{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De activiteit vindt in het jaar 2007 plaats.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.89</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag voor de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort van de activiteit. 67[Toelichting: In het eerste lid is aangegeven dat in beginsel van aanvragers verwacht wordt dat zij ook op andere wijze in de financiering van de activiteit voorzien. ] 2. De subsidie kan op een hoger percentage worden vastgesteld indien de activiteit in buitengewone mate bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van het Uitvoeringsplan. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om in buitengewone gevallen activiteiten voor een hoger percentage te subsidiëren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.90</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">68[Toelichting: Beoogd is de subsidiëring van activiteiten die in 2007 plaatsvinden. Daarom is de sluitingsdatum voor aanvragen bepaald op 30 september 2007.] In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend tot en met 30 september 2007.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.91</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">69[Toelichting: Het is wenselijk om de mogelijkheid te bieden de subsidieplafonds halverwege het jaar aan te passen aan de feitelijke uitvoering van het Uitvoeringsplan en in dat kader te subsidiëren activiteiten.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen per categorie van activiteiten zoals onderscheiden in artikel 3.78 een subsidieplafond vaststellen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor elke categorie van activiteiten het subsidieplafond per 1 juli 2007 aanpassen, rekening houdend met de bedragen die nog niet tot besteding zijn gekomen en maken een dergelijke wijziging vóór 15 juli 2007 bekend.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Faunabeheereenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">70 [Toelichting: De uitvoering van de faunabeheerplannen is in handen van de Stichting Fauna Beheer Eenheid Overijssel (FBE) te Deventer.] Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">71 [Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen in de externe kosten van onderzoek en planontwikkeling van ruimtelijke projecten. De projecten moeten bijdragen aan uitgangspunten/doelstellingen van het streekplan en aan de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel. 72[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd, zoals genoemd in sub b van dit lid.] 2. Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid: is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel; wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria: uitvoeringsgerichtheid; 73[Toelichting: uitvoeringsgerichtheid: de projecten vormen veelal de schakel tussen geformuleerd beleid en de concrete uitvoering, en zijn uitvoeringsgericht van aard, zoals bijvoorbeeld een plan van aanpak, Masterplan of een haalbaarheidsstudie, gekoppeld aan een afgebakend beleidsonderwerp, probleemstelling of ruimtelijke voorziening. Voor algemeen onderzoek is deze regeling niet bedoeld.] bovengemeentelijke of regionale betekenis; 74[Toelichting: bovengemeentelijke c.q. regionale betekenis: de projecten zijn strategisch van aard en hebben daardoor veelal een regionaal schaalniveau en/of uitstralingseffect.] voorbeeldwerking; 75[Toelichting: voorbeeldwerking: de projecten moeten min of meer ‘model kunnen staan’ voor vergelijkbare projecten en vormen zelfs vaak een pilotproject.] katalysatorwerking; 76[Toelichting: katalysatorwerking: meerdere partners trekken gezamenlijk op, ook financieel, en kunnen een impuls geven aan eventuele vervolgprojecten.] integraliteit; 77[Toelichting: integraliteit: de projecten dragen bij aan beleidsdoelstellingen vanuit meerdere sectoren en worden veelal ook uit deze sectoren gecofinancierd.] structureel effect. 78[Toelichting: structureel effect: de projecten zijn ook op de langere termijn van belang voor de (duurzame) ruimtelijke ontwikkeling.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">79 [Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de helft van de kosten van de ruimtelijke activiteiten van een project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1. genoemde criteria.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, bouw- en sloopkosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">80[Toelichting: Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Wet stedelijke vernieuwing, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing. Een aanvraag van een programmagemeente voor subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, tweede lid, Wsv en het daaro gebaseerde beleidskader. Een aanvraag van een projectgemeente moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, vijfde lid, Wsv. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing; b. programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, Wsv; c. projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, Wsv; d. commissie: de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving; e. ISV: ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’; f. Beleidskader: Beleidskader ISV 2 Provincie Overijssel; g. reserve ISV: de bestemmingsreserve ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Reserve ISV</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de reserve ISV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aan de reserve ISV worden in ieder geval toegevoegd de bijdragen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5, derde lid, Wsv.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen overige voor stedelijke vernieuwing aangemerkte middelen aan de reserve ISV toevoegen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Niet bestede middelen blijven in de reserve ISV. Over de niet bestede middelen wordt jaarlijks per 31 december rente berekend en aan de reserve ISV toegevoegd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie en subsidieplafond</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De hoogte van de subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing bestaat uit: een door Gedeputeerde Staten te bepalen deel van de in het vierde lid van artikel 5.5. bedoelde middelen en voor programmagemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen; voor projectgemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het subsidieplafond voor programmagemeenten bestaat uit het bedrag dat op basis van artikel 5.11, eerste lid, sub a en b, voor deze gemeente beschikbaar is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het jaarlijkse subsidieplafond voor projectgemeenten bestaat uit één vijfde deel van het in overeenstemming met het in het eerste lid, sub a en c, berekende beschikbare bedrag.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed</h3>\n<p class=\"lf-p\">81[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel'. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal. Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed. Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">82[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij? In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord. Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen: 1inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis; 2het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering' is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; 3een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; 4tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed. ] Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria: a. de activiteit draagt bij aan één of meer doelstellingen van het provinciale stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; 83[Toelichting: De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn: • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; • innovatieve ontwikkelingen stimuleren. Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen’ van agrarisch en industrieel erfgoed.] b. de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf; c. de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het reconstructieplan Salland-Twente; 84[Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie.] d. bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest); e. ontwerpende partijen dienen te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit. 85[Toelichting: Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur, een stedenbouwkundige of een landschapsarchitect.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed, met een maximum van € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 15.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">86[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten. Voordat u het aanvraagformulier inlevert, is het raadzaam te overleggen met een van de medewerkers van het programmateam. ] 1. Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan het programmateam, dat binnen acht weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten 2. Het programmateam is samengesteld uit één of enkele deskundigen op het gebied van cultuurhistorie, architectuur en landschap, de programmaleider en een beleidsmedewerker.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">87 [Toelichting: De werkzaamheden voor het transformatieplan moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart.] 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">88[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over: 1maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie;2en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">89[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband. Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor niet-infrastructele projecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd. ] 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten in West-Overijssel kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: het project past in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Overijssel; het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; het project is uitvoeringsgereed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 25.000,-- moeten bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">90[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking. De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties waar in een aaneengesloten periode van 3 jaren zes of meer letselongevallen zijn gebeurd. Als basis wordt gehanteerd de meest recente periodiek door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid (ROVO) en de provincie gezamenlijk uitgegeven lijst van Verkeersongevallenconcentraties Overijssel. ] 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt: ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten; ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn: verwerving (voorzover direct voor het project nodig);</div>\n<p class=\"lf-p\">50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering; werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting; bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt: kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend; voorbereiding en administratie; vervanging van kabels/leidingen/riolering; directievoering en toezicht; kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten; vervanging en beheer en onderhoud.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">91 [Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.] 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten, welke betrekking hebben op het kalenderjaar 2007, ingediend voor 15 november 2006.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde indieningstermijnen en daarbij aangeven of voor die projecten een aanvraag moet worden ingediend en op welke wijze.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">92 [Toelichting: De in artikel 5.14 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.] In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Accountantsverklaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">93 [Toelichting: De Wet BDU verplicht de provincie om over de besteding van de BDU-middelen verantwoording af te leggen en deze te voorzien van een verklaring van een accountant. Op basis van het controleprotocol opgenomen in Bijlage II behorende bij artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer dient de controle zowel de getrouwe weergave van de financiële verantwoording alsmede de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde bijdrage te omvatten.] 1. Artikel 1.20. is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.20., vierde lid, betreft de accountantsverklaring eveneens de rechtmatige besteding van het beschikbaar gestelde subsidiebedrag.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Bouwimpuls Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">94 [Toelichting: Om een snellere uitbreiding van de woningvoorraad in Overijssel te realiseren, in het bijzonder voor betaalbare woningen voor starters en ouderen, is naast de bestaande geldstromen extra geld beschikbaar gesteld. De paragraaf Bouwimpuls is verbreed met het Programma Langer Zelfstandig Wonen en het ontwikkelen van woonzorgzones.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor de uitvoering van woningbouwprojecten die nog niet zijn gestart en aansluiten bij de speerpunten genoemd in het coalitieakkoord.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gemeenten, woningbouwcorporaties, projectontwikkelaars en privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen éénmalig subsidie aanvragen voor het doen van onderzoek of het ontwikkelen van plannen ter voorbereiding van woningbouwprojecten die aansluiten bij de speerpunten genoemd in het coalitieakkoord.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gemeenten en woningbouwcorporaties kunnen in het kader van het Programma Langer Zelfstandig Wonen subsidie aanvragen voor de beleidslijnen: jeugd en wonen, voor de opzet van aangepaste woonvormen met als doel de door- en uitstroom van jongeren uit de jeugdzorg; gehandicapten en senioren, voor de totstandkoming van gemeenschappelijke ruimtes in complexen/voorzieningen waar sprake is van 24-uurszorg en die niet anderszins worden gefinancierd; dak-/thuislozen, voor de opzet van aangepaste woonvormen; 95[Toelichting: Hieronder vallen onder andere zwerfjongeren.] bijzondere woonvormen, die inspelen op nieuwe ontwikkelingen op het terrein van wonen en zorg. 96[Toelichting: Bijzondere woonvormen zijn bijvoorbeeld community wonen, meergeneratie wonen, kangaroo-woningen en kleinschalige woonvormen (voor ASS/dementerenden/GGz).] 4. Gedeputeerde Staten verlenen voor projecten als genoemd in het derde lid, geen subsidie voor activiteiten: die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van premiegefinancierde instellingen en organisaties; die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van door het Rijk, de provincie of de gemeente gesubsidieerde instellingen en organisaties.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, moet voldoen aan de volgende criteria: het moet gaan om een bouwproject dat voor minimaal 50% bestaat uit goedkope woningbouw; 97[Toelichting: In het bestuursakkoord is opgemerkt dat de komende collegeperiode de aandacht steeds meer komt te liggen op doelgroepen als jeugd, ouderen en starters, statushouders en dak- en thuislozen. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het betreffende woningbouwproject voor minimaal 50% te bestaan uit goedkope woningbouw.] het project mag niet in strijd zijn met het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk woonbeleid; er moet sprake zijn van een gemeentelijke bijdrage in het tekort van minimaal het gevraagde subsidiebedrag; 98[Toelichting: Gemeenten (en woningcorporaties) hebben een zwaarwegend belang bij de uitvoering van woningbouwprojecten. Wij verwachten dat de gemeente minimaal een eigen bijdrage ten grootte van het gevraagde subsidiebedrag bijdraagt aan het project.] de uitvoering van het bouwproject start uiterlijk binnen twee jaar na verlening van de subsidie en is uiterlijk binnen 6,5 jaar. 99[Toelichting: Onder start van het woningbouwproject wordt verstaan dat dient te zijn gestart met de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. Hierbij kan worden gedacht aan het slopen, bouwrijp maken van de grond.] 2. De ontwikkeling van plannen ter voorbereiding van woningbouwprojecten of het uitvoeren van het onderzoek als bedoeld in artikel 5.20, tweede lid, is uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie afgerond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20, derde lid, moet voldoen aan de volgende criteria: er moet sprake zijn van cofinanciering van minimaal 25%; het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten; het initiatief is aantoonbaar positief beoordeeld door de betrokken Overijsselse (centrum)-gemeente; er zijn minimaal twee partijen uit de betreffende sector betrokken; de uitvoering van het project start uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidies als bedoeld in artikel 5.20, tweede lid, in de vorm van een stimuleringssubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">100[Toelichting: Het al dan niet subsidiabel zijn van kosten wordt bepaald op basis van Verordening 448/2004 van de Europese Commissie van 10 maart 2004. Hiervoor zijn de volgende algemene richtlijnen van toepassing: 1. subsidiabel zijn uitsluitend als zodanig goedgekeurde en rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten; 2. alleen kosten die (vooraf) in de begroting van het project zijn opgenomen zijn subsidiabel (mits ze voldoen aan de overige subsidiabiliteitscriteria); 3. de kosten dienen redelijk te zijn en in overeensteming met beginselen van gezond financieel beheer; 4. de kosten moeten zijn gemaakt binnen de looptijd van het project; 5. de kosten moeten daadwerkelijk zijn gemaakt, in de boekhouding te zijn vastgelegd en moeten met bewijzen identificeerbaar en controleerbaar zijn; 6. ontvangsten of inkomsten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een project worden in mindering gebracht van de subsidiabele kosten; 7. BTW is slechts subsidiabel wanneer - zo nodig door middel van een verklaring van de belastinginspectie - aantoonbaar is dat de BTW niet verrekenbaar is.] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van het gemeentelijk (grond)exploitatietekort met een maximum van € 500.000,-- per project.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De eenmalige subsidie als bedoeld in artikel 5.20, tweede lid, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.20, derde lid, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 250.000,-- per project.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 wordt een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.20, eerste en derde lid, ingediend voor 1 maart en 1 oktober.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag als genoemd in artikel 5.20, eerste lid, tevens: a. het projectplan met daarin een omschrijving van het project, planning en beschrijving van de eigendomssituatie; b. een door de gemeente goedgekeurde exploitatieberekening van het project, waaruit ook de bijdragen van de verschillende partijen blijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25a</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.20, eerste en derde lid, die voldoen aan de daar genoemde criteria in een prioriteitsvolgorde op basis van een afweging op de volgende aspecten: voorkeur voor projecten ten behoeve van de in het coalitieakkoord genoemde doelgroepen; voorkeur voor inbreidingsprojecten; voorkeur voor projecten met een groter aantal woningen; voorkeur voor bouwprojecten met (innovatieve) toepassingen van duurzaam bouwen (inclusief duurzaam energieverbruik).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag zulks toelaat.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen</h3>\n<p class=\"lf-p\">101[Toelichting: Op 3 oktober 2005 heeft het Rijk ten behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio's een nieuw Besluit locatiegebonden subsidies 2005 (BLS) vastgesteld. Het belangrijkste doel van dit besluit is het terugdringen van het woningtekort in Nederland tot 1,5% in 2010. Ter uitvoering hiervan heeft het Rijk met de provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen woningbouwafspraken gemaakt en middelen beschikbaar gesteld. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen) en zijn het vervolg op het BLS uit 1995 (Vinex-afspraken). De provincie Overijssel verdeelt als budgethouder via de Bijzondere bepalingen Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen het geld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van de behaalde resultaten. De bijzondere bepalingen treden met terugwerkende kracht in werking tot en met 1 januari 2005 in verband met de aanvang van het tijdvak van het BLS op die datum. De bijzondere bepalingen gelden uitsluitend voor de gemeenten Zwolle en Kampen. De gegevens over de gebouwde woningen in deze gemeenten worden ontleend aan de woningstatistieken die door het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn opgesteld.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. BLS: Besluit locatiegebonden subsidies; b. Convenant: Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen); c. Contractperiode: 2005 t/m 2009; d. Primos-prognose 2003: Prognose-, informatie- en monitoringssysteem 2003, ABF research, Delft, november 2003.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Criterium</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verdelen de van het Rijk ontvangen subsidiebedragen ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over de Stedelijke regio Zwolle-Kampen op basis van de Primos-prognose 2003: de gemeente Zwolle: 76,7%; de gemeente Kampen: 23,3%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien door de toevoeging aan de woningvoorraad door eigenbouw hoger is dan het drempelaantal als genoemd in het Convenant ontvangt de provincie middelen van het Rijk. Deze middelen zullen worden verdeeld naar rato van het aandeel van Zwolle en Kampen van de realisatie van de in eigenbouw gerealiseerde woningen in overeenstemming met de eisen genoemd in artikel 6 van het BLS.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening en voorschotverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten verlenen de bijdragen aan de gemeenten, met inachtneming van de betalingsregeling van het Rijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voorschotverlening door Gedeputeerde Staten vindt in afwijking van artikel 1.17. jaarlijks plaats na voorschotverlening van het Rijk conform de tot dan toe gebouwde woningen in overeenstemming met de eisen als genoemd in hoofdstuk 5 van het BLS. 102[Toelichting: Voor lid 2 geldt dat het voorschot van de provincie is gemaximaliseerd aan het betalingsritme van het Rijk aan de provincie Overijssel.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">103[Toelichting: Het Rijk stelt de subsidie van de provincie Overijssel vast over de toevoegingen aan de woningvoorraad in het gehele grondgebied. Dit betekent dat het Rijk de provincie Overijssel niet afrekent op basis van prestaties per gemeente, maar op basis van prestaties over het gehele grondgebied.] 1. Uiterlijk voor 15 maart 2010 dient een eindrapport te worden ingediend over de in het tijdvak gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad en gerealiseerde eigenbouw. 104[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 2. Uiterlijk 15 maart 2011 dient een aanvullend eindrapport te worden ingediend over de toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, als bedoeld in artikel 14 BLS, en het realiseren van eigenbouw, als bedoeld in artikel 15 BLS. 105[Toelichting: Voor de leden 1 en 2 geldt dat de eindrapporten van 15 maart 2010 en 2011 een verslag dienen te zijn van de geleverde prestaties en dienen gegevens te bevatten over: a. het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het tijdvak, evenals over de besteding van de aan hem daarvoor verleende subsidie, en b. de in het tijdvak gerealiseerde aantallen eigenbouw.] 3. Het eindrapport en het aanvullende eindrapport gaan vergezeld van een accountantsverklaring conform de eisen als genoemd in artikel 1.19. van dit besluit en artikel 16, lid 3 BLS.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van artikel 1.18. en 1.22. stellen Gedeputeerde Staten na afloop van de convenantperiode de subsidie vast met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 7 en 13 BLS en het Convenant. 106[Toelichting: Voor lid 4 geldt dat de subsidie conform artikel 13 BLS lager kan worden vastgesteld indien: a. de subsidie niet of niet geheel is besteed aan het doel waarvoor zij is verleend; b. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; c. de ontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen; d. de ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot subsidieverlening zou hebben geleid, of e. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.] 5. Indien de subsidie van een van de gemeenten lager wordt vastgesteld en over het grondgebied wordt voldaan aan de prestaties als genoemd in het BLS en het Convenant, dan worden de overgebleven middelen herverdeeld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van het aandeel van de gerealiseerde woningen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Water en Bodem</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Stimulering bodemonderzoek</h3>\n<p class=\"lf-p\">107[Toelichting: Met de subsidie Stimulering bodemonderzoek wordt beoogd dat derden (meer) initiatieven zullen ontplooien om bodemonderzoeken uit te voeren waardoor stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen op onder meer ruimtelijk, infrastructureel en economisch gebied wordt weggenomen of voorkomen. De subsidie Stimulering bodemonderzoek is onder andere bedoeld voor bedrijven, overheden, organisaties, maar ook particulieren die met bodemverontreiniging te maken hebben en waarbij het onderzoek naar bodemverontreiniging een bijdrage kan leveren om een maatschappelijk knelpunt op te heffen. Het kan daarbij gaan om verontreiniging van zowel landbodems als waterbodems. Het doel van de subsidie is: “Het in het belang van het milieu stimuleren van initiatieven die leiden tot het doen van bodemonderzoek waardoor stagnatie van door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkelingen wordt voorkomen of opgeheven.” Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie stimulering bodemonderzoek moet voldoen aan de volgende criterium: het betreft een bodemonderzoek op een locatie waar de provincie Overijssel bevoegd gezag is op grond van de Wet bodembescherming en waar de bodemverontreiniging de door het provinciaal bestuur gewenste ontwikkelingen belet of belemmert.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder bodemonderzoek wordt verstaan: oriënterend bodemonderzoek, nader bodemonderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van een saneringsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">108[Toelichting: De regeling is bedoeld voor projecten waar de initiatiefnemers zelf een belangrijk deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening nemen. Voor dat deel van de kosten dat niet door de initiatiefnemers wordt opgebracht, kan een beroep op deze subsidie worden gedaan. Onder project wordt verstaan: een onderzoeksproject van een bodemverontreiniging die in overwegende mate is veroorzaakt voor 1987. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de subsidiabele kosten van het bodemonderzoek. In de verleningsbeschikking zal het maximaal uit te keren bedrag worden vermeld. Vaststelling vindt achteraf plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten. Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, zal de subsidie hierop lager worden vastgesteld overeenkomstig het vastgestelde percentage van de kosten. Tot de kosten van een onderzoeksproject worden gerekend: 1de kosten van uitvoeren van een oriënterend onderzoek; 2de kosten van uitvoeren van een nader onderzoek; 3de kosten van uitvoeren van een saneringsonderzoek; 4de kosten van het opstellen van een saneringsplan. Tot de kosten van een onderzoeksproject worden niet gerekend de interne kosten van de opdrachtgever. ] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de werkelijk gemaakte projectkosten, zulks met een maximum van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bedrag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als werkelijk gemaakte projectkosten worden aangemerkt de na verlening van de subsidie door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde externe kosten, voor zover deze rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">109 [Toelichting: Ingediende aanvragen worden, na het verstrijken van de sluitingsdatum voor indiening, door een ambtelijke beoordelingscommissie in behandeling genomen. Gedeputeerde Staten beslissen welke projecten subsidie ontvangen.] In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag jaarlijks worden ingediend in de perioden 1 januari tot en met 30 april, 1 mei tot en met 31 augustus alsmede in de periode 1 september tot en met 31 december.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">110 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld. Bij de aanvraag dient een goede beschrijving van het project te worden gegeven. Deze beschrijving is nodig voor het beoordelen en het rangschikken van de subsidieaanvragen. Gegevens over historie en bodemonderzoek maken deel uit van de beschrijving. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de ontwikkeling die tengevolge van de bodemverontreiniging wordt belet of belemmerd.] 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag tevens alle door Gedeputeerde Staten verlangde onderzoeksgegevens, het belang van het bodemonderzoek in maatschappelijke zin en een planning van het bodemonderzoek.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.14 hoeft de aanvrager bij de aanvraag geen statuten te overleggen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">111[Toelichting: Jaarlijks wordt bij de provinciale begroting het voor deze subsidie beschikbare subsidieplafond vastgesteld. Het bedrag wordt door Gedeputeerde Staten verdeeld over het aantal voor het betreffende jaar vastgestelde perioden. Bij het niet volledig benutten van het budget van een periode kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het budget van een volgende periode. De omvang hiervan kan pas na sluiting van een periode worden vastgesteld. Omdat bij sluiting van de ene periode direct een volgende periode begint, wordt het resterende bedrag niet aan deze direct volgende maar aan de hierop volgende periode toegevoegd. Bij het overhevelen van het budget wordt dus een periode overgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan voor het openen van deze periode worden bekendgemaakt hoeveel geld voor de aanvragen beschikbaar is. Per periode kunnen Gedeputeerde Staten een thema of een projecttype vaststellen waarbinnen de in te dienen projecten moeten passen. Onder projecttype wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld type van project waarop het project gericht moet zijn. Onder projectthema wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleidsthema waarop het project gericht moet zijn. Deze thema's of projecttypen worden ontleend aan een (onderdeel van een) beleidsplan. Ingediende projecten zullen worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan het thema of projecttype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten die niet voldoen aan het thema of het projecttype komen slechts voor subsidie in aanmerking indien na de prioriteitsvolgorde nog middelen beschikbaar zijn. ] 1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het als subsidieplafond vastgestelde budget wordt gelijkelijk verdeeld over de drie in artikel 6.3 bedoelde perioden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Ingeval het beschikbare budget voor enige periode niet wordt uitgeput, wordt het resterende deel overgeheveld naar een volgende periode, ook als deze valt in een ander kalenderjaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen per periode zoals bedoeld in artikel 6.3 projecttypen vaststellen. Projecten die overeenstemmen met de vastgestelde projecttypen, komen bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen met voorrang in de bepaalde prioriteitsvolgorde voor subsidie in aanmerking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen per periode een thema vaststellen. Bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen komen uitsluitend projecten voor subsidie in aanmerking die passen binnen het vastgestelde thema.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Gedeputeerde Staten maken het voor een periode geldend thema of de prioriteitsvolgorde voor projecttypen drie maanden voor de aanvang van de betreffende periode bekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42 Awb.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten: a. het milieuhygiënische voordeel dat met het project kan worden behaald; 112[Toelichting: Wanneer er naar aanleiding van historie een ernstig vermoeden van bodemverontreiniging bestaat kan op basis van onderzoek beoordeeld worden wat de milieuhygiënische situatie is en of er een noodzaak bestaat tot het saneren van de bodem waardoor verontreinigende stoffen uit de bodem worden verwijderd of in de bodem geïsoleerd. Hiermee worden risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem weggenomen (risicoreductie);] b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan de maatschappelijke ontwikkelingen die het provinciaal bestuur, onder meer blijkens provinciale beleidsplannen, wenst te stimuleren; 113[Toelichting: De onderzoeken waar de subsidie voor wordt verleend, worden uitgevoerd om een door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het belang van deze maatschappelijke ontwikkeling dient door de aanvrager voor elk project duidelijk te worden aangegeven. Het belang van de maatschappelijke ontwikkeling zal worden getoetst aan het provinciale beleid. Naarmate een project meer aansluit bij door de provincie gewenste ontwikkelingen, zal het op een hogere plaats gerangschikt worden;] c. de hoogte van de eigen bijdrage (percentueel) van de deelnemer(s) aan het project; 114[Toelichting: De initiatiefnemers dragen zelf een groot deel van de onderzoekskosten. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,--. Naarmate de initiatiefnemers om een (percentueel) kleinere bijdrage vragen, zal het project hoger scoren bij de rangschikking van het project. Het spreekt voor zich dat de noodzaak van de (omvang van de) bijdrage bij de aanvraag goed onderbouwd moet worden;] d. de kwaliteit van (de onderbouwing van) het projectvoorstel; 115[Toelichting: Naarmate een projectvoorstel een hogere kwaliteit heeft, is de kans op tegenvallers en een uiteindelijk teleurstellend resultaat kleiner. Het provinciaal bestuur wil juist een bijdrage leveren aan veelbelovende projecten met een uitstralend effect. Bovendien moet ook achteraf blijken dat de middelen goed zijn besteed. Bij deze beoordeling wordt uiteraard de kwaliteit van het bodemonderzoek en het saneringsplan betrokken. Dit komt mede tot uiting in het toepassen van de diverse protocollen voor onderzoek en het toepassen van een juiste risicobeoordeling (NEN 5740, NVN 5725, protocol nader onderzoek, SUS). Op basis van het uitgevoerde onderzoek/risicobeoordeling moeten Gedeputeerde Staten een besluit kunnen nemen over ernst en spoedeisendheid van de verontreiniging of kunnen beoordelen of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Daarnaast is het van belang dat de initiatiefnemers kunnen laten zien dat ze op een doortastende wijze het project oppakken. De creativiteit kan tot uiting komen bij het betrekken van zoveel mogelijk financiers bij een project maar ook bij het opstellen van een saneringsplan;]</p>\n<p class=\"lf-p\">e. de financiële onderbouwing van het projectvoorstel; 116[Toelichting: Het moet bij indiening van een projectvoorstel vast staan dat de eigen bijdrage van initia-tiefnemers werkelijk beschikbaar is. De eindafrekening vindt plaats op basis van gemaakte kosten waarbij de vastgestelde subsidie geldt als de maximale bijdrage. Gedeputeerde Staten houden rekening met andere subsidies. Dit om te voorkomen dat er strijd met het EG-verdrag (staatssteun) optreedt.] f. de mate waarin de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">117 [Toelichting: Het uitvoeren van het onderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van het saneringsplan moet binnen een jaar worden afgerond. Op gemotiveerd verzoek kan de termijn van een jaar worden verlengd met een jaar.] 1. De subsidieontvanger dient binnen een jaar na verlening van de subsidie de werkzaamheden te hebben afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Binnen een jaar na verlening van de subsidie kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger met een jaar worden verlengd. Dit verzoek dient de redenen aan te geven waarom de gestelde afrondingstermijn van het project niet wordt gehaald.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">118 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Water</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Besteding grondwaterheffing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.15</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. antiverdrogingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het voorkomen of tegengaan van verdroging in de landbouw- en natuurgebieden zoals aangegeven op plankaart 2 behorende bij het Waterhoudingsplan, met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet; b. waterbesparingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het verminderen van het gebruik van grondwater met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.16</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">119[Toelichting: Uit de provinciale grondwaterheffing kunnen subsidies worden verstrekt voor antiverdrogingsprojecten en waterbesparingsprojecten. Deze projecten moeten direct verband houden met het voorkomen en/of tegengaan van nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen en infiltraties. De subsidies beogen het duurzaam maken van de grondwateronttrekkingen. Bij antiverdrogingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan: 1maatregelen in de waterhuishouding om de effecten van een waterwinning te compenseren (bijvoorbeeld wateraanvoerplannen); 2maatregelen ter beperking van de waterbehoefte (bijvoorbeeld terugdringen beregening door herdimensionering van waterlopen); 3omschakeling naar een andere beplanting of gewaskeuze/landbewerking. Bij waterbesparingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan: 1omschakeling op oppervlaktewater;2beperking van het gebruik van grondwater in het productieproces (de hoeveelheid water bij gelijkblijvende productie).] 1. Waterschappen in de zin van artikel 1 Waterschapswet en vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet kunnen subsidie aanvragen voor antiverdrogingsprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid kunnen vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet eveneens subsidie aanvragen voor waterbesparingsprojecten. 120[Toelichting: In lid 2 van dit artikel zijn de criteria opgenomen. Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten die op het moment van subsidieverlening al feitelijk in uitvoering zijn of zelfs al gereed zijn. Het is verder niet de bedoeling subsidie te verlenen voor activiteiten, die conform de vergunningsvoorschriften al verplicht zijn. Ook is het niet de bedoeling om projecten te subsidiëren die bijdragen aan de bestrijding van de verdroging in de door Gedeputeerde Staten vast te stellen TOP-lijst met gebieden waar de aanpak van verdroging prioriteit heeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiering van antiverdrogingsmaatregelen in deze TOP-lijstgebieden vindt plaats binnen hoofdstuk 8 van dit uitvoeringsbesluit. Ook kan afwijzend worden beslist op grond van artikel 4:35 van de wet. Afwijzing op grond van dit artikel is mogelijk indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden, dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen, indien de aanvrager onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en dat geleid zou hebben tot een onjuiste beschikking, of indien de aanvrager failliet is verklaard of surséance van betaling aan hem is verleend dan wel een verzoek daartoe is ingediend.] 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: voor zover het een waterbesparingsproject betreft: de genomen maatregelen leiden tot een vermindering, anders dan de normale zorgplicht, van het gebruik van grondwater van ten minste 20% ten opzichte van de bestaande situatie; voor zover het een antiverdrogingsproject betreft: geen subsidie kan worden verstrekt voor projecten die bijdragen aan de bestrijding van de verdroging in de door Gedeputeerde Staten vast te stellen TOP-lijst met gebieden waar de verdrogingsbestrijding prioriteit heeft; de maatregel is niet verplicht op grond van voorschriften verbonden aan een vergunning op grond van artikel 14 Grondwaterwet; het project is in overeenstemming met het vigerende provinciale Waterhuishoudingsplan; het project is ten tijde van het moment van subsidieverlening niet uitgevoerd of niet in uitvoering genomen; de aanvrager financiert minimaal 37,5% van de projectkosten uit eigen middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.17</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">121[Toelichting: De subsidie wordt berekend als percentage van de projectkosten, maar bedraagt niet meer dan het genoemde maximum. Voor waterbesparingsprojecten is het subsidiepercentage afhankelijk gesteld van de mate van vermindering van het grondwatergebruik. Aangetoond moet kunnen worden dat de vermindering van het gebruik van grondwater het gevolg is van het waterbesparingsproject. Dit impliceert dat een vermindering van het gebruik van grondwater in verband met het in acht nemen van de normale zorgplicht niet meegenomen kan worden bij de bepaling van de mate van vermindering in verband met de hoogte van het subsidiepercentage. Onder de normale zorgplicht wordt in ieder geval verstaan een goed beheer en onderhoud, het voorkomen van lekkages etcetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de vermindering van het grondwatergebruik wordt als uitgangspunt genomen, de hoeveelheid onttrokken grondwater in de oorspronkelijke situatie, dus voordat het waterbesparingsproject is uitgevoerd (zie in dit verband ook artikel 2.1, lid 2, onder b). De kosten die in aanmerking worden genomen worden limitatief opgesomd. Voor de berekening van de loonkosten van de subsidieontvanger wordt een forfaitair bedrag per uur gehanteerd. Van de aanvrager wordt een eigen bijdrage verwacht van 37,5% van de projectkosten. Het totaal aan subsidies zal niet meer dan 62,5% bedragen dan de totale kosten van de activiteit. In sommige gevallen bevatten andere bijdrageregelingen ook nog anticumulatiebepalingen, die strakker zijn dan onderhavige verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval is de andere regeling in deze bepalend.] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, bedraagt 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 500.000,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 6.15, tweede lid, bedraagt voor een waterbesparingsproject waarbij ten opzichte van de bestaande situatie: het gebruik van grondwater met 20% tot 30% wordt verminderd; 30% van de projectkosten, tot een maximum van € 30.000,--; het gebruik van grondwater met 30% of meer wordt verminderd: 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 40.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten: kosten van uitvoering van het project in eigen beheer door de aanvrager, waarbij voor de loonkosten van het betrokken personeel wordt uitgegaan van een vast bedrag van € 50,-- per uur; kosten van uitvoering van het project indien de uitvoering is uitbesteed; kosten van de evaluatie van het project; kosten van onderzoek ter voorbereiding van het project voorzover deze kosten zijn gemaakt door een derde en bij de aanvrager in rekening zijn gebracht; grondverwervingskosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Projectkosten als bedoeld in het derde lid, onder a tot en met c, worden in aanmerking genomen indien deze zijn gemaakt en betaald na verlening van de subsidie. De kosten bedoeld in het derde lid, onder d en e, zijn subsidiabel voor zover deze kosten zijn gemaakt maximaal vijf jaar voor indiening van de subsidieaanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Tot projectkosten worden niet gerekend: voorbereidingskosten anders dan genoemd in het voorgaande lid; beheers- en onderhoudskosten; de schadevergoeding die vergunninghouder op grond van artikel 35 Grondwaterwet verschuldigd is; door de aanvrager verrekenbare BTW.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.18</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">122[Toelichting: Dit artikel geeft een voorschrift over de wijze van verdeling van het subsidieplafond. Die komt neer op ‘wie het eerst komt, het eerst maalt'. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten, beginnend met de eerste aanvraag, subsidies verlenen tot het plafond is bereikt en dat zij aanvragen afwijzen voor zover het plafond door het totaal van de verleende subsidies zou worden overschreden. Daarbij is het moment van indiening van een aanvraag, die aan de wettelijke voorschriften voldoet, bepalend. Het betreft hier niet een regel over de volgorde van het nemen van besluiten. Het is zeer wel mogelijk om op een latere aanvraag eerder te beslissen dan op een eerdere, als toewijzing van de aanvraag maar niet tot gevolg heeft dat op de eerdere aanvraag afwijzend moet worden beschikt, omdat door subsidieverlening op latere aanvragen het plafond is bereikt. Dreigt dit te gebeuren, dan zal behandeling van de latere aanvraag worden opgeschort, totdat op de eerdere is beslist. Indien daardoor de beslistermijn dreigt te worden overschreden, zal de aanvrager daarvan in kennis worden gesteld.] In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen Jeugd, Sociale Infrastructuur en Cultuur</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">123 [Toelichting: Er wordt slechts subsidie verleend voor de kosten van activiteiten die passen binnen het uitvoeringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma staan de activiteiten die voor subsidiëring in aanmerking komen opgenomen.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 en de begroting van het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">124 [Toelichting: Dit artikel geeft aan welke kosten niet subsidiabel zijn en dus niet in de begroting mogen worden opgenomen. Wanneer dit wel het geval is dan worden ze als niet subsidiabel beschouwd en wordt er geen subsidie voor verleend.] In aanvulling op artikel 1.6 zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">125 [Toelichting: Aanvragen dienen voor de start van het project ingediend te zijn. Indien de aanvrager besluit eerder te starten met het project zonder het afwachten van de subsidiebeschikking, dan is dat geheel op eigen (financiële) risico van de aanvrager. Het aanvragen van subsidie betekent niet automatisch dat de aanvrager de subsidie krijgt, maar dat de subsidie ook geweigerd kan worden. Indien men geen (financiële) risico wil lopen zullen aanvragers moeten wachten met het starten van het project totdat ze een beschikking tot subsidieverlening hebben ontvangen. Geadviseerd wordt om een subsidieaanvraag tijdig in te dienen, de behandeltijd van een volledig ingediende aanvraag beslaat maximaal 13 weken.] a. In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie worden ingediend vanaf 1 oktober voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft en vervolgens gedurende het hele subsidietijdvak, tenzij elders anders is bepaald. b. In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag om prestatiesubsidie voor de start van het project ingediend, tenzij elders anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn verlening prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten in het geval dat advies moet worden gevraagd op een aanvraag binnen dertien weken nadat het advies is ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4a</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">126 [Toelichting: Om tot een tijdige start van de uit te voeren activiteiten te komen is in dit artikel geregeld dat binnen 6 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie de gesubsidieerde activiteiten inderdaad moeten zijn gestart. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden.] Activiteiten starten binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend, tenzij elders anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">127 [Toelichting: Dit artikel geldt in aanvulling op de algemeen geldende regels voor per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie zijn onder meer ook te vinden in hoofdstuk 1 van het Uitvoeringsbesluit Overijssel 2005.] Gedeputeerde Staten kunnen een organisatie voor het boekjaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft een prestatiesubsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het behalen van de in de nota Sociale Actie en in de begroting geformuleerde provinciale doelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft uiterlijk 1 oktober voorafgaande aan dat boekjaar worden ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Culturele ontwikkeling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jonge makers: dit zijn kunstenaars die niet langer dan 5 jaar geleden zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten. Degenen die niet zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten hebben een aantoonbaar vergelijkbare kwaliteit en zijn niet ouder dan 35 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Amateurkunstenaars: kunstenaars die hun kunst beoefenen zonder daarmee primair in hun levensonderhoud te willen voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artistieke kwaliteit: de artistiek-inhoudelijke waarde van een culturele activiteit gevormd door vakmanschap, authenticiteit, zeggingskracht, verbeelding, ideeënrijkom, overtuigingskracht, professionaliteit en ethetiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke ontwikkelingsplannen: nieuwe of andere invulling van ruimte binnen een gemeente (voorbeelden: nieuwe woonwijk, winkelcentrum, bedrijventerrein, park).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan de volgende doelstelling(en):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Versterken van de beoefening van de amateurkunsten door:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>kwaliteitsverbetering danwel professionalisering binnen de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub a);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>vergroten publieksbereik van de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub b);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>verhoging van de samenhang en de spreiding van de amateurkunst en semiprofessionele kunst in alle cultuursectoren buiten de grote steden in Overijssel (artikel 7.10, eerste lid, sub b).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Vernieuwing in de cultuur in Overijssel stimuleren (artikel 7.10, eerste lid, sub c).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bevorderen van de integratie van beeldende kunst in de ruimtelijke ontwikkelingsplannen van gemeenten (niet zijnde de 5 grote steden) in Overijssel (artikel 7.10, eerste lid, sub d).</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">128[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.] 1. Subsidieaanvragen voor culturele ontwikkeling voldoen in aanvulling op artikel 7.1 aan de volgende criteria: amateurkunst: samenwerking met professionele instellingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van samenwerking tussen amateurkunstinstelling(en) en professionele instelling(en);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon. amateurkunst: vitaal platteland:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in het project of de activiteit werken verschillende disciplines samen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het project of de activiteit wordt op minimaal twee locaties voor publiek uitgevoerd en/of gedurende meerdere dagen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon; jonge makers:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van samenwerking met afnemers en/of met een bestaande culturele instelling (voor productie en afzet);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvrager is een jonge maker;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de provinciale bijdrage is ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 15.000,--; beeldende kunst:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag komt van een Overijsselse gemeente, met uitzondering van de 5 grote Overijsselse gemeenten (Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, Zwolle);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag richt zich op het van de start af aan integreren van beeldende kunst in een gemeentelijk ruimtelijke ontwikkelingsplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de gemeente maakt hierbij gebruik van de deskundigheid die aanwezig is bij steuninstellingen in de provincie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid vindt de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsn in de provincie Overijssel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">129[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen culturele ontwikkeling inwinnen bij de adviescommissie cultuur. Voor amateurkunst kan advies ingewonnen worden, wanneer de gevraagde subsidie meer dan € 10.000,-- bedraagt. Voor subsidieaanvragen 'jonge makers' moet altijd advies ingewonnen worden. ] 1. Over de artistiek-kwalitatieve aspecten van subsidieaanvragen culturele ontwikkeling kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een advies inwinnen bij de commissie van deskundigen voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, sub a en b, waarvan de gevraagde subsidie meer dan € 10.000,-- bedraagt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Gedeputeerde Staten winnen een advies in bij de commissie van deskundigen voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, sub c.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Cultuurbereik</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">130[Toelichting: De provincie wil activiteiten ondersteunen die op een bijzondere manier een breed of nieuw publiek bereiken. Van een nieuw publiek is sprake als het beoogde publiek nog niet of nauwelijks bekend is met de cultuuruitingen die worden aangeboden. Een breed publiek is een divers samengesteld publiek, waaronder zich ook nieuw publiek bevindt. Een breed publiek is dus méér dan een goot publiek. Het is belangrijk dat de aanvrager goed weet welke publieksgroepen hij/zij wil bereiken en welk deel daarvan nieuwe publiek is. De manier waarop het publiek wordt getrokken, moet ongebruikelijk en verrassend zijn en nieuwe inzichten opleveren over de relatie tussen cultuur en (potentieel) publiek.] Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan één van de volgende doelstelling(en):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>meer Overijsselaars nemen kennis van cultuur van goede kwaliteit en hebben de intentie om meer aan kunst en cultuur deel te nemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>culturele instellingen werken doelgroepgericht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de culturele projecten die worden gesubsidieerd vanuit cultuurbereik worden verankerd in het beleid van de instelling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>culturele instellingen professionaliseren en de projecten worden sterker;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>onderwijsinstellingen hebben nagedacht over hoe ze hun leerlingen kennis willen laten maken met kunst en cultuur van goede kwaliteit en dit in hun leerplan verwoord;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>leerlingen komen tijdens hun gehele schoolloopbaan meer in contact met kunst en cultuur van goede kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>gemeenten zijn meer verantwoordelijk voor het cultuurbereik en cultuurbeleid binnen hun grenzen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">131[Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen. Voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle gelden aanvullende criteria. Er moet aantoonbaar worden voorzien in cofinanciering door bijvoorbeeld een begrotingsdocument, schriftelijke toezegging door B&amp;W, collegebesluit of raadsbesluit. Aan de hoogte van de gemeentelijke cofinanciering worden geen eisen gesteld. Echter de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente.] 1. Rechtspersonen kunnen een subsidie Cultuurbereik aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: er is sprake van een bijzondere manier waarop een breed of nieuw publiek wordt bereikt; de methode van publieksbereik wordt beschreven; er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle voldoet in aanvulling op het eerste lid tevens aan de volgende criteria: er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering door de betrokken gemeente; de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente;</div>\n<p class=\"lf-p\">De opzet/methodiek van de projecten is overdraagbaar naar accommodaties/initiatieven buiten de drie steden. De overdracht wordt al in de projectaanvraag gegarandeerd óf de projecten vinden ook buiten de betreffende stad plaats.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij meerjarige subsidies voor bewezen projecten toetsen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidieaanvraag, naast de in het eerste en tweede lid genoemde criteria, ook aan de mate waarin het project gedurende de looptijd geïntegreerd wordt in de werkwijze van de instelling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid vindt de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaats in de provincie Overijssel en de opzet/methodiek van het project is nieuw voor de aanvrager.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De gevraagde subsidie bedraagt minimaal € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14a</span><span class=\"lf-art-t\">Publieksbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder publieksbereik wordt verstaan het inzetten van voor de aanvrager nieuwe methode(n) gekoppeld aan specifieke geselecteerde doelgroepen, waardoor nieuwe inzichten kunnen worden afgeleid over de samenhang tussen deze methode(n) en doelgroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">132[Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen cultuurbereik inwinnen bij de adviescommissie cultuur.] 1. Over de artistiek-kwalitatieve en publieksbereikaspecten van subsidieaanvragen Cultuurbereik kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een advies inwinnen bij de commissie van deskundigen voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.14, eerste en tweede lid.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Kunst- en erfgoededucatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.16</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Onder kunst- en erfgoededucatie wordt verstaan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het aanleren van vaardigheden om kennis te kunnen nemen van en waardering te ontwikkelen voor kunst en erfgoed;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het actief deelnemen aan cultuur;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het ontwikkelen van talent. b. Kunsteducatie: alle vormen van educatie waarbij kunst als doel of als middel worden gebruikt. c. Erfgoededucatie: onderwijs dat erfgoed in de directe omgeving als onderwerp heeft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.17</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">133[Toelichting: De provincie Overijssel vindt het belangrijk dat er een ruim en evenwichtig aanbod is in kunst- en erfgoededucatieve projecten, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie. Omdat wij constateren dat het cultuureducatieve aanbod waar scholen nu uit kunnen kiezen niet evenwichtig is opgebouwd. Daarom moedigen wij aan projecten in te dienen die betrekking hebben op de volgende aandachtsvelden: 1projecten die door Overijsselse producenten zijn ontwikkeld; 2projecten die gericht zijn op film, media en literatuur; 3projecten die gericht zijn op het VMBO en speciaal onderwijs; 4projecten die doelgroepen in het landelijke gebied bereiken; 5projecten met een groot bereik of afzet.] Het project draagt of de activiteiten dragen bij aan een ruimer en meer evenwichtig aanbod in kunst- en erfgoededucatie, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-718\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.18</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsteducatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: de aanvraag is gedaan door een culturele instelling en een school; er is sprake van voldoende inhoudelijke en artistieke kwaliteit; na afloop van de subsidieperiode wordt het project opgenomen in het reguliere programma van de school en/of culturele instelling; de resultaten zijn aantoonbaar overdraagbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsterfgoededucatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: de aanvraag is gedaan door een erfgoedinstelling en een school; het project maakt gebruik van het erfgoed in de eigen omgeving; er is in het format sprake van voldoende inhoudelijke en didactische kwaliteit; na afloop van de subsidieperiode wordt het project opgenomen in het reguliere programma van de school en/of erfgoedinstelling; het format is aantoonbaar overdraagbaar.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-719\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.19</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, bedraagt maximaal 75% bij aanvragen met een totaalbegroting die kleiner of gelijk is dan € 10.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, bedraagt maximaal 50% bij aanvragen met een totaalbegroting die groter is dan € 10.000,--.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Monumentenzorg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-720\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.20</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">134[Toelichting: Doel van de provincie met dit beleid is om de karakteristieke identiteit van een gebied te herstellen of te behouden. Om een substantieel effect te bereiken worden bebouwde elementen aangepakt in combinatie met groene/landschapselementen. Wanneer het groene/landschapselement al is gerealiseerd kan met een rode aanpak worden volstaan. Een en ander draagt bij aan behoud en/of ontwikkeling van de lokale /regionale identiteit. De provincie kan besluiten dit laatste onderdeel te laten vaststellen door een door haar in te schakelen commissie. Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen wenden zich tot de rechtspersonen die zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag in bij de provincie, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen individuele particuliere eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.] 1. Herstelwerkzaamheden van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan en bij historische gebouwen en erven: noodzakelijke renovatie als bijvoorbeeld herstel voegwerk (knipvoeg, snijvoeg, platvol), inboetwerk (vervangend metselwerk invoegen in bestaand), herstel oorspronkelijke kozijnindeling, herstel/vervanging houten gevelbeschieting, herstel/vervanging dakkapel, herstel/vervanging goot/gootomtimmering/windveren, herstel cultuurhistorische elementen op een erf, zoals stookhok/bakhuis/hooiberg, een en ander ter beoordeling van de Monumentenwacht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Integrale aanpak: in het project worden niet alleen de bebouwde elementen maar ook de landschappelijke elementen meegenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gebundelde aanpak: individuele particuliere aanvragen worden niet langer in behandeling genomen, wel wanneer zij onderdeel zijn van een grotere projectaanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Vooronderzoek: bureauonderzoek, het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-720a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.20a</span><span class=\"lf-art-t\">indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie op grond van deze paragraaf gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.21</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">135[Toelichting: De provincie wil in het kader van het Maltaverdrag het belang van de archeologie meer uitdragen en steunt daartoe projecten en activiteiten die tot doel hebben de bevolking te betrekken danwel kennis te laten nemen van de vondsten. Het betreft hierbij de artefacten, maar ook historisch gevormde landschappelijke overblijfselen (aardwaarden). Het resultaat is meer bewustzijn en (h)erkenning van archeologie in landschap en directe woonomgeving. Hierbij valt te denken aan het vergroten van de zichtbaarheid van archeologie bij nieuwbouwprojecten en bij ruimtelijke inrichting.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de volgende activiteiten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan en bij historische gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de uit te voeren werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>archeologisch vooronderzoek op locatie op basis van een projectplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>projecten ter verbetering van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de archeologie (inclusief aardwaarden).</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.22</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">136[Toelichting: Doel van de provincie met dit beleid is om de karakteristieke identiteit van een gebied te herstellen of te behouden. Om een substantieel effect te bereiken worden bebouwde elementen aangepakt in combinatie met groene/landschapselementen. Wanneer het groene/landschapselement al is gerealiseerd kan met een rode aanpak worden volstaan. Een en ander draagt bij aan behoud en/of ontwikkeling van de lokale /regionale identiteit. De provincie kan besluiten dit laatste onderdeel te laten vaststellen door een door haar in te schakelen commissie. Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen wenden zich tot de rechtspersonen die zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag in bij de provincie, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen individuele particuliere eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.] 1. De aanvragen op grond van artikel 7.21, eerste en tweede lid, voldoen aan de volgende criteria: de subsidie wordt beschikbaar gesteld voor de bebouwde elementen die deel uitmaken van een integrale aanpak; er is sprake van een gebundelde aanpak, waardoor er een substantiële bijdrage wordt geleverd aan behoud, herstel of ontwikkeling van de identiteit van het gebied; de subsidie wordt aangevraagd door de trekker van het integrale project; de werkzaamheden zijn noodzakelijk voor het behoud van de historische objecten; de objecten dragen bij aan de karakteristieke identiteit van het gebied, een en ander ter beoordeling door een deskundig adviseur; er is in voldoende mate sprake van advisering door een deskundige organisatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het vooronderzoek, zoals genoemd in artikel 7.21, derde lid, wordt uitgevoerd door een deskundige organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De projecten zoals genoemd in artikel 7.21, vierde lid, vinden plaats onder begeleiding van een deskundige organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen een subsidieaanvraag voor advies voorleggen aan de provinciale Monumentencommissie, die binnen zes weken advies aan hen uitbrengt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.23</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid bedraagt ten hoogste 20% van de totale kosten ten behoeve van de bebouwde elementen die deel uitmaken van het integrale project met een maximum van € 50.000,--. 137[Toelichting: Subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten bijvoorbeeld € 100.000,-- bedragen kunnen voor ten hoogste 20% subsidie ontvangen. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, bedraagt in dat geval dus € 20.000,--. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, lid 2, bedraagt daarvan 10% en komt in dit voorbeeld daarom uit op € 2.000,--.] 2. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, tweede lid bedraagt ten hoogste maximaal 10% van de in het eerste lid bedoelde subsidie. 138[Toelichting: Subsidieaanvragen waarvan de subsidiabele kosten bijvoorbeeld € 100.000,-- bedragen kunnen voor ten hoogste 20% subsidie ontvangen. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, bedraagt in dat geval dus € 20.000,--. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, lid 2, bedraagt daarvan 10% en komt in dit voorbeeld daarom uit op € 2.000,--.] 3. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per projectplan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, vierde lid, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van €75.000,--.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Molens</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7. Zorg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-728\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.28</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">139[Toelichting: Het onderdeel woonzorgzones is uit paragraaf 7.7 overgeplaatst naar paragraaf 8.26, omdat het een onderdeel is van de pMJP prestaties.] a. Informele zorg: zorg die onbetaald en niet beroepshalve wordt verricht: te onderscheiden in gebruikelijke zorg, mantelzorg, zelfhulp en vrijwillige zorg. b. Mantelzorg: zorg, die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen in hun familie, huishouden of sociale netwerk; het gaat om zorg die meer is dan in een persoonlijke relatie gebruikelijk is. c. tot en met j. [vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-729\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">140[Toelichting: In dit artikel wordt beschreven welke activiteiten in aanmerking komen voor een subsidie. Dit zijn: 1een goede sociale infrastructuur; voorbeelden hierbij zijn meer fysieke en organisatorische bundelingen van eerstelijnsvoorzieningen en technische innovatie; IZIT-programma;2goede participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen, goede ketenvorming care en cure en verbetering aansluiting tussen de verschillende sectoren.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die bijdragen aan één van de volgende doelen: verbetering van de sociale infrastructuur; goede participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen; goede ketenvorming care en cure.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op: de belangenbehartiging van mantelzorgers; de realisatie van aanbod voor (jonge) mantelzorgers;</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-729a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.29a</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie op grond van deze paragraaf gedurende het hele kalenderjaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-730\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.30</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">141[Toelichting: Het eerste lid van dit artikel noemt de vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen. Artikel 7.30, lid 2, noemt de aanvullende criteria, hiervan moet aanvullend op het voorgaand lid aan minimaal 3 van de 5 genoemde criteria worden voldaan.] 1. Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7.29 voldoet in aanvulling op artikel 7.1 aan de volgende criteria: er wordt een aantoonbare bijdrage geleverd aan het opheffen van knelpunten in de zorgsector in Overijssel; er is aantoonbaar voor ten minste 25% voorzien in cofinanciering; het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op de criteria genoemd in het eerste lid voldoen aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7.29 tevens aan minimaal drie van de hieronder genoemde vijf criteria: er wordt een bijdrage geleverd aan de vergroting van de vraaggerichtheid van het zorgaanbod in Overijssel; de resultaten zijn overdraagbaar; het initiatief is aantoonbaar positief beoordeeld door de betrokken Overijsselse (centrum)gemeente; er zijn ten minste twee partijen uit de betreffende sector betrokken; vernieuwende vormen van zorg.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.31</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie voor activiteiten: a. die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van premiegefinancierde instellingen en organisaties; b. die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van door het Rijk, de provincie of de gemeente gesubsidieerde organisaties.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8. Maatschappelijke ontwikkeling</h3>\n<p class=\"lf-p\">142[Toelichting: Wij streven naar een provincie waarin iedereen meedoet. Wij willen de randvoorwaarden creëren waardoor het voor iedereen mogelijk is om te (blijven) participeren. Leerbaarheid en modern burgerschap staan daarbij centraal.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.32</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Leefbaarheid: de mate waarin de samenleving qua voorzieningen aansluit op de behoeften van de mensen die er in leven. b. Vrijwillige inzet: vrijwilligerswerk is werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-733\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.33</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het bekostigen van: bovengemeentelijke activiteiten die bijdragen aan het versterken van leefbaarheid in wijk en dorp, door: 143[Toelichting: Deze regeling richt zich op de ‘menselijke’ kant van leefbaarheid: sociale cohesie, contacten, ontmoeting, burenhulp, enz. Samenwerken aan een goede leefomgeving en aan het behoud van voldoende diensten en voorzieningen.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>initiatieven die zich, anders dan door bouwactiviteiten, richten op het behoud van voorzieningen en diensten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>initiatieven die bijdragen aan meer ontmoeting van jong en/of oud;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>initiatieven gericht op participatie en sociale cohesie binnen wijken, kernen en buurten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>initiatieven gericht op het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheid van inwoners bij het verbeteren van het woon- en leefklimaat in eigen kern of buurt; bovengemeentelijke activiteiten die bijdragen aan het versterken en vernieuwen van de inzet door vrijwilligers in de sectoren jeugdzorg, mantelzorg, respijtzorg, kunst en cultuur, sport, multifunctionele accommodaties en integratie: 144[Toelichting: Deze regeling richt zich op het versterken en professionaliseren van vrijwillige inzet in diverse sectoren, te denken valt aan vrijwilligerswerk in musea of zorg.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>jeugdzorg, mantelzorg, respijtzorg, kunst en cultuur, sport, multifunctionele accommodaties, integratie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag voldoet in aanvulling op artikel 7.1 aan de volgende criteria: 145[Toelichting: Een subsidieaanvraag moet aan een aantal criteria voldoen. Een activiteit heeft een voorbeeldfunctie op regionaal niveau als het een, voor de regio of provincie, nieuwe activiteit betreft die ook elders kan worden uitgevoerd. De resultaten van een project zijn aantoonbaar overdraagbaar en openbaar toegankelijk als deze zijn vastgelegd in bijvoorbeeld een draaiboek, voorlichtingsmateriaal. Van cofinanciering is sprake als ten minste één andere partij dan aanvrager en provincie bijdraagt in de kosten van de gesubsidieerde activiteit. Een project heeft bovengemeentelijke uitstraling indien ook inwoners van andere gemeenten kunnen deelnemen aan/belang hebben bij de activiteit.] de activiteit vervult een voorbeeldfunctie op regionaal niveau; de resultaten van de activiteit zijn aantoonbaar overdraagbaar en openbaar toegankelijk; er is sprake van cofinanciering; er zijn ten minste twee relevante partijen betrokken; de doelgroepen participeren in de activiteit; project heeft een bovengemeentelijke uitstraling.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-734\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.34</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.32, onder a, ingediend voor 1 januari van het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft en subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.32, onder sub b, voor 1 juni van het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-735\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.35</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">146[Toelichting: Omdat Gedeputeerde Staten streven naar grotere, robuuste projecten worden subsidieaanvragen beneden de € 10.000,-- niet in behandeling genomen. De projectsubsidie bedraagt maximaal € 75.000,-- per project.] 1. De subsidie bedraagt maximaal € 75.000,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvragen voor subsidies beneden de € 10.000,-- worden niet in behandeling genomen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 9. Vitaliteit kleine kernen en Kulturhusen</h3>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 10. Vrijwilligersorganisaties</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-739\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.39</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">147[Toelichting: Vanaf 2003 subsidiëren wij uitsluitend in Overijssel gevestigde vrijwilligersorganisaties. In dit artikel staat gedefinieerd wat wij hieronder verstaan. Als bewijs dat aan deze definitie wordt voldaan moet bij de aanvraag een aantal stukken worden meegestuurd. Met op regionaal niveau werkzaam zijn, wordt bedoeld dat de organisaties ofwel leden hebben in minimaal drie gemeenten ofwel activiteiten ondernemen op regionaal niveau.] Vrijwilligersorganisatie: een instelling voor vrijwilligerswerk, niet zijnde een landelijke organisatie, die: a. op basis van de statuten een zetel heeft in Overijssel en b. op 31 december van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend: over ten hoogste een halve betaalde formatieplaats (20 werkuren per week) beschikt en c. die hoofdzakelijk in Overijssel op regionaal niveau werkzaam is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-740\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.40</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3, eerste lid, verstrekken Gedeputeerde Staten deze subsidie in de vorm van een stimuleringssubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-741\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.41</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">148[Toelichting: Een subsdieaanvraag moet voldoen aan twee criteria. In de eerste plaats dient de subsidieaanvrager van ons voor 2005 niet al een budgetsubsidie te ontvangen. Wij zijn van mening dat dergelijke budgetsubsidies voldoende zijn om daaruit de bestuurs- en activiteitenkosten en de kosten van kadertraining te dekken. In de tweede plaats dient de subsidieaanvrager zelf onvoldoende in staat te zijn de zojuist genoemde kosten te betalen. Wij meten dit af aan de hoogte van de liquiditeitspositie. Hierin mogen reserveringen voor een specifiek eenmalig doel of een eenmalige gebeurtenis - over een periode van maximaal twee jaar - toegerekend worden aan de kortlopende schulden. Bedoeling hiervan is de vrijwilligersorganisaties in staat te stellen reserveringen te treffen voor bijvoorbeeld de viering van een jubileum, het organiseren van een symposium e.d. Wanneer de liquiditeitspositie volgens de meegestuurde jaarrekening ten minste € 4.200,-- bedraagt, zal de subsidie worden geweigerd.] Een aanvraag om stimuleringssubsidie van een vrijwilligersorganisatie voldoet in aanvulling op artikel 7.1 aan de volgende criteria: a. de organisatie ontvangt van de provincie Overijssel geen per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie; b. de organisatie is naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in staat de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining uit eigen middelen te betalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-742\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.42</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">149[Toelichting: Voor 2007 is bepaald dat het subsidiebedrag maximaal € 2.100,-- bedraagt.] Gedeputeerde Staten kunnen een vrijwilligersorganisatie voor het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft een stimuleringssubsidie verstrekken van € 2.100,-- voor de financiering van de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-743\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.43</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.9 wordt een subsidieaanvraag voor het jaar waarop het subsidietijdvak betrekking heeft uiterlijk op 1 november voorafgaand aan dat jaar ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-744\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.44</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">150[Toelichting: Bij het indienen van een aanvraag voor subsidie vrijwilligersorganisaties dienen de statuten en jaarrekening over 2005 meegestuurd te worden. De subsidie wordt in één keer verleend en vastgesteld. Er hoeft dus niet, zoals dat met andere subsidies wel het geval is, verantwoording te worden afgelegd over de besteding van de subsidie.] De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de vastgestelde jaarrekening over het kalenderjaar dat 24 maanden eerder begint dan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft en van een accountantsverklaring of een door de kascommissie ondertekend verslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-745\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.45</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.11 beslissen Gedeputeerde Staten omtrent subsidievaststelling binnen acht weken nadat de uiterste termijn voor het indienen van een aanvraag is verstreken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 11. Integratie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-746\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.46</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zelforganisatie: elke bovengemeentelijke organisatie van minderheden in Overijssel waarvan de doelstelling is bij te dragen aan integratie en participatie van hun achterban in de samenleving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-747\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.47</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het project levert of de activiteiten leveren een bijdrage aan één van de volgende resultaten: a. professionaliseren van allochtone zelforganisaties; b. integratie van etnische doelgroepen in de samenleving; c. meer wederzijdse acceptatie, betrokkenheid en verbondenheid; d. positieverbetering van allochtone vrouwen; e. verbetering van de kennis in de samenleving over ontwikkelingen in het integratiebeleid en het integratieproces; f. het bestrijden van racisme en discriminatie; g. een betere toerusting en grotere toestroom van allochtone jongeren op de arbeidsmarkt; h. mentoring van risicoleerlingen; i. verbeteren van de toegang voor allochtone jongeren tot activiteiten van jeugdbeleid en lichte vormen van jeugdzorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-748\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.48</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor subsidiëring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">151[Toelichting: In dit artikel is aangegeven aan welke criteria het project moet voldoen waar subsidie voor wordt aangevraagd. Subsidieaanvragen moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen. Er moet aantoonbaar sprake zijn van samenwerking tussen meerdere partijen dit dient gedaan te worden door middel van het betrekken van partijen bij de organisatie en/of uitvoering van het project. Het doel hierbij is dat meerdere doelgroepen worden bediend. Ook is cofinanciering verplicht gesteld en projecten dienen een bovenlokaal karakter te hebben tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten. Zelforganisaties hoeven niet aan het criterium van cofinanciering te voldoen.] 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor integratie. Een subsidieaanvraag voldoet aan de volgende criteria: er is sprake van samenwerking tussen meerdere partijen; bij het project is sprake van cofinanciering; het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de subsidieaanvraag is ingediend door een zelforganisatie is het bepaalde in het eerste lid, sub b, niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-749\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.49</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Aanvragen van subsidie van organisaties, niet zijnde een zelforganisatie waarvan de opgenomen subsidiabele kosten in de begroting kleiner zijn dan € 10.000,--, worden niet in behandeling genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie bedraagt per project maximaal 75% van de totale kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op artikel 7.2 worden de volgende kosten als niet subsidiabel aangemerkt: kosten met betrekking tot catering; post onvoorziene kosten; vervoerskosten.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 12. Jeugdzorg</h3>\n<p class=\"lf-p\">152[Toelichting: De provincie heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het subsidiëren van de activiteiten van Bureau Jeugdzorg Overijssel (BJzO) en het zorgaanbod jeugdhulpverlening. Vanuit deze verantwoordelijkheid stelt de provincie de subsidie en de daarvoor te leveren prestatie vast. De voor de diverse organisaties maximaal beschikbare bedragen zijn opgenomen in het (ontwerp) Uitvoeringsprogramma jeugdzorg Overijssel 2007. BJzO De provincie ontvangt van het Rijk een Doeluitkering Bureau Jeugdzorg. Voor de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg stelt het Rijk normprijzen per taak vast. Het betreft hier de zogenaamde justitiële taken van Bureau Jeugdzorg in het kader van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de doeluitkering is hiervoor een bedrag opgenomen dat resulteert door vermenigvuldiging van deze landelijke normprijzen (P) met het aantal uitgevoerde justitiële taken (Q) in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de doeluitkering betrekking heeft (de zogenaamde t-1 systematiek, gebaseerd op een 12-maandsgemiddelde). Voor de overige niet-justitiële taken van BJzO is in de doeluitkering een bedrag begrepen dat is gebaseerd op de bedragen die hiervoor in 2004 beschikbaar waren op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening. Met ingang van 2008 wordt voor het bepalen van de doeluitkering voor deze overige taken een gelijke subsidiemethodiek gehanteerd als die voor de justitiële taken van Bureau Jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat hiervoor ook landelijke normprijzen worden vastgesteld. De provinciale subsidiesystematiek van BJzO is op hoofdlijnen gelijk aan de landelijk gehanteerde P maal-Q-systematiek bij het vaststellen van de Doeluitkering Bureau Jeugdzorg. De landelijke normprijzen die het Rijk hanteert zijn in relatie tussen Rijk en provincie een vast gegeven en vormen de basis voor de vaststelling van de provinciale subsidie aan BJzO. Echter, de provincie kan op basis van de regionale situatie en in het kader van haar verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt mogelijke inzet van de doeluitkering bij het subsidiëren van taken van BJzO besluiten tot het vaststellen van een afwijkend tarief per taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt een marge aangehouden van maximaal 3%. Gedurende de periode waarin nog geen sprake is van landelijk vastgestelde normprijzen voor de niet-justitiële taken van Bureau Jeugdzorg, stellen Gedeputeerde Staten de normprijzen en daarbij te hanteren eenheden vast. Deze overgangsregeling is opgenomen in artikel 7.61. De taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, vormen een uitzondering op deze algemene subsidiesystematiek (zie hieronder). In de subsidieaanvraag geeft BJzO onder meer aan voor welke omvang van de verschillende taken zij subsidie aanvraagt. Op basis van de subsidieaanvraag, het inzicht in het benodigde volume en de omvang van de doeluitkering bepaalt de provincie voor welke omvang zij de taken van BJzO wil subsidiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de subsidiebeschikking stelt de provincie deze omvang en het daarbij te hanteren tarief per taak vast. Zoals eerder is aangegeven kan dit tarief maximaal 3% afwijken van het landelijke normtarief. De op deze manier berekende maximale prestatiesubsidie wordt alleen verleend voor zover de taken waarop de subsidie betrekking heeft worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaande aan de zorg duurzaam verbleven in Overijssel. BJzO moet bij het uitvoeren van de taken zoveel mogelijk in staat worden gesteld aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de behoefte gedurende het jaar. Daarom moet de subsidieaanvraag gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten omvang van de verschillende taken van het bureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de vraagontwikkeling kan de werkelijke kwantitatieve inzet van taken hiervan afwijken. Bij het vaststellen van de prestatiesubsidie gaat de provincie uit van de werkelijke omvang van de uitgevoerde taken en de daarvoor bij de subsidieverlening gehanteerde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde taken, vermenigvuldigd met de vastgestelde tarieven overeenkomen met de maximaal verleende prestatiesubsidie. Alleen wanneer het langs deze weg becijferde totale bedrag lager is dan de maximaal verleende subsidie, kan een lagere prestatiesubsidie worden vastgesteld. Met deze systematiek wordt een maximale flexibiliteit voor BJzO gerealiseerd, om bij de inzet van de beschikbare middelen optimaal aan te sluiten bij de behoefte aan de verschillende taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">BJzO wordt daarmee uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om die taken uit te voeren die gelet op de vraag noodzakelijk zijn, binnen de grenzen van de aan haar door de provincie maximaal verleende subsidie. Uitzondering hierop vormt de subsidiëring van de taak als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, waaronder advies en deskundigheidsbevordering, het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen en het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen. Evenals dit het geval is bij de bepaling van de doeluitkering door het Rijk wordt vanaf het moment dat hiervoor de landelijke normtarieven bekend zijn door de provincie voor deze taak een prestatiesubsidie berekend op basis van een bedrag per jeugdige inwoner in de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbod Voor de subsidiëring van het zorgaanbod ontvangt de provincie een ‘doeluitkering zorgaanbod' van het Rijk. Het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg vormt hiervoor gedurende de eerste drie jaren na inwerkingtreding van de WJZ de basis. Tijdens deze overgangsperiode is nog sprake is van een vooraf vastgesteld budget voor de provinciale doeluitkeringen. Dit vloeit voort uit het Bestuursakkoord Financieel kader WJZ op de Jeugdzorg, zoals dit in 2003 tussen provincies, grootstedelijke regio's, de staatssecretaris van VWS en de minister van Justitie is overeengekomen. Gedurende deze overgangsperiode wordt geleidelijk een nieuwe bekostigingswijze voor de doeluitkering zorgaanbod geïmplementeerd op basis van het advies van Deloitte (‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod').</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg zijn afspraken gemaakt over de invoering van deze landelijke bekostigingssystematiek voor het zorgaanbod, welke naar verwachting met ingang van 2008 wordt ingevoerd. Op hoofdlijnen is daarmee de toekomstige door het Rijk te hanteren bekostigingssystematiek gegeven. Voor de doeluitkering zorgaanbod betekent dit het volgende: deze uitkering wordt gebaseerd op de te verwachten aantallen geïndiceerde zorgeenheden, vermenigvuldigd met een landelijke normprijs voor die zorgeenheden/bekostigingseenheden: prijs (p) x benodigde kwantiteit (q). Deze zorgeenheden worden landelijk omschreven en vastgesteld en vormen daarmee de basis voor de bij provinciale subsidiëring te hanteren bekostigingseenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de invoering van de WJZ is onder meer beoogd te komen tot meer marktwerking in het zorgaanbod, onder andere met als doel een zo efficiënt en effectief mogelijk zorgaanbod te bereiken. Daarom zijn de landelijke normprijzen voor de te leveren zorgeenheden niet bindend voor de te hanteren tarieven bij de subsidiëring van de zorgeenheden door de provincie. De uiteindelijk door de provincie gehanteerde tarieven per zorgaanbieder kunnen verschillen. Dit kan als prikkel worden gebruikt om een zo efficiënt mogelijke uitvoering van zorg te realiseren. Wel vormt het - op basis van de landelijke normprijzen vastgestelde - provinciale totaalbudget voor het zorgaanbod het maximale financiële kader, waarbinnen een op de vraag afgestemd zorgaanbod door de provincie gesubsidieerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de doeluitkering zorgaanbod moet de provincie voldoende zorgaanbod ‘inkopen' bij zorgaanbieders, om de aanspraken op zorg van cliënten te kunnen waarborgen. Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over adequate informatie beschikt over de omvang van de door BJzO geïndiceerde zorgeenheden en over de ontwikkeling hiervan. Bij het invoeren van de landelijke systematiek voor zorgeenheden wordt deze ook gebruikt voor de provinciale subsidiëring van het zorgaanbod. Deze nieuwe landelijke bekostigingssystematiek vormt daarom het vertrekpunt voor onderhavige regels. Via pilots wordt tijdens het implementatietraject onderzocht hoe de uiteindelijke zorgeenheden het best kunnen worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er vindt een praktijktoets plaats op de geadviseerde normprijzen voor de verschillende zorgeenheden. Een en ander krijgt waarschijnlijk in 2006 zijn beslag, waarna in 2007 wordt schaduwgedraaid. Dit betekent dat in 2007 de landelijk te hanteren zorgeenheden nog niet de grondslag kunnen vormen voor de subsidiëring van het zorgaanbod. In verband hiermee is in artikel 7.50, onder d, opgenomen dat Gedeputeerde Staten vaststellen welke zorgeenheden als eenheid voor de subsidiëring van het zorgaanbod worden gehanteerd. Tot het invoeren van de systematiek van zorgeenheden in het kader van de berekening door het Rijk van de doeluitkering zorgaanbod, kunnen Gedeputeerde Staten andere zorgeenheden als bekostigingseenheid vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen om daarbij aan te sluiten op de bekostigingseenheden als gehanteerd in het jaar voorafgaand aan de invoering van de WJZ en de bekostigingseenheden zoals die gehanteerd zijn in de systematiek van de normharmonisatie. Omdat deze uitgaat van tarieven voor variabele kosten is in de overgangsregeling (artikel 7.63) in het 3e lid opgenomen dat Gedeputeerde Staten in de subsidie een bedrag voor accommodatiekosten bepalen. Voor het overige wordt met deze regels aangesloten op de uitgangspunten van de WJZ en de daarop gebaseerde toekomstige landelijke bekostigingssystematiek. In de subsidieaanvraag geeft de zorgaanbieder aan, voor welke zorgeenheden de subsidie wordt aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook geeft de zorgaanbieder aan voor hoeveel en tegen welk tarief voor de verschillende zorgeenheden subsidie wordt aangevraagd. Daarmee heeft de aanvraag het karakter van een offerte. Mede op basis van de subsidieaanvraag en het inzicht in de benodigde zorg bepaalt de provincie welke, hoeveel en tegen welk tarief zij zorgeenheden wenst in te kopen bij de zorgaanbieder. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de prijs die de zorgaanbieder in de aanvraag/offerte heeft opgenomen. De zorgaanbieder en provincie kunnen hierover onderhandelen. Uiteindelijk stellen Gedeputeerde Staten het tarief vast waartegen zij de desbetreffende zorgaanbieder wenst te subsidiëren. Daarbij zal onder meer de gerealiseerde kostprijs van de zorgaanbieder in de voorgaande jaren betrokken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beschikking tot subsidieverlening geeft de provincie aan welke, hoeveel en tegen welk tarief zorgeenheden worden gesubsidieerd. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de normprijzen die het Rijk hanteert voor de vaststelling van de doeluitkering zorgaanbod en kunnen ook voor de verschillende zorgaanbieders verschillen. Ook de mate van detaillering van de zorgeenheden kan afwijken van de landelijk vastgestelde eenheden. Wel moeten de tarieven van de eenheden gedetailleerder zijn opgebouwd en op een transparante en controleerbare manier vertaald kunnen worden naar het niveau van de eenheid van het Rijk. De op deze manier berekende maximale subsidie wordt in principe alleen verleend voor de taken, waarop de subsidie betrekking heeft, die worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de zorg duurzaam verbleven in de provincie Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgaande van een bepaling van de doeluitkering op basis van die hiervoor weergegeven P-maal-Q-systematiek, sluit de omvang van de doeluitkering zorgaanbod aan op de kwantiteit van de aanspraken van cliënten uit de eigen provincie op geïndiceerde zorg. Ook kan de provincie desgewenst zorg inkopen bij zorgaanbieders buiten haar grenzen. Daarmee ligt subsidiëring van zorg voor cliënten uit andere provincies niet langer in de rede. Gedurende de overgangsperiode naar de nieuwe financieringssystematiek wordt een overgangsregeling gehanteerd op grond waarvan in uitzonderingssituaties zorgaanbieders de verleende subsidie, onder bepaalde voorwaarden, ook kunnen aanwenden voor het verlenen van zorg voor cliënten die voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleven in een andere provincie (zie artikel 7.61).</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieaanvraag van een zorgaanbieder moet gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten inzet van de verschillende zorgeenheden. Om zorgaanbieders bij het uitvoeren van de zorg zoveel mogelijk in staat te stellen om gedurende het jaar aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de vraag, geldt de kwantitatieve basis bij toekenning van de subsidie primair als middel ter bepaling van het totaal toe te kennen subsidie voor de uitvoering van zorgeenheden. Afhankelijk van de feitelijke vraagontwikkeling gedurende het jaar kan de werkelijke inzet van zorg hiervan afwijken. Bij het vaststellen van de subsidie gaat de provincie uit van de werkelijk geleverde aantallen zorgeenheden en de daarvoor bij de verlening van subsidie vastgestelde tarieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde aantallen eenheden, vermenigvuldigd met de vastgestelde prijzen overeenkomen met de maximaal verleende subsidie. Wanneer het langs deze weg totstandgekomen totale bedrag lager is dan het maximaal toegekende subsidie, wordt een lagere subsidie vastgesteld. Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor de zorgaanbieder gerealiseerd om bij de inzet van zorg optimaal aan te sluiten bij de door BJzO in de indicatie vastgestelde behoefte aan zorg. Een zorgaanbieder wordt daarmee, binnen de grenzen van de hen door de provincie maximaal verleende subsidie, uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om, mede gelet op haar zorgplicht, die zorg te bieden die gelet op de vraag nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is het zo dat zorgaanbieders in beginsel slechts die zorgeenheden kunnen uitvoeren, die bij de subsidieverlening door de provincie zijn aangegeven. Met andere woorden indien bij een zorgaanbieder geen zorgeenheden in het kader van pleegzorg worden gesubsidieerd, dan komt het uitvoeren van dergelijke eenheden in beginsel niet voor subsidiëring door de provincie in aanmerking. Voor het uitvoeren van voor de zorgaanbieder nieuwe zorgvormen is vooraf toestemming van de provincie nodig, die zich hierbij laat adviseren door BJzO. Ten slotte komen alleen zorgeenheden in aanmerking voor subsidie indien hieraan een geldige indicatie van BJzO aan ten grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de subsidiërende provincie, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bepaald in artikel 7.61.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-750\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.50</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">153[Toelichting: Dit artikel bevat de begripsbepalingen. De begrippen zoals opgenomen in de Wet op de Jeugdzorg zijn hier niet herhaald. Het onderdeel d heeft betrekking op het begrip zorgeenheid. In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg is op basis van het advies van Deloitte ‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod', besloten tot invoering van een bekostigingsstelsel voor de provinciale doeluitkering zorgaanbod op basis van een systematiek van zorgeenheden. Op grond van de WJZ zijn in het Besluit jeugdzorgaanspraken drie aanspraken op jeugdzorg vastgesteld: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek. Deze algemeen geformuleerde aanspraken worden door middel van een indicatiebesluit van een Bureau Jeugdzorg gevestigd. Het indicatiebesluit geeft daarbij een nadere concretisering van de aanspraken op basis van de eisen die daaraan in het Besluit indicatiestelling zijn gesteld. Dit kan leiden tot meerdere concrete pakketjes van zorg die door de zorgaanbieder dienen te worden geleverd en die tevens als eenheid dienen voor de subsidiëring van het zorgaanbod. In 2008 de systematiek ingevoerd dat het Rijk de doeluitkering zorgaanbod berekent op basis van deze zorgeenheden. Tot dat moment stelt Gedeputeerde Staten andere eenheden vast. Zie verder de algemene toelichting.] a. WJZ: de Wet op de Jeugdzorg. b. Uitvoeringsprogramma: het Uitvoeringsprogramma jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WJZ. c. Tarief: het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag, bedoeld voor de subsidiëring van een zorgeenheid. d. Zorgeenheid: een eenheid van jeugdzorg waarop op grond van de WJZ aanspraak bestaat en die door Gedeputeerde Staten als eenheid voor bekostiging van jeugdzorgaanbod zijn aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-751\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.51</span><span class=\"lf-art-t\">Beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 niet van toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.1 is niet van toepassing op subsidies op grond van de WJZ en deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-752\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.52</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">154[Toelichting: Dit artikel bevat de criteria voor het verlenen van prestatiesubsidies voor experimenten.] Gedeputeerde Staten beoordelen bij het verlenen van een prestatiesubsidie voor experimenten of en in welke mate het experiment past in en bijdraagt aan de uitvoering van het door Gedeputeerde Staten gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg als omschreven in het vigerende uitvoeringsprogramma.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-753\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.53</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">155[Toelichting: Dit artikel bevat de grondslag/titel voor de subsidieverlening. Voor subsidiëring van BJzO komen in aanmerking de taken zoals genoemd in de artikelen 5 (indicatiestelling e.d.) en 10 (justitiële taken) van de WJZ. De subsidiëring van de overige uit de WJZ voortvloeiende taken maakt onderdeel uit van de tarieven voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ. Hierin wordt bepaald dat in principe alleen subsidie wordt verleend voor zover de uitvoering van taken betrekking heeft op cliënten afkomstig uit Overijssel. De laatste zin van dit artikel maakt hierop een uitzondering mogelijk. Deze is gedurende een overgangsfase noodzakelijk in verband met de landelijke afspraken over het kader voor de decentralisatie van de voorheen landelijk werkende instellingen die taken van een Bureau Jeugdzorg uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de inrichting van deze overgangsfase voor de afzonderlijke instellingen worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende instellingen en provincies. In de subsidiebeschikking worden de hieruit voortvloeiende aanvullende subsidievoorwaarden vastgesteld. Voor subsidiëring van het zorgaanbod komen in aanmerking de uitvoering van zorgeenheden c.q. bekostigingseenheden, die door de ministers worden gehanteerd voor het vaststellen van de landelijke normbedragen. Op basis van deze landelijke normbedragen wordt de provinciale doeluitkering zorgaanbod door het rijk berekend. Dit is opgenomen in het Besluit uitkeringen jeugdzorg. Deze zorgeenheden komen alleen dan voor subsidiëring in aanmerking indien deze worden uitgevoerd op basis van een daartoe strekkend indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid leidt ertoe dat de subsidiëring slechts betrekking heeft op de uitvoering van zorgeenheden voor cliënten die voorafgaand aan het uitvoeren hiervan duurzaam verbleven in Overijssel. Dit betekent dat de zorgplicht van de zorgaanbieder op grond van de WJZ alleen betrekking heeft op cliënten uit een provincie waarvan Gedeputeerde Staten van die provincie de betreffende zorgaanbieder ook een subsidie hebben verleend voor het uitvoeren van zorgeenheden. Omdat provincies bij het inkopen van jeugdzorg niet gehouden zijn deze in te kopen bij zorgaanbieders in de eigen provincie, kan een zorgaanbieder ook zorg verlenen aan cliënten uit een andere provincie dan de provincie van vestiging van de zorgaanbieder, als de betreffende provincie ook bij deze zorgaanbieder zorg heeft ingekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dit niet het geval is dan kan deze zorgaanbieder geen zorg voor dergelijke cliënten uitvoeren. De betreffende cliënt zal zijn aanspraak op zorg daarom slechts tot gelding kunnen brengen bij een zorgaanbieder, die hiervoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin hij of zij voorafgaand aan het tot stand komen van de aanspraak duurzaam verbleef. Gedurende de overgangsperiode tot aan invoering van de P-maal-Q-systematiek, is echter een uitzonderingsbepaling (artikel 7.61) van kracht, die ertoe strekt het bieden van zorg aan cliënten uit een provincie die geen zorg heeft ingekocht bij de zorgaanbieder, onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken. Dit kan noodzakelijk zijn als gevolg van een nadere uitwerking van de gemaakte landelijke afspraken over de overgangsperiode voor de decentralisatie van enkele voorheen landelijk werkende en landelijk gesubsidieerde zorgaanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij deze afspraken is dat één provincie gedurende deze overgangsperiode als inkoper en daarmee als subsidiënt van deze zorgaanbieders voor meerdere provincies optreedt. De voorwaarden waaronder een dergelijke uitzondering mogelijk is worden in de subsidiebeschikking opgenomen.] De stichting 1. Het bedrag van de aan de stichting per boekjaar te verlenen prestatiesubsidie wordt bepaald op basis van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten stellen deze tarieven vast op basis van de door de minister vastgestelde normbedragen, met een afwijking tot ten hoogste drie procent.</div></div>", "next": 239656}