{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdstip van aanbieding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze en plaats van aanbieding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 4.2.2.7, buiten een perceel te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Bedrijfsafvalstoffen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 4.2.2.1 in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening reinigingsrechten verschuldigde rechten zijn voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 4.2.3.1 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 4.2.2.3, achter te laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 4.2.3.1 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Zwerfafval en overige</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Dumpingsverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Omgevingswet, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Zwerfafval in de openbare ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4242a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.2a</span><span class=\"lf-art-t\">Ongeadresseerd drukwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit artikel wordt verstaan onder: huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 20% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame: ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten; drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of laten bezorgen bij een perceel, tenzij de bewoner kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Zwerfafval rondom inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Afval en verontreiniging op de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Geen opslag van afval in de open lucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze afdeling aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Ontdoen van autowrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Bepalingen over de riolering</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: vuilwaterriool: het niet voor hemelwaterafvoer bedoelde rioolstelsel dan wel gemengde rioolstelsel; hemelwaterriool: het alleen voor de afvoer van hemelwater bedoelde rioolstelsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een rioolaansluiting te maken of te wijzigen op het gemeentelijk riool.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: het voornemen tot het maken of wijzigen van de rioolaansluiting dient tenminste drie weken van tevoren schriftelijk te worden gemeld aan het college, onder vermelding van in ieder geval: een schets of foto van de locatie; het adres van de eventueel aan te sluiten woning; een tekening en beschrijving van de wijze waarop de aansluiting wordt gerealiseerd; de diameter van de buis en de hoeveelheid te lozen vuil- en regenwater; de datum en het tijdstip van uitvoering; de gegevens van de aannemer die het werk zal uitvoeren; de hoogte en het aansluitpunt van de leidingen op de erfgrens hebben de instemming van de betrokken grondeigenaar; er wordt binnen circa een halve meter van de erfgrens van het betreffende perceel een ontstoppingsstuk geplaatst in elke afvoerleiding, die te allen tijde bereikbaar is; de vuilwaterafvoerleiding dient te worden uitgevoerd in de kleur grijs en mag enkel op het gemeentelijk vuilwaterriool worden aangesloten voor zover ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is; de hemelwaterafvoerleiding dient te worden uitgevoerd in de kleur roodbruin en mag enkel worden aangesloten op het hemelwaterriool, voor zover ter plaatse een gescheiden rioolstelsel aanwezig is; binnen drie weken na het maken of wijzigen van een aansluiting dient een revisietekening van de aansluiting aan het college te worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden een rioolaansluiting op het gemeentelijk riool te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bepaalde in het derde lid geldt niet als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: regenwater mag enkel op het hemelwaterriool worden geloosd en er mag geen ander water op het hemelwaterriool worden geloosd; er mag op geen enkele wijze afvalwater en/of afvalstoffen worden geloosd die door samenstelling, aard of hoeveelheid: gevaar, schade of hinder kan opleveren voor de riolering dan wel de goede werking daarvan, of voor de daarop aangeslotenen of een nadelige invloed kan hebben op de verwerking van het uit de riolering te verwijderen slib; er mag niet op zodanig wijze afvalwater en/of afvalstoffen worden geloosd dat daardoor de goede werking van de riolering kan worden belemmerd; er mogen op de riolering geen stoffen, in welke vorm dan ook, worden geloosd: met een sulfaatgehalte van meer dan 300 mg per liter; die verstopping of beschadiging van de riolering of daarmee verbonden installaties kunnen veroorzaken; die worden versneden door middel van versnijdende apparatuur, tenzij het stoffen betreft die ook zonder te zijn versneden geloosd mogen worden; die brand- of explosiegevaar kunnen veroorzaken; die stankoverlast kunnen veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college bericht de melder binnen uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid, onder a, of de melding voldoet aan het daar bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college kan nadere regels stellen omtrent het in het tweede en vierde lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hemelwaterafvoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een hemelwaterafvoer aan te sluiten of aangesloten te hebben op het vuilwaterriool van het gescheiden stelsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Lozing van afvalwater uit beer- zinkputten, rioolwater, grondwater of spoelwater op inspectieputten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college afvalwater uit beer- of zinkputten, rioolwater, grondwater of spoelwater op inspectieputten te lozen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning dient te worden aangevraagd door middel van een daartoe door het college vastgesteld formulier onder bijvoeging van een rioleringsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan nadere eisen stellen met betrekking tot het in het eerste lid genoemd rioleringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden die in ieder geval betrekking kunnen hebben op de verplichting aan te sluiten op een verbeterd gescheiden stelsel inclusief het treffen van de daarvoor vereiste voorzieningen op eigen terrein.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Bodem, weg en milieuverontreiniging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Achterlaten van straatafval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet en drinkwaren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod opslag van afvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van of namens het cluster Openbare Ruimte aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op het doorzoeken van ter inzameling gereed staande afvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Het bewaren van houtopstanden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtig opgaand gewas zowel levend als afgestorven. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen. beschermde houtopstand: een houtopstand die is vastgelegd op de lijst met waardevolle bomen. lijst met waardevolle bomen: register met daarop aangegeven houtopstand met overzichtskaart. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, de ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom, op basis van landelijke richtlijnen. vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Lijst met waardevolle bomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stelt een lijst met waardevolle bomen vast. De lijst wordt jaarlijks aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De eigenaar van een beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van: het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende ontheffing. de dreiging dat de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-453\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kapverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden beschermde houtopstand te vellen of te doen vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens ontheffing geldt eveneens voor: houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen 4.5.8 en 4.5.10; houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4.5.10 en 4.5.11; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; houtopstand ten aanzien waarvan bij het omgevingsplan of bij een geldend voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is deze te vellen zonder schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, onder verwijzing naar de redengevende beschrijving van de beschermde houtopstand door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de beschermde houtopstand te beschikken, onder overlegging van een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd gezag kan de ontheffing om te vellen weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ontheffing voor het vellen van een beschermde houtopstand kan, mits alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts bij uitzondering worden verleend indien: een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand of; naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van acuut gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking geldigheidsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De omgevingsvergunning tot vellen zoals bedoeld in artikel 4.5.3, tweede lid, vervalt indien daarvan niet binnen maximaal één jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt, tenzij een langere termijn noodzakelijk is vanwege de voorzienbare langere uitvoeringstermijn van een project.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het geval het een ontheffing voor het vellen van meer dan één beschermde boom betreft, is de omgevingsvergunning voor alle beschermde bomen slechts één jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of enkele beschermde bomen al geveld zijn, behoudens de in het eerste lid gestelde bevoegdheid tot het voorschrijven van een langere termijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in een voorziening van de gemeente die dient ter instandhouding en uitbreiding van het bomenbestand en groenvoorzieningen in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan telkens worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tot aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Tot aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het opstellen en overleggen van een Bomen Effect Analyse in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college stelt nadere regels vast voor het bepalen van de waarde van de in dit artikel lid 2 en artikel 4.5.10 lid 2 bedoelde houtopstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Afstand van de erfgrenslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant-/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder ontheffing van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage gestort in een voorziening van de gemeente die dient ter instandhouding en uitbreiding van het bomenbestand en groenvoorzieningen in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger is verplicht daaraan te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding van boomziekten en ziekteverspreiders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de boom te vellen; conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig de behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte of de ziekteverspreiders kan verspreiden</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Bescherming van flora en fauna</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming groenvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-462\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermde planten; hout sprokkelen; verwijderen van paddenstoelen; verzamelen van zaden en vruchten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college is bevoegd: plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur, landschaps of dorps/ stadsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben; bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben en paddenstoelen van hun groeiplaats te verwijderen of bij zich te hebben en zaden en vruchten van bomen en struiken te verzamelen of bij zich te hebben voor commerciële doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats: de daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken, bij zich te hebben, dan wel; hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben en paddenstoelen van hun groeiplaats te verwijderen of bij zich te hebben en zaden en vruchten van bomen en struiken te verzamelen of bij zich te hebben voor commerciële doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet: ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige bloemen of planten, hout, paddenstoelen of zaden en vruchten; indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; voor zover de Omgevingswet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet: ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop het in artikel 4.5.2 gestelde verbod niet van toepassing is; ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-463\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Wedstrijden, wandel-, fiets, trim- en ruitertochten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college wedstrijden, wandel-, fiets, trim- en ruitertochten te organiseren of te houden in parken, bossen en natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een vergunning wordt geweigerd voor de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-464\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beperkte openstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, ter bescherming van flora en fauna, voor publiek toegankelijke natuurgebieden of gedeelten daarvan aanwijzen waar een beperkte openstelling geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-465\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Lichthinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit artikel wordt onder lichthinder verstaan: hinder voor mens en dier als gevolg van het gebruik van kunstlicht na zonsondergang bij maneges en paardenbakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden lichthinder te veroorzaken binnen door het college aangewezen gebieden en plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bepaalde in dit artikel geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, dan wel; op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in dit artikel bepaalde ziet niet op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Besluit activiteiten leefomgeving of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit artikel verstaat onder: meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: ‘tijdens het uitrijden van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt’; grond: landbouwgrond, maïsland en grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de algemeen erkende feest en gedenkdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-472\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak; opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid; opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op: openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op het onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden; mits deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,15 m2 en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en mits deze opschriften en aankondigingen zijn aangebracht op of aan het onroerend goed; opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits van het aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de rechthebbende of de hoofdgebruiker van de onroerende zaak schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag en het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken. Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze gedurende meer dan 9 weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gesteld verbod geldt voorts niet voor zover de Omgevingswet, de gemeentelijke Erfgoedverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-473\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede lid van artikel 4.7.2, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, is het college bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-481\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: stralen: droog- of semi-droogstralen; reinigen: al of niet onder hoge druk reinigen met water met of zonder voorbehandeling van te behandelen gebouwen, bouwwerken of wegen; droogstralen: het mechanisch reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen zonder toevoeging van water; semi-droogstralen: het mechanisch reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen met toevoeging van water en het vervolgens schoonspuiten; hogedruk reinigen: het reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van water, zonder toevoegingen; hogedruk reinigen met voorbehandeling object: het reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het opbrengen van een stof met een chemische of fysische werking en het vervolgens onder druk schoonspuiten; wet: Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-482\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen uit te voeren: in een milieubeschermingsgebied zoals aangewezen in de Omgevingsverordening Gelderland; op werkdagen buiten de periode van 07.00 uur tot 19.00 uur; op zaterdag of zondag; op algemeen erkende feestdagen; gedurende meer dan tien, al dan niet volledige, werkdagen binnen een tijdsbestek van zes maanden; in nader door het college bij openbare kennisgeving aan te wijzen situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-483\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor andere dan in artikel 4.8.2 bedoelde schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen kan worden volstaan met een melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een melding, zoals bedoeld in het eerste lid, geschiedt ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het collegedoor middel van een standaard meldingsformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het stralen of reinigen of de activiteiten die hiermee samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-484\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 4.8.2 en artikel 4.8.3, eerste en tweede lid, gestelde geldt niet indien: de schoonmaakactiviteit door particulieren, anders dan bedrijfsmatig, wordt uitgevoerd; voor de schoonmaakactiviteit door middel van stralen of reinigen reeds een vergunning op basis van de wet is verleend; een gemeentelijke instelling of een bedrijf als gevolg van een ongewoon voorval een gebouw, bouwwerk of weg in het belang van de verkeersveiligheid of bij verstoring van de openbare orde terstond moet reinigen of stralen. Laatstgenoemde werkzaamheden moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór de aanvang van de werkzaamheden worden gemeld bij de milieuklachtentelefoon van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-485\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding met andere artikelen uit deze verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 4.1.5 (geluidhinder) en 4.2.4.1 (dumpingsverbod) van deze verordening zijn niet van toepassing op stralen en reinigen zoals bedoeld in deze afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Parkeerexcessen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: treinen, trolleys en trams; tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens; parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, dan wel; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder verhuren wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het geven van rijlessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is de exploitant van een taxi- en/of vervoerbedrijf verboden drie of meer voertuigen op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan van de in het eerste en derde lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.2a</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Wrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig of een (brom)fiets die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Caravans e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een kampeerwagen, woonwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te parkeren op de weg, met een maximum van zes dagen per maand; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig als bedoeld in artikel 1.1, dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Dit artikel geldt niet voor zover artikel 5.1.5 van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren binnen een afstand van 10 meter van een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder 1; op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijke aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Collecteren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit artikel wordt onder collecte verstaan: een openbare inzameling van geld of goederen of het daartoe aanbieden van een intekenlijst. Daaronder wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een collecte te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod geldt niet voor een collecte die in besloten kring gehouden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod geldt niet voor een collecte, die wordt gehouden door: een landelijk collecterend fonds dat is opgenomen in het door het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) jaarlijks opgestelde collecterooster voor zover de collecte plaatsvindt binnen de daarop voor het betreffende fonds aangegeven periode; een vereniging of stichting ten behoeve van een liefdadig of ideëel doel in een in voornoemd collecterooster opgenomen vrije periode, mits: de collecte maximaal 1 week duurt; de vereniging of stichting in het betreffende kalenderjaar niet eerder een collecte in Arnhem heeft gehouden; de collectant beschikt over een CBF-Keur of een door het CBF afgegeven Verklaring van geen bezwaar, danwel anderszins publiekelijk verantwoordelijk aflegt over de ingezamelde gelden of goederen en de besteding daarvan; de collecte niet betrekking heeft op een doel waarvoor al een collecte in het betreffende kalenderjaar in Arnhem wordt of is gehouden; uiterlijk drie weken voordat wordt begonnen met de collecte hiervan schriftelijk melding bij het college wordt gedaan, onder vermelding van de periode, het liefdadig of ideëel doel en de wijze waarop voldaan wordt aan het bepaalde onder 3; er geen eerdere melding is ontvangen van een andere vereniging of stichting voor de betreffende periode die voldoet aan het bepaalde in dit lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan binnen twee weken na ontvangst van de melding als bedoeld in het vierde lid, onder b, sub 5, besluiten een collecte te verbieden in het belang van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Venten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op de door het college aangewezen plaatsen te venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder venten wordt in dit artikel in ieder geval verstaan het op of aan de weg of een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven; personeel te werven; marktonderzoek, enquêteren daaronder mede begrepen, te doen; petities ter ondertekening aan te bieden; gratis producten en monsters te verstrekken; leden te werven; abonnementen aan te bieden; diensten aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: voor het aan huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door – of door huisgenoten of personeel van – hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een van gemeentewege ingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3; voor het aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen als bedoeld in artikel 2.1.3.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen: uitstallingen op de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben; anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid gestelde verbod niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een van gemeentewege ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 5.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Omgevingswet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale omgevingsverordening van toepassing is 6.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving; in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; vanwege strijd met het omgevingsplan; indien er één of meer aanvragen voor samenlopende concurrerende standplaatsen zijn ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een activiteit betreft die vergunningplichtig is in het kader van de Omgevingswet en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop de omgevingsvergunning van kracht geworden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Het college kan nadere regels vaststellen waaraan getoetst wordt of een standplaatshouder in aanmerking komt voor een vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stelt voor het indienen van aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 een formulier vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 worden overgelegd: een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; situatietekening van de locatie; een foto van de kraam/standplaatswagen; een bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte van de standplaats; een kopie van een identiteitsbewijs van de aanvrager.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Openbaar water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder kade: de gehele rechter Rijnoever, met uitzondering van het voormalig Rijksveer Malburgen (kadastraal bekend als gemeente Arnhem, sectie D, nr. 4031), beginnende bij het gedeelte van Onderlangs waar het Rijnhotel, plaatselijk bekend Onderlangs nr. 10 en eindigende bij de Haven van Malburgen, alsmede de gehele wal van de Haven van Malburgen, tussen de waterlijn bij een waterstand van 8,57 + NAP gemeten aan de Rijkspeilschaal aan de Rijnkade bij het Roermondsplein en een evenwijdig daarvan landwaarts gelegen lijn, op een afstand van 30 meter uit die waterlijn, horizontaal gemeten en de Haven van Malburgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is in verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbare water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water of niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet of het Binnenvaartpolitiereglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan voor vaartuigen, alsmede voor het gebruik van de kade en de haven nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de artikelen 161, 166, 167 of 350 van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbare water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3A Woonschepen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">1Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: ligplaats: een gedeelte van het openbare water, bestemd of geschikt om door een woonschip met bijbehorende voorzieningen te worden ingenomen; bijbehorende voorzieningen: zaken zonder welke het gebruik van het schip als woning niet goed mogelijk is, zoals bijboten, steigers en loopplanken; woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd of bestemd is voor bewoning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">2Aanwijzing ligplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college wijst gedeelten van het openbare water aan bestemd voor het innemen van een ligplaats met een woonschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover dit strijdig is met het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijnvaartpolitiereglement 1995 of het Provinciaal reglement Gelderland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">3Verboden ligplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een woonschip een permanente ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 5.3a.2 aangewezen gedeelten van het openbare water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op woonschepen die in aanbouw of in reparatie zijn, zolang zij zich op of aan een scheepswerf, dan wel in of bij een reparatie-inrichting bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of het Binnenvaartpolitiereglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">4Ligplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een ligplaats in te nemen of te hebben op de op grond van artikel 5.3a.2 aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid bedoelde ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kanten aanzien van de bijbehorende voorzieningen nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een ligplaatsvergunning kan worden geweigerd indien: voor de ligplaats reeds vergunning is verleend; het woonschip belemmeringen veroorzaakt aan het verkeer te water of te land; het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid; het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 26 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de vergunning is aangevraagd, kan innemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">5Overdragen ligplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op aanvraag van de vergunninghouder en van de rechtverkrijgende schrijft het college de ligplaatsvergunning over op de naam van de rechtverkrijgende van het woonschip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">6Intrekking ligplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan de ligplaatsvergunning, naast de in artikel 1.5 genoemde gronden, intrekken, indien: het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een periode langer dan 12 aaneengesloten maanden buiten de gemeente verblijft; het uiterlijk van het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft niet voldoet aan eisen van veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">7Aanwijzingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het innemen van de ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden aan of nabij de ligplaats worden de door het college gegeven aanwijzingen in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergunninghouder is verplicht gevolg te geven aan de door het collegegegeven bevelen en aanwijzingen in het belang van de openbare orde, de vrijheid of veiligheid van het verkeer, de volksgezondheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">8Aansluiting aan drinkwaterleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten op het distributienet van de openbare waterleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet, indien het schip is voorzien van een of meer drinkwatertanks waarvan de gezamenlijke inhoud minimaal 250 liter bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">9Overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.3a.4, vierde lid zijn niet van toepassing op woonschepen, die ten tijde van het nemen van het in artikel 5.3a.2, eerste lid bedoelde aanwijzingsbesluit ligplaats innemen in het bij dat besluit aangewezen gedeelte van het openbare water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college neemt met betrekking tot de in het eerste lid van dit artikel genoemde situatie en besluit inhoudende vaststelling van de bestaande situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor die woonschepen waarvoor het college een besluit neemt als bedoeld in het tweede lid, onder A van dit artikel, wordt voor die betreffende situatie een vergunning verleend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een fiets een wedstrijd dan wel een trainings of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: zich met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in het vorige lid of met een paard te bevinden, dan wel; zich met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in het vorige lid of met een paard te bevinden buiten de in die aanwijzing aangeduide en als zodanig gemarkeerde paden; dan wel; zich met een motorvoertuig, met een bromfiets, met een fiets of met een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen of fietsen en voor berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 58 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het collegeaangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; op wegen gelegen binnen de krachtens de provinciale 'Verordening verkeersbeperking ter bescherming van de natuur' aangewezen natuurgebieden; binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Verbod vuur te stoken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Verstrooiing van as</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele asverstrooiing is verboden: op verharde delen van de weg; op de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen en het nationale strooiveld Delhuyzen; in of boven waterwingebieden; op de natuurterreinen Landgoed Schaarsbergen, Maasbergse bossen, ‘t Zand, Deelen, Kemperheide, Koningsheide (met uitzondering van het zuidelijk deel), Zonheuvel, Rijk der Heide, Johannahoeve, Grijsoord en Lange Hut.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Incidentele asverstrooiing is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op de onroerende zaak waarop de as wordt verstrooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan, eventueel voor een bepaalde termijn, andere plaatsen dan in het eerste lid genoemd aanwijzen waar incidentele asverstrooiing verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop- en theatervoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.4.2, 2.2.1 en 2.3.3.1. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.1; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest of buurtbarbecue; een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">0- evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 250 mensen;</p>\n<p class=\"lf-p\">A- evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">B- evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">C- evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onder evenementenkalender wordt in deze afdeling verstaan een door de burgemeester vast te stellen lijst met A-, B- en C-evenementen die in een kalenderjaar plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren (evenementenvergunning).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Geen vergunning als bedoeld in artikel 5.7.2, eerste lid is vereist voor een 0-evenement, als de organisator tenminste acht werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester en het evenement voldoet aan de volgende vereisten: het gedurende het evenement verwachte gelijktijdig aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 249 personen; er wordt voldaan aan de eisen gesteld aan het geluidsniveau zoals neergelegd in nadere regels van het college; het evenement vindt plaats tussen 07.00 en 24.00 uur; het is een eendaags evenement; het evenement vindt niet plaats op de rijbaan, (brom)fietspad, het voetgangersgebied in de binnenstad, in een bos, tijdens het broedseizoen van 1 maart tot 15 augustus in een park of vormt anderszins geen belemmering voor het verkeer en de hulpdiensten; er is een organisator; het voornemen tot het houden van een evenement wordt voorafgaand aan het evenement schriftelijk of via een speciale sectie van de gemeentelijke website aan de burgemeester gemeld; de organisator ontvangt via e-mail een ontvangstbevestiging; de melding bevat de naam van de organisator, het verwachte maximum aantal bezoekers op enig moment en gedurende het gehele evenement, de locatie, de tijdstippen van begin en einde en de aard van het evenement; er worden bij het evenement geen dieren gebruikt los van de dieren die onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering; er is geen eerdere melding ontvangen voor het houden van een 0-evenement voor dezelfde datum, tijd en locatie; er is ten behoeve van het evenement geen artikel 35 ontheffing van de Alcoholwet nodig voor het verstrekken van zwak-alcoholische dranken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In bijzondere gevallen kan de burgemeester ten gunste van de melder van meldingstermijn afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid van dit artikel besluiten een 0-evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Geen vergunning als bedoeld in artikel 5.7.2, eerste lid, en geen melding als bedoeld in artikel 5.7.2, tweede lid, is vereist voor een 0-evenement waarbij gelijktijdig maximaal 20 personen aanwezig zijn, mits voldaan wordt aan de overige vereisten genoemd in artikel 5.7.2, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 5.7.1, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De burgemeester kan bij openbare kennisgeving bepalen dat één of meer (categorieën van) evenementen zijn vrijgesteld van de vergunningplicht zoals bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De burgemeester kan bij openbare kennisgeving gebouwen, locaties en gebieden aanwijzen waar het houden van één of meer (categorieën van) evenementen voor een periode van maximaal twee jaar is vrijgesteld van de vergunningplicht zoals bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De burgemeester kan besluiten de categorie van het evenement aan te passen indien de feiten en omstandigheden hiertoe nopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementenvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een aanvraag voor een evenementenvergunning wordt minimaal voor de onderstaande termijn ingediend bij de burgemeester:</p>\n<p class=\"lf-p\">A-evenement vier weken voor aanvang van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">B-evenement acht weken voor aanvang van hte evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">C-evenement twaalf weken voor aanvang van het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan de burgemeester ten gunste van de aanvrager van deze bepaling afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een evenementenvergunning wordt verleend aan een organisator en bevat een beschrijving van het gebied waarbinnen het evenement plaatsvindt (evenemententerrein), het tijdstip en de duur van het evenement, alsmede een beschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement mogen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet afzonderlijk vergunningsplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke publiekrechtelijke regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op het evenemententerrein mogen geen activiteiten plaatsvinden die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningsplichtig zijn, tenzij die activiteiten zijn vermeld in de evenementenvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Tenzij de burgemeester anders bepaalt geldt het verbod in het vierde lid niet voor activiteiten waarvan aannemelijk is dat zij krachtens een voor onbepaalde tijd, dan wel voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning ook op het evenemententerrein zouden plaatsvinden als daar geen evenement zou worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Een beslissing op een aanvraag voor een evenement wordt opgeschort, indien de milieuwetgeving eisen stelt aan het betreffende evenement en zolang de organisator niet heeft voldaan aan die eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De burgemeester kan een vergunning weigeren, indien: er, gelet op de aard van het evenement, onevenredig veel beslag wordt gelegd op de openbare ruimte, gemeentelijke diensten of hulpdiensten; het aantal bezoekers dat wordt verwacht onevenredig veel beslag legt op de ruimte, gemeentelijke diensten of hulpdiensten; de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie; er gevaar bestaat voor de openbare orde, zedelijkheid, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden; er gevaar bestaat voor ernstige verkeersbelemmeringen; er gevaar bestaat voor een onaanvaardbare belasting voor de omgeving als gevolg van het evenement; de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; de organisator onvoldoende waarborgen biedt om schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken; er gevaar bestaat voor verontreiniging; er gevaar bestaat voor de beschadiging van gemeentelijke dan wel particuliere eigendommen; de organisator niet aantoont dat hij voldoet aan de eisen van de milieuwetgeving, indien van toepassing; er één of meer aanvragen voor samenlopende concurrerende evenementen zijn ingediend; de weigering in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt is; onvoldoende aannemelijk is dat voldaan wordt aan de eisen die het college in nadere regels stelt aan het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement indien het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtredingvan de Omgevingswet, niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De burgemeester kan ter verzekering van de nakoming van de voorschriften in de vergunning bepalen dat een waarborgsom moet worden voldaan voordat het evenement wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De burgemeester is bevoegd tot het vaststellen van de evenementenkalender.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.De burgemeester kan ter regulering van het evenement aan de vergunning voorschriften verbinden die betrekking hebben op het geluidsniveau van het programma tijdens het evenement, voor zover het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtredingvan de Omgevingswet, niet van toepassing is. Hiervoor stelt het college nadere regels vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Behoud privaatrechtelijke bevoegdheden (gebruiksovereenkomst)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorgaande artikelen laten onverlet de bevoegdheid van de gemeente om voorwaarden te stellen aan het gebruik van gemeentegrond of openbaar water als evenemententerrein. Het sluiten van een gebruiksovereenkomst kan als voorwaarde in de evenementenvergunning worden opgenomen. In deze gebruiksovereenkomst kunnen onder meer voorwaarden worden opgenomen die zien op de in art 5.7.3, achtste lid genoemde belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-575\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-576\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden bij een evenement onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden bij een evenement messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ieder is verplicht bij een evenement alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het tweede lis gesteld everbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of eviligheid niet in gevaar komt of kan komen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Openluchtrecreatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-581\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder: kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf; kampeermiddel: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig dat bestemd is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; caravan: al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meerdere personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen; beheerder: de persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent over een kampeerterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden niet als kampeermiddelen beschouwd vaartuigen, woonwagens, tenten in gebruik voor het houden van bijeenkomsten, tentoonstellingen of voorstellingen, en voertuigen in gebruik als directiekeet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-582\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeerverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een kampeerterrein te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-583\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning voor het houden van een kampeerterrein kan slechts worden verleend indien de aanvraag betrekking heeft op gronden die in het omgevingsplan op enigerlei wijze zijn aangewezen voor kamperen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-584\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verbindt aan een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Het college kan deze voorschriften wijzigen of intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-585\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagformulier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan ten behoeve van de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 een formulier vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 worden in ieder geval overgelegd: gegevens betreffende naam en adres van de natuurlijke of rechtspersoon die houder is van het kampeerterrein en van de beheerder van het kampeerterrein; en een situatietekening van het kampeerterrein waarop zijn aangegeven de kadastrale omschrijving van het terrein, de plaats van de bestaande en op te richten bouwwerken en hun functies en de wijze waarop in parkeergelegenheid is voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-586\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kamperen buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in artikel 5.8.2 voor het gelegenheid geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen buiten de in artikel 5.8.2 bedoelde kampeerterreinen door groepen uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een in de ontheffing aangegeven korte, aaneengesloten periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in artikel 5.8.4 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-587\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf op of aan de weg kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden dan wel daartoe gelegenheid te geven buiten kampeerterreinen waarvoor een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 5.8.2 onderscheidenlijk artikel 5.8.6 is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod genoemd in het eerste lid niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot tijdstippen, perioden en soort kampeermiddel voor de plaatsen bedoeld in het tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9 Meldingsplicht kamergewijze verhuur</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-591\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem; wooneenheid: gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur dat bestemd is voor afzonderlijke bewoning; kamergewijze verhuur: verhuur van een niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie waarin zich vijf of meer wooneenheden bevinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-592\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Kamergewijze verhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kamergewijze verhuur is verboden indien er niet is voldaan aan de volgende eisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er iemand is aangesteld, niet zijnde een huurder die: toeziet op de hygiëne en de veiligheid; aanspreekpunt is voor bewoners, omwonenden en overheden bij klachten; elke dag van de week bereikbaar is; een actueel overzicht bijhoudt van de namen van de bewoners van het pand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van kamergewijze verhuur van een pand is melding gedaan conform artikel 5.9.3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-593\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht bij kamergewijze verhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die kamergewijze verhuur van een pand wil realiseren, meldt dit tenminste vier weken voor de eerste verhuur aan het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-594\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevensverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een melding van kamergewijze verhuur wordt ingediend door gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier. Bij de melding worden tenminste de volgende gegevens verstrekt: de naam en het adres van de verhuurder; indien van toepassing het nummer van de Kamer van Koophandel van de verhuurder; adres en kadastrale gegevens van het te verhuren pand; de datum waarop de eerste verhuur plaats zal vinden; de naam, het emailadres en het telefoonnummer van de persoon die is aangesteld ex artikel 5.9.2, van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-595\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij bestaande kamergewijze verhuur op het moment van inwerkintreding van deze regeling, dient de melding vier weken na inwerkintreding van deze regeling plaats te hebben gevonden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10 Verboden reclame</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.10.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In dit artikel wordt verstaan onder Fossiele reclame: handelsreclame, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen, voor de volgende producten en diensten: fossiele brandstoffen, vliegvakanties, vliegtickets, grijze stroomcontracten, gascontracten, cruisereizen of auto’s met een fossiele of hybride brandstofmotor.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is fossiele reclame aan te brengen, tenzij het gaat om: bedrijfsnamen, bedrijfslogo’s en reclames aan of in de directe nabijheid van het pand waar de activiteiten plaatsvinden waar de reclame betrekking op heeft; bedrijfsnamen en bedrijfslogo’s op wegwijzers op bedrijventerreinen en wegen. [Dit artikel treedt in werking op 13 maart 2027]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In dit artikel wordt verstaan onder Vlees- of visreclame (hierna vleesreclame): handelsreclame waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen, voor vlees- of visproducten en maaltijden voor menselijke consumptie waar vlees of vis in verwerkt is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is vleesreclame aan te brengen, tenzij het gaat om: bedrijfsnamen, bedrijfslogo’s en reclames aan of in de directe nabijheid van het pand waar de activiteiten plaatsvinden waar de reclame betrekking op heeft; bedrijfsnamen en bedrijfslogo’s op wegwijzers op bedrijventerreinen en wegen. [Dit artikel treedt in werking op 13 maart 2027] Hoofdstuk6Straf, overgangs- en slotbepalingen</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van een artikel uit deze verordening waarin een gebod of verbod is opgenomen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Overtreding van een artikel uit een krachtens deze verordening door het college vastgestelde nadere regel, waarin een gebod of verbod is opgenomen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De vorige leden zijn niet van toepassing op: de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 5 (Bestrijding heling), met uitzondering van artikel 2.5.5; de bepalingen van hoofdstuk 4, afdeling 2 (Afvalstoffen), met uitzondering van de artikelen 4.2.3.1 tot en met 4.2.3.3; de artikelen 2.1.5.2 eerste lid onder a, 2.1.5.3, 2.4.19, 4.5.2, 4.5.6 en 4.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.2.2.2, 4.2.2.4, 4.2.2.6, 4.2.2.7, 4.2.2.8 en 4.2.4.2a wordt aangemerkt als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, aanhef en onder 3°, van de Wet op de Economische Delicten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Boetebepaling bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding door een natuurlijk persoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde kan worden beboet met een bestuurlijke boete. De hoogte van de boete is voor natuurlijke personen het bedrag dat in de Bijlage als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte (hierna: besluit BBOOR) bij het betreffende voorschrift is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel Onderwerp Boete in euro's 2.1.3.1 lid 1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Zie BBOOR 2.1.4.1 lid 1 Dienstverlening Zie BBOOR 2.1.4.2 lid 1 Straatartiest e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie BBOOR 2.1.5.1 lid 1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg Zie BBOOR 2.3.3.1 lid 2 Speelgelegenheden 180 2.4.1a lid 4 Verblijfsontzeggingen uitgaansgeweld horecaconcentratiegebied 150 2.4.5 lid 1 en 2 Plakken en kladden Zie BBOOR 2.4.5 lid 5 Plakken en kladden (handelsreclame) 180 2.4.6 lid 1 Vervoer plakgereedschap e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie BBOOR 2.4.8 lid 1 Betreden van plantsoenen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie BBOOR 2.4.9 lid 1 Rijden over bermen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie BBOOR 2.4.10 lid 1 Hinderlijk gedrag op of aan de weg Zie BBOOR 2.4.11 lid 1 Hinderlijk drankgebruik Zie BBOOR 2.4.12 lid 1 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Zie BBOOR 2.4.13 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie BBOOR 2.4.20 lid 1 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie Zie BBOOR 2.4.21 lid 1 Verontreiniging door honden 60 2.4.21 lid 2 Verontreiniging door honden (hulpmiddel) Zie BBOOR 2.4.22 lid 1 Gevaarlijke en blaffende honden (aanlijn- en muilkorfgebod) Zie BBOOR 2.4.22 lid 5 Gevaarlijke en blaffende honden (overlast) Zie BBOOR 2.4.23 lid 2 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Zie BBOOR 2.4.24 Loslopend vee Zie BBOOR 2.6.2 lid 1 en 2 Bezigen van vuurwerk 90 3.2.6 lid 1 Straatprostitutie 90 3.2.6 lid 7 Straatprostitutie (ophouden / verontreiniging) 120 3.2.6a lid 4 Bevel tot verwijdering (straatprostitutie) 90 4.2.2.2 lid 1 Regulering van andere inzamelaars Zie BBOOR 4.2.2.4 sub a Algemene verboden (aanbieden) Zie BBOOR 4.2.2.4 sub b Algemene verboden (overdragen) Zie BBOOR 4.2.2.4 sub c Algemene verboden (inzamelplaats) Zie BBOOR 4.2.2.6 lid 1a Gescheiden aanbieding (aanbieden) Zie BBOOR 4.2.2.6 lid 1b Gescheiden aanbieding (achterlaten) Zie BBOOR 4.2.2.7 Tijdstip van aanbieding Zie BBOOR 4.2.2.8 lid 1a Wijze en plaats van aanbieding (inzamelmiddelen) Zie BBOOR 4.2.2.8 lid 1b Wijze en plaats van aanbieding (inzamelvoorzieningen) Zie BBOOR 4.2.2.8 lid 2 Wijze en plaats van aanbieding (tijden) Zie BBOOR 4.2.3.2 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Zie BBOOR 4.2.3.3 lid 1 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen Zie BBOOR 4.2.4.1 Dumpingsverbod Zie BBOOR 4.2.4.2 lid 1 Zwerfafval in de openbare ruimte (afval buiten perceel) Zie BBOOR 4.2.4.2 lid 3 Zwerfafval in de openbare ruimte (doorzoeken of omwerpen) Zie BBOOR 4.2.4.3 lid 1 Zwerfafval rondom inrichtingen (lege afvalbakken) 90 4.2.4.3 lid 2 Zwerfafval rondom inrichtingen (afval verwijderen) 90 4.2.4.4 lid 1 Afval en verontreiniging op de weg (verontreiniging) Zie BBOOR 4.2.4.5 Geen opslag van afval in de open lucht Zie BBOOR 4.2.4.6 Ontdoen van autowrakken ZIE BBOOR 4.4.9 Straatvegen 90 4.4.10 Natuurlijke behoefte doen ZIE BBOOR 4.6.1 Bescherming groenvoorzieningen ZIE BBOOR 4.6.2 lid 2 onder a Beschermde planten 90 4.6.2 lid 2 onder b Hout sprokkelen; verwijderen van paddenstoelen; verzamelen van zaden en vruchten 90 4.6.3 lid 1 Wedstrijden, wandel-, fiets, trim- en ruitertochten 60 5.1.7 lid 1 en 2 Parkeren van grote voertuigen 120 5.1.8 lid 1 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 120 5.1.10 lid 1 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen ZIE BBOOR 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets 60 5.2.1 lid 2 Collecteren ZIE BBOOR 5.2.2 lid 1 Venten ZIE BBOOR 5.3.6 lid 1 Veiligheid op het water ZIE BBOOR 5.3.7 lid 1 Overlast aan vaartuigen ZIE BBOOR 5.3.7 lid 2 Overlast aan vaartuigen (losmaken) 120</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.1 lid 1 Crossterreinen ZIE BBOOR 5.4.2 lid 2 Beperking verkeer in natuurgebieden ZIE BBOOR 5.5.1 lid 1 Verbod vuur te stoken ZIE BBOOR 5.7.3 lid 1 en 2 Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een evenement 120 2.Indien de overtreding wordt begaan door een rechtspersoon wordt de hoogte van de bestuurlijke boete welke geldt voor een natuurlijk persoon, vermenigvuldigd met de factor 10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening zijn belast: de personen die zijn beëdigd als bijzonder opsporingsambtenaar en werkzaam zijn bij de afdeling die belast is met toezichts- en handhavingstaken en de coördinator handhaving openbare ruimte; de personen benoemd in de functie van toezichthouder faunabeheerder, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 2, Afdeling 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 2, Afdeling 3 (met uitzondering van de artikelen 2.3.1.12 en 2.3.1.13), zijn belast ambtenaren van politie Oost-Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college dan wel de burgemeester aangewezen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking op de dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na de datum van uitgifte van de Arnhemse Koerier waarin zij is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem, vastgesteld bij besluit van 3 juli 1995 en sindsdien gewijzigd, wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid en verplichtingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen en verplichtingen in de zin van deze verordening te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, voor zover de rechtsgrond waarop de nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTING op de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Hierbij wordt bij de meeste definities aangesloten bij de Modelverordening van de VNG. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Zie met name de afdelingen: 'geluidhinder', 'bewaring van houtopstanden' en 'parkeerexcessen'. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van 'bebouwde kom' in de afdeling 'bewaring van houtopstanden' en de definitie van 'weg' in de afdeling 'parkeerexcessen'. Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Ook is het mogelijk om de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander, praktisch alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de WVW 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de omschrijving van dit begrip aangepast. Een aantal vergunningplichten en ontheffingsplichten in deze verordening waarop voorheen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing was, vallen nu onder de Omgevingswet. In de artikelen 22.8 Omgevingswet en 2.1a van het Omgevingsbesluit staat het overgangsrecht opgenomen. Zolang deze bepalingen nog niet zijn opgenomen in het omgevingsplan, wordt de bepaling van het voorheen geldende artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voortgezet. Een vergunning die gebaseerd is op die bepaling wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow (omgevingsplanactiviteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk In de APV wordt nu verwezen naar de begripsbepaling zoals opgenomen in de bijlage onder A, bij de Omgevingswet. Daar staat vermeld dat een bouwwerk een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal is, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Per 1 januari 2024 is de definitie van het begrip gebouw opgenomen in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarin wordt het begrip als volgt omschreven: een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin van het woord en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een ‘commercieel belang dienen’ moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop (HR 11-05-1982, NJ 1983, 68).</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het BW is ieder water, dat open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Voor deze definitie is aangesloten bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren De definitie van ‘parkeren’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door de modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voertuig De definitie van ‘voertuig’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. ‘Voertuigen’ in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg De omschrijving van weg rijkt al jaren in Arnhem verder dan de gangbare definities. Bij de omschrijving van het begrip 'weg' in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1 Deze omschrijving stemt - met enige redactionele aanpassingen - overeen met die van het begrip 'weg' in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Buiten twijfel is gesteld dat ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen daaronder begrepen worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangenomen mag worden dat ook voor het openbare verkeer openstaande parkeerterreinen onder de definitie van 'weg' in de zin van artikel I WVW begrepen kunnen worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 Door opneming van de woorden 'al dan niet met enige beperking' is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van 'weg', indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken etc., welke 'uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven' (vgl. onder 3) en andere stoepen en trappen etc. (vgl. onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip 'weg' indien zij niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen etc. uitgezonderd gehouden van het begrip 'weg', óók indien het hek of de deur niet is afgesloten ('afsluitbaar').</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn bepaalt of de APV van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen 'op of aan de weg'. De term 'aan de weg' duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder valt echter in beginsel niet hetgeen zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. Gebruikelijk is een beslistermijn van acht weken te nemen. Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die bij gebreke van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is in de APV op acht weken gesteld (tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid (Wabo) Artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. Daarom is voor de genoemde ontheffing of vergunning een afwijking van het tweede lid opgenomen onder verwijzing naar artikel 3.9 van de Wabo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook – ten overvloede – worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het antwoord op de vraag of een vergunning (of ontheffing) overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning (of ontheffing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de aanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag).</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager een rol spelen, verschilt sterk; er is een scala van die vergunningen welke zodanig aan de persoon zijn gebonden dat elke overgang is uitgesloten, tot die, bij welke de persoon van de gerechtigde voor het bestuur van ondergeschikte betekenis is en waar overgang in ruime mate is toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke werking zal men voorts eerder aanwezig moeten achten bij de ontheffing dan bij de vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is, geeft dit aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor bijzondere gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op de algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer 'mee overgaan' op de rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de ontheffingsmogelijkheid het karakter van uitzonderingsbepaling ontnomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal ver overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander, terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde tot een ongebouwd of gebouwd onroerend goed. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bij voorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij voorbeeld de reclamevergunning heeft een zakelijk karakter. Bij de beoordeling van een aanvraag om een dergelijke vergunning spelen enkel overwegingen van welstand en verkeersveiligheid een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht geweigerd kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften hoeven te leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen naar voren te brengen (artikel 4:8 van de Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6 bevat allereerst een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een vrijdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden. Er is dan formeel sprake van een beperkte geldigheidsduur, maar verlening vindt van rechtswege plaats; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang. Wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige ‘herverdeling’ van de schaarse vergunningen worden georganiseerd; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang: als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich naar hun aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4, onder 8, van de Dienstenrichtlijn geeft een definitie van ‘dwingende redenen van algemeen belang’: “redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid”. Zie ook de weigeringsgronden die in de toelichting op artikel 1:8 worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Uit ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, blijkt dat schaarse vergunningen zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunnings- of ontheffingsstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning of ontheffing. In hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ worden de algemene weigeringsgronden benoemd. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden zijn algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. Deze kunnen wel vallen onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlast: Vanouds is de APV een openbare orde- en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over ‘overlast’. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving of het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder en overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersveiligheid: De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid van personen en gezondheid: Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zedelijkheid: Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip ‘openbare orde’, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41 bij de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningenniveau bij standplaatsen: In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hoewel het concurrentiebelang maakt dat een appellant als belanghebbende kan worden aangemerkt en dit belang vrijwel altijd een rol speelt bij de beslissing om een zaak aan te spannen, is het reguleren van concurrentie geen belang van de overheid (ABRvS 26-03-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1101, r.o. 7.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop is de Dienstenrichtlijn niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vw 2000 dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid, van het Vb 2000 bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van onder meer gemeenten, voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Openbare Orde</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg</h3>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen bedoeld om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen geleiden. Zoals B. de Goede in zijn boek ‘De straat’ duidelijk maakt, heeft 'de straat' in ons land meer functies dan uitsluitend een verkeersfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de straat voor demonstraties, optochten, feesten e.d. wordt door weinigen nog aangemerkt als gebruik dat daar absoluut onverenigbaar mee is. Wel houdt dit in dat deze diverse functies vragen om een regulering van het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de weg is geregeld in de paragrafen 1 tot en met 4, terwijl de bruikbaarheid door middel van paragraaf 5 gereguleerd is. In paragraaf 6 ten slotte zijn bepalingen opgenomen aangaande de veiligheid op de weg.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2111-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit lid zijn gedragingen aangegeven die door hun dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde. Onder 'samenscholing' verstaat Van Dale: 'het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben'.</p></div>", "next": 239738}