{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidies voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen, alsmede voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidiabele kosten van een project bedragen ten minste € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De kosten van ‘Onvoorzien’ boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.62</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod vervreemding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.60, lid 1, sub a, onderdeel ii, en sub b, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, danwel het recht van opstal.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.63</span><span class=\"lf-art-t\">Stimuleren milieukwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling 69 [Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.64</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">70[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW. In het eerste lid van artikel 3.64 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen - meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap - of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen. Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld. In het tweede lid van artikel 3.64 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit'. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert. ] 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten behoren niet tot het werk van de aanvrager dat op andere wijze wordt gefinancierd; de aanvrager heeft geen winstoogmerk met de activiteiten; de aanvrager bestemt voor verbreiding van de leerervaringen, ten minste 5% van de totale lasten; de aanvrager toont aan dat de financiële opzet sluitend is indien de gevraagde provinciale subsidie wordt toegekend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.65</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">71 [Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen posten van de begroting voor de activiteiten buiten beschouwing laten indien zij van mening zijn dat deze niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.66</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.67</span><span class=\"lf-art-t\">Stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">72[Toelichting: In artikel 3.67 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen. Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART' is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden. De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt. De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen. ] In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen: a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht, rekening houdend met de prioritaire groepen zoals in het PAS aangegeven; b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten; c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen; d. de dimensies van duurzaamheid die in de activiteit betrokken zijn; dit moeten er ten minste drie zijn; e. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd; f. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2007 ligt; g. de wijze waarop de aanpak en de resultaten van de activiteit voor derden beschikbaar gemaakt worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.68</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">73[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond. Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden. ] Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.69</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">74[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project. Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen. ] 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.70</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Subsidie kan worden gevraagd voor: 75[Toelichting: Bij te subsidiëren activiteiten onder sub a gaat het om projecten gericht op de uitvoering van het huishoudelijk afvalstoffenbeleid. Vooral activiteiten die gericht zijn op het bereiken van een hogere trede op de zogenaamde Ladder van Lansink komen voor subsidiëring in aanmerking. Het hoogst op de ladder van Lansink staat preventie (voorkomen) van afvalstoffen. Daarna komt hergebruik, verbranden en als laatste storten van afval. Bij activiteiten onder sub b gaat het om projecten ter stimulering van preventie van bedrijfsafvalstoffen. Het gaat hierbij om het ondersteunen van projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.] een activiteit met een experimenteel of innovatief karakter die tot doel heeft of ertoe kan leiden dat de hoeveelheid huishoudelijk afval vermindert of op een hoogwaardiger wijze wordt verwerkt, of een activiteit die past binnen het beleidskader als vastgelegd in de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag heeft geen betrekking op individuele bedrijfssteun.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: er vindt nulmeting en eindmeting plaats naar de bereikte milieueffecten; hierover wordt gerapporteerd; voor de voorgenomen activiteit is niet eerder een subsidie ontvangen op basis van deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit; de activiteit wordt kosteneffectief uitgevoerd; kennisoverdracht van relevante resultaten is mogelijk; de activiteit voorziet in een behoefte van de doelgroep(en) van het project; de activiteit is gericht op het bevorderen van een zo efficiënt mogelijk gebruik van afvalstoffen, water en energie bij het industriële MKB.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.71</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">76[Toelichting: Hierna volgt een samenvatting van de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB. ‘Voorkomen is verdienen' was de afgelopen jaren het credo voor het beleid gericht op het verminderen van gebruik van grondstoffen, water en energie en het voorkomen van milieuschadelijke emissies. De uitvoering werd vooral opgepakt vanuit de milieu-invalshoek. De komende periode richten wij ons nog steeds op hetzelfde uitgangspunt, met dat verschil dat wij de uitvoering vanuit een breder perspectief gaan inzetten. Wij stellen ons ten doel te streven naar een duurzame ontwikkeling van de Overijsselse industrie. Hieronder verstaan wij een gelijktijdige versterking van de industriële structuur en een afname van de milieudruk in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee geven wij invulling aan onze ambitie om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie (Bestuursakkoord 1999-2003). Deze beleidsnotitie is de nadere uitwerking van het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor de beleidsvoornemens gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijsselse midden- en kleinbedrijf. Vanuit het streven naar zoveel mogelijk synergie tussen milieu- en economiethema's binnen het provinciale beleid gaan wij ons in de komende periode richten op die sectoren die de speerpuntsectoren van de Overijsselse Innovatiestrategie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat dan om de volgende sectoren: kunststofverwerkende industrie, metaalproducten industrie, machine- en apparatenbouw, voedingsmiddelenindustrie, grafische en media-industrie, transportmiddelenindustrie ((vracht)auto's, schepen, treinen en fietsen). Binnen deze branches koppelen wij daar waar mogelijk onze aanpak aan bestaande initiatieven en houden wij in ieder geval rekening met afspraken uit het doelgroepenbeleid Industrie. Kansrijke ontwikkelingen zijn momenteel te ontdekken op de volgende terreinen: milieugerichte productontwikkeling, productgerichte milieuzorg en integraal ketenbeheer.] 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.800,--. 77[Toelichting: Het in het eerste lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten ter stimulering van de uitvoering van het huishoudelijke afvalstoffenbeleid. De hoogte van het maximumbedrag heeft te maken met de omvang van de subsidiepot.] 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 18.000,--. Het in het tweede lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Niet subsidiabel zijn de kosten van: vaste personeelslasten en omzetbelasting, voor zover deze laatste niet door de subsidieontvanger kan worden teruggevorderd; voorbereiding en ontwikkeling, administratie en accountant; dat deel van de activiteit dat voorafgaand aan de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten is gestart.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.3. Bio-energie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.72</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">78[Toelichting: De haalbaarheidsstudies leveren een bijdrage aan de ambitie voor het realiseren van 120 megawatt uit bio-energie in 2010, zoals opgenomen in het Actieprogramma bio-energie Overijssel 2005 2008. Onder bio-energie installaties worden verstaan installaties voor het opwekken van energie door middel van mestvergisting, houtverbranding, vergassing, pyrolyse of andere conversie technieken. De haalbaarheidsstudie dient gekoppeld te zijn aan een locatie en een initiatiefnemer. Onder een haalbaarheidsstudie wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de oprichting van een bio-energie-installatie. De studie wordt binnen een half jaar na subsidietoekenning afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de studie worden de volgende aspecten van de te realiseren installatie onderzocht: 1techniek (welke soorten techniek, mogelijkheden voor warmteafzet; impact op milieu/natuur); 2financiering (bedrijfseconomisch, fiscaal, subsidies); 3organisatie (o.a. inpasbaarheid in bedrijfsvoering); 4logistiek (o.a. afzet eindmateriaal, inzet regionale biomassa); 5ruimtelijk (inpasbaarheid in ruimtelijke plannen); 6juridisch (o.a. rechtsvorm). De resultaten van de haalbaarheidsstudie bestaan uit: 1een bedrijfsplan dat kan dienen voor het verkrijgen van financiering en voor vooroverleg met gemeente/provincie in verband met vergunning Wet milieubeheer en bouwvergunning; 2een factsheet met (geanonimiseerde informatie over de installatie, zoals: ¿ hoeveelheid biomassa; ¿ elektrisch en thermisch vermogen; ¿ electriciteitsopbrengst; ¿ afmetingen installatie; ¿ bruto-investering; ¿ terugverdientijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een haalbaarheidsstudie voor een inzamelingsstructuur voor regionale biomassa wordt verstaan een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden voor de realisatie van een inzamelingsstructuur en afzet van regionale vrijgekomen biomassa. Het gaat om de financiële en organisatorisch/logistieke haalbaarheid van een inzamelstructuur met een onafhankelijke analyse van potentiële marktpartijen. Het resultaat van de studie is een afsprakenpakket tussen inzamelaars van biomassa en verwerkers. De studie wordt binnen een jaar na subsidietoekenning afgerond.] 1. Subsidie kan worden gevraagd voor de externe kosten van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies voor de realisatie van: bio-energie-installaties; inzamelingsstructuren voor regionale biomassa.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag moet voldoen aan het criterium dat de subsidieontvanger zelf voor minimaal 20% bijdraagt in de totale subsidiabele kosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.73</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 10.000,--.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.4. Roetfilter in voertuig</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.74</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Kentekenhouders van een personen- of bestelauto met een dieselmotor kunnen subsidie aan-vragen voor het inbouwen van een ongebruikte roetfilter in dat voertuig. 79[Toelichting: Dit betekent dat de subsidie ook kan worden verstrekt aan een kentekenhouder die vóór de inwerkingtreding van deze regeling reeds een roetfilter heeft laten inbouwen. Op 1 juli 2006 is de subsidieregeling bedoeld in het tweede lid van dit artikel in werking getreden. De onderhavige regeling sluit daarop aan.] 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.2 van de Subsidiere-geling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor. 80[Toelichting: De Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor is gepubliceerd in de Staatscourant van 29 juni 2006, nr. 124, pagina 73, en laatstelijk gewijzigd bij besluit van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 september 2006, gepubliceerd in de Staatscourant van 29 september 2006, nr. 190, pagina 25.] 3. Aanvullend daarop gelden de volgende criteria: de kentekenhouder van het voertuig is een particulier; de kentekenhouder van het voertuig is woonachtig in de provincie Overijssel; de factuur voor de inbouw van het roetfilter mag niet aan een onderneming zijn gericht; 81[Toelichting: Dit betekent dat niet ieder bedrijf het roetfilter mag inbouwen. Het dient te gaan om een bedrijf met een APK-erkenning, die met het oog op het inbouwen van roetfilters met de staatssecretaris van VROM een overeenkomst heeft gesloten. Alleen die bedrijven kunnen het ingebouwde roetfilter bij de Dienst Wegverkeer melden.] de inbouw van het roetfilter is door het inbouwende bedrijf gemeld aan de Dienst Wegver-keer door middel van een door die dienst daartoe geaccepteerd netwerk.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.75</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">82 [Toelichting: Deze provinciale subsidie dekt, tezamen met de subsidie van de subsidieregeling bedoeld in arti-kel 3.72, tweede lid, grotendeels of zelfs (vrijwel) volledig de kosten van het roetfilter en de inbouw daarvan. Indien door martkontwikkelingen de prijs structureel daalt, zal ook het subsidiebedrag worden aangepast.] 1. De subsidie bedraagt € 200,-- per ingebouwd roetfilter.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Per personen- of bestelauto wordt slechts éénmaal subsidie verstrekt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.76</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.74 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.77</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij SenterNovem in Zwolle van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 met gebruikmaking van een bij die organisatie verkrijgbaar formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 3.5. Investeren in duurzaam Overijssel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.78</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">83[Toelichting: In het artikel zijn de activiteiten omschreven waarvoor subsidie kan worden verleend. Het betreft een deel van de activiteiten die zijn opgenomen in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007; voor een ander deel van de activiteiten uit het Uitvoeringsplan zullen Gedeputeerde Staten opdrachten kunnen verstrekken. NB: de aanvulling op het programma ‘Leren voor duurzame ontwikkeling' voor scholen en onderwijsinstellingen behoeft geen wijziging van het UBS, maar wijziging van het Provinciaal Ambitiestatement.] 1. Subsidie kan worden verleend voor de volgende activiteiten die zijn benoemd in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007: het uitvoeren van een proefproject voor levering en distributie van alternatieve (niet-fossiele) brandstoffen in het verkeer; het uitvoeren van een regionaal consulentschap voor het stimuleren en ondersteunen van opdrachtgevers en initiatiefnemers van duurzaam bouwen; het uitvoeren van een voorbeeldproject in het kader van beheer en/of herstructurering van een bedrijventerrein dat bij uitstek een voorbeeldfunctie ter versterking van de duurzaamheid kan vervullen; het uitvoeren van een project minimilieuzorg in het midden- en kleinbedrijf; het ontwikkelen en uitvoeren van een themagericht voorlichtings- en educatieprogramma met gelijktijdige ontwikkeling van bij het thema passende activiteiten, indien dit in samenwerking op provinciale schaal wordt uitgevoerd door centra die als hoofddoelstelling hebben de Overijsselse bevolking te informeren over natuur, milieu en/of duurzaamheid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De activiteit vindt in het jaar 2007 plaats.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.79</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort van de activiteit. 84[Toelichting: In het eerste lid is aangegeven dat in beginsel van aanvragers verwacht wordt dat zij ook op andere wijze in de financiering van de activiteit voorzien. ] 2. De subsidie kan op een hoger percentage worden vastgesteld indien de activiteit in buitengewone mate bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van het Uitvoeringsplan. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om in buitengewone gevallen activiteiten voor een hoger percentage te subsidiëren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.80</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">85 [Toelichting: Beoogd is de subsidiëring van activiteiten die in 2007 plaatsvinden. Daarom is de sluitingsdatum voor aanvragen bepaald op 30 september 2007.] In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend tot en met 30 september 2007.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.81</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">86 [Toelichting: Het is wenselijk om de mogelijkheid te bieden de subsidieplafonds halverwege het jaar aan te passen aan de feitelijke uitvoering van het Uitvoeringsplan en in dat kader te subsidiëren activiteiten.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen per categorie van activiteiten zoals onderscheiden in artikel 3.78 een subsidieplafond vaststellen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor elke categorie van activiteiten het subsidieplafond per 1 juli 2007 aanpassen, rekening houdend met de bedragen die nog niet tot besteding zijn gekomen en maken een dergelijke wijziging vóór 15 juli 2007 bekend.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Faunabeheereenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">87 [Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer.] Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">88 [Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen in de externe kosten van onderzoek en planontwikkeling van ruimtelijke projecten. De projecten moeten bijdragen aan uitgangspunten/doelstellingen van het streekplan en aan de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel. 89[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd, zoals genoemd in sub b van dit lid.] 2. Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid: is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel; wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria: uitvoeringsgerichtheid; 90[Toelichting: uitvoeringsgerichtheid: de projecten vormen veelal de schakel tussen geformuleerd beleid en de concrete uitvoering, en zijn uitvoeringsgericht van aard, zoals bijvoorbeeld een plan van aanpak, Masterplan of een haalbaarheidsstudie, gekoppeld aan een afgebakend beleidsonderwerp, probleemstelling of ruimtelijke voorziening. Voor algemeen onderzoek is deze regeling niet bedoeld.] bovengemeentelijke of regionale betekenis; 91[Toelichting: bovengemeentelijke c.q. regionale betekenis: de projecten zijn strategisch van aard en hebben daardoor veelal een regionaal schaalniveau en/of uitstralingseffect.] voorbeeldwerking; 92[Toelichting: voorbeeldwerking: de projecten moeten min of meer ‘model kunnen staan’ voor vergelijkbare projecten en vormen zelfs vaak een pilotproject.] katalysatorwerking; 93[Toelichting: katalysatorwerking: meerdere partners trekken gezamenlijk op, ook financieel, en kunnen een impuls geven aan eventuele vervolgprojecten.] integraliteit; 94[Toelichting: integraliteit: de projecten dragen bij aan beleidsdoelstellingen vanuit meerdere sectoren en worden veelal ook uit deze sectoren gecofinancierd.] structureel effect. 95[Toelichting: structureel effect: de projecten zijn ook op de langere termijn van belang voor de (duurzame) ruimtelijke ontwikkeling.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">96 [Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de helft van de kosten van de ruimtelijke activiteiten van een project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1. genoemde criteria.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, bouw- en sloopkosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">97[Toelichting: Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Wet stedelijke vernieuwing, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing. Een aanvraag van een programmagemeente voor subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, tweede lid, Wsv en het daaro gebaseerde beleidskader. Een aanvraag van een projectgemeente moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, vijfde lid, Wsv. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing; b. programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, Wsv; c. projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, Wsv; d. commissie: de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving; e. ISV: ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’; f. Beleidskader: Beleidskader ISV 2 Provincie Overijssel; g. reserve ISV: de bestemmingsreserve ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Reserve ISV</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de reserve ISV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aan de reserve ISV worden in ieder geval toegevoegd de bijdragen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5, derde lid, Wsv.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen overige voor stedelijke vernieuwing aangemerkte middelen aan de reserve ISV toevoegen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Niet bestede middelen blijven in de reserve ISV. Over de niet bestede middelen wordt jaarlijks per 31 december rente berekend en aan de reserve ISV toegevoegd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie en subsidieplafond</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De hoogte van de subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing bestaat uit: een door Gedeputeerde Staten te bepalen deel van de in het vierde lid van artikel 5.5. bedoelde middelen en voor programmagemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen; voor projectgemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het subsidieplafond voor programmagemeenten bestaat uit het bedrag dat op basis van artikel 5.11, eerste lid, sub a en b, voor deze gemeente beschikbaar is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het jaarlijkse subsidieplafond voor projectgemeenten bestaat uit één vijfde deel van het in overeenstemming met het in het eerste lid, sub a en c, berekende beschikbare bedrag.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed</h3>\n<p class=\"lf-p\">98[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal. Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed. Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">99[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij? In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord. Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen: 1inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis; 2het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; 3een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; 4tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed. ] Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria: a. de activiteit draagt bij aan één of meer doelstellingen van het provinciale stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; 100[Toelichting: De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn: • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; • innovatieve ontwikkelingen stimuleren. Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen’ van agrarisch en industrieel erfgoed.] b. de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf; c. de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het reconstructieplan Salland-Twente; 101[Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie.] d. bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest); e. ontwerpende partijen dienen te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit. 102[Toelichting: Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur, een stedenbouwkundige of een landschapsarchitect.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed, met een maximum van € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">103[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten. Voordat u het aanvraagformulier inlevert, is het raadzaam te overleggen met een van de medewerkers van het programmateam. ] 1. Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan het programmateam, dat binnen acht weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten 2. Het programmateam is samengesteld uit één of enkele deskundigen op het gebied van cultuurhistorie, architectuur en landschap, de programmaleider en een beleidsmedewerker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">104 [Toelichting: De werkzaamheden voor het transformatieplan moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart.] 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">105[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over: - maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie;- en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">106[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband. Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor niet-infrastructele projecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd. ] 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten in West-Overijssel kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: het project past in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Overijssel; het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; het project is uitvoeringsgereed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 25.000,-- moeten bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">107[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking. De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties waar in een aaneengesloten periode van 3 jaren zes of meer letselongevallen zijn gebeurd. Als basis wordt gehanteerd de meest recente periodiek door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid (ROVO) en de provincie gezamenlijk uitgegeven lijst van Verkeersongevallenconcentraties Overijssel. ] 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt: ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten; ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn: verwerving (voorzover direct voor het project nodig);</div>\n<p class=\"lf-p\">50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering; werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting; bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt: kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend; voorbereiding en administratie; vervanging van kabels/leidingen/riolering; directievoering en toezicht; kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten; vervanging en beheer en onderhoud.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">108 [Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.] 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten, welke betrekking hebben op het kalenderjaar 2007, ingediend voor 15 november 2006.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde indieningstermijnen en daarbij aangeven of voor die projecten een aanvraag moet worden ingediend en op welke wijze.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">109 [Toelichting: De in artikel 5.14 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.] In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Accountantsverklaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">110 [Toelichting: De Wet BDU verplicht de provincie om over de besteding van de BDU-middelen verantwoording af te leggen en deze te voorzien van een verklaring van een accountant. Op basis van het controleprotocol opgenomen in Bijlage II behorende bij artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer dient de controle zowel de getrouwe weergave van de financiële verantwoording alsmede de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde bijdrage te omvatten.] 1. Artikel 1.20. is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.20., vierde lid, betreft de accountantsverklaring eveneens de rechtmatige besteding van het beschikbaar gestelde subsidiebedrag.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Bouwimpuls Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">111 [Toelichting: Om een snellere uitbreiding van de woningvoorraad in Overijssel te realiseren, in het bijzonder voor starters en ouderen, is naast de bestaande geldstromen extra geld beschikbaar gesteld. Bestaande geldstromen zijn niet altijd voldoende om woningbouwprojecten exploitabel te maken, door bijvoorbeeld hoge kosten bij bodemsanering en bij complexe binnenstedelijke problematiek.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gemeenten, woningbouwcorporaties, projectontwikkelaars en privaatrechterlijke rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het doen van onderzoek of het ontwikkelen van plannen ter voorbereiding van woningbouwprojecten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: het moet gaan om een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw; het project moet aansluiten bij het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk en woonbeleid; het project moet aansluiten bij een of meer speerpunten van het provinciaal woonbeleid zoals omschreven in het Onderhandelingsakkoord provincie Overijssel 2003-2007 ‘Ruimte voor actie’.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">112[Toelichting: Het al dan niet subsidiabel zijn van kosten wordt bepaald op basis van Verordening 448/2004 van de Europese Commissie van 10 maart 2004. Hiervoor zijn de volgende algemene richtlijnen van toepassing: 1. subsidiabel zijn uitsluitend als zodanig goedgekeurde en rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten; 2. alleen kosten die (vooraf) in de begroting van het project zijn opgenomen zijn subsidiabel (mits ze voldoen aan de overige subsidiabiliteitscriteria); 3. de kosten dienen redelijk te zijn en in overeenstemming met beginselen van gezond financieel beheer; 4. de kosten moeten zijn gemaakt binnen de looptijd van het project; 5. de kosten moeten daadwerkelijk zijn gemaakt, in de boekhouding te zijn vastgelegd en moeten met bewijzen identificeerbaar en controleerbaar zijn; 6. ontvangsten of inkomsten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een project worden in mindering gebracht van de subsidiabele kosten; 7. BTW is slechts subsidiabel wanneer - zo nodig door middel van een verklaring van de Belastinginspectie - aantoonbaar is dat de BTW niet verrekenbaar is. ] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van het subsidiabele exploitatietekort met een maximum van € 500.000,-- per project.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20., tweede lid, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per project.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.13. wordt een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.25., eerste lid, ingediend voor 1 maart en 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de uitvoering van het project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.13. kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.25., tweede lid, gedurende het gehele jaar worden ingediend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens: a. het projectplan met daarin een beschrijving van de eigendomssituatie; b. exploitatierekening, inclusief een dekkingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, die voldoen aan de daar genoemde criteria in een prioriteitsvolgorde op basis van een afweging op de volgende aspecten: voorkeur voor bouwprojecten op de provinciale Aanjaaglijst Stimulering Woningbouwproductie; voorkeur voor inbreidingsprojecten boven uitbreidingsprojecten; voorkeur voor bouwprojecten met een groter aantal woningen; voorkeur voor bouwprojecten met (innovatieve) toepassingen van duurzaam bouwen (inclusief duurzaam energiegebruik).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De uitvoering van een bouwproject als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, start uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie als bedoeld in artikel 5.20., tweede lid, is het onderzoek afgerond of het plan ontwikkeld.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen</h3>\n<p class=\"lf-p\">113[Toelichting: Op 3 oktober 2005 heeft het Rijk ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio's een nieuw Besluit locatiegebonden subsidies 2005 (BLS) vastgesteld. Het belangrijkste doel van dit besluit is het terugdringen van het woningtekort in Nederland tot 1,5% in 2010. Ter uitvoering hiervan heeft het Rijk met de provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen woningbouwafspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen) en zijn het vervolg op het BLS uit 1995 (Vinex-afspraken). De provincie Overijssel verdeelt als budgethouder via de Bijzondere bepalingen Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen het geld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van de behaalde resultaten. De bijzondere bepalingen treden met terugwerkende kracht in werking tot en met 1 januari 2005 in verband met de aanvang van het tijdvak van het BLS op die datum. De bijzondere bepalingen gelden uitsluitend voor de gemeenten Zwolle en Kampen. De gegevens over de gebouwde woningen in deze gemeenten worden ontleend aan de woningstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn opgesteld. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. BLS: Besluit locatiegebonden subsidies; b. Convenant: Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen); c. Contractperiode: 2005 t/m 2009; d. Primos-prognose 2003: Prognose-, informatie- en monitoringssysteem 2003, ABF research, Delft, november 2003.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Criterium</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verdelen de van het Rijk ontvangen subsidiebedragen ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over de Stedelijke regio Zwolle-Kampen op basis van de Primos-prognose 2003: de gemeente Zwolle: 76,7%; de gemeente Kampen: 23,3%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien door de toevoeging aan de woningvoorraad door eigenbouw hoger is dan het drempelaantal als genoemd in het Convenant ontvangt de provincie middelen van het Rijk. Deze middelen zullen worden verdeeld naar rato van het aandeel van Zwolle en Kampen van de realisatie van de in eigenbouw gerealiseerde woningen in overeenstemming met de eisen genoemd in artikel 6 van het BLS.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening en voorschotverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verlenen de bijdragen aan de gemeenten, met inachtneming van de betalingsregeling van het Rijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorschotverlening door Gedeputeerde Staten vindt in afwijking van artikel 1.17. jaarlijks plaats na voorschotverlening van het Rijk conform de tot dan toe gebouwde woningen in overeenstemming met de eisen als genoemd in hoofdstuk 5 van het BLS. 114[Toelichting: Voor lid 2 geldt dat het voorschot van de provincie is gemaximaliseerd aan het betalingsritme van het Rijk aan de provincie Overijssel.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">115 [Toelichting: Het Rijk stelt de subsidie van de provincie Overijssel vast over de toevoegingen aan de woningvoorraad in het gehele grondgebied. Dit betekent dat het Rijk de provincie Overijssel niet afrekent op basis van prestaties per gemeente, maar op basis van prestaties over het gehele grondgebied.] 1. Uiterlijk voor 15 maart 2010 dient een eindrapport te worden ingediend over de in het tijdvak gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad en gerealiseerde eigenbouw. 116[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 2. Uiterlijk 15 maart 2011 dient een aanvullend eindrapport te worden ingediend over de toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, als bedoeld in artikel 14 BLS, en het realiseren van eigenbouw, als bedoeld in artikel 15 BLS. 117[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 3. Het eindrapport en het aanvullende eindrapport gaan vergezeld van een accountantsverklaring conform de eisen als genoemd in artikel 1.19. van dit besluit en artikel 16, lid 3 BLS.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van artikel 1.18. en 1.22. stellen Gedeputeerde Staten na afloop van de convenantperiode de subsidie vast met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 7 en 13 BLS en het Convenant. 118[Toelichting: Voor lid 4 geldt dat de subsidie conform artikel 13 BLS lager kan worden vastgesteld indien: a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor zij is verleend; b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen; d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.] 5. Indien de subsidie van een van de gemeenten lager wordt vastgesteld en over het grondgebied wordt voldaan aan de prestaties als genoemd in het BLS en het Convenant, dan worden de overgebleven middelen herverdeeld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van het aandeel van de gerealiseerde woningen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Water en Bodem</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Stimulering bodemonderzoek</h3>\n<p class=\"lf-p\">119[Toelichting: Met de subsidie Stimulering bodemonderzoek wordt beoogd dat derden (meer) initiatieven zullen ontplooien om bodemonderzoeken uit te voeren waardoor stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen op onder meer ruimtelijk, infrastructureel en economisch gebied wordt weggenomen of voorkomen. De subsidie Stimulering bodemonderzoek is onder andere bedoeld voor bedrijven, overheden, organisaties, maar ook particulieren die met bodemverontreiniging te maken hebben en waarbij het onderzoek naar bodemverontreiniging een bijdrage kan leveren om een maatschappelijk knelpunt op te heffen. Het kan daarbij gaan om verontreiniging van zowel landbodems als waterbodems. Het doel van de subsidie is: “Het in het belang van het milieu stimuleren van initiatieven die leiden tot het doen van bodemonderzoek waardoor stagnatie van door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkelingen wordt voorkomen of opgeheven.” Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie stimulering bodemonderzoek moet voldoen aan de volgende criterium: het betreft een bodemonderzoek op een locatie waar de provincie Overijssel bevoegd gezag is op grond van de Wet bodembescherming en waar de bodemverontreiniging de door het provinciaal bestuur gewenste ontwikkelingen belet of belemmert.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder bodemonderzoek wordt verstaan: oriënterend bodemonderzoek, nader bodemonderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van een saneringsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">120[Toelichting: De regeling is bedoeld voor projecten waar de initiatiefnemers zelf een belangrijk deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening nemen. Voor dat deel van de kosten dat niet door de initiatiefnemers wordt opgebracht, kan een beroep op deze subsidie worden gedaan. Onder project wordt verstaan: een onderzoeksproject van een bodemverontreiniging die in overwegende mate is veroorzaakt voor 1987. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de subsidiabele kosten van het bodemonderzoek. In de verleningsbeschikking zal het maximaal uit te keren bedrag worden vermeld. Vaststelling vindt achteraf plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten. Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, zal de subsidie hierop lager worden vastgesteld overeenkomstig het vastgestelde percentage van de kosten. Tot de kosten van een onderzoeksproject worden gerekend: 1de kosten van uitvoeren van een oriënterend onderzoek; 2de kosten van uitvoeren van een nader onderzoek; 3de kosten van uitvoeren van een saneringsonderzoek; 4de kosten van het opstellen van een saneringsplan. ] Tot de kosten van een onderzoeksproject worden niet gerekend de interne kosten van de opdrachtgever.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de werkelijk gemaakte projectkosten, zulks met een maximum van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als werkelijk gemaakte projectkosten worden aangemerkt de na verlening van de subsidie door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde externe kosten, voor zover deze rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">121 [Toelichting: Ingediende aanvragen worden, na het verstrijken van de sluitingsdatum voor indiening, door een ambtelijke beoordelingscommissie in behandeling genomen. Gedeputeerde Staten beslissen welke projecten subsidie ontvangen.] In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag jaarlijks worden ingediend in de perioden 1 januari tot en met 30 april, 1 mei tot en met 31 augustus alsmede in de periode 1 september tot en met 31 december.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">122 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld. Bij de aanvraag dient een goede beschrijving van het project te worden gegeven. Deze beschrijving is nodig voor het beoordelen en het rangschikken van de subsidieaanvragen. Gegevens over historie en bodemonderzoek maken deel uit van de beschrijving. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de ontwikkeling die tengevolge van de bodemverontreiniging wordt belet of belemmerd.] 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag tevens alle door Gedeputeerde Staten verlangde onderzoeksgegevens, het belang van het bodemonderzoek in maatschappelijke zin en een planning van het bodemonderzoek.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.14 hoeft de aanvrager bij de aanvraag geen statuten te overleggen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">123[Toelichting: Jaarlijks wordt bij de provinciale begroting het voor deze subsidie beschikbare subsidieplafond vastgesteld. Het bedrag wordt door Gedeputeerde Staten verdeeld over het aantal voor het betreffende jaar vastgestelde perioden. Bij het niet volledig benutten van het budget van een periode kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het budget van een volgende periode. De omvang hiervan kan pas na sluiting van een periode worden vastgesteld. Omdat bij sluiting van de ene periode direct een volgende periode begint, wordt het resterende bedrag niet aan deze direct volgende maar aan de hierop volgende periode toegevoegd. Bij het overhevelen van het budget wordt dus een periode overgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan voor het openen van deze periode worden bekendgemaakt hoeveel geld voor de aanvragen beschikbaar is. Per periode kunnen Gedeputeerde Staten een thema of een projecttype vaststellen waarbinnen de in te dienen projecten moeten passen. Onder projecttype wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld type van project waarop het project gericht moet zijn. Onder projectthema wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleidsthema waarop het project gericht moet zijn. Deze thema's of projecttypen worden ontleend aan een (onderdeel van een) beleidsplan. Ingediende projecten zullen worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan het thema of projecttype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten die niet voldoen aan het thema of het projecttype komen slechts voor subsidie in aanmerking indien na de prioriteitsvolgorde nog middelen beschikbaar zijn. ] 1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het als subsidieplafond vastgestelde budget wordt gelijkelijk verdeeld over de drie in artikel 6.3 bedoelde perioden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Ingeval het beschikbare budget voor enige periode niet wordt uitgeput, wordt het resterende deel overgeheveld naar een volgende periode, ook als deze valt in een ander kalenderjaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen per periode zoals bedoeld in artikel 6.3 projecttypen vaststellen. Projecten die overeenstemmen met de vastgestelde projecttypen, komen bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen met voorrang in de bepaalde prioriteitsvolgorde voor subsidie in aanmerking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen per periode een thema vaststellen. Bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen komen uitsluitend projecten voor subsidie in aanmerking die passen binnen het vastgestelde thema.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Gedeputeerde Staten maken het voor een periode geldend thema of de prioriteitsvolgorde voor projecttypen drie maanden voor de aanvang van de betreffende periode bekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42 Awb.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten: a. het milieuhygiënische voordeel dat met het project kan worden behaald; 124[Toelichting: Wanneer er naar aanleiding van historie een ernstig vermoeden van bodemverontreiniging bestaat kan op basis van onderzoek beoordeeld worden wat de milieuhygiënische situatie is en of er een noodzaak bestaat tot het saneren van de bodem waardoor verontreinigende stoffen uit de bodem worden verwijderd of in de bodem geïsoleerd. Hiermee worden risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem weggenomen (risicoreductie);] b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan de maatschappelijke ontwikkelingen die het provinciaal bestuur, onder meer blijkens provinciale beleidsplannen, wenst te stimuleren; 125[Toelichting: De onderzoeken waar de subsidie voor wordt verleend, worden uitgevoerd om een door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het belang van deze maatschappelijke ontwikkeling dient door de aanvrager voor elk project duidelijk te worden aangegeven. Het belang van de maatschappelijke ontwikkeling zal worden getoetst aan het provinciale beleid. Naarmate een project meer aansluit bij door de provincie gewenste ontwikkelingen, zal het op een hogere plaats gerangschikt worden;] c. de hoogte van de eigen bijdrage (percentueel) van de deelnemer(s) aan het project; 126[Toelichting: De initiatiefnemers dragen zelf een groot deel van de onderzoekskosten. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,--. Naarmate de initiatiefnemers om een (percentueel) kleinere bijdrage vragen, zal het project hoger scoren bij de rangschikking van het project. Het spreekt voor zich dat de noodzaak van de (omvang van de) bijdrage bij de aanvraag goed onderbouwd moet worden;] d. de kwaliteit van (de onderbouwing van) het projectvoorstel; 127[Toelichting: Naarmate een projectvoorstel een hogere kwaliteit heeft, is de kans op tegenvallers en een uiteindelijk teleurstellend resultaat kleiner. Het provinciaal bestuur wil juist een bijdrage leveren aan veelbelovende projecten met een uitstralend effect. Bovendien moet ook achteraf blijken dat de middelen goed zijn besteed. Bij deze beoordeling wordt uiteraard de kwaliteit van het bodemonderzoek en het saneringsplan betrokken. Dit komt mede tot uiting in het toepassen van de diverse protocollen voor onderzoek en het toepassen van een juiste risicobeoordeling (NEN 5740, NVN 5725, protocol nader onderzoek, SUS). Op basis van het uitgevoerde onderzoek/risicobeoordeling moeten Gedeputeerde Staten een besluit kunnen nemen over ernst en spoedeisendheid van de verontreiniging of kunnen beoordelen of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Daarnaast is het van belang dat de initiatiefnemers kunnen laten zien dat ze op een doortastende wijze het project oppakken. De creativiteit kan tot uiting komen bij het betrekken van zoveel mogelijk financiers bij een project maar ook bij het opstellen van een saneringsplan;]</p>\n<p class=\"lf-p\">e. de financiële onderbouwing van het projectvoorstel; 128[Toelichting: Het moet bij indiening van een projectvoorstel vast staan dat de eigen bijdrage van initia-tiefnemers werkelijk beschikbaar is. De eindafrekening vindt plaats op basis van gemaakte kosten waarbij de vastgestelde subsidie geldt als de maximale bijdrage. Gedeputeerde Staten houden rekening met andere subsidies. Dit om te voorkomen dat er strijd met het EG-verdrag (staatssteun) optreedt.] f. de mate waarin de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">129 [Toelichting: Het uitvoeren van het onderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van het saneringsplan moet binnen een jaar worden afgerond. Op gemotiveerd verzoek kan de termijn van een jaar worden verlengd met een jaar.] 1. De subsidieontvanger dient binnen een jaar na verlening van de subsidie de werkzaamheden te hebben afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Binnen een jaar na verlening van de subsidie kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger met een jaar worden verlengd. Dit verzoek dient de redenen aan te geven waarom de gestelde afrondingstermijn van het project niet wordt gehaald.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">130 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Water</h3>\n<p class=\"lf-p\">131[Toelichting: Provinciale Staten hebben tussen 2004 en 2007 extra geld vrijgemaakt voor de wateropgave. De inzet van dit geld vloeit voort uit de verplichtingen die de provincies zijn aangegaan in het Nationaal Bestuursakkoord Water. Dit geld is primair bedoeld voor de uitvoering van waterprojecten in het kader van Water Beheer 21e Eeuw en de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze paragraaf dient ervoor om dit geld zo effectief mogelijk te kunnen inzetten. Dit onderdeel richt zich exclusief op de subsidiëring van activiteiten die onder één of beide van de volgende aspecten van het waterbeheer vallen: verbetering van de veerkracht van watersystemen en verbetering van de waterkwaliteit. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">132[Toelichting: De projecten/activiteiten die voor subsidieverstrekking op grond van onderhavige regeling in aanmerking komen, moeten bijdragen aan de verbetering van de veerkracht van watersystemen of van de waterkwaliteit. Het eerste richtpunt van de provinciale watermissie is: voldoende water van de juiste kwaliteit, op de juiste plek en het juiste moment. Bij waterkwaliteit gaat het om activiteiten die verband houden met de Europese Kaderrichtlijn Water. Prestaties die voor subsidie in aanmerking komen zijn: 1realisatie waterberging; 2realisatie waternood; 3afkoppelen verhard oppervlak; 4saneren overstorten; 5rendementsverbetering effluent RWZI; 6realisisatie helofytenfilter; 7beek- en rivierherstel; 8aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht. Doordat de eis wordt gesteld dat de aanvrager binnen een jaar na subsidieverlening aan het werk moet kunnen gaan, wordt voorkomen dat subsidiegelden vast komen te liggen in projecten waarvan nog onduidelijk is of de benodigde vergunningen verleend zullen worden en of de overige dekkingsmiddelen gefourneerd zullen worden. ] Subsidie kan worden aangevraagd voor prestaties die betrekking hebben op projecten of program-ma’s. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: a. de prestaties passen binnen het provinciaal zoals omschreven in het provinciaal Waterhuishoudingsplan en de nadere uitwerking daarvan. b. met de in het uitvoeringsplan opgenomen prestatie wordt uiterlijk een jaar na subsidieverlening gestart; c. voor de volgende prestaties kan subsidie verkregen worden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>realisatie waterberging;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>realisatie waternood;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>afkoppelen verhard oppervlak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>saneren overstorten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>rendementsverbetering effluent RWZI;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>realisisatie helofytenfilter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>beek- en rivierherstel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht; d. de prestaties passen binnen de beleidsdoelen en bijbehorend subsidieplafond, zoals genoemd in de provinciale programmabegroting onder het product oppervlaktewaterbeheer.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">POP-subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">133[Toelichting: Het gaat hier om middelen uit het bij Verordening (EG) nr. 1290/2005 opgerichte ELFPO, de opvolger van het landbouwfonds EOGFL. Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als beheersautoriteit voor deze ‘POP-subsidies'. Betaalautoriteit is de Dienst Landelijk Gebied. Het tweede is een precisering van artikel 6, lid 1 van de Algemene Subsidieverordening Overijssel. Daarin is bepaald dat Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de ASV en het uitvoeringsbesluit als er sprake is van medesubsidiënten. Bij samenloop met middelen uit het ELFPO zal het ‘POP-regime' van toepassing zijn. NB. Als een activiteit subsidiabel is onder het POP dan staat meteen vast dat de subsidie voldoet aan de eisen van staatssteun.] 1. In aanvulling op artikel 8.3 kunnen Gedeputeerde Staten ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 8.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt onder de ter uitvoering van bijlage II, punt 5 van de uitvoeringsverordening opgenomen voorwaarden in het plattelandsontwikkelingsprogramma. De verplichtingen zijn van toepassing op de totale subsidie voor die activiteit.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">134[Toelichting: De grondslag voor de subsidie is in beginsel de eenheidsprijs die hoort bij de prestatie. Bij de aanvraag dient een integrale kostprijsberekening te worden overlegd. Op grond daarvan kan de eenheidsprijs worden bijgesteld. De provincie wil met deze paragraaf geen reguliere activiteiten zoals onderhoud en beheer subsidiëren. Dergelijke activiteiten dienen met eigen middelen te worden gefinancierd.] 1. De provinciale subsidie wordt gebaseerd op een door de aanvrager te overleggen plan met de te leveren prestatie(s). Voor de prestaties gelden de volgende normbedragen en subsidiepercentages: tabel normbedragen en subsidiepercentagesprestatie-indicator subsidiepercentage eenheid normkosten per eenheid subsidie- percentage realisatie waterberging m3 € 4,-- 40% realisatie waternood ha € 1.500,-- 40% afkoppelen verhard oppervlak ha € 100.000,-- 25% saneren overstorten aantal € 300.000,-- 25% rendementsverbetering effluent RWZI stuks € 1.000.000,-- 50% realisatie helofytenfilter ha € 35.000 50% beek- en rivierherstel km € 122.000,-- 50% aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht aantal € 750.000,-- 50% vispassages aantal € 100.000,-- 50% 2. Geen subsidie wordt verleend voor kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten zijn aan te merken als reguliere activiteiten van de subsidieaanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag ingediend vóór 1 april danwel 15 september.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.13</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan criteria genoemd in artikel 6.9 in een prioriteitsvolgorde, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de activiteiten: uitvoeringsgereed zijn; aantoonbaar (kosten)effectief zijn; bijdragen aan meerdere doelen van het provinciaal beleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien Gedeputeerde Staten van hun bevoegdheid in het vorige lid gebruikmaken, maken zij deze criteria bekend gelijktijdig met de bekendmaking van het subsidieplafond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag zulks toestaat.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">135[Toelichting: Bij de prioriteitstelling spelen in elk geval een aantal wegingsfactoren een rol. Aanvragen krijgen voorrang indien: 1een project uitvoeringsgereed is: een project is uitvoeringsgereed indien het projectvoorstel volledig is, positieve beschikkingen zijn verleend op andere subsidieaanvragen en ook de overige financiering rond is en er voldoende zekerheid is dat tijdig (voor de start van het project) de benodigde grond is verworven, de ruimtelijke ordening de uitvoering van het project niet in de weg staat en de vereiste vergunningen zijn verleend; 2de uitvoering kosteneffectief plaatsvindt; hiermee wordt bedoeld dat projecten met een gunstiger verhouding tussen de kosten en de prestaties hoger gewaardeerd worden; 3een project bijdraagt aan het provinciaal beleid; hiermee wordt bedoeld dat integrale projecten hoger worden gewaardeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In jaarlijks vast te stellen aanvullende criteria kan worden ingespeeld op de voorkeuren of prioriteiten die er in bepaald jaar zijn voor de uitvoering van het provinciale waterbeleid. Het subsidieplafond wordt verdeeld volgens een tendersysteem. Een tendersysteem werkt als volgt: alle aanvragen moeten voor een bepaalde datum zijn ingediend. Op grond van deze verordening is dat voor 1 april, danwel als het plafond nog niet is bereikt, op 15 september. De aanvragen die aan de criteria uit deze paragraaf voldoen, worden vervolgens gelijktijdig behandeld. De beste aanvragen worden met voorrang gehonoreerd, dat wil zeggen de aanvragen die het hoogste scoren wat betreft de prioriteiten van artikel 6.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die afvallen in de tender, maar die wel voldoen aan de subsidiecriteria en de overige vereisten van de verordening, worden niet automatisch doorgeschoven naar de volgende tender. De aanvragers moeten, als zij alsnog voor subsidie in aanmerking willen komen, in het kader van een volgende tender opnieuw subsidie aanvragen. Hun aanvragen concurreren dan gewoon met de ‘nieuwe' aanvragen.] De subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien: a. het uitvoeringsplan betrekking heeft op activiteiten waartoe de aanvrager van de subsidie gehouden is bij of krachtens de wet; b. de door Gedeputeerde Staten noodzakelijk geachte kosten van het uitvoeringsplan minder bedragen dan € 10.000,--.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Besteding grondwaterheffing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.15</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. antiverdrogingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het voorkomen of tegengaan van verdroging in de landbouw- en natuurgebieden zoals aangegeven op plankaart 2 behorende bij het Waterhoudingsplan, met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet; b. waterbesparingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het verminderen van het gebruik van grondwater met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.16</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">136[Toelichting: Uit de provinciale grondwaterheffing kunnen subsidies worden verstrekt voor antiverdrogingsprojecten en waterbesparingsprojecten. Deze projecten moeten direct verband houden met het voorkomen en/of tegengaan van nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen en infiltraties. De subsidies beogen het duurzaam maken van de grondwateronttrekkingen. Bij antiverdrogingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan: 1maatregelen in de waterhuishouding om de effecten van een waterwinning te compenseren (bijvoorbeeld wateraanvoerplannen); 2maatregelen ter beperking van de waterbehoefte (bijvoorbeeld terugdringen beregening door herdimensionering van waterlopen); 3omschakeling naar een andere beplanting of gewaskeuze/landbewerking. Bij waterbesparingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan: 1omschakeling op oppervlaktewater;2beperking van het gebruik van grondwater in het productieproces (de hoeveelheid water bij gelijkblijvende productie).] 1. Waterschappen in de zin van artikel 1 Waterschapswet en vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet kunnen subsidie aanvragen voor antiverdrogingsprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid kunnen vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet eveneens subsidie aanvragen voor waterbesparingsprojecten. 137[Toelichting: In lid 2 van dit artikel zijn de criteria opgenomen. Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten die op het moment van subsidieverlening al feitelijk in uitvoering zijn of zelfs al gereed zijn. Het is verder niet de bedoeling subsidie te verlenen voor activiteiten, die conform de vergunningsvoorschriften al verplicht zijn. Ook is het niet de bedoeling om projecten te subsidiëren die bijdragen aan de bestrijding van de verdroging in de door Gedeputeerde Staten vast te stellen TOP-lijst met gebieden waar de aanpak van verdroging prioriteit heeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiering van antiverdrogingsmaatregelen in deze TOP-lijstgebieden vindt plaats binnen hoofdstuk 8 van dit uitvoeringsbesluit. Ook kan afwijzend worden beslist op grond van artikel 4:35 van de wet. Afwijzing op grond van dit artikel is mogelijk indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden, dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen, indien de aanvrager onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en dat geleid zou hebben tot een onjuiste beschikking, of indien de aanvrager failliet is verklaard of surséance van betaling aan hem is verleend dan wel een verzoek daartoe is ingediend.] 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: voor zover het een waterbesparingsproject betreft: de genomen maatregelen leiden tot een vermindering, anders dan de normale zorgplicht, van het gebruik van grondwater van ten minste 20% ten opzichte van de bestaande situatie; voor zover het een antiverdrogingsproject betreft: geen subsidie kan worden verstrekt voor projecten die bijdragen aan de bestrijding van de verdroging in de door Gedeputeerde Staten vast te stellen TOP-lijst met gebieden waar de verdrogingsbestrijding prioriteit heeft; de maatregel is niet verplicht op grond van voorschriften verbonden aan een vergunning op grond van artikel 14 Grondwaterwet; het project is in overeenstemming met het vigerende provinciale Waterhuishoudingsplan; het project is ten tijde van het moment van subsidieverlening niet uitgevoerd of niet in uitvoering genomen; de aanvrager financiert minimaal 37,5% van de projectkosten uit eigen middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.17</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">138[Toelichting: De subsidie wordt berekend als percentage van de projectkosten, maar bedraagt niet meer dan het genoemde maximum. Voor waterbesparingsprojecten is het subsidiepercentage afhankelijk gesteld van de mate van vermindering van het grondwatergebruik. Aangetoond moet kunnen worden dat de vermindering van het gebruik van grondwater het gevolg is van het waterbesparingsproject. Dit impliceert dat een vermindering van het gebruik van grondwater in verband met het in acht nemen van de normale zorgplicht niet meegenomen kan worden bij de bepaling van de mate van vermindering in verband met de hoogte van het subsidiepercentage. Onder de normale zorgplicht wordt in ieder geval verstaan een goed beheer en onderhoud, het voorkomen van lekkages etcetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de vermindering van het grondwatergebruik wordt als uitgangspunt genomen, de hoeveelheid onttrokken grondwater in de oorspronkelijke situatie, dus voordat het waterbesparingsproject is uitgevoerd (zie in dit verband ook artikel 2.1, lid 2, onder b). De kosten die in aanmerking worden genomen worden limitatief opgesomd. Voor de berekening van de loonkosten van de subsidieontvanger wordt een forfaitair bedrag per uur gehanteerd. Van de aanvrager wordt een eigen bijdrage verwacht van 37,5% van de projectkosten. Het totaal aan subsidies zal niet meer dan 62,5% bedragen dan de totale kosten van de activiteit. In sommige gevallen bevatten andere bijdrageregelingen ook nog anticumulatiebepalingen, die strakker zijn dan onderhavige verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval is de andere regeling in deze bepalend.] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, bedraagt 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 500.000,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 6.15, tweede lid, bedraagt voor een waterbesparingsproject waarbij ten opzichte van de bestaande situatie: het gebruik van grondwater met 20% tot 30% wordt verminderd; 30% van de projectkosten, tot een maximum van € 30.000,--; het gebruik van grondwater met 30% of meer wordt verminderd: 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 40.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten: kosten van uitvoering van het project in eigen beheer door de aanvrager, waarbij voor de loonkosten van het betrokken personeel wordt uitgegaan van een vast bedrag van € 50,-- per uur; kosten van uitvoering van het project indien de uitvoering is uitbesteed; kosten van de evaluatie van het project; kosten van onderzoek ter voorbereiding van het project voorzover deze kosten zijn gemaakt door een derde en bij de aanvrager in rekening zijn gebracht; grondverwervingskosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Projectkosten als bedoeld in het derde lid, onder a tot en met c, worden in aanmerking genomen indien deze zijn gemaakt en betaald na verlening van de subsidie. De kosten bedoeld in het derde lid, onder d en e, zijn subsidiabel voor zover deze kosten zijn gemaakt maximaal vijf jaar voor indiening van de subsidieaanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Tot projectkosten worden niet gerekend: voorbereidingskosten anders dan genoemd in het voorgaande lid; beheers- en onderhoudskosten; de schadevergoeding die vergunninghouder op grond van artikel 35 Grondwaterwet verschuldigd is; door de aanvrager verrekenbare BTW.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.18</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">139[Toelichting: Dit artikel geeft een voorschrift over de wijze van verdeling van het subsidieplafond. Die komt neer op ‘wie het eerst komt, het eerst maalt'. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten, beginnend met de eerste aanvraag, subsidies verlenen tot het plafond is bereikt en dat zij aanvragen afwijzen voor zover het plafond door het totaal van de verleende subsidies zou worden overschreden. Daarbij is het moment van indiening van een aanvraag, die aan de wettelijke voorschriften voldoet, bepalend. Het betreft hier niet een regel over de volgorde van het nemen van besluiten. Het is zeer wel mogelijk om op een latere aanvraag eerder te beslissen dan op een eerdere, als toewijzing van de aanvraag maar niet tot gevolg heeft dat op de eerdere aanvraag afwijzend moet worden beschikt, omdat door subsidieverlening op latere aanvragen het plafond is bereikt. Dreigt dit te gebeuren, dan zal behandeling van de latere aanvraag worden opgeschort, totdat op de eerdere is beslist. Indien daardoor de beslistermijn dreigt te worden overschreden, zal de aanvrager daarvan in kennis worden gesteld.] In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">140 [Toelichting: Er wordt slechts subsidie verleend voor de kosten van activiteiten die passen binnen het uitvoeringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma staan de activiteiten die voor subsidiëring in aanmerking komen opgenomen.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 en de begroting van het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">141 [Toelichting: Dit artikel geeft aan welke kosten niet subsidiabel zijn en dus niet in de begroting mogen worden opgenomen. Wanneer dit wel het geval is dan worden ze als niet subsidiabel beschouwd en wordt er geen subsidie voor verleend.] In aanvulling op artikel 1.6 zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">142 [Toelichting: Aanvragen dienen voor de start van het project ingediend te zijn. Indien de aanvrager besluit eerder te starten met het project zonder het afwachten van de subsidiebeschikking, dan is dat geheel op eigen (financiële) risico van de aanvrager. Het aanvragen van subsidie betekent niet automatisch dat de aanvrager de subsidie krijgt, maar dat de subsidie ook geweigerd kan worden. Indien men geen (financiële) risico wil lopen zullen aanvragers moeten wachten met het starten van het project totdat ze een beschikking tot subsidieverlening hebben ontvangen. Geadviseerd wordt om een subsidieaanvraag tijdig in te dienen, de behandeltijd van een volledig ingediende aanvraag beslaat maximaal 13 weken.] a. In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie worden ingediend vanaf 1 oktober voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft en vervolgens gedurende het hele subsidietijdvak, tenzij elders anders is bepaald. b. In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag om prestatiesubsidie voor de start van het project ingediend, tenzij elders anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn verlening prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten in het geval dat advies moet worden gevraagd op een aanvraag binnen dertien weken nadat het advies is ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4a</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in dit hoofdstuk niet een besluit tot subsidieverlening vooraf, mits het subsidiebedrag maximaal € 15.000,-- bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">143 [Toelichting: Om tot een tijdige start van de uit te voeren activiteiten te komen is in dit artikel geregeld dat binnen 6 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie de gesubsidieerde activiteiten inderdaad moeten zijn gestart. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden.] Activiteiten starten binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend, tenzij elders anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">144 [Toelichting: Dit artikel geldt in aanvulling op de algemeen geldende regels voor per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie zijn onder meer ook te vinden in hoofdstuk 1 van het Uitvoeringsbesluit Overijssel 2005.] Gedeputeerde Staten kunnen een organisatie voor het boekjaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft een prestatiesubsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het behalen van de in de nota Sociale Actie en in de begroting geformuleerde provinciale doelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft uiterlijk 1 oktober voorafgaande aan dat boekjaar worden ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Culturele ontwikkeling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jonge makers: dit zijn kunstenaars die niet langer dan 5 jaar geleden zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten. Degenen die niet zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten hebben een aantoonbaar vergelijkbare kwaliteit en zijn niet ouder dan 35 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Amateurkunstenaars: kunstenaars die hun kunst beoefenen zonder daarmee primair in hun levensonderhoud te willen voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artistieke kwaliteit: de artistiek-inhoudelijke waarde van een culturele activiteit gevormd door vakmanschap, authenticiteit, zeggingskracht, verbeelding, ideeënrijkom, overtuigingskracht, professionaliteit en ethetiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke ontwikkelingsplannen: nieuwe of andere invulling van ruimte binnen een gemeente (voorbeelden: nieuwe woonwijk, winkelcentrum, bedrijventerrein, park).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan de volgende doelstelling(en):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Versterken van de beoefening van de amateurkunsten door:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>kwaliteitsverbetering danwel professionalisering binnen de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub a);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>vergroten publieksbereik van de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub b);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>verhoging van de samenhang en de spreiding van de amateurkunst en semiprofessionele kunst in alle cultuursectoren buiten de grote steden in Overijssel (artikel 7.10, eerste lid, sub b).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Vernieuwing in de cultuur in Overijssel stimuleren (artikel 7.10, eerste lid, sub c).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bevorderen van de integratie van beeldende kunst in de ruimtelijke ontwikkelingsplannen van gemeenten (niet zijnde de 5 grote steden) in Overijssel (artikel 7.10, eerste lid, sub d).</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">145[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.] 1. Subsidieaanvragen voor culturele ontwikkeling voldoen in aanvulling op artikel 7.1 aan de volgende criteria: amateurkunst: samenwerking met professionele instellingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van samenwerking tussen amateurkunstinstelling(en) en professionele instelling(en);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon. amateurkunst: vitaal platteland:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in het project of de activiteit werken verschillende disciplines samen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het project of de activiteit wordt op minimaal twee locaties voor publiek uitgevoerd en/of gedurende meerdere dagen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon; jonge makers:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van samenwerking met afnemers en/of met een bestaande culturele instelling (voor productie en afzet);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvrager is een jonge maker;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de provinciale bijdrage is ten hoogste 50% van de begrote kosten met een maximum van € 15.000,--; beeldende kunst:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag komt van een Overijsselse gemeente, met uitzondering van de 5 grote Overijsselse gemeenten (Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, Zwolle);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag richt zich op het van de start af aan integreren van beeldende kunst in een gemeentelijk ruimtelijke ontwikkelingsplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de gemeente maakt hierbij gebruik van de deskundigheid die aanwezig is bij steuninstellingen in de provincie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid vindt de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsn in de provincie Overijssel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">146[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen culturele ontwikkeling inwinnen bij de adviescommissie cultuur.] 1. Over de artistiek-kwalitatieve aspecten van subsidieaanvragen culturele ontwikkeling kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een advies inwinnen bij de commissie van deskundigen voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, sub a tot en met c, waarvan de gevraagde subsidie meer dan € 15.000,-- bedraagt.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Cultuurbereik</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">147[Toelichting: De provincie wil activiteiten ondersteunen die op een bijzondere manier een breed of nieuw publiek bereiken. Van een nieuw publiek is sprake als het beoogde publiek nog niet of nauwelijks bekend is met de cultuuruitingen die worden aangeboden. Een breed publiek is een divers samengesteld publiek, waaronder zich ook nieuw publiek bevindt. Een breed publiek is dus méér dan een goot publiek. Het is belangrijk dat de aanvrager goed weet welke publieksgroepen hij/zij wil bereiken en welk deel daarvan nieuwe publiek is. De manier waarop het publiek wordt getrokken, moet ongebruikelijk en verrassend zijn en nieuwe inzichten opleveren over de relatie tussen cultuur en (potentieel) publiek.] Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan één van de volgende doelstelling(en):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>meer Overijsselaars nemen kennis van cultuur van goede kwaliteit en hebben de intentie om meer aan kunst en cultuur deel te nemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>culturele instellingen werken doelgroepgericht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de culturele projecten die worden gesubsidieerd vanuit cultuurbereik worden verankerd in het beleid van de instelling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>culturele instellingen professionaliseren en de projecten worden sterker;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>onderwijsinstellingen hebben nagedacht over hoe ze hun leerlingen kennis willen laten maken met kunst en cultuur van goede kwaliteit en dit in hun leerplan verwoord;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>leerlingen komen tijdens hun gehele schoolloopbaan meer in contact met kunst en cultuur van goede kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>gemeenten zijn meer verantwoordelijk voor het cultuurbereik en cultuurbeleid binnen hun grenzen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">148[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen. Voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle gelden aanvullende criteria. Er moet aantoonbaar worden voorzien in cofinanciering door bijvoorbeeld een begrotingsdocument, schriftelijke toezegging door B&amp;W, collegebesluit of raadsbesluit. Aan de hoogte van de gemeentelijke cofinanciering worden geen eisen gesteld. Echter de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente.] 1. Rechtspersonen kunnen een subsidie Cultuurbereik aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: er is sprake van een bijzondere manier waarop een breed of nieuw publiek wordt bereikt; de methode van publieksbereik wordt beschreven; er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle voldoet in aanvulling op het eerste lid tevens aan de volgende criteria: er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering door de betrokken gemeente; de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente;</div>\n<p class=\"lf-p\">De opzet/methodiek van de projecten is overdraagbaar naar accommodaties/initiatieven buiten de drie steden. De overdracht wordt al in de projectaanvraag gegarandeerd óf de projecten vinden ook buiten de betreffende stad plaats.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij meerjarige subsidies voor bewezen projecten toetsen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidieaanvraag, naast de in het eerste en tweede lid genoemde criteria, ook aan de mate waarin het project gedurende de looptijd geïntegreerd wordt in de werkwijze van de instelling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid vindt de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaats in de provincie Overijssel en de opzet/methodiek van het project is nieuw voor de aanvrager.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De gevraagde subsidie bedraagt minimaal € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14a</span><span class=\"lf-art-t\">Publieksbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder publieksbereik wordt verstaan het inzetten van voor de aanvrager nieuwe methode(n) gekoppeld aan specifieke geselecteerde doelgroepen, waardoor nieuwe inzichten kunnen worden afgeleid over de samenhang tussen deze methode(n) en doelgroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">149[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen cultuurbereik inwinnen bij de adviescommissie cultuur.] 1. Over de artistiek-kwalitatieve en publieksbereikaspecten van subsidieaanvragen Cultuurbereik kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een advies inwinnen bij de commissie van deskundigen voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.14, eerste en tweede lid.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Kunst- en erfgoededucatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.16</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Onder kunst- en erfgoededucatie wordt verstaan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het aanleren van vaardigheden om kennis te kunnen nemen van en waardering te ontwikkelen voor kunst en erfgoed;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het actief deelnemen aan cultuur;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het ontwikkelen van talent. b. Kunsteducatie: alle vormen van educatie waarbij kunst als doel of als middel worden gebruikt. c. Erfgoededucatie: onderwijs dat erfgoed in de directe omgeving als onderwerp heeft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.17</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">150[Toelichting: De provincie Overijssel vindt het belangrijk dat er een ruim en evenwichtig aanbod is in kunst- en erfgoededucatieve projecten, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie. Omdat wij constateren dat het cultuureducatieve aanbod waar scholen nu uit kunnen kiezen niet evenwichtig is opgebouwd. Daarom moedigen wij aan projecten in te dienen die betrekking hebben op de volgende aandachtsvelden: 1projecten die door Overijsselse producenten zijn ontwikkeld; 2projecten die gericht zijn op film, media en literatuur; 3projecten die gericht zijn op het VMBO en speciaal onderwijs; 4projecten die doelgroepen in het landelijke gebied bereiken;5projecten met een groot bereik of afzet.] Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan een ruimer en meer evenwichtig aanbod in kunst- en erfgoededucatie, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-718\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.18</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsteducatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: de aanvraag is gedaan door een culturele instelling en een school; er is sprake van voldoende inhoudelijke en artistieke kwaliteit; na afloop van de subsidieperiode wordt het project opgenomen in het reguliere programma van de school en/of culturele instelling; de resultaten zijn aantoonbaar overdraagbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsterfgoededucatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: de aanvraag is gedaan door een erfgoedinstelling en een school; het project maakt gebruik van het erfgoed in de eigen omgeving; er is in het format sprake van voldoende inhoudelijke en didactische kwaliteit; na afloop van de subsidieperiode wordt het project opgenomen in het reguliere programma van de school en/of erfgoedinstelling; het format is aantoonbaar overdraagbaar.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-719\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.19</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, bedraagt maximaal 75% bij aanvragen met een totaalbegroting die kleiner of gelijk is dan € 10.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, bedraagt maximaal 50% bij aanvragen met een totaalbegroting die groter is dan € 10.000,--.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Monumentenzorg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-720\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.20</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">151[Toelichting: Doel van de provincie met dit beleid is om de karakteristieke identiteit van een gebied te herstellen of te behouden. Om een substantieel effect te bereiken worden bebouwde elementen aangepakt in combinatie met groene/landschapselementen. Wanneer het groene/landschapselement al is gerealiseerd kan met een rode aanpak worden volstaan. Een en ander draagt bij aan behoud en/of ontwikkeling van de lokale /regionale identiteit. De provincie kan besluiten dit laatste onderdeel te laten vaststellen door een door haar in te schakelen commissie. Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen wenden zich tot de rechtspersonen die zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag in bij de provincie, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen individuele particuliere eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.] 1. Herstelwerkzaamheden van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan en bij historische gebouwen en erven: noodzakelijke renovatie als bijvoorbeeld herstel voegwerk (knipvoeg, snijvoeg, platvol), inboetwerk (vervangend metselwerk invoegen in bestaand), herstel oorspronkelijke kozijnindeling, herstel/vervanging houten gevelbeschieting, herstel/vervanging dakkapel, herstel/vervanging goot/gootomtimmering/windveren, herstel cultuurhistorische elementen op een erf, zoals stookhok/bakhuis/hooiberg, een en ander ter beoordeling van de Monumentenwacht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Integrale aanpak: in het project worden niet alleen de bebouwde elementen maar ook de landschappelijke elementen meegenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gebundelde aanpak: individuele particuliere aanvragen worden niet langer in behandeling genomen, wel wanneer zij onderdeel zijn van een grotere projectaanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Vooronderzoek: bureauonderzoek, het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-720a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.20a</span><span class=\"lf-art-t\">indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie op grond van deze paragraaf gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.21</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">152[Toelichting: De provincie wil in het kader van het Maltaverdrag het belang van de archeologie meer uitdragen en steunt daartoe projecten en activiteiten die tot doel hebben de bevolking te betrekken danwel kennis te laten nemen van de vondsten. Het betreft hierbij de artefacten, maar ook historisch gevormde landschappelijke overblijfselen (aardwaarden). Het resultaat is meer bewustzijn en (h)erkenning van archeologie in landschap en directe woonomgeving. Hierbij valt te denken aan het vergroten van de zichtbaarheid van archeologie bij nieuwbouwprojecten en bij ruimtelijke inrichting.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de volgende activiteiten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan en bij historische gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de uit te voeren werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>archeologisch vooronderzoek op locatie op basis van een projectplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>projecten ter verbetering van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de archeologie (inclusief aardwaarden).</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.22</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">153[Toelichting: Doel van de provincie met dit beleid is om de karakteristieke identiteit van een gebied te herstellen of te behouden. Om een substantieel effect te bereiken worden bebouwde elementen aangepakt in combinatie met groene/landschapselementen. Wanneer het groene/landschapselement al is gerealiseerd kan met een rode aanpak worden volstaan. Een en ander draagt bij aan behoud en/of ontwikkeling van de lokale /regionale identiteit. De provincie kan besluiten dit laatste onderdeel te laten vaststellen door een door haar in te schakelen commissie. Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen wenden zich tot de rechtspersonen die zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag in bij de provincie, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen individuele particuliere eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.] 1. De aanvraag voldoet aan de volgende criteria: de subsidie wordt beschikbaar gesteld voor de bebouwde elementen die deel uitmaken van een integrale aanpak; er is sprake van een gebundelde aanpak, waardoor er een substantiële bijdrage wordt geleverd aan behoud, herstel of ontwikkeling van de identiteit van het gebied; de subsidie wordt aangevraagd door de trekker van het integrale project; de werkzaamheden zijn noodzakelijk voor het behoud van objecten; de objecten dragen bij aan de karakteristieke identiteit van het gebied, een en ander ter beoordeling door een deskundig adviseur; er is in voldoende mate sprake van advisering door een deskundige organisatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieaanvraag voor advies voorleggen aan de provinciale Monumentencommissie, die binnen zes weken advies aan hen uitbrengt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.23</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid bedraagt ten hoogste 20% van de totale kosten ten behoeve van de bebouwde elementen die deel uitmaken van het integrale project met een maximum van € 50.000,--. 154[Toelichting: Subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten bijvoorbeeld € 100.000,-- bedragen kunnen voor ten hoogste 20% subsidie ontvangen. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, bedraagt in dat geval dus € 20.000,--. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, lid 2, bedraagt daarvan 10% en komt in dit voorbeeld daarom uit op € 2.000,--.] 2. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, tweede lid bedraagt ten hoogste maximaal 10% van de in het eerste lid bedoelde subsidie. 155[Toelichting: Subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten bijvoorbeeld € 100.000,-- bedragen kunnen voor ten hoogste 20% subsidie ontvangen. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, bedraagt in dat geval dus € 20.000,--. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, lid 2, bedraagt daarvan 10% en komt in dit voorbeeld daarom uit op € 2.000,--.] 3. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per projectplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, vierde lid, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van €75.000,--.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Molens</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7. Zorg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-728\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.28</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Informele zorg: zorg die onbetaald en niet beroepshalve wordt verricht: te onderscheiden in gebruikelijke zorg, mantelzorg, zelfhulp en vrijwillige zorg. b. Mantelzorg: zorg, die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen in hun familie, huishouden of sociale netwerk; het gaat om zorg die meer is dan in een persoonlijke relatie gebruikelijk is. c. Maatschappelijke opvang: opvang die gericht is op het bieden van tijdelijke huisvesting, zorgverlening, hulpverlening en begeleiding aan dak- en thuislozen. Centrumgemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het organiseren van deze opvang. d. Centrumgemeente: één van de volgende Overijsselse gemeenten Almelo, Deventer, Enschede, en Zwolle. (Dit zijn de gemeenten die op grond van artikel 20 van de Wet maatschappelijke ondersteuning van het Rijk een specifieke opdracht ontvangen ten behoeve van activiteiten op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid). e. ICT-voorzieningen: elektronische voorzieningen die informatie en communicatie bevorderen (bijvoorbeeld kringsysteem). f. Zorgpost-plus: een of meer Overijsselse huisartsenpraktijken, gekoppeld aan een andere zorgvoorziening (tandarts, apotheek, verloskundige, thuiszorg, fysiotherapie, polikliniek, zorgloket, enz.) of aan een andere welzijnsvoorziening (zoals bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte, peuteropvang, enz.). g. Woonzorgzone: een woonzorgzone is een (deel van een) wijk of dorp waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg en welzijn, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg. h. Zorgwoning: een woning in de sociale huursector die specifiek bedoeld is voor en individueel geïndiceerd/toegewezen wordt aan personen uit de volgende doelgroepen: ouderen (55+) met een zorgbehoefte, personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, personen met geestelijke gezondheidsproblematiek. Een zorgwoning is minimaal rolstoeltoegankelijk. i. Domotica: de integratie van ICT-technologie en diensten binnen de woning, met het doel betere kwaliteit van wonen van de bewoner te bevorderen door middel van meer en betere veiligheid, alarmering, comfort, en dergelijke waardoor wordt bevorderd dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen wonen. j. Woonzorgcomplex: een woonzorgcomplex is een complex zelfstandige woningen met een bouwwijze die gericht is op beschut wonen, met een complexgewijs overeengekomen zorg- en servicearrangement. De woningen voldoen aan eisen van Woonkeur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-729\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">156[Toelichting: In dit artikel wordt beschreven welke activiteiten in aanmerking komen voor een subsidie. Dit zijn: 1een goede sociale infrastructuur; voorbeelden hierbij zijn meer fysieke en organisatorische bundelingen van eerstelijnsvoorzieningen en technische innovatie; IZIT-programma; 2goede WMO-voorzieningen in de gemeenten in Overijssel, door bijvoorbeeld oondersteuning van gemeenten en het formuleren ondersteuningsaanbod; 3langer zelfstandig wonen voor ouderen, mensen met een handicap en GGZ-cliënten, door bijvoorbeeld meer aangepaste woningen met domotica;4goede participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen, goede ketenvorming care en cure en verbetering aansluiting tussen de verschillende sectoren.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die bijdragen aan één van de volgende doelen: verbetering van de sociale infrastructuur; goede WMO-voorzieningen in de gemeenten in Overijssel; langer zelfstandig wonen voor ouderen, mensen met een handicap en GGZ-cliënten; goede participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen; goede ketenvorming care en cure.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van planontwikkeling, procesbegeleiden en het realiseren van ruimtelijke voorzieningen of ICT-voorzieningen ten behoeve van de multidisciplinaire samenwerking (de Zorgpost-plus).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op: de belangenbehartiging van mantelzorgers; de realisatie van aanbod voor (jonge) mantelzorgers; de vernieuwing van het aanbod van de informele zorg gelet op de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op: de totstandkoming van woonzorgzones met aandacht voor de onderdelen wonen, zorg en welzijn; de totstandkoming, inrichting of verbreding van WMO-loketten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten, woningbouwcorporaties, zorgaanbieders, organisaties (met rechtspersoonlijkheid) van zorgvragers of hun belangenbehartigers (bijvoorbeeld ouders) voor de bekostiging van uitsluitend domotica-aanpassingen in zorgwoningen in woonzorgcomplexen of woonzorgzones die een bijdrage leveren aan het vergroten van de zelfredzaamheid waardoor mensen met een zorgbehoefte zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor het organiseren van symposia, (werk)conferenties, voorlichtingsbijeenkomsten, enz. zonder winstoogmerk gericht op activiteiten zoals benoemd in dit artikel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-729a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.29a</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie op grond van artikel 7.29, tweede lid, uiterlijk 15 november 2007 worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-730\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.30</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">157[Toelichting: Het eerste lid van dit artikel noemt de vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen. Artikel 7.30, lid 2, noemt de aanvullende criteria, hiervan moet aanvullend op het voorgaand lid aan minimaal 3 van de 5 genoemde criteria worden voldaan. Het artikel is niet van toepassing op de subsidiëring van de kosten voor het zonder winstoogmerk organiseren van symposia, (werk)conferenties, voorlichtingsbijeenkomsten, enz. gericht op activiteiten zoals benoemd in artikel 7.30, zesde lid.] 1. Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7.29, eerste tot en met vijfde lid, voldoet in aanvulling op artikel 7.1 aan de volgende criteria: er wordt een aantoonbare bijdrage geleverd aan het opheffen van knelpunten in de zorgsector in Overijssel; er is aantoonbaar voor ten minste 25% voorzien in cofinanciering; het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op de criteria genoemd in het eerste lid voldoen aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7.29, eerste tot en met vierde lid, tevens aan minimaal drie van de hieronder genoemde vijf criteria: er wordt een bijdrage geleverd aan de vergroting van de vraaggerichtheid van het zorgaanbod in Overijssel; de resultaten zijn overdraagbaar; het initiatief is aantoonbaar positief beoordeeld door de betrokken Overijsselse (centrum)gemeente; er zijn ten minste twee partijen uit de betreffende sector betrokken; vernieuwende vormen van zorg.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor een aanvraag zoals bedoeld in artikel 7.29, vijfde lid, is het bepaalde in het eerste lid, sub c, niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.31</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De in artikel 7.29, tweede lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 25.000,-- per project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in artikel 7.29, vierde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 50.000,-- per gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De in artikel 7.29, vijfde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal 50% van de totale kosten met een maximum van € 50.000,-- per domoticaproject.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De in artikel 7.29, zesde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 1.000,-- per activiteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie voor activiteiten: die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van premiegefinancierde instellingen en organisaties; die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van door het Rijk, de provincie of de gemeente gesubsidieerde instellingen en organisaties.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8. Maatschappelijke ontwikkeling</h3>\n<p class=\"lf-p\">158[Toelichting: Wij streven naar een provincie waarin iedereen meedoet. Wij willen de randvoorwaarden creëren waardoor het voor iedereen mogelijk is om te (blijven) participeren. Leerbaarheid en modern burgerschap staan daarbij centraal.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.32</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Leefbaarheid: de mate waarin de samenleving qua voorzieningen aansluit op de behoeften van de mensen die er in leven.</p></div>", "next": 239825}