{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De goed bewaarde villabebouwing en de groene eilandstructuur met gebogen stratenpatroon bepalen het hoogwaardige karakter van dit bijzondere villapark, dat werd aangelegd op de zuidelijke vestingterreinen. Het architectuurbeeld is bijzonder rijk en gaaf bewaard gebleven, wat heeft geleid tot de aanwijzing van een groot aantal monumenten in het gebied. De bebouwing is zeer gevarieerd en toont een staalkaart van bouwstijlen tijdens het fin de siècle. Kenmerkend zijn: de gaafheid van het ruimtelijk concept binnen de historische contouren van de voormalige zuidelijke vestingwerken, bestaande uit zes velden in een groene eilandstructuur; de eilandstructuur en de individuele setting van villa’s op ruime kavels met een grote variatie in architectuur; het ruime profiel: groene achtertuinen - villabebouwing - voortuinen, al dan niet met boombeplanting - ijzeren hekwerken als erfafscheiding - openbaar voetpad met boombeplanting; de rijke architectuur van een groot aantal villa’s; het scherpe contrast van het open parkachtige karakter van het villagebied met enerzijds de gesloten, in de rooilijn geplaatste bebouwing aan de Parklaan en anderzijds de openheid naar het Verbindingskanaal; de tuinen met bomen die de bouwmassa’s omringen en die in veel gevallen worden omzoomd door voor de bouwtijd karakteristieke hekwerken; de visuele relatie met het Verbindingskanaal en de verschillende zichtassen vanuit het park naar het Verbindingskanaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">AANWIJZING Het Zuiderpark is een gaaf voorbeeld van een villapark uit het laatste kwart van de negentiende eeuw, met een bijzonder ruimtelijk concept. Het concept is gebaseerd op de historische contouren van de voormalige zuidelijke vestingwerken, met een architectonisch samenhangende hoogwaardige bebouwing die een stijlkaart van bouwstijlen uit die periode vertegenwoordigt. Het Zuiderpark is van belang uit stedenbouwkundig, cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en landschappelijk oogpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.OOSTERPOORT-OOST Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Oosterpoort-Oost gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. De Oosterpoortwijk is gelegen ten zuidoosten van de historische binnenstad van Groningen en wordt begrensd door het Verbindingskanaal en de Oosterhaven in het noordwesten, het Winschoterdiep in het oosten, de Meeuwerderbaan in het zuidoosten en de Hereweg en de spoorlijn naar Zwolle in het westen en zuidwesten. De wijk wordt doorsneden door de Meeuwerderweg; het deel ten westen hiervan is gebouwd vanaf 1870, het deel ten oosten tussen 1890 –1910. Vanwege de stedenbouwkundige betekenis, de gaafheid van het architectonische beeld en de betekenis voor de geschiedenis van de eind negentiende-eeuwse volkswoningbouw is het deel ten oosten van de Meeuwerderweg beschermd als stadsgezicht. Het stadsgezicht van de Oosterpoort vertegenwoordigt één van de periodes zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van Groningen, te weten: 3. Organisch ontwikkelde uitbreidingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">ONTWIKKELINGSSCHETS De Oosterpoort behoort tot de eerste grootschalige uitbreidingen buiten de zeventiende-eeuwse vestingterreinen van Groningen. De wijk is aangelegd voor arbeiders en kleine zelfstandigen. Het landelijke karakter dat het gebied tot 1850 kenmerkte, heeft uiteindelijk in grote mate de vorm en grootte van de ruimtelijke structuur bepaald. Particuliere grondeigenaren en ondernemers namen het initiatief tot de aanleg van staten, waarbij de gemeente voorwaarden stelde; als gevolg van de woningnood werd het negeren hiervan echter gedoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1898 kwam de Annastraat tot stand, in 1899 de Jan Gouveneurstraat, de Van Julsinghastraat en de Nieuwstraat. Het stratenpatroon volgde de oorspronkelijke gebogen sloten, die afwaterden op het Winschoterdiep. Het bouwproces bestond uit particuliere bouwplannen, waarmee een straat gaandeweg werd volgebouwd. Voor het gebied ten zuiden hiervan werd een door de gemeente vastgesteld stratenplan in de jaren 1898 – 1899 uitgevoerd: de Verlengde Frederikstraat, het ruitvormige Frederiksplein, de verlengde Nieuwstraat, de Hendrikstraat, de Joachim Altinghstraat en de Van Sijsenstraat. Hier vond speculatie- of revolutiebouw plaats: goedkope woningen voor de verhuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 1909 – 1910 werd het meest zuidelijke deel ingevuld: de Van Sijsenstraat en de Nieuwstraat werden doorgetrokken tot de Meeuwerderbaan. In dit stratenpatroon is iets meer variatie aangebracht. Een deel van het blok tussen de Van Sijsenstraat en de Verlengde Nieuwstraat werd teruggelegd ten opzichte van de rooilijn, waardoor pleinvormige ruimtes zijn ontstaan. Door invoering van de Woningwet in 1901 werd de overheidsbemoeienis groter, waardoor een aantal collectieve blokken sociale woningbouw is ontstaan in het zuidoosten van de Oosterpoort. Hoewel kaalslag na de oorlog grotendeels is voorkomen, heeft een aantal blokken tussen het Winschoterdiep en de Nieuwstraat plaatsgemaakt voor nieuwbouw. Langs de Meeuwerderbaan is in 1969 voor de aanleg van de zuidelijke ringweg bebouwing gesloopt, terwijl een bouwblok aan de Paulus Lamanstraat in de jaren na 1980 vanwege de slechte bouwkundige staat is vervangen door nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD Het ruimtelijk karakter en het bebouwingsbeeld van de Oosterpoort-Oost zijn zeer gaaf bewaard gebleven. Het noordelijke deel wordt bepaald door een vrij regelmatig stratenpatroon van veelal licht gebogen, oost-west lopende straten. Het kenmerkende straatprofiel bestaat uit: gesloten gevelwandtrottoir, al dan niet voorzien van boombeplanting - straat - trottoir, al dan niet voorzien van boombeplanting - gesloten gevelwand. Het zuidelijk deel heeft een onregelmatiger stedenbouwkundig patroon, met pleinvormige verbredingen in de Van Sijsenstraat, de Van Sijsenplaats, de Verlengde Nieuwstraat en het Frederiksplein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied wordt gekenmerkt door ondiepe, gesloten bouwblokken. De bebouwing is weliswaar individueel, maar vertoont grote eenheid in het architectonisch beeld. Dit blijkt onder andere uit de verticale gevelopeningen, de goothoogtes en de afzonderlijke, haaks op de rooilijn gesitueerde kappen. De meeste woningen zijn in ambachtelijk-traditionele bouwstijl, bezitten een of twee bouwlagen met kap en zijn opgetrokken uit rode en roodbruine bakstenen. De Van Julsinghastraat bestaat uit uniforme bebouwing van één laag met een kap; karakteristiek voor deze straat is de reeks bakstenen kapellen. In de meeste gevelwanden zijn accenten aangebracht van siermetselwerk en gekleurde baksteendecoraties. Hoekpanden zijn soms voorzien van een speciaal accent, bijvoorbeeld door afgeschuinde gevels of de situering van een winkelpand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De architectuur van het zuidelijke deel van de Oosterpoort-Oost is rijker gedetailleerd. Kenmerkend zijn de bakstenen kapellen die recht of met een segmentboog zijn gesloten. De bestrating van de Paulus Lamanstraat en de Verlengde Nieuwstraat bestaat nog uit de oorspronkelijke blauwgrijze scoria-bricks.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN De Oosterpoort-Oost is een goed voorbeeld van arbeidersbuurt uit het einde van de negentiende eeuw, met een gaaf bewaard gebleven bijzonder karakteristiek gebogen stratenpatroon en samenhangende uniforme bebouwing. Typerend zijn: het goed bewaarde laat-negentiende-eeuwse bebouwingsbeeld dat een zeer gaaf ensemble vormt met het stedenbouwkundig patroon van gebogen en rechte straten; het profiel: gesloten gevelwandtrottoir (met boombeplanting)- straat- trottoir (met boombeplanting)- gesloten gevelwand; het rechthoekige straatpatroon in het zuidelijke deel met ruitvormige en pleinvormige verbredingen; de per straat aanwezige individuele uniforme bakstenen bebouwing met verticale gevelopeningen, reeksen kapellen en gekleurde baksteenornamentiek; de nog oorspronkelijke bestrating van de Paulus Lamanstraat en de Verlengde Nieuwstraat, bestaande uit blauwgrijze scoria bricks; de uniforme bebouwing aan weerszijden van de Van Julsinghastraat van een bouwlaag met kap en een kenmerkende reeks kapellen; de gevarieerde boombeplanting langs de verschillende straten.</p>\n<p class=\"lf-p\">AANWIJZING De Oosterpoort-Oost is een opmerkelijk gaaf bewaard gebleven, laat-negentiende-eeuwse arbeidersbuurt, met een bijzonder karakteristiek, negentiende-eeuws bebouwingsbeeld dat een gaaf ensemble vormt met het stedenbouwkundig patroon van deels gebogen, deels rechte straten. De buurt is van algemeen belang vanwege de grote betekenis voor de geschiedenis van de laat-negentiende-eeuwse volkswoningbouw, alsook van de architectonische en stedenbouwkundige waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.BLOEMENBUURT Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Bloemenbuurt gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. De Bloemenbuurt is een planmatig opgezette arbeiderswijk uit de jaren twintig van de twintigste eeuw, opgezet volgens de principes van de Tuinstadgedachte. De wijk ligt ten oosten van de historische binnenstad, in het hart van de Oosterparkwijk en wordt begrensd door de Irislaan aan de noordzijde, de Oliemuldersweg aan de oostzijde, de zuidelijke bebouwing langs de Hortensialaan aan de zuidzijde en de Zaagmuldersweg aan de westzijde. De Bloemenbuurt omvat één van de periodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van Groningen, te weten: 4. Vroege planmatige stedelijke uitbreidingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">ONTWIKKELINGSSCHETS De ontstaansgeschiedenis van de Bloemenbuurt bestaat uit twee, kort op elkaar volgende fasen:</p>\n<p class=\"lf-p\">FASE I. DE LINDENHOF MET DE BOERDERIJEN: HET ‘BLAUWE DORP’ Vanaf 1900 ontstonden zowel particuliere als gemeentelijke plannen voor het gebied, die echter door ambtelijke vertraging en afwaterings- en onteigeningsproblemen niet van de grond kwamen. Onder druk van de sterk gestegen woningnood nam de gemeente in 1918 zelf het initiatief voor de bouw van een complex van 176 arbeiderswoningen, waarvan 76 als noodwoning waren bestemd. In 1919 werd dit complex aan de Lindenhof voltooid, het kreeg in de volksmond de naam het ‘Blauwe Dorp’. Het complex lag als een eiland in het toen nog overwegend landelijk gebied. De hoofdstructuur bestaat uit een open rechthoekig plein van 45×60 meter, dat werd omzoomd door Italiaanse populieren. Om dit plein zijn 19 boerderij-achtige gebouwen in een losse verkaveling gegroepeerd. Onder één kap waren vier woningen ruggelings samengevoegd. Rondom de Lindenhof werd een krans van 96 woningen en vier winkels gebouwd, geordend in blokjes van twee en vier onder één kap.</p>\n<p class=\"lf-p\">FASE II. PLAN OOST De Lindenhof werd de spil voor het tussen 1925 – 1927 gemaakte plan voor 750 goedkope arbeiderswoningen ten noorden en zuiden van de buurt. Het plan moest het paradijs voor de arbeidersbevolking worden, een wijk met een buurthuis, speeltuin, plantsoenen, een badhuis, een naai- en kookschool en dergelijke - maar zonder café en slijterij. De buurt markeert een omslag in het stedenbouwkundig beleid van de gemeente. Voor het eerst pakte de gemeente de woningnood onder de allerarmsten op een constructieve manier aan. Het stedenbouwkundig concept greep terug op de ideeën van de Tuinstad-beweging. De complexen werden vormgegeven in de stijl van de Amsterdamse School. In 1925 – 1927 werden ten noorden van de Lindenhof 368 woningen en drie winkels gebouwd, een jaar later ten zuiden van de hof 343 woningen en vijf winkels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de woningen werden drie hoofdtypen ontwikkeld, met enkele variaties voor de woningen boven de poorten: twee typen eengezinswoning en een type etagebouw, waarbij drie woningen werden geschakeld aan een gemeenschappelijke ingang. Er werd een monumentaal schoolgebouw met opmerkelijke architectonische vormgeving op de hoek van de Zaagmuldersweg en de Heesterpoort gerealiseerd, terwijl op de hoek van de Zaagmuldersweg en de Hortensialaan nog een markant gebouw ontstond: een wijkgebouw van de geneeskundige dienst met een politiepost en twee bovenwoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimtelijke structuur en opzet van de Bloemenbuurt is in zijn geheel goed bewaard gebleven. Wel is bij een renovatie in de jaren 1970 in een aantal complexen de karakteristieke roedeverdeling in de kozijnen verwijderd. In dezelfde periode zijn in het complex van boerderijen vier woningen samengevoegd tot twee.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kenmerkende Italiaanse populieren moesten in 1985 worden gekapt en zijn vervangen door berken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD De Bloemenbuurt is opgezet als woonwijk voor de laagste sociale klassen. Het stedenbouwkundig concept is gebaseerd op de ideeën van de Tuinstadbeweging en bestaat uit open, lage bebouwing, omringd door iets hogere, gesloten bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Lindenhof vormt de kern van de Bloemenbuurt en bestaat uit een open rechthoekig plein van ongeveer 45x60 meter; het plein is omzoomd door berken; aan de oost- en westzijde van de hof staan 3x3 kleine blokken rug-aan-rugwoningen, aan de noordzijde één; oorspronkelijk waren vier woningen onder één kap samengevoegd, inmiddels bestaan de blokken uit twee woningen onder één kap; de woningen hebben een boerderij-achtige uitstraling, zijn opgetrokken in een helder oranjerode baksteen en tellen één bouwlaag onder een wolfsdak met rode pannendaken. de ‘boerderij’-woningen worden omzoomd door woningen van één bouwlaag met een kap, geschakeld in blokken van twee of vier, afwisselend vrijstaand en aaneengesloten; de blokken verspringen ten opzichte van elkaar en de rooilijn; de woningen zijn in een karakteristieke ‘landelijke’ stijl gebouwd, met een heldere rode baksteen en rode pannendaken; de kappen bevatten wolfseinden en houten dakkapellen; de complexen van Plan Oost ten noorden en zuiden van de Lindenhof sluiten op harmonieuze wijze aan op het landelijke karakter van de Lindenhof; in stedenbouwkundige samenhang met de Lindenhof vormt het Plan Oost een compleet tuindorp; de Lindenhof vormt ook voor het Plan Oost de centrale stedenbouwkundige as van het gebied; de ruimtelijke overgangen zijn wat situering en bouwhoogte betreft geleidelijk; in het noordelijk deel worden de lange oost-west-straten onderbroken door U-vormige hofachtige pleinen; de lage eengezinswoningen aan de hoven zijn bijzonder gevarieerd vormgegeven, waarbij gebruik is gemaakt van verschillend gevormde, gevoegde en gekleurde bakstenen, in meerdere metselverbanden; in de Lindenlaan is een dubbel poortgebouw met keperboogvormige doorgang opgenomen; de laagbouw wordt in het noorden en zuiden afgesloten door aaneengesloten etagewoningen (Irislaan en Hortensialaan); de gevelwanden hiervan vertonen een strakke ritmiek van vensters, terwijl de hoeken en portieken plastisch en expressief zijn gedetailleerd in de Amsterdamse Schoolstijl; in het zuidelijk deel worden de lange rechte straten in het midden doorbroken door de hoger opgetrokken woon-winkelblokken; aan de randen van de Bloemenbuurt zorgen winkels als onderdeel van de afsluitende etagebouw voor een bijzonder accent; de gevels hiervan zijn uitermate plastisch vormgegeven in de Amsterdamse Schoolstijl; het monumentale schoolgebouw op de hoek van de Zaagmuldersweg en de Heesterpoort is geïntegreerd in het stedenbouwkundig concept en architectonisch bijzonder vormgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN Het goed bewaard gebleven stedenbouwkundig concept en de architectonisch samenhangende bebouwing bepalen samen het hoogwaardige beeld en karakter van de Bloemenbuurt. De wijk heeft een tuindorpachtige opzet, is ontwikkeld in drie delen en kent een gevarieerd bebouwingsbeeld in de stijl van de Amsterdamse School. Typerend zijn: de stedenbouwkundige opzet van de Lindenhof, bestaande uit ‘boerderijen’ gegroepeerd rondom een groen plein; het stedenbouwkundig concept van de Bloemenbuurt als geheel, gebaseerd op de Tuinstadbeweging, in nauwe samenhang met de architectonische kwaliteit van de bebouwing in de stijl van de Amsterdamse School; de bijzondere structuur, variatie en zicht-assen van de verspreid liggende hoven, poortgebouwen, pleinen, plantsoenen en bakstenen muurtjes; de architectonische waarde en bijzondere stedenbouwkundige situering van de school aan de Heesterpoort en de winkels aan de randen van de buurt; de contrastwerking tussen de hoge en lage woningbouw en het gevarieerde bebouwingsbeeld; de gevarieerde toepassing van verschillende soorten en kleuren baksteen, metselverbanden en de diverse kapvormen; de profielen van de hoofdstraten (Irislaan en Hortensialaan): gesloten gevelwand- kleine voortuinen met erfafscheiding, bestaande uit ligusterheggen- trottoir, voorzien van boombeplantingstraat; de profielen van de Goudsbloemstraat en de Begoniastraat: gesloten gevelwand- trottoirstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">AANWIJZING De Bloemenbuurt is een gaaf voorbeeld van een vroege arbeiderswijk, tot stand gekomen volgens een origineel stedenbouwkundig plan. De stedenbouwkundige structuur en architectonisch samenhangende bebouwing zijn goed bewaard gebleven. De Bloemenbuurt is als zodanig van algemeen historisch belang vanwege de betekenis van de wijk voor de geschiedenis van de vroeg-twintigste-eeuwse volkswoningbouw en stedenbouw, als een planmatige, volgens de principes van de Tuinstad opgezette woonwijk, alsook vanwege de grote architectuurhistorische waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.PETRUS CAMPERSINGEL – S.S. ROSENSTEINLAAN Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Petrus Campersingel – S.S. Rosensteinlaan, gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Petrus Campersingel en de S.S. Rosensteinlaan liggen ten noordoosten van de historische binnenstad en vormen de westelijke begrenzing van de Oosterparkwijk. De singel en laan liggen als een schil om het Academisch Ziekenhuis, dat vanaf 1903 op de voormalige vestingterreinen tot stand kwam. Het grootste deel van het stadsgezicht bestaat uit een licht gebogen singel, met een architectonisch hoogwaardige gevelwand uit de jaren 1920. Het zuidelijk deel bevat nog elementen van de allereerste stadsuitbreiding, die hier na het slechten van de vestingwerken plaatsvond. Het stadsgezicht verenigt twee bouwperiodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van de Groningen, te weten: 3. Organisch ontwikkelde uitbreidingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw en 4. Vroege planmatige uitbreidingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">ONTWIKKELINGSSCHETS Voordat er integrale uitbreidingsplannen voor de oostzijde van de stad werden gemaakt, ontstond al incidenteel bebouwing in het zuidoostelijke deel van de Petrus Campersingel. Hier herinneren enkele vrijstaande villa’s en herenhuizen nog aan reeds lang verdwenen bedrijvigheid in de vorm van houtzagerijen, leerlooierijen en een limonadefabriek. In 1903 werd het Typografengasthuis gebouwd: 46 woningen rond een hof voor gepensioneerde arbeiders uit de grafische industrie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1918 werd een uitbreidingsplan voor de oostzijde van de stad opgesteld. Aan de oostzijde van het vergrote ziekenhuisterrein werd een langgerekte, gebogen singel geprojecteerd, die als hoofdontsluiting moest dienen voor de arbeidersbuurt erachter. De particuliere bebouwing aan de oostzijde van de singel was bestemd voor de beter gesitueerden en diende als representatief front voor de achterliggende arbeidersbuurt. Vanaf 1925 werden de plannen uitgevoerd. De particuliere bebouwing aan de Petrus Campersingel werd voor eigen rekening ontwikkeld door Groninger architecten. De bebouwing geschiedde in drie fasen tussen 1928-1930 van noord naar zuid:</p>\n<p class=\"lf-p\">10 herenhuizen ten oosten van de Jan Hissink Jansenstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">24 eengezinswoningen tussen het H.A. Kooijkerplein en de Jan Hissink Jansenstraat, een winkel met woning aan het H.A. Kooijkerplein;</p>\n<p class=\"lf-p\">33 gebouwen aan de Dirk Huizingastraat, Petrus Campersingel en het H.A. Kooijkerplein, waarvan 32 bestaande uit beneden-bovenwoningen en een uit een benedenwoning met twee winkels en een bovenwoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen werden gebouwd naar de wensen van verschillende opdrachtgevers, maar kregen eenheid in het architectonische beeld. Om eentonigheid te voorkomen, paste men voor- en terugbouwen, alsook lagere en hogere balkons toe. Hoekpanden werden verlevendigd door erkers. De gevels zijn uitgevoerd in geelbruine mondklinkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD De kern van het gezicht bestaat uit de gebogen Petrus Campersingel en de S.S. Rosensteinlaan, die een boulevard-achtig karakter hebben, met zeer gave monumentale stedelijke bebouwing uit de jaren twintig van de twintigste eeuw. De Petrus Campersingel wordt aan de westzijde begeleid door vijverachtige waterpartijen met groene walkanten. De bebouwing is opgezet als representatief front. Zeer kenmerkend is de grote schaal van de boog van de singel en de markante bebouwing op de einden: in het noorden het monumentale kerkgebouw met kosterwoning, in het zuiden het apotheekgebouw op de hoek van de singel en het Damsterdiep. Van zuid naar noord zijn de volgende karakteristieken te onderscheiden, die een chronologische doorsnee illustreren van zowel de spontane als planmatig ontwikkelde bebouwing in het stadsgezicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">HET ZUIDELIJKE, SPONTAAN GEGROEIDE DEEL In het zuidelijk deel is een optelsom van verschillende typen bebouwing ontstaan. Het reeds genoemde hoekpand (1935), een ten opzichte van de rooilijn schuin teruggelegd blok herenhuizen (1915), waardoor een met gazon en lindebomen ingerichte ruimte is ontstaan, alsmede het Typografengasthuis (1903), dat dateert van voor de aanleg van de singel. Ten zuiden en noorden van het gasthuis staan villa’s en herenhuizen die functioneel verbonden waren met de erachter gelegen bedrijvigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">DE KERN VAN HET GEBIED: DE PETRUS CAMPERSINGEL De langgerekte, gebogen wand van de Petrus Campersingel vormt de kern van het gebied en contrasteert door de uniforme bebouwing sterk met het zuidelijke deel. De wand wordt op drie plaatsen doorbroken met straten waarvan het westeinde op de Martinitoren is georienteerd: de Dirk Huizingastraat, het H.A. Kooijkerplein en de Jan Hissink Jansenstraat. De symmetrie van de wand wordt geaccentueerd door het H.A. Kooijkerplein in het midden. Het plein bestaat uit een rechthoekig gazon, omzoomd met linden, afgewisseld met aan de oost- en westzijde twee grote berken. De eenheid van plein en singel wordt benadrukt door de rondom het gazon geplaatste ligusterhagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing van de Petrus Campersingel bestaat uit langgerekte gevelwanden van drie bouwlagen onder een plat dak, in een ‘verstrakte’ stijlvorm van de Amsterdamse School. De gevels zijn verlevendigd met in- en uitspringende delen, ingezet door vloeiende overgangen, lager en hoger aangebrachte balkons alsook ronde hoekoplossingen in de vorm van erkers. De gevels zijn opgemetseld uit geelbruine mondklinkers. De woningen hebben vrij ruime voortuinen, die worden omzoomd door ligusterhagen en karakteristieke houten tuinhekken tussen stenen muren.</p>\n<p class=\"lf-p\">DE S.S. ROSENSTEINLAAN De bebouwing van de Rosensteinlaan verschilt niet wezenlijk van die van de Petrus Campersingel. De verschijningsvorm van het gevelbeeld is, in ruimtelijke relatie met het rechte verloop van de laan, hoekiger door de toepassing van over twee bouwlagen doorlopende rechthoekige erkers. De voorgevel van het hoekpand met de Jan Hissink Jansenstaat is schuin op de straat gezet en op de hoeken voorzien van zware, gemetselde penanten. Verschillende gevelopeningen zijn zwaar aangezet met afsluitend houten lijstwerk, zowel bij erkers als verdiepingsvensters. Boven de entrees zijn zware borstweringen van verticaal metselwerk aangebracht. De laan wordt tenslotte beëindigd door de monumentale kerk, die een stedenbouwkundig bijzondere situering heeft. De overgang tussen laan en kerk wordt bepaald door een ten opzichte van de rooilijn teruggelegde school met schoolplein.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN De Petrus Campersingel en S.S. Rosensteinlaan vormen een gaaf en zeldzaam voorbeeld van een vroeg-twintigste-eeuwse stedenbouwkundige structuur, met gave, architectonisch samenhangende uniforme bebouwing en groenvoorzieningen. Opmerkelijk is de schaal van de langgerekte gebogen singel. Typerend zijn: de grootschalige, langgerekte en gebogen stedenbouwkundige structuur met een boulevard-achtig karakter en uniforme, samenhangende architectuur en groenvoorzieningen; het karakteristieke profiel, van west naar oost: wateroplopende groene walkantfietspad - groenstrook met boombeplanting - rijbaan - bestrate berm - fietspad - trottoir met boombeplanting - voorerf-afscheiding, bestaande uit ligusterhagen, bakstenen muren en houten toegangshekken - voortuin - gevelwand; de nog zichtbare structuur van het voormalige verbindingskanaal in het zuidoostelijke deel, te herkennen aan de rooilijn van de oudere bebouwing en het groene gazon met linden; de architectonische kwaliteit, gaafheid en zeldzaamheid van de langgerekte, uniforme gebogen gevelwand; de vijverpartij ten westen van de singel, met oplopende walkanten en een bakstenen trappartij tegen het H.A. Kooijkerplein; de karakteristieke boombeplanting, bestaande uit linden, waaronder een aantal zeldzame exemplaren van de ‘dikke linde’; de voorerf-afscheiding van ligusterhagen, bakstenen muren en houten toegangshekken en het door bomen en ligusterhagen omzoomde H.A. Kooijkerplein; de zicht-assen van de drie radiaalstraten die zijn georiënteerd op de Martinitoren; de belangrijke stedenbouwkundige elementen aan de uiteinden, het apotheekgebouw en het kerkgebouw; de relatie met het erachter gelegen complex arbeiderswoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">AANWIJZING De Petrus Campersingel en S.S. Rosensteinlaan vertegenwoordigen een bijzonder gaaf voorbeeld van een stedenbouwkundige structuur met architectonisch samenhangende bebouwing en groenvoorzieningen. De schaal en afmeting van de wand is imposant en omarmt de oostzijde van de binnenstad. Singel en laan zijn als zodanig van belang vanwege de betekenis voor de geschiedenis van de stedenbouw uit het eerste kwart van de twintigste eeuw en vanwege de zeldzaamheid en de gaafheid van het concept.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.KORREWEGWIJK Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Korrewegwijk gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. Het beschermd stadsgezicht van de Korrewegwijk ligt ten noordoosten van de historische binnenstad van Groningen, rondom de Korreweg, de historische weg naar het gebied ten noordoosten van de stad. Het deel van de Korrewegwijk dat tot het beschermd stadsgezicht behoort is grotendeels tot stand gekomen tussen 1910 – 1940, het deel ten noorden van de Korreweg bestemd voor de arbeidersbevolking, het deel ten zuiden voor de middenklasse. Het stadsgezicht wordt begrensd door de Bedumerweg, Palembangstraat, Timorstraat, Floresstraat, Floresplein, Celebesstraat (weerszijden), Molukkenstraat, Korreweg, Hamburgerstraat (inclusief de aangrenzende vijver), Star Numanstraat, Oosterhamriklaan, Oosterhamrikkade (exclusief de bedrijfsbebouwing), J.C. Kapteynlaan (weerszijden), C.H. Petersstraat (weerszijden), Eyssoniusplein (inclusief de overgang naar de Van Kerckhoffstraat, Eyssoniusstraat (weerszijden), Korreweg en Riouwstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">ONTWIKKELINGSSCHETS Het stadsgezicht vertegenwoordigt twee gebieden, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van Groningen, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Organisch ontwikkelde uitbreidingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw en 4. Vroege planmatige stedelijke uitbreidingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw. In de ontstaansgeschiedenis van de Korrewegwijk zijn twee fasen te onderscheiden: een klein, niet-planmatig deel uit de periode 1870-1910; het volgens deelplannen gebouwde deel uit de periode 1910-1940, met als richtlijn aanvankelijk het Algemeen Uitbreidingsplan van Mulock Houwer (1906), vervolgens het plan Berlage-Schut (1928).</div>\n<p class=\"lf-p\">PERIODE TOT 1910 De ruimtelijke structuren die de vorm en grootte van de uitbreiding hebben bepaald, waren al in het landschap aanwezig. De Korreweg bestond al sinds het jaar 800, de Bedumerweg ligt op de plaats van het voormalige Boterdiep. Het begin van de wijk, ten noorden van de Korreweg, kwam door particulieren tot stand. In het begin van de eeuw ontstond luxe bebouwing langs de Bankastraat, Riouwstraat en het begin van de Korreweg, die de ‘minderwaardige’ revolutiebouw van de Hunzestraten aan het oog moest onttrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">PERIODE 1910-1940 Vanaf 1910 werd het gebied planmatig ingevuld, vooral door woningbouwverenigingen ten noordwesten van de Korreweg, door particulieren ten zuidoosten ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">KORREWEG NOORD DELIPLEIN EN OMGEVING In 1918 werd een woningbouwcomplex van 87 woningen gebouwd, een dubbele ring woningen rondom een gemeenschappelijk binnenterrein: het Deliplein. Het complex bestond uit 36 benedenwoningen, 50 bovenwoningen, een winkel en een werkplaats. De opzet van het Deliplein is bijzonder kenmerkend voor de stedenbouwkundige principes in de volkswoningbouw van de jaren twintig van twintigste eeuw: licht, ruimte, gemeenschapszin. Tot 1921 werden achtereenvolgens de Bilitonstraat, de Padangstraat, het Sabangplein, de Atjehstraat en een deel van de Sumatralaan gebouwd. In 1922 werd een complex arbeiderswoningen gebouwd aan de ‘binnenkant’ van de vork die wordt gevormd door het Borneoplein, de Sumatralaan en de Javalaan: zo ontstonden het Bilitonplein en het Rhijnvis Feithplein. Van 1926-1929 werden de Balistraat en het vervolg van de Padangstraat gebouwd, aan de Korreweg verrezen tegelijkertijd tussen Balistraat en Borneoplein particuliere woningen in de stijl van de Amsterdamse School.</p>\n<p class=\"lf-p\">KORREWEG NOORD FLORESPLEIN EN OMGEVING In 1934 verrees ten westen van het ontworpen Floresplein met vijver particuliere woningbouw aan de Ambonstraat, Madoerastraat en Korreweg. Ook werd een hof met gasthuis gebouw (Rustoord en Ubbengagasthuis), net als de kerk op de hoek van het Floresplein met de Korreweg. In 1935 werd aan het einde van de Bilitonstraat, de Sumatralaan en de Bankastraat een complex met 58 arbeiderswoningen gebouwd. Vanaf het midden van de jaren dertig werd vanaf het Floresplein in oostelijke richting gebouwd: de Celebesstraat, de Ceramstraat, de Korreweg en de Molukkenstraat. In 1937 werd op het binnenterrein aan de oostzijde van de Ceramstraat een ouderenhof gebouwd. In 1940 werden tenslotte nog twee blokken arbeiderswoningen gemaakt tussen de Floresstraat, de Menadostraat en de Palembangstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">KORREWEG ZUID BERNOULLIPLEIN EN OMGEVING Tot 1920 stond slechts aan het begin van de Korreweg en de Singelweg enige bebouwing. De weerszijden van het Oosterhamrikkanaal (1924-1928) waren bestemd voor bedrijvigheid, terwijl tussen de Petrus Driessenstraat en de C.H. Petersstraat in 1922 een ultramodern scholencomplex met conciërgewoningen werd gebouwd. De vormgeving van het complex, met veel glas en beton (een van de vroegste voorbeelden van het Nieuwe Bouwen in Nederland), deed veel stof opwaaien. In 1924 stelde de gemeente particuliere woningen voor aan het Bernoulliplein, waarmee het gebouw grotendeels aan het zicht werd onttrokken. De bebouwing aan het Bernoulliplein vond plaats in vier fasen tussen 1925-1928, in de stijl van de Amsterdamse School.</p>\n<p class=\"lf-p\">KORREWEG ZUID, TEN OOSTEN VAN DE J.C. KAPTEYNLAAN In 1930 was het gebied ten zuidwesten van de J.C. Kapteynlaan volgebouwd. De wijk werd in hoog tempo naar het noordoosten uitgebreid, grotendeels volgens de plannen van respectievelijk Mulock Houwer en Berlage-Schut. Het stratenpatroon is rechtlijnig en regelmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleinvormige verbredingen en compacte plantsoenen werden soms op basis van deelplannen gemaakt. De woningbouw is gesitueerd in gesloten bouwblokken, aanvankelijk met luxe middenstandsappartementen, later ook met eengezinswoningen, variërend van modern tot tuindorpachtig. Op het binnenterrein van het blok aan de Tellegenstraat werd in 1933 een hof voor ouden van dagen gebouwd, met 27 woningen. Op de hoek van de Diephuisstraat en de Oosterhamrikkade werd tenslotte een overdekt openbaar zwembad gebouwd, het Noorderbad.</p>\n<p class=\"lf-p\">HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD Kenmerkend voor de Korrewegwijk, waarvan het planmatige deel grotendeels tussen 1910-1940 tot stand kwam, is de heldere ruimtelijke hoofdstructuur. Bedumerweg en Korreweg vormen daarbij de hoofdroutes. Drie concentrische routes zijn mede bepalend voor de hoofdstructuur: Sumatralaan - J.C. Kapteynlaan, Floresstraat - Floresplein - Heymanslaan en het oorspronkelijke ringwegtracé, waarin zich nu het Molukkenplantsoen en de Hamburgervijver bevinden. De sterke stedenbouwkundige structuur wordt nadrukkelijk ondersteund door de zorgvuldig en gevarieerd vormgegeven bebouwing. Het gebied ten noorden van de Korreweg kent een aantal wigvormige deelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bebouwingsbeeld wordt gekenmerkt door gesloten bouwblokken van twee of drie lagen met een plat dak of een kap. In het zuidelijke deel zijn veel groenvoorzieningen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJZONDERE ACCENTEN DELIPLEIN EN OMGEVING Het dubbele bouwblok is symmetrisch, het grondvlak trapeziumvormig; de bebouwing aan het plein is opgetrokken uit regelmatig geschakelde en rechthoekige plattegronden en telt twee of drie lagen onder schilddaken; er zijn diverse portiekvormen: kepervormig, ellipsvormig en rondbogig; de gevels zijn verlevendigd met topgevels; het binnenterrein is ingericht als park.</p>\n<p class=\"lf-p\">BERNOULLIPLEIN EN OMGEVING De bebouwing is omvangrijk en gevarieerd, in de stijl van de Amsterdamse School; de bebouwing ligt rondom een iets verdiept gazon; de aaneengesloten bebouwing bestaat uit afwisselend twee en drie bouwlagen onder zadeldaken, mansardedaken en platte daken; in de gevelwanden zijn tevens elementen verwerkt van een meer zakelijke bouwstijl (doorlopende balkons, strakke, doorlopende betonnen luifels); het complex bevat torenachtige uitbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">DE ‘VORK’ J.C. KAPTEYNLAAN - SUMATRALAAN - JAVALAAN De J.C. Kapteynlaan is een brede as met twee rijstroken en daartussen een met bomen beplante groenstrook; de J.C. Kapteynlaan splitst zich ten noorden van de Korreweg in twee assen, de Sumatralaan en de Javalaan, die worden verbonden door een dwarsverbinding en twee binnen de ‘vork’ gelegen pleinen ontsluiten; de J.C. Kapteynlaan heeft gevarieerde bebouwing, bestaande uit aaneengesloten portiekwoningen met winkelvoorzieningen op de hoeken; de bebouwing is over het algemeen drie bouwlagen, met op de hoeken vaak een extra bouwlaag; het uiterlijk is afwisselend (zakelijk, Amsterdamse School) en kent fraai gedetailleerde hoekoplossingen; het middendeel van de noordoostelijke blokken springt terug, waardoor de benedenwoningen voortuinen hebben; het middelste blok portiekwoningen in de zuidwestelijke wand contrasteert met de rest van de straat; het wigvormige blok binnen de ‘vork’ bestaat op de hoek uit drie lagen met kap, de langgerekte bouwblokken daarachter bestaan uit twee lagen met kap; in het wigvormige blok is nog een kleiner, druppelvormig blok gesitueerd, het Rhijnvis Feithplein, met woningen van één laag met een kap, behalve de geaccentueerde hoeken en eindes van het blok, die uit twee lagen met kap bestaan; de kapvorm op dit plein is gevarieerd; in het Rhijnvis Feithplein zijn de idealen van de Tuindorpgedachte zichtbaar; het Bilitonplein kent aaneengesloten bebouwing van twee lagen met een kap, met accenten van topgevels en variatie in de kapvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">AMBONSTRAAT EN MADOERASTRAAT De architectuur en stedenbouw worden bepaald door het gasthuis en de vijver; de staten bestaan uit gesloten straatwanden, met etagewoningen van drie bouwlagen, over drie bouwlagen doorlopende erkers en een hoge kapverdieping; de gevels zijn opgedoken een geel bezande gevelsteen, met op markante plaatsen een met hout beschoten topgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">CELEBESSTRAAT, CERAMSTRAAT EN KORREWEG De bouwblokken hebben een besloten karakter; de architectuur is afwisselend, de straatwanden verspringen hier en daar; op het binnenterrein van het zuidelijk blok bevindt zich een school, op het binnenterrein ten oosten van de Ceramstraat bevindt zich een hof met 24 ouderenwoningen; op de hoek Korreweg - Floresplein is een markant kerkgebouw gerealiseerd, stedenbouwkundig opvallend gesitueerd, georiënteerd op de Floresvijver en een architectonische vormgeving daarop afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TEN OOSTEN VAN DE J.C. KAPTEYNLAAN Het noordwest-zuidoost verlopende stratenpatroon is regelmatig en komt overeen met de uitbreidingsplannen uit het begin van de twintigste eeuw; de lanen hebben een breed profiel; op kruisingen zijn gevels verhoogd en van kappen voorzien; straten zijn verbreed tot pleinen en groenvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HET NOORDERBAD EN OMGEVING Het Noorderbad is zorgvuldig vormgegeven in een expressionistische bouwstijl; de stedenbouwkundige situering is bijzonder, bij de verbreding aan de Diephuisstraat en de open, groene ruimte aan de Oosterhamrikkade.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN Het hoogwaardige beeld en het karakter van de Korrewegwijk worden bepaald door de goed bewaard gebleven, ruime en heldere stedenbouwkundige opzet en de architectonische kwaliteit van de samenhangende en uiterst gevarieerde bebouwing. Typerend zijn: de Korreweg, als oude uitvalsweg en hoofdas van de wijk; de stedenbouwkundige hoofdstructuur van de wijk, met de drie concentrische routes en hun kenmerkende profielen; het stratenpatroon van het deel ten oosten van de J.C. Kapteynlaan, de pleinvormige verbredingen en groenvoorzieningen, het Noorderbad en samenhangende bebouwing; het stedenbouwkundig concept van het Deliplein, met een dubbel blok woningbouw rondom een trapeziumvormig binnenterrein; het Bernoulliplein en omgeving met opmerkelijke ruimtelijke organisatie en ensemblewaarde als resultaat van de omslag in stedenbouwkundig denken, een reactie op de vormgeving van het scholencomplex, resulterend in architectonisch zeer belangrijke woonblokken; de bijzondere architectonische waarde van het scholencomplex uit 1922; de zicht-as over het Bernoulliplein naar het scholencomplex; de zicht-as over de J.C. Kapteynlaan naar de Sumatra- en Javalaan; de zicht-as over de Korreweg; de zicht-as over de Oppenheimstraat vanuit het zuidoosten naar het opmerkelijke winkel-woningcomplex; het grote aantal over de wijk verspreide woningcomplexen met een bijzondere architectonische kwaliteit; de Van Hamelstraat vanwege het afwijkende landelijke, tuindorpachtige karakter; de Harmburgerstraat en vijver, met aaneengesloten, langgerekte hoge gevelwand uit 1935 als monumentale begrenzing van de buurt, waterpartij en groenaanleg van de vijver; de bijzondere situering van de twee hoven voor ouderenwoningen en de architectonische vormgeving op de binnenterrein aan de Ceram- en Tellegenstraat; de schaal, groenaanleg en boombeplanting van het Bernoulliplein; de groenaanleg en vijverpartij van het Floresplein in relatie tot de stedenbouwkundige situering van de kerk; de groenaanleg van de open ruimte voor het Noorderbad aan de Oosterhamrikkade, met bijzondere boombeplanting van Haagbeuken; de openheid van de binnenterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">AANWIJZING De Korrewegwijk is een gaaf voorbeeld van een omvangrijke stadswijk uit de eerste helft van de twintigste eeuw, met een goed bewaard gebleven, heldere stedenbouwkundige structuur, een ruime opzet en architectonisch samenhangende en gevarieerde bebouwing waarin de verschillende ontwikkelingsfasen van de wijk duidelijk herkenbaar zijn. De ruime profielen van de hoofdstraten, pleinen en vijvers met gevarieerde groenvoorzieningen en de ruimtelijke organisatie van het stratenpatroon ondersteunen de ruimtelijke kwaliteit. De Korrewegwijk is als zodanig van algemeen belang vanwege haar betekenis voor de ontwikkeling van het stedenbouwkundig denken, de kwaliteit van het ruimtelijk concept, de schaal en de architectonische invulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.RIJKSSTRAATWEG (HAREN) Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht Rijksstraatweg gemeente Haren (Groningen)’, zoals aangewezen in oktober 2007. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. Het beschermd dorpsgezicht van de Rijksstraatweg ligt ten zuiden van de stad Groningen, in het verlengde van de Verlengde Hereweg en omvat globaal gezien de Rijksstraatweg met bebouwing aan weerszijden vanaf de gemeentegrens met de stad Groningen in het noorden tot aan de bebouwde kom van het dorp Glimmen in het zuiden met uitzondering van het centrum van Haren. Het dorpsgezicht wordt voor het grootste gedeelte begrensd door de kavels van de bebouwing langs de Rijksstraatweg, maar omvat op sommige tevens de aangrenzende landerijen. Het bestrijkt één van de bouwperiodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van Groningen, te weten: 2. Historische fragmenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ONTWIKKELINGSSCHETS Het beschermd dorpsgezicht Rijksstraatweg sluit in het noorden aan op het beschermd stadsgezicht ‘Verlengde Hereweg’, waarmee het een ruimtelijke en historische eenheid vormt. Het ongeveer zes kilometer lange dorpsgezicht beslaat een deel van de oudste wegverbinding over de Hondsrug tussen het kustgebied in het noorden en de hoger gelegen zandgronden in het zuiden. Na het passeren van de voormalige gemeentegrens met Haren heet de weg Rijksstraatweg. De Rijksstraatweg is een ruimtelijke structuur die van voor 1850 dateert, maar de architectuurhistorische bebouwingsbeeld is hoofdzakelijk in de periode 1850-1940 gevormd. Vooral de welgestelden uit de stad lieten langs de Rijksstraatweg hun ‘buitens’ en villa’s bouwen. De relatie met het landschape speelde een cruciale rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een combinatie van economische, militaire en geomorfologische factoren zorgden voor het ontstaan van de Rijksstraatweg. De exacte datum is onbekend, maar rond het jaar 1000 was er al sprake van een militaire en handelsverbinding over de Hondsrug tussen Groningen en Coevorden. De ‘Hereweg’, zoals de straat in Groningen heet, geeft hieraan uitdrukking: heer betekent ‘leger’. Bij Harenermolen ontstond later een aftakking in westelijke richting, die als handelsroute belangrijker werd dan de oorspronkelijke verbinding: de nu nog Hoge Hereweg. De Rijksstraatweg volgt de Hondsrug, lange tijd een van de weinige bewoonbare plekken in de provincie. Andere plekken werden geteisterd door overstromingen of waren door veenvorming ongeschikt voor bewoning, terwijl de Hondsrug als sinds het Neolithicum (3500-1800 voor Christus) permanent wordt bewoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf ongeveer 700 na Christus ontstond onder invloed van landbouw het esdorpenlandschap, dat gekenmerkt wordt door een afwisseling van klein- en grootschalige ruimtes. De hogere, vruchtbare gronden kregen een gesloten karakter, zoals het deel van het dorpsgezicht tussen Haren en Glimmen, terwijl de lagere gronden een open blok- en strookverkaveling hadden. De aantrekkingskracht van het landschap zorgde voor de aanleg van verschillende landgoederen aan weerszijden van de enigszins kronkelende Rijksstraatweg: ten noorden van Haren lagen aan de westzijde ‘Dilgt’ en ‘Hemmen en Warmolts’, aan de oostzijde ‘De Wolf’, ‘Edaborgh’ of ‘Lusthorst’ en ‘Middelhorst’. Ten zuiden van Haren lagen onder andere ‘Voorvelt’ en ‘Huis te Glimmen’. De buitenplaatsen lagen te midden van de esdorpen en hun essen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1850-1940 Rond 1850 kwam de trek van welgestelden uit de stad goed op gang. Vanwege ruimte en hygiëne trokken de beter gesitueerden naar Haren en Glimmen, daar waar het armere deel van de bevolking juist naar de stad trok om werk te vinden in de aanwezige industrie en nijverheid. Het agrarische karakter van Haren verdween langzaam en werd ingeruild voor de woonfunctie. Het aanzicht van de Rijksstraatweg was zodoende omstreeks 1900 behoorlijk veranderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al in 1824 was de weg verhard en een halve eeuw later had de bebouwing zich aan weerszijden verdicht met vrijstaande villa’s en ruime tuinen. Tussen 1891-1919 reed er een paardentram over de weg van Zuidlaren naar Groningen. In 1919 werd deze overgenomen door de Gemeentetram Groningen, die een elektronische tramdienst tot De Punt onderhield. Langs de Rijksstraatweg staan nog twee voormalige tramhuisjes, die nu dienst doen als bushalte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1900 trok ook de stedelijke middenklasse de stad uit. Haren ontwikkelde zich tot forensengemeente. Tussen 1920-1940 steeg het aantal woningen van 941 naar 2590 en verdubbelde het aantal inwoners. Pas in 1935 kreeg Haren een echt uitbreidingsplan, waarvan slechts kleine gedeeltes zijn uitgevoerd. De grootste uitbreiding langs de Rijksstraatweg vond tussen 1900-1940 plaats. Niet alleen werden er villa’s gebouwd, ook ontstonden er kleinere woningen voor de gegoede middenstand –in uiteenlopende bouwstijlen van Art Nouveau tot Delftse School. Tussen Helpman en Haren verrezen voornamelijk villa’s; dichter bij de kom van Haren verschenen vooral middenstandswoningen. Achter ‘‘t Huis de Wolf’ werd in 1917 een botanische tuin aangelegd, in 1965 uitgebreid met de Hortus Botanicus van de Rijksuniversiteit Groningen. Ten zuiden van de Harener dorpskom werden eveneens woningen voor de middenstand gebouwd. In dit gedeelte werd begraafplaats de Eshof in 1918 uitgebreid met een toegangsgebouw. Tuinarchitect J. Vroom jr. uit Glimmen paste een decoratieve tuinstijl toe. In het meest zuidelijke deel van het dorpsgezicht zijn vooral villa’s aangelegd met riante tuinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">NA 1940 Na 1940 is het dorpsgezicht niet ingrijpend veranderd. Met de dorpskommen van Haren en Glimmen was dit wel het geval, die zich beide als forensdorpen van Groningen ontwikkelde. De bebouwing langs de Rijksstraatweg is hier en daar vernieuwd, open plekken zijn verder ingevuld, vooral tussen Haren en Glimmen. Door de aanleg van de A28 verloor de weg haar functie als belangrijkste doorgaande route van Groningen naar Assen, wat er uiteindelijk toe bijdroeg dat het dorpsgezicht een oorspronkelijk karakter heeft kunnen behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD Het beschermd dorpsgezicht is een zes kilometer lange strook, waarvan de enigszins bochtige Rijksstraatweg het hoofdelement van de ruimtelijke structuur en de ruggengraat van het bebouwingsbeeld vormt. In de ruimtelijke structuur hebben zich na 1940 geen ingrijpende wijzigingen voorgedaan. Het bebouwingsbeeld is over het geheel genomen behoorlijk gaaf. Vrijwel over de gehele lengte kent de weg aan weerszijden bebouwing in wisselende dichtheid; zowel in het noordelijk als zuidelijk deel zijn er langs de weg open plekken aanwezig, waardoor er een directe relatie is met het achterliggende landschap. De bebouwing is op de weg georiënteerd, de afstand van de overwegend vrijstaande panden tot de weg varieert echter. Ook de schaal van de bebouwing varieert: van statige buitenplaatsen en boerderijen tot villa’s en (kleinere) middenstandswoningen. Het straatprofiel en de beplanting zijn samen met het groen in de tuinen sterk medebepalend voor de ruimtelijke karakteristiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het bebouwingsbeeld en de relatie met het landschap kan het dorpsgezicht worden opgedeeld in drie delen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksstraatweg Noord: tussen Groningen en het centrum van Haren Rijksstraatweg Midden: tussen het centrum van Haren en de kruising met de Holsteinslaan en de Doctor E.H. Ebelsweg Rijksstraatweg Zuid: van bovengenoemd kruispunt tot aan de noordgrens van de kom van Glimmen RIJKSSTRAATWEG NOORD Dit gedeelte heeft een minder dicht bebouwingsbeeld dan de overige twee delen; de oostzijde kent over de hele lengte bebouwing, aan de westzijde geldt dat vooral voor het zuidelijk gedeelte; in het noordelijk deel van de westzijde is de helling van de Hondsrug naar het open beekdal van de Drentsche A zichtbaar en waardevol; de doorzichten op het beekdal is op een aantal plaatsen gekoppeld aan villa’s met tuinen aan de oostzijde, waardoor deze aan betekenis toenemen; het profiel is tamelijk breed en groen: bebouwing - privé-tuin - beukenhaag (of ander type haag, dan wel lage bakstenen muur) - trottoir - fietspad - bepante berm met struikgewas en loofbomen - rijbaan; tot aan de splitsing met de Dilgtweg kent de westzijde een open karakter met vrijstaande villa’s op ruime kavels met aangelegde tuinen: daterend uit de jaren 1910-1940, in stijlen variërend van Art Nouveau tot Delftse School; daarna verdicht het bebouwingsbeeld zich, met kleinschaliger middenstandswoningen uit de periode 1900-1915 die dichter op elkaar en op de weg liggen; achter de aan de westzijde gelegen bebouwing ligt een tweede ‘bebouwingslijn’, die uit een viertal verbouwde boerderijen bestaat; de oostzijde is aaneengesloten bebouwd met kleinere villa’s, sommigen daarvan na 1940 vernieuwd of verbouwd, hier en daar onderbroken door grotere complexen, zoals de Esserberg, het Sint Maartenscollege, het Esserveld, Dilgtoord, ‘t Huis de Wolf’ met daarachter de Hortus Botanicus; in de overgang naar de kom van Haren verdicht het bebouwingsbeeld zich met vrijstaande middenstandswoningen (1910-1930) een tweelaags woonblok in een aan de Amsterdanse School verwante bouwstijl; het bebouwingsbeeld van de Rijksstraatweg Noord is behoorlijk gaaf, aan de westzijde is er een sterke relatie met het open karakter van het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">RIJKSSTRAATWEG MIDDEN Rijksstraatweg Midden wordt gekenmerkt door de bebouwde kom: ‘gesloten’ bebouwingslinten met erachter woongebieden; de bebouwing varieert van eenvoudige middenstandwoningen tot grote villa’s, overwegend vrijstaand of dubbel en op enige afstand van de weg; het profiel is overeenkomstig die van de Rijksstraatweg Noord; in het noorden van dit deelgebied is er dankzij een secundaire weg een verbreding van de openbare ruimte, waardoor er van noord naar zuid een insnoering van het profiel te ervaren is; ter hoogte van deze secundaire weg is een aantal vrijstaande middenstandswoningen gebouwd in een aan Um-1800 verwante bouwstijl; ten zuiden van de verbreding bevinden zich vooral vrijstaande middenstandwoningen en kleinere villa’s uit de periode 1910-1940, in uiteenlopende bouwstijlen, variërend van Overgangsarchitectuur met Art Nouveau-elementen tot de late verstrakte variant op de Amsterdamse School; het bebouwingspatroon van kleinschalige villa’s die tamelijk dicht op elkaar staan wordt hier en daar onderbroken, bijvoorbeeld door een naoorlogs bankgebouw, een tankstation, een tuincentrum, enkele riante villa’s, het naoorlogse gebouwencomplex van Visio en begraafplaats de Eshof, dat met forse beukenhagen van de weg is afgescheiden; hoewel ook van dit deelgebied de ruimtelijke structuur niet wezenlijk is gewijzigd, is het aantal verbouwingen en structureel afwijkende bebouwing groter dan in de andere twee deelgebieden; ook ontbreekt de visuele relatie met het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">RIJKSSTRAATWEG ZUID Rijksstraatweg Zuid heeft weer een landelijk en groen karakter; het bebouwingsbeeld is minder dicht en op open plekken is het achterliggende landschap opnieuw zichtbaar; in tegenstelling tot deelgebied Noord heeft het landschap hier een besloten karakter door de volop aanwezige houtwallen; buitenplaatsen, zoals Voorveld en Huis te Glimmen, en villa’s met fraai aangelegde tuinen dragen bij aan het groene karakter; het profiel van de weg heeft hier eveneens een behoorlijk groen karakter: bebouwing- privé-tuin, veelal met heg - trottoir - fietspad - groene berm met boombeplanting - rijbaan; de bebouwing bestaat voornamelijk uit villa’s en vrijstaande middenstandswoningen met hier en daar een boerderij ertussen; de woningen dateren hoofdzakelijk uit de periode 1910-1940 en zijn in uiteenlopende stijlen opgetrokken, verwant aan Art Nouveau, Amsterdamse School, Rationalisme of Engelse landhuisstijl;</p>\n<p class=\"lf-p\">De villa’s liggen meestal op enige afstand van de weg, de middenstandswoningen dichter aan de straat; richting Harenermolen wordt het bebouwingsbeeld een aantal keer onderbroken door grote villa’s, landgoederen en open groengebied; de Hoge Hereweg is een van de weinige nog gedeeltelijk onverharde doorgaande wegen in de provincie Groningen; het onderscheid met de verharde Rijksstraatweg vormt een herkenbare verwijzing naar de ontwikkelingsgeschiedenis van de route over de Hondsrug naar het zuiden; ten westen van de zandweg ligt een fietspad en houtwal, waarachter zich een dun bebouwingslint bevindt met voornamelijk verbouwde arbeiders- en middenstanswoningen; het oostelijk deel is hier grotendeels onbebouwd, tot aan de Oude Boerenweg, waarna een vergelijkbaar bebouwingsbeeld begint; het historisch bebouwingsbeeld is in dit gedeelte behoorlijk gaaf, ondanks kleinschalige verbouwingen hier en daar.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN De Rijksstraatweg zelf, met aan weerszijden bebouwing, vormt de ruimtelijke basisstructuur van het beschermd dorpsgezicht. De weg volgt de Hondsrug en is bochtig, het profiel heeft begeleidende boombeplanting aan weerszijden. De ruimtelijke structuur, de bebouwing en het landschap zijn sterk met elkaar verbonden. De intensiteit van de bebouwing verschilt, zowel ten noorden als ten zuiden van Haren zijn er grote open plekken, waar de relatie met het omringende landschap goed te ervaren is. Door de relatie met het landschap, het groene profiel een de vele tuinen heeft het dorpsgezicht een overwegend groen karakter. Typerend zijn: het afwisselende bebouwingsbeeld, van hoge architectuurhistorische kwaliteit; de staalkaart van bouwstijlen uit de periode 1850-1940, vooral in het noordelijk en zuidelijk deel: Eclecticisme, neorenaissance, Art Nouveau, Amsterdamse School en Delftse School; de grotendeels vrijstaande bebouwing, op ruime kavels met riant aangelegde tuinen in Landschapsstijl of latere tuinstijlen, vooral in het noordelijk en zuidelijk deel; de kleinschalig bebouwing in het middelste deelgebied, dichter op de weg gelegen en van minder architectuurhistorische kwaliteit dan in de andere deelgebieden; het oorspronkelijke karakter, dat is behouden omdat er na 1940 geen ingrijpende wijzigingen doorgevoerd zijn; de rol van het landschap in de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">AANWIJZING Het beschermd dorpsgezicht Rijksstraatweg is van nationaal belang vanwege zijn grote architectuurhistorische, cultuurhistorische en historisch-ruimtelijke waarde en zijn redelijk hoge mate van gaafheid en zeldzaamheid. De Rijksstraatweg is een gaaf voorbeeld van een gebied, dat zich met name in de periode 1850-1940, heeft ontwikkeld als vestigingsplaats voor welgestelden vanuit de stad Groningen. Dientengevolge heeft het bebouwingsbeeld van de Rijksstraatweg zich tot een staalkaart van hoogwaardige architectuur uit bovengenoemde periode gevormd. Daarnaast is er sprake van een hechte relatie tussen ruimtelijke structuur, bebouwingsbeeld en omringend landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.LELLENS (TEN BOER) Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Lellens als beschermd dorpsgezicht’, zoals aangewezen in september 1991. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. Het beschermd dorpsgezicht van Lellens ligt ten noordoosten van de stad Groningen, zo’n vijftien kilometer buiten de stad in de streek Fivelgo. Het dorp is van geringe omvang en ligt op een kleine, lage wierde die onderdeel is van de reek Usquert – Kantens - Middelstum - Lutjewijtwerd - Lellens. Het beschermd dorpsgezicht omvat de bebouwing aan de Borgweg, het voormalige borgterrein en de aangrenzende boerderij. Het beslaat één van de bouwperiodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van Groningen, te weten: 2. Historische fragmenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ONTWIKKELINGSSCHETS De structuur van het dorp bestaat in beginsel uit een rechthoekig assenkruis, gevormd door een doorgaande weg en een laan van de aan de buitenzijde van de wierde gelegen kerk. Deze opzet is beïnvloed door de inmiddels verdwenen borg van Lellens, waarvan het terrein op korte afstand van de wierde is gelegen. Een oprijlaan die eveneens onderdeel uitmaakt van de hoofdstructuur verbindt het oorspronkelijke borgterrein met het centrale deel van de wierde. De nederzettingsstructuur, het bebouwingsbeeld en de beplanting van de kerklaan en oprijlaan leveren een specifieke historisch-ruimtelijke karakteristiek op, passend bij de voor de streek kenmerkende vrije ligging van de wierde in het open landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wierden zijn kenmerkend voor het noorden van Nederland en vormen de grondslag voor de eerste bewoning van de kuststreek, vanaf ongeveer 600 voor Christus. Ze worden gevormd door nederzettingen op te hogen met kwelderzoden en mest, om ervoor te zorgen dat de dorpen tijdens periodes van overstroming droog blijven. Op de wierden wordt gewoon, wordt het vee gestald en vindt akkerbouw plaats. Pas in de twaalfde en dertiende eeuw komt een gesloten dijkensysteem tot stand, waarna bewoning van het gebied niet meer exclusief aan wierden is begonnen en ze hun functionele grondslag verliezen. Door de vele incidentele ontwikkelingsvormen zijn wierden vaak moeilijk te dateren. Van de ouderdom en de bewoningscontinuïteit van de wierde van Lellens zijn eveneens weinig gegevens bekend. Naar aanleiding van plattegrondskenmerken worden drie hoofdtypen van wierden onderscheiden: 1) die met een radiale structuur, 2) de handelswierde, met een hoofdas over een langgerekt wierdelichaam en 3) de blokvormig verkavelde wierde. Lellens lijkt tot het laatstgenoemde type te behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dominant element in de plattegrond is de eveneens verhoogd gelegen borg, waarvan de bewoners, voor het eerst genoemd in 1495, eeuwenlang tot de landadel van de Ommelanden behoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De precieze datering van het versterkte steenhuis is onbekend. Uit eigendoms- en verkoopaktes blijkt dat de borg een sterke en ruimtelijke en functionele invloed op het wierdedorp had. De politieke betekenis van de bewoners blijkt uit het feit dat Lellens in 1666 een eigen rechtsstoel krijgt en als kerkelijke gemeente wordt afgescheiden van het naburige Stedum: de bouw van de kerk in 1667 hangt hiermee samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is over de concrete omvang van de dorpsbebouwing nauwelijks iets bekend, tot het verschijnen van het oudste relevante kaartmateriaal uit de negentiende eeuw. Op de kadastrale kaart van 1825 is te zien hoe nadrukkelijk het borgterrein en de oprijlaan in omvang en structuur het dorp bepalen. Het dorp is een afgeleide van de blokvormige verkaveling van de omgeving, waarbij twee elkaar loodrecht kruisende lijnen, de oprijlaan en de kerklaan, de opzet van de nederzetting bepalen. Naast de kerk bestaat de bebouwing uit een viertal boerderijen en een tiental kleinere panden, vermoedelijk woningen. Het regelmatige patroon van de woningen aan beide zijden van de weg op het oostelijk deel van de wierde, doet een planmatige aanleg onder invloed van de borg vermoeden. Ten westen van de borgas is de wierde op twee boerderijen en de kerk na onbebouwd. De markante plaatsing van de kerk en de laan is ook een duidelijke vorm van planmatige aanleg. Zoals de meeste dorpen is Lellens via een (op)vaart bereikbaar, water dat het dorp met de Stedumer Maar verbindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de negentiende en twintigste eeuw verandert het dorp nauwelijks. Een kleine uitbreiding van de dorpsbebouwing vindt binnen de daarvoor tot stand gekomen structuur plaats. Wierde-afgravingen blijven in Lellens bijna geheel afwezig, omdat de wierde slechte een geringe hoogte kent en grotendeels bebouwd is. Alleen ten zuiden van de kerk worden enkele percelen afgegraven. Op het borgterrein vinden rond 1900 wel ingrijpende wijzigingen plaats. Het borghuis wordt in 1897 gesloopt, het terrein afgegraven en de grachten gedempt. Het schathuis blijft bewaard en wordt in gebruik genomen als boerderij.</p>\n<p class=\"lf-p\">HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD Het beschermingsbelang van Lellens wordt bepaald door de bijzonder opbouw van het dorp en de duidelijke invloed van de terzijde van de dorpswierde gelegen borg. In tegenstelling tot de meeste andere wierdedorpen is niet de kerk, maar het kruispunt van de twee hoofdassen het centrum van de wierde. De kerk, die pas in de zeventiende eeuw is gebouw, neemt een decentrale positie ten opzichte van de wierde in. De historische structuur is goed bewaard gebleven en wordt ondersteund door de lineaire bebouwing langs de hoofdstraat en de samenhang met de intensieve beplanting van de borg- en kerklaan. Het voormalige borgterrein is nauwelijks meer herkenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdstructuur manifesteert zich op de wierde nadrukkelijk, ondermeer omdat het assenkruis het hoogst gelegen deel van de wierde vormt. Opmerkelijk is dat de hoogteverschillend gering zijn (1,2 meter + N.A.P.) en het geleidelijke verloop in hoogte is nauwelijks waar te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De herkenbaarheid van het assenstelsel wordt ondersteund door een intensief beplantingsschema, bestaande uit een regelmatige viervoudige ingeknotte bomen langs de oprijlaan en een onregelmatige dubbele rij ingeknotte bomen langs de kerklaan. De kerk vormt de visuele afsluiting van de kerklaan en is daarmee de enige besloten ruimte van het dorp. Omdat het borghuis gesloopt is, heeft de oprijlaan een open einde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdstraat, die in het verlengde van kerklaan ligt, is eveneens herkenbaar, dankzij de langs strakke rooilijnen gelegen bebouwing. Aan beide zijden van de weg liggen de panden direct aan de straatverharding en bestaan ze uit een bouwlaag met een langsgericht zadeldak met wolfseinden. Het profiel is smal en steenachtig, in contrast met de groene kerklaan. In het verlengde van de oprijlaan, die voorbij de kruising een scherpe bocht naar het westen maakt, ligt de bebouwing aan ondiepe voortuinen, waaruit hun latere toevoeging aan de dorpsbebouwing blijkt. Omdat de bebouwing op ruimere afstand van elkaar is gelegen, is het ruimtelijk karakter uitgesproken open groen. De bomen en het kerkgebouw doen hier mee in de ruimtebegrenzing van de parallelle straat, aangezien ze door hun ligging aan de kerklaan dominant zijn binnen de ruimte-opbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het borgterrein is naast de onaangetaste oprijlaan alleen het deel met het bewaard gebleven schathuis bij de afgravingen gespaard. De rest is van het terrein is grotendeels tot op het niveau van het omringende landschap afgegraven en niet meer als zodanig herkenbaar. Alleen op de noord- en westpunt is door kleine hoogteverschillen en een erfbeplanting die bestaat uit lage ingeknotte bomen, respectievelijk middelhoge bomen, de omtrek van het voormalige borgterrein terug te vinden. De daardoor aangegeven schaal en de openheid van het terrein zijn van belang in relatie tot de aangrenzende kleinschaliger dorpsstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend voor Lellens is het contrast tussen de bebouwde en met erfbeplanting omgeven kavels op de wierde en de openheid van het licht glooiende landschap. Het dorp manifesteert zich daardoor scherp ten opzichte van het omringende gebied als een ruimtelijke eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">AANWIJZING Het beschermd dorpsgezicht Lellens is van nationaal belang vanwege de ruimtelijke ontwikkeling van het dorp en de invloed daarop van de inmiddels verdwenen borg, waarvan het terrein op korte afstand van de dorpswierde is gelegen. De historische ontwikkeling is herkenbaar in de kenmerkende dorpsstructuur, bestaande uit een rechthoekig assenkruis van de doorgaande weg, de kerklaan en de oprijlaan naar het borgterrein. Deze historisch-ruimtelijke structuur wordt ondersteund door het bebouwingspatroon en de aanwezige beplanting, alsmede door de vrije ligging van de dorpswierde in het open landschap. Het dorpsgezicht levert een beeld op dat van algemeen belang is van de schoonheid en de ruimtelijke structurele samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3BEELDKWALITEITSPLANNEN BEDRIJVENPARK WESTPOORT WESTPARK POELESTRAAT ACHTERZIJDE PEIZERHOEVE BEDRIJVENTERREIN ROODEHAAN NOORD-KWADRANT EUROPAPARK GROTE MARKT OOSTWAND MEERSTAD SONTPLEIN TUINWIJK (HAREN) HOORNSEDIJK (HAREN) BEDRIJVENPARK NESCIO (HAREN) DIJKSHORN (TEN BOER) TRAVERTIJNSTRAAT DE SUIKERZIJDE NOORDZIJDE MEERSTAD-HARKSTEDER BROEKLANDEN ZOALS DE GEBIEDSGERICHTE CRITERIA EN DE BESCHERMDE STADSGEZICHTEN ZICH RICHTEN OP BOUWEN IN EEN BESTAANDE RUIMTELIJKE CONTEXT, ZO CREEREN BEELDKWALITEITSPLANNEN EEN GEWENSTE, TOEKOMSTIGE RUIMTELIJKE CONTEXT. BEELDKWALITEITSPLANNEN WORDEN DOORGAANS OPGESTELD VOOR NIEUWBOUWLOCATIES, DAAR WAAR DE OMGEVING NOG NIET WORDT BEPAALD DOOR BESTAANDE BEBOUWING, EN CRITERIA VOOR HET ‘BOUWEN IN DE CONTEXT’ DUS LETTERLIJK NIET BESTAAN. DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTINGEN ZIJN GEBASEERD OP DE OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLANNEN.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria van een beeldkwaliteitsplan zorgen voor het gewenste basisniveau van de toekomstige context. Maar ook voor locaties in bestaand stedelijk gebied kunnen beeldkwaliteitsplannen worden opgesteld. Bijvoorbeeld wanneer de gemeente voor een bepaald gebied een heel specifiek eindbeeld voor ogen heeft, waarvoor de gebiedsgerichte criteria niet toereikend zijn. Het kan immers zo zijn dat er een meer dan gemiddelde samenhang tussen bebouwing is gewenst, meer dan op basis van de gebiedsgerichte criteria mag worden verwacht. Beeldkwaliteitsplannen vormen dus altijd een specifieke invulling van de Algemene Groninger Criteria en in feite de vervanging van de gebiedsgerichte criteria. Ze kunnen een andere beeldkwaliteit dan de gebiedsgerichte criteria nastreven, maar voldoen altijd aan het niveau van de Algemene Groninger Criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat beeldkwaliteitsplannen na vaststelling door de gemeenteraad als ‘losse’ aanvullende documenten aan de welstandsnota worden toegevoegd, beperken we ons hier, net als bij de beschermde stadsgezichten, tot een beschrijving van de essentie ervan. Wel wordt daarbij de indeling en opzet van de gebiedsgerichte criteria gehanteerd. Elk beeldkwaliteitsplan beschrijft de stedenbouwkundige en architectonische kenmerken van de gewenste ontwikkeling en mondt uit in criteria die weer zijn onderverdeeld naar de drie schaalniveaus van de Algemene Groninger Criteria: context, gebouw en uitwerking. De omvang en het specifieke karakter van beeldkwaliteitsplannen verschillen onderling, net als de periode waarvoor ze geldig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit deel van de legenda van de welstandsnota is dus in principe dynamisch van karakter, aangezien naar gelang de situatie beeldkwaliteitsplannen kunnen worden toegevoegd of verwijderd. De oorspronkelijke beeldkwaliteitsplannen vormen uiteraard altijd het vertrekpunt voor de welstands-toets. Voor de beeldkwaliteitsplannen wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.BEDRIJVENPARK WESTPOORT DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN BEDRIJVENPARK WESTPOORT’ EN DE ‘BELEIDSNOTITIE WESTPOORT, MAART 2014’. VOOR DE OORSPRONKELIJKE DOCUMENTEN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN De beeldkwaliteit van Bedrijvenpark Westpoort wordt bepaald door een aantal essentiële, eenvoudige principes en een ‘proactief ondersteunend proces’. De principes zijn afhankelijk van de plek op het terrein. Hierbij zijn vier niveaus onderscheiden: de rand langs de A7 en de overgang naar de ecologische hoofdstructuur aan de westzijde; zichtlocatie op weg naar de stad; representatief; betekenis op het niveau van de stad als totaal; de entree van het bedrijventerrein Westpoort; uiteindelijk onderdeel van de ringwegstructuur om Hoogkerk en aansluitend op de radiaal van de stad langs het Hoendiep; betekenis op het niveau van het stadsdeel; het hoofdsysteem met centrale as van Westpoort; betekenis voor de afleesbaarheid en ontsluiting van het interne hoofdsysteem van Westpoort; het overig netwerk van Westpoort; betekenis op het niveau van de straat zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meeste aandacht krijgen de kavels van niveau 1 en 2. Hierbij ligt de nadruk op een eenduidige, aantrekkelijke en representatieve uitstraling. Voor niveau 3 en 4 speelt deze representativiteit geen rol; hier is van belang dat bedrijven zich naar de voorzijde presenteren. De kwaliteit van de openbare ruimte zorgt voor eenheid en samenhang. De overgang van openbaar naar privé wordt eenduidig vormgegeven: een haag, gevolgd door een eenduidig hekwerk op een vaste plek en een herkenbare rooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek voor de kavels richting het Hoendiep is er ruimte voor kleinschalige initiatieven, in relatie tot het landelijke karakter van deze zijde. Langs de Roderwolderdijk blijven kleinschalige initiatieven in relatie tot de bestaande lintbebouwing het uitgangspunt, mogelijk in een combinatie van wonen met werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA CONTEXT De openbare ruimte is van een dusdanige kwaliteit, dat deze voor eenheid en samenhang zorgt; de overgangen van openbaar naar privé worden eenduidig vormgegeven: een haag, gevolgd door een eenduidig hekwerk op een vaste plek en een herkenbare rooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEBOUW NIVEAU 1 en 2 Bebouwing heeft een eenduidige, aantrekkelijke en representatieve uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">NIVEAU 3 en 4 Bebouwing heeft een representatieve uitstraling naar de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.WESTPARK DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN WESTPARK’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Het Westpark ligt op een tarraberging, grond die vrijkomt bij de suikerwinning. Omdat het park binnen de milieucontouren van de suikerfabrieken ligt, is woningbouw hier uitgesloten. De locatie wordt begrensd door de Johannes van Zwedenlaan, de Siersteenlaan, het Hoendiep en de westrand van Vinkhuizen. Het uitgangspunt van het beeldkwaliteitsplan is om een zo gevarieerd mogelijk parkinvulling te realiseren, met uiteenlopende functies: een parkmozaïek. De ruimtelijke opzet van het park wordt bepaald door kades in noord-zuidelijke en oost-westelijke richting. De noord-zuidkades zijn beplant met een wintergroene bossingel, als beschutting tegen de westenwind. Op vrijwel alle kades liggen wandelpaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kades en paden vormen de ruimtelijke hoofdstructuur van het park.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de Johan van Zwedenlaan ‘prikt’ één (auto-)ontsluiting naar een centraal parkplein. Aan de oostzijde van het park is een nieuwe waterski-vijver voorzien. Eén oost-westkade is hiervoor onderbroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARCHITECTONISCHE KENMERKEN De bebouwing in het park dient binnen de op de kaart aangegeven grenslijn van de bebouwing te worden gerealiseerd. Een dakhelling is niet nader bepaald; zowel een plat dak als een kap behoort tot de mogelijkheden. De bebouwing dient een representatieve uitstraling richting de weg en wandelpaden te hebben. Reclame-uitingen zijn terughoudend en onderdeel van de architectuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA CONTEXT Binnen het bebouwingsvlak is geen nadere rooilijn bepaald; voor de skivijver geldt dat bebouwing tot op de waterlijn is toegestaan; de oevers zijn of groen (talud), of bebouwd; er is geen buitenopslag toegestaan in zichtzones; daar waar bebouwing representatief dient te zijn, mag geen opslag vanaf de openbare ruimte zichtbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEBOUW De bebouwing moet een representatieve uitstraling richting de weg en wandelpaden hebben; gebouwen hebben een autonome, folly-achtige en eigentijdse uitstraling; de entreezijde ligt bij voorkeur aan de centrale weg in het park; reclame-uitingen zijn terughoudend en onderdeel van het ontwerp van de architectuur; per kavel zijn maximaal drie vlaggenmasten toegestaan; hekwerken moeten zo veel mogelijk voorkomen worden en worden als onderdeel van het gebouwontwerp gezien. Hekwerken voor de voorgevel zijn maximaal 1 meter hoog, achter de voorgevel maximaal 2 meter. De uitvoering dient uniform te zijn: zwart spijlenhekwerk; bijzondere elementen, zoals entrees of kantoorruimtes zijn onderdeel van het hoofdvolume, of maakt zich dusdanig los dat beide volumes hun hoofdvorm behouden; wel kan er sprake zijn van uitsnijdingen, inkepingen, overstekken; luifels zijn onderdeel van de architectuur en worden niet los toegevoegd; bijgebouwen, fietsenstallingen, nutsvoorzieningen, technische installaties op het dak alsmede hemelwaterafvoeren zijn onderdeel van het ontwerp en worden in het gebouw geïntegreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">UITWERKING Bijgebouwen, fietsenstallingen, nutsvoorzieningen, technische installaties op het dak alsmede hemelwaterafvoeren zijn onderdeel van het ontwerp en worden in het gebouw geïntegreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.POELESTRAAT ACHTERZIJDE DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN POELESTRAAT ACHTERZIJDE’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN De stedenbouwkundige positie van de panden aan de Poelestraat achterzijde (Nieuwe Markt zuidzijde) wordt grotendeels bepaald door het bijzondere profiel dat door de maat, schaal en vorm van het Groninger Forum ontstaat. In combinatie met de breedte en de beoogde hoogte van de panden krijgen ze hierdoor een gedrongen uitstraling en lijken ze weinig relatie met de massa van het Forum te hebben. De panden aan de Nieuwe Markt zuidzijde kunnen wat hoogte betreft niet met het Forum concurreren; qua uitstraling en karakter kunnen zij echter verticaal worden georiënteerd, zodat de stedenbouwkundig bijzondere situatie en het profiel passend worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast volgt het stedenbouwkundig principe voor de Nieuwe Markt een klassiek stedelijk fenomeen: dat van voorhuis en achterhuis. De panden aan de Nieuwe Markt zijn in beginsel een voortzetting van de panden aan de Poelestraat. Vanuit de huidige situatie in de Poelestraat levert dit niet de gewenste slanke, verticale oriëntatie aan de Nieuwe Markt op, waarmee het opsplitsen van een aantal kavels wordt gerechtvaardigd. Zo ontstaat een kavelmaat (korrel) die beter past bij de context van de Nieuwe Markt. Vanwege het thema van het voorhuis en achterhuis, alsmede vanwege de gewenste slanke en verticaal georiënteerde kavelmaat, dient de architectonische uitstraling van de kavels deze stedenbouwkundige opzet te ondersteunen met een gevarieerd, per kavel individueel vormgegeven ontwerp. In de Nieuwe Markt zuidzijde wordt de Poelegang gecreëerd, een voortzetting van de huidige steeg tussen Poelestraat 22 en 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARCHITECTONISCHE KENMERKEN De panden hebben een individuele, verticale uitstraling; subtiele hoogteverschillen tussen de panden, zoals kenmerkend voor de binnenstad, zijn wenselijk. Ook in de rooilijn op het maaiveld kan een lichte variatie ontstaan, doordat net binnen of buiten de rooilijn wordt gebouwd. De ruimte die tussen de panden ontstaat, als plein, semi-openbare ruimte of terras, dient in uitstraling en kwaliteit te passen bij het ambitieniveau van de openbare ruimte van de binnenstad, zoals principieel vastgelegd volgens het beleid van Ruimte voor Ruimte. De ruimtes worden hierdoor onlosmakelijk onderdeel van de binnenstad. Indien de tussenruimtes afgesloten moeten worden, dient een hoogwaardige oplossing te worden gerealiseerd, bijvoorbeeld door een fraai vormgegeven hekwerk of tuinmuur; de ruimte achter de muur of het hekwerk moet echter ervaarbaar blijven vanuit de Nieuwe Markt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend voor de binnenstad is de combinatie van individuele panden met een eigen uitstraling: hoogte, breedte, gevelindeling, materiaalgebruik, tijdsbeeld. Een ontwerpmiddel dat deze eigenschappen kan versterken is het toepassen van een driedimensionale rooilijn, zodat wordt voorkomen dat de nieuwe straten pleinwand in te veel delen uiteenvalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De panden kunnen vanaf een bepaalde hoogte overhellen, voorbij de rooilijn, zodat het intieme karakter van de straat naast het Forum wordt versterkt. Het overhellen kan boven de minimale maat van 4,2 meter (in verband met bevoorrading) overal op de gevel plaatsvinden, mits dit betekenis heeft voor het interieur. Het overhellen is gekoppeld aan de massa van het gebouw; het is geen luifel, erker of aanbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De architectonische uitstraling van de panden aan de Nieuwe Markt zuidzijde dient eigentijds en modern te zijn. Voor het materiaalgebruik van de panden wordt geen enkel materiaal per definitie uitgesloten; uiteraard zal het materiaal op een moderne, eigentijdse wijze moeten worden toegepast. Het gebruik van bijzondere lichttoepassingen (binnen en/of buiten) moet de panden ’s nachts voldoende aantrekkingskracht geven; dit dient onderdeel van het ontwerp te zijn. Ook voor reclame-uitingen geldt dat deze integraal onderdeel van het ontwerp moeten zijn; voor reclame-uitingen gelden in principe de reguliere criteria zoals vastgelegd in de welstandsnota. De begane grond van de panden is toegankelijk (winkel, horeca).</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA CONTEXT De nieuwe invulling van de panden aan de Poelestraat achterzijde zal aansluiten op de hoogte van de bestaande panden aan de Poelestraat; in principe vormen de panden een voortzetting van de panden aan de Poelestraat; er is sprake van een klassiek thema: dat van het voorhuis en achterhuis; er wordt een driedimensionale rooilijn gevormd, die kan reageren op ofwel het nieuwe plein (teruggelegen westelijk deel Forum op begane grond), ofwel op de smalle straat die ontstaat tussen het Forum (oostzijde) en de nieuwe Poelestraat achterzijde.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEBOUW De architectuur van de Poelestraat achterzijde is eigentijds en modern; de architectuur moet vernieuwend zijn; panden kunnen overhellen in de richting van het Forum, tot maximaal 1 meter (overal op de gevel boven de minimale hoogte van 4,2 meter); het overhellen moet betekenis hebben voor het interieur; het overhellen is onderdeel van de massa van het gebouw zelf (geen erkers, geen luifels, geen aanbouwen); de panden aan de Poelestraat achterzijde hebben allemaal een individuele architectonische uitstraling; sommige kavels worden opgedeeld, zodat slankere architectonische eenheden ontstaan; het gebruik van licht moet onderdeel zijn van het ontwerp (binnen en/of buiten) en moet de panden ’s nachts op een aantrekkelijke manier transformeren; reclame-uitingen zijn een integraal onderdeel van het ontwerp; op de reclame-uitingen zijn de criteria van toepassing zoals vastgelegd in de welstandsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">UITWERKING Geen enkel materiaal wordt per definitie uitgesloten; het materiaal wordt op een moderne, eigentijdse manier toegepast; de kwaliteit van de tussenruimtes wordt afgestemd op het ambitieniveau van de binnenstad (Ruimte voor Ruimte); hekwerken of tuinmuren zijn fraai en hoogwaardig vormgegeven en houden de open ruimtes tussen de bebouwing ervaarbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.PEIZERHOEVE DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN PEIZERHOEVE’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Het stedenbouwkundig plan voor Peizerhoeve omvat 20 kavels van gemiddeld 500 vierkante meter. De kavels zijn gesitueerd in een groene omgeving, met doorzichten vanuit de wijk Buitenhof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt voor de ontwikkeling van Peizerhoeve is dat het gebied goed aansluit op de bestaande omgeving; doorzichten van en naar het landschap zijn belangrijk. Het eiland heeft een landschappelijk karakter, er is gekozen voor een ruime opzet. Het plan kent een doodlopende straat, aan deze straat liggen de 20 kavels.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARCHITECTONISCHE KENMERKEN Aan de inrichting van de kavels en de bebouwing worden niet veel randvoorwaarden gesteld; de kavels hebben een grote maat en planmatig bouwen wordt niet gestimuleerd. Het plan wordt gekenmerkt door de verscheidenheid van de bebouwing en het groene karakter van de kavels. De bebouwing heeft een kap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing dient zich in het landschap te voegen en niet te contrasteren met de omgeving. Er wordt ingezet op het toepassen van gedekte, donkere kleuren wanneer geen natuurlijke materialen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA CONTEXT Bijgebouwen dienen te worden gecombineerd met het hoofdvolume, geen losstaande objecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEBOUW Er dient gebruik te worden gemaakt van een kap (refererend aan de lintbebouwing en Peizerhoven).</p>\n<p class=\"lf-p\">UITWERKING Geen lichte kleuren voor de hoofdmassa indien geen natuurlijke materialen worden gebruikt; geen lichte kleur baksteen voor de hoofdmassa (het groen en de begroeiing overheerst).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoekkavel met eigen oprit kan, met een goede motivering, een uitzondering op het beeldkwaliteitsplan Peizerhoeve zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.BEDRIJVENTERREIN ROODEHAAN DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN BEDRIJVENTERREIN ROODEHAAN’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Roodehaan is een modern bedrijventerrein waar zowel gemengde bedrijvigheid als milieu-gerelateerde bedrijvigheid gerealiseerd kan worden. Het bedrijventerrein ligt aan de Europaweg en de A7 richting Winschoten en Duitsland. Het sluit aan op bedrijventerrein Eemspoort en maakt onderdeel uit van het bedrijvengebied Zuidoost. De Hunzezone, een ecologische verbindingszone, vormt het verbindend element tussen de verschillende bedrijventerreinen. Bij nadering van de stad vanuit het oosten is het bedrijventerrein de eerste stedelijke bebouwing die wordt aangetroffen. Het terrein vormt als het ware een visitekaartje van de stad. Het is dan ook belangrijk dat het bedrijventerrein richting de snelweg een representatieve uitstraling heeft. Het bedrijventerrein wordt aangesloten op de Europaweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De entree van het bedrijventerrein wordt gemarkeerd met een hoogteaccent. Deze markering kondigt tevens het begin van de stad aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stedenbouwkundige opzet van het terrein bestaat uit vier zones; een zichtzone langs A7, een zone langs de Hunze, een middengebied en een eiland. De zones worden ontsloten door een rondweg, bereikbaar vanaf de Europaweg, en vier ‘bedrijfsstraten’, gelegd in de oorspronkelijke verkavelingsrichting van het landschap. De kavels worden ontsloten vanuit de bedrijfsstraten. De kavels langs de rondweg presenteren zich naar buiten, respectievelijk de A7 en de Hunzezone; deze kavels hebben twee representatieve zijdes, zowel een aan de rondweg als een aan de bedrijfsstraat. De zone langs de A7 dient zo veel mogelijk een aaneengesloten representatief front te vormen, terwijl de Hunzezone zo veel mogelijk moet aansluiten op het groene landschappelijke karakter van de ecologische zone. Voor het middengebied geldt een minimum aan regels, terwijl op het eiland een hoogteaccent gewenst is om de entree, zowel van het terrein als van de stad vanuit het oosten, te markeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARCHITECTONISCHE KENMERKEN De bebouwing in de zichtzone langs de A7 is representatief en zo veel mogelijk aaneengesloten. De bebouwing heeft daarnaast een representatieve gevel naar de bedrijfsstraat. De bebouwing aan de Hunzezone speelt in op de landschappelijke kwaliteit van de voormalige Hunzeloop en past in de groene uitstraling van deze zone. Ook voor deze zone geldt dat bebouwing representatief is, zowel naar de rondweg als naar de bedrijfsstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het middengedeelte gelden geen specifieke architectonische kenmerken. Voor het hoogteaccent geldt daarentegen dat een hoogwaardige, alzijdige architectuur wordt beoogd, zodat het als een visitekaartje voor zowel het bedrijventerrein als de stad kan gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden een aantal meer algemene architectonische kenmerken. Bebouwing heeft een permanent karakter, een eenduidige hoofdvorm en een heldere volumeopbouw. Gevels kennen een rustige en evenwichtige vormgeving, bouwvolumes kennen een eenduidige gevelbekleding. Het aantal verschillende materialen, kleuren en gevelpatronen is beperkt. Voor de toepassing van kleuren gelden geen harde criteria, maar de voorkeur wordt gegeven aan materiaaleigen verschijningsvormen of aan coatings in een enigszins neutrale kleur: zwart, grijs, wit of gedekte kleuren. Opvallende kleuren worden beperkt tot accenten en de binnenkant van terugspringende delen. Wat betreft reclame zijn er drie soorten te onderscheiden: reclame op de gevels, toegangsborden en vlaggen. De reclame dient als integraal onderdeel van het gebouw te zijn ontworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA CONTEXT ZICHTZONE A7 De bebouwing vormt een zo representatief mogelijk, aaneengesloten front richting de A7; aan de zijde van de A7 wordt voor de voorgevel niet geparkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HUNZEZONE De bebouwing speelt in op de landschappelijke kwaliteit van de Hunzezone en het geheel kent een groene uitstraling (bijvoorbeeld talud, groene daken, tuinen).</p>\n<p class=\"lf-p\">GEBOUW ZICHTZONE A7, HUNZEZONE Het gebouw heeft een representatieve gevel naar de rondweg en naar de bedrijfsstraat; vanaf de rondweg is er geen opslag in het zicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">MIDDENZONE Voor de voorgevel vindt geen opslag plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">EILAND Er is plaats voor een hoogteaccent van maximaal 30 meter; de architectuur is hoogwaardig en alzijdig; het hoogteaccent vormt een visitekaartje voor zowel Roodehaan als Groningen; er vindt geen buitenopslag plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">ALLE ZONES Per kavel is een inrit en entree toegestaan; inritten worden uniform uitgevoerd; parkeren gebeurt op eigen terrein; er wordt gestreefd naar uniformiteit in hekwerken; indien nodig worden thermisch verzinkte of lichtgrijze staafmatten-hekwerken toegepast; hekwerken zijn maximaal 3 meter hoog (voor het Eiland maximaal 1 meter) en staan in lijn; gevelreclame bestaat uit open letters (doos-, frees- of neonletters); tekstborden of lichtbakken zijn niet toegestaan; indien reclame bovenop de gevel wordt gezet mag deze maximaal 15% van de hoogte van de voorgevel zijn; bewegende en flikkerende reclame is niet toegestaan; het parkmanagement plaatst per entree een uniform entreebord; per perceel zijn maximaal drie vlaggen(masten) of banieren toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.NOORD-KWADRANT EUROPAPARK DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN NOORD-KWADRANT EUROPAPARK’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARDALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Het Noord-Kwadrant van het Europapark is onderdeel van de ontwikkeling van het gehele Europapark en wordt begrensd door de Europaweg, de Boumaboulevard, het Winschoterdiep en het Menzis-terrein. Het kwadrant vormde in de oorspronkelijke plannen voor het Europapark de kantorenlocatie, naast ruimte voor een woonwijk, een sport- en vermaakcentrum, waaronder het nieuwe stadion van FC Groningen en het spoorwegstation Groningen Europapark. Kenmerkend voor het Europapark is een maximale menging van wonen, werken, leren, uitgaan en recreëren. Beoogd wordt van het Europapark - ook buiten kantooruren - een echte stadswijk te maken, met alle levendigheid die daarbij hoort. Het Europapark wordt een dynamische, intensief bebouwde wijk. De Euroborg, het station en de Mediacentrale werken daarbij als katalysators.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal cultuurhistorische elementen is nadrukkelijk in het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan opgenomen; historische waterwegen en-lopen, de voormalige Helpmancentrale en de kolenmuur (oorspronkelijk onderdeel van de kolenbunker). Voor de laatste wordt onderzocht of bebouwing hierlangs, hierdoor of hierover gerealiseerd kan worden. Vanwege de gewijzigde kantorenmarkt sinds 2008 is er voor het kantorenkwadrant onderzocht of de marktpositie verbeterd kan worden. Aanpassingen die hieraan kunnen bijdragen zijn een grotere flexibiliteit ten aanzien van de grootte van kantoren, een grotere menging van functies (aanvankelijk waren hier enkel kantoren voorzien) en betere ‘adressen’ voor kantoren, bijvoorbeeld aan een straat of park. Het stedenbouwkundig plan voor het Noord-Kwadrant is op deze punten aangepast en verwerkt in het beeldkwaliteitsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst is een uitloper van de groene zone rond het Winschoterdiep als een ‘groene loper’ het plangebied van het Noord-Kwadrant ingetrokken. Deze geeft de blokken binnen het Noord-Kwadrant een helder en hoogwaardig ‘adres’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verbindende kracht van de (groene) openbare ruimte wordt ingezet om de velden binnen het Noord-Kwadrant beter met elkaar te verbinden, maar ook om de kwadranten van het Europapark als geheel meer samenhang te geven. De Boumaboulevard dient een aantrekkelijk ‘laankarakter’ te krijgen. Parallel daaraan wordt de reeds genoemde groene loper het plangebied van het Noord-Kwadrant ingetrokken. In tegenstelling tot het oorspronkelijke plan wordt er gestreefd naar een gemengd stedelijk milieu. Dit biedt voordelen op het gebied van flexibiliteit, uitwisselbaarheid en meervoudig grondgebruik. Er worden geen zones aangegeven voor verschillende functies; gebouwen, blokken of velden kunnen dus in de loop van de tijd van functie veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plangebied kent in principe twee verkavelingstypologieën: bouwblokken (van verschillende grootte) en solitaire gebouwen. Zie voor de specifieke stedenbouwkundige uitgangspunten het beeldkwaliteitsplan. Aan de Boumaboulevard wordt ingezet op een zo aaneengesloten mogelijke gevelwand. Zo ook aan de zuidzijde van de Groene Loper. Aan het Winschoterdiep geldt een vergelijkbaar, maar minder stringent uitgangspunt. In de overige plandelen is er ruimte voor solitaire gebouwen en complexen. Gebouwen aan de Groene Loper moeten desondanks een relatie zoeken met dit park.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARCHITECTONISCHE KENMERKEN Kenmerken voor de bebouwing die bij de genoemde stedenbouwkundige uitgangspunten horen, zijn een hoge bebouwingsdichtheid (intense stad), gemengde programma’s in de bebouwing (zowel verticaal als horizontaal), een scherpe scheiding tussen openbaar en privé (in principe geen voortuinen), het grotendeels uit het zicht oplossen van parkeren (inpandig, ondergronds of op binnenterrein), een individuele expressie van bebouwing en een kwalitatieve, representatieve uitstraling. Er is variatie in bouwhoogte mogelijk; voor de bouwblokken wordt er gestreefd naar verticaal georiënteerde en gelede gevels.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA CONTEXT Het gebied kent een stedelijk karakter; de architectuur geeft vorm aan het openbare gebied; de bouwvlakken liggen verdiept ten opzichte van de straten, dit biedt mogelijkheden voor verdiepte parkeeroplossingen; er zijn geen parkeerplaatsen in de openbare ruimte, parkeren op private en collectieve terreinen blijft uit het zicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEBOUW De bouwvlakken dienen aan alle zijden representatief te zijn; de architectuur is gevarieerd (verschillen in bouwhoogte, verticale geleding, verspringende plastiek, compositie, materiaalgebruik); de architectuur kan geïnspireerd zijn op het historische karakter van de locatie, maar is ‘eigentijds’; lange horizontale gevels dienen aan de Boumaboulevard voorkomen te worden; gevels breder dan 24 meter worden nadrukkelijk verticaal geleed; bebouwing aan de zuidzijde van de groene loper is in principe kleinschaliger dan die aan de Boumaboulevard; gevels breder dan 15 meter worden nadrukkelijk verticaal geleed; de plint van de bebouwing aan de Boumaboulevard moet in principe geschikt worden gemaakt voor publieksgerichte functies, wonen is hier niet toegestaan; ook in de overige bouwvlakken dient de plint representatief van karakter te zijn; het hoogteverschil tussen de begane grond en de openbare weg mag maximaal 1,50 meter bedragen; hoogteverschillen tussen begane grond en openbare weg worden op eigen terrein, al of niet inpandig opgelost; aan de Boumaboulevard sluit de begane grond zoveel mogelijk direct aan op het niveau van de openbare weg; uitzondering hierop is mogelijk voor het sterk aflopende deel ter plaatse van het Oude Winschoterdiep; hoofdentrees liggen aan de openbare ruimte; hoogteverschillen tussen entree en openbare weg worden op eigen terrein, al of niet inpandig opgelost; gevels van kantoren en publieksfuncties grenzen direct aan de openbare ruimte; voor woningbouw is een heldere scheiding tussen openbaar en privé van belang; met een goed vormgegeven overgangszone kan een gepaste afstand worden gecreëerd en het straatbeeld worden verlevendigd; daar waar blokken niet zijn gesloten met bebouwing, dienen ze te worden gesloten door middel van enkellaagse functies, doorlopende muren met muuropeningen of hoogwaardige en duurzame groene afscheidingen; deze afscheidingen dienen onderdeel van de architectonische vormgeving te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">UITWERKING Materiaalgebruik en detaillering ondersteunen het ontwerp, zijn hoogwaardig en ondergeschikt aan de hoofdvorm; divers materiaalgebruik wordt nauwkeurig op elkaar en op de verschillen in architectuur afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.GROTE MARKT OOSTWAND DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN GROTE MARKT OOSTWAND’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Het beeldkwaliteitsplan Grote Markt Oostwand, zoals herzien in juni 2014, gaat uit van een kleinschalige, bij de historische stadsstructuur passende verkaveling, maar maakt ook andere, grotere verkavelingen en architectonische uitwerkingen mogelijk. De ontwikkelingen op het gebied van retail laten zien dat ruimte wordt gezocht voor grote volumes. Dit beeldkwaliteitsplan maakt dat mogelijk, maar stelt regels en biedt referenties waaraan een mogelijk grootschaliger invulling moet voldoen. Er is gezocht naar mogelijkheden om grote invullingen te laten passen in de schaal en maat van de binnenstad, zoals volgens het algemene welstandsbeleid van de gemeente Groningen en de kenmerken, zoals beschreven in de aanwijzing van de binnenstad tot beschermd stadsgezicht, ook verwacht mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van dit beeldkwaliteitsplan voor de stedelijke structuur is dat de nieuwe oostwand het beeld van de historisch gegroeide stad belichaamt. Het beeld van de compacte stad is in Groningen door de eeuwen heen behouden gebleven. Deze compactheid is in de gehele binnenstad waarneembaar door de dichte bebouwing, die hier en daar door openbare ruimtes wordt opengebroken. De historische Grote Markt was in deze fijnmazige structuur ingebed: een imposant plein, omsloten door stevige façades, toegankelijk via relatief smalle doorgangen en straten. Deze smalle entrees versterkten het besloten karakter van het plein. In de Tweede Wereldoorlog is een deel van deze structuur verloren gegaan. Met de nieuwe oostwand wordt geprobeerd om het oude karakter van de historische Grote Markt terug te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de oostzijde van de Grote Markt betekent dit het behoud van het gesloten bouwblok, het herstel van de historische rooilijn aan de Grote Markt en het behoud van de overige rooilijnen rondom het blok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stedenbouwkundig plan voorziet in de bouw van een nieuwe oostwand op de vooroorlogse rooilijn. Aan de voorzijde is de oostwand gericht op de Grote Markt, aan de achterzijde op de Nieuwe Markt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nieuwe Markt, als voorplein van het Groninger Forum, is een nieuwe openbare ruimte. De nieuwe oostwand krijgt dus tevens een voorkant aan dit plein. De oostwand wordt zowel een scheiding als een verbinding tussen de Grote Markt en de Nieuwe Markt; er wordt een doorgang gerealiseerd. De doorgang wordt minstens 6 meter breed, vergelijkbaar met de Waagstraat. In het oorspronkelijke beeldkwaliteitsplan was de locatie van de doorgang precies bepaald; in het huidige beeldkwaliteitsplan is de positie van de doorgang flexibel gemaakt, om zo een groter volume op verschillende plekken mogelijk te maken. Evenwel schrijft het stedenbouwkundig principe van het plan voor dat de nieuwe oostwand zich voegt in de morfologische structuur van het bestaande stedelijk netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">DRIE STEDENBOUWKUNDIGE MODELLEN Voor de oostwand van de Grote Markt worden in het nieuwe beeldkwaliteitsplan de navolgende drie stedenbouwkundige oplossingen mogelijk gemaakt: het model zoals getekend in het oorspronkelijke beeldkwaliteitsplan, uitgebreid met het hoekpand; een model waarbij de verbindingsstraat naar de zuidzijde wordt verschoven, juist naast het hoekpand; een model waarbij de gehele oostwand gesloten wordt en de verbinding tussen de Grote en de Nieuwe Markt wordt gerealiseerd door middel van een overbouwde doorgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste model wordt de oostwand in vijf percelen onderverdeeld, met daarop vijf verschillende panden, ontworpen door verschillende architecten. De doorgang komt tussen het derde en vierde pand te liggen, vanaf het noorden gezien. De panden kunnen binnen de stedenbouwkundige envelop in hoogte variëren. In het tweede model wordt de doorgang, de verbindingsstraat, meer naar het zuiden gelegd, zodat er ruimte voor een groter volume ontstaat. De rooilijn van het zuidelijke hoekpand wordt in dit model iets naar achteren gelegd, zodat de toegang vanuit de Oosterstraat naar de nieuwe verbindingsstraat wordt versterkt. Vanaf de tweede verdieping is een verbinding van het hoekpand met het overige bouwvolume van de oostwand mogelijk. In het derde model wordt de oostwand helemaal gesloten en wordt de verbindingsstraat vormgegeven als een overbouwde doorgang. De doorgang is ten minste 6 meter breed en 8 meter hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang voor de openbare ruimte is het levendige karakter van de sokkels van de nieuwe bebouwing. Bij grote bouwvolumes dient de begane grond zo toegankelijk en transparant mogelijk te zijn, vooral langs de verbindingsstraat moet dit maximaal het geval zijn. Aan zowel de zijde van de Grote Markt als van de Nieuwe Markt is ruimte voor terrassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARCHITECTONISCHE KENMERKEN Naast een zorgvuldige stedenbouwkundige inpassing beoogt het beeldkwaliteitsplan Grote Markt ook een passende architectonische inpassing te bewerkstelligen. Er wordt gestreefd naar een klassieke uitstraling, passend bij en in samenhang met de zuidwand van de Grote Markt en het stadhuis. Voor het eerste model is daarvoor inspiratie gezocht bij de typisch Hollandse stadshuizen, voor de overige twee modellen zijn referenties gevonden in Hollandse en Noord-Europese steden. Hieruit blijkt dat door de eeuwen heen, met de komst van grote stedelijke functies in verschillende steden, geprobeerd is deze overtuigend in de historische stadsstructuur in te passen. Dit gebeurde bijvoorbeeld door schakeling van ‘individuele’ herenhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIG MODEL 1 Voor het eerste model wordt het uitgangspunt voor de architectuur bepaald door de typische Hollandse stadshuizen, zoals nog te vinden aan de zuidzijde van de Grote Markt. Kenmerkend voor de zuidwand zijn panden op diepe, smalle kavels, met uitgesproken gevels gericht op de Grote Markt. De panden hebben een duidelijke gevelindeling, met sokkel (of plint), middendeel (met ramen) en dakrand (of daklijst). De grote vensteropeningen zorgen voor een transparante gevel; interessant is dat de hoogte van de ramen iets zegt over de hiërarchie van de verdiepingen. De sokkel is duidelijk te onderscheiden, meestal door de keuze van ander materiaal. De gevels zijn van baksteen, de sokkels van deels natuursteen of hout. De ramen hebben de typische omlijsting van lichtgekleurd pleister in contrast met de donkere kozijnen en spijlen. Het gebruik van baksteen geeft de panden aan de zuidwand een duurzame en solide uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIG MODEL 2 Uitgangspunt voor de architectuur van het tweede model is het opdelen van het bouwvolume tussen het inmiddels gerealiseerde hoekpand van Vindicat en de verbindingsstraat, zodat er kleinere verticale bouwvolumes ontstaan die de maat en schaal aannemen van de bebouwing aan de zuidzijde van de Grote Markt. De sokkel van dit volume is één laag hoog en kent een meer vrije, maar transparante en open uitstraling. Het middendeel is sterk verticaal geleed, met verticale ramen en een onderverdeling van drie gevels, die ook in de dakverdieping afleesbaar is en benadrukt wordt. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor de zijde aan de Nieuwe Markt. Door de bijzondere, ten opzichte van de rooilijn licht teruggeplaatste, positie van het zuidelijke hoekpand in dit model, verdient ook de kopse zuidelijke gevel van het bouwvolume aan de verbindingsstraat bijzondere aandacht. Het zuidelijke hoekpand wordt verzelfstandigd en moet de schaalsprong tussen de Grote Markt en de Poelestraat begeleiden. Boven de verbindingsstraat kan een luchtbrug worden gerealiseerd, beperkt in breedte en maximaal op de verdiepingen twee tot en met vier.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIG MODEL 3 Het laatste model wordt gekenmerkt door een bouwvolume dat de gehele oostwand vult. De verbinding tussen de Grote Markt en de Nieuwe Markt wordt als een overbouwde doorgang, een passage, gerealiseerd. Uitgangspunt is dat op een sokkel van één laag, van maximaal 4,5 meter, verticaal geleden bouwvlakken worden vormgegeven, bekroond door dakvolumes die deze verticaliteit versterken. Bij de gevelindeling en geleding dient rekening te worden gehouden met de passage. Het hoekgebouw wordt onderdeel van het bouwblok van de nieuwe oostwand. Het hoekgebouw moet de toegankelijkheid van de Grote Markt waarborgen, heeft een bijzondere positie ten opzichte van de Oosterstraat en Poelestraat, moet de toegang naar de Nieuwe Markt versterken en moet de schaalsprong maken tussen de Grote Markt en de Poelestraat. ‘REGELS’ VOOR DE ARCHITECTUUR Met nadruk wordt er op gewezen dat onderstaande criteria voor de architectuur op alle modellen van toepassing zijn, met uitzondering van het feit dat in model 2 en 3 een sokkel is toegestaan van slechts één laag. Daarnaast moet erop gewezen worden dat de referenties die in het oorspronkelijke beeldkwaliteit zijn verzameld, van belang zijn voor de duiding van de criteria; voor nadere informatie wordt naar het beeldkwaliteitsplan verwezen (Beeldkwaliteitsplan Grote Markt Oostwand van Thomas Müller Ivan Reimann Architekten, 13 juni 2014). De voorgevels aan de Grote Markt, Nieuwe Markt, Martinikerkhof en aan de nieuwe verbinding worden in principe volgens dezelfde criteria vormgegeven. De panden kunnen van elkaar verschillen, maar de vormgeving valt binnen één idioom. Ook de materiaalkeuze van de verschillende panden is met elkaar in samenhang. Binnen de spelregels krijgen de voorgevels aan de Grote Markt en het Martinikerkhof een uitgesproken representatieve uitstraling. De voorgevels aan de Nieuwe Markt en in de nieuwe verbindingsstraat hebben een wat informeler karakter, omdat ze zich meer in de beslotenheid van het plangebied bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA CONTEXT De korrelgrootte zoals bepaald in het bestemmingsplan Binnenstad is eveneens van toepassing op de nieuwe oostwand.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEBOUW De panden krijgen een heldere verticale geleding van sokkel, middenstuk en dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">SOKKEL De sokkel is duidelijk afleesbaar en bestaat uit een of twee verdiepingen; raampartijen zijn fors om het gebouw een open karakter te geven; de sokkel levert een belangrijke bijdrage aan de levendige uitstraling van de oostwand; afwisseling in materiaal of kleur in de sokkel is mogelijk; reclame wordt alleen bevestigd aan de sokkel, maar mag de sokkel niet overheersen en zeker niet detoneren met de vormgeving van het pand; voor reclame-uitingen zijn de regels van toepassing zoals die zijn vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">MIDDENDEEL Het middenstuk is duidelijk afleesbaar, als basis wordt een staand raamformaat gebruikt om de verticaliteit van de gevel te accentueren; de gevel presenteert zich als een massieve, solide gevel met openingen; het onderscheid tussen de verdiepingen (eventueel hiërarchie) is in de gevel afleesbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">DAKRAND De dakrand als afsluiting van het pand is duidelijk afleesbaar en ondersteunt de verticale geleding van de gevel; de dakverdieping kan de vorm krijgen van een terugspringende verdieping of een schuin dak, de inspringing is voor beide daktypen twee meter; dakkapellen zijn toegestaan, echter niet breder dan twee meter elk; de som van de dakkapel-openingen mag niet meer zijn dan de helft van het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">UITWERKING Het materiaalgebruik van de voorgevel moet een solide indruk geven; de gevel bestaat voornamelijk uit baksteen en natuursteen, pleisterwerk kan in beperkte mate worden gebruikt; de raamopeningen van het middendeel kunnen een bijzondere detaillering krijgen, in overeenstemming met de voor Hollandse huizen typische, met wit pleister omrande vensters en deuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.MEERSTAD DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTINGEN ZIJN GEBASEERD OP DE BEELDKWALITEITSPLANNEN MEERSTAD. VOOR DE OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLANNEN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. DE OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLANNEN VORMEN UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIG PLAN Het stedenbouwkundig plan van Meerstad bestaat uit verschillende deelgebieden, met elk een eigen beeldkwaliteitsplan. Natuurlijk zijn de beeldkwaliteitsplannen voor de deelgebieden ontstaan vanuit een overkoepelend kwaliteitsbeeld voor het gebied, de ‘Meerstadkwaliteit’. Voorlopig zijn de volgende beeldkwaliteitsplannen vastgesteld: Meeroevers I (24 maart 2011), Meeroevers II/A (22 september 2011), Tijdelijke school Meeroevers (22 december 2011), Meeroevers II/B vlek 14 (1 november 2012), Meeroevers II/B vlek 15 &amp; 16 (19 september 2013), Meeroevers III, 18 augustus 2014), Tersluis (16 februari 2016). Het beeldkwaliteitsplan van de tijdelijke school is buiten dit overzicht gelaten. De beeldkwaliteitsplannen zijn op 21 december 2016 om technische reden ingetrokken, met uitzondering van de daarin opgenomen gebiedsgerichte welstandscriteria. De oorspronkelijke beeldkwaliteitsplannen blijven inhoudelijk relevant als inspiratie voor de criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisgedachte voor de beeldkwaliteitsplannen van Meerstad is enerzijds het zorgdragen voor de gewenste Meerstadkwaliteit door de verbinding van groen, water en bebouwing- het ensceneren van het Meerstadlandschap anderzijds de zoektocht naar het unieke Meerstaddetail in de vormgeving van architectuur en openbare ruimte. Een zorgvuldige afstemming van de deelgebieden en van de functie en inrichting van de openbare ruimte vormt dus de leidraad van de beeldkwaliteitsplannen. Het zoeken naar het Meerstaddetail vertaalt zich in het formuleren van een archetypische Meerstadwoning. Deze is eenduidig gematerialiseerd en heeft verschillende kenmerken die in alle woningen terugkomen, waarmee hij zich kortom onderscheidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten voor de Meerstadwoningen zijn: eenheid in hoofdvorm, eenheid in materiaal en kleur, eenheid door Meerstaddetail (subtiel verschil tussen begane grondgevel en verdiepingsgevel), subtiele variatie in gevelindeling, subtiele variatie in geveltoevoegingen, alsmede eenheid in groene erfafscheidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8A.MEEROEVERS I DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITEITSPLAN MEEROEVERS I’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meeroevers I is de eerste fase van het woongebied Meeroevers. Het deelplan biedt een veelzijdig aanbod van wonen in de natuur: van een vrijstaande woning aan de groene Meeroeverlaan tot een waterwoning met weids uitzicht over het nieuwe Woldmeer. Het beeldkwaliteitsplan is gebaseerd op het Stedenbouwkundig Ontwerp Meeroevers (27 november 2009). Naast het beeldkwaliteitsplan is het stedenbouwkundig plan ook uitgewerkt in het Ontwerp voor de Openbare Ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN De stedenbouwkundige structuur van Meeroevers bestaat uit de volgende kenmerken: groene radialen die de verbinding vormen tussen de Hoofdweg en het Woldmeer; het Waterfront, dat samen met het bijbehorende Oeverpad de ruggengraat vormt; de Meeroeverslaan als hoofdontsluitingsweg van de wijk, die op twee plaatsen is verbonden met de Hoofdweg; de Kwelvaart, voor de waterhuishouding en als ecologische verbinding; een compact centrum rond een kleine haven, waar een basisschool is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meeroevers I kent een grote variatie in woonmilieus. Vanaf het water gezien: waterwoningen aan de rand van het meer, ruime kavels voor vrijstaande woningen op de eilanden, een ‘eilandspecial’ met ruimte voor een specifiek segment, waterfrontwoningen met afwisselend rijwoningen en half-vrijstaande woningen, laanbebouwing bestaande uit rijwoningen, alsmede kavels tussen Meeroeverslaan en Kwelvaart voor vrijstaande woningen. Per woonmilieu gelden architectonische kenmerken, met bijbehorende criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARCHITECTONISCHE KENMERKEN WATERFRONT Het waterfront vormt de verbindende cluster van Meeroevers I, II, III &amp; IV en vervult de functie van decor. Het waterfront zal dus een ingetogen karakter moeten hebben. Als begeleiding van het Oeverpad moet het waterfront echter ook over voldoende afwisseling beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de voorzijde van de bebouwing aan het waterfront als geheel zal het beeld worden bepaald door het water, met boten en aanlegsteigers, alsook het Overpad met her en der een boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achter de bebouwing bepalen de bomen op het binnenterrein en langs de Meeroeverslaan mede het beeld. Het front als geheel wordt bepaald door variatie in kavelbreedte en bebouwingshoogte, variatie in ruimte tussen de bebouwing en variatie door specials. Op het niveau van de bebouwing is de volgende balans tussen eenheid en variatie vastgelegd: eenheid in hoofdvorm, eenheid in materiaal en kleur, eenheid door het Meerstaddetail, variatie in breedte en hoogte, variatie in gevelindeling, variatie in geveltoevoegingen en eenheid in de overgang tussen de openbare ruimte en de privéruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">MEEROEVERSLAAN De woningen aan de Meeroeverslaan krijgen een brede groene laan als woonkwaliteit. Het openbaar groen zal het straatbeeld gaan domineren. De bomen langs de laan zijn van de eerste orde en hagen scheiden de voortuinen af van de brede, openbare grasstrook. Op het niveau van de bebouwing is de volgende balans tussen eenheid en variatie voorzien: eenheid in hoofdvorm, variatie in materiaal en kleur, eenheid door Meerstaddetail, variatie in geveltoevoegingen en eenheid door voordeur met voortuin.</p>\n<p class=\"lf-p\">GROENE RADIAAL De Groene Radiaal krijgt een natuurlijke inrichting, met doorzichten tussen de Hoofdweg en het Woldmeer. Evenals bij de Meeroeverslaan voert het groen de boventoon. De bebouwing begeleidt het groen en dient in materiaalgebruik, kleur en vormgeving als overgang tussen het waterfront en de afwisselende bebouwing langs de Meeroeverslaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">WOLDMEERWEG De Woldmeerweg is ook een van de Groene Radialen, maar heeft een ander karakter dan de Groene Radiaal. De groene openbare ruimte langs de Woldmeerweg is verschillend van karakter, vorm en afmeting: soms slechts een groene dijk, dan weer een brede groene natuurruimte. Ook de bebouwing is afwisselend van karakter. De bebouwing dient in materiaalgebruik, kleur en vormgeving als overgang tussen het waterfront en de Meeroeverslaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">DWARSSTRAATJES De groene ruimte van de dwarsstraatjes heeft een intiem karakter en is gescheiden van de binnenterreinen. De bebouwing dient een duidelijke relatie met de openbare ruimte aan te gaan en vormt de overgang tussen het waterfront en de Meeroeverslaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">KWELVAART De kavels tussen de Meeroeverslaan en de Kwelvaart variëren in grootte van 500-800 m2. Vanwege het vele groen langs de Meeroeverslaan is de regelgeving voor de vrijstaande kavels langs de Kwelvaart beperkt gehouden. De balans tussen eenheid en variatie is als volgt: eenheid in hoofdvorm, afwisseling in positie, variatie in materiaal, kleur en rooilijn, eenheid in Meerstaddetail; de villa’s hebben een individueel karakter en vormen met aan- en bijgebouwen een ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">KAVELS RIETEILANDEN De eilanden krijgen een zo natuurlijk mogelijk aanzien, met brede rietkragen op de koppen. Voor de bebouwing wordt ingezet op rieten daken, zodat de natuurlijke uitstraling van de eilanden wordt versterkt. Voor de bebouwing is de balans tussen eenheid en variatie als volgt voorzien: eenheid in hoofdvorm, afwisseling in positie, hoofd- en bijbebouwing vormen een architectonisch ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">WATERWONINGEN De vormgeving, materialisatie en kleur van de waterwoningen moeten worden afgestemd op de natuurlijke situatie tussen rietkragen en de uitstraling van de Rieteilanden. Ook voor de waterwoningen is gestreefd naar zo veel mogelijk vormgevingsvrijheid. De balans tussen eenheid en variatie is als volgt voorzien: eenheid in volume, de keuze van kapvorm is vrij op maximaal 5 meter ten opzichte van de waterlijn, eenheid in materiaal en kleur door beperkte keuze. De waterwoningen moeten samen een duidelijke familie van afwisselende woningen zijn, met variatie in terras, kapvorm, materiaal, kleur en verbijzonderingen op detailniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">EILANDSPECIAL De Eilandspecial moet een bijzondere architectonische opzet krijgen. De special wordt of een bijzondere clustering van losse wooneenheden, of de woningen worden samengevoegd tot één blok. De architectuur moet een relatie aangaan met de speciale ligging van het eiland.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRITERIA MEERSTADKWALITEIT ALGEMEEN Bebouwing moet op elkaar en op de functie en inrichting van de openbare ruimte worden afgestemd; kavels voor vrijstaande woningen worden voor maximaal 25% bebouwd; kavels voor twee-onder-een-kapwoningen worden voor maximaal 45% bebouwd; kavels voor rijwoningen worden voor maximaal 55% bebouwd; de oppervlakte voor hoofdgebouwen bedraagt maximaal 200 m2, voor bijgebouwen maximaal 100 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ‘Meerstadwoning’ heeft de volgende kenmerken: dwarskap van ten minste 50 graden of langskap van ten minste 40 graden; één materiaal voor alle gevels, één materiaal voor alle dakvlakken; toepassing van het Meerstaddetail; subtiele variaties in gevelindeling; subtiele variaties in geveltoevoegingen; groene erfafscheidingen; hoofdgebouw: nokhoogte maximaal 13 meter, goothoogte maximaal 7 meter; bijgebouw: nokhoogte maximaal 6 meter, goothoogte maximaal 3,5 meter; hoekwoningen hebben twee ‘voorkanten’; bebouwing op zichtlocaties is van hoge architectonische kwaliteit; aan- en bijgebouwen passen bij de context; kozijnen, lijstwerk en dakranden zijn wit of worden uitgevoerd in grijstinten; bewegende delen zijn wit, donkergroen, een grijstint of hebben de kleur van de gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">WATERFRONT De bebouwing van de clusters dient een grote mate van eenheid te vertonen; de bebouwing moet een ingetogen dorpse uitstraling krijgen, met voldoende afwisseling tussen bebouwing onderling; het waterfront vertoont variatie in kavelbreedte, bebouwingshoogte en ruimte tussen de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterfrontwoning heeft de volgende kenmerken: eenheid in hoofdvorm: twee lagen met een dwarskap; eenheid in materiaal en kleur: alle woningen rode bakstenen gevels en matte rood-oranje of antraciete keramische dakpannen; eenheid door toepassing van het Meerstaddetail; variatie in breedte en hoogte van de woning; subtiele variatie in de plaatsing van de gevelopeningen; subtiele variaties in geveltoevoegingen; eenheid in de inrichting van de voorzone (met uitzondering van de twee-onder-een-kapwoningen); per cluster dient een special toegepast te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">MEEROEVERSLAAN De bebouwing van de clusters dient een grote mate van eenheid te vertonen; de bebouwing kan een eenvoudige opzet krijgen, waarbij rijwoningen met langskappen blokken van verschillende afmetingen kunnen vormen; de bebouwing heeft twee bouwlagen met een kap; een blok bestaande uit meerdere rijwoningen dient als één Meerstadwoningen te worden vormgegeven; materiaal gevel: rode baksteen; wit gekeimde steen, wit metselwerk van minstens vergelijkbare kwaliteit, of witte houten planken; zwarte baksteen, zwart gekeimde steen of zwarte houten planken; materiaal kap: rood-oranje of antraciete keramische dakpannen, of rietbedekking; per blok dient een andere gevelkleur en/of ander gevelmateriaal gekozen te worden; blokken verschillen onderling van elkaar door subtiele variaties in de plaatsing van gevelopeningen en toevoegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">GROENE RADIAAL Bebouwing dient in materiaal, kleur en vormgeving als overgang tussen de rode baksteenarchitectuur van het waterfront en de afwisselende materialen en kleuren van de laanwoningen; de bebouwing heeft twee bouwlagen met een kap, de voordeur op de groene radiaal gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">WOLDMEERWEG Bebouwing dient in materiaal, kleur en vormgeving als overgang tussen de rode baksteenarchitectuur van het waterfront en de afwisselende materialen en kleuren van de laanwoningen; de bebouwing heeft twee bouwlagen met een kap, de voordeur op de Woldweg gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">DWARSSTRAATJES Bebouwing dient een duidelijke relatie met de openbare ruimte aan te gaan, als begeleiding van het zicht op het Woldmeer en als versterking van het intieme karakter; bebouwing dient in materiaal, kleur en vormgeving als overgang tussen de rode baksteenarchitectuur van het waterfront en de afwisselende materialen en kleuren van de laanwoningen. de bebouwing heeft twee bouwlagen met een kap, de voordeur aan de dwarsstraatjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">KWELVAART Voor de gevels van hoofd- en bijgebouwen dient één kleur te worden gekozen: zwart, wit of baksteenrood; gevelmateriaal: planken, baksteen, gekeimd metselwerk of stucwerk; dakvlakken: rood-oranje of antraciete keramische dakpan, of rietbedekking; iedere woning moet een eigen karakter hebben; het beoogde karakter van de woning moet consequent en overtuigend worden doorgevoerd en uitgewerkt; de vormgeving van hoofd- en bijgebouwen moet op elkaar afgestemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">RIETEILANDEN De bebouwing van de Rieteilanden dient in harmonie met de natuurlijke omgeving van water en rietkragen te worden vormgegeven; bebouwing heeft een langs- of dwarskap met een helling van 50 graden of steiler; hoofdgebouw: nokhoogte maximaal 10 meter, goothoogte maximaal 3,5 meter; bijgebouw: nokhoogte maximaal 6 meter, goothoogte maximaal 3,5 meter; de dakvlakken moeten met riet bedekt worden; een alternatief voor de dakbedekking zijn matte, antraciete keramische pannen, in combinatie met een beperkte keuze in materiaal- en kleurgebruik van de gevels; de vormgeving van hoofd- en bijgebouwen moet op elkaar afgestemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">WATERWONINGEN Woning, parkeerplaats, steiger en terras vormen een integrale ontwerpopgave; de vormgeving van de woningen moet afgestemd zijn op de natuurlijk context van rietkragen, op de vormgeving van de woningen onderling en op de woningen van de eilanden; de waterwoningen dienen als een volume te worden vormgegeven; de kapvorm is vrij; de dakhoogte bedraagt maximaal 5 meter ten opzichte van de waterlijn; een dakterras op de onderverdeling is toegestaan; de berging is maximaal 2,5 meter hoog en heeft een mossedum-dak of een licht hellend dak van antraciete bitumen; gevels moeten worden uitgevoerd in houten planken of plaatmateriaal van vergelijkbare kwaliteit; grote vlakke beplatingsmaterialen zijn niet toegestaan; de kleur van de gevel dient beperkt te worden tot de aardkleuren; grijs in de middentonen kan, maar dan altijd in combinatie met een kleur; de woningen moeten met een mossedum-dak of met een dak van antraciete bitumen worden uitgevoerd; kozijnen zijn wit, een grijstint of worden uitgevoerd in de kleur van de gevel; de vormgeving van de berging sluit aan op de betreffende waterwoning, of alle bergingen worden op vergelijkbare wijze vormgegeven; de waterwoningen moeten familie van elkaar zijn, maar eveneens subtiel van elkaar verschillen, door variatie in grootte van het terras, de vorm van het dak, door variatie in kleur en materiaal en door verbijzonderingen op detailniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">8B.MEEROEVERS II/A</p></div>", "next": 239534}