{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het borgen van de ruimtelijke kwaliteit, ofwel de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde, is een essentieel onderdeel van de Regionale Omgevingsvisie. Vanuit de POL-uitwerking Landelijk gebied wordt in 2016 een Ruimtelijk kwaliteitskader opgezet. Niet alleen als afwegingskader voor nieuwe ontwikkelingen, maar ook vanuit de ruimtelijke component van de opgaven v.w.b. klimaat, water, natuur, landschap en cultuurhistorie zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie faciliteert de regio met tools voor monitoring en evaluatie, met GIS-toepassingen op regionale schaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De POL-uitwerkingen zullen (deels) de status van een structuurvisie krijgen en zullen dus door de afzonderlijke raden moeten worden vastgesteld. Inspraakprocedures worden gezamenlijk en gelijktijdig doorlopen. Gemeenten spannen zich in om, vanuit de ambitie om er in de regio samen uit te komen, te komen tot zoveel mogelijk gelijkluidende besluiten. In overleg met de griffies in de regio wordt begin 2016 de procesgang vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het PHO Ruimte (en indien nodig ook bovenregionaal vanuit de regierol van de provincie) vindt afstemming plaats over: nieuwe initiatieven voor ruimtelijke ontwikkelingen, die vallen binnen de criteria voor regionale afstemming (zie verschillende thema’s); wijzigingen in programma, die vallen binnen de criteria voor regionale afstemming, in lopende projecten en integrate gebiedsontwikkelingen (rekening houdend met de meervoudige doelstellingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De zogenaamde ‘pijplijn’ initiatieven (die weliswaar vallen binnen de criteria, maar nog niet regionaal afgestemd zijn) worden voorjaar 2016 door gemeenten en provincie samen in beeld gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regiobestuurders zitten met mandaat bij het PHO Ruimte (8 tot 10x per jaar) en op uitnodiging van de regio kan de provinciale bestuurder daarbij aanschuiven. Voorjaar 2016 wordt een protocol ontwikkeld waarin deze bestuurlijke afstemming wordt beschreven (denk aan procesgang, rolverdeling, bevoegdheden, wat houdt informeren-afstemmen-instemmen in, wat te doen bij een meerderheidsbesluit, status van adviezen, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gesignaleerde afwijkingen van de afspraken wordt als volgt gehandeld: primair spreken gemeenten elkaar hierop aan; indien dit onvoldoende resultaat heeft, zal de provincie op verzoek van één of meer gemeenten haar beschikbare instrumenten inzetten om naleving van de afspraken te bevorderen; daarnaast kan de Provincie uit eigen beweging haar instrumentarium inzetten om de naleving van de afspraken te bevorderen of af te dwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie neemt in het hoofdstuk Ruimte van de Provinciale Omgevingsverordening bepalingen op om te borgen dat er geen ruimtelijke plannen worden vastgesteld die in strijd zijn met de voorliggende afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging van de afspraken en onderliggende documenten gebeurt alleen in samenspraak tussen alle partners.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Werklocaties Bedrijventerreinen Doel Doel van het nog nader uit te werken regionale bedrijventerreinenvisie en -beleid is te komen tot een consistente regionale programmering en goede ruimtelijke ordening van werklocaties ten behoeve van het behoud en uitbreiding van de lokale en regionale werkgelegenheid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten De basisafspraken en spelregels uit het POL 2014 worden door de regiogemeenten onderschreven en uitgewerkt in de regionale bedrijventerreinenvisie en -beleid dat daarmee in lijn zal zijn met de Ladder van duurzame verstedelijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en provincie onderschrijven het regionale belang en de bijzondere positie van natte bedrijventerreinen en kavels voor milieucategorie 5 bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie onderhoudt het bedrijventerreineninformatiesysteem REBIS op basis van door de terreineigenaren te leveren basisinformatie en stelt dit ter beschikking van de gemeenten. Gemeenten en provincie gebruiken de gegevens uit REBIS als basis voor hun analyses en beleidskeuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en provincie constateren op basis van REBIS dat d.d. 1-1-2015 het bestaande aanbod van bedrijventerreinen (kwantitatief) in voldoende mate in de toekomstige vraag voorziet en tevens niet alle rest- en plancapaciteit terstond uitgeefbaar is en dat er derhalve sprake is van een evenwichtige verhouding tussen aanbod-vraag en er daarom geen directe noodzaak is tot het schrappen van plannen. Wel aandacht voor fasering van (kwantitatieve) uitgifte of (kwalitatieve) invulling, door middel van het bepalen van kansrijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verdere uitwerking van de bedrijventerreinenstrategie staan de volgende uitgangspunten centraal (conform besluit van de 8 gemeentebesturen d.d. 8 oktober 2013): de behoefte van de sector en de klant; herstructurering en leegstandsbestrijding; gedifferentieerd areaal aan bedrijventerreinen; vermindering van de organisatorische versnippering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze waarop de ruimtevraag van bedrijven (bestaand en nieuw) wordt opgepakt is in onderstaande tabel vastgelegd: ruimtevraag van opgepakt door lokaal regionaal bestaande bedrijvigheid 1. individuele gemeente als eerste aan zet 2. inventariseert de vraag vanuit bedrijf 3. faciliteren op bestaande kavel / op bestaand bedrijventerrein gemeente 4. indien onmogelijk opschalen naar regio bijzondere bedrijvigheid 1. regio als eerste aan zet 2. belang regionale economie zeer groot of zeer specifieke eisen aan ruimtevraag (bv: havenactiviteiten, grootschalige bedrijvigheid, hoge milieucategorie starters 1. individuele gemeente als eerste aan zet 2. starters stimuleren en faciliteren 3. doorgroei faciliteren in eigen gemeente 4. indien onmogelijk opschalen naar regio nieuw- vestigers 1. regio als eerste aan zet 2. afstemming over meest geschikte locatie a. in RPO overleggen b. rekening houden met segmentering c. rekening houden met herstructurering Afspraken De verdere uitwerking in 2016 vindt plaats via twee hoofdlijnen: beleid en instrumentarium:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bestaand bedrijf altijd gefaciliteerd moet kunnen worden in de regio en bij voorkeur op een bedrijventerreinenlocatie in de eigen gemeente. Herstructurering en hergebruik vormen hierbij belangrijke instrumenten en is derhalve een door de gemeenten en provincie nader uit te werken thema. Als het bijvoorbeeld nodig is om een kavel eenmalig beperkt uit te breiden (bijvoorbeeld met maximaal 10%) om de verplaatsing van een lokaal gebonden bedrijf te voorkomen (en daarmee mogelijke leegstand) zou dat in goede regionale afstemming mogelijk moeten zijn, zonder dat dit verrekend hoeft te worden in kader van dynamisch voorraad beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij lokale uitbreidingsbehoefte van grootschalige bedrijven de ruimtevraag niet binnen de bestaande lokale voorraad gefaciliteerd kan worden, zullen de gemeenten en de provincie gezamenlijk bezien of er een maatwerkoplossing gevonden kan worden. De randvoorwaarden voor maatwerkaanpak zullen de gemeenten en provincie gezamenlijk uitwerken en in lijn zijn met de uitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de lokale uitbreiding van grootschalige bedrijven, ondanks de gezamenlijke inspanning van gemeenten en provincie, in sommige gevallen uitsluitend via verplaatsing binnen de regio kan worden gefaciliteerd, zullen de gemeenten en provincie gezamenlijk compensatiemaatregelen voor achterblijvende kavels in relatie tot het thema herstructurering of transformatie uitwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het faciliteren van de ruimtebehoefte van nieuwvestigers zal regionaal worden opgepakt. In gezamenlijkheid zullen de gemeenten en provincie de meest geschikte locatie(s) in beeld brengen. Bij de uitwerking van dit onderdeel van het regionale bedrijventerreinenbeleid worden in ieder geval meegenomen de thema’s: ‘segmentering’, ‘schaalgrootte’, ‘herstructurering’, ‘wensen en keuzevrijheid bedrijven’, ‘regionale werkgelegenheid (inzet Werkgeversservicepunt)’ en ‘acquisitie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verdere uitwerking van het bedrijventerreinenvisie en -beleid wordt in de loop van 2016 ook de bedrijventerreinenprogrammering nader uitgewerkt, waarbij geldt dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op basis van de gegevens uit REBIS een mogelijk toekomstig kwantitatief tekort aan bedrijventerrein in de regio wordt voorzien, de gemeenten en/of de provincie het initiatief nemen om in gezamenlijkheid te komen tot een additionele bedrijventerreinontwikkeling in Noord-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er op basis van gegevens uit REBIS en/of door de gemeenten en/of provincie een kwalitatieve mismatch wordt voorzien, zal er in gezamenlijke afstemming tussen en met gezamenlijke instemming van de gemeenten en provincie nieuwe lokale of regionale planvoorraad worden toegevoegd middels lokale of regionale saldering, in achtneming van de uitgangspunten. Ten behoeve hiervan zullen de gemeenten en provincie de randvoorwaarden van saldering, in het kader van het dynamisch voorraadbeheer, nader uitwerken, waarbij rekening zal worden gehouden met de uitgangspunten en afspraak 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en provincie werken in het 1e kwartaal van 2016 de rol en positie van de bestaande ambtelijke RPO’s uit voor de thema’s werklocaties, kantoren en detailhandel (mede in het licht van algemene afspraak 7 en 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de (middel)lange termijn verkennen de gemeenten en provincie de ontwikkeling van één regionaal grondbedrijf. De gemeenten en provincie zullen deze ambitie (middels één of meerdere scenario’s) gezamenlijk uitwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kantoren Doel Doel van het nader uit werken regionale kantorenvisie en -beleid is het behoud en waar mogelijk uitbreiding van de werkgelegenheid in een kwantitatief en kwalitatief passende voorraad aan kantoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten De basisafspraken en spelregels uit het POL 2014 worden door de regiogemeenten onderschreven en uitgewerkt in een regionale kantorenvisie en -beleid dat daarmee in lijn zal zijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitwerking van de regionale kantorenvisie zullen de regiogemeenten en de provincie gezamenlijk de in het POL 2014 benoemde concentratie- en balansgebieden nadere begrenzen en vastleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie stelt periodiek/jaarlijks een kantorenmonitor op en stelt deze ter beschikking aan de regiogemeenten. Gemeenten en provincie gebruiken deze als basis voor hun analyses en beleidskeuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken Bij de verdere uitwerking door de gemeenten en de provincie wordt rekening gehouden met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat er geen transitiegebieden zijn aangewezen in Noord-Limburg, wel concentratie- en balansgebieden in Venlo en Venray (zie tabel). nader te begrenzen in uitwerking concentratiegebied Stedelijk Centrum Venlo (inclusief Kazernekwartier) Venlo Greenpark balansgebied Venlo Noorderpoort Centrum Venray Dat bij nieuwvestigers &lt;500 m2 wo of uitbreiding tot 5OO m2 wo de primaire verantwoordelijkheid ligt bij de individuele gemeente en derhalve op gemeentelijk niveau gesaldeerd zal moeten te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de bestaande kantorenleegstand in Noord-Limburg en de onbenutte plancapaciteit buiten de concentratie- en balansgebieden aandacht behoeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Wonen Doel Het vastleggen van de gezamenlijke ambities, sturingsmechanismen (met instrumenten) en afwegingskaders (kwantitatief en ruimtelijk).</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Partners onderschrijven de in het POL2014 opgenomen algemene Limburgse principes en hanteren die als uitgangspunt. Bovendien zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 regels opgenomen gericht op het bevorderen van een duurzame verstedelijking en het hergebruik van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de grote opgave die er ligt op het gebied van wonen zijn de gemeenten in Noord-Limburg eind 2013 samen met de provincie aan de slag gegaan om een regionale structuurvisie op te stellen. Deze regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg is in de periode november-december 2015 door de colleges van de 8 Noord-Limburgse gemeenten in ontwerp vastgesteld. De provincie heeft daarvan kennis genomen. Besluitvorming in de gemeenteraden is voorzien voor de eerste helft van 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken Partijen zullen uitvoering geven aan de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg (hierna: ‘de Structuurvisie’) op de wijze en binnen de termijnen zoals beschreven in het ontwerp van het document.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten spannen zich in om de vaststelling van de Structuurvisie door de gemeenteraad te laten plaatsvinden vóór 1 mei 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een gemeente de Structuurvisie niet vaststelt op de overeengekomen termijn of gewijzigd vaststelt kan de provincie uit eigen beweging haar wettelijk instrumentarium inzetten om de doorwerking van de Structuurvisie voor die gemeente te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Structuurvisie kan tussentijds niet eenzijdig gewijzigd. Bij noodzakelijke (tussentijdse) wijziging vindt vooraf overleg plaats tussen partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang de Structuurvisie nog niet in werking is getreden, handelen partijen in overeenstemming met de visie, inhoud en werkwijze uit het ontwerp van het document.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen treden met elkaar in overleg wanneer ontwikkelingen in strijd zijn met de bestuursafspraken (zie afspraak 1.7 en 1. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie zal voorzorgbepalingen opnemen in het hoofdstuk ruimte van de Omgevingsverordening Limburg, om te borgen dat er geen bestemmingsplannen (c.a.) worden vastgesteld die in strijd zijn met de gemaakte afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderlinge afstemming, monitoring en evaluatie vinden plaats op de wijze zoals beschreven in de Structuurvisie respectievelijk in documenten die ter uitvoering van de visie gezamenlijk worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de structuurvisie (waarin een regionaal afwegingskader is opgenomen voor nieuwe initiatieven) wordt voor 31 december 2016 een regionale woningprogrammering opgesteld, gebaseerd op de lokale afwegingen (bottum-up).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afspraken zijn geldig tot en met het einde van de geldigheid van de nog vast te stellen Structuurvisie. De afspraken kunnen alleen na onderling overleg worden gewijzigd na instemming van alle partijen tot de voorziene herijking in 2019.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Energie Doel Doel van de nader uit te werken regionale energievisie en het actieprogramma is het realiseren van een meer energieonafhankelijkere regio met een economisch gezonde woon-, werk- en leefomgeving, welke geschikt is voor toekomstige generaties.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten De regio ondersteunt de ‘Parijsverklaring’ van het Klimaatverbond. Dit houdt in dat de regio zich maximaal inzet op het treffen van maatregelen die leiden tot een klimaat-neutrale regio. Dit vormt de input en impuls voor het realiseren van de Regionale Energievisie Noord Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Energiestrategie Beesel-Venlo-Venray is onderdeel van de uit te werken visie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de provincie aangeleverde nulmeting en gebruikte methodiek vormen de basis voor een, nog op te zetten, jaarlijkse energiemonitoring voor de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provincie stelt kansenkaarten voor de duurzame energiebronnen beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken Op basis van de huidige stand van zaken kunnen de volgende procesafspraken geformuleerd worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en de provincie leveren maximale inspanning om de doelen uit het nationale energieakkoord te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en provincie stellen in 2016 de Regionale Energievisie vast met daarin een strategie gericht op faciliteren/stimuleren en een bijbehorend actieprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Focus van de strategie ligt op: het stimuleren van energiebesparing bij de grootverbruikers in de regio en onderzoeken of het mogelijk is om de financiële prikkel daartoe te beïnvloeden het stimuleren van stakeholders om duurzame energie opties te ontwikkelen waarvan in de regio de meeste potentie aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regio werkt deze visie uit op basis van de kansenkaarten voor zon, wind, geothermie en biomassa, Op basis van de kansenkaarten formuleren regio en provincie in 2016 samen voor welk aandeel duurzame energie te realiseren is in de regio Noord Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uiteindelijke regionale energievisie zal bestaan uit het benoemen van potentieel per duurzame energiebron, de kansenkaarten en een set van kwaliteitsprincipes (als input voor het Ruimtelijk Kwaliteitskader: zie bestuursafspraak 1.3) De provincie neemt de jaarlijkse energiemonitoring op zich.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Detailhandel Doel De regiogemeenten willen Adequaat inspelen op ontwikkelingen en trends in de markt zodat een gezond en gedifferentieerd winkelklimaat1Met winkelklimaat wordt bedoeld het ondernemersklimaat, het voorzieningenniveau en de ruimtelijke kwaliteit van de winkelgebieden in stand blijft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Behoud en versterking van bestaande detailhandelsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit in plaats van kwantiteit (het nieuwe groeien).</p>\n<p class=\"lf-p\">Innovatie en dynamiek in de detailhandel op verantwoorde wijze faciliteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaalvergroting op de juiste plek faciliteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Clusters van volumineuze en grootschalige detailhandel dienen complementair te zijn aan bestaande winkelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken De basisprincipes en spelregels uit het POL 2014 worden door de regiogemeenten onderschreven en zijn de basis voor het regionale en lokale detailhandelsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige initiatieven met een bovenlokaal/regionaal effect worden ter instemming voorgelegd aan de regiogemeenten. Als toetsingscriterium geldt daarbij onder andere of het initiatief meerwaarde heeft voor de regionale detailhandelsstructuur en of voldoende rekening is gehouden met mogelijke ongewenste effecten. Het gaat daarbij om de volgende initiatieven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige initiatieven met een bovenlokaal/regionaal effect Algemeen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft detailhandelsactiviteit die in afwijking is van het bestemmingsplan en die betrekking heeft op een bruto toevoeging of wijziging van de branchering van: &gt; 2.500 m2 bij een: bovenregionaal verzorgend centrum; regionaal verzorgend centrum Bovenlokaal verzorgend centrum stadsdeel verzorgend centrum regionaal cluster met volumineuze detailhandel &gt; 1.000 m2 bij een: lokaal verzorgend centrum alle overige centra en solitaire locaties Concentratie van detailhandel in perspectiefvolle, elkaar aanvullende, winkelgebieden is van groot belang. Om dit versterken gaan de regiogemeenten in 2016: de specifieke opgave per winkelgebied aanscherpen; de onbenutte plancapaciteit en restcapaciteit/leegstand buiten de winkelgebieden in beeld brengen; de winkelgebieden concreet afbakenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met als doel om op termijn restcapaciteit/leegstand buiten de afgebakende winkelgebieden te saneren. Middels de regionale detailhandelsvisie wordt voorzienbaarheid gecreëerd. Tevens wordt onderzocht welke mogelijkheden (bv. instrumentarium) er zijn om te herstructureren c.q. saneren/transformeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstemming tussen de bovenregionaal verzorgende centra, zoals Roermond en Venlo, is ook van groot belang voor een gezond en gedifferentieerd winkelklimaat. De regionale afstemming voorziet niet in deze afstemming. In samenspraak met betrokken gemeenten zal de provincie de afstemming tussen regionale centra verzorgen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Vrijetijdseconomie Doel Het ruimtelijke beleid ten aanzien van de vrijetijdseconomie moet voorwaarden scheppen pm toerisme en recreatie de ruimte te geven en negatieve factoren voor de sector te beperken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten We willen een verblijfsrecreatie sector die gericht is op het aanbieden van een breed scala aan verblijfsmogelijkheden, verspreid over Noord-Limburg gevestigd en kwalitatief goed op peil. Het aanbod kenmerkt zich door diversiteit en voldoet zodoende aan de vraag van de klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">We willen een aantrekkelijke, gastvrije regio zijn voor dagrecreanten met een evenwichtige mix van groot- en kleinschalige voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het versterken van de toeristisch-recreatieve functie van de Maas c.q. het Maasdal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken In lijn met de visie zijn de bestuursafspraken gegroepeerd rondom de 3 invalshoeken verblijfsrecreatie, dagrecreatie en De Maas. De onderliggende analyse en toelichting (Regionale uitwerking POL Vrijetijdseconomie Noord-Limburg) dient als onderbouwing en maakt onverbrekelijk deel uit van de navolgende bestuursafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijfsrecreatie Gemeenten en provincie zetten in op de komst van een regionaal expertteam, dat aan de hand van een afwegingskader, nieuwe en uitbreidingsplannen toetst op het terrein van verblijfsrecreatie. Status, rol, reikwijdte e.d. van dit expertteam wordt in 2016 uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal in principe geen medewerking worden verleend aan plannen tot nieuw vestiging van verblijfsrecreatie (campings en bungalowparken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe verblijfsrecreatie (campings en bungalowparken) is mogelijk mits: kwaliteit wordt toegevoegd; met positief advies van het expertteam; verevening van toeristische capaciteit plaats vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding van bestaande verblijfsrecreatie (campings en bungalowparken) is mogelijk indien: de uitbreiding bijdraagt aan kwaliteitsverbetering/transformatie; met positief advies van het expertteam; bij uitbreiding &gt;25%: verevening van toeristische capaciteit boven 25% plaats vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provincie en gemeenten verkrijgen inzicht in alle harde en zachte plannen op het terrein van verblijfsrecreatie. Deze cijfers vormen de basis voor de verdere monitoring op dit terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regio en provincie trekken samen op om met de hoofddirecties van ketens van bungalowparken tot ontwikkelplannen ter verbetering van de toeristische aantrekkingskracht te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten organiseren werkateliers waarin belanghebbenden, onderwijs, brancheverenigingen, overheden en bedrijfsleven samenwerken aan vraaggerichte cases.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving van onrechtmatige huisvesting moet worden opgepakt door de samenwerkende gemeenten. De provincie beziet in hoeverre zij daarbij een faciliterende/ondersteunende rol kan spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Woonvisie is leidend ten aanzien van huisvesten van arbeidsmigranten en permanente bewoning op recreatieparken, met dien verstande dat nieuwe huisvesting van arbeidsmigranten op recreatieparken en permanente bewoning onwenselijk is en moet worden voorkomen. Bestaande huisvesting van arbeidsmigranten willen we afbouwen, zodra elders huisvesting mogelijk is. Ontwikkelingen met betrekking tot dit thema zullen dan ook in onderling overleg worden opgepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagrecreatie Het leefstijlenmodel gebruiken we om nieuwe ontwikkelingen te beoordelen op haalbaarheid en wenselijkheid. Niet meer van hetzelfde maar op basis van dit model kijken waar nog kansen liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten maken een kaart met het huidige aanbod aan dagrecreatie voorzieningen. Een dergelijke kaart inspireert/voedt de regio om duidelijk te krijgen over beleid en afstemming van voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten informeren elkaar over grote, bovenregionale evenementen en verwijzen zo nodig naar elkaars evenemententerreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten zullen de bestaande routenetwerken verder door ontwikkelen en inzetten op het versterken van de synergie met het dagrecreatieve aanbod. Waar mogelijk worden nieuwe routevormen toegevoegd, bestaande routes verbeterd, en beter op elkaar aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">We werken aan een betere afstemming tussen overheid, onderwijs en bedrijfsteven met als doel om te komen tot instrumentarium dat leidt tot de gewenste professionalisering van de dagrecreatie voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">We streven er naar om op basis van kwaliteit en maatwerk per gemeente horeca aan routestructuren in het buitengebied, zogenaamde pleisterplaatsen, mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten willen afstemmen over nieuwe dagrecreatieve voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regio zet samen met de provincie en betrokken organisaties in op het beter verbinden en vermarkten van de grote natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteit van natuur en landschap vanuit de toerist gezien dient een integraal afwegingscriterium te zijn bij alle ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit de POL-uitwerking Landelijk gebied zal een overkoepelend ruimtelijk kwaliteitskader (zie afspraak 3 in het algemene deel) worden ontwikkeld, hierbij zal recreatie en toerisme een van de afwegingscriteria zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Maas Ruimtelijke afstemming in de regio over meer ‘grootschalige’ speerpuntlocaties voor toeristische ontwikkelingen aan en op de Maas (in lijn met afspraak 6 uit het algemene deel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Creëren gezamenlijk draagvlak met stakeholders, voor projecten als natuurvriendelijke oevers, dagstrandjes, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Creëren gezamenlijk draagvlak met stakeholders, voor toeristisch-recreatieve projecten (zoals Fietsen langs de Maas) met inbegrip van het realiseren van ontbrekende schakels.</p>\n<p class=\"lf-p\">We gaan in overleg met de provincie en RWS om te proberen te komen tot verruiming van de strenge en beperkende regels voor het watervoerend winterbed van de Maas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met in acht name van het POL2014 brengen gemeenten gezamenlijk de toeristisch-recreatieve belangen in bij het invullen van de Delta-opgave voor de Maasvallei (uitwerking voorkeursstrategie t.b.v. het Regionaal Uitvoeringsprogramma Limburgse Maasvallel De gemeenten blijven investeren in de toeristische aantrekkingskracht van de dorpskernen langs de Maas. Hierdoor moet een keten van pleisterplaatsen ontstaan waar de Maas kan worden beleefd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Landelijkgebied Inleiding Het landelijk gebied van de regio Noord-Limburg is divers van karakter; bestaande uit beekdalen, ontginningsgebieden en stuifduinengebied, terwijl ook het gebruik van dit landschap sterk varieert: natuurgebieden, concentraties intensieve veehouderij, recreatiegebieden en woongebieden. Om in de toekomst voldoende ontwikkelingsruimte te blijven bieden voor alle gebruikers is het belangrijk om keuzes te maken die afgestemd zijn op de ontwikkelingen en de wensen van die gebruikers.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten De ontwikkeling van de landbouw kenmerkt zich door schaalvergroting en nieuwe allianties bij de blijvers en door leegstand bij de stoppende bedrijven. Tegelijkertijd is groeiende aandacht voor de gevolgen van de schaalvergroting voor landschap en gezondheid. Vanuit het thema Vrijetijdseconomie wordt benadrukt dat een aantrekkelijk landschap een belangrijk decor is voor de toeristische voorzieningen in onze regio. En niet in de laatste plaats vormt een goed leef- en woonklimaat in het buitengebied een belangrijke randvoorwaarde voor alle bewoners van onze regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee staat de regio voor de opgave om in de regionale POL-uitwerking Landelijk Gebied de volgende zaken uit te werken én met elkaar in balans te brengen: faciliteren van de dynamiek in de landbouw; ruimtelijke kwaliteit behouden (afwegingscriteria voor nieuwe ontwikkelingen) en versterken (opgaven op het gebied van klimaat, water, natuur, landschap en cultuurhistorie); verbeteren van het leef- en woonklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken Deze ambitie wordt door middel van bestuursafspraken geconcretiseerd. Deze afspraken bestaan uit een mix van beleidsstandpunten en vooral procesafspraken. De analyse en de bestuursafspraken vormen een basis voor een regionale POL-uitwerking Landelijk Gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelruimte landbouw Afspraak 7.1 De ontwikkelruimte voor de landbouw wordt beschreven aan de hand van een regionaal ruimtelijk kwaliteitskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting De landbouw is gebaat met een helder toekomstperspectief waarbij duidelijk is waar zij welke ontwikkelingsmogelijkheden hebben. Streven is te komen tot één regionaal ruimtelijk kwaliteitskader waarin de economische, belevings- en toekomstwaarde van het gebied wordt beschreven. De kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen vormt een belangrijk gegeven. Evenals het absorptievermogen dat een gebied heeft om bedrijfsontwikkelingen in te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitwerking van deze bestuursafspraak hangt samen met de uitwerking van de hierna genoemde bestuursafspraken en met de intentie om een regionaal Ruimtelijk kwaliteitskader op te stellen (zie afspraak 1.3). Ten behoeve van het ruimtelijk kwaliteitskader worden in ieder geval de volgende zaken uitgewerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een heroverweging van het areaal ontwikkelingsgebieden glas dat beschikbaar is op basis van beleid en plannen, aangezien dit niet meer is afgestemd op de uitbreidingsbehoefte van de glastuinbouw. Deze heroverweging (mede op basis van de evaluatie van het Reconstructiebeleid) bestaat uit: het (lokaal) heroverwegen van de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw onder andere op basis van infrastructurele knelpunten, landschappelijke kwaliteiten, marktvraag, etc.; onderzoek welk hergebruik van de ruimte binnen de ontwikkelingsgebieden mogelijk is. In ieder geval wordt gedacht aan intensieve teelten en eventueel agglomeratielandbouw; de lokale heroverwegingen worden regionaal afgestemd vanwege de regionale samenhang (bv. regionale ambities met betrekking tot de Greenport Venlo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het creëren van ontwikkelingsruimte voor de intensieve teelten aangezien de volle grond tuinbouw zich ontwikkelt naar een intensieve teelt waarbij wordt onderzocht: welke impact de verschillende (intensieve) teeltondersteunende voorzieningen (hoog, laag, tijdelijk, permanent) hebben op het landschap en de ruimtelijke kwaliteit; welke gebieden lenen zich bij uitstek voor grootschalige (nieuwe) initiatieven waarbij in ieder geval wordt onderzocht welke Ontwikkelingsgebieden Glas hiervoor ingezet kunnen worden?</p>\n<p class=\"lf-p\">De regiogemeenten stellen gezamenlijk uitgangspunten op over de ontwikkelingsruimte voor agglomeratielandbouw waarbij met name wordt uitgewerkt: welke agglomeratielandbouw is passend op bedrijventerreinen en onder welke voorwaarden is vestiging in het buitengebied mogelijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">De regiogemeenten stellen gezamenlijk uitgangspunten op over de incidentele nieuwvestiging van intensieve veehouderijbedrijven waarbij uitgegaan wordt van een per saldo kwalitatieve verbetering van het leefklimaat er van uitgaande dat er sprake is van een verplaatsing naar een duurzame vestigingslocatie: onderzocht wordt of en hoe het principe dynamisch voorraadbeheer binnen het landelijk gebied kan worden toegepast. Daarbij wordt ook het vraagstuk rondom leegstand betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mestverwerking Afspraak 7.2 Het uitgangspunt is dat er binnen de regio voldoende verwerkingscapaciteit is voor het mestoverschot uit de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regiogemeenten faciliteren de bestaande mestverwerkingsinitiatieven, waarbij voor grootschalige initiatieven in eerste instantie ingezet wordt op vestiging op bedrijventerreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een periode van een jaar zetten de regiogemeenten een regionaal monitoringssysteem op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe initiatieven dienen verdergaande vormen van duurzame mestverwerking te omvatten en worden gezamenlijk binnen de regio en met de provincie afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting In de regio is sprake van een mestoverschot. De regiogemeenten vinden dat er regionaal voldoende verwerkingscapaciteit voorhanden moet zijn om het mestoverschot uit de regio te verwerken. De veehouderij is aan zet om zorg te dragen voor de benodigde verwerkingscapaciteit op boerderijniveau of door te participeren in grootschalige verwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit inventarisatie blijkt dat de bestaande initiatieven voor het realiseren van grootschalige mestverwerking voldoende is om een balans tussen mestproductie en mestverwerking te realiseren. Bij grootschalige mestverwerking zijn infrastructuur en eventuele effecten op de omgeving (zoals ammoniak en geur) belangrijke factoren. Daarmee vormen bedrijventerreinen een goede locatie voor grootschalige mestverwerking. Vestiging in het buitengebied wordt niet uitgesloten mits er geen locatie op het bedrijventerrein beschikbaar is, de locatie geschikt is (goede infrastructuur en omgevingskwaliteit) en de aanvoer met name uit de directe omgeving komt. Bestaande (grootschalige) mestverwerkingen in het buitengebied, die op een passende locatie in het buitengebied liggen, kunnen door ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ervaring leert dat niet alle initiatieven worden gerealiseerd. Het is van belang om regionaal de verwerkingscapaciteit en initiatieven te monitoren om inzicht te hebben of er voldoende capaciteit is of ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In samenhang met de POL uitwerking Energie hebben duurzame vormen van mestverwerking de voorkeur. Het gaat om initiatieven waarbij het gaat om het opwekken van energie, het produceren van gas en/of elektriciteit en het vervaardigen van minerale concentraten. De regiogemeenten zullen, bij concrete initiatieven,-samen onderzoeken op welke wijze zij extra kunnen faciliteren. Afstemming over gevallen bedoeld onder 2b en 2d vindt plaats om de balans tussen geproduceerde mest en te verwerken mest te bewaken maar biedt partijen ook inzicht in verschijningsvormen van verdergaande vormen van duurzame verwerking. Waar het gaat om initiatieven die in de nabijheid liggen van provinciegrenzen worden die ook afgestemd met de desbetreffende provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leegstand Afspraak 7.3 De regiogemeenten stimuleren het verminderen van leegstand door het ontwikkelen van instrumentarium voor hergebruik en sloop van vrijgekomen agrarisch vastgoed, waarbij in ieder geval ingegaan wordt op: of het wenselijk is om een koppeling aan te brengen tussen nieuw agrarisch vastgoed en het voorkomen of verminderen van leegstand en zo ja, hoe; gezamenlijk met de provincie de verplichting tot asbestverwijdering in samenhang met de leegstandproblematiek (of hergebruiksmogelijkheden) stimuleren; gezamenlijk met de provincie onderzoeken of een monitoring van leegstaand agrarisch vastgoed haalbaar en noodzakelijk is voor het te ontwikkelen instrumentarium; onderzoeken of samen een excessenregeling kan worden gecreëerd om te kunnen ingrijpen bij ongewenste verrommeling als gevolg van leegstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regiogemeenten stellen een regionale aanpak plattelandswoningen op dat dient als een handvat voor een lokale uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting De verwachting is dat de leegstand van agrarisch vastgoed de komende jaren toeneemt, met als gevolg verrommeling en wellicht oneigenlijk gebruik. Om verdere leegstand te voorkomen is het bestaand instrumentarium ontoereikend. Bij het ontwikkelen van nieuw instrumentarium wordt ingezet op de prioriteitsvolgorde: hergebruik binnen de agrarische sector; hergebruik door andere niet-agrarische gebruikers; sloop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aandachtspunten hierbij zijn verder het hergebruik van monumenten en beeldbepalende objecten en de gevolgen van het asbestverbod voor daken in 2024 (en bekijken of energietransitie een oplossing kan bieden). Op basis van de prognoses is de verwachting dat sloop onvermijdelijk is. Een (provinciale) sloopregeling in combinatie met een subsidieregeling die gericht is op kwaliteit (sloop in ‘kwetsbare gebieden’) is wenselijk. Onderzocht wordt of en zo ja, op welke wijze nieuwbouw van (agrarische) bedrijfsgebouwen gepaard kan gaan met sloop elders. Bij het ontwikkelen en inzetten van het nieuwe pallet aan instrumenten is inzicht in en monitoring van de leegstand (prognoses, feitelijke gegevens, kwaliteit, locaties) van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regelgeving omtrent plattelandswoningen staat momenteel onder druk door jurisprudentie. Een gezamenlijke aanpak is gewenst om enerzijds in gesprek te gaan met de Rijksoverheid, anderzijds om gezamenlijk de jurisprudentie te vertalen naar gemeentelijk beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schone stallen Afspraak 7.4 De regiogemeenten werken samen onder regie van de provincie in 2016 aan de uitwerking van de ambitie Schone stallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Naast de schaalvergroting binnen de veehouderij (zie afspraak 1 over ontwikkelruimte landbouw) speelt ook het onderwerp Schone stallen. De ambitie Schone stallen dient te worden vertaald naar concrete doelen op basis van wat technisch, financieel en maatschappelijk haalbaar is en passend binnen het op te stellen ruimtelijk kwaliteitskader (zie afspraak 3 in het algemene deel). Omdat dit telkens kan veranderen worden gezamenlijk regelmatig de doelen herijkt en bijgesteld. In ieder geval richt de uitwerking zich op de volgende onderdelen: uitwisseling van kennis en expertise; het opstellen van een monitoringssysteem; onderzoek hoe om te gaan met latente ruimte en het voorkomen van opvulling van normen; heroverwegen van het gemeentelijk geurbeleid (mede op basis van nieuwe regelgeving en in relatie tot de nieuwe inzichten op het gebied van gezondheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus opgemaakt en ondertekend in 9-voud:</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens de gemeente Bergen, Dhr. B.J.M. Buiting Namens de gemeente Beesel, Dhr. J.J.L. Smolenaers Namens de gemeente Gennep, Dhr. J.P.M. Welles Namens de gemeente Horst aan de Maas Dhr. P.E.M. Driessen Namens de gemeente Mook en Middelaar Dhr. G.J.M. Wienhoven Namens de gemeente Peel en Maas Dhr. A.G.P. Janssen Namens de gemeente Venlo Dhr. mr. J.H.G.M. Teeuwen Namens de gemeente Venray Dhr. M.P.J. van der Putten Namens de provincie Limburg Dhr. J.M.T. Teunissen Bijlage 2 behorende bij Paragraaf 2.4 van de Omgevingsverordening Limburg 2014:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursafspraken Midden-Limburg POL2014 Bestuursafspraken Midden-Limburg POL 2014 De ondergetekenden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten van Limburg, in deze vertegenwoordigd door de heer H. Teunissen, gedeputeerde en handelende ter uitvoering van het besluit van de Gedeputeerde Staten van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Provincie’; en Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar wethouder de heer J. Wackers, en handelende ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren, van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Gemeente’, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar wethouder de heer P. Verlinden, en handelende ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leudal, van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Gemeente’, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar wethouder de heer J. Lalieu, en handelende ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Gemeente’, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nederweert, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar burgemeester de heer H. Evers, en handelende ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nederweert, van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Gemeente’, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roerdalen, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar wethouder de heer C. Wolfhagen, en handelende ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roerdalen, van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Gemeente’, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar burgemeester mevrouw R. Donders — de Leest, en handelende ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Gemeente’, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar burgemeester de heer J. Heijmans, en handelende ter uitvoering van het besluit van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, van 2 februari 2016, hierna te noemen ‘de Gemeente’, hierna gezamenlijk te noemen: ‘partijen’, Algemeen Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het POL2014 vastgesteld. Het is een integrale visie op wat er nodig is om de kwaliteit van onze fysieke omgeving te verbeteren, met als centrale ambitie het realiseren van een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat. POL2014 is in co-creatie met alle Limburgse gemeenten en stakeholders tot stand gekomen, met als motto ‘Limburg is van ons allemaal'. In POL2014 staan de regio’s centraal. Het plan bevat vanuit dat perspectief ook een samen met de gemeenten opgesteld visie op Midden-Limburg waarin de kansen en uitdagingen voor deze regio in het fysieke domein centraal staan. In het POL is beschreven hoe we als overheden samen met marktpartijen en maatschappelijke organisaties ervoor moeten zorgen dat we kansen daadwerkelijk benutten en de grote uitdagingen, zoals het wegnemen van de mismatch tussen vraag en aanbod van woningen, winkels, kantoren, bedrijventerreinen en verblijfsaccommodaties en de energietransitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een van de belangrijkste uitvoeringslijnen van het POL2014 is de totstandkoming van uitwerkingen per regio voor de thema’s wonen, bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel, energie, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie. Daarin vindt een concretisering plaats van de algemene opgaven en principes uit POL2014. De gemeenten in Midden Limburg zijn samen met de Provincie en stakeholders voortvarend aan de slag gegaan met deze regionale uitwerkingen. Dit heeft geresulteerd in de voorliggende bestuursovereenkomst met afspraken tussen de zeven colleges van B&amp;W in Midden-Limburg en het college van GS over deze thema’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van de afspraken over het thema wonen hebben de afspraken nog vooral het karakter om binnen afgesproken termijnen zaken nader uit te werken en te verankeren. De verwachting is dan ook dat de afspraken in de loop van 2016 of begin 2017 worden aangevuld en op onderdelen aangescherpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regionale ambitie In de Gezamenlijke ambitie ‘Samenwerking werkt!!!, Agenda van Midden-Limburg’ is de volgende ambitie geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Midden Limburg ligt centraal aan weerszijden van de Maas omringd door belangrijke stedelijke en economische concentratiegebieden. Onze regio vormt tegelijk een groene oase, een verbindingsknooppunt en een aantrekkelijke woon/leefomgeving met zowel stedelijke dynamiek als landelijke rust en ruimte. Samenwerking tussen gemeenten en onze maatschappelijke partners is er op gericht deze groene, verbindende en aantrekkelijke identiteit te behouden en waar nodig te versterken. Door deze samenwerking dragen we bij aan een innovatieve en duurzame ontwikkeling van onze regio. Zo'n organische ontwikkeling genereert blijvend welvaart en welzijn voor onze inwoners. Deze identiteit en de langjarig opgebouwde kwaliteiten van onze regio zijn het vertrekpunt voor onze visie op de toekomst. Onze regionale identiteit is te vangen in drie kernbegrippen: Groen, Verbindend en Aantrekkelijk. ‘Midden-Limburg vormt het hart van grote metropolen. In die zin is het niet Midden-, maar Centraal-Limburg.’ Riek Bakker, Het oog van Midden-Limburg Regiovisie 2008 Het is aan de Samenwerking in Midden-Limburg (SML) om burgers en marktpartijen te prikkelen om met ideeën te komen, actief verschillende initiatiefnemers aan elkaar te koppelen, beleidsmatige, financiële en planologische flexibiliteit te scheppen binnen heldere kaders. Kortom: invulling geven aan een inspirerende en faciliterende rol. Voor samenwerking in de regio hanteren we als overheden – samen met partners uit onderwijs en bedrijfsleven – de volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgaan van het bestaande, we nemen de kracht die ons als regio kenmerkt als vertrekpunt en koesteren de variëteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarde-creatie vindt pleats in co-creatie met partners, zoals Keyport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het betrekken van partners richten we ons niet enkel op de bekende boegbeelden, niet alleen op de tussentijd en niet alleen op Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerking in Midden-Limburg gebeurt volgens het netwerkconcept op basis van wens, behoefte en vrijwilligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerking kost tijd en die nemen we.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursafspraken werkveld Landbouw en Natuur Doel en werkwijze Het doel zoals omschreven in de Startnotitie regionale landbouw- en natuurvisie Agenda Samenwerking Midden-Limburg is het uitgangspunt van deze bestuursovereenkomst: een breed gedragen regionale landbouw- en natuurvisie voor Midden-Limburg Om dit te bereiken wordt de regionale landbouw- en natuurvisie voorzien van een:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursovereenkomst (tussen gemeenten en ‘bekrachtigd’ door de provincie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezamenlijk toekomstbeeld met ambitie en doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorlopende thematische agenda met uitwerking van de strategie voor de verdere aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concrete resultaten in de vorm van initiatieven c.q. projecten in de diverse themalijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzet voor de ontwikkeling van een flankerend monitoringsysteem voor de benoemde thema’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschrijving van gewenste regionale overlegstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerking binnen de regio en met provincie Partijen hebben de intentie om binnen het werkveld Landbouw en Natuur samen te werken. De samenwerking is er op gericht om de inspirerende stimulerende en faciliterende rol van de overheid in het werkveld vorm te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het invulling geven aan deze nieuwe rol en verantwoordelijkheid vraagt om samenwerking binnen de overheid, i.c. van gemeenten, provincie en rijk. leder afzonderlijke schakel in de overheidsketen dient zich bewust te zijn van zijn plaats in de totale overheidsketen en het handelingsperspectief dat daarbij past.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de geschetste context bestaat binnen de regio behoefte aan samenwerking op het terrein van landbouw en natuur. Het gaat hierbij enerzijds om het uitwisselen van informatie en kennis tussen de gemeenten onderling en tussen gemeenten en provincie en anderzijds om het instellen van een samenwerkingsverband. De invulling van dit samenwerkingsverband behoeft nadere uitwerking. Er wordt hierbij gedacht aan het vervullen van een rol bij aanvragen waarvoor specifieke deskundigheid of regionale afstemming gewenst is, zoals initiatieven voor mestverwerking of de regionale behoefte bij de invulling van vrijkomende agrarische bebouwing. Ook kan een samenwerkingsverband verbindende rol spelen tussen overheid en het maatschappelijk middenveld/ondernemers bij de diverse thema’s binnen LEN.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast maakt de regio afspraken over de wijze van samenwerking binnen het werkveld. Het gaat hierbij om zaken zoals bij welke initiatieven wordt samengewerkt, op welke wijze vindt afstemming plaats en wat is de rol van gemeenten en provincie hier in. Een belangrijk doel is het scheppen en benutten van kansen voor een duurzame sociaal-economische ontwikkeling van het platteland, met name op het gebied van landbouw, natuur en voor een aantrekkelijk woon-, werk-, en leefklimaat. Zolang deze afspraken nog niet zijn geconcretiseerd vindt afstemming binnen het werkveld plaats door middel van agendering bij het ambtelijk en bestuurlijk overleg LEN.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de gewenste regionale overlegstructuur te bereiken, worden de volgende afspraken gemaakt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen onderzoeken de mogelijkheden om een samenwerkingsverband vorm te geven en in te richten in de regio dat ter ondersteuning van de samenwerking op gebied van landbouw en natuur een verbindende rol speelt. Hierbij wordt aangesloten op al bestaande regionale overlegorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen maken afspraken over de mate waarin en de wijze waarop ze binnen SML-LEN als daarbuiten samenwerken en elkaar informeren over initiatieven die zich voordoen binnen het werkveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang de afspraken onder 1. en 2. niet zijn uitgewerkt is afstemming binnen het werkveld LEN gericht op het ophalen van informatie en elkaar informeren over mogelijke samenwerking via ambtelijk en bestuurlijk overleg LEN (procesmatigheid en inspanningsverplichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen werken mee aan het in beeld brengen van informatie die nodig is om de thema’s uit te werken (informatiemanagement).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schone stallen en latente ruimte Partijen zijn zich ervan bewust dat de structuur van de agrarische sector verandert. Er is sprake van schaalvergroting, ketenverlenging en maatschappelijk debat over geur en gezondheid. Om die reden willen partijen gezamenlijk toewerken naar schone stallen in 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebleken is dat de urgentie om het thema schone stallen aan te pakken met name aanwezig is bij de gemeenten Weert, Nederweert en Leudal. Zij gaan zich in 2016 onder regie van de provincie hiervoor inzetten. De overige gemeenten blijven via het ambtelijk en bestuurlijk overleg LEN betrokken bij het proces. Onderzocht wordt of op dit thema samenwerking met gemeenten in Noord-Limburg mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te komen tot schone stallen in 2015 worden door partijen de volgende afspraken gemaakt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten Weert, Nederweert en Leudal werken onder regie van de provincie samen aan de uitvoering van een plan van aanpak om te komen tot een blijvende vermindering van uitstoot van emissies van agrarische bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer concreet betekent dit dat deze partijen zich in 2016 inzetten voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opzetten van een monitoringssysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het experimenteren met innovatieve systemen door gebruik te maken van de mogelijkheden van de proefstal status uit de Regeling Ammoniak en Veehouderij (RAV), en de toekomstige mogelijkheden van de nieuwe omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar gedragen normen in gemeentelijke geurverordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar mogelijkheid om opvulling van normen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitwisseling van kennis en expertise.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een visie over hoe om te gaan met latente ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen worden regio breed afgestemd voordat ze worden ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mestverwerking Partijen hebben een voorlopige leidraad op mestverwerking opgesteld. De leidraad is als bijlage bij de bestuursafspraken gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gewerkt vanuit een drie-sporen aanpak waarbinnen de initiatieven beoordeeld worden. Bij mestbe- en verwerking van meerdere bedrijven samen of op industriële schaal wordt een deskundigenpool ingeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidraad heeft een impact op het ruimtelijk beleid van de gemeenten en wordt derhalve eerst ter instemming voorgelegd aan de gemeenteraden, met uitzondering van de gemeenten Weert en Roerdalen. De leidraad kan echter geen bestemmingsplannen, die ‘soepeler’ zijn dan de leidraad buiten werking stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidraad is voorlopig en zal na een jaar geëvalueerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen spreken hierover af dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidraad ter instemming voor wordt gelegd aan de gemeenteraden, met uitzondering van de gemeenten Weert en Roerdalen waar deze ter kennis wordt gebracht aan de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gezamenlijke leidraad minder toe staat dan het geldende bestemmingsplannen, het geldende bestemmingsplan voorrang heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidraad voorlopig is en als pilot maximaal 1 jaar wordt toegepast. De toepassing van de leidraad wordt uiterlijk in november 2016 geëvalueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitieve leidraad voor mestverwerking onderdeel gaat uitmaken van de regionale visie landbouw en natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) De verwachting is dat de komende jaren 2/3 van de agrarische bedrijven (nu: 1500) in de regio Midden-Limburg gaat stoppen. Een deel van deze locaties zal leeg komen te liggen of een nieuwe functie krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om verloedering en illegaliteit te voorkomen is een financiële regeling om sloop te bevorderen wenselijk. Hiertoe zal enerzijds een lobby gestart moeten worden en anderzijds gezocht moeten worden naar bestaande regelingen die hiervoor kunnen worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deel zal worden ingevuld door nieuwe functies. Hierbij zal afstemming moeten worden gezocht met andere werkvelden (oa wonen, toerisme en recreatie en economie) om te komen tot een verantwoorde herverdeling van functies (dynamisch voorraadbeheer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze ontwikkeling te begeleiden spreken partijen af dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen een gezamenlijk ambitie formuleren voor de aanpak van VAB met een doorvertaling naar concrete handvatten die de gemeenten kunnen toepassen binnen het RO spoor. Hierbij wordt een relatie gelegd met de andere werkvelden binnen het SML, de sanering van asbest in 2024 en het dynamisch voorraadbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat gezamenlijk ambitie en handvatten onderdeel gaan uitmaken van de regionale visie landbouw en natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen gaan zich inspannen om de problematiek van de VAB op de (politieke) agenda’s te krijgen bij Rijk en belangenorganisaties (lobby).</p>\n<p class=\"lf-p\">Agglomeratielandbouw Partijen zullen in 2016 afspraken maken over dit thema.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraken worden meegenomen in de regionale visie landbouw en natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige thema’s Naast de thema’s die in het POL 2014 genoemd zijn, spreken de partijen af om in 2016 in ieder geval:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een regionale visie landbouw en natuur op te stellen die ter vaststelling wordt aangeboden aan de gemeenteraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken te maken over de ontwikkeling van natuur en landschap in de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een visie op te stellen over de toepassing van teeltondersteunende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een doorlopende thematische agenda op te stellen die onderdeel gaat uitmaken van de Agenda van Midden-Limburg en die gevoed wordt door de thema’s die onder andere in gesprekken door het maatschappelijk middenveld en ondernemers worden aangedragen. Daar waar nodig wordt een verbinding gelegd met de andere werkvelden binnen SML.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkingsduur Deze bestuursafspraken worden uiterlijk 1 februari 2017 geactualiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de actualisatie vervallen deze (voorliggende) bestuursafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planning en proces eerste helft 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Januari Ondertekening bestuursafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken maken met provincie over aanpak schone stallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesprekken met portefeuillehouders/werkveldtrekkers over ambitie 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesprekken met maatschappelijk veld (vervolg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Februari Bijeenkomst landschap en natuur (ambtelijk) Bijeenkomst VAB (ambtelijk) Ambtelijk overleg LEN (optioneel) Gesprekken met maatschappelijk veld (vervolg) Bespreken thema’s met bestuurders Maart Bijeenkomst samenwerkingsverband (ambtelijk) Bijeenkomst agglomeratielandbouw (ambtelijk) Bijeenkomst TOV (ambtelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesprekken met maatschappelijk veld (vervolg) April Verkenningsnotitie met resultaten maatschappelijk middenveld en opzet thematische agenda.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtelijk overleg LEN Bestuurlijk overleg LEN Mei Terugkoppeling resultaten interviews met geïnterviewden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juni 1e concept landbouw- en natuurvisie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwstenen voor de visie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mestverwerking VAB Schone stallen en latente ruimte Agglomeratielandbouw Samenwerking Natuur en landschap TOV Thematische agenda als gevolg van gesprekken van maatschappelijk middenveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtelijk overleg LEN Bestuurlijk overleg LEN Planning tweede helft 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursafspraken werkveld Wonen, zorq en Woonomgeving Partijen zullen uitvoering geven aan de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg op de wijze en binnen de termijnen zoals beschreven in de daarin opgenomen uitvoeringsparagraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderlinge afstemming, monitoring en evaluatie vinden plaats op de wijze zoals beschreven in de uitvoeringsparagraaf van de Structuurvisie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bestuursafspraken en de daar aan verbonden Structuurvisie met uitvoeringsparagraaf zijn leidend. Partijen treden met elkaar in overleg wanneer afwijkingen tussen POL2014 en Structuurvisie tot onduidelijkheid of verschil van inzicht leiden. (Tussentijdse) wijziging of intrekking van de structuurvisie met uitvoeringsparagraaf is een bevoegdheid van de gezamenlijke gemeenten. Bij voorgenomen (tussentijdse) wijziging of intrekking vindt overleg plaats tussen partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie zal voorzorgbepalingen opnemen in het hoofdstuk ruimte van de Omgevingsverordening Limburg, om te borgen dat er geen bestemmingsplannen worden vastgesteld die in strijd zijn met de gemaakte afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gesignaleerde afwijkingen van de afspraken wordt als volgt gehandeld: primair spreken de gemeenten elkaar hier op aan; indien dit onvoldoende resultaat heeft, zal de Provincie op verzoek van een of meer regiogemeenten de haar ten dienste staande instrumenten inzetten om naleving van de afspraken te bevorderen; daarnaast kan de Provincie uit eigen beweging haar wettelijk instrumentarium inzetten om naleving van de afspraken te bevorderen of af te dwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij intrekking van de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg d.d. december 2014 komen deze bestuursafspraken te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting POL2014 schetst de grote opgave die er ligt op het gebied van wonen. Het POL2014 bevat de uitnodiging om hieraan per regio uitwerking te geven, met het doel binnen een jaar na vaststelling van POL2014 bestuursafspraken te maken tussen gemeenten en Provincie. De gemeenten in Midden-Limburg zijn op 12 mei 2012 semen met de Provincie gestart om een regionale structuurvisie op te stellen. Deze Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg is in de periode november-december 2014 door de Raden van alle Midden-Limburgse gemeenten vastgesteld. De Provincie heeft daarvan kennis genomen. Deze structuurvisie legt de gezamenlijke ambities, sturingsmechanismen (met instrumenten) en afwegingskaders (kwantitatief en ruimtelijk) vast en bevat een uitvoeringsparagraaf. De structuurvisie sluit op hoofdlijnen goed aan bij POL2014. De structuurvisie wijkt op een aantal punten af van de in het POL2014 opgenomen algemene Limburgse principes en de specifieke principes voor het thema wonen. Wanneer dit leidt tot onduidelijkheid of verschil van inzicht treden partijen met elkaar in overleg. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn regels opgenomen gericht op het bevorderen van een duurzame verstedelijking en het hergebruik van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen Bij intrekking van de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg d.d. december 2014 komen deze bestuursafspraken te vervallen. Bij (tussentijdse) wijziging of bij een opvolger van deze structuurvisie wordt bezien of er tussen partijen nieuwe bestuursafspraken worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursafspraken werkveld Energie en Economisch Beleid Op basis van het vastgestelde Plan van aanpak Regionale Energieafspraken Regio Midden-Limburg worden de volgende bestuursafspraken overeengekomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten werken samen met de provincie aan een schone, betaalbare en levering zekere energievoorziening die gepaard gaat met regionale economische ontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid en de aanpak van het klimaatprobleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de Provincie Limburg aangeleverde nulmeting en gebruikte methodiek zal als uitgangspunt gelden voor een jaarlijkse energiemonitoring voor de regio. Onder aansturing van de Provincie wordt in 2016 (in overleg met o.a. CBS, Klimaatmonitor, Energie in Beeld) in gezamenlijkheid één integrale kwantitatieve monitoringssystematiek ontwikkeld om de voortgang van de uitvoering en de realisatie van de energiedoelen te evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie stelt begin 2016 kansenkaarten op voor duurzame energieopwekking met zon, wind, aardwarmte en biomassa. Op basis van deze kansenkaarten stelt de regio kansen vast voor elk van deze duurzame energiebronnen (in de regio) Focus van de regionale energiestrategie ligt op het stimuleren van stakeholders waarbij het doel is de opties voor energiebesparing zoveel mogelijk te benutten en om de opties voor duurzame energieopwekking te ontwikkelen waarvan in de regio de meeste potentie aanwezig is (cafetariamodel). Het potentieel per duurzame energiebron is gebaseerd op de kansenkaarten en een set van nog te ontwikkelen kwaliteitsprincipes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten zullen uiterlijk eind 2016 inzichtelijk hebben gemaakt op welke wijze zij uitvoering van energiebesparing en duurzame energieopwekking, eventueel in samenwerking met andere gemeenten, zullen invullen. Hierbij worden op voorhand géén opties uitgesloten. Zo nodig worden de mogelijkheden en behoeften opgenomen in een regionaal uitvoeringsprogramma. Een onderdeel van het uitvoeringsprogramma is bijvoorbeeld het VNG project Regionale Energieallianties dat zich richt op energiebesparing in de gebouwde omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de Provincie onderzoekt de regio welk deel van de Limburgse windenergie-opgave in de regio Midden-Limburg te realiseren is. In 2016 zullen de gemeenten kiezen (cafetariamodel) of ze met windenergie aan de slag gaan of met andere vormen van opwekking/besparing. De deelnemende gemeenten starten daarna met het opstellen van ruimtelijke plannen voor de op hun grondgebied gelegen kansrijke locaties voor windturbines mits daarvoor bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie onderzoekt samen met de gemeenten hoe een warmteplan kan worden opgesteld voor Midden-Limburg waarin inzicht wordt gegeven in vraag en aanbod van alle soorten warmte en koude, hoe partijen kunnen worden verbonden, hoe rollen van partijen scherper kunnen worden omschreven en hoe partijen in beweging kunnen worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reeds eerder hebben de wethouders zich akkoord verklaard met het zoveel mogelijk willen bijdragen aan de energietransitie ambities zoals deze in het POL 2014 zijn verwoord. Deze ambitie wordt opnieuw met deze bestuursafspraken bekrachtigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het Economisch Beleid worden voor de komende periode de volgende plannings- en procesafspraken overeengekomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk einde Q1 2016 (SML Energie &amp; Economisch Beleid Bestuurlijk Overleg 3-3-2016):</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de inventarisatie van de locaties voor bedrijventerreinen, kantoren en winkels gereed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inventarisatie biedt inzicht in de totalen op Midden-Limburgs niveau, per gemeente en per locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij worden bestaande locaties, restcapaciteiten (voor de bedrijventerreinen) en plannen (hard en zacht) onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij geldt dat de inventarisatie als rapportage / deelproduct wordt opgeleverd. Eventuele bestuurlijke vaststelling valt buiten dit tijdspad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk einde Q2 2016 (SML EEB BO 2-6-2016):</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de visie werklocaties gereed, inclusief de voorzet tot het afsprakenkader, de organisatie en het afwegingsprotocol, die als input voor de bestuursafspraken kunnen dienen. De juridische status van de visie wordt in Q2 bepaald, waarbij de wenselijkheid en mogelijkheid wordt onderzocht om het document als structuurvisie vast te stellen. Hiermee kan onder andere het instrument voorzienbaarheid vorm worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de visie wordt de vestigingsstructuur per sector weergegeven en worden perspectiefvolle en perspectiefarme locaties onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het afsprakenkader en organisatie wordt aangegeven hoe met bestaande en nieuwe vestigingen wordt omgegaan en welke regionale organisatievorm daarbij hoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de periode tot dat de uitwerking van de visie gereed is, zullen gemeenten zich inspannen om zoveel mogelijk nieuwe initiatieven met elkaar te delen en bespreken in het ambtelijk en bestuurlijk overleg van het SML EEB. Om zodoende lerende wijs in te groeien naar de nieuwe situatie zoals die straks ais onderdeel van het regionaal beleidskader wordt vastgesteld. Daarmee wordt in die periode ook de ingrediënten en kader van het afwegingsprotocol verkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend aan het voorgaande wordt ook zoals gebruikelijk en wettelijk verplicht de Ladder voor Duurzame Verstedelijking gehanteerd, waarin regionale behoefte en mogelijkheden in bestaand stedelijk gebied afgelopen dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het afwegingsprotocol, dat als onderdeel van de visie werklocaties wordt ontwikkeld, wordt opgenomen op welke wijze met nieuwe initiatieven wordt omgegaan en welke inhoudelijke afwegingen en procesmatige regionale afstemming daarbij horen. Tevens wordt aangegeven wat de rol van de provincie daarbij is, bijvoorbeeld wanneer er regionaal niet tot afstemming wordt gekomen en er een objectieve beslissing (of bemiddeling) wenselijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de voortgang van het traject wordt de ambtelijke inhoudelijke afstemming met de provincie via de werkgroep SML EEB verzorgd. Aan het einde van Q2 wordt een bestuurlijk voortgangsmoment met de provincie Limburg belegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursafspraken werkveld Recreatie en Toerisme Proces In het Bestuurlijk Overleg SML Recreatie &amp; Toerisme van 8 juli 2015 is het Plan van aanpak ‘Regionale POL-uitwerking verblijfsrecreatie’ vastgesteld. Doel van dit plan is om te komen tot regionale bestuursafspraken over bestaande situatie en perspectieven voor bungalowparken en campings, afstemming en harmonisatie van beleid en regels voor verblijfsaccommodaties en het terugdringen c.q. voorkomen van het oneigenlijk gebruik van recreatieparken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De planning van het hiervoor genoemde Plan van Aanpak is beïnvloed doordat nog niet alle benodigde informatie beschikbaar was om een goede discussie te kunnen voeren over dynamisch voorraadbeheer en de te volgen werkwijze, terwijl nieuwe initiatieven op het gebied van verblijfsrecreatie zich reeds aandienden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regionale Toeristisch Recreatieve Visie De gemeenten in Midden-Limburg zien kansen voor de toeristisch recreatieve sector in de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recreatieve sector speelt een belangrijke rol in de regionale economie. De gemeenten willen deze versterken en zijn daarom ook bereid om problemen in de sector aan te pakken en kansen te stimuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2016 wordt de regionale toeristisch en recreatieve visie Midden-Limburg (2012) aangepast en uitgebreid tav het onderwerp verblijfsrecreatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gezamenlijk een toeristisch recreatieve visie opgesteld voor Midden-Limburg (aanpassing visie 2012), welke sturend is voor nieuwe ontwikkelingen en de aanpak van problemen in de sector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ladder duurzame verstedelijking en dynamisch voorraadbeheer De ladder voor duurzame verstedelijking is vastgelegd als een vereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met als doel om een optimale (duurzame) benutting van ruimte te bereiken. Bij planologische procedures (bv. uitbreidingen verblijfsrecreatie) moet worden aangetoond dat de uitbreiding voorziet in een regionale (markt)behoefte. Om dat te kunnen bepalen moet ook rekening worden gehouden met andere plannen in de betreffende regio die willen inspelen op dezelfde doelgroep in de markt. Ook andere regio’s (Brabant, België, Duitsland) zijn van belang, afhankelijk van het schaalnivo van de betreffende ontwikkeling, zeker voor die gemeenten die in het grensgebied liggen. Het verzorgingsgebied van veel ontwikkelingen gaat veel verder dan de regio Midden-Limburg. Om het principe van dynamisch voorraadbeheer, dat in het POL 2014 is geïntroduceerd, goed te kunnen toepassen dient eerst de regionale visie voor Recreatie &amp; Toerisme opgesteld te worden om de gewenste ontwikkelingsrichting te duiden en moet er inzicht komen in o.a. de huidige capaciteit en planvoorraad en behoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ieder planologisch plan dient de initiatiefnemer de economische uitvoerbaarheid en haalbaarheid te onderzoeken en aan te tonen (en daarmee ook de behoefte in een regionale markt en de locatie-keuze). Toetsing van deze haalbaarheidsplannen vormt in feite het belangrijkste instrument bij de toepassing van het principe van dynamisch voorraadbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraak:</p>\n<p class=\"lf-p\">De regio past bij nieuwe initiatieven op het terrein van Recreatie &amp; Toerisme de ladder voor duurzame verstedelijking toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regio zal daarbij op korte termijn afspraken maken over een te hanteren ondergrens voor kleinschalige ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en provincie ontwikkelen in 2016 voorstellen voor het creëren van een monitoringsysteem voor verblijfsrecreatie als instrument voor dynamische voorraadbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regio stemt in de interim-periode, omdat nog niet alle benodigde informatie beschikbaar is om dynamisch voorraadbeheer te kunnen toepassen, vooruitlopend hierop alle nieuwe initiatieven regionaal af aan de hand van een hiervoor opgesteld format.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de ervaringen wordt de werkwijze voor beoordeling en afstemming gaande weg duidelijker en aangepast. Dit geldt voor grootschalige initiatieven waarop ladder van duurzame verstedelijking van toepassing is maar niet de voor initiatieven die via bestemmingsplannen reeds zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij initiatieven die volgens het bestemmingsplan rechtstreeks zijn toegestaan is een nadere toets aan de Ladder niet aan de orde maar zal de regio elkaar wel vrijblijvend informeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vitaliteit verblijfsaccommodaties Vitale parken met recreatiewoningen of vitale campings zijn van economische waarde omdat ze zorgen voor werkgelegenheid en bestedingen in de regio. Indien de vitaliteit minder is en afneemt, heeft dat niet alleen economische gevolgen, maar ook vaak negatieve gevolgen in maatschappelijke en ruimtelijke zin. Daarmee vormt deze vitaliteitsproblematiek een gezamenlijk probleem voor overheden en ondernemers. Uit de resultaten van de in 2015 uitgevoerde ‘Vitaliteitsscan verblijfsaccommodaties provincie Limburg’ blijkt dat dat bij een groot aantal van de onderzochte accommodaties in Limburg de vitaliteit te wensen over laat en dat er maatregelen uitgewerkt moeten worden ter verbetering van de vitaliteit van de verblijfsrecreatieve sector (uitvoeringsprogramma).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanpak van de vitaliteit van de verblijfsrecreatieve sector worden afspraken gemaakt over de rollen en taken van bij de uitvoering betrokken partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oneigenlijk c.q. onrechtmatiq gebruik van recreatiewoningen Het oneigenlijk gebruik van recreatiewoningen gaat ten koste gaat van de uitstraling, dynamiek en vitaliteit van verblijfsaccommodaties. Toeristen en recreanten blijven steeds vaker weg als recreatieparken ook gebruikt worden door mensen met een ander leef- en werkpatroon zoals mensen die permanent wonen op parken, mensen die tijdelijke woonruimte nodig hebben of arbeidsmigranten. Daardoor komen de betreffende parken uiteindelijk in een neerwaartse spiraal terecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ‘oneigenlijk gebruik’ ofwel de permanente bewoning van verblijfsrecreatieve parken overlapt met het werkveld Wonen. De (semi)permanente bewoning van verblijfsrecreatieve parken heeft nl ongunstige effecten op de woningmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De problematiek is niet beperkt tot Midden-Limburg, maar speelt in de hele provincie. Er dient afstemming over de aanpak plaats te vinden met de provincie en beide andere regio’s (Zuid- en Noord-Limburg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraak:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het permanent bewonen van recreatieobjecten is niet toegestaan, maar komt in de praktijk toch voor. De opstelling van een adequaat regionaal handhavingsbeleid is een belangrijk instrument voor de aanpak van de onrechtmatige bewoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzocht wordt of het voorkomen (preventie) van oneigenlijk gebruik mogelijk is door middel van aanpassing, aanscherping of harmonisatie van beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met benodigde capaciteit en de lange doorlooptijd van handhavingstrajecten wordt er in de regio een afweging gemaakt waar de beschikbare capaciteit ingezet wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg tussen de regio en de provincie wordt bezien in hoeverre daarbij ondersteuning door de provincie nodig en gewenst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus overeengekomen en getekend in achtvoud, Provincie Limburg, Gedeputeerde H. Teunissen Datum 29-3-2016 Gemeente Echt-Susteren, Wethouder J. Wackers Datum 22-3-2016 Gemeente Leudal, Wethouder P. Verlinden Datum 23/3/2016 Gemeente Maasgouw, Wethouder J. Lalieu Datum 29/3/2016 Gemeente Nederweert, Burgemeester H. Evers Datum 22/3/2016 Gemeente Roerdalen, Wethouder C. Wolfhagen Datum 23/3/2016 Gemeente Roermond, Burgemeester R. Donders-de Leest Datum 21 maart 2016 Gemeente Weert, Burgmeester J. Hejmans Datum 22/3/2016 Leidraad regionale mestverwerking Bijlage bij de bestuursafspraken Midden-Limburg POL 2014 Inleiding In Nederland wordt meer mest geproduceerd dan op het land kan worden uitgereden. Vanaf 1 januari 2014 is in de meststoffenwet bepaald dat veebedrijven die hun mest niet binnen de normen die hiervoor gelden volledig op hun eigen grond kwijt kunnen, mest moeten laten verwerken. Doel van de verwerkingsplicht is dat de mest buiten de Nederlandse landbouw wordt afgezet, zodat er geen sprake meer is van mestoverschot. Onder mestverwerking wordt verstaan: het exporteren van dierlijke meststoffen (afhankelijk van exportland mogelijkheden voor mestproducten via: covergisten, scheiden, hygiëniseren, drogen, korrelen of andere bewerkingsmethodes van dierlijke mest); het verbranden of vergassen van dierlijke meststoffen tot as waarin maximaal 10% organische stof aanwezig is. De verbranding of vergassing vindt onder voldoende hoge temperatuur plaats en/of duurt voldoende lang zodat het organisch materiaal in de dierlijke meststoffen grotendeels is vergaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichte verwerking is voor de regio Zuid 30% in 2014 en 50% in 2015. De staatssecretaris van Economische Zaken kan het verwerkingspercentage jaarlijks bijstellen wanneer omstandigheden veranderen, zoals een krimpende nationale mestplaatsingsruimte of groeiende mestproductie. De gemeenten krijgen en hebben aanvragen gekregen voor de ontwikkeling van mestverwerking en -bewerking op boerderijniveau of op regionaal niveau. De opdracht voor alle gemeenten is dan ook ‘wat kan waar en onder welke voorwaarden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mestbewerking — Mestverwerking Wat er wordt bedoeld onder mestverwerking of mestbewerking verschilt tussen de ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken (meststoffenwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Ministerie van Infrastructuur en Milieu Onder het bewerken van mest wordt verstaan het behandelen van dierlijke mest zonder het product noemenswaardig te veranderen. Bijvoorbeeld: het mengen, roeren of homogeniseren van mest en het mechanisch scheiden van de mest in een dunne en een dikke fractie. Omgekeerde osmose geldt als bewerking. Bij het verwerken van mest worden technieken of combinaties daarvan toegepast waardoor de aard en de hoedanigheid van de dierlijke mest wijzigt. Voorbeelden hiervan zijn: het vergisten of composteren van mest en het produceren van mineralenconcentraten (kunstmestvervangers) uit dierlijke mest.</p>\n<p class=\"lf-p\">II. Ministerie van Economische Zaken Met mestverwerking in de meststoffenwet bedoelt men:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het exporteren van dierlijke meststoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbranden of vergassen van dierlijke meststoffen tot as waarin maximaal 10% organische stof (koolstofketens) aanwezig is. De verbranding of vergassing vindt onder voldoende hoge temperatuur plaats en/of duurt zo lang als nodig is om het organisch materiaal in de dierlijke meststoffen grotendeels te vernietigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Covergisten, scheiden, korrelen zijn bewerkingsmethodes en vallen niet onder mestverwerking In deze notitie gebruiken we de definities van bewerken en verwerken van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mestverwerkings- en mestbewerkingstechnieken Er zijn nogal wat technieken voor mestverwerking en mestbewerking. Sommige zijn al volop in praktijk andere nog in ontwikkeling. Maar er komen nog steeds nieuwe technieken bij. Er is een overzicht opgesteld van alle mestverwerkings- en —bewerkingstechnieken die bekend zijn. Hierbij is aangegeven of de techniek op boerderij niveau, regionaal niveau of grootschalig wordt ingezet. De gegevens zijn afkomstig van www.mestverwerken.wur.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huidige ruimtelijke beleid gemeenten Onderstaande tabel geeft in het kort weer wat het huidige ruimtelijke beleid is t.a.v. mestverwerking en mestbewerking voor de SML-gemeenten (het milieubeleid is vastgelegd in landelijke wet- en regelgeving).</p>\n<p class=\"lf-p\">Boerderij mobiele installatie Boerderij vaste installatie Boerderij meerdere locaties Boerderij mest derden Industriële verwerking Zevenellen Leudal meldingsplicht mestscheiding is mogelijk niet mogelijk niet mogelijk (in ontwikkeling) Weert meldingsplicht mogelijk mogelijk indien één bedrijf 10% van derden Lozerweg (mogelijkheid) Nederweert meldingsplicht mogelijk Aileen op LOG mogelijk alleen op LOG mogelijk Aan Veertien (mogelijkheid) Roermond meldingsplicht Mogelijk als nevenactiviteit Mogelijk als nevenactiviteit Niet mogelijk Niet mogelijk Roerdalen meldingsplicht Mogelijk Mogelijk Mogelijk Mogelijk voor bedrijven op LOG Maasgouw meldingsplicht Mogelijk als nevenactiviteit Mogelijk als nevenactiviteit Mogelijk als nevenactiviteit Niet mogelijk Echt- Susteren meldingsplicht Mogelijk Mogelijk Mogelijk als nevenactiviteit (LOG) Niet mogelijk, tenzij1Op LOG ruimte voor mestverwerking als zelfstandig bedrijf met maximum oppervlakte 500 m2 (artikel 34. lid 2 bestemmingsplan Buitengebied Echt-Susteren Visie provincie In het POL 2014 is in het hoofdstuk land- en tuinbouw onder de paragraaf bevorderen innovaties ook een gedeelte gewijd aan de mestverwerking. Daarin wordt aangegeven dat uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven met een mestbewerkingsinstallatie of een biomassa-installatie (in samenwerkingsverband met andere agrarische bedrij(ven) op bedrijfsniveau onder voorwaarden mogelijk is. In alle gevallen dient er aandacht te zijn voor: de schaal en locaties van de ontwikkeling dient te passen bij gebiedskwaliteiten; bijdrage aan verbetering leefomgeving (emissies, transport, ruimtelijke kwaliteit); indien samenwerkingsverband /meerdere bedrijfslocaties: beste locatiemethode; dialoog met belanghebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beste locaties voor regionale en grootschalige mestverwerkingsinstallaties zijn bedrijventerreinen. Deze locaties passen het beste bij het karakter van dergelijke voorzieningen en beschikken over goede ontsluiting. Ook ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij en grootschalige clusters land- en tuinbouwbedrijven lenen zich voor regionale mestverwerking. De koppeling tussen mestverwerking (als producent van energie) en energievragers biedt kansen en speelt mee bij de locatiekeuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Vanuit het streven naar evenwicht in de driehoek ecologie-economie-maatschappij zijn de mogelijke toepassingen door de SML-gemeenten en de stakeholders langs de lat gelegd voor wat betreft:</p>\n<p class=\"lf-p\">People/Leefbaarheid: geur, geluid, transport, volksgezondheid, fijn stof Profit: Verdienmodel (verdienmodel voor omgeving/mens is minder overlast) Planet: Bodem, Water, Lucht Belangrijkste thema is dat er geen negatieve aspecten mogen zijn voor de volksgezondheid. Met andere woorden leefbaarheid (People) is het belangrijkste uitgangspunten voor het opstellen van de leidraad. Het is echter belangrijk om de samenhang te houden tussen de afzonderlijke trends bij People, Profit en Planet. Om die reden geen sectorale afspraken maken maar juist een integrale leidraad op te stellen. Om die reden wordt in de leidraad ruimte gegeven voor innovaties en nieuwe technieken. Daarom wordt gewerkt met een regionaal deskundigenteam waarin nieuwe regionale initiatieven beoordeeld worden op basis van een aantal vooraf meegekregen randvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de stakeholders en de SML-gemeenten zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen mestverwerking en mestbewerking Een goed woon- en leefklimaat moet worden gegarandeerd Geen onevenredige toename van geur, geluid, fijn stof en andere overlast Initiatief mag geen gevaar vormen voor de volksgezondheid Nieuwe initiatieven moeten via SML BO_LEN op elkaar worden afgestemd. Hiervoor wordt een adviserende deskundigenpool geformeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhang met SML-werkveld Energie en Economie Industriële installaties op daarvoor geschikte locatie zijnde bedrijventerreinen en niet in het buitengebied m.u.v. nog andere te benoemen locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemers wijzen op Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Open communicatie, omgeving betrekken bij initiatieven Dialoog is in alle gevallen onderdeel van het proces Communicatie van gemeenten naar initiatiefnemers moet duidelijk zijn In alle gevallen goede landschappelijk inpassing Geen onderscheid tussen mest afkomstig van derden en mest afkomstig van bedrijf met meerdere locaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing nieuwe technieken (innovatie) moet mogelijk zijn. Ruimte om te experimenteren. Voor bedrijf moet daarbij continuïteit gewaarborgd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Transportbewegingen passend bij het wegprofiel en omgeving Mestverwerkingsbedrijven in LOG’s moeten qua karakter (gebouwen en bouwwerken) aansluiten bij bouwmogelijkheden voor agrarische bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvattend Mestbewerking en mestverwerking op eigen bedrijf tot &lt; 15.000 m3 mogelijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige industriële verwerking op regionale schaal op de daarvoor geschikte locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mestbewerking en mestverwerking, ongeacht locatie tot 25.000 m3 worden op regionale schaal besproken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimte voor innovatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dialoog Regionale afstemming Mestbewerking- en mestverwerking initiatieven, ongeacht locatie tot 25.000 m3 en bij initiatieven voor industriële verwerking &gt; 25.000 m3 worden door een regionale deskundigenpool beoordeeld en van een niet bindend advies voorzien aan BO-LEN en het college B&amp;W van de gemeente waarbinnen het initiatief gesitueerd is. Er wordt gewerkt met een deskundigenpool dat nieuwe initiatieven voor mestbewerking en mestbewerking uit de regio beoordeelt op basis van een aantal vooraf opgedane invalshoeken en kwantitatieve waarden. Door het inschakelen van de deskundigenpool krijgen de verschillende initiatiefnemers binnen Midden-Limburg een zelfde benadering van hun initiatieven. Dit komt de integraliteit en uniformiteit ten goede.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundigenpool, welke per casus van samenstelling wisselt, doorloopt de aangedragen initiatieven tezamen met vertegenwoordigers van landbouworganisaties (LLTB), maatschappelijke organisaties (NFM Limburg, dorpsraden) en overheden (provincie, SML-gemeenten, Waterschap), zodat iedereen in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte is van de initiatieven. Afhankelijk van het impact en de vraag van het initiatief zal de samenstelling van de deskundigenpool een andere samenstelling of omvang hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elk initiatief wordt gezamenlijk de waarde bepaald en uitgediept, een afweging gemaakt en uiteindelijk een advies gegeven richting de betreffende gemeente. Bij de invulling van de deskundigenpool zal er goed gekeken moeten worden dat de onafhankelijkheid gewaarborgd is en dat die deskundigheid gevraagd wordt welke nodig is voor de ingebrachte casus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet richt de deskundigenpool zich daarbij op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel Invalshoeken / kwantitatieve waarden Installaties Gesloten installatie; luchtbehandeling; logistiek rond aan en afvoer; beheersing van procesrisico’s; behandeling afvalwater; inzicht in ontwikkeltraject; organisatorische aanpak en monitoring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties Locatiekeuze passend binnen aan- en afvoerroutes; afvoer waterige fractie(s); voorzieningen voor levering energie aan derden (biogas /elektriciteit /warmte) en nabijheid burgerwoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgeving Landschapsplan en (on)mogelijkheid voor opschaling. Het initiatief moet onder meer beoordeeld worden op de plaatselijke waarden ten aanzien van verkeer, water, natuur, geur, fijn stof, gezondheid en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoerbaarheid Duidelijkheid over beoogde economische uitvoerbaarheid; beoogde kwaliteit en waarborging kwaliteit; voorgenomen ontwikkeltraject met afnemers; restproducten; terugkoppeling naar mestleveranciers en afzet van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Communicatie Deze mestbeleidsvisie zal goed gecommuniceerd moeten worden met de agrarische bedrijven. Hiertoe kunnen allereerst persberichten worden uitgezet en bijeenkomsten met adviesbureaus, LLTB worden georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkwijze De Gemeente beoordeelt alle plannen waarvoor in het kader van het bestemmingsplan een ruimtelijke toets en beoordeling nodig is. Bij enkele concepten wordt een initiatief ter advisering beoordeeld door een regionale deskundigenpool. Er wordt gewerkt vanuit drie clusters waarbinnen de initiatieven beoordeeld worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cluster 1 Mestbewerking en mestverwerking op eigen bedrijf max. 15.000 m3 Deze initiatieven worden door de SML-gemeenten via de gebruikelijke vergunningsprocedure elk afzonderlijk getoetst en eventueel vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cluster 2 Mestbewerking en mestverwerking, ongeacht locatie max. 25.000 m3 Initiatieven welke binnen dit cluster vallen worden door een regionale deskundigenpool beoordeeld en van een niet bindend advies voorzien aan BO-LEN en het college B&amp;W van de gemeente waarbinnen het initiatief gesitueerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundigenpool geeft een maatwerkadvies aan de hand van de waarden die op het initiatief van toepassing zijn. Voor elk afzonderlijk initiatief wordt gezamenlijk de waarden bepaalt en uitgediept, wordt een afweging gemaakt en uiteindelijk advies gegeven aan de betreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cluster 3 Industriële verwerking meer dan 25.000 m3 Op daar voor geschikte bedrijventerreinen in Midden-Limburg:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Zevenellen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Andere nog te benoemen geschikte locaties Initiatieven welke binnen dit cluster vallen worden door een regionale deskundigenpool beoordeeld en van een niet bindend advies voorzien aan BO-LEN en het college B&amp;W van de gemeente waarbinnen het initiatief gesitueerd is.</div>\n<p class=\"lf-p\">De deskundigenpool geeft een maatwerkadvies aan de hand van de waarden die op het initiatief van toepassing zijn. Voor elk afzonderlijk initiatief wordt gezamenlijk de waarden bepaalt en uitgediept, wordt een afweging gemaakt en uiteindelijk advies gegeven aan de betreffende gemeente Evaluatie De leidraad en werkwijze wordt in november 2016 geëvalueerd Bijlage 3 behorende bij Paragraaf 2.4 van de Omgevingsverordening Limburg 2014:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursovereenkomst Regionale afspraken Zuid-Limburg afspraken tussen de colleges van Burgemeester en Wethouders van de achttien Zuid-Limburgse gemeenten en het college van Gedeputeerde Staten van Limburg over de regionale uitwerking van POL2014 voor Zuid-Limburg, over het Nationaal Landschap als geheel en over de thema’s wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen, energie, landschap, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie Algemene afspraken Onderstaand zijn de algemene afspraken geformuleerd op welke wijze gemeenten en Provincie hebben te handelen in het kader van de toepassing en uitwerking van het POL2014 en de onderliggende bestuurlijke afspraken voor de in deze overeenkomst opgenomen thema’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en Provincie nemen de in POL2014 opgenomen algemene Limburgse principes, de tien kernwaarden Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de specifieke principes per thema steeds als uitgangspunt bij de ontwikkeling en uitvoering van regionaal en gemeentelijk beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en Provincie passen de ladder van duurzame verstedelijking breed toe, dus ook op initiatieven voor vrijetijdseconomie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regionale afstemming is de norm. Initiatieven voor ruimtelijke ontwikkelingen met een bovenlokale impact op de thema’s waar deze afspraken betrekking op hebben, worden regionaal afgestemd en indien relevant ook bovenregionaal. In het eerste kwartaal van 2016 worden voor zover nog nodig door gemeenten en Provincie de werk- en overlegstructuren ingeregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt gewerkt vanuit samenwerking op basis van integraal ontwerpen en dialoog voeren aan de voorkant van een ontwikkeling. Voor complexe situaties wordt een expert- of casusteam ingezet bij de begeleiding en advisering over dergelijke initiatieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie faciliteert de gemeenten bij het invulling geven aan (de afspraken rond) dynamisch voorraadbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij discussie over de naleving van de afspraken wordt als volgt gehandeld: primair spreken de gemeenten elkaar hier op aan; indien men niet tot overeenstemming komt vindt afstemming pleats in (sub)regionaal verband; indien dit onvoldoende resultaat heeft, zal de Provincie op verzoek van een of meer gemeenten een bindend oordeel vellen op basis van POL-uitgangspunten en de haar ten dienste staande instrumenten inzetten om naleving van de afspraken te bevorderen Daarnaast kan de Provincie uit eigen beweging haar wettelijk instrumentarium inzetten om naleving van de afspraken te bevorderen of af te dwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie neemt medio 2016 (zover dat juridisch mogelijk is) bepalingen op in het hoofdstuk ruimte van de Omgevingsverordening Limburg om te borgen dat er geen ruimtelijke plannen worden vastgesteld die in strijd zijn met de voorliggende afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema wonen Partijen zullen na vaststelling uitvoering geven aan de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (hierna: ‘de Structuurvisie’) op de wijze en binnen de termijnen zoals beschreven in het ontwerp van het document.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten spannen zich in om de vaststelling van de Structuurvisie door de gemeenteraad te laten plaatsvinden vóór 1 oktober 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang de Structuurvisie nog niet in werking is getreden, handelen partijen in de geest van het ontwerp van het document.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderlinge afstemming, monitoring en evaluatie vinden plaats op de wijze zoals beschreven in de Structuurvisie resp. in documenten die ter uitvoering van de visie gezamenlijk worden opgesteld en aan de visie worden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen treden met elkaar in overleg wanneer afwijkingen tussen POL2014 en Structuurvisie tot onduidelijkheid of verschil van inzicht leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie zal voorzorgbepalingen opnemen in het hoofdstuk ruimte van de Omgevingsverordening Limburg, om te borgen dat er geen bestemmingsplannen (c.a.) worden vastgesteld die in strijd zijn met de gemaakte afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een gemeente de Structuurvisie niet vaststelt op de overeengekomen termijn of gewijzigd vaststelt zal de Provincie uit eigen beweging haar wettelijk instrumentarium inzetten om de doorwerking van de Structuurvisie voor die gemeente te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie werken samen instrumenten en arrangementen uit gericht op het bereiken van een beter evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afspraken zijn geldig tot en met het einde van de geldigheid van de nog vast te stellen Structuurvisie. De afspraken kunnen alleen na onderling overleg worden gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema detailhandel Resultaat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie werken in 2016 samen aan een intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s op het niveau van Zuid-Limburg, met als doel: een gezonde en toekomstbestendige detailhandelsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansturing van (het proces en de producten in het kader van) de POL-uitwerking Detailhandel ligt bij het Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie. De voorbereidende werkzaamheden (zie toelichting) worden uitgevoerd door de Ambtelijke Werkgroep Detailhandel Zuid-Limburg. De voorbereiding vindt plaats binnen de subregio’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken voor de periode tot het vaststellen van de intergemeentelijke structuurvisie detailhandel Zuid-Limburg:</p>\n<p class=\"lf-p\">De regio Zuid-Limburg wordt niet op slot gezet. Aan kwalitatief goede projecten die een toegevoegde waarde bieden en de economische structuur van de regio versterken of die van belang zijn voor de leefbaarheid in de kernen wordt, mits op de juiste manier onderbouwd, een kans tot ontwikkeling gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toetsing van al dan niet tijdelijke nieuwe plannen en initiatieven in de periode tot en met de totstandkoming van de structuurvisie ruimtelijke economie Zuid-Limburg wordt afgesproken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden in principe geen nieuwe initiatieven gerealiseerd die strijdig zijn met het POL;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nieuwe initiatieven niet passend binnen het POL en/of het betreffende bestemmingsplan kleiner dan 500 m2 toch wenselijk worden geacht, wordt voordat onomkeerbare stappen worden gezet, deze gemeld in de Ambtelijke werkgroep Detailhandel Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nieuwe initiatieven niet passend binnen het POL en/of het betreffende bestemmingsplan groter dan of gelijk aan 500 m2 (en kleiner dan 1.000 m2) toch wenselijk worden geacht, wordt voordat onomkeerbare stappen worden gezet binnen de betreffende subregio afgestemd door middel van overleg in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Westelijke Mijnstreek: Portefeuillehoudersoverleg Economie en Toerisme Maastricht-Heuvelland: Portefeuillehoudersoverleg Economie Parkstad Limburg: Bestuurscommissie Economie en Toerisme Het initiatief wordt bovendien gemeld aan de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nieuwe initiatieven niet passend binnen het POL en / of het betreffende bestemmingsplan groter dan of gelijk aan 1.000 m2 toch wenselijk worden geacht, wordt voordat onomkeerbare stappen worden gezet, binnen Zuid-Limburg afgestemd door middel van overleg binnen de bovengenoemde overleggremia in de subregio’s en daarnaast in het Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie op Zuid-Limburgs niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijk zijn de principes uit het POL leidend (zie toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema kantoren Resultaat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie werken samen aan een intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s op het niveau van Zuid-Limburg met als doe!: een gezonde en toekomstbestendige ruimtelijke economische structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansturing van (het proces en de producten in het kader van) de POL-uitwerking Bedrijventerreinen ligt bij het Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie. De voorbereidende werkzaamheden (zie toelichting) worden uitgevoerd door de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken voor de periode tot het vaststellen van de intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijke economische thema’s Zuid-Limburg:Er worden in principe geen nieuwe initiatieven en plannen (ook tijdelijke) gerealiseerd die strijdig zijn met het POL. Voor de periode tot en met de totstandkoming van een intergemeentelijke structuurvisie wordt het volgende afgesproken met betrekking tot initiatieven vanaf 500 m2 bruto vloeroppervlakte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven en plannen (ook tijdelijke) strijdig met het bestemmingsplan én afwijken van het POL worden, wanneer ze toch wenselijk worden geacht, per subregio besproken. Deze worden gemeld aan de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren en via deze werkgroep ter afstemming doorgeleid naar Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven en plannen (ook tijdelijke) strijdig met het bestemmingsplan, maar die mogelijk zijn conform het POL worden per subregio besproken. Deze worden gemeld aan de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren en via deze werkgroep ter afstemming doorgeleid naar Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven en plannen (ook tijdelijke) conform bestemmingsplan, maar die afwijken van het POL worden, wanneer ze toch wenselijk worden geacht, per subregio besproken. Deze worden ook gemeld aan de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren en via deze werkgroep ter kennisname doorgeleid naar Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie. initiatieven en plannen (ook tijdelijke) conform bestemmingsplan en conform het POL. Daarover hoeven in de werkgroep en met het BO RE geen aparte afspraken gemaakt te worden. Deze initiatieven en plannen worden gemeld in de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijk zijn de principes uit het POL leidend (zie toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring De Provincie Limburg stelt periodiek / jaarlijks een Kantorenmonitor op en stelt deze ter beschikking aan de gemeenten. De gemeenten hanteren deze als basis voor hun analyses en beleidskeuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema bedrijventerreinen Resultaat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie werken samen aan een intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s op het niveau van Zuid-Limburg met als doel: een gezonde en toekomst-bestendige ruimtelijke economische structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansturing van (het proces en de producten in het kader van) de POL-uitwerking Bedrijventerreinen ligt bij het Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie. De voorbereidende werkzaamheden (zie toelichting) worden uitgevoerd door de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken voor de periode tot het vaststellen van de intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijke economische thema’s Zuid-Limburg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden in principe geen nieuwe initiatieven en plannen (ook tijdelijke) gerealiseerd die strijdig zijn met het POL. Voor de periode tot en met de totstandkoming van een intergemeentelijke structuurvisie wordt het volgende afgesproken met betrekking tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven en plannen (ook tijdelijke) strijdig met het bestemmingsplan én afwijkend van het POL worden, indien ze toch wenselijk worden geacht, per subregio besproken. Deze worden gemeld aan de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren en via deze werkgroep ter afstemming doorgeleid naar Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven en plannen (ook tijdelijke) strijdig met het bestemmingsplan, maar die mogelijk zijn conform het POL worden per subregio besproken. Deze worden gemeld aan de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren en via deze werkgroep ter kennisneming doorgeleid naar Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven en plannen (ook tijdelijke) conform bestemmingsplan, maar die afwijken van het POL worden, indien ze toch wenselijk worden geacht, per subregio besproken. Deze worden ook gemeld aan de Ambtelijke Werkgroep Bedrijventerreinen &amp; Kantoren en via deze werkgroep ter kennisname doorgeleid naar Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Initiatieven en plannen (ook tijdelijke) conform bestemmingsplan en conform het POL. Daarover hoeven in de werkgroep en met het BO RE geen aparte afspraken gemaakt te worden. Deze worden zichtbaar in ‘REBIS’ en het rapport Werklocaties Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijk zijn de principes uit het POL leidend (zie toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoring De Provincie Limburg onderhoudt het bedrijventerreineninformatiesysteem REBIS op basis van door de terreineigenaren te leveren basisinformatie en stelt dit ter beschikking van de gemeenten (rapport Werklocaties Limburg). Gemeenten en Provincie Limburg gebruiken de gegevens uit REBIS als basis voor hun analyses en beleidskeuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema energie De gemeenten werken samen met de provincie Limburg en shareholders aan een schone, betaalbare en leveringszekere energievoorziening die gepaard gaat met regionale economische ontwikkeling, innovatie en werkgelegenheid en de aanpak van het klimaatprobleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en de Provincie Limburg zullen zich naar draagkracht en vermogen inspannen om de noodzakelijke overgang van een fossiele naar een duurzame energievoorziening via een gezamenlijk uitvoeringsprogramma met concrete projecten uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en de Provincie Limburg erkennen dat de energietransitie een ruimtevraag met zich meebrengt. De gemeenten nemen deze ruimtevraag mee in hun ruimtelijke visie en toekomstige Omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten en de Provincie Limburg zullen uiterlijk eind 2016 een gezamenlijk uitvoeringsprogramma gereed hebben, waarin zij inzichtelijk hebben gemaakt op welke wijze zij organisatie, financiering (incl. eigen bijdrage) en communicatie, zullen invullen. Daarbij maken zij eveneens inzichtelijk op welke wijze zij de maatschappelijke partners verbinden aan het uitvoeringprogramma en concrete projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via het Bestuurlijk Overleg Energie (2 á 3 keer per jaar) en de Ambtelijke Werkgroep Energie (6 keer per jaar) wordt de kwalitatieve monitoring van en kennisuitwisseling over projecten en processen georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder aansturing van de Provincie Limburg wordt in 2016, in overleg met o.a. SER/ECN, CBS, Rijkswaterstaat (Klimaatmonitor) en Enexis (Energie in Beeld) in gezamenlijkheid één integrale kwantitatieve monitoringssystematiek ontwikkeld om de voortgang van de uitvoering te evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Provincie Limburg stelt samen met de gemeenten en shareholders een warmteplan op voor Zuid-Limburg, waarin uiterlijk eind 2016 inzicht wordt gegeven in vraag en aanbod van alle soorten warmte en koude, dat partijen verbindt, scherpte aanbrengt in de rollen van partijen, en partijen in beweging brengt om stappen te zetten in de transitie naar een andere warmtevoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten die niet gelegen zijn in de in het POL benoemde uitsluitingsgebieden, starten in 2016 het traject om te komen tot ruimtelijke plannen voor de op hun grondgebied gelegen maatschappelijk en bestuurlijk gedragen locaties voor windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten, Provincie Limburg en shareholders zorgen samen voor naleving van de Wet milieubeheer op gebied van energiebesparende maatregelen, zodat ze zoveel mogelijk worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema landschap De gemeenten en de Provincie werken samen met andere actoren in het gebied aan het behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie werken samen in 2016 voor het Nationaal Landschap een meerjarige programmerings- en financieringssystematiek uit gericht op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stimuleren en faciliteren van initiatieven gericht op onderhoud, herstel en aanleg van groene en cultuurhistorische landschapselementen, routestructuren voor extensieve recreatie (wandelen, paardensport, fietsen) en het verankeren van de zorg voor landschap in de lokale gemeenschap (‘landschap in het hart van de samenleving’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het realiseren van integrale projecten gericht op de ontwikkeling van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en versterking van de stad-land-relatie samen met actief participerende maatschappelijke partners en het bedrijfsleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overheden (en belangenorganisaties) werken een communicatieplan uit ten behoeve van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectie, aanpak, financierbaarheid en voortgang worden op het regionaal niveau van Zuid-Limburg geregeld, bestuurlijk besproken en actueel gehouden. Deze manier van werken gericht op de grotere gebiedsontwikkelingen heeft in principe een langjarig karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema land- en tuinbouw Gemeenten en Provincie werken samen bij het in een zo vroeg mogelijk stadium begeleiden van en adviseren over initiatieven ('initiatief staat centraal') binnen de land- en tuinbouw die niet passen binnen de bestaande ruimtelijke plannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2016 worden voor dynamisch voorraadbeheer van agrarisch vastgoed gezamenlijk nadere spelregels uitgewerkt, en instrumenten verkend, resulterend in bestuurlijke afspraken. Speciale aandacht is daarbij nodig voor de leegstandproblematiek van agrarische bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie werken samen met de sector aan de ontwikkeling van een duurzame veehouderij in Zuid-Limburg, door gecoördineerde inzet van hun stimulerend en regulerend instrumentarium met ruimte voor maatwerk. De gemeenten en Provincie ontwikkelen in 2016 voorstellen gericht op een landbouwinformatiesysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het behoud van grasland en grondgebondenheid is het bieden van ontwikkelruimte voor grondgebonden land- en tuinbouw, in goede balans met omgevingswaarden, van belang. In 2016 wordt bezien of aanvullend stimuleringsinstrumentarium nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over het thema vrijetijdseconomie Gemeenten en Provincie werken samen bij het in een zo vroeg mogelijk stadium begeleiden van en adviseren over initiatieven voor (aanpassing van) ruimtelijke plannen voor vrijetijdseconomie. Daarbij hoort het (sub)regionaal afstemmen van initiatieven voor vestiging, uitbreiding of doorontwikkeling van dag- of verblijfsrecreatieve voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2016 worden door gemeenten en Provincie gezamenlijk in een visie nadere spelregels en instrumenten voor dynamisch voorraadbeheer van vrijetijdseconomie uitgewerkt, resulterend in bestuurlijke afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie maken in 2016 nadere afspraken over het voorkomen en terugdringen van ongewenst gebruik van verblijfsrecreatieve voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en Provincie ontwikkelen in 2016 voorstellen voor een monitoringssysteem voor verblijfsrecreatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de bestuursovereenkomst regionale afspraken Zuid-Limburg</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>onderdeel van de overeenkomst - Inleiding Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het POL2014 vastgesteld. Het is een integrale visie op wat er nodig is om de kwaliteit van onze fysieke omgeving te verbeteren, met als centrale ambitie het realiseren van een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat. POL2014 is in co-creatie met alle Limburgse gemeenten en stakeholders tot stand gekomen, met als motto ‘Limburg is van ons allemaal'. In POL2014 staan de regio’s centraal. Het plan bevat vanuit dat perspectief ook een samen met de gemeenten opgesteld visie op Zuid-Limburg waarin de kansen en uitdagingen voor deze regio in het fysieke domein centraal staan. In het POL is beschreven hoe we als overheden samen met marktpartijen en maatschappelijke organisaties ervoor moeten zorgen dat we kansen daadwerkelijk benutten en de grote uitdagingen, zoals het wegnemen van de mismatch tussen vraag en aanbod van woningen, winkels, kantoren, bedrijventerreinen en verblijfsaccommodaties, de energietransformatie en het realiseren van de ambities voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een van de belangrijkste uitvoeringslijnen van het POL2014 is de totstandkoming van uitwerkingen per regio, dus ook voor Zuid-Limburg, voor de thema’s wonen, bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en nationaal landschap. Daarin vindt een concretisering plaats van de algemene opgaven en principes uit POL2014. De gemeenten zijn samen met de Provincie en stakeholders voortvarend aan de slag gegaan met deze regionale uitwerkingen. Ze hebben eind 2015 geresulteerd in de voorliggende bestuursovereenkomst met afspraken tussen de achttien colleges van B&amp;W in Zuid-Limburg en het college van GS over deze acht thema’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is het resultaat van intensief regionaal samenwerken in de afgelopen maanden. De voorbereiding heeft o.a. plaatsgevonden in zeven thematische werkgroepen waarin gemeenten, Provincie en stakeholders vertegenwoordigd zijn, maar ook via een groot aantal ambtelijke en bestuurlijke workshops en bijeenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een bestuurlijk overleg op 15 juli 2015 werd met de colleges van Burgemeester en Wethouders van de Zuid-Limburgse gemeenten, aanpak en voortgang met betrekking tot de genoemde thema’s besproken. Op 4 november 2015 werden circa 80 raads- en statenleden, tijdens een brede raadsconferentie Zuid-Limburg, geïnformeerd over proces en inhoud van de regionale uitwerkingen van POL2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorliggende afspraken zijn vastgesteld in het BO Wonen, BO Ruimtelijke economie, BO Energie en BO Nationaal Landschap ZL. Voorafgaand daaraan werden deze afspraken ook op hoofdlijnen gedeeld en besproken tijdens bredere bestuurlijke bijeenkomsten, zoals de Regio Alliantie Energie, het Portefeuillehoudersoverleg Economie en de Oogstbijeenkomst van het Nationaal Landschap. Zeker ook rondom de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg was er intensief overleg met gemeenten en stakeholders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraken zijn eerste generatie-afspraken. Ze hebben deels een inhoudelijk karakter, bijvoorbeeld over gezamenlijke ambities, spelregels en werkwijze, maar deels zijn het procesafspraken om binnen afgesproken termijnen nader uit te werken en te verankeren. We verwachten dan ook dat de afspraken eind 2016 of begin 2017 worden aangevuld en op onderdelen aangescherpt. Beoogd wordt om dan ook waterschap en andere stakeholders te laten aanhaken bij de afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraken zijn per thema gebundeld, maar hangen op veel punten met elkaar samen. Het is belangrijk om steeds die integraliteit in het oog te blijven houden. Een aantal algemene afspraken geldt voor alle acht thema’s en is daarom in een aparte paragraaf opgenomen. Een van die algemene afspraken heeft betrekking op de borging van deze afspraken in de Omgevingsverordening Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de algemene afspraken Ad 1 POL2014 bevat in hoofdstuk 3 een aantal algemene Limburgse principes. Samengevat zijn dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer stad, meer land (kort gezegd: inzetten op het versterken van de kwaliteit van de steden en het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied) Kwaliteit staat centraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvuldig omgaan met onze voorraden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dynamisch voorraadbeheer, waarbij centraal staan: werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad (incl. aanpak leegstand); waar mogelijk schrappen (verkleuren/ van functie veranderen) van harde plannen die niet de beoogde toevoeging van kwaliteit opleveren; onder voorwaarden ruimte bieden voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten een plek krijgen binnen het bebouwd gebied. Als dat in uitzonderingsgevallen niet kan, dan toch zoveel mogelijk aansluitend daaraan én met een stevige tegenprestatie voor het verlies aan kwaliteit. Met dit principe in combinatie met het dynamisch voorraadbeheer, geven we invulling aan het principe van duurzame verstedelijking. Grotere stedelijke ontwikkelingen en grootschalige stedelijke voorzieningen concentreren we in de steden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goed gebruik maken van reeds bestaande voorzieningen (benutten bestaande voorraad, optimaal benutten wegen door verkeer- en vervoersmanagement, meervoudig ruimtegebruik e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk benutten van leegstaande cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik maken van de kansen die het watersysteem biedt en rekening houden met en zich aanpassen aan het watersysteem (klimaatadaptatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe stedelijke functies die veel woon-werkverkeer of bezoekersstromen oproepen dienen goed aangesloten te zijn op het OV-systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvuldig gebruik van de ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet op energiebesparing en op een zo groot mogelijk aandeel vernieuwbare energiebronnen. Beter benutten van grondstoffen door er efficiënter mee om te springen en het benutten van afval- en reststromen en uiteindelijk realiseren van gesloten kringlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitnodigen en inspireren staat centraal, waarbij voorlopers gestimuleerd worden en er ruimte is om te experimenteren. Hierbij passen instrumenten op maat en een selectieve Provincie. De aanpak is steeds grensoverschrijdend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De visie op Zuid-Limburg in POL2014 benoemt de tien kernwaarden (deels landschappelijk, deels sociaal-economisch) van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg: reliëf, cultuurhistorisch erfgoed, groen karakter, open-besloten, bereikbaarheid, grondgebonden landbouw, metropolitane binnentuin, beleving, cultureel aanbod en leefbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn er in het POL per thema specifieke principes geformuleerd. Deels zijn deze principes overigens al vertaald in bepalingen in de Omgevingsverordening. De principes van duurzame verstedelijking zijn wettelijk verankerd (ladder van duurzame verstedelijking, Besluit RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2 Voor de meeste stedelijke ontwikkelingen is er geen discussie over het al dan niet van toepassing zijn van de ladder van duurzame verstedelijking. Voor ontwikkelingen op het terrein van vrijetijdseconomie spreken de partners, gezien de urgentie van de problematiek, af om ook hierbij de ladder consequent toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goede initiatieven binnen de vrijetijdseconomie moeten de ruimte krijgen. In Zuid-Limburg bestaan al veel locaties met een ruimtelijke bestemming die vrijetijdseconomie (verblijfs- en/of dagrecreatie) toestaat. Toch lijkt er ook behoefte te bestaan aan nieuwe locaties. Een focus op kwaliteit is nodig om te voorkomen dat er teveel van hetzelfde is. Een belangrijk instrument daarbij is de ladder van duurzame verstedelijking. Door middel van daarin opgenomen eisen over onderbouwing wordt de economische meerwaarde van initiatieven (of het gebrek daaraan) inzichtelijk. Afgesproken wordt daarom dat de gemeenten de ladder van duurzame verstedelijking toepassen op initiatieven voor verblijfsrecreatieve voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3 In het schema is een algemeen model opgenomen van de werkwijze wanneer zich nieuwe initiatieven voordoen. Het loket is vrijwel altijd de gemeente. De bestaande werkwijze omvat een toetsing aan wettelijke kaders, gemeentelijk en provinciaal beleid. Die blijft uiteraard bestaan. Nieuw element in de beoordeling is de toetsing aan de regionale bestuursafspraken waarbij de insteek is een initiatief in een zo vroeg mogelijk stadium bespreekbaar te maken. Het is belangrijk om hiervoor met elkaar te komen tot een werkbare structuur, die is toegespitst op het betreffende thema (zie specifieke afspraken). Basisgedachte daarbij is ‘groot bij groot, klein bij klein’, ofwel de mate van afstemming moet passen bij de impact van een initiatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige aandachtspunten voor afstemming:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten zorgen voor duidelijke loketten’ in de regio namens alle overheden, waar initiatiefnemers terecht kunnen voor informatie en eventuele begeleiding met betrekking tot hun projectplannen. Bij begeleiding en planvorming wordt het initiatief centraal gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten betrekken de Provincie vroegtijdig ingeval van initiatiefvoorstellen die kunnen raken aan provinciale en/of bovengemeentelijke belangen (basis is brief ‘POL belangen in de praktijk, juli 2015’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij complexe situaties werken gemeenten en Provincie samen in de vorm van casusteams bij de begeleiding en beoordeling van initiatieven. Een casusteam wordt samengesteld vanuit een regionale deskundigenpool vanuit de context van de opgave.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar in deze bestuursafspraken gesproken wordt over regionale afstemming wordt bedoeld de afstemming op het schaalniveau Zuid-Limburg. Waar gesproken wordt over subregionale afstemming wordt bedoeld afstemming op schaalniveau Parkstad, Maastricht-Heuvelland en Westelijke Mijnstreek. Waar nodig vindt bovenregionale afstemming plaats, tussen de drie Limburgse regio’s en/of met de aangrenzende buitenlandse regio’s. De Provincie zal hierbij zo nodig een coördinerende rol vervullen. regionale afstemming: algemeen model Ad 4 De Provincie faciliteert de gemeenten bij het invulling geven aan (de afspraken rond) dynamisch voorraadbeheer. Elementen van deze ‘toolbox’ zijn onder meer:</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies/steun bij (grotere) ontwikkelingen door provinciale expert(team)s Beschikbaarheid basisgegevens vastgoedvoorraad o.a. over leegstand Steun bij GIS- analyses op regionale schaal Juridisch advies bij invulling dynamisch voorraadbeheer Ad 5 Zoals in het POL is vastgelegd zal de Provincie deze afspraken zoveel mogelijk borgen in de Omgevingsverordening Limburg. We spreken daarbij van voorzorgsbepalingen: het gaat daarbij vooral om het bekrachtigen van afspraken die door de gemeenten zelf gemaakt zijn. Dit biedt de Provincie de mogelijkheid om bij afwijking van de afspraken zo nodig ‘de gele of rode kaart te trekken.’ Deze lijn van gezamenlijke bestuursafspraken, bekrachtigd in de verordening, heeft de voorkeur. Als een regionale uitwerking niet leidt tot bestuursafspraken die ‘ertoe doen’ (geen afspraken, afspraken veel te laat, afspraken niet in lijn met POL) of de afspraken niet door alle partners onderschreven worden, zal de Provincie de regie nadrukkelijker naar zich toetrekken (zoals aangekondigd in POL2014). Daarbij wordt gebruik gemaakt van regulerende instrumenten zoals Omgevingsverordening, aanwijzing en/of Provinciaal Inpassingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ruimtelijk plan wordt in dit kader verstaan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening; een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wro; beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening; omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2’ of 3’ van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken; een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de afspraken over het thema wonen POL2014 schetst de grote opgave die er ligt op het gebied van wonen. De Zuid-Limburgse gemeenten werken samen met de Provincie aan een structuurvisie wonen. Deze Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg is in de periode november-december 2015 door de Colleges van het merendeel van de Zuid-Limburgse gemeenten in ontwerp vastgesteld. De Provincie heeft daarvan kennis genomen. Besluitvorming in de gemeenteraden is voorzien voor de eerste helft van 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze structuurvisie legt de gezamenlijke ambities, sturingsmechanismen (met instrumenten) en afwegingskaders (kwantitatief en ruimtelijk) vast en wordt nog aangevuld met een subregionale woningprogrammering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De structuurvisie sluit op hoofdlijnen goed aan bij POL2014. Op onderdelen kunnen de in het POL2014 opgenomen algemene Limburgse principes en de specifieke principes voor het thema wonen afwijken van de Structuurvisie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn regels opgenomen gericht op het bevorderen van een duurzame verstedelijking en het hergebruik van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwerp Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg Toelichting op de afspraken over het thema detailhandel 1. Resultaat Een intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s op het niveau van Zuid-Limburg met als doel: een gezonde en toekomstbestendige detailhandelsstructuur Het resultaat van het proces waar deze bestuursafspraken voor worden gemaakt, is te komen tot een intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijke economische thema’s op het niveau van Zuid-Limburg, via een doelgericht en efficiënt planvormingsproces. Deze structuurvisie is een middel om in Zuid-Limburg een gezonde en toekomstbestendige detailhandelsstructuur te bewerkstelligen. Hierin dienen ten minste de belangrijkste winkelgebieden c.q. -clusters te zijn benoemd, heldere keuzes te zijn gemaakt ten aanzien van de toekomstige winkelstructuur en voorzienbaarheid te worden gecreëerd om, waar dat aan de orde en mogelijk is, in een vervolgfase plannen te schrappen en overtollige, leegstaande winkelmeters uit de markt te nemen inclusief een set maatregelen c.q. instrumentarium om dit te bereiken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Proces Bestuurlijke verantwoordelijkheid: BO Ruimtelijke Economie De bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansturing van (het proces en de producten in het kader van) de POL-uitwerking detailhandel ligt bij het Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Economie. De voorbereidende werkzaamheden worden uitgevoerd door de Ambtelijke Werkgroep Detailhandel Zuid-Limburg. De voorbereiding vindt plaats binnen de sub-regio’s. Zie ook het schema in bijlage 1.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 maart 2016 is beschikbaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Per sub-regio een uniforme aanbodinventarisatie Een aanbodinventarisatie per sub-regio, incl. eerste kaartbeelden (A-, B- en C-categorie winkelgebieden, zie de definitie in de bijlage), daarbij gebruikmakend van uniforme kwantitatieve gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per sub-regio en voor Zuid-Limburg als geheel een uniforme vraaginventarisatie inclusief een grensoverschreidende component Een vraagonderbouwing per sub-regio op basis van dezelfde onderzoeksmethode (onderzoek naar distributieve planologische mogelijkheden c.q. een levensvatbare omvang van de winkelvoorraad in Zuid-Limburg in 2025, rekening houdend met (de effecten van) relevante trends en ontwikkelingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een procesvoorstel voor de periode 1-3-2016 tot 1-1-2017 In de periode tot 1 maart 2016 wordt een procesvoorstel voorbereid m.b.t. de periode tot 1 januari 2017, waarbij expliciet aandacht is voor het traject om te komen tot een ontwerp intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s Zuid-Limburg inclusief een set instrumenten om het in de visie weergegeven eindbeeld te bereiken en een procesvoorstel over de wijze waarop raadsleden en stakeholders in het traject worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluitvorming Een voorstel over de besluitvorming, c.q. het vaststellen van de intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 1 maart 2016 en 1 januari 2017:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt de ontwerp intergemeentelijke structuurvisie economische thema’s op het niveau van Zuid-Limburg opgesteld op basis van de aanbod- en vraaginventarisatie inclusief een set instrumenten om het in de visie weergegeven eindbeeld te bereiken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Is op uniforme wijze de harde, zachte en verborgen plancapaciteit qua vierkante meters detailhandel in Zuid-Limburg geïnventariseerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De in gezamenlijkheid opgestelde ontwerp intergemeentelijke structuur-visie en de keuzes die daarin gemaakt zijn vormen het uitgangspunt voor de invulling van het subregionale (Westelijke Mijnstreek / Parkstad Limburg / Maastricht-Heuvelland) en gemeentelijke beleid van de 18 gemeenten in Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt een voorstel opgesteld waarin de wenselijkheid van het instellen van een regionale adviescommissie, na het vaststellen van de intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijke economische thema’s (bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel) wordt geduid Wordt er een voorstel voorbereid hoe om te gaan met de ambtelijke en bestuurlijke afstemming voor de periode na de vaststelling van de intergemeentelijke structuurvisie op niveau van Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt een voorstel opgesteld over een uniforme monitoringssystematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na 1 januari 2017:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindt de besluitvorming over het vaststellen van de ontwerp intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s Zuid-Limburg pleats conform het voor 1 maart 2016 opgestelde voorstel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt op basis van de ontwerp intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s op het niveau van Zuid-Limburg voor het subthema detailhandel een uitvoeringsprogramma opgesteld om, met behulp van de in de visie opgenomen set instrumenten, het in de visie weergegeven eindbeeld te bereiken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Afspraken voor de periode tot het vaststellen van de intergemeentelijke structuurvisie ruimtelijk economische thema’s Zuid-Limburg De regio Zuid-Limburg wordt niet op slot gezet. Aan kwalitatief goede projecten die een toegevoegde waarde bieden en de economische structuur van de regio versterken of die van belang zijn voor de leefbaarheid in de kernen wordt, mits op de juiste manier onderbouwd, een kans tot ontwikkeling gegeven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toetsing van al dan niet tijdelijke nieuwe plannen en initiatieven in de periode tot en met de totstandkoming van de structuurvisie ruimtelijke economie Zuid-Limburg wordt het volgende afgesproken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden in principe geen nieuwe initiatieven gerealiseerd die strijdig zijn met POL.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nieuwe initiatieven niet passend binnen het POL en/of het betreffende bestemmingsplan kleiner dan 500 m2 toch wenselijk worden geacht, wordt voordat onomkeerbare stappen worden gezet, deze gemeld in de Ambtelijke Werkgroep Detailhandel Zuid-Limburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nieuwe initiatieven niet passend binnen het POL en/of het betreffende bestemmingsplan grater dan of gelijk aan 500 m2 (en kleiner dan 1.000 m2) toch wenselijk worden geacht, wordt voordat onomkeerbare stappen worden gezet binnen de betreffende subregio afgestemd door middel van overleg in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Westelijke Mijnstreek: Portefeuillehoudersoverleg Economie en Toerisme Maastricht-Heuvelland: Portefeuillehoudersoverleg Economie Parkstad Limburg: Bestuurscommissie Economie en Toerisme Het initiatief wordt bovendien gemeld aan de provincie.</p></div>", "next": 239505}