Voor de aanvraag van een drank- en horecavergunning moet een leidinggevende: op grond van het bepaalde in artikel 8, lid 2 onder b van de Drank- en Horecawet niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; op grond van het bepaalde in artikel 8, lid 3 van de Drank- en Horecawet voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. de aanvraag van een aanwezigheidsvergunning moet een leidinggevende: op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 1 onder b van het Speelautomatenbesluit 2000 niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; grond van het bepaalde in de leden 4 t/m 7 van het Speelautomatenbesluit 2000 moet voorts worden voldaan aan limitatief opgesomde moraliteitseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de aanvraag van een exploitatievergunning wordt: op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.3.B van de APV rekening gehouden met het levensgedrag van de ondernemer en leidinggevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van het levensgedrag wordt dus gebruik gemaakt van verschillende beoordelingskaders. Enerzijds vindt de beoordeling van het levensgedrag plaats op basis van een niet nader omschreven kader. Anderzijds vindt beoordeling plaats aan de hand van een limitatief opgesomd aantal gedragingen in verschillende besluiten. De vraag doet zich dan voor of een persoon van slecht levensgedrag is als hij wel antecedenten heeft, maar die antecedenten niet voorkomen in de limitatieve opsomming in de in de betreffende regelgeving (Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, Speelautomatenbesluit 2000) opgesomde gedragingen. Mag iemand er van uitgaan dat, voor zover hij/zij geen misdrijf heeft gepleegd zoals omschreven in de voormelde regelgeving, zonder meer sprake is van “goed levensgedrag” ?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is nu de relatie tussen de vrije beoordeling van het levensgedrag en de limitatief opgesomde gedragingen in de verschillende besluiten ? De toets van slecht levensgedrag leidt dus dikwijls tot discussie en roept veel vragen op. Wat zegt de jurisprudentie daarover?</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrije beoordeling Blijkens de jurisprudentie is de vrije toetsing van het levensgedrag zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 onder b van de Drank- en Horecawet niet aan regels gebonden. Uit de Nota van toelichting op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet blijkt dat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid een nadere omschrijving te geven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Op deze wijze ontstaat er meer beoordelingsruimte voor het bestuursorgaan. Een bestuursorgaan heeft dus een breed vlak tot de beschikking om daarbinnen het levensgedrag van een exploitant te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dan ook vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, niet van toepassing is op de eis inzake het slecht levensgedrag als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Drank- en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling volgens de besluiten Echter de in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (en ook het speelautomatenbesluit 2000), omschreven overtredingen en misdrijven geven een aanvrager wél een reële indicatie op mogelijke vergunningverlening of –intrekking. Daarmee biedt dit besluit de aanvrager op voorhand dus een duidelijk toetsingskader. Heeft de aanvrager zich schuldig gemaakt aan de in de Besluiten omschreven daden, dan komt hij/zij sowieso niet in aanmerking voor een vergunning of wordt een verleende vergunning ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet nadrukkelijk niet uit het oog worden verloren dat het niet zo is dat voor zover een aanvrager géén van de in de Besluiten omschreven daden heeft gepleegd, het goed levensgedrag daarmee dan een gegeven is. Het gemeentebestuur heeft, zoals vermeld, altijd de bevoegdheid voor een zelfstandige beoordeling van de feiten. Het staat de gemeente dus vrij andere dan de in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 of het Speelautomatenbesluit 2000 genoemde feiten ten grondslag te leggen aan het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een nadere invulling ontbreekt, is het bestuursorgaan bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus aan het gemeentebestuur om in die situaties gemotiveerd aan te geven waarom de beoordeelde feiten, in afwijking van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 of het speelautomatenbesluit 2000, reden zijn om te oordelen dat sprake is van slecht levensgedrag in de zin van de wet. Daarbij is het overigens van belang te weten dat bij deze beoordeling slechts de periode van vijf jaren voorafgaand aan de datum van de beslissing op verzoekers aanvraag meegewogen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester zal bij de beoordeling niet aan strenge eisen hoeven te voldoen om te kunnen bepalen of iemand een slecht levensgedrag heeft. De eerste reden hiervan is dat in het bestuursrecht de aannemelijkheid (tot het oordeel kunnen komen) een rol speelt. Voldoende is dat uit het feitencomplex dat naar voren komt uit de politierapporten voldoende aannemelijk is dat een exploitant van slecht levensgedrag is. Dit betekent dat niet vereist is dat een exploitant onherroepelijk veroordeeld is (geweest) of een strafblad heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een zeer recente uitspraak van 24 maart 2004 oordeelde de Afdeling dat de nog niet onherroepelijke veroordeling ten grondslag kon worden gelegd aan de weigering van de exploitatievergunning. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag moet het bestuursorgaan een bestuurlijke afweging maken die meer omvat dan het eindresultaat van het strafproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring omtrent gedrag (VOG) In artikel 2.3.1.3.A, lid 2 onder d van de APV staat vermeld dat bij de aanvraag van een exploitatievergunning een “Verklaring omtrent het gedrag” moet worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat een VOG wordt afgegeven, betekent niet zonder meer dat iemand van goed levensgedrag is. Ook hier geldt dat de burgemeester een vrije beoordeling heeft met betrekking tot het levensgedrag van de leidinggevende. Bij de beoordeling van het levensgedrag zoals bedoeld in artikel 2.3.1.2, lid 7 van de APV, worden, naast de onherroepelijke veroordelingen, tevens antecedenten betrokken die zijn vastgelegd in de Politieregisters. Het kan dus voorkomen dat er, ondanks het overleggen van een VOG, naar het oordeel van de burgemeester, toch sprake is van slecht levensgedrag, bijvoorbeeld op basis van gegevens uit het Politieregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Opening- en sluitingstijden Horecabedrijven zijn niet alleen van belang voor de levendigheid en de economie van de stad, maar zij kunnen ook vormen van overlast met zich meebrengen. Om deze vormen van overlast te kunnen inperken staan verschillende instrumenten ter beschikking. Eén van deze instrumenten is het hanteren van een sluitingstijd voor horecabedrijven. Iedere vorm van sluitingstijd of het vrijlaten daarvan heeft vóór- en nadelen. In Leerdam is in de APV geen regeling opgenomen omtrent vaste opening- en sluitingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlast Er zijn vanuit de politie, de horecabranche, bewoners of anderszins, geen aanwijzingen op basis waarvan moet worden geoordeeld dat het huidige regime leidt tot voortdurende en onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of verstoring van de openbare orde. Wel is gebleken dat er in de nachtelijke uren geregeld overlast ontstaat op de openbare weg afkomstig van horecabezoekers (wildplassen, geschreeuw, vernieling e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kan het gelijktijdig sluiten van horecabedrijven leiden tot een moment van (grote) drukte op straten waar horeca is gevestigd. Dat kan leiden tot agressie en geweld. Dit zal moeten leiden tot extra en gerichte inzet van politie gedurende de nachtelijke uren. Die extra inzet is, gelet op het feit dat omliggende gemeenten een sluitingstijdenregime kennen (en de politie aldaar juist ten tijde van de sluitingstijden zichtbaar moet zijn), en gelet op de beperkte politiecapaciteit, niet beschikbaar. Het instellen van sluitingstijden kan voorts als nadeel hebben dat het de horecaondernemer moeite kan kosten om publiek te laten vertrekken. Dit kan leiden tot escalatie en verstoring van de (openbare) orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voordeel van het huidige regime is dat horecabezoekers meer gespreid vertrekken. Dit leidt tot minder (openbare) orde belasting in de kwetsbare uren en minder belasting van de politiecapaciteit. Taxibedrijven kunnen beter inspelen op behoefte van het horecapubliek. Voorts ontstaat er minder druk en stress op ondernemers van snack- en broodjeszaken om de zaak “leeg te krijgen”op het slutingstijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens blijkt uit onderzoek dat de keuze voor een bepaald sluitingstijdenregime geen relatie heeft met factoren als de ligging en omvang van gemeente, de omvang en aard van de horecabedrijven, de beschikbare politiecapaciteit, economische, toeristische en regionale motieven. De keuze voor een bepaald sluitingstijdenregime wordt nagenoeg altijd ingegeven door de wens om de openbare orde en veiligheid te verhogen. Het invoeren van vaste sluitingstijden in een situatie waarbij omliggende gemeenten sluitingstijden hanteren en daardoor een beperkte politiecapaciteit voor Leerdam beschikbaar is, is niet opportuun. Het nadeel daarvan is dat Leerdam, na sluiting van de horecabedrijven in omliggende gemeenten, een aanzuigende werking kan hebben op horecabezoekers die nog verder willen “stappen of een broodje willen eten”. Voor zover daarvan in aanmerkelijke mate overlast ontstaat, kunnen, via een vergunningsvoorschrift in de exploitatievergunning, door de burgemeester sluitingstijden worden opgelegd aan een afzonderlijk horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alcoholmatiging De vraag doet zich tevens voor of vrije sluitingstijden niet automatisch leiden tot extra mogelijkheden om alcohol te consumeren. Daarover bestaat verschillende theorieën:</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste theorie stelt dat er een direct verband bestaat tussen de beschikbaarheid van alcohol en een toename in het aantal alcoholgerelateerde risico’s als overlast en rijden onder invloed. Deze theorie gaat er vanuit dat een toename in de beschikbaarheid invloed heeft op de consumptie. Een hogere consumptie van alcohol gaat vervolgens gepaard met meer excessieve drinkers in de populatie en meer sociale gezondheidsgerelateerde alcoholproblemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tweede theorie gaat in op het “power drinking”: het verschijnsel dat het uur vlak vóór sluitingstijd gepaard gaat met een extra hoog alcoholgebruik. Deze theorie veronderstelt dat restricties op de openingstijden juist leiden tot gedrag waarbij grote aantallen drinkers vlak voor sluitingstijd extra veel alcohol zullen consumeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een derde theorie, de “temporal shift hypothesis” veronderstelt slechts een tijdelijke verschuiving in drinkpatronen als gevolg van vrije sluitingstijden. Deze theorie gaat er vanuit dat vaste klanten hun bezoektijden zullen wijzigen en bijvoorbeeld de uren die ze in verband met de vrije sluitingstijden langer blijven, compenseren door die uren later te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Helaas is er nog geen wetenschappelijk onderzoek bekend op basis waarvan kan worden afgeleid welke theorie de meest gangbare is. Feit is wel dat voor welke vorm van sluitingstijden ook wordt gekozen, altijd zullen met de betrokken partners afspraken moeten worden gemaakt over het voorkomen van alcoholmisbruik en het bijdragen aan het verhogen van de veiligheid in en in de omgeving van horecabedrijven. In dat kader zijn daarover afspraken gemaakt met de horecaondernemers, winkeliers, politie en gemeente in het Horecaconvenant. Dit convenant dateert van januari 2004 en wordt jaarlijks verlengd (en zonodig aangepast).</p>\n<p class=\"lf-p\">Venstertijden Zoals eerder opgemerkt is het niet direct noodzakelijk het opening- en sluitingstijdenregime aan te passen. Echter, om te voorkomen dat horecabezoekers de gehele nacht diverse horecabedrijven bezoeken en daarbij overlast op straat veroorzaken, kan, náást het hiervoor genoemde convenant en mede in het kader van het voeren van een alcoholmatigingsbeleid, een venstertijd worden ingesteld. Dat betekent dat de vrije sluitingstijden blijven gehandhaafd, maar dat het niet meer is toegestaan om bezoekers in een horecabedrijf toe te laten ná 04.00 uur. Deze maatregel kan, na invoering daarvan, één jaar later worden geëvalueerd en zonodig worden bijgesteld. In het reguliere Kwaliteitskringoverleg kan deze maatregel telkens worden geagendeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De venstertijd wordt als voorschrift opgenomen in de exploitatievergunning en wel als volgt: “Het is vergunninghouders verboden toegang te verlenen aan bezoekers tot het op deze vergunning vermelde horecabedrijf, behoudens ambtenaren van de gemeente, politie en brandweer, op maandag tot en met zondag van 04.00 uur tot 07.00 uur;”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 16 :</p>\n<p class=\"lf-p\">Te besluiten in de exploitatievergunning het navolgende voorschrift op te nemen: “Het is vergunninghouders verboden toegang te verlenen aan bezoekers tot het op deze vergunning vermelde horecabedrijf, behoudens ambtenaren van de gemeente, politie en brandweer, op maandag tot en met zondag van 04.00 uur tot 07.00 uur;”</p>\n<p class=\"lf-p\">Te besluiten de werking van deze venstertijd te evalueren een jaar na inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Terrassenbeleid Het realiseren en instandhouden van een vitale, leefbare stad is een thema dat heden ten dage hoog op de agenda staat. De leefbaarheid en herkenbaarheid wordt niet alleen bepaald door de aanwezige bebouwing, maar wordt ook in belangrijke mate beïnvloed door de openbare ruimte. Van gemeentewege wordt daarom momenteel onder meer gewerkt aan een nota handhaving openbare ruimte. Bovendien is voor de gemeente Leerdam een Welstandsnota ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in Leerdam 35 terrassen met een totaal oppervlak van 1500 vierkante meter. Terrassen zijn sfeerbepalend en hebben daardoor veel invloed op de uitstraling van de stad. Goed ingerichte terrassen vormen een verlevendiging van het straatbeeld en dragen bij aan de aantrekkelijkheid van de openbare ruimte. Daar staat tegenover dat terrassen voor geluidsoverlast kunnen zorgen, het verkeer kunnen hinderen en door hun vormgeving de beeldkwaliteit kunnen verminderen. Daarom is het van belang dat de gemeente heldere regelgeving ontwikkelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien terrassen een belangrijk onderdeel uitmaken van de openbare ruimte is aandacht voor de kwaliteit van terrassen een van de uitgangspunten in deze paragraaf en worden randvoorwaarden gegeven om een bepaald minimum aan kwaliteit te garanderen. Binnen de aangegeven marges worden de ondernemers vrij gelaten in hun keuzen ten aanzien van het uiterlijk van het terras. Dit komt de flexibiliteit ten goede waardoor beter ingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf zal worden gebruikt als toetsingskader voor de terrasaanvragen. In de exploitatievergunningen zelf zullen regels worden gesteld om eventuele overlastsituaties tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf worden voorts richtlijnen aangegeven waaraan vergunningaanvragen worden getoetst. Het vooraf aangeven van beleidsregels heeft belangrijke voordelen. Het bevordert de rechtszekerheid: gelijke gevallen worden gelijk behandeld. Daarmee wordt de juridische positie van de gemeente versterkt. Tevens geven deze kaders eenduidig aan wat de andere gebruikers van de openbare ruimte van het gemeentebestuur kunnen verwachten om de kwaliteit van de openbare ruimte en het leefklimaat te kunnen blijven garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regelgeving in deze paragraaf bevat zoveel mogelijk objectieve criteria. Dit heeft als belangrijk voordeel dat aanvragen in de regel niet meer door alle betrokken afdelingen apart van advies voorzien hoeven te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokken belangen Om aan te geven dat er rond het onderwerp terrassen verschillende invalshoeken zijn en belangen spelen, wordt in deze paragraaf ingegaan op de belangen die betrokken zijn bij het totstandkomen van dit terrassenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goede bedrijfsvoering c.q. broodwinning moet mogelijk zijn binnen de regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terrasbeleid is er niet op gericht om de horeca-exploitant in zijn nering te treffen. Heldere en duidelijke regelgeving is evenwel in ieders belang. Bij het totstandkomen van regelgeving dienen wel alle belangen afgewogen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersveiligheid In een aantal gebieden waar terrassen voorkomen is tevens sprake van een verkeersfunctie. Met name in een aantal smalle straten in het centrum heeft de vermenging van de verkeersfunctie van een straat met andere functies, een negatief effect op de verkeersveiligheid. De intensiteit en de aard van de verkeersfunctie zijn dan ook medebepalend voor het gehanteerde regime voor een bepaald gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk aanzien en architectonische kwaliteit Door de ingenomen openbare ruimte, de keuze van het terrasmeubilair en de verdere inrichting van het terras, legt een terras visueel beslag op de openbare ruimte. Hierbij dient zich de vraag aan in hoeverre terrassen het uiterlijk aanzien van de stad aantasten. Om hiervoor richtlijnen op te stellen zijn kwaliteitseisen ontwikkeld die zijn verwerkt in deze nota. Deze eisen vormen tevens een kader voor beoordeling door de Welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantrekkelijk voor de stad, haar bewoners en haar bezoekers Terrassen kunnen Leerdam een kleurrijk en sfeervol karakter geven, wat voor toeristen een aantrekkelijk beeld oplevert. Echter niet elke bezoeker van, met name, de binnenstad is een toerist. Een historische binnenstad als die van Leerdam biedt tevens onderdak aan diverse andere functies, die voor de bewoners van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begaanbaarheid van de openbare ruimte De openbare ruimte in het centrum kenmerkt zich door een groot aantal obstakels. Terrassen behoren hier ook toe. Om de begaanbaarheid van het centrum te waarborgen dienen terrassen zodanig te worden opgesteld dat de doorstroming van het publiek niet in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikbaarheid van de openbare ruimte tijdens evenementen, markten, kermis, tijdelijke ideële standplaatsen, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in Leerdam evenementen worden georganiseerd in de openbare ruimte kan de situatie ontstaan dat tijdelijk geen gebruik gemaakt kan worden van de in de exploitatievergunning beschreven terrasruimte. In de praktijk betekent dit dat zoveel mogelijk met de wederzijdse belangen rekening moet worden gehouden. Immers, een evenement trekt ook extra publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantrekkelijke woonomgeving met voldoende waarborgen ter beperking van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het centrum van Leerdam wordt ook gewoond. De aanwezigheid van terrassen mag uiteraard niet een onaanvaardbare hoeveelheid overlast opleveren voor de bewoners uit de omgeving van de terrassen. Behalve overlast kunnen terrassen aan de andere kant ook juist bijdragen aan de verlevendiging van de woon- en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikbaarheid van de openbare ruimte voor de hulpdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe gezellig het openbaar gebied er door kleurrijke terrassen ook uitziet, er dient te allen tijde voldoende doorgangsruimte over te blijven om de bereikbaarheid voor de hulpdiensten te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van deze nota zijn de bovengenoemde aspecten tegen elkaar afgewogen, hetgeen resulteert in een evenwichtig terrasbeleid, waarbij zoveel mogelijk aan alle belangen recht wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitie Onder een terras wordt verstaan: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar karakter terrassen De onderdelen \"sta- of zitgelegenheid” en “tegen vergoeding dranken verstrekken” duiden er op dat het terras voor publiek toegankelijk is en een openbaar karakter draagt. Het gebeurt nogal eens dat ondernemers de mening toegedaan zijn dat het terras bij hun horecabedrijf niet vergunningplichtig is, omdat bijvoorbeeld de grond in eigendom is, of dat het terras dermate omheind is dat van een feitelijke toegankelijkheid geen sprake zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalend is echter of een terras bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. Hierbij is dus niet relevant of een terras bijvoorbeeld op het eigen terrein is gesitueerd. Als het terras voor klanten bereikbaar is - dat is voor het publiek toegankelijk is - dient een vergunning aanwezig te zijn. Dat geldt eveneens voor terrassen, die op afgesloten grote terreinen liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terrassen zijn er in verschillende verschijningsvormen. Zo bestaan er gebouwde terrassen en onoverdekte terrassen, gevel- en eilandterrassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onoverdekt terras spreek voor zich. Een gebouwd terras is een overdekt en/of een door wanden omgeven ruimte, waarin het horecabedrijf wordt voortgezet, is aangebouwd aan een horecavestiging en is gelegen op of aan de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gevelterras is direct aan de gevel van het bijbehorende horecabedrijf gelegen. Een gevelterras mag niet breder zijn dan het bedrijf waartoe het behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een eilandterras is een los van de gevel gelegen terras, voor of in de directe nabijheid van het betreffende pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch kader terrassenbeleid Algemene Plaatselijke Verordening (APV) In deze APV is de grondslag voor het al of niet verstrekken van een vergunning voor het exploiteren van een terras gelegen in artikel 2.3.1.2, lid 11. Dit artikel bepaalt: “In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het bepaalde in artikel 2.3.1.2, lid 12 van de APV kan de vergunning worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dat gebruik afbreuk doet aan de publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt in deze bepaling verwezen naar het gestelde in de leden 10 en 11 van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin wordt bepaald dat de burgemeester de terrasaanvraag van het horecabedrijf geheel of gedeeltelijk kan weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester houdt bij deze weigeringsgronden rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot gesteld zal worden door de exploitatie van het horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de terrasaanvraag kan worden gehonoreerd, worden in de voor de exploitatie van het horecabedrijf benodigde exploitatievergunning voorschriften opgenomen over de exploitatie van het terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reikwijdte van het begrip “terras”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In enkele gevallen dient een terrasvergunning vergeven te worden op grond van artikel 2.1.5.1 APV; deze situatie doet zich voor indien een bakker of ijssalon een - veelal klein - terras bij de winkel wenst te exploiteren. Deze situatie doet zich ook voor bij kiosken. Artikel 2.3.1.2 ziet per slot van rekening alleen op horeca-inrichtingen. Bijzonder daarbij is dat verschillende bestuursorganen hierdoor bij de vergunningverlening zijn betrokken. Daar waar het om een terras bij een horeca-inrichting gaat is de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan; in het andere geval wordt de vergunning door het college van burgemeester wethouders verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast doet zich de situatie voor dat in het kader van een commerciële standplaatsvergunning impliciet toestemming verleend wordt voor de exploitatie van een terras. In dat geval wordt geen separate terrasvergunning verleend. Wel dient in de standplaatsvergunning gerefereerd te worden aan het feit dat in het kader van artikel 2.1.5.1 APV toestemming gegeven wordt om een terras van enkele vierkante meters in te richten. In deze situaties is het terrassenbeleid uiteraard ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip “weg” in de zin van de APV In artikel 2.3.1.2 lid 12 APV wordt de term “weg” gebruikt. In artikel 1.1. APV “Begripsomschrijvingen” wordt de term weg nader gedefinieerd. Bij toepassing van de term weg in artikel 2.3.1.2. APV dient als omschrijving dan ook deze begripsbepaling te worden gebruikt. Voor het terrassenbeleid is van belang dat onder weg o.a. wordt verstaan de - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke pleinen, enz.. Het maakt in dit verband niet uit of een terras op gemeentegrond of op particuliere grond geplaatst is; in beide gevallen is een vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen milieubeheer In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer zijn voorschriften neergelegd waaraan horecabedrijven zich moeten houden ter bescherming van het milieu. Deze voorschriften beogen een uitputtende regeling te geven op o.a. het gebied van geluidshinder, terrassen en indirecte hinder. Deze voorschriften zijn nader uitgewerkt in de bij dit besluit behorende bijlage. In deze bijlage worden gedetailleerde maximale geluidsniveau’s in de inrichting beschreven. Echter, in dit besluit staan geen specifieke terrasvoorschriften (meer) vermeld. Dat wil zeggen dat de algemene voorschriften over geluidshinder en indirecte hinder ook van toepassing zijn op terrassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zal dus binnen de geluidsgrenzen niet vlug levende muziek op het terras mogelijk zijn. Daarnaast wordt het stemgeluid van terrasbezoekers buiten beschouwing gelaten, voor zover het terras aan de straatzijde en niet op een binnenplaats is gelegen (artikel 1.1.2 onder a van de Bijlage behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer). Ook moet een ondernemer zodanige maatregelen treffen dat hinder, veroorzaakt door komende en gaande bezoekers wordt voorkomen dan wel wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders kan, op grond van artikel 4.1.4 van de bijlage behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, wel nadere eisen stellen op het gebied van geluidshinder en indirecte hinder, bijvoorbeeld ten aanzien van: de periode van openstelling van het terras; de situering van het terras en het in acht nemen van gedragsregels, waaronder regels ten aanzien van komende en gaande bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor terrassen gelden dus feitelijk twee regelingen met betrekking tot geluid(soverlast), enerzijds het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer en anderzijds de APV. Hiervoor is aangegeven welke eisen er op grond van voornoemd Besluit kunnen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe kunnen dezelfde onderwerpen ook via voorschriften en beperkingen in de exploitatievergunning worden gesteld. Het motief van waaruit de regeling op basis van de Wet Milieubeheer en de APV plaatsvindt, verschilt echter. Vanuit de bescherming van het woon- en leefklimaat worden in de exploitatievergunning voorschriften opgenomen die te maken hebben met het stellen van beperkingen aan het gebruik van de openbare weg ten behoeve van een terras. In de nadere eisen bij een melding op grond van voornoemd Besluit worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De scheidslijn tussen het motief van de APV en de Wet milieubeheer is echter in veel gevallen moeilijk te trekken. Daarom moeten de voorschriften / beperkingen in de exploitatievergunning goed worden afgestemd op de nadere eisen behorende bij de melding op grond van het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval dat de openingstijden in de voorschriften van een “terrasvergunning” bijvoorbeeld worden gegeven met het oog op geluidsoverlast, dan overschrijdt de burgemeester daarmee zijn bevoegdheden. Ook inrichtingsgeboden geluidsoverlast wordt beschermd door de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Publieksgebonden hinder (bijvoorbeeld verstoring van de openbare orde en het woon- en leefklimaat) valt echter weer onder de werkingssfeer van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de opzet van voormeld Besluit is getracht geen aspecten te regelen die reeds in andere kaders worden gereguleerd. Vanuit dit gezichtspunt wordt expliciet vermeld dat het Besluit voor gemeenten ruimte laat om overlast inzake openbare orde tegen te gaan; een en ander dient dan wel in een verordening - i.c. de APV - te zijn vastgelegd. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan overlast door bezoekers van horecagelegenheden (overlast in het algemeen) en excessieve vormen van overlast. De direct aan de inrichting gerelateerde vormen van verstoring van het (leef)milieu vallen ook onder het toepassingsgebied van het Besluit. In dat verband dient met name gedacht te worden aan geluidsoverlast voor omwonenden. De voorschriften van het Besluit richten zich in beginsel ook op de indirecte gevolgen, die de inrichting kan veroorzaken, voor zover deze liggen in de macht van de houder van de vergunning (bijvoorbeeld overlast veroorzaakt door bezoekers van de desbetreffende inrichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Drank- en Horecawet In de Drank- en Horecawet is expliciet bepaald dat een terras een onderdeel is van het horecabedrijf. Het is om deze reden dat een terras ook moet worden vermeld op de drank- en horecavergunning. De drank- en horecavergunning moet dan ook worden ingetrokken als zich feiten en omstandigheden op het terras hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat, indien de vergunning van kracht blijft, dit gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid. Het is alleen dan toegestaan om alcoholhoudende drank op een terras te verstrekken, als dit terras expliciet vermeld staat op de drank- en horecavergunning. Uiteraard moet eveneens voor het horecabedrijf een exploitatievergunning zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sluitingstijden terrassen In de APV zijn, noch voor de horecalokaliteiten, noch voor de daarbij behorende terrassen, sluitingstijden vastgesteld. Veel horecagelegenheden zijn dicht gelegen bij of grenzen aan woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat het exploiteren van een terras in de avond- en nachtelijke uren onmiskenbaar zal leiden tot vormen van (geluids)overlast of frequente of voortdurende aantasting van het woon- en leefklimaat of verstoring van de openbare orde. Dat is ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het bepaalde in artikel 1.1.1 van de Bijlage behorende bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer wordt de periode gelegen tussen 23.00 uur en 07.00 uur aangemerkt als de avond-/nachtperiode. Gedurende deze periode moet, conform Tabel 1 behorende bij artikel 1.1.1, de geluidsbelasting rondom horecabedrijven tot een minimum worden gereduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.3.1.4 staat dat de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf of voor een daartoe behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren kan vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het bovenstaande wordt derhalve als vergunningsvoorschrift in de exploitatievergunning opgenomen dat het terras geopend mag zijn gedurende de periode van 07.00 uur en 23.00 uur. Voor zover de aantasting van het woon- en leefklimaat of openbare ordeverstoringen daartoe aanleiding geven kan de burgemeester deze openstelling van het terras verder beperken of de exploitatie van een terras, zonodig voor een beperkte periode, verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de jaren heen is duidelijk gebleken dat het aantal gevallen van daadwerkelijke overlast beperkt is gebleven en dat horecaondernemers deze sluitingstijd serieus nemen. De horecavertegenwoordiging van het LOV en Koninklijk Horeca Nederland pleiten dan ook voor uitbreiding van de sluitingstijd naar 01.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politievertegenwoordiging heeft daarop aangegeven dat deze uitbreiding naar verwachting gepaard zal gaan met extra overlastmeldingen, die, gelet op de regiofunctie van de politie, niet direct kunnen worden be- en afgehandeld. Daartegenover stelt de horecavertegenwoordiging dat het ook de eigen verantwoordelijkheid betreft van de horecaondernemer om zich te houden aan de juiste exploitatie van het terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het bovenstaande wordt voorgesteld om de sluitingstijd bij wijze van een pilotproject tijdelijk te verruimen, en wel als volgt: de sluitingstijd wordt in het jaar 2006 voor de periode van 1 maart tot 1 november uitgebreid van 23.00 uur naar 24.00 uur, met dien verstande dat: gedurende de periode van mei tot en met september (zomerseizoen) de sluitingstijden worden uitgebreid van 23.00 uur naar 01.00 uur; in november 2006 vindt een evaluatie plaats; voor zover mocht blijken dat deze verruiming aanleiding geeft tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat of leidt tot regelmatige verstoring van de openbare orde en veiligheid, wordt de pilot per direct beëindigd en geldt wederom de sluitingstijd van 23.00 uur; op basis van de evaluaties wordt het gemeentebestuur een besluit voorgelegd over het vaststellen van de sluitingstijden van terrassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 16 A:</p>\n<p class=\"lf-p\">Te besluiten om de sluitingstijd bij wijze van een pilotproject tijdelijk te verruimen, en wel als volgt: de sluitingstijd wordt in het jaar 2006 voor de periode van 1 maart tot 1 november uitgebreid van 23.00 uur naar 24.00 uur, met dien verstande dat: gedurende de periode van mei tot en met september(zomerseizoen) de sluitingstijden worden uitgebreid van 23.00 uur naar 01.00 uur; in november 2006 vindt een evaluatie plaats; voor zover mocht blijken dat deze verruiming aanleiding geeft tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat of leidt tot regelmatige verstoring van de openbare orde en veiligheid, wordt de pilot per direct beëindigd en geldt wederom de sluitingstijd van 23.00 uur; op basis van de evaluaties wordt het gemeentebestuur een besluit voorgelegd over het vaststellen van nieuwe sluitingstijden voor terrassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terrasseizoen Het terrasseizoen betreft de periode van 1 maart tot 1 november. Buiten deze periode is het niet toegestaan een terras te exploiteren op de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het terrassenseizoen zou, op verzoek van de horeca, moeten worden afgeschaft. Het komt, mede door de klimaatverandering, meer en meer voor dat het ook in de maanden buiten het terrasseizoen mogelijk is om op het terras te zitten. Die gelegenheid zou dan ook moeten kunnen worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier geldt dat bij wijze van proef voor de duur van één jaar kan worden bezien of deze verruiming leidt tot een onaanvaardbare overlast. Het is aan de horeca om in dat jaar te bewijzen dat geen overlast ontstaat door deze verruiming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zal wel als uitgangspunt moeten gelden dat het terrasmeubilair na sluitingstijd van de openbare weg moet worden verwijderd. Mobiele verwarmingselementen mogen alleen na voorafgaande toestemming van de brandweer worden geplaatst. Vaste verwarmingselementen zijn bouwvergunningspichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het meubilair wordt opgeslagen in het horecabedrijf, kan dat alleen als wordt voldaan aan brandveiligheidsklassen zoals verder in deze paragraaf omschreven en bovendien moet deze opslag op een zodanige wijze geschieden dat er geen gevaar bestaat voor komende en gaande bezoekers en/of het blokkeren van nooduitgangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 16B:</p>\n<p class=\"lf-p\">Te besluiten het terrasseizoen bij wijze van proef voor de duur van één jaar buiten werking te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zal wel als uitgangspunt moeten gelden dat het terrasmeubilair na sluitingstijd van de openbare weg moet worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiele verwarmingselementen mogen alleen na voorafgaande toestemming van de brandweer worden geplaatst. Vaste verwarmingselementen zijn bouwvergunningplichtig en mogen pas na verlening van de daarvoor benodigde vergunning(en) worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het meubilair wordt opgeslagen in het horecabedrijf, kan dat alleen als wordt voldaan aan brandveiligheidsklassen zoals verder in deze paragraaf omschreven en bovendien moet deze opslag op een zodanige wijze geschieden dat er geen gevaar bestaat voor komende en gaande bezoekers en/of het blokkeren van nooduitgangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beeldkwaliteitsplan Binnenstad Leerdam Het Beeldkwaliteitsplan behandelt de beeldkwaliteit van het centrum van Leerdam. Het betreft grotendeels het gebied waarop tevens het recent vastgestelde beleidsplan Centrum (behorend bij het bestemmingsplan) betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Beeldskwaliteitsplan is gekoppeld aan het bestemmingsplan centrum. Het plan functioneert tevens als welstandsnota waarin het gemeentelijke beleid ten aanzien van beeldkwaliteit is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting Algemeen Bij een aanvraag om een terrasvergunning wordt de aanvrager verzocht een inrichtingsplan op te stellen. Dit inrichtingsplan toont de situering en de verschijningsvorm van de gehele terrasinrichting. Plattegrond van de opstelling, eventuele zijwanden, parasols, terrasstoelen en menuborden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongehinderde doorgang Het mag duidelijk zijn dat niet op alle locaties terrassen kunnen worden geëxploiteerd. Er moet altijd een vrije doorgang mogelijk zijn voor calamiteitendiensten en voetgangers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Calamiteitendiensten Hierbij spelen de aanrijdtijden een belangrijke rol. Aangezien de benodigde doorrijdruimte voor brandweervoertuigen bepalend is, is voor de ongehinderde doorgang van hulpverleningsvoertuigen uitgegaan van de normen van de brandweer. Alhoewel de problematiek van ongehinderde doorgang in de buitengebieden minder speelt, is toch gemeend een generale norm van tenminste 3.50 meter te moeten stellen. Dit komt de eenduidigheid van beleid ten goede. Naast de norm voor ongehinderde doorgang geldt een hoogtenorm van tenminste 4,20 meter; deze norm geldt eveneens in alle gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is er geen sprake van een weg, zoals bedoeld is in de Wegenverkeerswet en het dagelijks spraakgebruik. Denk in deze aan de straten in het voetgangersdomein. Aldaar is bijvoorbeeld geen stoep aanwezig; de gevels grenzen direct aan de \"weg\". Ook op smalle straten, voetgangersdomeinen, poorten of onderdoorgangen ziet dit artikel. In het algemeen wordt een doorgang van tenminste 3.50 meter noodzakelijk geacht Voetgangers Voetgangers moeten te allen tijde hun weg op het trottoir kunnen vervolgen zonder een terras te moeten passeren waarbij zij verplicht gebruik moeten maken van de rijweg. Dat betekent dat er een vrije doorgang moet zijn van minimaal 1,50 meter opdat personen met kinderwagens, rolstoelen e.d. gemakkelijk kunnen passeren. Indien er een stoeprand is, wordt deze afstand gemeten vanaf die stoeprand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatvoering De minimale breedte van een terras bedraagt 0,80 m (dat is de minimale ruimte die een persoon, gezeten op een terrasstoel (haaks op de gevel), inneemt). Het gemeentebestuur kan, gemotiveerd, afwijken van deze minimumnorm, echter tot een minimummaat van 0,50 m (wanneer een stoel langs de gevel van het horecabedrijf is geplaatst). Wanneer wordt afgeweken van deze 0,80 meter-norm, moet daarbij rekening gehouden worden met de doelmatige verdeling en het doelmatige gebruik van de beschikbare (openbare) en de druk op het omliggende woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard moet er rekening mee worden gehouden dat er, náást deze minimumruimte op het trottoir ook nog een bepaalde passeerruimte overblijft voor voetgangers. Deze minimale passeerruimte bedraagt zoals hiervoor vermeld, 1.50 m. Dat betekent dat het trottoir, afhankelijk van de plaatsing van de stoelen, derhalve een minimale breedte moet hebben van 0,80 m + 1,50 m = 2,30 m, of een breedte van 0,50 m + 1,50 m = 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk aanzien Een verzorgd uiterlijk van het terras is uitgangspunt. Dat houdt onder andere in geen schreeuwende of dominant aanwezige reclames, maar evenwicht in kleur en harmonie met de omgeving. Reclame-uitingen op terrasmeubilair, schotten, zonwering, parasols en dergelijk worden sterk beperkt. Het voorstel is om bij zijschotten aanduidingen toe te staan tot maximaal 5 procent van de oppervlakte van het zijschot, met een maximale afmeting van 20 x 40 centimeter. Op de volanten van zonneschermen of parasols reclame of de naam van het betreffende horecabedrijf, met een maximale oppervlakte van 10 procent van de oppervlakte van de volant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleur van zonneschermen en parasols mag niet conflicteren met de kleurstelling van het horecapand, dan wel de omgeving. Verlichting moet passen bij het aangrenzende pand en niet storend werken voor de omgeving. Tot slot moet een vrije en onbelemmerde doorgang van 1,50 meter tot trottoirband of hart van de molgoot aanwezig blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde en onoverdekte terrassen Terrassen zijn er in verschillende verschijningsvormen. Zo bestaan er gebouwde terrassen en onoverdekte terrassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gebouwd terras is een overdekt en/of een door wanden omgeven ruimte, waarin het horecabedrijf wordt voortgezet, is aangebouwd aan een horecavestiging en is gelegen op of aan de openbare weg. Dergelijke terrassen hoeven buiten het terrasseizoen niet te worden afgebroken. Deze overdekte terrassen zijn niet seizoensgebonden. Dat betekent dat deze terrassen ook buiten het vastgestelde terrassenseizoen mogen worden geëxploiteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels gebouwde terrassen: een gebouwd terras is alleen mogelijk als het bestemmingsplan dat toestaat; en, voor zover van toepassing, daarvoor bouwvergunning wordt verleend; de originele pui van het horecabedrijf moet aanwezig blijven; een gebouwd terras moet na een eerste aanzegging binnen 24 uur worden verwijderd (bijvoorbeeld omdat een steiger of kraan moet worden geplaatst wegens verhuizing van de boven het horecabedrijf gelegen woningen / kantoren. Soms is verwijdering noodzakelijk omdat er openbare werken moeten worden uitgevoerd (onderhoud kabels en leidingen / herstructurering o.i.d.);</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gebouwd terras mag voorts uitsluitend worden gebruikt voor het plaatsen van tafels en stoelen, dus niet voor winkelnering e.d.;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terras mag de toegang voor ruimten die in gebruik zijn door anderen niet belemmeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels onoverdekte terrassen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terras moet aansluiten aan de gevel. In een aantal situaties is het, mede afhankelijk van het (overige) gebruik van de openbare ruimte, de druk op het woon- en leefklimaat en de verkeersintensiteit ter plaatse, mogelijk terrassen aan de overzijde van de weg en gelegen recht tegenover de gevel van het horecabedrijf, te plaatsen; een ongebouwd terras is alleen toegestaan gedurende de periode van 1 maart tot 1 november; ook hier geldt dat een terras na een eerste aanzegging binnen 24 uur moet worden verwijderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terras mag de toegang voor ruimten die in gebruik zijn door anderen niet belemmeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overdekte terrassen liggen buiten de besloten ruimte of worden voor de toepassing van de APV beschouwd als daarbuiten te liggen. Met \"besloten ruimte\" wordt in de APV bedoeld de ruimte in het gebouwde perceel, waarin het horecabedrijf als zodanig van oorsprong geëxploiteerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijwanden Zijwanden zijn toegestaan bij alle terrassen behalve bij eilandterrassen. Zijwanden zijn demontabel, en bovendien transparant vanaf een hoogte van 0.70 meter. Tevens mogen zijwanden niet dieper zijn dan de maximaal toegestane diepte van het terras. De constructie bestaat uit beschilderde houten, stalen of aluminium profielen. De hoogte is maximaal 1.50 meter. Zijwanden dienen na sluitingstijd te worden verwijderd of ingeklapt, behalve op pleinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afscheidingen in de vorm van plantenbakken rondom het terras zijn, behalve bij eilandterrassen, toegestaan mits de toegang wordt vrijgehouden en de maximum toegestane afmetingen van het terras niet worden overschreden. Verder gelden voor afscheidingen dezelfde bepalingen als voor zijwanden, met dien verstande dat de maximum totale hoogte niet meer mag bedragen als de reeds genoemde 1.50 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parasols Op het terras zijn parasols toegestaan. Parasols dienen verplaatsbaar te zijn en mogen dus niet permanent verankerd in de grond worden bevestigd en mogen niet buiten het terras uitsteken. Parasols dienen te zijn gemaakt van tentdoek of lichtdoorlatend materiaal en mogen slechts voorzien zijn van reclame op de volants. Per plein dienen alle parasols van dezelfde kleur te zijn, ter beoordeling van de Welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonneschermen Zonweringen en luifels worden bij de horeca veel toegepast. Sommige zonweringen zijn permanent. Vanuit de wens tot beleving van de straatwanden worden in het “Beeldkwaliteitsplan Binnenstad Leerdam” de volgende uitgangspunten geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Van oudsher komen in de binnenstad geen vaste, horizontaal uitstekende bouwdelen voor, dus ook geen luifels. De straten zijn te smal voor dat soort bouwdelen. Ondergeschikte elementen boven ramen van de begane grond, met een hellingshoek van meer dan 70 graden, kunnen, mits passend in de gevelarchitectuur, worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonweringen mogen niet hinderlijk zijn voor het verkeer / de voorbijganger; de onderzijde is minimaal 2.20 m boven de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik van zonwering als (verkapt) permanent reclame-uiting voor een merknaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonwering in principe afstemmen op de gevelindeling en de kleur van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele reclame op de zonwering bij voorkeur in losse letters, niet als vlak of als logo.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.1.5.1, lid 2 onder b van de APV staat bovendien vermeld dat: geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terrasmeubilair Terrasmeubilair dient van (kunststof) naturel riet of rotan te zijn. Maar ook goed vormgegeven modern terrasmeubilair is toegestaan. Tevens dient één type terrasmeubilair te worden toegepast. Dit naar het oordeel van de Welstandscommissie Menuborden Menuborden zijn toegestaan binnen de oppervlakte van het terras, in de vorm van losse, platte menuborden met een maximale oppervlakte van 1 m² per zijde tijdens openingstijden van het terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalzorg Op de terrassen dienen voldoende mogelijkheden te zijn om afval in te deponeren. De uitbater van het terras is verantwoordelijk voor het aanzien van het openbaar gebied waarvan zijn terras deel uitmaakt. Na sluitingstijd dient het terras en de directe omgeving dan ook schoon en netjes te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag terrasmeubilair Gedurende het terrasseizoen (1 maart tot 1 november) is het, onder voorwaarden, toegestaan het terrasmeubilair na sluitingstijd van het terras (= 23.00 uur) en bij het gesloten zijn van het horecabedrijf, op te stapelen op het terrasgedeelte (openbare weg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten het terrasseizoen moet het terrasmeubilair van de openbare weg worden verwijderd. Met deze regel wordt de openbare buitenruimte gevrijwaard van ongebruikt terrasmeubilair en wordt daarmee het uiterlijk aanzien en de begaanbaarheid van de wegen en straten vergroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn brandvertragendheid terrasmeubilair Het opslaan van het terrasmeubilair gedurende het terrasseizoen kan plaatsvinden op het terrasgedeelte. Echter, dat kan niet zomaar. Daarvoor moet het meubilair voldoen aan eisen met betrekking tot brandvertragendheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de brandvertragendheid zijn brandvoortplantingsklassen ingesteld. Er zijn 5 klassen, oplopend van categorie 1 tot 5, waarbij klasse 1 de meest en klasse 5 de minst brandveilige klasse is (bij klasse 5 ontstaat bv. een enorme rookontwikkeling waardoor het zicht snel verdwijnt). De brandvoortplantingsklasse geeft aan op welke afstand nog iets waar te nemen is door de rookontwikkeling en in hoeverre het gebruikte materiaal brandbaar is en brandvertragend werkt. Voor het terrasmeubilair geldt tenminste een brandvertragingsklasse 2 (dit komt overeen met NEN 6065-6066). Dat leidt voor het gebruik van terrasmeubilair tot het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">De materialen die gebruikt worden voor terrasmeubilair moeten moeilijk brandbaar zijn en minimaal behoren tot brandvoortplantingsklasse 2. Daarbij moet gedacht worden aan moeilijk brandbaar hout en metaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aankleding en versiering van het terras of het meubilair mogen geen licht brandbare materialen worden gebruikt, tenzij deze geïmpregneerd zijn met speciale brandvertragende middelen. Al deze middelen moeten minimaal voldoen aan brandvoortplantingsklasse 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van geweven stoffen moeten deze moeilijk ontvlambaar zijn, dan wel brandvertragend zijn geïmpregneerd. De minimale eis is ook hier brandvoortplantingsklasse 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer materialen worden geïmpregneerd of behandeld met een moeilijk brandbare stof, moet dit kunnen worden aangetoond door middel van een certificaat, waaruit blijkt dat het materiaal voldoende tegen brandvoortplanting is behandeld. Hier geldt eveneens de minimale eis van brandvoortplantingsklasse 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terraskaart Bij het toezicht en de handhaving op terrassen is het praktisch om in één oogopslag te kunnen zien wat de situering is van het terras, wat de afmetingen zijn en tot hoe laat het terras dagelijks geopend mag zijn. Dit geldt voor zowel gemeente als politie. Ook voor het publiek dat gebruik maakt van het terras is het middels de terraskaart duidelijk tot welk tijdstip zij op het terras kunnen blijven zitten, zodat de sluitingstijden beter gewaarborgd kunnen worden. De terraskaart krijgt een waarmerk door middel van een stempel en een ondertekening vanwege de afdeling Vergunningen en Belastingen van de gemeente. Bij elke wijziging dient een nieuwe terraskaart geplaatst te worden. Een voorbeeld van een terraskaart is als bijlage 13 bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingen Om te voorkomen dat het woon- en leefklimaat wordt aangetast of dat de openbare orde en veiligheid wordt verstoord door de exploitatie van het terras, worden aan de exploitatievergunning op grond van artikel 1.4 van de APV verschillende voorschriften en beperkingen opgelegd die betrekking hebben op de exploitatie van het terras. Deze mogelijke voorschriften en beperkingen zijn als bijlage 13A bij deze nota gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Precario Er dient een precariobelasting te worden betaald als het terras op gemeentegrond wordt geplaatst. In het geval het terras op particuliere grond (eigen terrein) wordt geplaatst, is geen precariobelasting verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 17:</p>\n<p class=\"lf-p\">In te stemmen met het in deze paragraaf omschreven terrassenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 Tropisch Weer Scenario (TWS) Het Tropisch Weer Scenario is een vorm van gedoogbeleid waarbij, onder voorwaarden, en bij een bepaalde temperatuur, wordt toegestaan dat horecaondernemers die géén terrasvergunning hebben toch, voor een bepaalde periode, een terras mogen exploiteren en horecaondernemers die wel een terrasvergunning hebben, een groter of een extra terras mogen exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze maatregel heeft een openbare orde motief. Wanneer in Nederland tropische temperaturen heersen, gaan horecabezoekers over het algemeen niet ín het horecabedrijf hun drankje consumeren, maar op het voorliggende terras of trottoir. Wanneer een horecaondernemer echter geen toestemming heeft om een terras te exploiteren of een voor dat moment te klein terras mag exploiteren volgens de terrasvergunning, moet de horecabezoeker zijn/haar drankje drinken in de inrichting of op het in de vergunningen genoemde terras(oppervlak). Dat kan echter, gelet op de temperatuur en het beperkte gebruiksoppervlak leiden tot wanordelijkheden. Ter voorkoming daarvan wordt het de horecaondernemer in een dergelijke situatie toegestaan om toch een terras te exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een dergelijke gedoogsituatie gelden de navolgende voorschriften:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er gelden aangepaste geluidsvoorschriften. Het scenario voor deze tropische dagen met betrekking tot het geluid regelt feitelijk alleen dat de ramen en deuren geopend mogen zijn zonder dat dit een gevolg heeft voor de geluidsinstallaties. Met deze regeling wordt aangesloten bij de situatie zoals die zich in de praktijk bij deze temperaturen voordoet. Er zijn veel meer mensen op straat dan binnen, omdat de airconditioningsystemen dan niet meer goed werken. Ondanks het feit dat er sprake is of zal zijn van overlast, is het draagvlak om toch sanctionerend op te treden dan niet of nauwelijks aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitzonderlijke klimatologische omstandigheden heeft de handhaving van terrasvoorschriften zoals vermeld (bezoekers en/of tafels en stoelen buiten de vergunde terrasruimte) een lage prioriteit. Vergunde terrassen mogen uitwaaieren en ook horecagelegenheden zonder terrasvergunning mogen een terras plaatsen. Er wordt dus tijdens het tropisch weerscenario geen onderscheid gemaakt tussen horecaondernemingen met of zonder terrasvergunning, voor wat betreft het gebruik van de openbare ruimte. Er zal niet handhavend worden opgetreden voor zover wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden: er mogen geen verkeersbelemmerende situaties ontstaan; er mogen geen toegangen van derden worden geblokkeerd: na afloop van de sluitingstijd van het terras moet iedereen weer naar binnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tropisch weerscenario geldt niet voor straten die zijn uitgesloten van terrassen, omdat de verwachting is dat het plaatsen van terrassen in deze straten zal leiden tot verkeersbelemmeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de horecacoördinator van de gemeente (afdeling Vergunningen &amp; Belastingen) of de politie (gedurende de weekenden/avonden) kan de horecaondernemer informatie inwinnen of het tropisch weerscenario van toepassing is. Deze medewerker controleert bij het KNMI wat de weersvoorspellingen voor die dag zijn en gaat bij de beoordeling van een tropische dag uit van de belevingstemperatuur: hoe hoger de vochtigheidsgraad is, hoe benauwder het is, en hoe hoger mensen de temperatuur ervaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt voor een tropische dag is een temperatuur van 28ËšC en een luchtvochtigheid van min. 50%, maar afhankelijk van het vochtigheidspercentage kan het tropisch weerscenario ingaan vanaf 25ËšC. Het tropisch weerscenario begint om 15.00 uur en eindigt gelijktijdig met de ‘normale’ sluitingstijd voor terrassen, nl. 23.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de temperatuur kunnen ook andere bijzondere omstandigheden aanleiding zijn om een dergelijk scenario toe te passen, zoals bijvoorbeeld bij een grootschalig evenement. Overigens wordt hierbij nogmaals benadrukt dat het hier gaat om een gedoogsituatie, waaraan geen rechten kunnen worden ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 18:</p>\n<p class=\"lf-p\">In te stemmen met het Tropisch Weer Scenario.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 Niet-vergunningsplichtige bedrijven In artikel 2.3.1.3 is geregeld dat de burgemeester bepaalde typen horecabedrijven kan aanwijzen waarvoor de exploitatievergunningsplicht niet geldt. De exploitatie van een dergelijk horecabedrijf moet wél zodanig geschieden dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 23 april 2002 heeft de burgemeester in dat kader besloten de navolgende bedrijven uit te zonderen van de vergunningsplicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Restaurants, lunchrooms, croissanteries, ijssalons, hotels en verenigingsgebouwen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze uitzondering op de vergunningsplicht geldt als voorwaarde dat: de exploitatie in de regel niet geldt tussen 24.00 uur en 07.00 uur plaatsvindt; de exploitatie zodanig geschiedt dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging in beleid In de praktijk blijkt deze beleidsregel te leiden tot verschillende interpretaties. Dat is ongewenst. Derhalve wordt voorgesteld om de hiervoor gemelde uitzonderingen op de vergunningsplicht aan te passen in die zin dat de uitzonderingsplicht alleen geldt voor bedrijven waar de restaurant- of café-activiteiten van ondergeschikte betekenis zijn. Deze bedrijven leveren doorgaans geen problemen op voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat. Voor zover ter plaatse bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, is voor deze bedrijven uiteraard wel een drank- en horecavergunning benodigd !</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder staan de (nieuwe) uitzonderingen aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hotels waar uitsluitend voor hotelgasten dranken worden geschonken en/of eetwaren worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bedrijven vallen wel onder de definitie van het horecabedrijf waarvoor een exploitatievergunningplicht geldt, maar gezien de beslotenheid waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, behoeft niet te worden gevreesd dat de exploitatie van een dergelijk bedrijf zal of kan leiden tot verstoring van het woon- en leefklimaat. Als ook anderen dan de hotelgasten toegang hebben, dan vallen de hotels WEL onder de vergunningsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat neemt overigens niet weg dat de bepalingen uit onder meer de Wet Milieubeheer/ Besluit horeca-,sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer onverkort van toepassing zijn. Tegen overtreding wordt dan ook opgetreden (geluids- of stankoverlast);</p>\n<p class=\"lf-p\">Horeca-activiteiten in winkels Hiermee wordt gedoeld op winkels die aan de volgende drie criteria voldoen: waar het horecagedeelte als dienstverlening wordt gezien voor het winkelende publiek; waar het horecagedeelte door dezelfde ondernemer wordt geëxploiteerd, en waarbij men voor de horeca-activiteiten geen andere openingstijden claimt dan voor de winkel. waarbij de voorwaarde geldt dat in het geval de hoofdactiviteit staakt, ook de nevenactiviteit (additionele horeca) gestaakt moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sport- en dansscholen Horeca-activiteiten in sport- en dansscholen vallen niet onder de exploitatievergunningsplicht, voor zover in de school geen wedstrijden worden gehouden (uitgezonderd onderlinge wedstrijden), de school uiterlijk om 24.00 uur wordt gesloten, de exploitant beschikt over een milieuvergunning en er geen andere activiteiten worden georganiseerd waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sauna’s en zonnecentra Horeca-activiteiten in dergelijke bedrijven vallen niet onder de exploitatievergunningsplicht, voor zover uitsluitend aan bezoekers van de sauna- en zonnecentrafaciliteiten dranken worden verstrekt, wanneer de exploitant beschikt over een milieuvergunning er geen andere activiteiten worden georganiseerd waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfskantines Horeca-activiteiten in dergelijke kantines vallen niet onder de exploitatievergunningsplicht, voor zover de kantine uitsluitend door personeel wordt bezocht er geen andere activiteiten worden georganiseerd waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerken Horeca-activiteiten in kerken vallen niet onder de exploitatievergunningsplicht, voor zover de consumpties uitsluitend kunnen worden verkregen voor of na de kerkdiensten en/of aan de kerk gerelateerde activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bed &amp; Breakfast Het staat een ieder vrij om kamers in zijn/haar eigen huis te verhuren en daarmee een Bed &amp; Breakfastbedrijf te exploiteren. Dergelijke bedrijven of vormen van dienstverlening vallen feitelijk onder de definitie van het horecabedrijf waarvoor een exploitatievergunningplicht geldt (APV), maar gezien de beslotenheid waarin een dergelijk horecabedrijf wordt uitgeoefend, behoeft niet te worden gevreesd dat de exploitatie van een dergelijk bedrijf zal leiden tot verstoring van het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover: tegelijkertijd aan niet meer dan 4 personen in maximaal 2 kamers Bed &amp; Breakfastdiensten worden aangeboden (vanaf 5 personen is inschrijving bij het bedrijfschap Horeca &amp; Catering overigens vereist), én niet anderen dan de Bed &amp; Breakfastgasten toegang hebben tot de horecalokaliteit, en het aanbieden van deze Bed &amp; Breakfastdiensten vooraf schriftelijk is gemeld aan de gemeente, is voor deze vorm van het uitoefenen van het horecabedrijf géén exploitatievergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat neemt overigens niet weg dat de bepalingen uit onder meer de Wet Milieubeheer/ Besluit horeca-,sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer onverkort van toepassing zijn. Tegen overtreding daarvan wordt dan ook bestuursrechtelijk opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat geen aparte exploitatievergunning is vereist betekent overigens ook niet dat voor deze additionele horeca, genoemd in de punten 1 tot en met 7, geen drank- en horecavergunning benodigd is. Wanneer bedrijfsmatig alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, moet daarvoor een drank- en horecavergunning worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijlage 14 is derhalve een concept-besluit bijgevoegd inhoudende de intrekking van de beleidsregel van 23 april 2002 met betrekking tot niet-vergunningsplichtige bedrijven en de vaststelling van de nieuwe beleidsregel “niet-vergunningsplichtige bedrijven”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 19:</p>\n<p class=\"lf-p\">In te stemmen met het intrekken van de beleidsregel van 23 april 2002 met betrekking tot niet-vergunningsplichtige bedrijven; in te stemmen met het vaststellen van de beleidsregel “niet-vergunningsplichtige bedrijven” zoals nader is uitgewerkt in bijlage 14;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande betekent dat alle horecabedrijven die momenteel op basis van de vigerende beleidsregel niet vallen onder de exploitatievergunningplicht, maar dat wel doen op basis van de nieuwe beleidsregel, met ingang van de dag na inwerkingtreding van dit beleid een exploitatievergunning nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12 Veiligheidsplannen Leerdam kent geen sluitingstijden. Dat betekent dat horecabedrijven de gehele dag en nacht geopend mogen zijn. De kans op wanordelijkheden in en in de omgeving van horecabedrijven die gedurende de nachtelijke uren geopend zijn is groter dan bij dag- en avondzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de veiligheid in en in de omgeving van dergelijke bedrijven zoveel mogelijk te garanderen, kan de burgmeester, bij de aanvraag om een exploitatievergunning, voor dergelijke bedrijven een veiligheidsplan verplicht stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kunnen horecabedrijven betreffen waarbij de aanwezigheid van een beveiligingsplan naar het oordeel van de Burgemeester wenselijk is (bijvoorbeeld in een situatie waarin een horecabedrijf is gesloten wegens openbare orde verstoring of wanneer een bestuurlijke maatregel is opgelegd wegens het op ontoelaatbare wijze aantasten van het woon- en leefklimaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel veiligheidsplan Het veiligheidsplan heeft tot doel om de wettelijke verplichtingen op het gebied van veiligheid en openbare orde in en rondom de horecaonderneming te bundelen tot een samenhangend en overzichtelijk geheel. Daarnaast stelt het nadere regels gericht op de verantwoordelijkheden en plichten van de horecaondernemer ten aanzien van de veiligheid van bezoekers en personeel en inbreuken op de openbare orde in en rond de horecaonderneming. Het veiligheidsplan maakt onderdeel uit van de exploitatievergunning Het veiligheidsplan verplicht de horecaondernemer maatregelen te nemen waarmee:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dealers buiten de zaak worden gehouden Wapens niet mee naar binnen genomen kunnen worden Discriminatie wordt tegengegaan Geweld in en om de zaak wordt voorkomen Diefstallen worden verhinderd Overmatig alcoholgebruik wordt voorkomen Uitgangspunten De ondernemer is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn bedrijfsvoering en de veiligheid in het horecabedrijf. Hij bepaalt zelf de aard, inrichting, het niveau en de organisatie van zijn veiligheidsmaatregelen. In het veiligheidsplan staat hoe de ondernemer de veiligheid in zijn bedrijf organiseert. Daar moet hij zich vervolgens aan houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de burgemeester van oordeel is dat een horecabedrijf onvoldoende beveiligd is, kan hij de eis opleggen dat bepaalde veiligheidsmaatregelen onderdeel moeten zijn van het veiligheidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de horecaondernemer weigert de door de burgemeester opgelegde veiligheidsmaatregelen te nemen, kan de burgemeester, voor zover de vereiste veiligheid van personen en/of gebouwen naar zijn oordeel niet of in onvoldoende mate worden gewaarborgd, een eerder verleende exploitatievergunning (tijdelijk) intrekken, aanvullende voorschriften verbinden aan de exploitatievergunning (bijvoorbeeld door het opleggen van sluitingstijden), of een aangevraagde vergunning weigeren of verlenen met aanvullende voorschriften (bijvoorbeeld door ook in een dergelijke situatie sluitingstijden op te leggen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondernemer kan zich bij het opstellen van zijn veiligheidsplan laten adviseren over specifieke maatregelen of instructies aan portiers door bijvoorbeeld de politie, de brandweer, Arbo-diensten of de milieudienst. Wellicht dat de aard van het horecabedrijf, de bezoekers die het trekt, de ligging en/of de oppervlakte aanleiding geven om specifieke maatregelen aan te bevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procedure Bij de aanvraag om een exploitatievergunning moet een veiligheidsplan worden overgelegd. Binnen vier weken wordt getoetst of het veiligheidsplan adequate maatregelen bevat om de veiligheid in de inrichting te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningmedewerker onderzoekt algemene gegevens over het bedrijf en de verleende vergunningen, de bedrijfsformule, de veiligheidsmaatregelen en de huisregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie onderzoekt de gegevens van de portiers en toezichthouders, de wijze van toegangscontrole en de overige beveiligingsmiddelen. Welke maatregelen heeft de exploitant genomen ter wering van drugs, wapens, discriminatie, fysiek geweld, excessief alcoholgebruik of diefstal ? Tevens kan de politie de inrichting inventariseren op veiligheidsaspecten in het bijzijn van de ondernemer. Eventuele extra maatregelen kunnen alsdan direct worden besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot op zekere hoogte is de ondernemer vrij een dergelijk advies al dan niet op te volgen. De verantwoordelijkheid van de ondernemer voor zijn bedrijfsvoering staat voorop. Het is aan hem te bepalen op welke wijze hij voor veiligheid in zijn bedrijf zorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-naleven veiligheidsplan Wanneer een Veiligheidsplan niet wordt nageleefd treedt het stappenplan in werking zoals opgenomen in paragraaf 12.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 20:</p>\n<p class=\"lf-p\">In te stemmen met het voorstel om voor de horecabedrijven zoals hieronder genoemd, bij de aanvraag om een exploitatievergunning, een veiligheidsplan verplicht te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kunnen horecabedrijven betreffen waarbij de aanwezigheid van een veiligheidsplan naar het oordeel van de burgemeester wenselijk is (bijvoorbeeld in een situatie waarin een horecabedrijf was gesloten wegens openbare orde verstoring of wanneer een bestuurlijke maatregel is opgelegd wegens het op ontoelaatbare wijze aantasten van het woon- en leefklimaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13 Portiers Vergunningsplicht Horecaondernemers die eigen portier(s) in dienst hebben die beveiligingswerkzaamheden verrichten moeten bij het Ministerie van Justitie een vergunning aanvragen voor het tot stand brengen van een particuliere beveiligingsorganisatie. Indien de horecaondernemer de portier van een derde {beveiligingsbedrijf, uitzendbureau of stichting) betrekt, is niet de horecaondernemer maar die derde vergunningplichtig. De vergunningplicht vloeit voort uit de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. De vergunningplicht brengt, onder meer, met zich mee dat portiers moeten voldoen aan eisen met betrekking tot vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het diploma horecaportier en de beperkte vergunning Om beveiligingswerkzaamheden te kunnen verrichten dient een horecaportier in het bezit te zijn van een diploma. Het diploma horecaportier bestaat naast het diploma Algemeen beveiligingsmedewerker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horecaondernemers en andere particuliere beveiligingsorganisaties die horecaportiers te werk stellen met het diploma horecaportier krijgen een op die situatie toegesneden, tot de horeca beperkte vergunning. Daarbij zal aan de organisatie waarvoor de portier werkt ontheffing van de genoemde algemene opleidingseis worden verleend. Horecaportiers die in het bezit zijn van het diploma horecaportier mogen geen beveiligingswerkzaamheden verrichten voor organisaties met een reguliere vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horecaondernemers Horecaondernemers die zelf een of meer portiers in dienst hebben of nemen moeten een vergunning aanvragen voor het tot stand brengen van een particuliere bedrijfsbeveiligingsdienst. De horecaondernemer is dan zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen die aan horecaportiers c.q. bedrijfsbeveiligingsdiensten worden gesteld. Wanneer de horecaondernemer de portier van een derde betrekt hoeft hij. als gezegd, geen vergunning aan te vragen want dan is die derde vergunningplichtig en verantwoordelijk voor het voldoen aan de eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveiligingsbedrijven, uitzendbureaus en stichtingen Andere organisaties (beveiligingsbedrijven uitzendorganisaties en stichtingen) die zich (mede) richten op de beveiliging van horecaondernemingen moeten in het bezit zijn van een vergunning voor het tot stand brengen van een particulier beveiligingsbedrijf. De volgende constructies zijn mogelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beveiligingsbedrijf heeft een reguliere, algemene vergunning en de portiers beschikken over het diploma Algemeen Beveiligingsmedewerker. In dat geval hoeft het beveiligingbedrijf geen aparte beperkte vergunning aan te vragen. Een beveiligingsbedrijf met een reguliere vergunning wil gebruik maken van portiers die in plaats van het diploma Algemeen Beveiligingsmedewerker in het bezit zijn van het diploma horecaportier. In dat geval dient een aparte, beperkte vergunning te worden aangevraagd. Het beveiligingsbedrijf zal voor een aparte organisatorische eenheid van het bedrijf moeten zorgen, die in een afzonderlijke rechtspersoon moet zijn ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beveiligers moeten in dat geval door hun afwijkend uniform duidelijk herkenbaar zijn als horecaportier. Een aparte vergunning is nodig in verband met het voorkomen van onduidelijkheid bij de handhaving van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzendorganisatie stelt zelf, dus zonder tussenkomst van een bestaand vergunninghoudend particuliere beveiligingsbedrijf, horecaportiers te werk die in het bezit zijn van het diploma horecaportier. De uitzendorganisatie dient dan een beperkte vergunning aan te vragen. Een stichting. die zich speciaal richt op de beveiliging van horecagelegenheden en waarbij horecaondernemers zijn aangesloten maakt gebruik van portiers die in het bezit zijn van het diploma horecaportier. In dat geval dient de stichting een beperkte vergunning aan te vragen. Er geldt, met uitzondering van de stichtingsvorm, in deze gevallen geen overgangsregeling. De portier mag pas met de werkzaamheden beginnen als hij het diploma horecaportier heeft behaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horecaonderneming: de definitie Onder horecaondernemingen wordt in dit verband verstaan: inrichtingen waarvoor een vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is vereist, of ten aanzien waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca, of een bordeel, uitgezonderd logiesverstrekkende ondernemingen voor zover het logiesverstrekking betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat personen die beveiligingswerkzaamheden voor een hotel verrichten, voor zover het om enkele logiesverstrekking gaat, aan de reguliere eisen op grond van de wet- en regelgeving moeten voldoen. Er zal dan dus sprake moeten zijn van een reguliere vergunning en de beveiliger zal het diploma Algemeen Beveiligingsmedewerker moeten hebben behaald. Wanneer aan een hotel een andersoortige onderneming (bijvoorbeeld een restaurant) is verbonden, kan de beveiliging van dat gedeelte wel plaatsvinden door beveiligingsmedewerkers die in het bezit zijn van het diploma horecaportier. Daarvoor zal dan wel een beperkte vergunning moeten worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Screening en legitimatiebewijzen Voordat een portier door een vergunninghoudende beveiligingsorganisatie te werk kan worden gesteld moet hij toestemming hebben verkregen van de korpschef van de regio waar de particuliere beveiligingsorganisatie is gevestigd. Dat houdt onder meer in dat de portier door de korpschef op zijn betrouwbaarheid wordt getoetst. Wanneer de toestemming is verleend wordt de portier in het bezit gesteld van een legitimatiebewijs. Portiers die werkzaamheden verrichten voor organisaties met een beperkte vergunning dragen een blauw legitimatiebewijs. Op het legitimatiebewijs wordt omschreven welke beveiligingswerkzaamheden de persoon mag verrichten, in dit geval \"uitsluitend horecaportiers\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Portiers die werken voor een particuliere beveiligingsorganisatie met een reguliere vergunning en die derhalve in het bezit zijn of zullen komen van het diploma Algemeen beveiligingsmedewerker krijgen een grijs, danwel groen legitimatiebewijs (beveiligers in opleiding). Doorslaggevend voor de vraag welk legitimatiebewijs moet worden gedragen is welk type vergunning is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving Om te komen tot een strikte handhaving en naleving van de wet en om ook bestuursrechtelijk optreden mogelijk te maken worden, voor zover een horecabedrijf beveiligingswerkzaamheden laat uitoefenen zoals hiervoor omschreven, aan de voorschriften voor een exploitatievergunning, en in het verlengde daarvan het horecasanctiebeleid, de volgende voorschriften toegevoegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die in de uitoefening van het horecabedrijf beveiligingswerkzaamheden verrichten (horecaportiers) dienen te voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; de houder van deze ontheffing meldt vóór de start van de feitelijke beveiligingswerkzaamheden de volledige personalia van deze portier aan het district Alblasserwaard/Vijfheerenlanden van de politieregio Zuid-Holland Zuid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan, bij overtreding van deze voorschriften, naast strafrechtelijk optreden op grond van de wet ook bestuursrechtelijk tegen de horecaondernemer worden opgetreden. Zo kan bijvoorbeeld tijdelijk een vroeger sluitingstijdstip worden vastgesteld of kan de vergunning worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14 Zaalverhuur Zaalverhuurbedrijven worden bestemmingsplantechnisch (vaak) ingedeeld in categorie 3 (B). Voor zover wordt gekeken naar het APV-overlastmotief (de mate waarin een zaalverhuuractiviteiten het woon- en leefklimaat ter plaatse kunnen aantasten), wordt het zaalverhuurbedrijf ingedeeld in categorie 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van aantasting van het woon- en leefklimaat, worden, wanneer er sprake is van zaalverhuur, aan deze activiteit in de exploitatievergunning de navolgende voorschriften en beperkingen verbonden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingen Met betrekking tot de lokaliteiten die worden verhuurd voor besloten partijen, geldt het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">De lokaliteit dient, onverminderd de brandveiligheidseisen, over een eigen toegang voor de bezoekers te beschikken en mag derhalve niet via een andere lokaliteit van de inrichting worden bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De deuren van de lokaliteit(en), waar de besloten partijen worden gehouden, binnenshuis toegang gevende tot de voor het publiek toegankelijke lokaliteit(en), zijn gedurende de te houden besloten partijen, deugdelijk gesloten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dranken mogen uitsluitend aan de bezoekers worden verstrekt vanuit een in de bovengemelde lokaliteit aanwezige bar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan ambtenaren van de politie, gemeente en de brandweer, die zich ter vervulling van hun taak aan de inrichting vervoegen, wordt terstond toegang verleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter controle van de zaalverhuuractiviteiten moet de vergunninghouder een agenda bijhouden die in de inrichting aanwezig is en op eerste verzoek van de politie of bevoegde gemeenteambtenaren ter inzage moet worden overgelegd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehele inrichting wordt door één onderneming geëxploiteerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaalverhuuractiviteiten zijn slechts toegestaan voor zover voor de betreffende zaal, zijnde een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 van de Drank- en Horecawet, een drank- en horecavergunning is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel 21:</p>\n<p class=\"lf-p\">In te stemmen met het verbinden van de voorschriften zoals hiervoor onder de punten 1 t/m 9 vermeld, aan zaalverhuurbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15 Alcoholverboden In artikel 2.4.8 (Hinderlijk drankgebruik) is bepaald dat het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor een terras dat behoort bij een horecabedrijf en de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geldende alcoholverboden in Leerdam Om overlast te voorkomen heeft het college van Leerdam de achterliggende jaren besloten een verbod in te stellen om op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben voor de volgende gebieden: Het gebied gelegen tussen de Stationsweg, Recht van Terleede, Meentplein, Provinciale weg, Veerstoep, Zuidwal, Sundsvall, Archangel, Horndijk, Oranje Nassaulaan, Koningin Emmalaan en Spoorstraat. Het Eiland en de Eksterlaan gelegen bij het Heerenlanden college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang gebied Het college zal en kan slechts een duidelijk omschreven gebied aanwijzen. Het is niet mogelijk het grondgebied van de gehele gemeente aan te wijzen. Dit zou de verordenende bevoegdheid van het gemeentebestuur te boven gaan. Er moet namelijk wel een aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Er moet dan ook een gerechtvaardigde vrees bestaan voor aantasting van de openbare orde, of reeds sprake zijn geweest van aantasting van de openbare orde. Dit kan nooit het geval zijn voor het gehele grondgebied van de gemeente. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast van deze aard veroorzaakt wordt. Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat wordt verondersteld dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Wanneer echter toch andere plaatsen als pleisterplaatsen worden uitverkoren, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstoring openbare orde Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) worden opgetreden op grond van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd in dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de 'voorfase' - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om het verbieden van bij zich hebben van geopende flesjes alcoholhoudende drank. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfregulering De landelijke horecabranche heeft regels gesteld over het verantwoord verstrekken van alcoholhoudende dranken in de horeca. De ondernemer ziet er in dat kader onder andere op toe, dat er geen alcohol wordt geschonken aan personen die in kennelijke staat van dronkenschap verkeren. Ook is het de bedoeling dat de ondernemer terughoudend omgaat met kortingsacties (happy hours) en dat hij verkeersdeelname van dronken gasten probeert tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij paracommerciële horecazaken wordt erop toegezien dat er uitsluitend wijn en bier wordt verkocht en geen sterke dranken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel De algemene, landelijke ontwikkelingen richting een verantwoord drankgebruik waar mogelijk en gewenst ondersteunen door nog meer aandacht te besteden aan alcoholhoudende drank binnen het jeugd- en verslavingsbeleid: waar mogelijk en wenselijk voortzetten van het terugdringen van alcoholmisbruik door educatie en voorlichting aan jongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erop toezien dat ook binnen paracommerciële horecazaken een verantwoord alcoholbeleid wordt gevoerd. Dit kan betekenen dat: alcoholvrije dranken worden gepromoot binnen de vereniging; alcoholvrije dranken minder duur zijn dan dranken met alcohol; de leden voorlichting krijgen over (de gevolgen van) alcohol; er strak op wordt toegezien dat aan jongeren onder 16 jaar geen alcohol wordt geschonken Voorstel 22:</p>\n<p class=\"lf-p\">In te stemmen met het voorstel om de algemene, landelijke ontwikkelingen richting een verantwoord drankgebruik waar mogelijk en gewenst te ondersteunen door nog meer aandacht te besteden aan alcoholhoudende drank binnen het jeugd- en verslavingsbeleid door het waar mogelijk en gewenst voortzetten van het terugdringen van alcoholmisbruik door educatie en voorlichting aan jongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16 Convenant Een mogelijkheid ter bestrijding van overlast die wordt veroorzaakt is het afsluiten van een horecaconvenant tussen individuele horeca-inrichtingen en de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het horecaconvenant beschrijft de rechten en verplichtingen van de horecaondernemer ter zake van zijn horecabedrijf en de directe omgeving, de gemeente en politie. Opgenomen bepalingen zien op de naleving van de wettelijke geluidsnormen, alcoholgebruik, drugsgebruik (harddrugs) en openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan het convenant bepalingen bevatten die niet in de wet zijn opgenomen, bijvoorbeeld het verbod tot meenemen van glaswerk naar buiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 3.5 is al gerefereerd aan het door het gemeentebestuur in januari 2004 afgesloten convenant met de horeca. In dit convenant zijn gedragsregels opgenomen waaraan alle partijen (gemeente, horeca, LOV, politie) zich verbinden. Op deze manier is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een veilige uitgaanssituatie gecreëerd. Het convenant wordt jaarlijks geëvalueerd en zonodig aangepast aan actuele ontwikkelingen en/of wensen van de betrokken partijen. Het convenant is als bijlage 15 bijgevoegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Wet op de kansspelen</h3>\n<p class=\"lf-p\">5.1 Algemeen In artikel 30b van de Wet op de kansspelen (WOK) is bepaald dat het verboden is zonder (aanwezigheids)vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben op of aan de openbare weg; op voor het publiek toegankelijke plaatsen; in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen, waarvoor ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf is vereist of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is in artikel 30c bepaald dat deze vergunning slechts verleend kan worden, wanneer het betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten: in een laagdrempelige inrichting; in een hoogdrempelige inrichting; in een inrichting, anders dan onder a of b, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Kans- en behendigheidsautomaten De wet geeft een definitie van een speelautomaat (art. 30 Wok). Het is: een toestel ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaan twee verschillende soorten speelautomaten, te weten kansspel- en behendigheids- automaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een behendigheidsautomaat is een speelautomaat waarvan: het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen, en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kansspelautomaat is een speelautomaat die geen behendigheidautomaat is. In hoogdrempelige inrichtingen mag uitsluitend het model van een kansspelautomaat geplaatst worden die voldoet aan de bepalingen als gesteld in artikel 12 van het Speelautomatenbesluit 2000 (de zogenaamde Nijpelsautomaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kenmerkende verschil tussen beide automaten is dat de behendigheid van een speler bij een kansspel niet van invloed is op het spelverloop. Een speler van een behendigheidsautomaat heeft dat wel. De vraag of de kansspeler wint hangt af van het toeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problematisch speelgedrag ontstaat veelal op kansspelautomaten. Automaten die winstpremies in klare munt uitkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De speelduur per geldinworp en het patroon van inworp en prijsuitkering is van invloed op de drang om verder te spelen. Vanwege de kans op problematisch speelgedrag, geldt voor kansspelautomaten een strenger toelatingsregime dan voor behendigheidsautomaten Uitbetalen op behendigheidsautomaten Behendigheidsautomaten worden nog wel eens zodanig geconstrueerd dat ze kunnen worden gebruikt als kansspelautomaat en waar uitbetaling vervolgens “achter de bar” plaatsvindt (middellijke betaling). In de wet wordt zoals vermeld een onderscheid gemaakt tussen kansspelen en behendigheidsautomaten. Op basis van dit onderscheid, is het, op grond van artikel 30t van de Wet, verboden dat spelers op behendigheidsapparaten geld uitgekeerd krijgen. Het is derhalve verboden behendigheidsautomaten op enigerlei wijze te exploiteren als kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Opstelplaatsenbeleid In artikel 30c van de Wet op de Kansspelen wordt bepaald dat de gemeente bij verordening het aantal speelautomaten vaststelt. De wet bepaalt dat voor hoogdrempelige inrichtingen vergunning moeten worden verleend voor het plaatsen van twee kansspelautomaten, als hiervoor vergunning wordt aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De horecaondernemer van een hoogdrempelige inrichting heeft echter wel de keuze om slechts voor één automaat een vergunning aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer echter om een vergunning voor twee kansspelautomaten wordt gevraagd, moet deze door de burgemeester worden verleend, althans, voor zover aan het bepaalde in de wet en het gemeentelijke beleid wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan wel zelf bepalen hoeveel behendigheidsautomaten worden toegestaan in de laagdrempelige inrichtingen. Op grond van de wet mogen in laagdrempelige inrichtingen echter géén kansspelautomaten worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Leerdam is het, op grond van artikel 2.3.3.2 van de APV, toegestaan om maximaal twee speelautomaten te plaatsen in een horecabedrijf. Dat betekent dat in een hoogdrempelige inrichting de volgende speelautomaten mogen worden geplaatst:</p>\n<p class=\"lf-p\">2 kansspelautomaten óf 1 kansspelautomaat en 1 behendigheidsautomaat, óf 2 behendigheidsautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard mogen ook minder dan twee automaten worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een laagdrempelige inrichting mogen alléén en maximaal 2 behendigheidsautomaten worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vestiging speelautomatenhal In Leerdam is ervoor gekozen om geen speelautomatenhal(len) toe te staan. Derhalve is deze vestigingsmogelijkheid niet opgenomen in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Hoog- en laagdrempeligheid Hiervoor zijn al de termen “hoogdrempeligheid” en “laagdrempeligheid” genoemd. De status die aan een horecabedrijf gegeven wordt bepaalt of er wel of geen kansspelautomaten mogen worden opgesteld.Het plaatsten van een dergelijk apparaat genereert extra inkomen voor een horecaondernemer. Daarom moet zeer zorgvuldig worden bepaald of sprake is van hoog- of laagdrempeligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens die de aanvrager bij de vergunningaanvraag aanlevert gelden als uitgangspunt voor de beslissing op de vergunningaanvraag, tenzij de fysieke situatie niet in overeenstemming met de opgave is. Daarna zal controle plaatsvinden of de ondernemer in de praktijk in overeenstemming met de vergunningvoorwaarden handelt. Als dat niet het geval is, zal de vergunning worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inrichting is hoogdrempelig als aan de volgende voorwaarden is voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimte dient als café of als restaurant in gebruik te zijn en daarvoor een geldige drank- en horecavergunning te bezitten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien dient het café of restaurantbezoek op zichzelf te staan en mogen er geen activiteiten plaatsvinden waaraan zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Zelfstandige betekenis houdt in dat de activiteit niet uitsluitend ter ondersteuning van het cafébezoek dient, maar een zelfstandige stroom bezoekers trekt. Een voorbeeld hiervan is een bowlingcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten die in de inrichting plaatsvinden moeten gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder. Deze eis is een duidelijk voorbeeld van de achtergrond van de wetgeving, namelijk het voorkomen van gokverslaving bij jongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in een café of restaurant nog andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend, dan wordt de inrichting alsnog als laagdrempelige inrichting gekwalificeerd. Zelfstandige betekenis houdt in dat de activiteit niet uitsluitend ter ondersteuning van het cafébezoek dient en een zelfstandige stroom van bezoekers trekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld is een bowlingcentrum. Het is duidelijk dat een dergelijke inrichting een zelfstandige stroom bezoekers trekt die met het doel om te bowlen de inrichting zullen bezoeken. Een dergelijke inrichting is derhalve laagdrempelig. Als derde voorwaarde geldt zoals vermeld dat de activiteiten in belangrijke mate op personen van achttien jaar en ouder zijn gericht. Een café dat zijn activiteiten richt op bijvoorbeeld scholieren, zal niet aan deze voorwaarde voldoen en wordt derhalve als laagdrempelige inrichting gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een laagdrempelige inrichting wordt dus gezien als een inrichting die het publiek niet in eerste instantie pleegt te bezoeken voor het nuttigen van alcohol en/of maaltijden zoals hiervoor omschreven. Alle inrichtingen die niet voldoen aan de hierboven genoemde eisen zijn laagdrempelig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 30 onder D van de Wok blijkt voorts dat er twee soorten hoogdrempelige inrichtingen kunnen zijn, te weten een cafébedrijf of een restaurantbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is een cafébedrijf en wanneer is deze hoogdrempelig:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een café is een horecabedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet en is pas dan hoogdrempelig als daarvoor ingevolge die wet een vergunning is verleend en waar het verstrekken van alcoholhoudende dranken en alcoholvrije dranken voorop staat en waar verder geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is een restaurantbedrijf en wanneer is deze hoogdrempelig:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een restaurant is een horecabedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet en is pas dan hoogdrempelig als daarvoor ingevolge die wet een vergunning is verleend en er geen andere activiteiten met een zelfstandige betekenis plaatsvinden dan: het verstrekken van alcoholhoudende en alcoholvrije dranken; het serveren van maaltijden die tenminste dienen te bestaan uit de volgende drie, warme en niet met elkaar gemengde bestanddelen: vlees, vis, gevogelte of wild (eventueel te vervangen door andere bestanddelen in het geval van een vegetarische maaltijd), groente, waaronder tenminste een warme groente aardappelen, rijst/meelspijzen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De drempeligheid wordt in Leerdam aan de hand van de navolgende onderzoeksvragen en uitgangspunten vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing drempeligheid Onderzocht wordt of ter plaatse volledige maaltijden worden geserveerd. Volgens het Besluit vestigingseisen Drank- en Horecawet (inmiddels vervallen) wordt onder een maaltijd verstaan: een geheel van warme gerechten, hetwelk tenminste bestaat uit de volgende drie, niet met elkaar gemengde bestanddelen: vlees, vis, gevogelte of wild (eventueel te vervangen door andere bestanddelen, in geval van een vegetarisch restaurant), groente en aardappelen, rijst of meelspijzen. Indien de inrichting op verstrekking van maaltijden van deze samenstelling is gericht en niet op merendeels afzonderlijke gerechten, is er sprake van een restaurant;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzocht wordt of er overdag een substantieel aantal bezoekers de inrichting bezoekt voor het nuttigen van een eenvoudige lunch of koffie/thee met gebak. Verandert de inrichting in de loop van de dag van karakter en wordt deze gebruikt als cafetaria annex lunchroom? En dient aan deze activiteiten een zelfstandige betekenis te worden toegekend die ingevolge de Wet op de kansspelen er toe leidt dat de inrichting laagdrempelig wordt?</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekeken wordt naar de inrichting van de bedrijfsruimte, de menukaarten (het assortiment);</p>\n<p class=\"lf-p\">De prijsstelling van de producten. Komt de prijsstelling overeen met die van snackbars, dan is sprake van een laagdrempelige inrichting;</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van afficheren. Hoe presenteert het bedrijf zich, als cafetaria, restaurant, enz.;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe staat de bedrijfsvoering omschreven in de aanvraag om speelautomaten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de onderneming wellicht onderdeel van een franchise-organisatie. Wat is het kenmerk/de formule van deze organisatie dan Hoe staat het bedrijf geregistreerd (bedrijfsomschrijving) in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel?</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting behorende bij de Wet op de kansspelen is aangegeven dat de wet zich aansluit bij de jurisprudentie van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB.) Daaruit blijkt dat in ieder geval de volgende inrichtingen als laagdrempelig worden aangemerkt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café met biljart- en snooker activiteiten</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/cafetaria</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/discotheek</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/sportevenementenhal</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/gemeenschapshuis</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/restaurant met afhaalgedeelte</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/snooker centrum</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/kegel/bowlingcentrum</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/restaurant/bowling zaal/biljartruimte</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/camping</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/petit restaurant</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/tennishal</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>café/zwembad</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>restaurant/bowling</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>discotheek</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>kantine/snackbar op camping</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>cafetaria ï‚§ snackbar</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>kegel centrum</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>coffeeshop</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>broodjeshuis</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>lunchroom</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>grillroom</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>shoarma zaak</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>snooker centrum</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>sportcomplex</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>gemeenschapscentrum/zalen verhuur</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>restaurant/vergaderzaal/zwembad</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>cafetaria/zwembad</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>kantine in sporthal</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>kantine in dansschool</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>sportcentrum met bar/restaurant/winkel</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>sportcentrum met bar/ restaurant/ dansschool</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>hotel/restaurant/winkel</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>sporthallen/café/restaurant Onverlet het feit dat een pizzeria niet in deze lijst is opgenomen, wordt een pizzeria in principe als laagdrempelig beschouwd.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen geldt dat cafés en restaurants hoogdrempelig zijn en dat discotheken, eetcafés, cafetaria’s en snackbars als laagdrempelig worden aangemerkt, maar het is niet altijd even duidelijk of een inrichting als hoog- of laagdrempelig moet worden aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de ‘samengestelde inrichtingen’ in de zin van art. 30c, lid 4, van de Wet op de Kansspelen leveren nogal eens onduidelijkheid op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de volgende typen horecazaken bestaat vaak onduidelijkheid over de hoog- of laagdrempeligheid: eetgelegenheden; disco’s; cafés met (internet)faciliteiten; hotels; samengestelde inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1. Eetgelegenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘eetgelegenheid’ is hoogdrempelig, tenzij: het café een zelfstandige stroom bezoekers anders dan voor cafébezoek (namelijk eters) aantrekt en het geserveerde eten geen ‘driecomponentenmaaltijd’ is, dat wil zeggen bestaande uit drie warme componenten: vlees/vis/vegetarisch, pasta/aardappels/rijst en warme groente. Een maaltijd bestaande uit vlees, patat en salade en/of plateservice voldoet hier niet aan. er sprake is van toonbankverkoop (vitrine in de inrichting en betalen voor of direct na aflevering), ook al kan de klant van tafels en stoelen gebruik maken; er uiterlijke kenmerken zijn die van een beoogd restaurant een laagdrempelige inrichting maken: de aankleding is gericht op kortstondig verblijf, gebruik van foto’s van maaltijden aan de gevel, presentatie is gericht op ‘snelle hap’; het restaurant ook afhaalmogelijkheden heeft (pizzeria waar je ook pizza’s kan ophalen om elders te eten). De afhaalmogelijkheid maakt het restaurant niet laagdrempelig indien er een voldoende afscheiding is en de klant niet gedwongen wordt via het restaurantgedeelte het afhaalgedeelte te bereiken; het zich op bepaalde tijden richt op een speciaal publiek. Voorbeelden zijn het restaurant dat ook lunches verzorgt, het café dat op zondagmiddag live-muziek heeft (tenzij dit ondersteunend is aan hetï€ cafébezoek) enz; er een menukaart aanwezig is, waaruit blijkt dat de ondernemer zich (tevens) richt op bijvoorbeeld ontbijt of lunch, en daarmee een zelfstandige stroom bezoekers aantrekt (opsomming van een aantal daarvoor typische producten, uitsmijter, belegde broodjes e.d.). Een kaart met alleen borrelhappen (bitterballen, kaas, olijven enz.) maakt de zaak niet laagdrempelig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere punten die van invloed kunnen zijn: is er een kok aanwezig, hoeveel driecomponenten-maaltijden worden er daadwerkelijk besteld en wat zijn de openingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geldt het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaltijden bestaande uit vlees, patat en salade en/of plateservice voldoen niet aan het ‘driecomponentencriterium’. Plateservice met drie warme componenten (vlees/vis/vegetarisch, pasta/aardappels/rijst en warme, verse groente) voldoet uiteraard wel aan het criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB: het feit dat er naast driecomponentenmaaltijden ook andere maaltijden geserveerd worden (bv. voor- en nagerechten, maaltijdsalades) maakt de inrichting niet (meteen) laagdrempelig. Een voorwaarde is wel dat de menukaart minimaal 50% driecomponentenmaaltijden bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijke kenmerken hebben geen zelfstandige betekenis. In het (theoretische) geval dat er foto’s aan de muur hangen van maaltijden die wel aan het ‘driecomponentencriterium’ voldoen, en de inrichting verder aan alle eisen van een hoogdrempelige horecagelegenheid voldoet, zal dit punt er niet voor zorgen dat de inrichting laagdrempelig wordt. Wel kan het de beoordeling versterken: het geldt in combinatie met andere punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ondernemer reclame maakt dat hij ook lunches verzorgt, wordt snel aangenomen dat hij 'zich op bepaalde tijden richt op een speciaal publiek'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor live-muziek waarvoor entree geheven wordt of andere activiteiten in het café. Het gaat hier om muziek/activiteiten met enige regelmaat. Om de week op zondagmiddag een liveband leidt er (op zichzelf) niet toe dat de inrichting laagdrempelig wordt; de livemuziek is dan ondersteunend aan het horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ondernemer zich tevens richt op een zelfstandige stroom ontbijters of lunchers, kan het omzetcriterium van belang zijn; het is echter niet doorslaggevend. Met de menukaart waarmee de ondernemer zich richt op een zelfstandige stroom (lunch)bezoekers, moet hij een bepaald percentage van de omzet genereren voordat de inrichting laagdrempelig wordt (20,7 %). Indien de omzet door de etenswaren beneden de 20% ten opzichte van de totale omzet aan etenswaren en dranken blijft, leidt dit (indien wel aan de overige eisen voor een hoogdrempelige inrichting is voldaan) niet tot het predikaat laagdrempelig. De bewijslast van de omzetpercentages ligt bij de ondernemer: dit betekent dat hij heel nauwkeurig moet bijhouden wat en hoeveel hij verkoopt. Dit moet hij bij de vergunningaanvraag documenteren met een schriftelijke verklaring van een accountant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2. Disco’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een disco/dansgelegenheid trekt een bepaald publiek (zelfstandige stroom van bezoekers) aan, dat niet primair komt voor eten en/of drinken. Daarmee is een disco in principe een laagdrempelige inrichting, en mogen er geen kansspelautomaten worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De horecapraktijk kent echter een aantal gemengde bedrijven, dat naast gewone caféfaciliteiten ook gelegenheid biedt tot dansen. In deze cafés/disco’s staan vaak kansspelautomaten opgesteld. In Leerdam wordt dan in dergelijke situaties gekeken naar de feitelijke situatie..</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen of een inrichting een disco is of niet, kunnen de volgende punten als richtlijn dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Milieudienst is het minimaal benodigde muziekniveau in een disco 90 dB, met levende muziek iets hoger. Er moet derhalve een geluidsinstallatie aanwezig zijn die minimaal 90 dB kan/mag produceren; bij een lager geluidsniveau is het minder aantrekkelijk om te dansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichting biedt regelmatig gelegenheid tot dansen. Onder het regelmatig gelegenheid bieden tot dansen wordt verstaan minimaal twee keer per week, over een langere periode. Als in de inrichting één keer per maand, of één keer per week gelegenheid is om te dansen, leidt dat niet tot laagdrempeligheid. Wel kunnen er natuurlijk andere aspecten zijn die de inrichting laagdrempelig maken. Indien de ondernemer incidenteel (maximaal één keer per maand) op vrijdag- én zaterdagavond gelegenheid biedt tot dansen, kan de inrichting toch hoogdrempelig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het café in het weekend tevens dienst doet als discotheek, is dat regelmatig gelegenheid bieden tot dansen (minimaal twee keer per week). Eén keer per maand is niet regelmatig genoeg om als disco te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan een inrichting zich als disco profileren, bijvoorbeeld door het uitdelen van flyers, of advertenties (via internet) waarin een overzicht gegeven wordt van allerlei geplande programma’s (bijvoorbeeld livemuziek). Daarnaast kan de ‘aankleding’ een rol spelen: is er sprake van speciale discoverlichting (lampen en/of andere lichteffectvoorzieningen), wat staat er aan de buitenkant (‘kom dansen!’?) en is er binnen fysieke ruimte (een open plek) om te dansen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De grootte van de dansvloer. Voorheen gold het criterium van een dansvloer van ten minste 10 m² voor een vergunningsplichtig bedrijf krachtens de Hinderwet/Wet Milieubeheer. Nu deze vergunningplicht is vervallen kan niet aan deze norm worden vastgehouden. Vaak is het moeilijk te bepalen of er een dansvloer van 10 m² of meer is. Op de dag staan er in de zaak tafeltjes, ’s avonds zijn deze aan de kant geschoven en is er dansgelegenheid. In lang niet alle gevallen is er sprake van een opgehoogde dansvloer (en zelfs daar kunnen ook nog tafels en stoelen staan), en ook langs de bar (als hier een ruime doorloop is) wordt gedanst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kunnen leeftijdscontrole, portiers aan de deur en de heffing van entreegeld een aanwijzing zijn dat het om een disco gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3. Cafés met (internet)faciliteiten.</p></div>", "next": 239611}