{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten hebben de mogelijkheid om in de volgende gevallen geen gedoogverklaring af te geven: het verzoek om een gedoogverklaring bevat onvoldoende informatie om een beslissing te kunnen nemen; het gedogen van de overtreding is niet verantwoord uit het oogpunt van bescherming van de fysieke leefomgeving; er is geen sprake van een situatie als bedoeld in de artikelen 8.3.5 of artikel 8.3.6 of een experiment als bedoeld in artikel 8.3.7; aan de zijde van de verzoeker is sprake van recidiverend of calculerend gedrag; de te gedogen situatie is strijdig met enige andere bij of krachtens wettelijk voorschrift gestelde regel en het voor de handhaving van die regel verantwoordelijke bevoegde gezag heeft kenbaar gemaakt dat het met bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tegen de te gedogen situatie optreedt of zal optreden; het Openbaar Ministerie verzet zich tegen afgifte van een gedoogverklaring; de te gedogen situatie heeft betrekking op een grotere opslag van afvalstoffen dan is vergund of volgens algemene regels is toegestaan; de verzoeker biedt Gedeputeerde Staten onvoldoende financiële zekerheid voor het afdekken van diens eventuele huidige of toekomstige insolvabiliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten beschikken anderszins over informatie waaruit volgt dat afgifte van een gedoogverklaring niet aan de orde is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-835\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangssituaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek een gedoogverklaring afgeven als de overtreding naar verwachting op korte termijn zal worden beëindigd: vanwege concreet zicht op legalisatie van de overtreding door middel van een vergunning, blijkend uit een genoegzame aanvraag en het oordeel van Gedeputeerde Staten waaruit blijkt dat de vergunning naar verwachting op korte termijn kan worden verleend; als gevolg van wijziging van regelgeving; als gevolg van beëindiging van bedrijfsactiviteiten; wanneer de overtreding is ontstaan na een rechterlijke schorsing of vernietiging van een vergunning en naar het oordeel van Gedeputeerde Staten verwacht mag worden dat een (vervangende) vergunning bij de (hogere) rechter stand zal houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-836\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overmachtssituaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek een gedoogverklaring afgeven als sprake is van een overmachtssituatie waardoor het tijdelijk onmogelijk is om aan geldende vergunningen of toepasselijke wettelijke regels te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-837\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Experimenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek een gedoogverklaring afgeven voor een experiment dat in omvang beperkt is tot wat strikt noodzakelijk is voor het met het experiment te bereiken doel en als de uit het experiment verkregen informatie noodzakelijk is voor: onderbouwing van een vergunningaanvraag en deze informatie slechts langs empirische weg kan worden verkregen, of het beoordelen van de technische realiseerbaarheid van de activiteit waarop het experiment betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-838\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Raadplegingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het verzoek om een gedoogverklaring af te geven betrekking heeft op een overtreding die gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving waarvoor een ander overheidsorgaan verantwoordelijk is of over bijzondere deskundigheid beschikt, dan stellen Gedeputeerde Staten dit overheidsorgaan in de gelegenheid te reageren op het voornemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-839\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen aan de gedoogverklaring voorwaarden verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Gedoogperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten geven een gedoogverklaring af voor een zo kort mogelijke periode, die niet langer is dan de omstandigheden die het gedogen rechtvaardigen naar verwachting zullen duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten nemen in de gedoogverklaring de periode op waarvoor de gedoogverklaring geldt, waarbij deze periode verlengd kan worden indien de omstandigheden die het gedogen rechtvaardigen niet zijn opgeheven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking gedoogverklaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde Staten kunnen een gedoogverklaring intrekken in de volgende gevallen: de omstandigheden die gedogen rechtvaardigen, doen zich niet langer voor; aan de gedoogverklaring verbonden voorschriften worden niet nageleefd; in een bezwaarschriftenprocedure zijn bezwaren tegen een weigering om handhavend op te treden tegen de gedoogde overtreding gegrond bevonden; een weigering om handhavend op te treden tegen de gedoogde overtreding is geschorst of vernietigd; het Openbaar Ministerie heeft om intrekking verzocht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten beschikken anderszins over informatie waaruit volgt dat intrekken van de gedoogverklaring geboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde Staten kunnen een gedoogverklaring intrekken op verzoek van een derde-belanghebbende of van een overheidsorgaan als bedoeld in artikel 8.3.8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Gedogen door ander bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ander bestuursorgaan Gedeputeerde Staten om een oordeel vraagt over een door dat bestuursorgaan af te geven gedoogverklaring, passen Gedeputeerde Staten deze beleidsregel toe.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8.4 Financiële zekerheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-841\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">BBT-conclusies: document met de conclusies over best beschikbare technieken, vastgesteld in overeenstemming met artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334); berekende bedrag: bedrag dat: met toepassing van de methodiek Berenschot is bepaald; of overeenkomstig artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder b tot en met d, of derde lid, van het Omgevingsbesluit is bepaald; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat met toepassing van de in artikel 13.5 van de Omgevingswet en artikel 4.5 van de Omgevingswet juncto artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen bevoegdheden de verplichting tot stellen van een financiële verplichting kan opleggen, met inbegrip van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort; concern: groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een daar in functioneel opzicht mee gelijk te stellen samenwerkingsverband van ondernemingen; drempelbedrag: bedrag als genoemd in artikel 8.4.3, eerste lid, van deze paragraaf; financiële risico: risico dat het bevoegd gezag gemaakte herstelkosten of nalevingskosten niet kan verhalen; geboden beschermingsniveau: beschermingsniveau voor de leefomgeving geboden door de maatregelen conform de best beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies of de maatregelen die het bevoegd gezag met toepassing van artikel 8.30, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning heeft verbonden of gaat verbinden; handreiking: meest recente versie van de “Handreiking financiële zekerheid ingevolge artikel 13.5 van de Omgevingswet”; herstelkosten: kosten die het bevoegd gezag maakt bij het herstel van schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van de activiteit, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, van de Omgevingswet; kostencomponenten: kostencomponenten van de methodiek Berenschot; majeure risico activiteit: exploiteren van een Seveso-inrichting of een ippc-installatie als bedoeld in 8.6, tweede lid, aanhef en onder e of f, van het Omgevingsbesluit; methodiek Berenschot: methodiek, beschreven in hoofdstuk 3 van de handreiking; nalevingskosten: kosten die het bevoegd gezag maakt voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden voor degene die de activiteit verricht, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid van de Omgevingswet; vastgestelde bedrag: berekende bedrag na aftrek van de eventueel daarop te betrekken matiging als bedoeld in artikel 8.4.6 van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-842\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op: aanvragen om omgevingsvergunningen waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn; indien gedeputeerde staten bevoegd zijn om maatwerkvoorschriften te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-843\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Toets aan het drempelbedrag (uitgangspunt 1)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit, maakt het bevoegd gezag in ieder geval van de in artikel 13.5, eerste lid, of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruik, indien de som van de kosten van afvoer en verwerking van de stoffen die op grond van de omgevingsvergunning of op grond van een rechtstreeks werkende bepaling bij of krachtens de Omgevingswet aanwezig mogen zijn, groter of gelijk is aan € 100.000.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid bedoelde kosten van afvoer en verwerking worden berekend: aan de hand van de toepasselijke normbedragen; door uitsluitend rekening te houden met de kosten van afvoer en verwerking van stoffen, niet met de eventuele opbrengst van die stoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien het in het eerste lid bedoelde drempelbedrag niet wordt overschreden, kan het bevoegd gezag van de in artikel 13.5 of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruik maken indien specifieke feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Van de in het vorige lid bedoelde feiten en omstandigheden is in ieder geval sprake indien degene die de activiteit verricht: onvoldoende blijk geeft van een op beheersing van de relevante risico’s gerichte bedrijfsvoering; of, de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften of de op milieubelastende activiteiten van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften onvoldoende naleeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.4.4 De methodiek Berenschot (uitgangspunt 2) 1. Indien geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder b tot en met d, en derde lid, van het Omgevingsbesluit, een ontgrondingsactiviteit of een wateractiviteit, bepaalt het bevoegd gezag de hoogte van de te stellen financiële zekerheid aan de hand van een berekening met de methodiek Berenschot en door op de bij uitgangspunt 3 beschreven wijze rekening te houden met de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit opgenomen criteria.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de toepassing van de methodiek Berenschot leidt tot een uitkomst waarbij de som van de drie kostencomponenten geringer is dan het in het derde lid genoemde bedrag, wordt het in dat lid genoemde bedrag als uitkomst van de toepassing van de methodiek Berenschot beschouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gelet op de bij het toepassen van bestuursdwang redelijkerwijs te verwachten kosten bedraagt het in het vorige lid bedoelde bedrag: € 100.000 indien de in artikel 13.5, eerste lid, van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruikt kan of dient te worden in verband of mede in verband met een majeure risico activiteit; € 50.000 in alle andere gevallen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-845\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Invulling van de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria (uitgangspunt 3)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Ten aanzien van het in artikel 8.8, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (draagkracht) gaat het bevoegd gezag overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van de handreiking daarvoor beschreven werkwijze na, of degene die de activiteit verricht gedurende tenminste de eerste vijf jaar waarin het te stellen voorschrift over financiële zekerheid van kracht kan zijn, in staat is om zelf de nalevingskosten en de herstelkosten te dragen of deze aan het bevoegd gezag te vergoeden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bevoegd gezag houdt met de in artikel 8.8, aanhef en onder b en c (de aanwezigheid en de aard van de stoffen en maximaal verwachte schade), van het Omgevingsbesluit genoemde criteria rekening door toepassing van de methodiek Berenschot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Ten aanzien van het in artikel 8.8, aanhef en onder d, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen) houdt het bevoegd gezag uitsluitend rekening met de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen: die niet reeds betrokken zijn in de toepassing van de methodiek Berenschot; die een hoger dan geboden beschermingsniveau bieden; waarvan de effectiviteit geborgd is gedurende een incident of een verstoring van de bedrijfscontinuïteit, waaronder een faillissement.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het bevoegd gezag houdt met het in artikel 8.8, aanhef en onder e, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (verhouding tussen het risico op schade aan de leefomgeving en de kosten van het stellen van de financiële zekerheid) rekening door: de in artikel 8.4.3 beschreven toets aan het drempelbedrag; en, door na te gaan of de kosten van het stellen van een financiële zekerheid hoger zijn dan 5% van het berekende bedrag, voor zover degene die de activiteit verricht voldoende maatregelen heeft getroffen om de kans op schade aan de leefomgeving zo gering mogelijk te houden. Van voldoende maatregelen is in ieder geval geen sprake indien een lager beschermingsniveau voor de leefomgeving geboden wordt dan het geboden beschermingsniveau.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het bevoegd gezag houdt met het in artikel 8.8, aanhef en onder f, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (nalevingsgedrag) rekening door: na te gaan of degene die de activiteit verricht, een compliance management strategie heeft ingevoerd die qua inhoud, navolging, evaluatie en bijstelling daarvan in voldoende mate daadwerkelijk bijdraagt aan een verkleining van het risico op schade; en voor zover dit niet het geval is, na te gaan in welke mate de overtredingen van degene die de activiteit verricht, redelijkerwijs kunnen duiden op een verhoogd risico op schade aan de leefomgeving.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-846\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weging van de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria (uitgangspunt 3, vervolg)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien het bevoegd gezag bij het gebruik van de in artikel 13.5, eerste lid, of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid rekening houdt met de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria, kan dit overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden aanleiding geven tot een matiging van in totaal maximaal 25 % van het berekende bedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bevoegd gezag besluit in ieder geval niet tot de in het eerste lid bedoelde matiging indien: geen sprake is van een ingevoerde compliance management strategie als bedoeld in artikel 8.4.5, vijfde lid, aanhef en onder a; of, de overtredingen van degene die de activiteit verricht, redelijkerwijs kunnen duiden op een verhoogd risico op schade aan de leefomgeving.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De in het eerste lid bedoelde matiging bedraagt ten hoogste:</div>\n<p class=\"lf-p\">25 % van het berekende bedrag indien degene die de activiteit verricht, gelet op het bepaalde in artikel 8.4.5, eerste lid, gedurende de eerste vijf jaar waarin het te stellen voorschrift over financiële zekerheid van kracht kan zijn, redelijkerwijs in staat kan worden geacht om zelf de nalevingskosten en de herstelkosten te dragen of deze aan het bevoegd gezag te vergoeden;</p>\n<p class=\"lf-p\">20 % van het berekende bedrag indien de technische en bedrijfsorganisatorisch veiligheidsmaatregelen als bedoeld in artikel 8.4.5, derde lid, aanhef en onder a tot en met c, het risico op schade aan de fysieke leefomgeving in significante mate beperken;</p>\n<p class=\"lf-p\">20 % van het berekende bedrag indien de kosten van het stellen van een financiële zekerheid hoger zijn dan 5% van het berekende bedrag en degene die de activiteit verricht, voldoende maatregelen heeft getroffen als bedoeld in artikel 8.4.5, vierde lid, aanhef en onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-847\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Randvoorwaarden ten aanzien van de te stellen financiële zekerheid (uitgangspunt 4)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Van voldoende zekerheid als bedoeld in artikel 8.9, tweede lid, van het Omgevingsbesluit is in ieder geval geen sprake indien de financiële zekerheid niet voldoet aan de in de volgende leden gestelde eisen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De hoogte van de te stellen financiële zekerheid is tenminste gelijk aan de hoogte van het vastgestelde bedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De financiële zekerheid moet tijdig gesteld zijn in die zin, dat: indien de activiteit in verband waarmee zij gesteld moet zijn nog niet is gestart, de financiële zekerheid uiterlijk gesteld moet worden op het moment waarop de activiteit aanvangt; indien de activiteit in verband waarmee zij gesteld moet worden reeds gestart is, de financiële zekerheid uiterlijk gesteld moet worden op het moment waarop het vergunningvoorschrift op grond waarvan zij gesteld moet worden, in werking treedt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De rechtspersoon waartoe het bevoegd gezag behoort kan de kosten als bedoeld in artikel 13.5, vierde lid, van de Omgevingswet in verband waarmee de financiële zekerheid is gesteld, op zijn eerste schriftelijke aanzegging en zonder vertraging rechtstreeks verhalen op de financiële zekerheid. Enig doen of nalaten door degene die de activiteit verricht, beperkt de feitelijke en juridische mogelijkheden voor dit kostenverhaal niet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het in het vorige lid bedoelde kostenverhaal blijft nog tenminste twee jaar mogelijk vanaf het moment waarop degene die de financiële zekerheid stelt, de daarmee gemoeide kosten niet meer betaalt. Het bepaalde in dit lid is niet van toepassing als het bepaalde in artikel 8.11, derde of vierde lid, van het Omgevingsbesluit van toepassing is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De partij waarbij door degene die de activiteit verricht de financiële zekerheid gesteld wordt, beschikt: over een kredietwaardigheid van 1, 2 of 3 volgens de systematiek van de ‘credit quality steps’ van de European Banking Authority, of een daaraan gelijkwaardige kredietwaardigheid; ten behoeve van het inroepen van de zekerheid door het bevoegd gezag over een correspondentieadres in Nederland.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De financiële zekerheid is uitsluitend gesteld naar Nederlands recht. Uitsluitend de Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot de zekerheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Een incident, een continuïteitsprobleem – met inbegrip van faillissement, surseance van betaling of een daarmee gelijk te stellen situatie – of een herstructurering van degene die de zekerheid dient te stellen of het concern waartoe hij behoort: verkleint de kans op succesvol verhaal van de in het vierde lid bedoelde kosten op de gestelde financiële zekerheid niet; en, heeft niet tot gevolg dat de financiële zekerheid niet meer voldoet aan de niet meer aan de in het tweede tot en met zevende lid daaraan gestelde eisen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel8.4.8 De jaren 2024 en 2025 1. In het verlengde van hetgeen bepaald in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit en artikel 8.4.3, eerste lid, van deze paragraaf maakt het bevoegd gezag in de jaren 2024 en 2025 gebruik van de in dit artikel neergelegde bepalingen om vast te stellen of financiële zekerheid zal worden opgelegd aan een bedrijf. Daarbij worden de criteria zowel toegepast op bedrijven die in artikel 8.5 Omgevingsbesluit, als in artikel 8.6 Omgevingsbesluit worden benoemd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de bepaling van de hoogte van de te stellen financiële zekerheid in de jaren 2024 en 2025 wordt aangesloten bij het vastgestelde ‘Model Berenschot’ zoals benoemd in de artikelen 8.4.3, 8.4.4 en 8.4.7 van deze paragraaf. Voor bedrijven benoemd in artikel 8.5 Omgevingsbesluit geldt een ondergrens van € 50.000. Voor bedrijven benoemd in artikel 8.6 Omgevingsbesluit geldt een ondergrens van € 100.000.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Ter vaststelling van de verplichting tot het opleggen van de financiële zekerheid aan een bedrijf wordt gebruik gemaakt van de navolgende beoordelingscriteria. Voor wat betreft de vaststelling van de verplichting tot het opleggen van financiële zekerheid bestaat geen volgordelijkheid tussen de hieronder genoemde mogelijkheden. Het is aan de beoordeling van het bevoegd gezag zelf om een afweging te maken aan welke bedrijven in de pilotfase de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid wordt opgelegd: indien een bedrijf dat op grond van artikel 8.5 Omgevingsbesluit verplicht is om financiële zekerheid te stellen, zich vrijwillig meldt bij het bevoegd gezag of een aanvraag voor (het wijzigen van) een omgevingsvergunning doet dan wordt, in overleg tussen het bevoegd gezag en het bedrijf, aan dit bedrijf de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid opgelegd; indien meer bedrijven zich melden dan het bevoegd gezag behandelt in de jaren 2024 en 2025, dan wordt met toepassing van de criteria zoals neergelegd in het vierde lid van dit artikel een beoordeling, afweging en keuze gemaakt ten aanzien van het bedrijf waaraan de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid zal worden opgelegd; op het moment dat een bedrijf een aanvraag indient voor de oprichting van een bedrijf of wijziging van een bestaande vergunning, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om ambtshalve de financiële zekerheid op te leggen; op het moment dat de situaties onder a tot en met c niet van toepassing zijn maakt het bevoegd gezag gebruik van de mogelijkheid om ambtshalve financiële zekerheid toe te passen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten behoeve van de beoordeling over het al dan niet opleggen van financiële zekerheid aan een bedrijf en om de hoogte van de op te leggen financiële zekerheid vast te stellen maakt het bevoegd gezag gebruik van de volgende criteria: de (financiële) risico’s van het bedrijf. Hierbij wordt in ieder geval het volgende meegenomen in de beoordeling: de juridische structuur van het bedrijf; de verhouding tussen het eigen vermogen en vreemd vermogen van het bedrijf (solvabiliteit); het vermogen van het bedrijf om aan alle kortlopende betalingsverplichtingen te voldoen (liquiditeit); de (financiële) risico’s voor de omgeving ten aanzien van water, bodem en lucht waarbij in ieder geval wordt meegenomen de omvang, aard en aanwezigheid van stoffen en de te verwachte (opruim)kosten; het naleefgedrag van het bedrijf in de afgelopen vijf jaar voorafgaand aan de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Ten aanzien van de criteria zoals benoemd in het vierde lid, wordt de volgende weging toegepast:</div>\n<p class=\"lf-p\">A. (Financiële) risico’s bedrijf i.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoog (eenmanszaak, VOF, CV) Gemiddeld (BV, NV) Laag (Concernverband) ii.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slecht (&lt; 20%) Voldoende (20 – 25%) Goed (&gt; 25%) iii.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slecht (&lt; 1) Voldoende (1 – 1,5) Goed (&gt; 1,5) B. (Financiële) risico’s omgeving i.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoog (combinatie van (middel)grote omvang, aanwezigheid gevaarlijke stoffen, opruimkosten ≥ € 500.000) Beperkt (kleine omvang, aanwezigheid gevaarlijke stoffen, opruimkosten € 100.000 – € 500.000) Laag (kleine omvang, geen gevaarlijke stoffen, opruimkosten &lt; € 100.000) C. Naleefgedrag* Slecht (3 of meer overtredingen) Voldoende (1 of 2 overtredingen) Goed (0 overtredingen) * Afhankelijk van de ernst van de overtreding kan het bevoegd gezag oordelen dat er sprake is van slecht naleefgedrag. Voor de vaststelling van het naleefgedrag wordt aangesloten bij de systematiek uit de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Nadat de jaren 2024 en 2025 zijn verstreken wordt de uitvoering van het opleggen van de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid aan de hand van dit artikel geëvalueerd waarna dit artikel, zo nodig, wordt aangepast of ingetrokken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking beleidsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende beleidsregels worden ingetrokken: de Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant 2018; de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant; de Beleidsregel afwegingskader Panel Zorgvuldige Veehouderij Noord-Brabant; de Beleidsregels grenzen aan gedogen provincie Noord-Brabant 2001; de Beleidsregel multifunctionele ontgrondingen Noord-Brabant; de Beleidsregel functionele ontgrondingen Noord-Brabant; de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit 2023 Noord-Brabant; de Beleidsregel grondwaterbeheer Noord-Brabant 2023; de Beleidsregel volksgezondheid en mestbewerkingsinstallaties Noord-Brabant; de Beleidsregels toetsing nazorgplannen Noord-Brabant 2017; de Beleidsregel draagkracht particulieren bij bodemsanering ten behoeve van aanpak spoedlocaties Noord-Brabant; de Beleidsregel bevel Wet bodembescherming Noord-Brabant; de Beleidsregel bodemonderzoek en beoordeling projectgebied De Kempen Noord-Brabant; de Beleidsregel gebiedswaarden de Kempen Noord-Brabant; de Beleidsregel staldering Noord-Brabant; de Handleiding voor functioneel ontgronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant. ’s-Hertogenbosch, 5 december 2023Gedeputeerde Staten voornoemd,de voorzitter, mr. I.R. Adema de secretaris,drs. P.J. BuijtelsBijlage1behorende bij artikelen 1.1.1 en 1.1.9 tot en met 1.1.12 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant Tabel 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">98-percentiel 99,9-percentiel Omgevings- categorie Richtwaarde ouE(H)/m3 Grenswaarde ouE(H)/m3 Richtwaarde ouE(H)/m3 Grenswaarde ouE(H)/m3 Wonen 1,0 2,0 4 8 Gemengd 2,0 4,0 8 16 Overig 10 10 40 40 Tabel 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">98-percentiel 99,9-percentiel Omgevings- categorie Richtwaarde ouE(H)/m3 Grenswaarde ouE(H)/m3 Richtwaarde ouE(H)/m3 Grenswaarde ouE(H)/m3 Wonen 0,5 1,0 2 4 Gemengd 1,0 2,0 4 8 Overig 10 10 40 40 Bijlage2behorende bij de artikelen 1.1.2 en 1.1.6 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant Activiteit/ Materiaal H = -1 [ouE/m3] Diervoeders 1,4 Bakkerijen 8,0 Beschuit- en banketbakkerijen 5,0 Slachten van varkens, runderen, kalveren, schapen, kuikens, kalkoenen, en eenden, alsmede noodslachten 1,1 Vet van dieren 1,1 Productie vleeswaren, inclusief de productie van snacks als hamburgers, gehakt en worst.</p>\n<p class=\"lf-p\">1,9 Koffiebranden 3,5 Productie geur- en smaakstoffen 7,0 Bierbrouwen 2,0 Asfaltproductie zonder bitumen 2,0 Asfaltproductie met bitumen 1,2 Handelingen met en compostering van groenafval, geen agrarisch groenafval 3,0 Water zuiveringsinstallatie 1,0 Groente-, fruit- en tuinafval (GFT) 1,5 Brijvoer, productie bij veehouderij 1,6 Maisdrogen 1,7 Groenvoerdrogen, geen mais 1,4 Afval, agrarisch 1,1 Percolaat 1,3 Snoeihout 3,0 Gras 1,8 Bermmaaisel 1,8 Houtsnippers 2,9 Afval, huishoudelijk 1,4 Mest, varkens 2,2 Mest, melkvee 2,2 Chemische lucht 1,3 IJzergieterij 1,2 Metaallakkerij 1,1 Mest, kippen 1,9 Visrokerij 1,6 Slib 1,4 Houtverbranding 2,6 Mestvergisting 1,4 Kadavers 0,9 Vet uit putten, niet van dieren 1,8 Gist 1,5 Kip, verse slachtresten 2,6 Vis, verse slachtresten 2,6 Ui 1,9 Drukkerij 1,0 Chemische fabriek 1,3 Bagger 1,4 Olie/stookolie 2,0 Tabak 1,2 Bijlage3behorende bij de artikelen 3.2.3, onder b, en 3.2.4 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant Protocol opvang van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bijlage wordt verstaan onder: bestuur: bestuur van het opvangcentrum; minimaal benodigde zorg: zorg die voldoet aan de onder artikel 1.6,1.7,1.8,en overeenkomstig artikel 3.12 van het Besluit houders van dieren beschreven voorwaarden; opvangcentrum: een rechtspersoon waartoe één of meer opvanginrichtingen behoren; opvanginrichting: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor het ten behoeve van opvang houden van gewonde, zieke, gevonden of afgestane beschermde diersoorten die van nature in Nederland voorkomen; soortgroep: een verzameling verwante diersoorten; van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: soort waarvoor een verbod geldt om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum heeft in ieder geval als doel: dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, die door ziekte, verwonding, verwezing, of door direct of indirect menselijk handelen of nalaten tijdelijk niet zelfstandig in de vrije natuur kunnen overleven, tijdelijk op te vangen, te verzorgen en te revalideren; en, dieren zo spoedig mogelijk naar de natuur te laten terugkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opvang is zodanig dat een dier zoveel mogelijk zijn soorteigen gedrag kan blijven vertonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum heeft mede als doel om, waar mogelijk voorlichting te geven over de wilde flora en fauna en draagt actief uit, in het bijzonder aan personen die een dier ter opvang aanbieden, dat de wilde inheemse flora en fauna en de natuurlijke processen die daarbij horen, niet verstoord mogen worden en dat het houden van de desbetreffende diersoort op een verantwoorde wijze dient te gebeuren dan wel wordt ontmoedigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum beperkt zich in zijn activiteiten tot datgene wat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de opgevangen dieren vinden in het opvangcentrum geen commerciële activiteiten plaats, waaronder zijn begrepen het tentoonstellen van opgevangen dieren voor zover dit in tegenspraak is met de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, het verkopen, verhuren, verhandelen of uitlenen van opgevangen dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum rondt het opvangproces af van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren met inachtneming van de, voor elke soortgroep apart vastgestelde, maximale duur in het opvangcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in het opvangcentrum andere dieren dan uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten aanwezig zijn, wordt de huisvesting van de eerstgenoemde dieren strikt gescheiden gehouden van de andere dieren in de faciliteiten van het opvangcentrum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Handelwijze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur legt schriftelijk het beleid of de handelwijze ten aanzien van de volgende onderwerpen vast: opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie; huisvesting en verzorging; ontsnapping van dieren; voeding; hygiëne; zoönosen; maatregelen ter voorkoming van ongewenste zwangerschappen van opgevangen dieren; veterinaire zorg; structurele oplossingen voor opgevangen dieren, in voorkomend geval met bijbehorende contracten en hoe hiermee gewerkt wordt; terugzetten van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten in de natuur; doden van opgevangen dieren; kwalificaties van medewerkers; veiligheid van medewerkers en dieren en openbare veiligheid; organisatorische continuïteit; bezoekers; en, register als bedoeld in artikel 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur, de beheerder en de medewerkers van het opvangcentrum handelen conform de vastgestelde handelwijze, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van opheffing van het opvangcentrum draagt de vereffenaar of de curator het eigendom van op grond van artikel 28 bij particulieren geplaatste dieren over aan een ander opvangcentrum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Bereikbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum streeft naar een permanente telefonische bereikbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum zorgt er ten minste voor dat: het permanent telefonisch bereikbaar is voor andere opvangcentra, dierenambulances, politie, brandweer, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Landelijke Inspectiedienst en andere bevoegde opsporingsinstanties; het publiek permanent informatie kan verkrijgen, inclusief over de handelwijze ten opzichte van op te vangen dieren buiten openingstijden van het opvangcentrum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Samenwerking andere opvangcentra</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum werkt constructief samen met andere opvangcentra samen ten einde kennis en kunde te vergroten en de best denkbare structurele oplossing voor het opgevangen dier te bewerkstelligen. Het opvangcentrum doet dit door gevraagd en ongevraagd informatie, kennis en kunde te delen met andere opvangcentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum helpt andere opvangcentra in het kader van het bepaalde in artikel 7, tweede lid en artikel 8, tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Opvangbeleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als onderdeel van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt het bestuur van het opvangcentrum vast welke diersoort, diersoorten of soortgroepen opgevangen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare expertise van de medewerkers en de mogelijkheden die de middelen en de locatie van het opvangcentrum met zich brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum verwijst dieren behorend tot soorten of soortgroepen die krachtens het beleid ten aanzien van opvang, bedoeld in het eerste lid, niet worden opgevangen door naar een opvangcentrum dat over de noodzakelijke ontheffingen beschikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Opname en acceptatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, indien: het opvangcentrum het dier niet de minimaal benodigde zorg kan bieden; het opvangcentrum een gebrek aan ruimte, personele capaciteit of financiële middelen heeft; het dier een risico oplevert voor de aanwezige dieren; de aanwezige dieren een risico vormen voor het nieuwe dier; of, het dier een risico oplevert voor de medewerkers in het opvangcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, onderzoekt het opvangcentrum of het dier elders kan en mag worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien niet ingevolge het eerste of tweede lid kan worden geplaatst, wordt het dier gedood, overeenkomstig het bepaalde in artikel 30.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Huisvesting en verzorging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Opvanginrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een opvangcentrum over meerdere opvanginrichtingen beschikt, wordt per opvanginrichting een apart register, bedoeld in artikel 36, bijgehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opvanginrichting voldoet aan de artikelen 10 en 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opvanginrichting beschikt over een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschrijving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als een geschikt verblijf wordt gezien, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met: het soorteigen gedrag van de diersoorten; de bewegingsvrijheid van de dieren; de (sociale) levenswijze van de dieren, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier; de behoefte van het individuele dier in de verschillende fasen van het proces tot herstel wanneer het gaat om een lichamelijk of psychisch ziek of gewond dier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezige ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.13 van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diergeneesmiddelen worden bewaard in een speciaal daarvoor bestemde en afsluitbare bewaarmogelijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Huisvesting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegepaste omschrijving van hetgeen als passende huisvesting en verzorging wordt gezien, waarbij rekening wordt gehouden met: de eis dat opgevangen dieren die een roofdier-prooi relatie hebben, elkaar niet kunnen waarnemen; en, in afwijking van a geldt dat voor vogels met een roofdier-prooidier relatie uitsluiten van visueel contact voldoende is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Voeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel d, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als passende voeding wordt gezien, waarbij rekening wordt gehouden met: de natuurlijke voedingsbehoefte van de diersoorten en hoe deze zich verhoudt tot de aangeboden voedingstoffen; afstemming van de wijze van frequentie van voedselaanbieding aan het natuurlijke gedrag van de diersoorten en die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier; afstemming van de wijze van het aanbieden van water aan het natuurlijke gedrag van de diersoort; en, het gebruik van levend voer, indien dit voor de verzorging van de betreffende diersoort noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgevangen dieren worden niet als voer voor andere dieren gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voedingsmiddelen die nodig zijn voor de bereiding van het dieet van de opgevangen dieren, zijn kwalitatief goed en worden onder hygiënische omstandigheden opgeslagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Hygiëne</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, bevat instructies over het schoonmaken van de verblijven van de dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, komt in ieder geval het volgende aan de orde: hoe gehandeld wordt als een verblijf leeg komt; hoe omgegaan wordt met het voorkomen van verspreiding van smetstoffen tussen de afzonderlijke ruimten; hoe gehandeld wordt als een besmettelijke ziekte is geconstateerd bij een ziek of overleden dier; hoe om te gaan met de bestrijding van ongedierte; hoe de medewerkers of bezoekers van een opvangcentrum zich aan hygiëne bepalingen houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Zoönosen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel f, staat beschreven welke zoönosen kunnen voorkomen bij de diersoort vermeld in artikel 7, eerste lid, in het opvangcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij dient ten minste opgenomen te zijn: een beschrijving van de zoönosen; hoe deze herkend, vastgesteld of uitgesloten kunnen worden; welke maatregelen getroffen worden als een zoönose geconstateerd wordt; welke maatregelen een medewerker kan nemen om zich te beschermen tegen zoönosen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Voorkomen voortplanting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum past het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel g, beschreven beleid toe om zwangerschappen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder het eerste lid gestelde gebod is niet van toepassing indien het dier ingezet wordt voor het onder artikel 22, tweede lid, onderdeel c, genoemd internationaal fokprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum houdt een administratie in het register, bedoeld in artikel 36, bij van geboortes die ondanks de genomen maatregelen toch hebben plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Veterinaire zorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende onderwerpen: op welke wijze de toegang tot veterinaire zorg is verzekerd; hoe het onderzoek, bedoeld in artikel 18, van binnengebrachte dieren plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum streeft ernaar de veterinaire zorg van de opgevangen dieren zoveel mogelijk bij één vaste dierenarts te laten berusten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling binnengebracht dier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een daarvoor aangewezen vakbekwaam persoon beoordeelt ieder binnengebracht dier en stelt vast of onderzoek door een dierenarts noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het in het eerste lid genoemde dier verwond, getraumatiseerd of verweesd is, wordt contact opgenomen met een dierenarts en indien noodzakelijk met een op de soort toegespitste gedragsdeskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling vindt onmiddellijk plaats aan de hand van het afwegingskader, genoemd in artikel 29, waarbij inzicht wordt gegeven in de structurele oplossing voor het dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het genoemde in het eerste, tweede en derde lid, wordt door een medewerker schriftelijk verslag gedaan in het register en het logboek, bedoeld in de artikelen 36 en 37.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Controle</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gezondheid, algehele conditie, voedselopname en ontlasting van alle dieren worden dagelijks gecontroleerd door een van de vaste medewerkers van het opvangcentrum De bevindingen worden door hen vastgelegd in een logboek als bedoeld in artikel 37 en, in het geval dat een medische behandeling wordt gestart, ook in de administratie, bedoeld in artikel 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dieren waarbij tijdens de dagelijkse inspectie, bedoeld in het eerste lid, afwijkingen worden geconstateerd, worden door de medewerkers van het opvangcentrum gemeld bij de beheerder, bedoeld in artikel 32, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien noodzakelijk, schakelt de beheerder een dierenarts in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Verdenking aangifteplichtige dierziekten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum let op verschijnselen die kunnen wijzen op een besmetting met een aangifteplichtige dierziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum geeft bij de verschijnselen, bedoeld in het eerste lid, terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren conform artikel 19 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Structurele oplossingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Duur verblijf per soort</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 3, derde lid, bedoelde maximale duur is voor: vogels en overige zoogdieren: twaalf maanden; marterachtigen en vossen: negen maanden; hoefdieren, wilde zwijnen en herpetofauna: zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een dier langer dan maximale duur in het opvangcentrum verblijft, wordt een met argumenten onderbouwd behandelplan opgenomen in het register, bedoeld in artikel 36, inclusief een verwachte datum van loslaten, indien van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Structurele oplossingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum vindt zo spoedig mogelijk een structurele oplossing voor het opgevangen dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een structurele oplossing worden de volgende oplossingen verstaan: het dier in vrijheid stellen in het land van oorsprong, indien sprake is van een uit de vrije natuur gehaalde niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort; het dier in vrijheid stellen in Nederland, indien sprake is van opvang van een uit de vrije natuur afkomstig van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort; het dier inzetten voor een internationaal fokprogramma; het dier inzetten in een instelling voor educatieve doeleinden; het dier inzetten voor wetenschap bij een erkende instelling; het dier inzetten voor het herstel van opgevangen soortgenoten; het dier levenslang onder de juiste omstandigheden in opvang houden; en, het doden van het dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b, niet kan worden toegepast, wordt gekozen voor de structurele oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen c tot en met f. Indien de oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, niet kunnen worden toegepast, wordt gekozen voor een structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdeel g en h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid, onderdeel h, bedoelde doden wordt uitgevoerd volgens de bepalingen genoemd in artikel 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor iedere structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, dient het welzijn van het desbetreffende dier van doorslaggevende betekenis te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">In vrijheid stellen van dieren behorende tot uit de natuur afkomstige van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien mogelijk wordt een dier van een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort op de plaats waar het is aangetroffen behandeld en direct losgelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in vrijheid stellen van dieren gebeurt alleen op een plek waar de soort al van nature voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in vrijheid stellen vindt plaats op de vindplaats, of, indien dit niet mogelijk is, in een geschikt natuurlijk habitat nabij de vindplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j, komen ten minste de volgende onderwerpen aan de orde: criteria op basis waarvan besloten wordt of een dier voldoende hersteld is om in vrijheid gesteld te worden; criteria op basis waarvan bepaald wordt waar een dier in vrijheid wordt gesteld; criteria op basis waarvan bepaald wordt wanneer een dier in vrijheid wordt gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een voor de diersoort geschikte tijd, bijvoorbeeld in verband met winterslaap, rui, of vogeltrek, territoriaal gedrag; en, criteria op basis waarvan besloten kan worden dat het dier kan overleven in de vrije natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder, bedoeld in artikel 32, is bevoegd te besluiten over het al dan niet in vrijheid stellen van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwenverblijf voor uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als onderdeel van het in vrijheid stellen van herstelde dieren kan het opvangcentrum gebruik maken van één of enkele uitwenverblijven die buiten de opvanginrichting of opvanginrichtingen liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum zorgt ervoor dat: het uitwenverblijf zich bevindt in de natuurlijke habitat van het dier; en, het uitwenverblijf voldoet aan de bepalingen van artikel 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen dieren waar de verzorging bestaat uit het aanbieden van voedsel en water worden in uitwenverblijven geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzorging in het uitwenverblijf wordt gegeven door medewerkers van het opvangcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode dat een dier in een gesloten uitwenverblijf is gehuisvest, valt binnen de maximale duur van de opvang, genoemd in artikel 21, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria en procedures voor de locatie, constructie en inrichting van het gebruik van het uitwenverblijf en de criteria op basis waarvan bepaald wordt of een dier in een uitwenverblijf geplaatst wordt, maken onderdeel uit van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het register, bedoeld in artikel 36, wordt bijgehouden welke dieren in welk uitwenverblijf gehuisvest zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Internationaal fokprogramma</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een dier kan ingezet worden voor een internationaal fokprogramma als: de diersoort bedreigd is; en, de leeftijd en gezondheid van het dier dit toestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een dier gebruikt wordt voor een internationaal fokprogramma, kan het dier overgedragen worden of onder het opvangcentrum blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien verplaatsing noodzakelijk is wordt dit opgenomen in het register, bedoeld in artikel 36.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Educatieve of wetenschappelijke doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een dier kan ingezet worden voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden bij andere hiertoe erkende organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid een contract met de erkende organisatie op, waarin in ieder geval staat beschreven wie de houder van het dier wordt en welke verantwoordelijkheden elke partij heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Dier inzetten voor herstel van soortgenoten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opgevangen dier kan in het opvangcentrum blijven indien dit dier een belangrijke rol vervult in een of meer concrete gevallen van het herstel van opgevangen soortgenoten, die anders geen redelijke kans op succesvol herstel hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde opvang voor het herstel van soortgenoten, kan alleen worden uitgevoerd zolang in redelijkheid mag worden aangenomen dat het dier in gevangenschap niet lijdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Onderbrengen bij particulieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een dier mag bij een particulier ondergebracht worden indien: de particulier beschikt over de noodzakelijke ontheffingen; het dier tot een diersoort behoort die geschikt is om in een particuliere situatie te houden; het welzijn van het dier dit toelaat; de particuliere houder een geschikt verblijf en expertise heeft om dit dier te houden; het dier in principe gedurende zijn hele leven bij de particuliere houder kan blijven; en, het verblijf waar het dier wordt ondergebracht voldoet aan de in artikel 10, tweede lid, gestelde voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het hele leven van het dier blijft het opvangcentrum de eigenaar van het dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de particuliere houder niet meer voor het dier kan zorgen, wordt het dier teruggebracht naar de eigenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dier mag niet door de particulier worden verkocht, verhuurd, tentoongesteld, al dan niet tijdelijk uitgeleend of gebruikt bij evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum stelt een contract op waarin wordt opgenomen dat: het genoemde in het eerste tot en met het vierde lid deel uitmaakt van het contract; het niet is toegestaan met het dier te fokken; en, bij overlijden van het dier de particulier dit meldt aan het opvangcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderbrengen bij particulieren is niet toegestaan indien het een dier betreft behorende tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort afkomstig uit de vrije natuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Afwegingskader met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ieder opvangcentrum stelt een afwegingskader vast met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing voor een dier. In het afwegingskader dient bij de keuze rekening te worden gehouden met de artikelen 25 tot en met 30. Dit kader wordt vastgelegd in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel i.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Doden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Doden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een dier wordt gedood overeenkomstig paragraaf 1.3 van het Besluit houders van dieren, indien voor het dier geen andere structurele oplossing kan worden gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dier wordt na verdoving door een bekwaam en daartoe bevoegd persoon gedood.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beheerder, bedoeld in artikel 32, eerste lid, en de dierenarts stellen een handelwijze vast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel k, voor het doden van opgevangen dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit om een dier te doden is altijd gebaseerd op het door het bestuur vastgestelde beleid en wordt in overleg met de dierenarts of de persoon, bedoeld in artikel 33, eerste lid, genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Overleden dier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een dier komt te overlijden, wordt de vermoedelijke doodsoorzaak door een vakbekwaam dierverzorger ingeschat of, als daar naar zijn of haar oordeel aanleiding toe bestaat, door een dierenarts vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een in het opvangcentrum gedood of gestorven dier dat geen productiedier is wordt vernietigd, of ter beschikking gesteld aan: een door of namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan te wijzen wetenschappelijk instituut; of, een museum, educatieve instelling, bezoekerscentrum of schoolbiologische dienst die over een daartoe strekkende ontheffing beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overleden dier als bedoeld in het eerste lid waar de doodsoorzaak niet van bekend is, en waar de bepaling van de oorzaak van belang kan zijn voor het opsporen van vergiftigingen, of een dier dat is gestorven aan een onnatuurlijke doodsoorzaak, wordt uitsluitend aangeboden aan opsporingsambtenaren van de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of andere bevoegde instanties.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6 Medewerkers</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van het opvangcentrum benoemt een of meer natuurlijk personen tot beheerder van een opvanginrichting. Een beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de opvanginrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De taken en bevoegdheden van de beheerder worden vastgesteld in het beleid betreffende het personeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span><span class=\"lf-art-t\">Medewerkers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum beschikt ten minste over één vaste, al dan niet vrijwillige, vakbekwame dierverzorger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon, bedoeld in het eerste lid, kan tevens de beheerder, bedoeld in artikel 32, eerste lid, zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval vakbekwaam als hij voldoet aan de in artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren gestelde eisen, met dien verstande dat indien geen deelkwalificatie beschikbaar is voor de betreffende soort, volstaan kan worden met de deelkwalificaties die wel van toepassing kunnen zijn op de op te vangen soort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon, bedoeld in het eerste lid, is vakbekwaam met betrekking tot niet als gezelschapsdier gehouden dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten als hij kan aantonen dat hij ten minste de afgelopen drie jaar ervaring heeft opgedaan in het huisvesten en verzorgen van de specifieke categorie van dieren waarvoor de aanvrager ontheffing aanvraagt, en hij daartoe minimaal twee positieve referenties van deskundig te achten personen kan overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l, wordt ingegaan op: het aantal verzorgende medewerkers in relatie tot het aantal te verzorgen dieren; de vereiste intensiteit, de aanwezigheid van ondersteunende medewerkers en overleg tussen medewerkers; en, de taken, tijdsbesteding, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, positie, eventuele vergoedingen en opleidingsmogelijkheden voor vrijwillige en betaalde medewerkers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Operationele continuïteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel n, wordt vastgelegd hoe de operationele continuïteit wordt gewaarborgd. Daartoe behoren ten minste voorzieningen in geval dat essentiële medewerkers, zoals de beheerder, niet beschikbaar zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7 Bezoekers</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoekers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum kan bezoekers toelaten, mits de bezoekers het herstel van zieke en gewonden dieren en de structurele oplossingen voor de opgevangen dieren niet belemmeren of vertragen, zodat voldaan wordt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel o, beschrijft maatregelen die het gestelde in het eerste lid waarborgen, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende punten: de ruimte waar bezoekers niet mogen komen; fysiek contact tussen bezoekers en opgevangen dieren; de mogelijkheid van afzondering van dieren buiten het zicht van de bezoekers; de veiligheid van bezoekers.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8 Register en logboek</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span><span class=\"lf-art-t\">Register</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Besluit houders van dieren is van overeenkomstige toepassing op een opvangcentrum van dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien dieren als één groep van dezelfde soort en van vergelijkbare leeftijd aangeboden worden, kunnen deze als groep onder vermelding van het aantal, worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het register worden voor elk opgevangen dier de volgende gegevens opgenomen, voor zover relevant: indien bekend de vindplaats van het dier en persoonsgegevens van de vinder of de gegevens van de eigenaar dat afstand doet van zijn dier; datum van binnenkomst; reden van aanbieden; eerste beoordeling als bedoeld in artikel 18; veterinaire verslaglegging, inclusief data van behandelingen; de verwachte behandelingsduur in geval van zieke of gewonde dieren; indien de verwachte behandelingsduur wordt overschreden, de reden van overschrijding; en de definitief gekozen structurele oplossing voor het dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de veterinaire verslaglegging, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, worden de volgende gegevens genoteerd: behandelend dierenarts; gegevens van het lichamelijk onderzoek en de diagnose; verkregen medicatie met behandelingsfrequentie en dosering; datum en beschrijving van vaccinaties en andere handelingen die uitgevoerd zijn ter vaststelling, behandeling of preventie van bepaalde ziekten met een (eventuele) datum waarop de handeling herhaald moet worden; en, eventueel datum, uitvoerder en resultaten van een post-mortem onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie en hoe deze ingevuld en gebruikt wordt, wordt beschreven in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel p.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratie is altijd door alle aanwezige medewerkers in te zien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span><span class=\"lf-art-t\">Logboek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opvangcentrum houdt een logboek bij waarin dagelijks de gezondheidscontrole van alle dieren en eventuele andere bevindingen worden vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het logboek, bedoeld in het eerste lid, kan als aanvulling worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 36.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 9 Slotbepaling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijkingsmogelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het opvangcentrum te maken krijgt met een onvoorziene situatie waardoor het zich gedwongen ziet van de voorschriften van dit protocol af te wijken, stelt het onverwijld Gedeputeerde Staten op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4behorende bij de artikelen 3.3.2 en 3.3.5 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant Afwegingskaders en voorwaarden beheer soorten Vogelrichtlijn Aalscholver, Phalacrocorax carbo Provinciaal beleid Van de aalscholver is bekend dat deze schade kan veroorzaken aan het belang van de bedrijfsmatige visserij of viskwekerijen en ook schade aan inheemse (vis)soorten. Vanwege het ontbreken van schadehistorie verlenen GS enkel een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het vangen en/of doden ter voorkoming van belangrijke schade aan bedrijfsmatige visserij of ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een incidentele omgevingsvergunning verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Overnetting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke verjaging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Gehele provincie, op locaties waar sprake van concrete dreigende schade of gevaar voor de volksgezondheid of openbare veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie, alsmede de daadwerkelijke omvang van schade of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd faunabeheerplan. aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandgans, Branta leucopsis Provinciaal beleid Schadebestrijding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit verlenen voor verjaging met ondersteunend afschot, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Populatiebeheer:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grootte van de (duurzame) broedpopulatie dient in evenwicht te zijn met een acceptabel schade- en veiligheidsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt voor de brandgans wordt het schadeniveau 2011 aangehouden (5 a 6.000 euro).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij benadering was de populatieomvang ca. 4.000 exemplaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan, kan een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit worden verleend voor reducerende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid en volksgezondheid GS kunnen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid of in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Visuele en akoestische middelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Ganzen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen 15 februari - 31 oktober Gebied Gebieden met concrete dreigende schade op basis van een faunabeheerplan van de FBE (m.u.v. rust- en foerageergebieden in de periode 1 november – 31 maart).</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie alsmede de daadwerkelijke omvang van schade, de noodzaak tot of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd faunabeheerplan; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet, of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Canadese gans, Branta canadensis Provinciaal beleid De canadese gans is landelijk vrijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Populatiebeheer:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grootte van de (duurzame) broedpopulatie dient in evenwicht te zijn met een acceptabel schade- en veiligheidsniveau. In geval van de canadese gans is dit schadeniveau nul.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend op de vrijstelling kan door GS een omgevingsvergunning worden verleend om alle wettelijk toegestane maatregelen in te zetten, zoals koppelreductie, legselreductie en vangen en doden van ruiende ganzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Visuele en akoestische middelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Ganzen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Gehele jaar vrijgesteld. Gebruik van het geweer van zonsopgang tot zonsondergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Gehele provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Toegestane middelen onder vrijstelling, zoals opgenomen in artikel 4.19, eerste lid, van de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Met betrekking tot de landelijke vrijstelling; de voorwaarden opgenomen in de artikelen 4.18 en 4.19 van de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat gebruikmaking van de vrijstelling (en de daaraan gekoppelde beperkingen) niet afdoende kan zijn; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ekster, Pica pica Provinciaal beleid Door het ontbreken van schadecijfers zal voor deze soort in Noord-Brabant geen omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze soort zal eerst inzicht moeten komen in het voorkomen en de aantallen, alsmede de omvang van de schade welke de soort veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit bij regionaal optredende ernstige schade aan gewassen kan wel worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade Preventiekit Kraaiachtigen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen, waarbij geldt dat enkel middelen en methoden voor vangen of doden worden toegepast welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fazant, Phasianus colchius Provinciaal beleid GS streven voor deze soort naar een duurzame instandhouding van de populatie, waarbij tevens wordt geborgd dat belangrijke landbouwschade en risico’s voor het luchtverkeer wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jachtwildsoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jacht op fazanthanen is geopend van 15 oktober t/m 31 januari, de jacht op -hennen van 15 oktober t/m 31 december.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jacht is afdoende voor beperking van landbouwschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de jacht is gesloten kan slechts een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit ter voorkoming van risico’s voor het luchtverkeer worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Indien reguliere bejaging aantoonbaar niet kan leiden tot voorkoming van risico’s voor het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Preventieve maatregelen als opgenomen in de Faunaschade PreventieKit’ voor hoenderachtigen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend in de periode 1 februari tot 15 oktober.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Luchthavens Middelen en methoden Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen, waarbij geldt dat enkel middelen en methoden voor vangen of doden worden toegepast welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat reguliere bejaging onvoldoende mogelijk is om risico’s voor het luchtverkeer te voorkomen; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaai, Garrulus glandarius Provinciaal beleid Door het ontbreken van schadecijfers zal voor deze soorten in Noord-Brabant geen omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze soort zal eerst inzicht moeten komen in het voorkomen en de aantallen, alsmede de omvang van de schade welke de soort veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit bij regionaal optredende belangrijke schade aan gewassen kan wel worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade Preventiekit module Kraaiachtigen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie, alsmede de daadwerkelijke omvang van schade, de noodzaak tot of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd faunabeheerplan; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grauwe gans, Anser anser Provinciaal beleid Schadebestrijding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit voor verjaging met ondersteunend afschot ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Populatiebeheer:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grootte van de (duurzame) broedpopulatie dient in evenwicht te zijn met een acceptabel schade- en veiligheidsniveau. Als uitgangspunt voor de grauwe gans wordt het schadeniveau 2005 aangehouden (circa 36.000 euro). Bij benadering was de populatieomvang circa 7.500 exemplaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het aantal overzomerende grauwe ganzen de laatste jaren snel toeneemt en op dit moment circa 47.000 bedraagt (zomerganzentelling 2022), lijkt aanvullend op het schade gerelateerd beheer, ook reductie van de populatie noodzakelijk. Het uitgangspunt is dat het aantal overzomerende grauwe ganzen teruggebracht wordt, waarbij gestreeft wordt naar het genoemde maximum schadebedrag van circa 36.000 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van een goedgekeurd Faunabeheerplan, kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden verleend voor reducerende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen verder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid of in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Visuele en akoestische middelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Ganzen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Schadebestrijding: gehele jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Populatiebeheer: 15 februari - 31 oktober.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Gebieden met concrete dreigende schade op basis van een faunabeheerplan van de FBE (met uitzondering van rust- en foerageergebieden in de periode 1 november – 1 april).</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie alsmede de daadwerkelijke omvang van schade, de noodzaak tot of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd faunabeheerplan; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Holenduif, Columba oenas Provinciaal beleid Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit voor gebieden met concrete dreigende schade op grond van een goedgekeurd Faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is mogelijk ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Duiven, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtduif, Columba palumbus Provinciaal beleid GS streven voor deze soort naar een duurzame instandhouding van de populatie, waarbij tevens wordt geborgd dat belangrijke landbouwschade en risico’s voor het luchtverkeer wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De soort is aangewezen als jachtwild. Tevens is de soort landelijk vrijgesteld. Jacht en landelijke vrijstelling zijn afdoende ter voorkoming of beperking van belangrijke landbouwschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noodzaak tot verdere omgevingsvergunning is niet aan de orde, met uitzondering van een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit ter voorkoming van risico’s voor het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Duiven, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Gehele jaar vrijgesteld of bejaagbaar; gebruik van het geweer van zonsopgang tot zonsondergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Luchthavens Middelen en methoden Toegestane middelen onder vrijstelling, zoals opgenomen in artikel 4.19, eerste lid, van de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Met betrekking tot de landelijke vrijstelling; de voorwaarden opgenomen in de artikelen 4.18 en 4.19 van de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit ter voorkoming van risico’s voor het luchtverkeer wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat gebruikmaking van de vrijstelling (en de daaraan gekoppelde beperkingen) niet afdoende kan zijn; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kauw, Corvus monedula Provinciaal beleid GS streven voor deze soort naar een duurzame instandhouding van de populatie, waarbij tevens wordt geborgd dat belangrijke landbouwschade en risico’s voor het luchtverkeer wordt voorkomen De kauw is landelijk vrijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijke vrijstelling wordt afdoende geacht ter voorkoming of beperking van belangrijke landbouwschade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kunnen GS een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen indien de ruimte die de landelijke vrijstelling biedt aantoonbaar onvoldoende is ter bescherming van één van onderstaande wettelijke belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Kraaiachtigen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Gehele jaar vrijgesteld; gebruik van het geweer van zonsopgang tot zonsondergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Gehele provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Toegestane middelen onder vrijstelling, zoals opgenomen in artikel 4.19, eerste lid, van de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Met betrekking tot de landelijke vrijstelling; de voorwaarden opgenomen in de artikelen 4.18 en 4.19 van de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat gebruikmaking van de vrijstelling (en de daaraan gekoppelde beperkingen) niet afdoende kan zijn; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn. verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine mantelmeeuw, Larus fuscus Provinciaal beleid Voor de kleine mantelmeeuw geldt dat deze in bepaalde situaties overlast of risico’s voor het luchtverkeer of de volksgezondheid kan veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dergelijke gevallen verlenen GS een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Opzettelijk verstoren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeschikt maken van broedlocaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Onder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit: verstoren nesten, wegnemen eieren (artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de wet);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen, waarbij geldt dat enkel middelen en methoden voor vangen of doden worden toegepast welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Knobbelzwaan, Cygnus color Provinciaal beleid Gezien de beperkte schaal en spreiding van de door knobbelzwanen veroorzaakte schade zullen GS in principe enkel een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan dient een goedgekeurd faunabeheerplan ten grondslag te liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid kunnen GS een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Zwanen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie, alsmede de daadwerkelijke omvang van schade, de noodzaak tot of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd Faunabeheerplan; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kokmeeuw, Chroicocephalus ridibundus Provinciaal beleid Voor de kokmeeuw geldt dat deze in bepaalde situaties overlast of risico’s voor het luchtverkeer of de volksgezondheid kan veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dergelijke gevallen verlenen GS een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Opzettelijk verstoren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeschikt maken van broedlocaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Onder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit: verstoren nesten, wegnemen eieren (artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de wet);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen, waarbij geldt dat enkel middelen en methoden voor vangen of doden worden toegepast welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kolgans, Anser albifrons Provinciaal beleid Schadebestrijding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit voor verjaging met ondersteunend afschot, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Populatiebeheer:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zomer is er nog geen sprake van een duurzame populatie. Buiten de gebieden waar de kolgans als doelsoort wordt aangemerkt, wordt er geen duurzame populatie nagestreefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning op voorhand of incidenteel voor een flora- en fauna-activiteit; wordt enkel verleend op grond van een goedgekeurd faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen omgevingsvergunning verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid of in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna;</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Visuele en akoestische middelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Ganzen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Gehele jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Gebieden met concrete dreigende schade op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan (met uitzondering van rust- en foerageergebieden in de periode 1 november tot 1 april).</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie alsmede de daadwerkelijke omvang van schade, de noodzaak tot of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd faunabeheerplan; in geval van regulatie van de omvang van de broedpopulatie, enkel op basis van een ganzengebiedsplan, als onderdeel van een goedgekeurd faunabeheerplan, aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerkoet, Fulica atra Provinciaal beleid Gezien de beperkte schaal en spreiding van de door meerkoeten veroorzaakte schade zullen GS in principe enkel een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan dient wel een goedgekeurd faunabeheerplan ten grondslag te liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een omgevingsvergunning verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid of in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Koeten (meerkoet en waterhoen), www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rietgans, Anser fabalis Provinciaal beleid Gezien het beperkte voorkomen en de onzekere staat van instandhouding van deze soort worden in principe door GS geen omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit voor vangen, doden of aantasten van verblijfplaatsen verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangenomen wordt dat schade voldoende kan worden voorkomen of bestreden door middel van opzettelijke verstoring.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een incidentele omgevingsvergunning verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid of in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Visuele en akoestische middelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Ganzen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen N.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied N.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden N.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Roek, Corvus frugilegus Provinciaal beleid Een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend voor specifiek omschreven gebieden met concrete dreigende schade op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan. Voor deze soort zal echter eerst inzicht moeten komen in het voorkomen en de aantallen, alsmede de omvang van de schade en overlast welke de soort veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Kraaiachtigen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie, alsmede de daadwerkelijke omvang van schade, de noodzaak tot of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd faunabeheerplan; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rotgans, Branta bernicla bernicla Provinciaal beleid Gezien het lokale voorkomen en de toch onzekere staat van instandhouding van deze soort wordt door GS geen omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit voor vangen, doden of aantasten van verblijfplaatsen verleend. Aangenomen wordt dat schade voldoende kan worden voorkomen of bestreden middels opzettelijke verstoring.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid of in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Visuele en akoestische middelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Ganzen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen N.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied N.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden N.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smient, Anas penelope Provinciaal beleid Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit voor gebieden met concrete dreigende schade op basis van een goedgekeurd faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is mogelijk ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid of in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Eenden, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Beperkt tot de voorwaarden in de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Niet binnen aangewezen foerageergebieden voor ganzen en smienten (periode 1 oktober t/m 31 maart).</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen. Niet binnen aangewezen rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten (periode 1 november tot 1 april).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: de verspreiding, de ontwikkelingen in de populatie, alsmede de daadwerkelijke omvang van schade, de noodzaak tot of invloed op wettelijke belangen is aangetoond en onderbouwd in een goedgekeurd faunabeheerplan; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreeuw, Sturnus vulgaris Provinciaal beleid De spreeuw is een soort waarvan bekend is dat deze lokaal en met name bij fruitteelt belangrijke schade kan veroorzaken. Voor de provincie Noord-Brabant ontbreekt op dit moment aan voldoende inzicht in de schadehistorie om een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit te kunnen verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van het optreden van schade aan fruitteelt door spreeuwen kunnen GS een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Kleine Zangvogels, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen, waarbij geldt dat enkel middelen en methoden voor vangen of doden worden toegepast welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stormmeeuw, Larus canus Provinciaal beleid Voor de stormmeeuw geldt dat deze in bepaalde situaties overlast of risico’s voor het luchtverkeer of de volksgezondheid kan veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dergelijke gevallen verlenen GS een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Opzettelijk verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Onder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit: verstoren nesten, wegnemen eieren (artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de wet);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen, waarbij geldt dat enkel middelen en methoden voor vangen of doden worden toegepast welke zijn opgenomen artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wilde eend, Anas platyrhynchos Provinciaal beleid GS streven voor deze soort naar een duurzame instandhouding van de populatie, waarbij tevens wordt geborgd dat belangrijke landbouwschade en risico’s voor het luchtverkeer wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jachtwildsoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jacht is geopend van 15 augustus t/m 31 januari. Buiten het jachtseizoen is slechts een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen mogelijk, op grond van een goedgekeurd faunabeheerplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit is mogelijk ter voorkoming van risico’s voor het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Indien reguliere bejaging aantoonbaar niet kan leiden tot voorkoming van schade of risico’s;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Eenden, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Tussen 1 februari en 15 augustus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat reguliere bejaging onvoldoende mogelijk is geweest om schade aan gewassen gedurende het hele jaar te voorkomen of risico’s voor het luchtverkeer uit te sluiten; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zilvermeeuw, Larus argentatus Provinciaal beleid Voor de zilvermeeuw geldt dat deze in bepaalde situaties overlast of risico’s voor het luchtverkeer of de volksgezondheid kan veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dergelijke gevallen verlenen GS een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Opzettelijk verstoren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeschikt maken van broedlocaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Onder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit: verstoren nesten, wegnemen eieren (artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de wet);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen, waarbij geldt dat enkel middelen en methoden voor vangen of doden worden toegepast welke zijn opgenomen artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwarte kraai, Corvus corone Provinciaal beleid GS streven voor deze soort naar een duurzame instandhouding van de populatie, waarbij tevens wordt geborgd dat belangrijke landbouwschade en risico’s voor het luchtverkeer wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zwarte kraai is landelijk vrijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijke vrijstelling wordt afdoende geacht ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kunnen GS een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit voor veiligheid luchtverkeer) verlenen indien de ruimte die de landelijke vrijstelling biedt aantoonbaar onvoldoende is ter bescherming van één van onderstaande wettelijke belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van flora of fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in Faunaschade PreventieKit module Kraaiachtigen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Gehele jaar vrijgesteld. Gebruik van het geweer van zonsopgang tot zonsondergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Gehele provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden Toegestane middelen onder vrijstelling (als opgenomen in artikel 4.19, eerste lid, van de Omgevingsregeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen en methoden voor vangen of doden zoals voor deze soort benoemd in het goedgekeurde faunabeheerplan en welke zijn opgenomen in artikel 8.3, derde lid, van de wet jo. de artikelen 8.74m, eerste lid (middelen), en 8.74n, eerste lid (methoden), van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Met betrekking tot de landelijke vrijstelling; de voorwaarden opgenomen in de artikelen 4.18 en 4.19 van de Omgevingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat gebruikmaking van de vrijstelling (en de daaraan gekoppelde beperkingen) niet afdoende kan zijn; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage5behorende bij de artikelen 3.3.3 en 3.3.5 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant Afwegingskaders en voorwaarden beheer soorten Habitatrichtlijn Bever (Castor fiber) Provinciaal beleid De bever maakt een positieve ontwikkeling door in de provincie. Na een herintroductie en vanwege strikte bescherming heeft de soort zich snel kunnen vestigen en verspreiden in Noord-Brabant. Met de toename van het aantal bevers bestaan er ook in toenemende mate risico’s op schade aan eigendommen, landbouw en waterkeringen. Hoewel Gedeputeerde Staten de voorkeur geven aan preventieve maatregelen om schade en problemen te voorkomen, kunnen zich altijd situaties voordoen waarbij bevers de openbare veiligheid in gevaar brengen of ernstige schade veroorzaken. In ernstige gevallen kunnen Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.46, eerste lid, onder a, en 11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving verlenen waarmee ingrijpen mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het verlenen van een omgevingsvergunning wordt het escalatiemodel aangehouden. Het escalatiemodel is onderdeel van het faunabeheerplan. Verblijfplaatsen zoals beverburchten, -holen en –dammen die voor ernstige schade zorgen mogen ook enkel met een omgevingsvergunning aangetast of verwijderd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het escalatiemodel wordt een ingrijpende maatregel altijd voorafgegaan aan een minder ingrijpende maatregel. De volgorde betreft daarmee; preventie mitigatie aanpassen van de leefomgeving verjagen vangen en verplaatsen doden Het doden wordt enkel toegepast om schadegericht een probleem aan te pakken en niet om het aantal bevers te reduceren of te beheren. Bevers mogen alleen op het land gedood worden met een geweer al dan niet eerst gevangen met een vangkooi of kastval. Er mogen geen bevers in het water gedood worden. Het doden wordt enkel uitgevoerd door een professionele faunabeheerder. In de omgevingsvergunning voor doden wordt altijd de voorwaarde opgelegd om ter plaatste en per direct preventieve maatregelen aan te leggen. Hiermee moet voorkomen worden dat andere bevers de vrijgekomen plek weer innemen. Dierenleed en stress onder bevers en andere dieren dient voorkomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aantoonbaar gewerkt wordt met een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd beverprotocol; aangetoond is dat andere bevredigende oplossingen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op regionaal en lokaal niveau hierdoor niet in het geding komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden aangevraagd op basis van een mitigatie- en compensatieplan opgesteld door een ter zake deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren en keringen of andere vormen van eigendommen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen In een vooraf opgesteld en goedgekeurd beverprotocol staan de maatregelen beschreven die binnen wettelijke kaders zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegestane middelen Toegestane middelen om bevers te vangen, te verplaatsen of te doden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kastval Vangkooi Kogelgeweer, eventueel voorzien van een geluiddemper; een kunstmatige lichtbron; een voorziening om de prooi te verlichten; een voorziening om de prooi te verlichten; een elektronische beeldversterker; of nachtzichtapparatuur Periode Vangen, verplaatsen en doden van bevers is verboden binnen de voortplantingsperiode, die loopt van 1 mei tot en met 31 augustus. Ook het vernielen van een beverburcht of -hol dient buiten de voortplantingsperiode plaatst te vinden. Preventieve maatregelen kunnen het hele jaar ingezet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied In de hele provincie Noord-Brabant waar sprake is van concrete of dreigende ernstige schade of gevaar voor de openbare veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning op voorhand voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aantoonbaar gewerkt wordt met een door GS goedgekeurd beverprotocol; aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal en lokaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage6behorende bij de artikelen 3.3.4 en 3.3.5 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant Afwegingskaders en voorwaarden beheer andere soorten Aardmuis, Microtus agrestis Provinciaal beleid De aardmuis is een algemeen voorkomend knaagdier. Vanwege zijn leefwijze en voedselkeuze kan er in bepaalde situaties sprake zijn van ernstige of belangrijke schade aan gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen voor de bestrijding van aardmuizen bij optredende schade aan gewassen, veehouderijen, bossen of andere vormen van eigendom. Hieronder wordt ook verstaan schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen of begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Plaatsen van nestkasten voor roofvogels;</p>\n<p class=\"lf-p\">Periodieke inundatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangepast landgebruik;</p>\n<p class=\"lf-p\">Minder diepe mestinjectie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Woelmuizen, ratten en mollen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Het gehele jaar Gebied Gehele provincie, in gebieden of op locaties waar sprake is van concrete dreigende schade of gevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen Kastvallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangkooien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Klemmen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inundatie Middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op provinciaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bosmuis, Apodemus sylvaticus Provinciaal beleid De bosmuis is een algemeen voorkomend knaagdier. In tegenstelling tot zijn naam komt de bosmuis ok voor in het landelijk gebied en kan, vanwege zijn voorkomen en leefwijze ernstige of belangrijke schade aanbrengen aan gewassen, bossen of andere vormen van eigendom.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen voor de bestrijding van bosmuizen bij optredende schade aan gewassen, veehouderijen, bossen of andere vormen van eigendom. Hieronder wordt ook verstaan schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen of begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Plaatsen van nestkasten voor roofvogels;</p>\n<p class=\"lf-p\">Periodieke inundatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangepast landgebruik;</p>\n<p class=\"lf-p\">Minder diepe mestinjectie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Woelmuizen, ratten en mollen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen Kastvallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangkooien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Klemmen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inundatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Het gehele jaar Gebied Gehele provincie, in gebieden of op locaties waar sprake is van concrete dreigende schade of gevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort op provinciaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bunzing, Mustela putorius Provinciaal beleid Hoewel er onvoldoende gegevens zijn over de trend en aantallen bunzings binnen de provincie is wel bekend dat deze soort incidenteel schade veroorzaakt aan gehouden kippen, ganzen, eenden en konijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het nemen van preventieve maatregelen, alsmede de bestaande mogelijkheid om deze diersoort opzettelijk te verontrusten (te verjagen), achten GS het alleen in heel bijzondere situaties acceptabel om een incidentele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen voor het vangen (en elders loslaten) van bunzings.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een dergelijke omgevingsvergunning wordt verleend zullen GS aan de vergunning strikte voorwaarden verbinden en onder formulering van strikte kaders dat het vangen en weer elders loslaten zodanig wordt uitgevoerd dat de dieren, of de populatie, hierdoor geen onnodig risico lopen of de overlevingskansen afnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de staat van instandhouding verlenen GS geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het doden van bunzings.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Nader te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen Kastvallen Periode(n) en tijdstippen Het gehele jaar Gebied Alleen in uitzonderlijke situaties in of nabij gebieden waar hermelijnen aantoonbaar hoge predatie vertonen van weidevogelnesten of -jongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal en lokaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Damhert, Dama Dama Provinciaal beleid In Noord-Brabant komen geen vrije, in het wild levende populaties damherten voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS beschouwen de damherten welke binnen de provincie worden waargenomen niet als inheems. Het gaat om losgelaten of ontsnapte exemplaren. GS streven geen duurzame populatievorming na.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor damherten streven GS een nulstand na.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS verlenen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het handhaven van de nulstand. Daarbij dienen ontsnapte of vrijgelaten dieren uit de natuur te worden verwijderd om te voorkomen dat er een zich voortplantende populatie kan vormen. Indien de eigenaar van de ontsnapte of losgelaten dieren kan worden achterhaald zal deze de dieren eerst zelf dienen te vangen (al dan niet middels verdoving) en terug te brengen naar een voor deze dieren geschikt en afdoende omheind terrein. Indien geen eigenaar kan worden aangewezen of achterhaald dan zullen de dieren op basis van de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van GS worden afgeschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Niet van toepassing Middelen Geweren (toegestane kalibers kogelgeweren);</p>\n<p class=\"lf-p\">Honden (niet zijnde lange honden);</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdovingsgeweer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangkooien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangnetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Het gehele jaar Het gebruik van het geweer (al dan niet met gebruik van kunstlicht, warmtebeeld of restlichtversterker) over het gehele etmaal Gebied Gehele provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt verleend om uit gevangenschap ontsnapte of vrijgelaten damherten te doden ten behoeve van de uitvoering van het nulstandbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doden van deze dieren vindt enkel plaats indien vangen (al dan niet middels verdoving) en weer terugbrengen naar een geschikte verblijfplaats of opvanglocatie niet mogelijk blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Das, Meles meles Provinciaal beleid In geval van schade aan infrastructurele dijklichamen is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het verontrusten en verjagen van dassen beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke gevallen kunnen dassen gevangen en verplaatst worden of hun verblijfplaatsen worden aangetast of vernietigd. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt verleend op grond van een goedgekeurd faunabeheerplan. GS verlenen in principe geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het doden van dassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS kunnen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen voor het vangen of het aantasten van verblijfplaatsen in geval van risico’s voor de volksgezondheid of openbare veiligheid. Alleen in uiterste gevallen zullen GS een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verlenen voor het doden van dassen. Een dergelijke vergunning wordt pas verleend nadat er middels een uitgebreide toets is komen vast te staan dat alternatieven niet voorhanden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Das, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen Kastvallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangkooien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangnetten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Het gehele jaar Het gebruik van het geweer (al dan niet met gebruik van kunstlicht, warmtebeeld of restlichtversterker) ook tussen zonsondergang en zonsopgang (bij omgevingsvergunning te bepalen) Gebied Gehele provincie, in gebieden of op locaties waar sprake is van concrete dreigende ernstige schade of gevaar (vooral dijklichamen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt alleen verleend indien: aangetoond is dat andere bevredigende maatregelen niet of in onvoldoende mate effectief zijn; verzekerd is dat de staat van instandhouding van de soort ook op regionaal niveau niet in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Edelhert, Cervus elaphus Provinciaal beleid In Noord-Brabant komen geen vrije, in het wild levende populaties edelherten voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel niet kan worden uitgesloten dat in de toekomst de soort zich van nature in de provincie zal vestigen gaan GS er vooralsnog vanuit dat het bij waarnemingen van edelherten gaat om losgelaten of ontsnapte exemplaren. GS streven voor deze soort geen duurzame populatievorming na.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS verlenen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het handhaven van de nulstand. Daarbij dienen ontsnapte of vrijgelaten dieren uit de natuur te worden verwijderd om te voorkomen dat er een zich voortplantende populatie kan vormen. Indien de eigenaar van de ontsnapte of losgelaten dieren kan worden achterhaald zal deze de dieren eerst zelf dienen te vangen (al dan niet middels verdoving) en terug te brengen naar een voor deze dieren geschikt en afdoende omheind terrein. Indien geen eigenaar kan worden aangewezen of achterhaald dan zullen de dieren op basis van de omgevingsvergunning van GS worden afgeschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke belangen In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van ernstige schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passende en doeltreffende maatregelen voor preventie of weren Maatregelen als beschreven in de Faunaschade PreventieKit module Hertachtigen, www.BIJ12.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen Geweren (toegestane kalibers kogelgeweren);</p>\n<p class=\"lf-p\">Honden (niet zijnde lange honden);</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdovingsgeweer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangkooien;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vangnetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode(n) en tijdstippen Het gehele jaar Het gebruik van het geweer (al dan niet met gebruik van kunstlicht, warmtebeeld, restlichtversterker of demper) over het gehele etmaal (bij omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te bepalen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied Gehele provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden/voorschriften Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt verleend om uit gevangenschap ontsnapte of vrijgelaten edelherten te doden ten behoeve van de uitvoering van het nulstandbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doden van deze dieren vindt enkel plaats indien vangen (al dan niet middels verdoving) en weer terugbrengen naar een geschikte verblijfplaats of opvanglocatie niet mogelijk blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Haas, Lepus europaeus Provinciaal beleid</p></div>", "next": 239875}