{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het verbod, bedoeld in artikel 11.4, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 11.4, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 11.6, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.8(Veiligheidsredenen) Het in artikel 11.4, eerste lid, gestelde verbod is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden; tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf11.2.3Ontheffing =verlening Artikel11.9(Ontheffing) Gedeputeerde staten kunnen met inachtneming van artikel 11.5 ontheffing verlenen van het verbod gesteld in artikel 11.4, eerste lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 11.3 Nadere regels</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel11.10(Nadere regels) Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK12ACTIVITEITEN OP GESLOTEN STORTPLAATSEN Paragraaf12.1Algemeen Artikel12.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld in het belang van de bescherming van de nazorgvoorzieningen op gesloten stortplaatsen in aanvulling op de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; werk: een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf12.2Activiteiten Artikel12.3(Verbodsbepaling) 1.Het is verboden zonder ontheffing van gedeputeerde staten een activiteit te verrichten in, op, onder of over een plaats waar de eeuwigdurende zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd door: werken te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de nazorgvoorzieningen en -maatregelen kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van nazorgvoorzieningen en -maatregelen en de instandhouding daarvan conform een goedgekeurd nazorgplan; een activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het onderdeel milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.4(Beoordelingsregels) Gedeputeerde staten verlenen de ontheffing alleen indien wordt gewaarborgd dat de activiteit op de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel12.5(Gegevens en bescheiden) De aanvraag om ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens en bescheiden: naam en adres van de aanvrager; het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk dertien weken voor de aanvraag van de ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder b is aangegeven; de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder c; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; de maatregelen die worden getroffen om: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren. de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder f bedoelde maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK13BODEMSANERING</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 13.1 Algemeen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld in aanvulling op de Wet bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.2(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: grond(water)sanering: het verrichten van handelingen met het oogmerk het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreiging van verontreiniging van de bodem.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 13.2 Activiteiten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf13.2.1Inhoud plannen Artikel13.3(Inhoud saneringsplan) Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid van de Wet bodembescherming bevat een saneringsplan, indien wordt gekozen voor een functiegerichte sanering in plaats van een multifunctionele sanering, in ieder geval een motivering voor de functiegerichte sanering in relatie tot de saneringsdoelstelling en de omgeving van de te saneren bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.4(Wijziging saneringsplan) Een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming bevat: alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; de inhoud van de wijziging; de reden van de wijziging; de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde saneringsdoelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.5(Evaluatieverslag) Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf13.2.2Meldingen Artikel13.6(Wijze van melden saneringsplan, evaluatieverslag, nazorgplan etc.) 1.Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatieverslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken bij gedeputeerde staten ingediend op een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de indiening van stukken, genoemd in het eerste lid, worden in ieder geval gegevens en bescheiden verstrekt over het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, aangegeven op een kadastrale kaart die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de I-contour(en) van de bodemverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 28, tweede lid, van de Wet bodembescherming, in ieder geval: de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel13.7(Meldingsplichten saneringsuitvoering) 1.Ten minste twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering verstrekt degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden over de aanvangsdatum alsmede een specificatie van de bij de uitvoering betrokken bedrijven en instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens en bescheiden wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het gehele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging ervan aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het in het betreffende lid bepaalde heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK14ONTGRONDINGEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 14.1 Algemeen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het realiseren van de doelstellingen uit het ontgrondingenbeleid van de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.2(Toepassingsgebied) Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden twee of meer uit te voeren ontgrondingen die in elkaars directe nabijheid liggen en een samenhangend geheel vormen als één ontgronding beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.3(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden: de gebieden Rivierduingebied Swifterbant, UNESCO-monument Schokland, Urk en omgeving en Omgeving Kuinderschans en Kuinderburcht die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Top-10 Archeologische Locaties: de gebieden die een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie vertegenwoordigen en die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Top-10 Archeologische locatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 14.2 Activiteiten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.2.1Aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel14.4(Aanwijzing vergunningvrije gevallen) 1.Het verbod om zonder ontgrondingsvergunning te ontgronden geldt niet voor ontgrondingen waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod om zonder ontgrondingsvergunning te ontgronden geldt niet voor: het aanleggen, verbreden en verdiepen van watergangen voorzover de ontgronding niet leidt tot een watergang met een insteek breder dan 15 meter en een diepte van meer dan 3 meter beneden het maaiveld, en mits daaraan een geldig besluit van het college van dijkgraaf en heemraden ten grondslag ligt; het verbreden en verdiepen van watergangen ten behoeve van de aanleg van duurzame of natuurvriendelijke oevers, mits niet dieper wordt ontgraven dan tot 3 meter beneden het maaiveldniveau direct buiten de insteek, en de insteek aan weerszijden niet meer wordt verbreed dan met:</p>\n<p class=\"lf-p\">5 meter voor watergangen met een breedte tot 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">10 meter voor watergangen met een breedte van meer dan 20 meter op het moment van inwerking treden van deze verordening. het aanleggen, wijzigen of verwijderen van waterkeringen door of op last van het rijk, provincie of waterschap; het maken of wijzigen van een bouwwerk krachtens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het opruimen van een dergelijk bouwwerk; het aanleggen, instandhouden, veranderen of verwijderen van wegen, spoorwegen, buizen, kabels, leidingen, en daarmee vergelijkbare of samenhangende werken, mits een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden, andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, en mits dit plaatsvindt in overeenstemming met: een in werking zijnd bestemmingsplan , of een in werking zijnd inpassingsplan van het rijk of de provincie, dat niet ouder is dan 10 jaar op het moment van ontvangst door gedeputeerde staten van de melding als bedoeld in artikel 14.5, of een in werking zijnde omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 30, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken, of een in werking zijnde vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening voor zover deze vrijstelling zijn gelding heeft behouden danwel op grond van het in de Invoeringswet ruimtelijke ordening opgenomen overgangsrecht nog van toepassing is, of een in werking zijnd tracébesluit; bodemsaneringen door of op last van het provinciaal bestuur; het verwijderen of vervangen van een bestaande natuurlijke of kunstgrasmat voor nieuw natuurlijk of kunstgras voor sportvelden waarbij niet dieper wordt ontgrond dan 0,5 meter beneden maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.5(Melding) 1.Ten minste vier weken voor het daadwerkelijk ontgronden meldt degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren die ingevolge artikel 14.4, tweede lid, is vrijgesteld van de vergunningplicht, dit aan gedeputeerde staten. De melding wordt gedaan op een door of namens gedeputeerde staten vastgesteld formulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verplichting tot melding is niet van toepassing op ontgrondingen waarbij de te ontgraven hoeveelheid minder is dan 1500 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het uitbreiden of wijzigen van de ontgronding die ingevolge artikel 14.4 tweede lid, is vrijgesteld van de vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.2.2Afwijking van aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel14.6(Winnen van oppervlaktedelfstoffen) De vrijstelling van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor ontgrondingen die primair gericht zijn op het winnen van oppervlaktedelfstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.7(Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden) De vrijstelling van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor ontgrondingen met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de op de kaart Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebieden aangewezen Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.8(Top-10 Archeologische Locaties) De vrijstelling van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 14.4, eerste lid en het tweede lid onder a en b geldt niet voor ontgrondingen met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de op de kaart Top-10 Archeologische Locaties aangewezen Top-10 Archeologische Locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.2.3Aanwijzing eenvoudige vergunningprocedure Artikel14.9(Eenvoudige vergunningprocedure) Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op: ontgrondingen van eenvoudige aard waarbij de te ontgraven hoeveelheid minder is dan 20.000 m3, een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken; het aanleggen van, onderhouden, wijzigingen en verwijderen van riolering, kabels, leidingen en werken ten behoeve van de waterdoorgang mits een diepte van 5 meter beneden het maaiveld niet wordt overschreden en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken; wijziging van een vergunning betreffende verlenging van de geldigheidstermijn of betreffende de tenaamstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.10(Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden) Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard in de beschermingszone van de op de kaart Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebiedenaangewezen Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden, mits de ontgronding plaats vindt ten behoeve van archeologisch onderzoek voortkomend uit zuiver wetenschappelijke motieven en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.11(Top-10 Archeologische Locaties) Het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op ontgrondingen van eenvoudige aard in de beschermingszone van de op de kaart Top-10 Archeologische Locaties aangewezen Top-10 Archeologische locaties, mits de ontgronding plaats vindt ten behoeve van archeologisch onderzoek voortkomend uit zuiver wetenschappelijke motieven en andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.2.4Aanwijzing afwijking eenvoudige vergunningprocedure Artikel14.12(Provinciale Arcehologische en Aardkundige Kerngebieden) Artikel 14.9 onder a en b is niet van toepassing op ontgrondingen in de beschermingszone van de op de kaart Provinciale Archeologische een Aardkundige Kerngebieden aangewezen Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden indien het ontgrondingen betreft waarbij een diepte van 0,3 meter beneden maaiveld wordt overschreden en meer dan 500 m2 wordt ontgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel14.13(Top-10 Archeologische Locaties) Artikel 14.9 onder a en b is niet van toepassing op ontgrondingen in de beschermingszone van de op de kaart Top-10 Archeologische Locatiesaangewezen Top-10 Archeologische Locaties indien het ontgrondingen betreft waarbij een diepte van 0,3 meter beneden maaiveld wordt overschreden en meer dan 500 m2 wordt ontgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf14.2.5Indieningsvereisten aanvraag vergunning Artikel14.14(Indieningsvereisten) 1.Een aanvraag tot verlening of wijziging van een ontgrondingsvergunning wordt schriftelijk in enkelvoud bij gedeputeerde staten ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager niet de eigenaar is van de te ontgronden onroerende zaak, legt hij een verklaring van toestemming van de eigenaar over.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK15WEGEN EN VAARWEGEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 15.1 Algemeen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.1(Oogmerk) De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op: de instandhouding van de bij de provincie Flevoland in beheer zijnde openbare wegen en vaarwegen en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die openbare wegen en vaarwegen; de bescherming van landschappelijke, ecologische of andere natuurwetenschappelijke waarden van het gebied waarin de openbare weg of vaarweg is gelegen, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door een in of krachtens een andere wet gestelde bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.2(Toepassingsgebied wegen) Dit hoofdstuk is van toepassing op openbare wegen en de daarbij behorende kunstwerken en hetgeen verder naar de aard van de openbare weg daartoe behoort, in beheer bij de provincie Flevoland, zoals aangegeven op de kaart Provinciale wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.3(Toepassingsgebied vaarwegen) Dit hoofdstuk is van toepassing op openbare vaarwegen en de daarbij behorende kunstwerken en hetgeen naar de aard van de openbare vaarweg daartoe behoort, in beheer bij de provincie Flevoland, zoals aangegeven op de kaart Provinciale vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.4(Toepassingsgebied evenementen) Dit hoofdstuk is van toepassing op evenementen buiten het areaal van de in artikelen 15.2 en 15.3 genoemde openbare wegen en vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.5(Begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: evenementen: tijdelijke, niet routegebonden activiteiten zoals feesten, markten en braderieën; openbare vaarweg: elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor openbaar scheepvaartverkeer met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen; openbare weg: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen, en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen; stoffen : chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; uitweg: elke rechtstreekse, in de zin van de Wegenwet niet openbare, ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg; werk : een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 15.2 Activiteiten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf15.2.1Verboden Artikel15.6(Verbodsbepaling) 1.Het is verboden gebruik te maken van een openbare weg of vaarweg, anders dan waartoe deze is bestemd, door: daarin, daarop, daaronder of daarboven werken te maken of te behouden; daarin, daarop, daaronder of daarboven vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; daarin, daarop, daaronder of daarboven op andere wijze dan vermeld onder a of b handelingen te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor handelingen ten behoeve van het beheer en onderhoud van openbare wegen of vaarwegen door of in opdracht van gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf15.2.2Aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel15.7(Algemene regels uitwegen) 1.Het in artikel 15.6 gestelde verbod geldt niet voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het veranderen van het gebruik daarvan, indien en voor zover de voorgenomen uitweg voldoet aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanleg, de constructie en de aanwezigheid van de uitweg veroorzaken geen schade aan de openbare weg en zijn niet strijdig met het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Per woning of vestiging van een bedrijf wordt maximaal één uitweg aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De uitweg voldoet aan de volgende (technische) specificaties: de afstand van de uitweg tot bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten bedraagt meer dan 200 meter; de uitweg is dusdanig geconstrueerd dat het verkeer vooruitrijdend de kavel zonder nadere manoeuvres op en af kan rijden; de uitweg heeft een gesloten of elementenverharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.8(Algemene regels borden en herdenkingstekens) 1.Het in artikel 15.6, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor het plaatsen van een bord of een herdenkingsteken in de berm van de openbare weg of in het talud van de openbare vaarweg, indien en voor zover het voorgenomen bord of herdenkingsteken voldoet aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De plaatsing, de constructie en de aanwezigheid van het bord of het herdenkingsteken veroorzaken geen schade aan de openbare weg of vaarweg en zijn niet strijdig met het veilig en doelmatig gebruik van de openbare weg of vaarweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bord of herdenkingsteken voldoet aan de volgende (technische) specificaties: het bord of herdenkingsteken is niet groter dan 0,8 meter bij 0,8 meter; het bord of herdenkingsteken spiegelt niet, fluoresceert niet, is niet verlicht en heeft geen bewegende delen; het bord of herdenkingsteken is minimaal 0,5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld bevestigd; het bord of herdenkingsteken is voldoende stevig in de grond verankerd; het bord of herdenkingsteken staat meer dan 200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten; het bord of herdenkingsteken staat meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden; het bord of herdenkingsteken staat meer dan 1,8 meter van de asfaltverharding; het bord of herdenkingsteken staat niet in de middenberm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Degene die een bord of een herdenkingsteken heeft geplaatst, verwijdert dit bord of herdenkingsteken uiterlijk drie jaar na plaatsing en herstelt daarbij de berm of het talud in de oorspronkelijke staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.9(Melding) 1.Tenminste vier weken voor het begin van de activiteit meldt degene die voornemens is een uitweg aan te leggen conform het bepaalde in artikel 15.7 eerste lid of een bord of herdenkingsteken te plaatsen conform het bepaalde in artikel 15.8 eerste lid dit aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De melding bevat de volgende gegevens en bescheiden: de naam en het adres van de melder; het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de betrokken locatie; een tekening van de voorgenomen constructie en een opsomming van de te gebruiken materialen; de duur van het voorgenomen gebruik van de openbare weg of vaarweg, anders dan waartoe deze is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf15.2.3Afwijking van aanwijzing vergunningvrije gevallen Artikel15.10(Afwijking vergunningvrije gevallen) 1.Artikel 15.7 geldt niet indien: de voorgenomen uitweg uitkomt op de N 301 (Nijkerkerweg);</p>\n<p class=\"lf-p\">N 302 (Larserweg, Gooiseweg, Ganzenweg);</p>\n<p class=\"lf-p\">N 305 (Waterlandseweg, Gooiseweg, Biddingringweg);</p>\n<p class=\"lf-p\">N 307 (Hanzeweg, Dronterringweg, Overijsselseweg);</p>\n<p class=\"lf-p\">N 702 (Hogering, Buitenring), of N 703 (Tussenring). de voorgenomen uitweg wordt aangelegd ten behoeve van een benzineverkooppunt; de voorgenomen uitweg wordt aangelegd ten behoeve van een voorziening die een groot aantal bezoekers trekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf15.2.4Ontheffingverlening Artikel15.11(Ontheffing algemeen) 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 15.7 en 15.8 kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van het in artikel 15.6, eerste lid, gestelde verbod, indien de belangen bedoeld in artikel 15.1 zich daar niet tegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag om ontheffing bevat de volgende gegevens en bescheiden: de naam en het adres van de aanvrager; het adres, de kadastrale aanduiding en een tekening of plattegrond van de betrokken locatie; een tekening van de voorgenomen constructie en een opsomming van de te gebruiken materialen; de duur van het voorgenomen gebruik van de openbare weg of vaarweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.12(Ontheffing evenementen) 1.Gedeputeerde staten kunnen voor het houden van evenementen ontheffing verlenen van het in artikel 15.6, eerste lid, gestelde verbod, indien de belangen bedoeld in artikel 15.1 zich daar niet tegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De aanvraag om ontheffing bevat de volgende gegevens en bescheiden: de naam en het adres van de aanvrager; een omschrijving van het voorgenomen evenement; de datum en de duur van het voorgenomen evenement; het verwachte aantal bezoekers van het voorgenomen evenement.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 15.3 Nadere regels</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel15.13(Nadere regels) Gedeputeerde staten kunnen, indien de belangen bedoeld in artikel 15.1 zich daar niet tegen verzetten, nadere regels stellen voor door hen aangewezen openbare wegen en vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 16Geitenhouderijen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 16.1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.1</span><span class=\"lf-art-t\">(Oogmerk)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regels in deze titel zijn gesteld met het oog op het verbieden van nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen om daarmee gezondheidseffecten in de omgeving te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.2</span><span class=\"lf-art-t\">(Begripsbepalingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: bestaande geitenhouderij: een geitenhouderij die op 2 februari 2019 in gebruik is in overeenstemming met het bestemmingsplan èn beschikt over de benodigde omgevingsvergunning(en) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel daar een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor is ingediend, of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend. bestemmingsplan: bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening en een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. geitenhouderij: het houden van 10 geiten of meer. woonkern: Een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 x 500 meter waarvan ieder vierkant 25 woonadressen of meer bevat alsmede de (plan)gebieden waar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold en het bestemmingsplan Wellerwaard - partiële herziening betrekking op hebben.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 16.2 Activiteiten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.3</span><span class=\"lf-art-t\">(Tijdelijke Geitenstop)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden om een nieuwe geitenhouderij te vestigen of op te richten en daarvoor onder andere: een dierenverblijf voor het houden van geiten op te richten, een bouwwerk, gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen, een bouwwerk, gebouw of gronden tijdelijk te gebruiken voor het houden van geiten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden voor een bestaande geitenhouderij gelegen binnen twee kilometer van de rand van een woonkern om het aantal geiten uit te breiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De verboden genoemd in het eerste en tweede lid gelden zolang en voor zover er nog geen onherroepelijk bestemmingsplan is dat in overeenstemming is met die verboden.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 16.3 Instructies bestemmingsplan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.4</span><span class=\"lf-art-t\">(Instructieregels bestemmingsplan)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een bestemmingsplan sluit de nieuwvestiging van geitenhouderijen uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een bestemmingsplan sluit de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen binnen twee kilometer van een woonkern uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De gemeenteraad stelt in afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening uiterlijk voor 1 januari 2024 een bestemmingsplan vast met inachtneming van de regels uit dit hoofdstuk.</div>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUKIPROCEDURES EN ADVISEURS</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel I.1 Ontheffingsprocedure</h3>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafI.1.1Aanvraag ontheffing ArtikelI.1(Aanvraag ontheffing) 1.Een aanvraag voor ontheffing op grond van deze verordening kan langs elektronische weg worden ingediend bij gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien een aanvraag niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt een aanvraag schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafI.1.2Ontheffingsprocedure ArtikelI.2(Ontheffingsprocedure) 1.Gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag om ontheffing of het wijzigen of intrekken van een ontheffing binnen acht weken na ontvangst van de complete aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid is op een aanvraag om ontheffing of het wijzigen of intrekken van een ontheffing afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, indien sprake is van samenloop met een beschikking die met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt voorbereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid passen gedeputeerde staten afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toe indien zienswijzen worden verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafI.1.3Ontheffingverlening ArtikelI.3(Ontheffingverlening) 1.Gedeputeerde staten kunnen de ontheffing verlenen indien de belangen die deze verordening beschermt zich daartegen niet verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken: ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen; gedurende een aaneengesloten periode van meer dan een jaar na dagtekening van de ontheffing dan wel binnen een bij de ontheffing te bepalen andere termijn, van de ontheffing geen gebruik is gemaakt; de in de ontheffing bedoelde werken of handelingen niet meer worden gebruikt of niet meer plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelI.4(Ontheffingsvoorschriften) 1.Aan een ontheffing kunnen ter bescherming van de belangen die deze verordening beoogt te dienen voorschriften en beperkingen worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan een ontheffing op grond van artikel 15.11 en 15.12 kan een financieel voorschrift worden verbonden voor het gebruik van de openbare weg of vaarweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafI.1.4Rechtsopvolging ArtikelI.5(Rechtsopvolging) 1.Een ontheffing geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechtsopvolger van degene aan wie de ontheffing is verleend doet binnen vier weken nadat de ontheffing voor hem is gaan gelden, daarvan mededeling aan gedeputeerde staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel I.2 Adviseurs</h3>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelI.6(Advies grondwaterbescherming) Indien een beschikking betrekking heeft op een in Hoofdstuk 5 Grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen verbod worden in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over de aanvraag of het voornemen: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden; de directeur van het waterleidingbedrijf dat grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening onttrekt in Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelI.7(Advies bij omgevingsvergunning) In de gevallen waarin een op grond van deze verordening vereiste ontheffing opgaat in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarvoor gedeputeerde staten niet het bevoegde gezag zijn, stelt het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.26, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten in de gelegenheid advies over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning uit te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUKIIHANDHAVING EN UITVOERING</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel II.1 Kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving</h3>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafII.1.1Algemeen ArtikelII.1(Reikwijdte) Deze titel is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII.2(Begripsbepalingen) In deze titel wordt verstaan onder: betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtvan toepassing is; kwaliteitscriteria: de door gedeputeerde staten vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafII.1.2Kwaliteit ArtikelII.3(Betrokkenheid van provinciale staten) Provinciale staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII.4(Kwaliteitsdoelen) Gedeputeerde staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 7.2, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII.5(Kwaliteitsborging) 1.Gedeputeerde staten stellen kwaliteitscriteria vast bij nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 17.1 zijn de kwaliteitscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen gedeputeerde staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het vierde lid is niet van toepassing op de kwaliteitscriteria ten aanzien van de uitvoering en handhaving van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 of bijlage I, categorie 4, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel II.2 Bestuurs- en strafrechtelijke handhaving</h3>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII.6(Aanwijzing toezichthouder) Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII.7(Verbodsbepaling) Een gedraging in strijd met artikel 1.3 eerste lid, 3.3, 15.6, 15.7, 15.8 en 15.9, of met één of meer voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 1.3 tweede lid, 3.5, 15.11 en 15.12, is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelII.8(Strafbepaling) 1.Een gedraging in strijd met artikel 1.3 eerste lid , 1.3 tweede lid, 2.5, 3.3, 5.4, 5.5, 5.6, 5.7, 5.9, 5.10, 5.16, 5.18, 9.4, 9.5, 9.8, 11.4, 12.3, 15.6, 15.7, 15.8, 15.9 en 16.5 of met één of meer voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 1.3 tweede lid , 3.5, 5.21, 9.10, 11.9, 12.4, 15.11 en 15.12 is een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedragingen in strijd met artikel 1.3 eerste lid, 3.3, 15.6, 15.7, 15.8, en 15.9, of met één of meer voorschriften of beperkingen verbonden aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 1.3, tweede lid, 3.5, 15.11 en 15.12, worden bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUKIIIOVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel III.1 Intrekking oude verordeningen</h3>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.1(Intrekken verordeningen) De volgende verordeningen worden ingetrokken: de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012; de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland en de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel III.2 Overgangsbepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafIII.2.1Algemeen overgangsrecht ArtikelIII.2(Overgangsrecht plannen, meldingen, ontheffingen en vergunningen) 1.Op procedures op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 die zijn aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing 2.De op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Meldingen die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 en de Verordening fysieke leefomgeving Flevoland zijn afgedaan, worden gelijkgesteld met een melding op grond van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De op de dag voorafgaande aan 12 december 2012 geldende besluiten die op grond van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De op de dag voorafgaande aan 1 september 2007 geldende besluiten die op grond van de Provinciale milieuverordening Flevoland, de Ontgrondingenverordening Flevoland 2002 en de Landschapsverordening Flevoland 2004 zijn genomen, blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.3(Overgangsrecht uitvoeringsregelingen) Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten nadere regels en beleidsregels, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland, de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 en de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Flevoland, op deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafIII.2.2Overgangsrecht grondwateronttrekkingen ArtikelIII.4(Overgangsrecht grondwateronttrekkingen) 1.Een melding op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996, gedaan voor 1 september 2007, die betrekking heeft op grondwateronttrekkingen dieper dan de op kaart Boringsvrije zone overgangsrecht aangegeven maximale diepte wordt gelijkgesteld met een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor onttrekkingsinrichtingen als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, die vóór de datum van inwerkingtreding van een besluit tot aanwijzing van een interferentiegebied als bedoeld in artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht zijn geïnstalleerd en krachtens artikel 6.11 van het Waterbesluit aan gedeputeerde staten zijn gemeld, blijft het recht van toepassing zoals dat gold vóór die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafIII.2.3Overgangsrecht grondwaterbeschermingsgebieden ArtikelIII.5(Overgangsrecht algemene regels voor boorputten) Een melding of een vergunning voor een inrichting op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 ondieper dan de in kaart Boringsvrije zone overgangsrecht aangegeven diepte, die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend, wordt gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikelen 5.16, 5.17 en 5.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.6(Overgangsrecht bodemverstoringen) 1.Een melding of een vergunning op grond van de Grondwaterverordening Flevoland 1996 voor een inrichting tot een diepte van 20 meter beneden maaiveld die voor 1 september 2007 respectievelijk is ontvangen of verleend wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 5.9 en 5.13 indien voor de inrichting op kaart Boringsvrije zone overgangsrecht een dieptegrens van 10 meter is opgenomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een bestaande bodemverstoring tot maximaal 20 meter beneden maaiveld, waarvoor de Grondwaterwet niet geldt, wordt binnen twee maanden na 1 september 2007 gemeld. Deze melding wordt gelijk gesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 5.9 en 5.13 indien voor de bodemverstoring op kaart Boringsvrije zone overgangsrecht een dieptegrens van 10 meter is opgenomen terwijl op grond van kaartnummer G6 van de Provinciale milieuverordening Flevoland een dieptegrens van 20 meter van toepassing was.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.7(Overgangsrecht voor onttrekkingen in derde watervoerende pakket) 1.Ontheffingen voor boorputten die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 4.7 en 4.11 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven van kracht tot het moment dat het gebruik van de boorput wordt beëindigd of tot 1 januari 2025;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De algemene vergadering regelt in de verordening voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen, dat vergunningen voor onttrekkingen die op 22 december 2009 vallen onder het verbod als bedoeld in artikel 6.4 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland blijven bestaan tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.8(Overgangsrecht heipalen met verbrede voet) Artikel 5.8, eerste lid, onder e, artikel 5.12, eerste lid, onder e en artikel 5.15, eerste lid, onder e gelden niet voor heipalen met verbrede voet die tussen 1 september 2007 en 22 december 2009 zijn aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafIII.2.4Overgangsrecht wegen en vaarwegen ArtikelIII.9(Overgangsrecht wegen en vaarwegen) Voor werken die op 1 september 2007 op grond van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke toestemming van de provincie Flevoland of haar rechtsvoorgangers aanwezig waren, wordt de door deze verordening vereiste ontheffing geacht te zijn verleend respectievelijk de vereiste melding te zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ParagraafIII.2.5Overgangsrecht bestuursrechtelijke handhaving ArtikelIII.10(Overgangsrecht aanwijzingsbesluiten toezichthouders) Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten besluiten, voor zover deze op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening berustten op artikel 12.3 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland en artikel 11.3 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012, op artikel 17.6 van deze verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel III.3 Slotbepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.11(Evaluatie) Gedeputeerde staten zenden binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan provinciale staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.12(Wijzigingsbevoegdheid bij kennelijke onjuistheden) Gedeputeerde staten zijn bevoegd om kennelijke onjuistheden in de tekst van deze verordening, de bijlagen en de kaarten die bij de verordening horen -en de digitale verbeelding daarvan- in de verordening te corrigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.13(Inwerkingtreding) 1.Deze verordening treedt in werking op 15 maart 2019 met uitzondering van: de aanwijzing van Havenkwartier Zeewolde als regionale waterkering op grond van artikel 6.5, het verwijderen van kaartnummer 18 met betrekking tot regionale waterkering Knardijk in bijlage 4, artikel 16.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De onderdelen a tot en met c van het eerste lid treden in werking op een door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip dat voor de verschillende onderdelen verschillend kan worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelIII.14(Citeertitel) Deze verordening wordt aangehaald als \"Omgevingsverordening Flevoland\".</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE1LIJST MET PROVINCIALE BELANGEN Lijst met provinciale belangen als bedoeld in artikel 1.3 , eerste lid en artikel 1.4 .</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale belangen zijn verwoord in het Omgevingsprogramma Flevoland (inclusief wijzigingen) en de regels voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie geeft naar verwachting in ieder geval spanning met onderstaande provinciale belangen. Hierbij moet worden opgemerkt dat met deze lijst niet wordt beoogd compleet te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciaal belang 1 Landelijk gebied In principe zijn er geen nieuwe bouwpercelen toegestaan. Niet agrarische activiteiten dienen zich primair op de bestaande bouwpercelen te vestigen. Randvoorwaarde hierbij is kleinschaligheid en geen uitbreiding van het bestaande bouwperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden van de mogelijkheid dat in het landelijke gebied kleinschalige niet-agrarische ontwikkelingen op de voormalige agrarische bouwpercelen mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Stedelijke ontwikkeling Behouden van voorziene mogelijkheden voor verstedelijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Werken &amp; economie Stimuleren van een duurzame, kennisintensieve en innovatieve Flevolandse economie gericht op werkgelegenheid en concurrentiekracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoen aan het provinciale locatiebeleid. Hieronder valt het voldoen aan de SER-ladder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Landbouw Behouden bestaande landbouw en de ontwikkelingsmogelijkheden daarvoor (waaronder de bestaande glastuinbouwgebieden en de voorziene ontwikkelingen daarvoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Recreatie Behouden van recreatieontwikkelingsmogelijkheden binnen de specifieke zones, zoals uitloopgebieden en de routes waaronder de BRTN.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Natuur Behouden en ontwikkelen van een robuust en samenhangend netwerk van natuurgebieden, waaronder de EHS en de ecologische verbindingen, dat voldoende (leef-)ruimte biedt voor soorten en waarden die karakteristiek zijn voor de Flevolandse natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Landschap en cultuurhistorie Behouden van Flevolandse cultuurhistorische en landschappelijke kern- en basiskwaliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden gebieden met karakteristiek open landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelingen in de Noordoostpolder moeten passen binnen de ontwerpprincipes (Kristaller) die aan de polder ten grondslag hebben gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Archeologie en aardkunde Behouden van behoudenswaardige archeologische waarden waaronder TOP-10 locaties, PARK-en en aardkundig waardevolle gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Water Bescherming grondwaterbeschermingsgebieden, waartoe ook de boringsvrije zones behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden van waterkwaliteit, waterkwantiteit, waterveiligheid (waaronder waterkeringen) en mogelijkheden WKO.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Milieu Behouden van een goede leefomgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden van voldoende mogelijkheden voor verstedelijking en ontwikkeling landbouw in het kader van de PAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hanteren van de richtinggevende principes voor een duurzaam bodemgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen van geurhinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen geluidhinder: dit kader de bescherming stiltegebieden en de concentratie van grote lawaaimakers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden van (lopende proces) ontwikkeling windenergie in het kader van opschalen en saneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Veiligheid Voldoen aan externe veiligheidseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Verkeer, vervoer en infrastructuur Voorkomen van versnippering van het landschap en ontstaan van verminderde doorstroming en verkeersveiligheidsproblemen op provinciale wegen en vaarwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden van ontwikkeling van Luchthaven Lelystad en locaties voor multimodale overslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE2BORDEN GRONDWATERBESCHERMINGSGEBIEDEN Borden grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in artikel 5.3 , tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE3LIJST MET CATEGORIËN VAN INRICHTINGEN Lijst als bedoeld in artikel 5.6 (Categorieën van inrichtingen waarvan het verboden is ze in beschermingsgebieden op te richten) Sbi-code bedrijfstype Land- en tuinbouw 01.4 agrarische dienstverlenende bedrijven met opslag bestrijdingsmiddelen Delfstoffenwinning 12.01 aardoliewinputten 12.03 aardolie- en gasexploratie (tijdelijke activiteiten) 19.2 zoutwinning (putten) Lederwarenindustrie 24.1 lederfabrieken Hout en meubelindustrie 25.23 houtconserveringsbedrijven (druk/vacuümprocessen of drenken e.d.) Aardolie- en steenkoolverwerkende industrie 28.1 aardolieraffinaderijen 28.21 cokesfabrieken Chemische industrie 29.2 kunstharsenfabrieken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">29.3 kleur- en verfstoffenfabrieken 29.42 anorganische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.</p>\n<p class=\"lf-p\">29.49.3 grondstoffenfabrieken voor geneesmiddelen en fijnchemicaliën, p.c. &gt;= 1.000 t/j 29.49.4 organische chemische grondstoffenfabrieken n.e.g.</p>\n<p class=\"lf-p\">29.51 verf-, lak- en vernisfabrieken 29.71 zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken 29.8 chemische bestrijdingsmiddelenfabrieken 29.91 lijm- en plakmiddelenfabrieken 29.92 chemische kantoorbenodigdhedenfabrieken 29.93 poetsmiddelenfabrieken 29.94 fotochemische productenfabrieken 29.95 springstoffen-, vuurwerk- e.d. fabrieken 29.99 chemische productenfabrieken n.e.g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken 30.0 kunstmatige en synthetische garen- en vezelfabrieken Basismetaalindustrie 33.1 ruwijzer- en staalfabrieken 33.2 stalen-buizenfabrieken, p.o. &gt;= 2.000 m2 33.41 non-ferro-metaalerts-voorbewerkingsbedrijven, p.c. &gt;= 1.000 t/j 33.42 primaire non-ferro-metaalfabrieken, p.c. &gt;= 1.000 t/j 33.43 non-ferro-metaalsmelterijen e.d., p.c. &gt;= 4.000 t/j Metaalproductenindustrie 34.4 overige constructiewerkplaatsen (excl. lakken), in open lucht, p.o. &gt;= 2.000 m2 34.5 metalen meubelfabrieken e.d. (incl. lakken en moffelen) 34.6 metalen emballage industrie (incl. lakken en moffelen) 34.8 overige metaalwarenindustrie 34.93 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven: i. algemeen ii. anodiseren, eloxeren iii. chemische oppervlaktebehandeling iv. galvaniseren (vernikkelen, verchromen, verzinken, verkoperen e.d.) Elektrotechnische industrie 36.21 elektromotoren- en generatorenfabrieken 36.22 schakel- en installatiemateriaalfabrieken 36.92 lampenfabrieken 36.95.1 fabrieken voor gedrukte bedrading Transportmiddelenindustrie 37.41 t/m .45 scheepsbouw- en reparatiebedrijven voor metalen schepen &gt;= 25 meter en/of roefdraaien verbrandingsmotoren &gt;= 1 MW 37.46 scheepsschilder- en schoonmaakbedrijven e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">37.47 scheepssloperijen Groothandel 61.47 vloeibare brandstoffen: vloeistoffen o.c. &gt;= 100.000 m3 61.51 chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing 62.91/.92 schroot, met schredders, persen autosloperijen Zeevaart 73.3 zeevaart laad-, los- en overslagbedrijven: i. steenkool ii. olie, LPG e.d. tankercleaning Binnenvaart 74.2 binnenvaart laad-, los- en overslagbedrijven: i. steenkool, opslagoppervlak &gt;= 2.000 m2 ii. tankercleaning Openbaar bestuur 90.6 land-, lucht- en zeemachtkazernes e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige dienstverlenende bedrijven 98.11.2 vuilstortplaatsen 98.11.4 gemeentewerven, chemisch afval depots 98.13 afvalverwerkingsbedrijven: i. verwerking afgewerkte olie ii. verbrandingsinrichting voor chemisch afval n.e.g = niet eerder genoemd o.c. = opslagcapaciteit p.c = productiecapaciteit p.o. = productieoppervlak t/j = ton per jaar &gt;= = groter dan of gelijk aan BIJLAGE 4REGIONALE WATERKERINGEN - OMGEVINGSWAARDEN EN KAARTEN Bijlage 4 Regionale waterkeringen - omgevingswaarden en kaarten BIJLAGE5WEZENLIJKE KENMERKEN EN WAARDEN Wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in artikel 7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten hebben bij besluit van 9 juli 2019, kenmerk 2441429, de wezenlijke kenmerken en waarden aangewezen zoals vastgelegd op http://nnn.flevoland.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE6SCHADESOORTEN VERSTOREN Schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de Wet natuurbescherming en artikel 8.4, eerste lid van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Kolgans Anser albifrons Grauwe gans Anser anser anser Brandgans Branta leucopsis Smient Mareca penelope Wilde eend Anas platyrhynchos Holenduif Columba oenas Spreeuw Sturnus vulgaris Ringmus Passer montanus Huismus Passer dometicus Meerkoet Fulica atra Knobbelzwaan Cygnus olor Roek Corvus frugilegus Ekster Pica pica Toendrarietgans Anser fabalis fabalis BIJLAGE7SCHADESOORTEN DODEN Schadesoorten als bedoeld in artikel 3.15, derde lid van de Wet natuurbescherming en artikel 8.4, tweede lid van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Bosmuis Apodermus sylvaticus Veldmuis Microtus arvalis Voorschriften Het doden van bosmuizen en veldmuizen is gedurende het gehele jaar en in de gehele provincie toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het doden van bosmuizen en veldmuizen is het gebruik van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, klemmen en kastvallen toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van klemmen die niet direct dodelijk zijn, zoals pootklemmen, is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opstellen van klemmen gebeurt zodanig dat de vangst van andere beschermde diersoorten zoveel mogelijk wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE8VRIJGESTELDE SOORTEN Vrijgestelde soorten als bedoeld in artikel 8.5 Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Bosmuis Apodermus sylvaticus Bunzing Mustela putorius Egel Erinaceus europaeus Haas Lepus europaeus Hermelijn Mustela erminea Konijn Oryctolagus cuniculus Ree Capreolus capreolus Vos Vulpes vulpes Wezel Mustela nivalis Bruine kikker Rana temporaria Gewone pad Bufo bufo Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris Aardmuis Microtus agrestis Dwergmuis Micromys minutus Dwergspitsmuis Sorex minutus Gewone bosspitsmuis Sorex araneus Huisspitsmuis Crocidura russula Ondergrondse woelmuis Pitymys subterraneus Rosse woelmuis Clethrionomys glareolus Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus Veldmuis Microtus arvalis Woelrat Arvicola terrestris Meerkikker Pelophylax ridibundus Bastaardkikker Pelophylax klepton esculenta BIJLAGE9BORDEN STILTEGEBIEDEN Borden stiltegebieden als bedoeld in artikel 9.3, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTING Leeswijzer In deze toelichting wordt in het algemene deel ingegaan op de in ontwikkeling zijnde Omgevingswet en de onderliggende regelgeving die geleid heeft tot de Omgevingsverordening Flevoland (hierna: de omgevingsverordening). Daarna volgt de artikelsgewijze toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting Omgevingswet In 2012 is het Rijk gestart met de herziening van het huidige omgevingsrecht dat verbrokkeld en verdeeld is over tientallen wetten. De Omgevingswet biedt het fundament voor bundeling van het omgevingsrecht in één wet. Begin 2016 is de Omgevingswet vastgesteld en gepubliceerd en begin juli 2018 de vier bij de wet behorende algemene maatregelen van bestuur (hierna: AMvB’s). Momenteel wordt gewerkt aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het digitaal stelsel. Inwerkingtreding van de wet is voorzien op 1 januari 2021. Voor een nadere toelichting op de aanleiding en doelen van het nieuwe stelsel wordt verwezen naar onder meer de Memorie van Toelichting op de Omgevingswet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 962, nr. 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit oogpunt van afstemming, kenbaarheid en beschikbaarheid is het verplicht dat ook de provinciale omgevingsrechtelijke regels worden gebundeld in één omgevingsverordening. De omgevingsverordening omvat drie soorten regels. Ten eerste regels die gericht zijn tot burgers en bedrijven, zoals algemene regels en vergunningstelsels. Ten tweede regels die zijn gericht tot het uitvoerend bestuur, zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels voor vergunningaanvragen. En ten derde omvat het instructieregels over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. De provincies hebben van het Rijk geen overgangstijd gekregen, hetgeen inhoudt dat de omgevingsverordening gelijktijdig met de Omgevingswet inwerking zal moeten treden. Dit heeft geleid tot een eerste aanzet voor een omgevingsverordening zoveel als mogelijk in lijn met de Omgevingswet en digitaal ontsloten volgens de op dit moment geldende regelgeving in standaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 In 2012 hebben Provinciale Staten van Flevoland de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (hierna: VFL 2012) vastgesteld. De VFL 2012 omvat grotendeels alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. De VFL 2012 betrof een actualisatie van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland uit 2007, waarin een eerste integratieslag had plaatsgevonden van de daarvoor geldende provinciale regelgeving (Provinciale milieuverordening Flevoland, Grondwaterverordening Flevoland 1996, Ontgrondingenverordening Flevoland 2002, Verordening waterhuishouding Flevoland, Verordening waterkering Noord-Nederland en Landschapsverordening Flevoland 2004). Sinds de vaststelling in 2012 is de VFL 2012 zeven keer gewijzigd. Eind 2017 is de voorbereiding gestart om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet te komen tot een omgevingsverordening die ziet op alle elementen van de fysieke leefomgeving, en op activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integratie van verordeningen De reikwijdte van de Omgevingswet –de fysieke leefomgeving omvat onder meer bouwwerken, infrastructuur, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed– heeft geleid tot een verdere integratie van de provinciale regelgeving in de omgevingsverordening. De omgevingsverordening bestaat per ingang van haar inwerkingtreding uit: de VFL 2012 met regels betreffende onder meer windenergie, grondwaterbeschermingsgebieden, watersysteem, NatuurNetwerk Nederland, stiltegebieden, ontgassen binnenvaart, bodemsanering, ontgrondingen, wegen en vaarwegen, handhaving; de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016; de Verordening kwaliteit VTH omgevingsrecht provincie Flevoland; regels voor zonne-energie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van de omgevingsverordening wordt in de periode tot inwerkingtreding van de Omgevingswet steeds verder in lijn gebracht met die wet en de daarop gebaseerde regelgeving. Ook zal de verordening moeten passen bij de Omgevingsvisie FlevolandStraks, het Omgevingsprogramma Flevoland en diens opvolgers. Dit betekent dat de omgevingsverordening continue in beweging is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Structuur van de omgevingsverordening Bij het structureren van de omgevingsverordening zijn de aanwijzingen voor de regelgeving en de digitale standaarden gevolgd. Daarbij is voor de kenbaarheid rekening gehouden met de opzet van de Omgevingswet en de onderliggende AMvB’s. Geprobeerd is qua structuur van de hoofdstukken daar zo veel als mogelijk op aan te sluiten. De hoofdstukindeling van de omgevingsverordening komt uit oogpunt van uniformiteit tussen het beleid en de regels van de provincie overeen met de hoofdstukindeling van het Omgevingsprogramma Flevoland.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1 SCHALIEGAS</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1.1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">(Oogmerk)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling voor schaliegas heeft als doel dat bij het opsporen en winnen van schaliegas en schalieolie de provinciale belangen niet worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaliegas en schalieolie is aardgas of aardolie dat in andere soorten gesteenten en lagen zit opgesloten dan conventioneel aardgas en aardolie. Daardoor moet het met andere, intensievere technieken gewonnen worden. Schaliegas is aardgas, dat rechtstreeks uit het gas- of moedergesteente wordt gewonnen. Dit betreft merendeels kleisteen met een zeer slechte doorlatendheid. Schalieolie is olie, die rechtstreeks uit het moedergesteente wordt gewonnen. Om de gas-/oliestroom op gang te brengen dient het gesteente gestimuleerd te worden, bijvoorbeeld door “hydraulic fraccing”. Hierbij wordt het (klei-)gesteente onder hoge druk gebroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit moment is nog niet aangetoond dat de opsporing en winning van schaliegas en -olie veilig kan en de huidige wet- en regelgeving voorziet nog niet in een goede regulering daarvan. Zowel het opsporen als het winnen van schaliegas of -olie kan effecten hebben op vele andere belangen die in het gebied spelen. De vergunningverlening ten behoeve van het opsporen en winnen van aardgas en aardolie is geregeld in de Mijnbouwwet. Deze wet is vooral geschreven vanuit economische en technische motieven. Een vergunning kan alleen geweigerd worden op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager en/of indien de aanvrager onvoldoende blijk heeft gegeven van maatschappelijke verantwoordelijkheidszin. In de Mijnbouwwet worden andere ondergrondse en bovengrondse belangen niet meegewogen bij de vergunningverlening. De minister heeft erkend dat de huidige wetgeving niet voldoet inzake het reguleren van het opsporen en winnen van schaliegas/-olie. Omdat nog niet is aangetoond dat het boren naar schaliegas en –olie veilig kan, en dat ten aanzien het opsporen en winnen van deze delfstoffen op dit moment wet- en regelgeving ontbreekt, voelt de provincie Flevoland zich genoodzaakt tot regulering in de verordening omdat provinciale belangen mogelijk in het geding zijn Het Rijk heeft 8 juni 2018 de Structuurvisie Ondergrond vastgesteld. Daarin is aangekondigd dat de winning van schaliegas wordt uitgesloten. Deze uitsluiting zal worden vastgelegd in regelgeving. Tot die tijd blijft er een provinciale regeling inzake schaliegas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">(Begripsbepalingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel gaat over de begrippen die in dit hoofdstuk worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van elk hoofdstuk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1.2 Activiteiten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de bodem de grond is van ons bestaan en veel eigenschappen van de bodem en ondergrond niet hernieuwbaar zijn en gebruik ervan vaak eenmalig en onomkeerbaar is, is ten aanzien van het opsporen en winnen van schaliegas en -olie grote zorgvuldigheid geboden. Ook om in de toekomst gebruik te blijven maken van het grote potentieel van de ondergrond, is duurzaam beheer van bodem en ondergrond nodig. Tevens hebben alle opsporings- en winningsactiviteiten die in de ondergrond plaatsvinden bovengrondse effecten en risico’s, bijvoorbeeld op leefbaarheid, bereikbaarheid, veiligheid, ruimtelijke ordening, natuur, milieu, cultuurhistorie en landschap. Maar ook op regionaal economische ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de provinciale rol en taakopvatting inzake duurzaamheid, de kwaliteit van de leefomgeving en een goede ruimtelijke ordening acht de provincie zich verantwoordelijk voor het beschermen van deze ondergrondse en bovengrondse belangen tegen risico’s en negatieve effecten. Vanuit het voorzorgsprincipe wil de provincie negatieve effecten ten gevolge van onder andere schaliegasboringen zoveel mogelijk voorkomen. Ontwrichting is in ieder geval niet toelaatbaar. De provinciale belangen zijn neergelegd in beleid, politieke opvattingen (zoals moties) en landelijke en provinciale regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de hiervoor geschetste provinciale belangen en het ontbreken van wet- en regelgeving ten aanzien van opsporings- en winningsactiviteiten van schaliegas en schalieolie is de regeling hybride: deels geënt op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en deels geënt op de autonome verordenende bevoegdheid van de provincie, voor zover die niet valt onder de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de specifieke eisen die de Wro stelt aan een regeling in een provinciale verordening gaat het in dat kader vooral om een motiveringsverplichting waarbij in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangegeven dat bij de opsporing en winning van schaliegas/-olie in voldoende mate rekening is gehouden met de provinciale ruimtelijke belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kent de provincie ook specifieke belangen in het kader van haar provinciale rol en taakopvatting inzake duurzaamheid en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Vanwege het ontbreken van landelijke regeling daaromtrent ligt het tevens in de rede om de belangen die in dit verband aan de orde komen – en niet direct als ruimtelijke belangen bedoeld zijn - te borgen met de autonome verordenende bevoegdheid. Daarbij gaat het vooral om het behoud van ontwikkelingsruimte voor economische activiteiten, duurzaamheid waaronder een balans in beschermen en benutten en het voorkomen dat kwaliteitsaantasting van de omgeving plaatsvindt. In het kader van de autonome bevoegdheid ligt het in de rede om te werken met een ontheffingsstelsel. Gelet op de politieke gevoeligheid is bepaald dat de commissie van provinciale staten wordt gehoord, voordat Gedeputeerde Staten een besluit over de ontheffing nemen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1.3 Instructieregels</h3>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de bodem de grond is van ons bestaan en veel eigenschappen van de bodem en ondergrond niet hernieuwbaar zijn en gebruik ervan vaak eenmalig en onomkeerbaar is, is ten aanzien van het opsporen en winnen van schaliegas en -olie grote zorgvuldigheid geboden. Ook om in de toekomst gebruik te blijven maken van het grote potentieel van de ondergrond, is duurzaam beheer van bodem en ondergrond nodig. Tevens hebben alle opsporings- en winningsactiviteiten die in de ondergrond plaatsvinden bovengrondse effecten en risico’s, bijvoorbeeld op leefbaarheid, bereikbaarheid, veiligheid, ruimtelijke ordening, natuur, milieu, cultuurhistorie en landschap. Maar ook op regionaal economische ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de provinciale rol en taakopvatting inzake duurzaamheid, de kwaliteit van de leefomgeving en een goede ruimtelijke ordening acht de provincie zich verantwoordelijk voor het beschermen van deze ondergrondse en bovengrondse belangen tegen risico’s en negatieve effecten. Vanuit het voorzorgsprincipe wil de provincie negatieve effecten ten gevolge van onder andere schaliegasboringen zoveel mogelijk voorkomen. Ontwrichting is in ieder geval niet toelaatbaar. De provinciale belangen zijn neergelegd in beleid, politieke opvattingen (zoals moties) en landelijke en provinciale regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de specifieke eisen die de Wro stelt aan een regeling in een provinciale verordening gaat het in dat kader vooral om een motiveringsverplichting waarbij in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangegeven dat bij de opsporing en winning van schaliegas/-olie in voldoende mate rekening is gehouden met de provinciale ruimtelijke belangen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2 DUURZAME ENERGIE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.1 Windenergie</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.1.1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">(Oogmerk)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling over wind is opgenomen in de verordening met het oog op het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder molens kan worden opgewekt. De regels in dit hoofdstuk hebben dus niet alleen betrekking op bestemmingsplannen, maar ook inpassingsplannen, beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en omgevingsvergunningen waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onderdeel a onder sub 1 en 3 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijkscontext windbeleid In de Rijksstructuurvisie Windenergie op land zijn de ambities vastgelegd die het rijk op het gebied van windenergie heeft. Het kabinet stelt dat de ontwikkeling van windenergie op land een cruciale bijdrage levert aan de kabinetsdoelstellingen voor duurzame energie. Het nut en de noodzaak van windenergie op land zijn daarmee evident. De ruimte binnen de in deze structuurvisie aangewezen gebieden en binnen de door provincies aan te wijzen gebieden zal tenminste nodig zijn om de opgave van 6000 MW windenergie op land te realiseren. De Rijks ambities sluiten goed aan bij de ambities van de provincie Flevoland. Deze zijn gericht op een wezenlijke herstructurering van de windenergie in Flevoland om een forse groei van de (wind)energieproductie mogelijk te maken. Flevoland wil dus meer energie opwekken met minder windmolens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale context windbeleid De provincie voert vanaf 2006 een beleid dat is gericht op ‘opschalen en saneren’ van windmolens. Het ‘opschalen’ betekent dat nieuwe windmolens groter zijn dan de oude en meer stroom opwekken. Het ‘saneren’ betekent dat windmolens van de vorige generatie worden weggehaald. Nieuwe plannen voor windparken moeten aan een aantal voorwaarden voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelstellingen van het provinciale beleid zijn: een mooier landschap, een duurzamere energiehuishouding en een sterkere economie. De landschappelijke verbetering ontstaat door de afname van het totale aantal windmolens en de clustering in (lijn)opstellingen die aansluiten op bestaande lijnen in het landschap – soms zijn aanvullende investeringen in het landschap noodzakelijk. De duurzamere energiehuishouding ontstaat doordat er veel meer windenergie aan het elektriciteitsnet wordt geleverd, en wind een oneindige en schone bron van energie is. De economische versterking ontstaat door de extra banen die aan de windenergie verbonden zijn, maar vooral doordat de opbrengsten zoveel mogelijk in de provincie zelf terecht komen. Nu ontlenen veel agrarische bedrijven een substantieel neveninkomen aan windenergie. De aanpak is erop gericht dat dit in de toekomst mogelijk blijft en dat ook andere bewoners en ondernemers in de ontwikkeling of de exploitatie kunnen participeren. Een evenredige verdeling van de maatschappelijke baten is een voorwaarde om het brede maatschappelijke draagvlak voor windenergie, dat nu in de provincie aanwezig is, op lange termijn te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleid bevat geen voor burgers bindende bepalingen. Een verordening bevat die wel. Daarbij komt dat in geval een rijksinpassingsplan wordt vastgesteld, in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt aangegeven en gemotiveerd dat voldoende rekening is gehouden met de provinciale ruimtelijke belangen, zoals die zijn verankerd in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De systematiek Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid en functie van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristallertheorie- afleesbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoogde projectlocatie zal binnen een windgebied moeten liggen. Buiten een windgebied zijn nieuwe molens uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om een omgevingsvergunning staat niet op zichzelf maar gaat noodzakelijkerwijs gepaard met een projectplan voor opschalen en saneren. Immers, het saneren van alle bestaande/oude windmolens binnen een projectgebied is onlosmakelijk verbonden met de bouw van nieuwe windmolens binnen dat projectgebied. Hierop dient de businesscase voor het projectplan gebaseerd en haalbaar te zijn. Het projectgebied is daarmee ook de begrenzing van het te saneren gebied. De nieuwe windmolens komen niet terug op de plaats van de oude (gesaneerde) windmolens. Gedeputeerde Staten zullen op basis van het projectplan projectgebieden en plaatsingszones aanwijzen dan wel aanpassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening beschrijft waaraan een projectplan nog meer moet voldoen. Onderdeel van een projectplan is een beschrijving van de mogelijkheden om financieel te participeren. Voorts wordt bijgedragen aan kwaliteitsbehoud/verbetering in de omgeving van de nieuwe windmolens met een gebiedsgebonden bijdrage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">(Begripsbepalingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel gaat over de begrippen die in deze titel worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van deze titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de omschrijving van 'bestemmingsplan' zijn de bepalingen van de titel over windmolens niet alleen van toepassing op bestemmingsplannen en de aanpassingen ervan, maar ook inpassingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van ‘windmolen’ in de begripsbepalingen maakt helder dat de regels over wind niet van toepassing zijn op een aantal specifieke categorieën windmolens. Uitgezonderd zijn immers de maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie in Lelystad (zie figuur), solitaire windmolens op bedrijventerreinen in hoofdkernen van het stedelijk gebied indien de windmolen overwegend een ander doel dient dan de opwekking van energie. Tenslotte zijn ook de zogenoemde ‘kleine windmolens’ uitgezonderd omdat de impact op het landschap minimaal is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling daarop geldt dat in de begripsbepalingen een definitie is opgenomen van een ‘bestaande windmolen’. Daaruit volgt dat de regels over wind in dit hoofdstuk ook van toepassing zijn op windmolens die nog zijn opgericht met een toenmalige bouwvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">(Wijze van meten wind)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn enkele meetvoorschriften opgenomen die van toepassing zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.1.2 Activiteiten</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.1.2.1 Algemene regels</h3>\n<p class=\"lf-p\">De technische en economische levensduur van een windmolen is beperkt. Deze levensduur ligt rond de 25 jaar. Gelet op de duurzaamheidsdoelstelling en de landschappelijke doelstelling is het gewenst dat ook in de toekomst mogelijkheden beschikbaar zijn om danwel nieuwe toepassingen voor het opwekken van duurzame energie te realiseren danwel een nieuwe ronde van opschalen en saneren uit te voeren. Het opschalen en saneren heeft een cyclisch karakter. Uit oogpunt van doelmatig en efficiënt gebruik van de ruimte is het daarom gewenst dat voor windmolens geen omgevingsvergunningen voor onbepaalde tijd worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wabo laat tijdelijke vergunningen toe. De verordening laat toe dat tijdelijke vergunningen voor een gebruikstermijn van maximaal 25 jaar worden afgegeven. In de omgevingsvergunning zal de aanvang van de gebruikstermijn nader bepaald worden. Na het verstrijken van de gebruikstermijn van 25 jaar moet de toestand van voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden hersteld, dan wel moet de situatie in overeenstemming met het bestemmingsplan worden gebracht. Voor deze bepaling is doorvertaling in een bestemmingsplan niet nodig.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.1.2.2 Verbodsbepaling (bescherming tot aan vertaling instructie in bestemmingsplan)</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zolang er nog geen bestemmingsplannen zijn vastgesteld waarin invulling is gegeven aan de regels over het opschalen en saneren van windmolens, moeten de regels van dit hoofdstuk van de omgevingsverordening in acht worden genomen. Dit houdt in dat het verboden is het gebruik (waaronder ook bouwen wordt verstaan) van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief de ruimtelijke doelstellingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2.1.3 Instructieregels</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.1.3.1 Toedeling functies aan locaties wind en instructies voor bestemmingsplan</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristallertheorie- afleesbaar zijn. Een windgebied kan worden aangewezen door provinciale staten. Binnen een aangewezen windgebied is het onder voorwaarden mogelijk nieuwe windmolens te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een windgebied zijn nieuwe windmolens mogelijk, maar uitsluitend (1) in een plaatsingszone (2) binnen een projectgebied en (3) op basis van een door gedeputeerde staten goedgekeurd projectplan. Buiten een projectgebied zijn dus geen nieuwe windmolens mogelijk en ook het opschalen van bestaande windmolens is uitgesloten. Een bestemmingsplan dient hierin te voorzien. Op grond van artikel 4.1 Wro dient een verordening binnen een jaar na de inwerkingtreding te zijn vertaald in een bestemmingsplan. In dit geval is voor deze instructieregels een andere termijn openomen gekoppeld aan het moment waarop er een goedgekeurd projectplan ligt. Vanaf dat moment is doorvertaling in een bestemmingsplan mogelijk en daarvoor geldt een termijn van twee jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een projectgebied is het gebied waarbinnen de bestaande molens worden gesaneerd. De nieuwe windmolens komen immers niet terug op de plaats van de oude (gesaneerde) windmolens maar op de door Gedeputeerde Staten aangewezen plaatsingszones. In het projectplan moet de afbakening van het projectgebied zodanig worden bepaald dat daarbinnen het project van opschalen en saneren in zijn geheel kan worden gerealiseerd met een haalbare business case. Het saneren van alle bestaande/oude windmolens binnen een projectgebied is onlosmakelijk verboden met de bouw van nieuwe windmolens binnen dat projectgebied. Alle windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd. Het projectgebied is daarmee ook de begrenzing van het saneringsgebied. Gedeputeerde Staten beslist over de goedkeuring van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De locatie Houtribdijk neemt een bijzondere positie in. De locatie Houtribdijk valt binnen een windgebied, maar was wel steeds uitgezonderd van het beleid voor opschalen en saneren. Dat laat onverlet dat de algemene werking van de verordening wel op de locatie Houtribdijk van toepassing is. Dat brengt met zich mee dat nu alsnog geldt dat nieuwe windmolens uitsluitend zijn toegestaan als zij onderdeel zijn van een project voor opschalen en saneren. Het geografisch karakter van de Houtribdijk (in het water) en het feit dat er geen relevante saneringsopgave in de omgeving is, maakt dat de Houtribdijk nu niet eenvoudig tot ontwikkeling kan worden gebracht. De locatie is ook niet nodig voor de provinciale doelstelling voor windenergie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">(Buiten een windgebied)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. Dit artikel bepaalt dat het uitgesloten is om buiten een windgebied nieuwe windmolens te realiseren of bestaande windmolens op te schalen. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid en functie van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristallertheorie- afleesbaar zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">(Binnen een windgebied - plaatsingszones)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nadat een projectplan door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd, mogen in de desbetreffende plaatsingszones nieuwe windmolens worden geplaatst. Een nieuwe windmolen krijgt een vergunning voor een bepaalde termijn die maximaal 25 jaar bedraagt. Een bestemmingsplan moet binnen 2 jaar na goedkeuring van het projectplan zodanig zijn aangepast dat plaatsing van nieuwe windmolens conform het projectplan mogelijk is. Zodra de termijn van (maximaal 25 jaar) van de omgevingsvergunning verstrijkt, mag het bestemmingsplan niet meer voorzien in windmolens. Hiermee wordt voorkomen dat de bestemming blijft bestaan terwijl de molen op grond van de omgevingsvergunning dient te worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">(Binnen een windgebied - projectgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de projectgebieden vindt zowel het opschalen als het saneren plaats. Het plaatsen van nieuwe windmolens mag alleen binnen de plaatsingszones. Alle bestaande windmolens in een projectgebied moeten worden gesaneerd. Voor de sanering geldt dat er enige tijd dubbel gedraaid mag worden met de nieuwe windmolens. Daarom moet een projectplan de helderheid verschaffen wanneer de bestaande windmolens gesaneerd moeten zijn. De regeling in het bestemmingsplan moet in de sanering van de bestaande windmolens voorzien, conform hetgeen daarover is gesteld in een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd projectplan. Die bestemmingsregeling moet er zijn binnen 2 jaar nadat Gedeputeerde Staten het projectplan hebben goedgekeurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">(Binnen een windgebied - buiten projectgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de gebieden die liggen binnen en windgebied, maar buiten een projectgebied, mogen geen nieuwe windmolens worden gerealiseerd en mogen bestaande windmolens niet worden opgeschaald.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.1.3.2 Aanwijzing werkingsgebieden voor de instructies</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">(Procedure aanwijzing en begrenzing van projectgebieden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten een projectgebied kunnen aanwijzen. Projectgebieden zijn aangewezen aan de hand van het Regioplan wind en kan geschieden op basis van een projectplan. Onder omstandigheden kan een aangewezen projectgebied naderhand nog worden aangepast. Een aanvraag wordt afgewezen als de afweging van de betrokken belangen daartoe noopt. Daarbij moet de noodzaak ertoe worden aangetoond evenals dat de aanpassing van het projectgebied geen onevenredig negatief effect heeft op de projecten voor opschalen en saneren binnen een eventueel resterend deel van het projectgebied en/of binnen de andere aangewezen projectgebieden of op de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een zekere omvang nodig om tot projectplannen te kunnen komen die voldoende economisch perspectief bieden. Een indeling in deelgebieden is nodig gebleken om ervoor te zorgen dat alle windmolens worden gesaneerd én om te voorkomen dat er onuitvoerbare delen overblijven waar projecten voor opschalen en saneren geen economisch perspectief hebben. Projectgebieden zijn zo afgebakend, dat er evenwicht mogelijk is tussen de nieuwbouwcapaciteit, de saneringsopgave en de financiële participatie. De projectgebieden bieden perspectief op opstellingen met een goede landschappelijke kwaliteit. De indeling in deelgebieden is daarmee passend voor de opgave van opschalen en saneren en sluit daarmee ook aan bij de robuuste landschappelijke schaal in Flevoland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">(Aanwijzing van plaatsingszones)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van een projectplan kunnen gedeputeerde staten plaatsingszones aanwijzen. Dit vraagt een integrale afweging in het kader van het gehele projectplan. Om die reden wordt naderhand de beslissing om een eenmaal aangewezen plaatsingszones aan te passen, eveneens gebaseerd op een integrale afweging en evenwichtige balans tussen de omgevingskwaliteit, het maatschappelijk draagvlak en het economisch perspectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de geschiedenis van het Flevolandse windenergiebeleid (waarbij eerst de markt gevraagd is om tot plannen te komen) blijkt dat voor het verkrijgen van een voldoende ruimtelijke kwaliteit er helderheid over de locatie van plaatsingszones voor nieuwe windmolens nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">(Een initiatief per projectgebied)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een projectplan voor een projectgebied, waarbinnen de uitvoering van het opschalen en saneren als geheel geborgd moet zijn. Dit is nodig omdat het projectplan winstgevende en verliesgevende onderdelen bevat. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het geheel. Die initiatiefnemer kan bestaan uit een samenwerkingsverband van meerdere partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">(Randvoorwaarden projectplan)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming maakt duidelijk welke informatie een projectplan in ieder geval bevat. Centraal staat de begrenzing van het projectgebied en de plaatsingszones (onderdeel a). De uitwerking daarvan is beschreven in de onderdelen b tot en met f. De meeste onderdelen spreken voor zich en worden in de daaropvolgende artikelen nader uitgewerkt. Het projectplan bevat een planning (onderdeel d), waaronder wordt begrepen de fasering van opschalen en saneren. Fasering houdt in dat ‘dubbeldraaien’ onder omstandigheden mogelijk is, zodat binnen een project voor opschalen en saneren de te saneren windmolens en de nieuwe windmolens gedurende een termijn gelijktijdig opgesteld en in werking zijn. Vanwege de ruimtelijke kwaliteit is het ongewenst dat er lange tijd dubbel gedraaid wordt met bestaande en nieuwe windmolens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">(Eisen aan ruimtelijk invulling in een projectplan)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a geeft aan dat de windmolens in een opstelling worden geplaatst. Meestal zal dit een lijnopstelling zijn, maar dit is niet altijd noodzakelijk. Onderdeel d legt vast dat er een hoogtebeperking geldt. De maximale windmolen(as)hoogte is bepaald op 120 meter. Ook is het verplicht de windmolen te voorzien van het maximaal haalbare vermogen. Als een hogere ashoogte gewenst is, dan moet in het projectplan worden aangetoond dat het maximaal haalbare vermogen per turbine bij een windmolen met ashoogte van 120 meter ontoereikend is (nee, tenzij-regeling).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">(Eisen aan het projectplan inzake de bijdrage ten behoevevan het compenseren van de kwaliteit van het gebied)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beschrijft dat een projectplan inzichtelijk maakt hoe een nieuw windpark een bijdrage levert aan de kwaliteit van het gebied. De kwaliteitscompensatie wordt – veelal in nauwe samenwerking met de gemeente - door de initiatiefnemer in het projectplan uitgewerkt. Compensatie kan zien op een verbetering van de fysieke leefomgeving, zoals beschreven in onderdeel b. De verbetering kan bijvoorbeeld mede betreffen: de landschappelijke inpassing van bebouwing; het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; activiteiten gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; het wegnemen van verharding; het slopen van bebouwing; projecten in het kader van ecologie, zoals een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. In overleg met de gemeente kan de aandacht ook uitgaan naar (fysieke) projecten in het kader van leefbaarheid of duurzaamheid ten gunste van de (lokale) bevolking en maatschappelijke doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat de kwaliteitscompensatie in geld gedurende de gebruikstermijn (25 jaar), jaarlijks gemiddeld € 1050,00 per MW opgesteld vermogen in de betreffende plaatsingszones bedraagt. Het projectplan kan nader uitwerken of de bijdrage jaarlijks constant wordt geleverd of dat deze afhankelijk wordt gemaakt van andere factoren. In het projectplan moet ook aandacht worden besteed aan de indexatie van de bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een kwaliteitsverbetering niet is verzekerd, wordt in het uiterste geval het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een windmolenparkfonds is verzekerd. Het windmolenparkfonds is in zoverre een vangnetbepaling. Uitgangspunt is dat over de compensatie en de bestedingsdoelen juist concrete afspraken tussen de gemeente en initiatiefnemer worden gemaakt en in een overeenkomst worden vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie plaatsheeft. Doel van die nadere regels is te garanderen dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft. Uitgangspunt blijft evenwel dat de initiatiefnemer vooraf goede afspraken maakt met de gemeente over de maatregelen en anders over de gelden die gestort worden in een fonds. Dat kan zowel een gemeentelijk als een provinciaal fonds zijn. Nadere regels zijn in dat geval mogelijk niet nodig. Nadere regels zouden bijvoorbeeld kunnen zien op specifieke intergemeentelijke, bovenlokale vraagstukken of over de besteding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">(Eisen aan de fasering van het opschalen en saneren in een projectplan)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In principe worden de bestaande molens in een projectgebied binnen een half jaar na de start van ingebruikname van de nieuwe windmolens gesaneerd. In het projectplan kan onderbouwd worden dat dit geen haalbare planning is en dat verlenging van de periode van een half jaar verlengd moet worden. Als (alleen) met een periode van dubbeldraaien (oude molens blijven nadat de nieuwe molens in gebruik zijn genomen nog langer dan een half jaar draaien) het plan aantoonbaar wel economisch uitvoerbaar is, dan kan de termijn bij wijze van uitzondering worden opgerekt. De maximale dubbeldraai termijn is altijd vijf jaar – en die termijn zal niet voor alle molens in het projectgebied gaan gelden. Het projectplan dient inzicht te geven in welke molens wanneer gesaneerd worden, waarbij de eisen van dit artikel voor zich spreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">(Eisen aan financiële participatie in een projectplan)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beschrijft de noodzaak om in het projectplan te voorzien in financiële participatie. Per fase (ontwikkel-, bouw- en exploitatiefase) gelden verschillende eisen, maar steeds dient deze participatie op een eerlijke, eenvoudige en evenwichtige wijze te worden uitgewerkt. Er gelden vier heldere uitgangspunten bij de financiële participatie. Het projectplan wordt hieraan getoetst. De mogelijkheden voor financiële participatie voor bewoners en ondernemers moeten voorafgaand aan de aanwijzing als projectgebied in een overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente te zijn vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">(Eisen aan planparticipatie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Initiatiefnemer dient te zorgen voor draagvlak voor en burgerparticipatie bij het plan. Het projectplan maakt inzichtelijk op welke wijze de omgeving vroegtijdig is en wordt betrokken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.1.3.3 Hardheidsclausule</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zolang er nog geen bestemmingsplannen zijn vastgesteld waarin invulling is gegeven aan de regels over het opschalen en saneren van windmolens, moeten de regels van deze Verordening in acht worden genomen. Dit houdt in dat het verboden is het gebruik (waaronder ook bouwen wordt verstaan) van een bestaande windmolen te wijzigen in een ander gebruik waardoor het provinciaal grondgebied van Flevoland minder geschikt wordt voor het verwezenlijken van het beleid voor opschalen en saneren, inclusief de ruimtelijke doelstellingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.2 Zonne-energie</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.2.1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">(Oogmerk)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling over zonne-energie heeft als doel om ruimte te bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied niet onevenredig wordt aangetast. Buiten het landelijk gebied is het aan de gemeenten om te bepalen of opstellingen voor zonne-energie worden toegestaan. Deze titel stelt uitsluitend regels voor het mogelijk maken van grondgebonden opstellingen van zonne-energie in landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciaal beleid zonne-energie In de Omgevingsvisie FlevolandStraks heeft de provincie zich ten doel gesteld om in 2030 energieneutraal te zijn. Dit betekent dat het, naast het verminderen van energieverbruik, nodig is om duurzame energie op te wekken. Eén van deze duurzame energiebronnen betreft zonne-energie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie ziet de opwekking van zonne-energie als een belangrijke pijler onder de duurzame energieambitie. Dit is ook vastgelegd in de in het Omgevingsprogramma Flevoland opgenomen Structuurvisie Zon, waarin het provinciale beleid over zonne-energie is opgenomen. Hierin zijn tevens bouwstenen opgenomen die een leidraad geven voor de ontwikkeling van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het belang van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik zal opwekking van zonne-energie voor het grootste deel binnen stedelijk gebied plaatsvinden. De energieambitie zal naar verwachting niet behaald worden met uitsluitend de opwekking van zonne-energie binnen stedelijk gebied. Om deze reden wil de provincie, onder voorwaarden, de oprichting van grondgebonden opstellingen van zonne-energie in het landelijk gebied toestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De systematiek De provincie wil gemeenten en initiatiefnemers ruimte geven voor de ontwikkeling van nieuwe initiatieven. Uitsluitend daar waar de bescherming van provinciale ruimtelijke belangen dat vereist, worden in de Omgevingsverordening regels gesteld. Deze regels hebben betrekking op de tijdelijkheid van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied en het maximale areaal aan ontwikkelruimte, waarbinnen in het landelijk gebied nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie kunnen worden gerealiseerd. Het is aan de gemeenten onderling om met inachtneming van hun eigen ruimtelijk beleid afspraken te maken over de invulling van de ontwikkelruimte in het landelijk gebied. De provincie monitort en evalueert dit proces met de gemeenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span><span class=\"lf-art-t\">(Begripsbepalingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel gaat over de begrippen die in deze titel worden gehanteerd. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid zijn de begripsbepalingen gebundeld opgenomen aan het begin van deze titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de omschrijving van 'bestemmingsplan' zijn de bepalingen van het hoofdstuk over windmolens niet alleen van toepassing op bestemmingsplannen en de aanpassingen ervan, maar ook inpassingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen in afwijking van het bestemmingsplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.2.2 Activiteiten: Ontwikkelruimte zonne-energie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.22</span><span class=\"lf-art-t\">(Ontwikkelruimte zonne-energie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De provincie wil in het landelijk gebied ruimte bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied onevenredig wordt aangetast. We willen bij voorkeur dat zo min mogelijk landelijk gebied aan zijn functie wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale ambitie is om als regio in 2030 energieneutraal te zijn. Hiervoor is het nodig om, naast het verminderen van het energieverbruik, 41,5 Petajoules (PJ) duurzame energie op te wekken. In de in het Omgevingsprogramma Flevoland opgenomen Structuurvisie Zon is bepaald dat het grootste deel van de opwekking van zonne-energie is voorzien op daken èn in stedelijk gebied. Daarbij gaat het om opwekking van zonne-energie op daken in landelijk en stedelijk gebied èn grondgebonden locaties binnen het stedelijk gebied. Om aan de energieambitie te voldoen is het daarnaast vereist om ruimte te bieden voor grondgebonden zonneparken in landelijk gebied. In de structuurvisie zon is de ambitie opgenomen dat er in 2025 minimaal 3,5 PJ energie wordt opgewekt in het landelijk gebied door middel van grondgebonden zonne-energie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze vraag van 3,5 PJ is circa 1.000 ha aan grondgebonden zon in het landelijk gebied nodig (zie het rapport ‘Zonneparken in het buitengebied van de provincie Flevoland, een economische en ruimtelijke verkenning’ van Wing / E&amp;E advies uit oktober 2017). Dit is de maximale hoeveelheid grond die de provincie op dit moment ziet als bijdrage aan de invulling van de Flevolandse energieopgave. Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied wordt in eerste instantie een ontwikkelruimte met een oppervlakte van 500 hectare in het landelijk gebied vrijgegeven voor het realiseren van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. De provincie zal de ontwikkeling van deze proefhectaren monitoren en evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte –al dan niet met aanpassingen of nadere voorwaarden– beschikbaar komen. In deze verordening wordt dit geborgd door de eerste 500 hectare ontwikkelruimte bij recht toe te staan. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte met een maximale oppervlakte van 500 hectare worden vrijgegeven door middel van een besluit van gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied wordt in eerste instantie slechts 500 hectare ontwikkelruimte beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen van zonne-energie. Na het vollopen van deze ontwikkelruimte zal er een evaluatie plaatsvinden (zie artikel 2.24). Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan mogelijk aanvullende ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied worden vrijgegeven. Dit is vastgelegd in het tweede lid van artikel 2.22. De aanvullende ontwikkelruimte bevat een maximale oppervlakte van 500 hectare. Bij een positieve evaluatie zal in totaal maximaal 1000 hectare landelijk gebied (eerste en tweede tranche tezamen) beschikbaar komen voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.23</span><span class=\"lf-art-t\">(Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstellingen voor zonne-energie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opwekking van zonne-energie is een relatief nieuwe vorm van energieopwekking. De opwekking vindt plaats door opstellingen die veelal een groot ruimtebeslag vergen. Deze opstellingen hebben invloed op de ruimtelijke kwaliteit en op de oorspronkelijke gebruiksmogelijkheden van het landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachting is dat technologische ontwikkelingen op het gebied van opwekking van zonne-energie ertoe leiden dat op termijn de ruimtebehoefte zal veranderen; ook de inrichting van de opstellingen als zodanig zal door technologische ontwikkeling wijzigen. Om de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te beschermen mogen grondgebonden opstellingen voor zonne-energie alleen tijdelijk worden gehandhaafd. Voor de duur daarvan wordt aangesloten bij de technisch-economische levensduur van zonne-opstellingen, die maximaal 25 jaar bedraagt. Deze voorwaarde volgt uit provinciaal beleid waarin alleen tijdelijk ruimte wordt geboden aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied. De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat een gerealiseerde opstelling dient na 25 jaar verwijderd te worden, omdat de opstelling alsdan verouderd is. Ook zal het bestemmingsplan na ommekomst van de termijn van maximaal 25 jaar niet meer dienen te voorzien in zonnepanelen (zie artikel 2.26, vierde lid). De regeling laat onverlet dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek kan worden gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.24</span><span class=\"lf-art-t\">(Monitoring en evaluatie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten evalueren de eerste 500 hectare ontwikkelruimte. Uiterlijk twee maanden na het vollopen van de 500 hectare ontwikkelruimte als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, zenden Gedeputeerde Staten ter kennisname een evaluatieverslag aan Provinciale Staten. In dit evaluatieverslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de besluitvormingsprocedures die voor de benodigde besluiten voor de realisering van de grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied doorlopen zijn. Verder wordt inzicht geboden in de locaties waar grondgebonden opstellingen voor zonne-energie worden gerealiseerd en de planning en het tempo, waarin projecten worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatie is van belang voor het vrijgeven van de eventuele aanvullende ontwikkelruimte als bedoeld in artikel 2.22, tweede lid. Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie kan een aanvullende ontwikkelruimte van maximaal 500 hectare grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied beschikbaar worden gesteld. De evaluatie is tevens het moment om te beoordelen of bijsturing nodig is die door middel van nadere regels door Gedeputeerde Staten kan plaatsvinden. De mogelijkheid tot vaststelling van nadere regels kan overigens ook voorafgaand aan de evaluatie plaatsvinden als dat nodig wordt geacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.25</span><span class=\"lf-art-t\">(Nadere regels zonne-energie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opwekking van zonne-energie in het landelijk gebied betreft een nieuwe ontwikkeling in de provincie Flevoland. Uitgangspunt is de maximale oppervlakte aan ontwikkelruimte die in de verordening is vastgelegd. De mogelijkheid bestaat -mede naar aanleiding van de evaluatie- dat op uitvoeringsniveau nadere regels nodig zijn voor de ontwikkeling van de grondgebonden opstellingen van zonne-energie in het landelijk gebied. Door middel van deze bepaling wordt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid toegekend om deze nadere regels te stellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.2.3 Instructies bestemmingsplan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.26</span><span class=\"lf-art-t\">(Instructieregel bestemmingsplannen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is de maximale ontwikkelruimte van in eerste instantie 500 hectare, die in de verordening is opgenomen. De door de gemeenten vast te stellen bestemmingsplannen voor het landelijk gebied mogen uitsluitend voorzien in ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot een maximale oppervlakte van 500 hectare. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking, die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie wordt mogelijk aanvullende ontwikkelruimte beschikbaar gesteld. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van het besluit van Gedeputeerde Staten (artikel 2.22, tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale ontwikkelruimte geldt provinciebreed en het is aan de gemeenten om hieraan onderling nader invulling te geven. De provincie monitort de maximale ontwikkelruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen uitsluitend omgevingsvergunningen met een maximale gebruiksduur van 25 jaar worden verleend voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied (artikel 2.23). Na ommekomst van de maximale geldingsduur van de omgevingsvergunning mag een bestemmingsplan niet langer voorzien in bouw- en gebruiksmogelijkheden voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Hierop is één uitzondering geformuleerd. Deze uitzondering betreft de situatie dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek wordt gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.2.2 Activiteiten: Ontwikkelruimte zonne-energie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.22</span><span class=\"lf-art-t\">(Ontwikkelruimte zonne-energie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De provincie wil in het landelijk gebied ruimte bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied onevenredig wordt aangetast. We willen bij voorkeur dat zo min mogelijk landelijk gebied aan zijn functie wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale ambitie is om als regio in 2030 energieneutraal te zijn. Hiervoor is het nodig om, naast het verminderen van het energieverbruik, 41,5 Petajoules (PJ) duurzame energie op te wekken. In de in het Omgevingsprogramma Flevoland opgenomen Structuurvisie Zon is bepaald dat het grootste deel van de opwekking van zonne-energie is voorzien op daken èn in stedelijk gebied. Daarbij gaat het om opwekking van zonne-energie op daken in landelijk en stedelijk gebied èn grondgebonden locaties binnen het stedelijk gebied. Om aan de energieambitie te voldoen is het daarnaast vereist om ruimte te bieden voor grondgebonden zonneparken in landelijk gebied. In de structuurvisie zon is de ambitie opgenomen dat er in 2025 minimaal 3,5 PJ energie wordt opgewekt in het landelijk gebied door middel van grondgebonden zonne-energie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze vraag van 3,5 PJ is circa 1.000 ha aan grondgebonden zon in het landelijk gebied nodig (zie het rapport ‘Zonneparken in het buitengebied van de provincie Flevoland, een economische en ruimtelijke verkenning’ van Wing / E&amp;E advies uit oktober 2017). Dit is de maximale hoeveelheid grond die de provincie op dit moment ziet als bijdrage aan de invulling van de Flevolandse energieopgave. Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied wordt in eerste instantie een ontwikkelruimte met een oppervlakte van 500 hectare in het landelijk gebied vrijgegeven voor het realiseren van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. De provincie zal de ontwikkeling van deze proefhectaren monitoren en evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte –al dan niet met aanpassingen of nadere voorwaarden– beschikbaar komen. In deze verordening wordt dit geborgd door de eerste 500 hectare ontwikkelruimte bij recht toe te staan. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte met een maximale oppervlakte van 500 hectare worden vrijgegeven door middel van een besluit van gedeputeerde staten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.23</span><span class=\"lf-art-t\">(Grondslag voor aanvullende ontwikkelruimte)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied zal in eerste instantie slechts 500 hectare ontwikkelruimte beschikbaar worden gesteld voor de ontwikkeling van grondgebonden opstellingen van zonne-energie. Na het vollopen van deze ontwikkelruimte zal er een evaluatie plaatsvinden (zie artikel 2.25). Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan mogelijk aanvullende ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied worden vrijgegeven. De aanvullende ontwikkelruimte bevat een maximale oppervlakte van 500 hectare. Bij een positieve evaluatie zal in totaal maximaal 1000 hectare landelijk gebied (eerste en tweede tranche tezamen) beschikbaar komen voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.24</span><span class=\"lf-art-t\">(Beoordelingsregels omgevingsvergunning: tijdelijkheid grondgebonden opstellingen voor zonne-energie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opwekking van zonne-energie is een relatief nieuwe vorm van energieopwekking. De opwekking vindt plaats door opstellingen die veelal een groot ruimtebeslag vergen. Deze opstellingen hebben invloed op de ruimtelijke kwaliteit en op de oorspronkelijke gebruiksmogelijkheden van het landelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachting is dat technologische ontwikkelingen op het gebied van opwekking van zonne-energie ertoe leiden dat op termijn de ruimtebehoefte zal veranderen; ook de inrichting van de opstellingen als zodanig zal door technologische ontwikkeling wijzigen. Om de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te beschermen mogen grondgebonden opstellingen voor zonne-energie alleen tijdelijk worden gehandhaafd. Voor de duur daarvan wordt aangesloten bij de technisch-economische levensduur van zonne-opstellingen, die maximaal 25 jaar bedraagt. Deze voorwaarde volgt uit provinciaal beleid waarin alleen tijdelijk ruimte wordt geboden aan grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied. De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat een gerealiseerde opstelling dient na 25 jaar verwijderd te worden, omdat de opstelling alsdan verouderd is. Ook zal het bestemmingsplan na ommekomst van de termijn van maximaal 25 jaar niet meer dienen te voorzien in zonnepanelen (zie artikel 2.27, vierde lid). De regeling laat onverlet dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek kan worden gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.25</span><span class=\"lf-art-t\">(Monitoring en evaluatie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten evalueren de eerste 500 hectare ontwikkelruimte. Uiterlijk twee maanden na het vollopen van de 500 hectare ontwikkelruimte als bedoeld in artikel 2.22 zenden Gedeputeerde Staten ter kennisname een evaluatieverslag aan Provinciale Staten. In dit evaluatieverslag wordt in ieder geval aandacht besteed aan de besluitvormingsprocedures die voor de benodigde besluiten voor de realisering van de grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied doorlopen zijn. Verder wordt inzicht geboden in de locaties waar grondgebonden opstellingen voor zonne-energie worden gerealiseerd en de planning en het tempo, waarin projecten worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De evaluatie is van belang voor het vrijgeven van de eventuele aanvullende ontwikkelruimte. Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie kan een aanvullende ontwikkelruimte van maximaal 500 hectare grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied beschikbaar worden gesteld. De evaluatie is tevens het moment om te beoordelen of bijsturing nodig is die door middel van nadere regels door Gedeputeerde Staten kan plaatsvinden. De mogelijkheid tot vaststelling van nadere regels kan overigens ook voorafgaand aan de evaluatie plaatsvinden als dat nodig wordt geacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.26</span><span class=\"lf-art-t\">(Nadere regels zonne-energie)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opwekking van zonne-energie in het landelijk gebied betreft een nieuwe ontwikkeling in de provincie Flevoland. Uitgangspunt is de maximale oppervlakte aan ontwikkelruimte die in de verordening is vastgelegd. De mogelijkheid bestaat -mede naar aanleiding van de evaluatie- dat op uitvoeringsniveau nadere regels nodig zijn voor de ontwikkeling van de grondgebonden opstellingen van zonne-energie in het landelijk gebied. Door middel van deze bepaling wordt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid toegekend om deze nadere regels te stellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.2.3 Instructies bestemmingsplan</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.27</span><span class=\"lf-art-t\">(Instructieregel bestemmingsplannen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is de maximale ontwikkelruimte van in eerste instantie 500 hectare, die in de verordening is opgenomen. De door de gemeenten vast te stellen bestemmingsplannen voor het landelijk gebied mogen uitsluitend voorzien in ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot een maximale oppervlakte van 500 hectare. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking, die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie wordt mogelijk aanvullende ontwikkelruimte beschikbaar gesteld. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend bestemmingsplannen in aanmerking die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van het besluit van Gedeputeerde Staten (artikel 2.23).</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale ontwikkelruimte geldt provinciebreed en het is aan de gemeenten om hieraan onderling nader invulling te geven. De provincie monitort de maximale ontwikkelruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen uitsluitend omgevingsvergunningen met een maximale gebruiksduur van 25 jaar worden verleend voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied (artikel 2.24). Na ommekomst van de maximale geldingsduur van de omgevingsvergunning mag een bestemmingsplan niet langer voorzien in bouw- en gebruiksmogelijkheden voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Hierop is één uitzondering geformuleerd. Deze uitzondering betreft de situatie dat na het verwijderen van de ‘oude’ opstelling een ‘nieuwe’ opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek wordt gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 BESCHERMING LANDSCHAP</h3>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 3 zijn de bepalingen opgenomen die de (reclame-)borden buiten de bebouwde kom reguleren en heeft in beginsel betrekking op alle opschriften, aankondigingen en ver- en afbeeldingen, in welke vorm en van welke inhoud dan ook. De regeling ziet derhalve op meer dan alleen reclameborden. Deze bepalingen zijn gebaseerd op de autonome verordenende bevoegdheid die in de Provinciewet is opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.1 Algemeen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Met dit hoofdstuk wordt beoogd ongewenste opschriften en reclame-uitingen in het landelijk gebied van Flevoland te reguleren. Het doel van de regeling is in de eerste plaats de bescherming van het landschapsschoon. Het provinciaal landschapsbeleid is gericht op het behoud en de verdere ontwikkeling van een voor Flevoland specifiek en karakteristiek en voor Nederland uniek landschapspatroon. Daarnaast speelt het aspect van de verkeersveiligheid, met name op die plekken waar de opschriften kunnen leiden tot een onoverzichtelijke of complexe verkeerssituatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">(Oogmerk en toepassingsgebied)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom. Voor de uitleg van deze term wordt aangesloten bij artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. De regels gelden voor tal van uitingen in het buitengebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">(Begripsbepalingen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De diverse gebruikte begrippen , zoals 'opschrift', 'aankondiging', 'verbeelding' en 'afbeelding' mogen ruim worden uitgelegd. Veel borden zijn geplaatst op oude voertuigen en dergelijke. Maar ook spandoeken, vlaggen en luchtballonnen vallen onder de regeling. Bij luchtballonnen worden die ballonnen bedoeld die verankerd zijn aan enig voorwerp op de grond. Particuliere bewegwijzering kan onder omstandigheden eveneens als ongeoorloofd worden aangemerkt. Ook constructies, die overblijven wanneer het eigenlijke bord is verwijderd, kunnen het landschap ontsieren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.2 Activiteiten</h3>\n<p class=\"lf-p\">De kern is het verbod op het plaatsen of aanbrengen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het buitengebied van de provincie Flevoland. Het verbod is niet absoluut. In artikel 3.4 zijn diverse vrijstellingen opgenomen. Het is tevens mogelijk om van het verbod een ontheffing aan te vragen bij Gedeputeerde Staten. Van de ontheffingsbevoegdheid zal door Gedeputeerde Staten terughoudend gebruik worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">(Verbodsbepaling)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 3.3 richt zich met name op de opdrachtgever voor de plaatsing van een bord. In de regel zal de opdrachtgever een bedrijf zijn (c.q. degene die de zeggenschap heeft over dat bedrijf) dat door middel van het betreffende opschrift voor het bedrijf reclame maakt. Deze bepaling is zodanig geformuleerd dat ook degene die feitelijk het bord aanbrengt onder het verbod valt. Het tweede lid heeft specifiek betrekking op de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak waar of waarop het bord is geplaatst. Het betreft hier de persoon die een zakelijk recht (bijvoorbeeld eigendom of erfpacht) of gebruiksrecht (bijvoorbeeld pacht of huur) kan laten gelden op het onroerende goed waar het bord is geplaatst. Meestal zal deze persoon de eigenaar of pachter van het land zijn. De opzet van dit artikel biedt de benodigde flexibiliteit om afhankelijk van de situatie van het geval diegene aan te spreken die in hoofdzaak verantwoordelijk dient te worden gehouden voor het niet naleven van dit hoofdstuk van de verordening en te kiezen voor de meest efficiënte wijze om een eind te maken aan de illegale situatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">(Uitzonderingen op de verbodsbepaling)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een aantal borden 'vrijgesteld' van het algemene verbod: wanneer een bord voldoet aan de criteria van een van de opgesomde onderdelen van dit artikel is het verbod niet van toepassing en is plaatsing dus conform de genoemde criteria toegestaan. Ook voor vrijgestelde borden blijft overigens op grond van andere wetgeving gelden dat voor plaatsing ervan langs wegen toestemming van de wegbeheerder is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a Van het verbod zijn uitgezonderd borden die niet met het blote oog waarneembaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Bijvoorbeeld borden die aan het zicht worden onttrokken door bebouwing of bosschages of die op een zodanig grote afstand van een weg zijn geplaatst dat deze niet meer zichtbaar zijn voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Hierbij valt te denken aan restaurants, hotels, maneges en benzinestations. Ook de agrarische bedrijven vallen onder deze bepaling. Als voorwaarde geldt dat er een inhoudelijke relatie dient te bestaan tussen het opschrift en de aard van de uitgeoefende activiteit. Bovendien is een visuele relatie vereist: het bord dient bij de aanwezige bebouwing aan te sluiten omdat dan de aantasting van het landschap minimaal is. Wanneer die bebouwing op enige afstand van de weg is gelegen ligt het in de rede het bord bij de inrit daar naartoe te plaatsen. De term “op of in de directe nabijheid van de inrit” ziet in dat geval op de vereiste visuele relatie. Voor 'directe nabijheid' kan geen absolute afstand worden gegeven. Of bord en inrit optisch één geheel vormen is afhankelijk van aard en schaal van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk van de verordening is de term 'bouwkavel' gehanteerd. Voor agrarische bedrijven staat dat in vrijwel alle gevallen gelijk aan het erf. In sommige gevallen is echter bebouwing buiten het erf ook toegestaan, bijvoorbeeld in een glastuinbouwgebied waar veelal de bouw van staand glas mogelijk is gemaakt in het productiegebied. Wanneer vanuit een bepaalde kas een product te koop wordt aangeboden kan het in de rede liggen het bord, waarop dat wordt aangekondigd, direct naast deze kas te plaatsen. In dat geval wordt de grond waarop de kas is geplaatst dus ook als bouwkavel beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij recreatieve voorzieningen zoals een camping is veelal op het hele terrein bebouwing (zoals toiletgebouwtjes) of plaatsing van vergelijkbare objecten (zoals stacaravans) mogelijk. Ook in die gevallen kan de term bouwkavel dan ruim worden opgevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel e Het gaat hier om borden waarop grootschalige evenementen e.d. worden aangekondigd of bewegwijzerd. Deze kunnen informatie over die gebeurtenis bevatten maar ook reclame van bijvoorbeeld sponsors. Reclame op borden elders dient duidelijk ondergeschikt te zijn aan de hoofdboodschap (bewegwijzering c.q. bekendmaking). Ook zijn borden toegestaan op het evenemententerrein zelf. Aan de inhoud daarvan is geen beperking opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is aangegeven dat het moet gaan om grootschalige publieke evenementen: een plaatselijke voetbalwedstrijd is geen aanleiding om elders in het buitengebied borden – al dan niet met eventuele sponsorreclame - toe te staan. Bewegwijzering naar kleinschalige evenementen e.d. komt in onderdeel j aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is voorgeschreven dat de borden maximaal een maand vóór de gebeurtenis waarop zij betrekking hebben kunnen worden geplaatst, en binnen een termijn van een week dienen te worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel f Tegen borden op sportterreinen die als zodanig planologisch zijn bestemd, zoals voetbalvelden, hockeyvelden en motorsportterreinen, bestaan uit landschappelijk oogpunt in beginsel geen bezwaren, mits deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg (dus gericht op het sportterrein zelf). Daar komt bij dat in dat soort gevallen vaak sprake is van sponsoring van de verenigingen die gebruik maken van het betreffende terrein. Deze regeling heeft niet als oogmerk om daaraan beperkingen te verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel g Dit onderdeel betreft bedrijventerreinen buiten de bebouwde kom, die op grond van een bestemmingsplan als zodanig zijn aangewezen. In dit soort situaties is sprake van zodanige bebouwing dat de plaatsing van borden in de meeste gevallen geen aantasting van het landelijk gebied zal opleveren. Als voorbeeld kan worden genoemd het bedrijventerrein Larserpoort bij Lelystad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel h Hierbij kan worden gedacht aan borden waarop de uitvoering van werken in het kader van de aanleg of onderhoud van wegen staat vermeld of een naamlijst van opdrachtgevers en aannemers e.d. Deze uitzondering zal veelal ook van toepassing zijn op borden die in het kader van de uitvoering van Europese projecten moeten worden geplaatst. Het gaat hierbij dus om borden voor werken in het algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term 'werk in uitvoering' kan echter ook betrekking hebben op particuliere 'werken', zoals bijvoorbeeld de aanleg van een golfbaan of de ontwikkeling van een recreatieterrein. In dat geval is het wenselijk het belang van het landschap expliciet tegen het private commerciële belang te kunnen afwegen in het kader van ontheffingverlening, waarbij dan tevens nadere eisen aan bijvoorbeeld omvang van de borden en duur van de plaatsing kunnen worden gesteld. Daarom is bepaald dat de vrijstelling alleen geldt in geval er voor het werk van overheidswege opdracht is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de uitleg van de term 'in de directe nabijheid van' wordt verwezen naar hetgeen daarover onder onderdeel b is opgemerkt. Ook in dit geval is een duidelijke visuele relatie vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel i De ervaring leert dat nabestaanden van verkeersslachtoffers soms de behoefte hebben om op of bij de plaats van het ongeval een herdenkingsteken te plaatsen. Gedeputeerde Staten hebben al in 2000 besloten om de plaatsing van dergelijke herdenkingstekens langs provinciale wegen toe te staan. Voor de plaatsing van dergelijke herdenkingstekens worden ook nadere regels gesteld in artikel 15.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel j Deze bepaling heeft in de eerste plaats betrekking op de plaatsing van verkeerstekens en verkeersborden op grond van de verkeerswetgeving. Ook een lokale, regionale of landelijke actie waarbij speciale aandacht gevraagd voor veiligheid in het verkeer wordt geacht onder de regeling te vallen. Te denken valt aan spandoeken ('wij gaan weer naar school') die worden opgehangen in verband met de start van een nieuw schooljaar, acties van 3VO of van Rijkswaterstaat over aan te houden afstanden, BOB in het verkeer e.d. Voorts staan er langs wegen landelijk vormgegeven informatieborden over radiofrequenties en de nadering van benzinestations en wegrestaurants. Ook deze worden geacht onder de vrijstellingsregeling te vallen, evenals de borden waarmee toeristische routes bewegwijzerd worden en de aanduidingen van gemeente- en provinciegrenzen.</p></div>", "next": 238982}