{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">er is in voldoende mate sprake van advisering door een deskundige organisatie; de werkzaamheden worden door professionals met relevante expertise uitgevoerd; van de verleende subsidie mag maximaal 10% besteed worden aan voorbereidende werkzaamheden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien subsidie is verleend op grond van artikel 4.7.2. sub c moet de subsidieontvanger in aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2. aan de volgende verplichtingen voldoen:</div>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het transformatieplan dient binnen één jaar na de start te zijn afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien subsidie is verleend op grond van artikel 4.7.2. sub d moet de subsidieontvanger in aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2. binnen drie maanden na subsidieverlening zijn gestart met de uitvoering van het transformatieplan.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.8 Stimulering Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">[ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.9 Sportaccommodaties en jeugd</h3>\n<p class=\"lf-p\">[ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.10 Overijssel werkt! KwaliteitsImpuls Toerisme in Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">[ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.11 Bedrijfsnatuurplannen recreatieondernemers (pMJP 3.2.5)</h3>\n<p class=\"lf-p\">88[Toelichting: Recreatiebedrijven liggen verspreid door de provincie en dus in verschillende landschapstypes. De inpassing van de bestaande recreatiebedrijven in haar omgeving laat in veel gevallen te wensen over en is voor verbetering vatbaar. In het merendelel van de gevallen betekent meer aandacht voor een landschappelijke inpassing en de natur op en rond het terrein een aanmerkelijke verbetering voor zowel het landschap, de natuurwaarden en de beeldkwaliteit. Deze verbetering kan worden gerealiseerd door het uitvoeren van Bedrijfsnatuurplannen (BNP's). Door de provincie is voor de beoordeling van aanvragen voor bedrijfsnatuurplannen een aantal criteria opgesteld. In de aanvragen voor het opstellen,dan wel voor het uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven (die als zodanig zijn opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan) dienen de criteria zoals genoemd in artikel 4.11.2 verwerkt dan wel beschreven te worden. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. de minimisverordening: Verordening (EG) 1998/2006 PbEU L379/10 van de commissie van 15 december 2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun; b. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; c. vrijstellingsverordening: een door de Europese Commissie vastgestelde verordening op basis van artikel 1, lid 1 van Verordening (EG) 994/98 Pb L142 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen en voor het uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven, die als zodanig zijn bestemd in een goedgekeurd bestemmingsplan. Voor kampeerterreinen geldt een minimum van 25 standplaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">89[Toelichting: Een aanvraag voor subsidie wordt op de volgende aspecten beoordeeld:a. beschrijving van de omgeving van het recreatieterrein (landschapskenmerken en natuurdoelen)b. beschrijving van het recreatieterrein, waarbij in ieder geval aan de orde komen om welk soort recreatieterrein het gaat (bv. bungalowpark of camping), aantal en soort gebouwen, grootte, met of zonder privé-eigendommen, aanwezigheid water, aanwezige vegetatie/beplanting , enz.)c. confrontatie met de landschapskenmerken en de natuurdoelen;d. voorstellen tot verbetereing/aanpassing en de mate waarin de aanpassingen leiden tot herstel of toename van de biodiversiteit op het recreatieterrein en het herstel/de toename van de soorten rijkdoem door de maatregelen; e. inhoud van het beheer en onderhoudsplan;f. eventuele samenwerking met andere (aangrenzende) terreinen;g. beschrijving van de begroting en kostenraming in een financiële paragraaf;h. beschrijving wie het plan gaat uitvoeren, het initiatief neemt en wat de planning is;i. beschrijving van de kwaliteitswinst;j. beschrijving van de monitoring door de eigenaar van het bedrijf zelf;k. beschrijving van de toekomstplannen van de eigenaar van het recreatiebedrijf. ] Een aanvraag voor subsidie voor het opstellen en voor het uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op bestaande recreatiebedrijven moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvraag moet gericht zijn op het opstellen of op het uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan dat zich richt op de inrichting en ontsluiting van het recreatiebedrijf; b. de aanvraag is gericht op een betere inpassing van het bedrijf in het landschap; c. het plan leidt tot verbetering van de natuurwaarden en biodiversiteit op en rond het recreatiebedrijf. d. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening dan wel aan artikel 3 van de Vrijstellingverordening MKB. e. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten voor het opstellen of voor het uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan met een maximum van € 20.000 per recreatiebedrijf, indien het recreatiebedrijf is gelegen in reconstructiegebied.\\ 2. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor het opstellen of voor het uitvoeren van een Bedrijfsnatuurplan met een maximum van € 20.000 per recreatiebedrijf, indien het recreatiebedrijf is gelegen buiten reconstructiegebied.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.12 Routenetwerken (pMJP 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.4)</h3>\n<p class=\"lf-p\">[ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.13 Vrijetijdseconomie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">90[Toelichting: Het onderhoud van de fiets-, wandel-, vaar- en ruiterroutes, inclusief de onderhoudskosten van LAW's en LF's, heeft betrekking op de werkgebieden van;- de Regio IJssel-Vecht;- de Regio Twente;- de Recreatiegemeenschap Salland;- het Waterschap Reest en Wieden. Het onderhoud heeft ook betrekking op dagrecreatieparken:- Het Hulsbeek, - Het Rutbeek;- het Arboretum Poort-Bulten; - het Lageveld;- de Wythmenerplas;- de passantenhaven Wijhe. ] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel: activiteiten voor het beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur in Overijssel; die bijdragen aan de kwaliteitsverbetering van de toeristische routenetwerken fietsen, wandelen, ruiteren en varen, dan wel de recreatieve voorzieningen in Overijssel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten in het kader van de bevordering van toerisme in Overijssel: activiteiten van die organisaties die uitvoering geven aan de bevordering en vermarkting van het toerisme in de provincie Overijssel met daarin provinciebrede aandacht voor regionale toeristische merken, regio-overschrijdende thema's, ontwikkeling en innovatie van producten, onderzoek en kennisoverdracht. [vervallen] [vervallen]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1. eerste lid sub a, moet voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag wordt gedaan door een gemeente, een samenwerkingsverband van gemeenten in Overijssel of een Regionaal Bureau voor Toerisme. de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur moet vóór 1 januari 1998 tot stand gebracht zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1. eerste lid sub b, en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd; de activiteit is nieuw voor Overijssel; de activiteit is bovengemeentelijk gericht; de aanvraag voor subsidie behelst geen individuele bedrijfssteun;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 eerste lid sub b moet tevens voldoen aan het criterium dat het een bijdrage moet leveren aan minimaal één van de volgende doelen: het verbinden van toeristische routenetwerken met belevingselementen op, langs en in de buurt van deze routenetwerken; het verhogen van de thematische belevingswaarde van de routenetwerken, met inbegrip van de verbinding met het toeristische bedrijfsleven; het verbinden van toeristische fiets-, wandel-, ruiter- en vaarroutenetwerken aan elkaar, inclusief de noodzakelijke verbindingen van stad naar platteland; het verbinden van utilitaire fietspaden met recreatieve fietspaden; het wegnemen van knelpunten in het fietsroute- en wandelroutenetwerk; het bevorderen van de verkeersveiligheid ten aanzien van gebruik, ligging en dimensionering.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 lid 1 sub a bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. 91[Toelichting: Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt momenteel nog het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Dit betekent ten hoogste 50% provinciale bijdrage Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners. De andere subsidies zijn gebaseerd op het principe van ten hoogste 60% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen.] 2. De subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 4.13.1 lid 1 sub b en lid 2 bedraagt ten hoogste 60% van de subsidiabele kosten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">92[Toelichting: De kosten van ‘Onvoorzien' boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.] 1. In aanvulling op artikel 1.1.5. derde lid zijn de volgende kosten niet subsidiabel: interne kosten; verrekenbare belastingen, heffingen of lasten; rente, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; afschrijvingskosten; kosten van planschade; kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; grondverwervingskosten; kosten van projectvoorbereiding (opstellen projectplannen).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidiabele kosten van een recreatief fietspad bedragen ten hoogste € 120.000,-- per kilometer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidiabele kosten van de activiteit als bedoeld in artikel 4.13.1 eerste lid sub b bedragen ten minste € 75.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie indien: a. het project niet voldoet aan de speerpunten van het beleid, zoals opgenomen in de economische nota van de Provincie Overijssel; b. de co-financiering van het project door derden niet verzekerd is; c. binnen het project geen duidelijke projectverantwoordelijke is aangewezen;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2. eerste lid dan wel artikel 1.5.3. eerste lid wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend binnen 6 maanden na realisatie van de prestatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2. tweede lid of artikel 1.5.3. tweede lid bij de aanvraag tevens 3 foto's van het gerealiseerde project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod vervreemding</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4.13.1., eerste lid sub a, en tweede lid, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, dan wel het recht van opstal.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.14 Vrijwilligers</h3>\n<p class=\"lf-p\">[ingetrokken]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen Wonen en leefomgeving</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.1 Effectuering Ruimtelijk Beleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">93[Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel. Het provinciaal belang bij het project is maatgevend voor het al dan niet verstrekken van een subsidie. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek, visievorming en/of planontwikkeling met betrekking tot concrete ruimtelijke projecten of ruimtelijke voorzieningen. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder externe kosten: de kosten van uitbesteding van de ruimtelijke activiteiten van een project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor onderzoek, visie- en planontwikkeling van ruimtelijke projecten die van provinciaal belang zijn op het gebied van ruimtelijke ordening en wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag moet passen binnen de centrale beleidsambities en onderwerpen van provinciaal belang zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Overijssel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag is afkomstig van een Overijsselse gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke ordening in Overijssel; 94[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd.]</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">95[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager niet op een andere wijze in (een deel van) de kosten kan voorzien (geen medefinancier(s) voor het project heeft). Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit moet tot uitdrukking komen in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo'n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. ] De subsidie bedraagt maximaal 50% van de externe kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">96[Toelichting: Het gaat bij deze subsidieparagraaf in de regel om zeer complexe projecten. De aanvraag voor subsidie kan dan ook bij de aanvrager in de routing achterlopen op de start van het project. Dat die momenten niet altijd samenvallen of in de goede volgorde plaatsvinden, doet niet af aan het belang van het project als geheel. Daarom wordt een project, en de daarbij behorende kosten, als één geheel gezien, en in totaliteit beoordeeld en gefaciliteerd. ] In afwijking van artikel 1.1.5 derde lid zijn kosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen wel subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.2 Samen bouwen aan de toekomst van Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">97[Toelichting: Ter uitwerking van de Provinciale Omgevingsvisie 2010-2019 hebben Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten prestatieafspraken gemaakt over een breed pakket van onderwerpen op het gebied van bouwen en wonen. De prestatieafspraken zijn in samenwerking met gemeenten opgesteld en zijn in de eerste helft van 2010 ondertekend. Gedeputeerde Staten en de Burgemeester en Wethouders hebben afspraken gemaakt over de volgende beleidsthema's:1Ruimtelijke kwaliteit: stimulansen voor ruimtelijke kwaliteit (cultureel erfgoed, stedenbouwkundige en architectonische ontwerpen, overgang stad en platteland en verruiming van de openbare ruimte), 2Energie &amp; duurzaamheid (energiebesparing bij de sociale sector, stimuleringsregeling particuliere sector, loket voor begeleiding particulieren, pilotprojecten), 3Woningbouwprogramma (minimaal en maximaal aantal woningen, maximale bestemmingsplancapaciteit), 4Binnenstedelijke vernieuwing (percentage binnenstedelijk en uitleg, herstructurering, bodem, geluid), 5Wonen, zorg en welzijn (realisatie van woonservicegebieden en huisvesting bijzondere doelgroepen), 6Geluid, 7Bodem en 8Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze subsidieregeling wordt uitvoering gegeven aan de afspraken die gemaakt zijn op het gebied van:1binnenstedelijke vernieuwing, 2wonen, zorg en welzijn, 3geluid. Voor de prestatieafspraken onderdeel Energie &amp; duurzaamheid is paragraaf 8.2 Energiebesparingsfonds woningen Overijssel, van toepassing.] Subparagraaf 5.2.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder prestatieovereenkomst: prestatieafspraken Wonen 2010-2015, waarin Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van een gemeente in de provincie Overijssel afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de beleidsthema's; ruimtelijke kwaliteit, energie &amp; duurzaamheid, binnenstedelijke vernieuwing, wonen zorg en welzijn, geluid, bodem en Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen over aanvraag van gemeenten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een ondertekende prestatieovereenkomst geldt als aanvraag voor een subsidie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De indieningstermijn uit artikel 1.2.2 is niet van toepassing indien de aanvraag bij ondertekende prestatieovereenkomst wordt ingediend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse voortgangsrapportage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente overlegt jaarlijks vóór 1 mei een schriftelijke voortgangsrapportage met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, aan de hand van de verplichte rapportage indicatoren zoals genoemd in bijlage 1 van de prestatieovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van subsidieverlening ex artikel 5.2.2.3 doet de gemeente hierbij tenminste een opgave van het aantal gereed gemelde woningen bij het Centraal bureau voor de Statistiek (CBS).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subparagrafen vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.2 Binnenstedelijk vernieuwing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. feitelijk bebouwd gebied: een gebied dat per 1 januari 2010 in de provincie Overijssel geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden); b. transformatie: aanpassen- of vervangen van bestaande bebouwing met/door een andere functie dan een woonfunctie naar een woonfunctie; c. ISV I: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing I, periode 2000 t/m 2004; d. ISV II: Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing II, periode 2005 t/m 2009; e. Bouwimpuls: de subsidieregeling Bouwimpuls Overijssel vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 1 november 2006, kenmerk RWB/2005/3061 en ingetrokken bij besluit van Gedeputeerde Staten van 15 december 2009, kenmerk 2009/0123586; f. Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw: subsidieregeling Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouwprojecten vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van 22 september 2009, kenmerk 2009/0123586; g. woning: een binnen feitelijk bebouwd gebied tot bewoning bestemd gebouw dat, vanuit bouwtechnisch oogpunt gezien, is bestemd voor permanente bewoning door één particulier huishouden; h. Primos: Prognose-, Informatie- en Monitoringssysteem 2007, bevolkingsprognose opgesteld door ABF research in opdracht van het ministerie van VROM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het realiseren van woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">98[Toelichting: De gemeente kan subsidie ontvangen voor de realisatie van binnenstedelijke nieuwbouwwoningen. Binnenstedelijk betekent dat de woningen worden gerealiseerd op locaties binnen de contouren van feitelijk bebouwd gebied per 1 januari 2010. Locaties aan de rand van de kern, Vinex-locaties en uitleggebieden vallen hier niet onder. Vinex locaties zijn locaties die zijn aangewezen om op korte termijn een groot aantal woningen te realiseren (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra). Deze locaties bevinden zich buiten de bestaande bebouwde omgeving. Uitleggebieden zijn gebieden waar de functie verandert in een woon- en/of werkfunctie en daarmee een nieuw stuk stad of dorp wordt ontwikkeld buiten diens bestaande bebouwingscontouren. Meestal heeft het gebied vóór de ontwikkeling een agrarische- of een natuur bestemming. Niet subsidiabel zijn woningen die gerealiseerd worden als onderdeel van een project waarvoor Gedeputeerde Staten een subsidie hebben verstrekt in het kader van ISV I of II, de Bouwimpuls en/of de Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw.] Een aanvraag voor subsidie voor het realiseren van woningen voldoet aan de volgende criteria: a. de woningen worden gerealiseerd binnen feitelijk bebouwd gebied; b. voor de woning is geen subsidie verleend op grond van ISV I, ISV II de Bouwimpuls of Tijdelijke stimuleringsregeling woningbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">99[Toelichting: Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie van maximaal € 5.000,-- per gerealiseerde en gereed gemelde woning. De gemeente moet de woningen gereed moet melden vóór 31 december 2014.De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.2.2 bedraagt maximaal € 5.000,-- per bij het CBS gereed gemelde woning.] De subsidie bedraagt € 5.000,-- per gerealiseerde en per bij het CBS gereed gemelde woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">100[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 20% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het aantal binnenstedelijk te realiseren woningen zijn. Stel dat dit 200 woningen zijn, dan bedraagt de subsidie 200 x €5.000,-- = € 1000.000,--. Het eerste voorschot is dan 20% van € 1.000.000,-- is € 200.000,--. Jaarlijks dient de gemeente voor 31 december een voortgangsrapportage in, waarin de gemeente onder andere rapporteert over het aantal gereed gemelde woningen bij het CBS. Naar aanleiding van deze opgave kunnen Gedeputeerde Staten een aanvullend voorschot verstrekken. Stel dat uit de voortgangsrapportage over 2010 blijkt dat de gemeente 20 woningen heeft gereed gemeld in 2010, dan bedraagt het tweede voorschot 20 x 5.000,-- is € 100.000,--.] 1. In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager in het jaar 2010 een voorschot van 20% van de verleende subsidie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, nadat de voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 5.2.1.3 is ontvangen, een aanvullend voorschot. Het aanvullend voorschot is gelijk aan de gereed gemelde woningen in het jaar waarover wordt gerapporteerd, maal € 5.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het totaal van het eerste voorschot ex artikel 5.2.2.5 eerste lid en de aanvullende voorschotten ex artikel 5.2.2.5 tweede lid bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het aanvullend voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 heeft de gemeente de woningen gereed gemeld bij het CBS vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.3 Wonen, zorg en welzijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. realisatiekosten: kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van de projecten van het uitvoeringsplan; b. uitvoeringsplan: een door de gemeente vastgesteld projectplan met projecten ten behoeve van de realisatie van de ambitie met betrekking tot een woonservicegebied, zoals vermeld in paragraaf ‘wonen zorg en welzijn' van de prestatieovereenkomst; c. beleidsvisie: een door de gemeente vastgesteld document waarin de gemeente een definitie formuleert van een woonservicegebied en formuleert op welke wijze de woonservicegebieden vorm zullen worden gegeven; d. woonservicegebied: een door de gemeente in haar beleidsvisie over wonen en zorg vastgestelde definitie voor een gebied, waarin optimale condities worden geschapen langer zelfstandig wonen mogelijk maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een visie, inclusief definitie woonservicegebied en een uitvoeringsplan; b. de realisatiekosten van de uitvoering van de projecten van het uitvoeringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor de realisatiekosten van de uitvoering van projecten in het uitvoeringsplan moet voldoen aan de volgende criteria: a. de gemeente heeft een beleidsvisie en een uitvoeringsplan vastgesteld door Burgemeester &amp; Wethouders; b. het uitvoeringsplan bevat een planning met een opleverdatum vóór 31 december 2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">101[Toelichting: De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.3.2 is bepaald aan de hand van de verdeelsleutel op basis van het percentage 65 plussers binnen de gemeente op 1 januari 2015 conform PRIMOS 2007. ] De subsidie bedraagt maximaal het bedrag dat genoemd is in de prestatieovereenkomst, onder paragraaf Wonen, zorg en welzijn, voor het opstellen van de visie, inclusief definitie woonservicegebied en de realisatie van de projecten uit het uitvoeringsplan tezamen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">102[Toelichting: Voorschot bij verlening bedraagt 10% van de verleende subsidie. Dit wordt als volgt berekend: In de prestatieafspraken staat vermeld wat het maximale subsidie voor het onderdeel ‘Wonen, zorg en welzijn bedraagt. Stel dat dit € 100.000,-- is, dan bedraagt het eerste voorschot bij subsidieverlening € 10.000,--, te gebruiken voor het opstellen van het uitvoeringsplan. Het aanvullende voorschot wordt bepaald aan de behaalde resultaten blijkend uit de jaarlijkse voortgangsrapportage. Gedeputeerde Staten bepalen zelf wat het aanvullende voorschot zal zijn.] 1. In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager in het jaar 2010 een voorschot van 10% van de verleende subsidie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Jaarlijks ontvangt de gemeente, op basis van de voortgangsrapportage als bedoelt in artikel 5.2.1.3, een aanvullend voorschot te bepalen door Gedeputeerde Staten. Het totaal van het eerste voorschot en de aanvullende voorschotten bedraagt maximaal het verleende subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het aanvullende voorschot wordt uitbetaald binnen dertien weken nadat de jaarlijkse voortgangsrapportage is ontvangen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">103[Toelichting: De gemeente moet de prestatieafspraken aanvullen met een beleidvisie en uitvoeringsplan ten aanzien van realisatie van woonservicegebieden. Naar aanleiding van dit uitvoeringsplan kunnen Gedeputeerde Staten een subsidie verstrekken aan realisatiekosten van het uitvoeringsplan, die het langer zelfstandig wonen mogelijk maken in enigerlei vorm van een woonservicegebied. Een woonservicegebied biedt allerlei voorzieningen en of aanpasbare woningen die geschikt zijn voor zorgbehoevenden bijvoorbeeld: levensloopbestendige of 0-trede woningen. Het budget mag voor maximaal 10% worden ingezet voor het opstellen van de visie en het uitvoeringsplan. Van de overige 90 % mag de subsidie voor maximaal 25% worden ingezet voor het nemen van sociale maatregelen. Het resterende budget dient te worden ingezet voor fysieke maatregelen. Gedeputeerde Staten hebben een format opgesteld dat per project ingevuld dient te worden en als bijlage met het uitvoeringsplan wonen en zorg meegestuurd dient te worden. Dit kan gedownload worden van de website van de provincie Overijssel: www.overijssel.nl/subsidie. ] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 5.2.1.2 een beleidvisie en een uitvoeringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 dient het uitvoeringsplan gerealiseerd te zijn vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.4 Geluid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. A-lijst woningen: woningen die als gevolg van het wegverkeerslawaai in 1986 een geluidsbelasting op de gevel van meer dan 65 dB(A) ondervonden, niet zijnde woningen langs spoor/rijkswegen. b. uitvoeringsplan: een plan van aanpak ten behoeve van de uitvoering van de in de prestatieafspraken geformuleerde ambitie zoals vermeld in paragraaf ‘geluid' van de prestatieovereenkomst. c. saneren: maatregelen die getroffen worden aan de gevel van de woning om de geluidsbelasting terug te brengen tot onder 65 dB(A).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">104[Toelichting: Sanering betekent het verminderen van geluidhinder door gevelisolatie of andere maatregelen die het geluidsniveau op de gevel naar beneden brengen. Bij A-lijst woningen gaat het om woningen die niet zijn gelegen aan spoorwegen en/of Rijkswegen. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het saneren van A-lijst woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie voor het saneren van A-lijst woningen moet voldoen aan het volgende criterium: er is een uitvoeringsplan dat een omschrijving bevat van de saneringsmaatregelen voor de te saneren A-lijst woningen en een planning met een uiterste opleveringsdatum van 31 december 2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.4.2 bedraagt maximaal 100% van de kosten van de geluidssanering voor de te saneren woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">105[Toelichting: De gemeente dient voor de aanvraag voor subsidie de prestatieafspraken aan te vullen met een uitvoeringsplan geluidsanering. Het gaat hierbij om geluidssanering van A-lijst woningen. ] In afwijking van artikel 5.2.1.2 gelden de prestatieafspraken pas als aanvraag indien de gemeente een uitvoeringsplan en een overzicht met de te saneren A-lijst woningen overlegt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 geldt dat uitvoeringsplan wordt gerealiseerd vóór 31 december 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.5 Bodem 106[Toelichting: Het doel van de subsidie is een financiële oplossing te bieden als bodemverontreiniging een knelpunt vormt bij stedelijke ontwikkeling. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. Wet: Wet bodembescherming b. Nader onderzoek: onderzoek met betrekking tot de vraag of een geval van verontreiniging een geval van ernstige verontreiniging is op grond van artikel 1 van de Wet; c. Saneringsplan: saneringsplan zoals bedoeld in artikel 39 van de Wet; d. Saneren/sanering: het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem op grond van artikel 1 van de Wet. e. Onderzoekskosten: de werkelijk gemaakte kosten ten behoeve van het uitvoeren van Nader onderzoek of ten behoeve van het opstellen van een saneringsplan. f. Subsidiabele saneringskosten: de werkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van de sanering, overeenkomstig het saneringsplan, die voor subsidie in aanmerking komen. Voor subsidie komen in aanmerking de in Bijlage 7, behorende bij artikel 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005 opgesomde kosten, met uitzondering van de sloopkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">107[Toelichting: Sloopkosten zijn niet subsidiabel. De reden hiervoor is dat slopen hoe dan ook noodzakelijk is om de stedelijke vernieuwing te realiseren. ] g. Bodemfunctieklasse: bij regeling van de Minister van Infrastructuur en milieu vastgestelde indeling van bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen voor de volgende activiteiten op stedelijke vernieuwingslocaties subsidie verstrekken: a. de uitvoering van een nader onderzoek, b. het opstellen van een saneringsplan en c. voor de uitvoering van een sanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2.5.2. moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag is ingediend door een gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">De betreffende locatie moet zich bevinden binnen feitelijk bebouwd gebied per 01-01-2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">108[Toelichting: Een gebied gelegen in de provincie Overijssel dat per 1 januari 2010 geheel is omsloten door binnenstedelijke bebouwing(sranden). ] Er is geen sprake van een locatie die een waterbodem betreft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen sprake van een aanpak van een locatie die valt onder een brancheafspraak;</p>\n<p class=\"lf-p\">109[Toelichting: Voor bepaalde categorieën van verontreinigde locaties zijn landelijk brancheafspraken gemaakt, zoals voor Gasfabrieksterreinen, VINEX-locaties en in gebruik zijnde en blijvende bedrijfsterreinen. Onderzoek en sanering op deze locaties wordt niet met onderhavige middelen gesubsidieerd. ] Er is geen sprake van een ingebruik zijnd en blijvend bedrijfsterrein zoals bedoeld in artikel 55a van de Wet;</p>\n<p class=\"lf-p\">110[Toelichting: Onder in gebruik zijnd- en blijvend bedrijfsterrein wordt verstaan een terrein dat meer dan 5 jaar na de verleningsbeschikking in gebruik blijft als bedrijfsterrein. ] De verontreiniging moet voor 1987 ontstaan zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">111[Toelichting: Ontstaan voor 1987: In het Uitvoerings- en toetsingskader bodem is toegelicht wanneer sprake is van een historische verontreiniging (voor 1987) en wanneer sprake is van een nieuwe verontreiniging. Voor een nader onderzoek geldt dat het vermoeden moet bestaan dat de verontreiniging voor 1987 is ontstaan. ] Er zijn aantoonbare maximale inspanningen verricht om te komen tot cofinanciering in de onderzoeks- of saneringskosten zoals bedoeld in artikel 1.1.1. sub c.</p>\n<p class=\"lf-p\">112[Toelichting: Onder cofinanciering wordt verstaan dat andere partijen dan de aanvrager bijdragen in de kosten van de gesubsidieerde activiteit. Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk geld uit de markt wordt gehaald: Er dient inzicht te worden gegeven in wat de gemeente, de projectontwikkelaar en de aansprakelijke partij(en) aan de onderzoeks- of saneringskosten bijdragen en welke inspanningen de gemeente heeft gepleegd om tot deze bijdrage te komen. ] 2. Indien subsidie wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub a dient in aanvulling op het eerste lid sprake te zijn: van een locatie waar stedelijke vernieuwing beoogd wordt; van een redelijk vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien subsidie wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub b of c dient in aanvulling op het eerste lid: de sanering noodzakelijk te zijn om een geplande stedelijke vernieuwing mogelijk te maken; sprake te zijn van een geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 1 van de Wet waarvan de sanering noodzakelijk is omdat de locatie niet voldoet aan de voor de stedelijke vernieuwing noodzakelijke bodemfunctieklasse Wonen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub a bedraagt ten hoogste 50% van de onderzoekskosten die zijn gebaseerd op de begrote onderzoekskosten zoals genoemd in de offerte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub b en sub c bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele saneringskosten die zijn gebaseerd op de begrote saneringskosten zoals genoemd in de offerte.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2. moet een aanvraag voor subsidie zijn ontvangen vóór 1 mei 2012.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij aanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvrager overlegt in afwijking van artikel 1.2.1. tweede lid bij de aanvraag: de gekozen offerte voor de werkzaamheden waarin een planning is opgenomen betreffende de start van de werkzaamheden; het dekkingsvoorstel voor de geoffreerde onderzoeks- of saneringskosten; een verslag van hoe de gemeente is gekomen tot cofinanciering van de onderzoeks- of saneringskosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien subsidie wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub c dient in aanvulling op het eerste lid te worden overlegd: het concept-saneringsplan voor de te saneren locatie; stukken waaruit voldoende aannemelijk is dat de plannen met betrekking tot stedelijke vernieuwing zullen worden gerealiseerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">113[Toelichting: Deze stukken zijn noodzakelijk voor de beoordeling van het criterium genoemd in artikel 5.2.5.3 lid 3 sub a. Een dergelijk stuk is bijvoorbeeld het Raadsbesluit over de plannen op die locatie. Tijdens vooroverleg met de provincie kan de locatie getoetst worden aan de criteria van deze subsidieverordening. Met de uitkomst van dit vooroverleg kan het Raadsbesluit onderbouwd worden. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verdelen het beschikbare bedrag naar evenredigheid over de subsidieaanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1. en 1.4.2. zijn de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend binnen een jaar na verlening van de subsidie conform de daarvoor in de Wet opgenomen voorschriften aangevangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.3. tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger op verzoek bij eerste subsidieverlening een voorschot van 10% van het verleende subsidiebedrag verlenen. Het aanvullende voorschot van 70% wordt uitgekeerd na aanvang van gesubsidieerde werkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien subsidie is aangevraagd als bedoeld in artikel 5.2.5.2. sub c overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.5.2. tweede lid of artikel 1.5.3. tweede lid bij de aanvraag tevens een voorontwerp bestemmingsplan voor de betreffende locatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.5.1. worden subsidies tot € 25.000 ambtshalve vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">114[Toelichting: Uitgangspunt is dat subsidies tot € 25.000 direct worden vastgesteld. Hiervan wordt in dit artikel afgeweken. In dit geval verlenen Gedeputeerde Staten wel eerst subsidie en wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld (zonder aanvraag van de subsidieontvanger). Een verleningsbesluit is nodig om verplichtingen op te leggen die de subsidieontvanger bij de uitvoering van de activiteit moet naleven. ] 2. Ambtshalve vaststelling vindt plaats binnen 22 weken na afloop van de activiteiten of het tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.2.6 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO): een groep particulieren, georganiseerd in een vereniging of stichting, die in eigen met beheer, met zelfgekozen partners, zonder winstoogmerk, een (woning-) bouwproject ontwikkelt en realiseert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken aan: a. een groep particulieren voor activiteiten ter voorbereiding van een eigen woningbouwproject. b. een gemeente voor het inhuren van externe deskundigheid dat leidt tot vergroting van interne deskundigheid en/of voor het stimuleren van concrete activiteiten zoals genoemd in sub a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.2.6.2. sub a moet voldoen aan de volgende criteria: a. De groep particulieren is georganiseerd in een vereniging of stichting. b. Het woningbouwproject van de groep particulieren bestaat uit minimaal 3 woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.6.2. sub a bedraagt maximaal € 2.500,-- per woning tot maximaal € 25.000,-- per project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5.2.6.2. sub b bedraagt maximaal 50% van de kosten tot maximaal € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.1.5. derde lid zijn de voorbereidingskosten subsidiabel indien op het moment van de aanvraag voor subsidie de feitelijke bouw van het CPO-project waarvoor subsidie wordt aangevraagd nog niet is gestart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2. wordt een subsidie van € 25.000,-- direct vastgesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.3 Ruimtelijke kwaliteit</h3>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.1 Algemeen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Ruimtelijke kwaliteit: het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat mens, plant en dier belangrijk is. b. Groene kwaliteit: de kwaliteit van het buitengebied met een grote verscheidenheid aan woon-, werk-, geniet- en natuurlandschappen. De groene kwaliteit heeft betrekking op het grondgebied buiten en rond steden, dorpen en de hoofdinfrastructuur. c. Rode kwaliteit: de ruimtelijke kwaliteit van de stedelijke omgeving, het bestaande gebouwde gebied van steden, dorpen, kernen en hoofdinfrastructuur. d. Rood/groen/blauwe kwaliteit: de ruimtelijke kwaliteit in gebieden waar rode, blauwe en groene functies samenkomen. Dit zijn gebieden met een verwevenheid van landbouw, natuur en andere maatschappelijke doelen, veelal de stads- en dorpsrandzones.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan het criterium dat het project of projectonderdeel van provinciaal belang is en moet bijdragen aan de kwaliteitsambities in het kader van de Omgevingsvisie Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen over aanvragen van gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt door een gemeente ingediend conform het format zoals besproken in het Investeren met Gemeenten traject tussen gemeenten en provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subparagrafen vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 moet de subsidieontvanger aan de volgende verplichtingen voldoen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De gemeente overlegt jaarlijks een schriftelijke voortgangsrapportage met betrekking tot de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten aan de hand van de in het format opgenomen tussenresultaten per jaar en de daaraan gekoppelde investeringen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Uitvoering van het project of projectonderdeel start voor januari 2012.</div>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.2 Kwaliteitsimpuls Groene kwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. Groen blauwe raamwerken: netwerken van natuurlijke en waterelementen, vaak de ruggengraat van bredere landschappelijke ontwikkelingen en de versterking van recreatieve structuren en elementen, zoals natuurlijke en landschappelijke casco's. b. Landschapsstructuren: een ensemble van zowel aardkundige, groene en/of blauwe elementen in het landschap die de wordingsgeschiedenis van de plek duiden. c. Groene omgeving: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied; d. Groen/blauw project: project dat gericht is op het versterken en/of aanvullen van de groene en water elementen in het landschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de groen blauwe raamwerken en landschapsstructuren zo mogelijk gecombineerd met versterking van de leefbaarheid, toegankelijkheid en recreatieve structuren en elementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.2.2 moet in aanvulling op artikel 5.3.1.2 voldoen aan de volgende criteria: a. het betreft een concreet groen/blauw project of projectonderdeel; b. het project vindt plaats in stads- en dorpsrandgebieden of in de Groene Omgeving; c. groen/blauwe raamwerken en delen daarvan, zijnde landschapsstructuren en elementen, worden versterkt; d. het betreft een integrale opgave waarbij bundeling van één of meerdere provinciale doelen plaatsvindt; e. bij gebiedsontwikkeling heeft het project een duidelijke aanvulling op de basisinvestering ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 2.6.1. Omgevingsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.2.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.3 Kwaliteitsimpuls Rode Kwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: a. transformatie/herstructurering: het proces waarbij verouderde woonwijken of bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht waarbij de bestaande functie wordt omgezet naar een andere functie. b. parel: bijzondere bestaande en nieuwe ruimtelijke identiteitsdrager in het landelijke en stedelijke gebied variërend van een object tot wijkniveau met een bovenlokale/regionale uitstraling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. transformatie of herstructurering van stedelijke gebieden, ruimten en objecten; b. transformatie of herstructurering van dorpsgebieden/ kernen/ knopen / linte; c. ruimtelijke initiatieven of ontwikkelingen van rood naar roodgroen of groen; d. ruimtelijke ontwikkeling van parels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 sub a en b voldoen aanvullend op artikel 5.3.1.2. aan de volgende criteria: behoud door ontwikkeling van ruimtelijke plaatsgebonden bijzondere karakteristieken; behoud door ontwikkeling van de ruimtelijke diversiteit en eigenheid gecombineerd met zuinig ruimtegebruik en programmatische diversiteit; gericht op ruimtelijke/programmatische en maatschappelijke imagoversterking en kwaliteitsverbetering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 sub c voldoet aanvullend op artikel 5.3.1.2. aan de volgende criteria: er moet sprake zijn van een significante toename van groene/openbare ruimte;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 sub d voldoet aanvullend op artikel 5.3.1.2. aan de volgende criteria: behoud door ontwikkeling van ruimtelijk plaatsgebonden bijzondere karakteristieken; er moet sprake zijn van een regionale uitstraling en een levensvatbaar en duurzaam initiatief.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.3.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subparagraaf 5.3.4 Kwaliteitsimpuls Rood/groen/blauwe kwaliteit (randzones)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze subparagraaf wordt verstaan onder: stads en dorpsranden: multifunctionele/gemengde gebieden in de overgang tussen stad en land.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het uitvoeren van een ontwikkelvisie voor stads- en dorpsranden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.3.4.2 voldoet aanvullend op artikel 5.3.1.2 aan de volgende criteria: a. de ontwikkelvisie is gericht op behoud door ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van stadsranden; b. de uitvoering geschiedt op basis van een integrale visie op het stadsrandgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie als bedoeld in artikel 5.3.4.2 bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.4 Ontwikkelen van woonzorgzones (pMJP 4.1.2)</h3>\n<p class=\"lf-p\">115[Toelichting: De gemeenten worden, via subsidie voor de ontwikkeling van woonzorgzones, ondersteund in het proces bij het opstellen van integrale woonplannen, waarin naast het wonen ook de terreinen zorg en welzijn dienen te worden meegenomen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. woonzorgzones: een wijk of een dorp, of een deel daarvan, waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg en welzijn, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg; b. proceskosten: eenmalige activiteiten en kosten die gelieerd zijn aan het proces; c. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; d. gebiedsprogramma: jaarlijks voortschrijdend meerjarenprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 tot uitvoering van het pMJP in een gebied. Het programma wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. het opstellen van een masterplan woonzorgzones waarin aangegeven is waar de zones in de gemeente worden ontwikkeld; b. proceskosten in verband met het ontwikkelen van een woonzorgzone.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor subsidie voldoet aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente; b. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1; 116[Toelichting: In paragraaf 9.1 ligt de basis voor de beoordeling van subsidieaanvragen in het kader van het pMJP en het gebiedsprogramma.] c. er is sprake van cofinanciering door andere gemeenten of participanten; d. de ontwikkeling van woonzorgzones sluit aan op en wordt nader uitgevoerd in het kader van het gemeentelijk woon-/welzijnbeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">117[Toelichting: Het moet gaan om proceskosten en dus niet om fysieke kosten. Zo zijn bijvoorbeeld kosten van bouwmateriaal voor woonzorgcomplexen uitgesloten. ] De subsidie bedraagt maximaal € 42.667,-- per gemeente, waarvan maximaal 50% aangewend wordt voor proceskosten als bedoeld in artikel 5.4.2 sub b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.5. Kulturhusen (pMJP 4.1.1)</h3>\n<p class=\"lf-p\">118[Toelichting: De kern van deze regeling is het geven van een impuls aan de vitaliteit en leefbaarheid in (kleine) kernen door het investeren in basisvoorzieningen. We spreken van een impuls indien door de investering nieuwe activiteiten of voorzieningen kunnen worden toegevoegd en/of nieuwe doelgroepen gebruik kunnen maken van de voorzieningen.Deze subsidieregeling is vraaggericht opgesteld en geeft geen voorwaarden aan ten aanzien van de spreiding van voorzieningen over de gemeenten of provincie. Dit houdt in, dat in één gemeente meerdere kulturhusen gesubsidieerd kunnen worden.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. kulturhus: een openbaar toegankelijke voorziening, waarin diensten worden aangeboden op minimaal drie van de gebieden van welzijn, sport, cultuur, educatie, zorg, maatschappelijke dienstverlening en commerciële dienstverlening; b. haalbaarheidsonderzoek: een onderzoek naar de financiële en inhoudelijke haalbaarheid van de bouw, verbouw en exploitatie van een kulturhus; c. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied; d. gebiedsprogramma: jaarlijks voortschrijdend meerjarenprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 tot uitvoering van het pMJP in een gebied. Het programma wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">119[Toelichting: Een Kulturhus hoeft niet perse te bestaan uit één gebouw, maar kan ook bestaan uit meerdere gebouwen, een openluchtlokatie of een combinatie daarvan. Het concept kulturhus dient dan tot uitdrukking te komen door de gezamenlijke programmering en gezamenlijk beheer, waarbij onverminderd de criteria uit artikel 5.5.3 van kracht blijft. Sectorale basisvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de renovatie of aanpassing van peuterspeelzalen of een verenigingsgebouw van een tennisvereniging komen op basis van deze definitie niet voor subsidiëring in aanmerking. Reguliere onderhouds- en exploitatiekosten, waaronder (aanvullende) maatregelen die op basis van wettelijke bepalingen moeten worden genomen, komen nadrukkelijk niet voor subsidie in aanmerking. Kulturhusen waarin in het verleden reeds een bijdrage is verstrekt door de provincie Overijssel ten behoeve van de bouw of verbouw, komen niet nogmaals in aanmerking voor een subsidie.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor: a. een haalbaarheidsonderzoek; b. de bouw of verbouw van een kulturhus; c. experimenten die bijdragen aan kennis en ervaring voor het ontwikkelen van toekomstbestendige kulturhusen; d. het leveren van een extra impuls aan de gezamenlijke programmering of het gezamenlijke beheer van een kulturhus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-553\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor een subsidie voor een haalbaarheidonderzoek als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a voldoet aan de volgende criteria: er is voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de aanvragende gemeente; [vervallen] het haalbaarheidsonderzoek moet inzicht geven in de volgende aspecten: de financiële haalbaarheid van de bouw/verbouw; de exploitatie van het kulturhus in de eerste 5 jaren na realisatie van de bouw of verbouw; mate van burgerparticipatie en draagvlak onder de lokale bevolking in de voorbereidende fase, opstartfase en exploitatiefase; afstemming tussen behoeften van de lokale bevolking op (middel)lange termijn en aanbod van het te verbouwen of op te richten kulturhus; indien er sprake is van verbouwing van een bestaande voorziening wordt aangetoond dat er substantieel nieuwe activiteiten worden ontplooid of dat nieuwe doelgroepen worden bereikt of dat, zonder deze impuls, voorzieningen uit de kern dreigen te verdwijnen. de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor een subsidie voor de bouw en verbouw van een kulturhus als bedoeld in artikel 5.5.2 sub b voldoet aan de volgende criteria: de aanvraag voldoet aan de bepalingen genoemd in paragraaf 9.1; de aanvrager is een Overijsselse gemeente; het kulturhus ligt in een kern, niet zijnde de stadskern van Zwolle, Deventer, Enschede, Hengelo en Almelo; er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, tenminste door de aanvragende gemeente; er is een haalbaarheidsonderzoek bijgevoegd als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a en deze is op alle genoemde punten positief;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor experimenten als bedoeld in artikel 5.5.2 sub c voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een rechtspersoon; het project is innovatief; de resultaten van het project zijn overdraagbaar aan andere kulturhusen. In het projectplan wordt aangegeven hoe de projectuitvoerder actief zal bijdragen aan deze overdracht; bij experimenten met commerciële partijen dient het project aantoonbaar een bijdrage te leveren aan de duurzame exploitatie van kulturhusen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Een aanvraag voor gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering als bedoeld in artikel 5.5.2. sub d voldoet aan de volgende criteria: 120[Toelichting: Het ontwikkelen van gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het oprichten van een Stichtingsbestuur met statuten, het vrijmaken van medewerkers voor het opzetten en ontwikkelen van een gezamenlijk beheer of gezamenlijke programmering, een gezamenlijke (meerjarige) begroting, enz. Het indienen van een gezamenlijk activiteitenplan alleen is niet voldoende. Wij adviseren tijdens het haalbaarheidsonderzoek specifiek aandacht te besteden aan de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering.] de aanvrager is een rechtspersoon; de activiteiten dragen aantoonbaar bij aan het ontwikkelen van gezamenlijk beheer en/of gezamenlijke programmering van het betrokken kulturhus; er is in het verleden geen provinciale subsidie van 500.000 gulden ontvangen voor het betreffende kulturhus.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-554\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a en d, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met als maximum subsidiebedrag € 25.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2. sub b, bedraagt driemaal de gemeentelijke bijdrage, tot maximaal 50% van de subsidiabel kosten met als maximale subsidie € 100.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2. sub c, bedraagt maximaal € 40.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-555\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor de subsidie als bedoeld in artikel 5.5.2 sub a geldt in aanvulling op artikel 1.1.5 eerste lid dat:</div>\n<p class=\"lf-p\">Alleen de directe loonkosten inclusief sociale lasten, maar exclusief overhead, subsidiabel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gemeente zelf het haalbaarheidsonderzoek uitvoert, kunnen eigen uren worden opgevoerd. De gemeente toont dan expliciet aan dat deze uren specifiek gemaakt zijn ten behoeve van de pMJP-prestatie en anders niet zouden zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden die ook het algemeen belang dienen of als regulier/gangbaar kunnen worden aangemerkt, zijn niet subsidiabel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor de subsidie als bedoel in artikel 5.5.2 sub b geldt in afwijking van artikel 1.1.5 eerste lid, dat:</div>\n<p class=\"lf-p\">De investeringskosten in bouw of verbouw van het kulturhus en met de bouw of verbouw samenhangende aard- en nagelvaste inventaris, en onkosten(vergoedingen) die gemaakt worden door of voor vrijwilligers subsidiabel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfwerkzaamheid bij de (ver)bouw is niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">121[Toelichting: De zelfwerkzaamheid kan niet opgevoerd worden binnen de financiële dekking van de aanvraag. Zelfwerkzaamheid kan weliswaar inzichtelijk gemaakt worden door de bespaarde kosten af te trekken binnen het lastenoverzicht. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-556\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.6 Dorpsplanplus (DOP+)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder een dorpsplanplus wordt verstaan een dorpsagenda met een uitvoeringsplan. In de agenda staan de wensen en behoeften voor de komende jaren. Het uitvoeringsplan is een lijst van uitvoeringsgerede projecten die voortkomen uit de agenda.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">122[Toelichting: Daar waar de gemeente verantwoordelijk is voor het lokale beleid ten aanzien van welzijn en leefbaarheid, kan de provincie meerwaarde leveren door de verknoping van het lokale met het regionale/provinciale beleid en de bevordering van een integrale aanpak van maatschappelijke knelpunten. Hiertoe is in samenwerking met de provinciale steuninstellingen de DOP+-regeling ontwikkeld om op basis van burgerparticipatie knelpunten en kansen aan te pakken. ] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het maken van een integraal dorpsplan via de DOP+-regeling, waarin samenhangende knelpunten of kansen binnen een dorpskern worden aangepakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">123[Toelichting: Conform de bestuurlijke afspraken is het provinciebeleid complementair aan het gemeentelijke beleid. Dit impliceert dat de provincie slechts dan financiert wanneer de gemeente achter het DOP+ staat. Gezien de verantwoordelijkheid en taken van de gemeente heeft een DOP+ ook alleen zin wanneer de gemeente bereid is een bijdrage te leveren. ] Een aanvraag voor subsidie moet voldoen aan de volgende criteria: a. Aanvrager is een Overijsselse gemeente. b. Het dorpsplan heeft betrekking op een kern tussen 500 en 4.000 inwoners. 124[Toelichting: De integrale dorpsplannen hebben het doel om de lokale dynamiek te behouden en te versterken. Daarbij is het van belang dat gekeken wordt naar de haalbaarheid van de te ontwikkelen visie en uitvoeringsprogramma. Om te voorkomen dat het proces te complex wordt en het schaalniveau zich niet leent voor toepassing van de dop+ systematiek, wordt vooralsnog vastgehouden aan de norm van min. 500 en max. 4.000 inwoners.] c. Met behulp van de hiertoe ontwikkelde Toolkit wordt de bevolking uitgedaagd en gestimuleerd een bijdrage te leveren aan het dorpsplan en de uitvoering. 125[Toelichting: De Toolkit is een verzameling van beproefde methodieken, die door de Overijsselse steuninstellingen is ontwikkeld en waarmee een grote mate van burgerparticipatie wordt gewaarborgd. Indien geen gebruik gemaakt wordt van één van deze methoden dient aannemelijk gemaakt te worden dat eenzelfde mate van burgerparticipatie met de wel gebruikte methode is bereikt.] d. Het resultaat van de DOP+ is een korte ontwikkelingsvisie met een uitvoeringsprogramma (UP). Toelichting: Het UP bestaat uit een aantal uitvoeringsgerede projecten. Dat wil zeggen dat het projectvoorstel is voorzien van een probleemeigenaar (trekker), financieringsplan, plan van aanpak en tijdpad. Tevens dienen de projecten obstakelvrij te zijn of op korte termijn te kunnen worden gemaakt. e. De dop+-systematiek betreft een integrale aanpak, waarbij de sociale, economische en fysieke pijlers in kaart zijn gebracht. 126[Toelichting: De provinciale meerwaarde vertaalt zich in het integraal benaderen van de meervoudige problematiek. Dit betekent dat de aanpak zich richt op knelpunten en kansen op zowel fysiek, economisch, sociaal als cultureel vlak.] f. Er wordt specifieke expertise ingezet voor het aanpakken van knelpunten en kansen uit elk van de drie pijlers. 127[Toelichting: Bewoners bepalen in onderling overleg welke knelpunten er binnen hun dorpsgemeenschap liggen. Tevens geven zij aan in welke richting zij naar oplossingen willen zoeken. Ingehuurde expertise vanuit diverse disciplines levert de bouwstenen en mogelijkheden om hen hierbij in staat te stellen daadwerkelijk keuzes te kunnen maken. Als de gemeente eigen uren opvoert, zal expliciet moeten worden aangetoond dat deze uren specifiek zijn gemaakt tbv de pMJP-prestatie (en anders niet zouden zijn gemaakt). Werkzaamheden die ook het algemeen belang dienen of als regulier/gangbaar kunnen worden aangemerkt, zijn niet subsidiabel. Alleen de directe kosten (loon/salaris incl. sociale lasten, maar excl. overhead) kunnen als subsidiabele kosten worden aangemerkt. Wij merken voor de volledigheid op dat gemeenten, indien zij zelf het dop+ traject uitvoeren, onverminderd moeten voldoen aan artikel 8.116 lid 3.]</p>\n<p class=\"lf-p\">g. Gedurende vier jaar of tot de uitvoering van het UP is afgerond wordt er een aantoonbare inspanning geleverd om het UP uit te voeren. De gemeente dient binnen een jaar na oplevering van het DOP+ een tussenrapportage in over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het DOP+. 128[Toelichting: De DOP+-visie behelst het uitgangspunt dat de provincie middelen beschikbaar stelt (maximaal 2/3 tot een maximum van € 35.000,--. De subsidie is bedoeld voor planvorming, voor aanjagen van de uitvoering (bij voorkeur door een externe projectleider.. Vaak blijven plannen liggen omdat er niet direct een probleemeigenaar voorhanden is. De projectleider spreekt partijen aan om er voor te zorgen dat projecten doorgang (blijven) vinden.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-564\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 67% van de subsidiabel kosten tot een maximum subsidiebedrag van € 35.000,-- per integraal dorpsplan en wordt besteed aan het bij artikel 5.6.3, onder sub f en sub g, bedoelde inzet van expertise en het nazorgtraject.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-565\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.7 Herstructurering van bedrijventerreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-571\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Bedrijventerrein: een terrein van minimaal één hectare, dat in gebruik is door twee of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening. Daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca. 129[Toelichting: Het moet gaan over een terrein ouder dan tien jaar gerekend vanaf het moment van eerste bedrijfsvestiging. Het betreffende bedrijventerreinen moet voorts opgenomen zijn in het Meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015.] b. Kwaliteitsscan: een systematische beoordeling van de aanwezige kwaliteit op een bedrijventerrein, als onderdeel van het kwaliteitsscoresysteem. 130[Toelichting: Een kwaliteitsscan vindt plaats door middel van een systematische beoordeling van de aanwezige kwaliteit op een bedrijventerrein. De scan is een onderdeel van het kwaliteitsscoresysteem. Dit systeem wordt door Gedeputeerde Staten als een gekwalificeerd systeem beschouwd. Deze moet zijn geborgd in een onafhankelijke stichting. De scan vindt plaats in opdracht van het gemeentebestuur. Door middel van objectieve en toetsbare criteria volgen vanuit de toepassing van dit systeem, de scores met betrekking tot de kwaliteit op de diverse relevante aspecten. Dit leidt tot het geven van één of meer sterren, naar analogie van het hotel-classificatiesysteem. Vervolgens worden door middel van een kansenkaart aanbevelingen gedaan en de concrete activiteiten benoemd, die moeten worden getroffen om een hogere en duurzamere kwaliteit van het bedrijventerrein te bereiken. Dit instrument scherpt de discussies aan tussen de gemeente en de ondernemers over het te bereiken kwaliteitsniveau van een bedrijventerrein. Voorafgaand aan de opstelling van een herstructureringsplan, vindt de scan plaats als nul-meting. Na uitvoering van het herstructureringsproject wordt de kwaliteit als gevolg van de genomen maatregelen, opnieuw met een scan bepaald. Hiermee vindt monitoring van de kwaliteit plaats.] c. Herstructureringsplan: het plan bevat de visie(s) met betrekking tot de herstructurering van het betreffende bedrijventerrein. Het is de nadere uitwerking op uitvoeringsniveau, van de te nemen concrete activiteiten in de publieke ruimte en het daarbij behorende financieringsplan en de planning. 131[Toelichting: Een herstructureringsplan komt tot stand in overleg tussen het gemeentebestuur en de ondernemers of de ondernemersvereniging. Het plan wordt door het gemeentebestuur vastgesteld. Het plan is (mede) gebaseerd op de daaraan voorafgaande kwaliteitsscan. Het plan bevat de visie(s) met betrekking tot de herstructurering van het betreffende bedrijventerrein. Het aspect duurzaamheid, waaronder ruimtewinst, maar ook het aspect ruimtelijke kwaliteit, wordt in het plan zichtbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herstructureringsplan is de nadere uitwerking op uitvoeringsniveau, van de te nemen concrete activiteiten en het daarbij behorende financieringsplan (inclusief kosten, c.q. exploitatiebegroting). Als het herstructureringsplan zowel werkzaamheden in de publieke ruimte als in de private sector omvat, dan worden deze in samenhang in het plan beschreven en in samenhang uitgevoerd. Het plan bevat voorts een overzicht van subsidieabel geachte kosten, waarover - via vooroverleg tussen gemeente en provincie - overeenstemming bestaat. Dit overzicht dient ter bepaling van de prestaties in de beschikking tot subsidieverlening. Het overzicht is tevens basis voor de beoordeling van geleverde prestaties ten behoeve van de vaststelling van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het plan blijkt dat alle bij het herstructureringsproject betrokken partijen de uitvoering ervan onderschrijven. Het herstructureringsplan bevat voorts een plan van aanpak om het met de herstructurering bereikte kwaliteitsniveau te borgen. Dat kan zijn door middel van afspraken tussen gemeente en bedrijven over beheer en onderhoud, het structureel beheer. Ook kan dat plaatsvinden door middel van parkmanagement. Als het herstructureringsplan ook werkzaamheden bevat in de private sector, dan worden de werkzaamheden in de publieke ruimte en die in de private sector in samenhang in het herstructureringsplan beschreven en in samenhang uitgevoerd. Voor zover (de) initiatiefnemer(s) bij het project een betrokkenheid wensen van de HMO, bevat het herstructureringsplan de gemotiveerde reden(en) hiertoe.] d. Publieke ruimte: de fysieke ruimte die het domein is van de overheid en door haar wordt beheerd. e. Structuurvisie: een gemeentelijke structuurvisie op basis van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (nWro). De paragraaf Bedrijventerreinen bevat een samenhangende en zorgvuldige beleidsvisie voor de lange termijn voor bedrijventerreinen. f. Herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein waarvan de economische functie behouden blijft, die tot doel hebben veroudering van het terrein als geheel te bestrijden, en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-572\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijventerreinen, opgenomen in het meerjarenprogramma Vitale Bedrijvigheid 2009-2015, betreffende de volgende activiteiten: a. het uitvoeren van een kwaliteitsscan; 132[Toelichting: De uitvoering van de kwaliteitsscan komt voor subsidiëring in aanmerking als deze op grond van de regeling vereist is. Vereist in die zin dat deze vooraf moet gaan aan een herstructureringsplan waarvoor subsidie wordt gevraagd. De scan wordt uitgevoerd conform de systematiek van het kwaliteitsscoresysteem. Het gaat hier om de eerste nul-meting, ter voorbereiding van de opstelling van het herstructureringsplan. Voor die scan kan subsidie worden aangevraagd. Ook moet er een (monitoring)scan worden uitgevoerd, nadat het herstructureringsproject is afgerond. Voor deze scan geldt ook dat deze volgens de door de provincie Overijssel gehanteerde kwaliteitsscoresystematiek wordt uitgevoerd. De monitoringsscan is gekoppeld aan de aanvraag voor vaststelling van de subsidie voor het uitvoeren van het herstructureringsplan. Voor deze scan vervalt de subsidiemogelijkheid, omdat de kosten ervan geheel voor rekening van de provincie komen.] b. het opstellen van een herstructureringsplan; 133[Toelichting: Het herstructureringsplan is (mede) gebaseerd op de kwaliteitscan. In de toelichting op het begrip herstructureringsplan wordt op de bedoeling en inhoud van het plan ingegaan.] c. het uitvoeren van een herstructureringsplan; 134[Toelichting: Een herstructureringsproject mag geen eindeloos aantal jaren doorlooptijd hebben. De termijnen vereisen van initiatiefnemers een voortdurende actieve opstelling met betrekking tot de doorlooptijd van het proces. Om die reden is ook subsidie voor procesmanagement mogelijk gemaakt. De maximale termijn voor de uitvoering van een herstructureringsproject is vastgesteld op 6 jaar.] d. project- en procesmanagement. 135[Toelichting: Het onderdeel project- en procesmanagement vormt in de praktijk nogal eens een zwakke schakel. Hierdoor komen herstructureringsprojecten niet van de grond, of hebben een erg lange doorlooptijd. Om ook hierin verbetering te brengen bieden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om hiervoor een subsidie te verkrijgen.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-573\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub a moet voldoen aan het criterium dat het alleen de door de provincie Overijssel gehanteerde kwaliteitsscoresystematiek betreft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Het herstructureringsplan moet gebaseerd zijn op een actuele kwaliteitsscan;</p>\n<p class=\"lf-p\">De opstelling van de kwaliteitsscan en de opstelling, respectievelijk de uitvoering van het herstructureringsplan lopen niet teveel in tijd uiteen;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub c, moeten voldoen aan de volgende criteria: er moet een door het gemeentebestuur vastgesteld herstructureringsplan aan de uitvoering van de herstructurering van het bedrijventerrein ten grondslag liggen. Het herstructureringsplan is in overeenstemming met de provincie opgesteld; de kosten voor werkzaamheden, als vermeld in het herstructureringsplan, hebben uitsluitend betrekking op werkzaamheden in de publieke ruimte; de begroting van de werkzaamheden van de uitvoering van het herstructureringsplan is na de verlening van de provinciale subsidie sluitend; met de uitvoeringswerkzaamheden van het herstructureringsplan moet zijn begonnen binnen 9 maanden na de vaststelling van het herstructureringsplan; over de voortgang van de uitvoering van de werkzaamheden van het herstructureringsplan rapporteert het gemeentebestuur eenmaal per jaar aan Gedeputeerde Staten; de uitvoering van de werkzaamheden van het herstructureringsplan zijn afgerond binnen 6 jaar na verlening van de subsidie. Na afronding moet een (monitoring)scan worden uitgevoerd. 136[Toelichting: Onder \"met de uitvoeringswerkzaamheden moet zijn begonnen\", wordt het volgende verstaan. De werkzaamheden moeten niet alleen zijn aanbesteed en gegund, maar ook daadwerkelijk zijn gestart. Die start mag geen pro forma karakter hebben, maar moet werkzaamheden betreffen, die een fysieke betekenis hebben en een continu karakter. Bodemonderzoek valt daar bij voorbeeld niet onder.] 4. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub d is gericht op de activiteiten als bedoeld in artikel 5.7.2 eerste lid, sub b en c.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b, c en d kan worden ingediend door gemeenten die een paragraaf Bedrijventerreinen in de gemeentelijke structuurvisie hebben opgenomen, dan wel een ander document met een gelijkwaardige status.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie voor het uitvoeren van een kwaliteitsscan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub a bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 5.000,-- per kwaliteitsscan per bedrijventerrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor het opstellen van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor het uitvoeren van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub c bedraagt € 50.000,-- per ha van het totale herstructureringsproject, als opgenomen in het herstructureringsplan. De subsidie bedraagt in totaal ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 500.000,-- per bedrijventerrein.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De subsidie voor project- en procesmanagement als bedoeld in artikel 5.7.2 sub d bedraagt 50% van de kosten met een maximum van € 50.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-574a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.4a</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-575\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.5 derde lid zijn de volgende kosten niet subsidiabel: a. interne kosten; b. verrekenbare belastingen, BTW, heffingen of lasten, waaronder kosten van aanleg/herstel/vervanging van riolering; c. rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten; d. afschrijvingskosten; e. kosten van planschade; f. kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering; g. kosten van werkzaamheden die tot het reguliere onderhoud worden gerekend; h. de aanleg of verbetering van bovenwijkse infrastructuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-576\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag voor subsidie voor het opstellen en uitvoeren van het herstructureringsplan als bedoeld in artikel 5.7.2 sub b en sub c tevens: a. de uitgevoerde kwaliteitsscan die ten grondslag ligt aan de opstelling van het herstructureringsplan, respectievelijk de uitvoering van dat plan; b. de door het gemeentebestuur in de vastgestelde structuurvisie opgenomen paragraaf Bedrijventerreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-577\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.3 tweede lid verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening: a. voor het opstellen van het herstructureringsplan een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag; b. voor het uitvoeren van het herstructureringsplan een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag, als met de uitvoeringswerkzaamheden van het herstructureringsplan is begonnen en de gemeente daarvan de provincie schriftelijk mededeling heeft gedaan; c. voor project- en procesmanagement een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag, als de projectmanager met de feitelijke werkzaamheden is gestart en de gemeente daarvan de provincie schriftelijk mededeling heeft gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-578\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoedingsplicht bij vermogensvorming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de gevallen bedoeld in artikel 4:41 tweede lid Awb is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de provincie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-579\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2 tweede lid of artikel 1.5.3 tweede lid bij de aanvraag voor vaststelling voor het uitvoeren van het herstructureringsplan tevens de resultaten van de vooraf uitgevoerde kwaliteitsscan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Bijzondere bepalingen Innovatie</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.1 Economische Innovatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder samenwerkingsprojecten: projecten waarbij meerdere bedrijven, onderzoeks- of onderwijsinstellingen en/of overheden deel uitmaken van de samenwerking om een project uit te voeren en waarbij partijen een onderling overeengekomen inbreng leveren in geld en menskracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten en projecten die bijdragen aan: a. de actielijnen in het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland (PIDON), b. de uitvoering van de Twentse Innovatieroute, c. de Innovatieagenda Oost-Nederland (Kennisbeleid Oost) en Oost Nederland Maakt Het, d. het Operationeel Programma Oost-Nederland (GO Gebundelde Innovatiekracht) e. kennis- en innovatieprogramma Zwolle Kampen Netwerkstad/regio IJsselvecht, f. het Economisch Uitvoeringsprogramma Stedendriehoek ‘Stedendriehoek Onderneemt' g. het Interreg IV A-programma ‘Deutschland-Nederland' of Interreg IV B en C -programma's h. de Innovatiedriehoek Twente, i. het uitvoeringsprogramma Kennispark Twente en j. de vastgestelde pilots voor glasvezel in Zwolle, Steenwijkerland en Twente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten zijn gericht op het stimuleren van innovatieve processen of het versterken van de regionale infrastructuur, zoals verwoord in hoofdstuk 2, Economische Innovatie van het meerjarig Economisch Uitvoeringsprogramma 2008-2011 Overijssel werkt!</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient sprake te zijn van samenwerkingsprojecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen van individuele bedrijven voor individuele steun komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten en projecten conform artikel 6.1.2 sub b, sub e en sub f dienen bij te dragen aan het stimuleren van clusters en netwerken met een economisch rendement op regionaal of provinciaal niveau. Leidend voor het beoordelen van de aanvragen is de bijdrage van de activiteiten aan de ontwikkeling van de kennisdomeinen Voeding, Gezondheid en Technologie zoals vastgelegd in Kennisbeleid Oost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van medefinanciering van projecten of activiteiten in het kader van artikel 6.1.2 sub a, sub d of sub g, dan zijn de voorwaarden en voorschriften van de van toepassing zijnde regelgeving en programmadocumenten van kracht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvullend op het eerste lid moeten projecten conform artikel 6.1.2. sub f voldoen aan ten minste één van de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 80% van de kosten worden gemaakt door een partij of partijen gevestigd in Deventer, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van projectpartners buiten Deventer worden voor meer dan 80% ge(co)financierd door derden, zoals provincie Gelderland, Regio Stedendriehoek, of door partijen zelf, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">Projectpartner(s) buiten Deventer betreft/betreffen (een) onderwijs- of kennisinstelling(en), of;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer dan 80% van de kosten wordt in Overijssel gemaakt en betaald, en het project levert een bijdrage aan uitvoeringsprogramma S3H Onderneemt in combinatie met een van de andere economische programma's die in artikel 6.1.2. zijn genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.1.5. derde lid mogen projecten die eerst instemming van de in artikel 6.1.7. genoemde adviesorganen nodig hebben, kosten opvoeren vanaf het moment dat de projecten zijn geagendeerd voor de eerste bestuurlijke bespreking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.1.5. derde lid kunnen projecten, die op grond van een geheimhoudingsplicht pas na een door het samenwerkingsverband bepaald moment naar buiten mogen treden, de subsidiabele kosten met terugwerkende kracht tot een periode van maximaal 6 maanden voor indiening van de aanvraag opvoeren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.2 tweede lid wordt een aanvraag voor subsidie voor een jaarlijkse subsidie ingediend uiterlijk twee weken voor het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">137[Toelichting: Voor de betreffende projecten gelden de volgende adviesorganen:Sub a: projecten in het kader van het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta worden in behandeling genomen door Agentschap Nl te Den Haag. Hierdoor vallen deze projecten onder de rankingsregeling van het ministerie van EL&amp;I.Sub b: projecten in het kader van de Twentse Innovatieroute dienen instemming te hebben van het Innovatieplatform Twente en de Regio Twente.Sub d: projecten in het kader van GO Gebundelde Innovatiekracht dienen van een positief advies te zijn voorzien door de Stuurgroep prioriteit 1. Sub e: projecten in het kader van Zwolle Kampen Netwerkstad en regio IJsselvecht dienen instemming te hebben van de programmaraad Kennispoort Zwolle.Sub f: projecten in het kader van Stedendriehoek onderneemt dienen instemming te hebben van Bestuurlijk Economisch Platform Stedendriehoek. Sub i: projecten in het kader van Kennispark Twente dienen instemming te hebben van de Stuurgroep Kennispark Twente.] Gedeputeerde Staten leggen de aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 6.1.2 sub a, b, d, e, f en i ter advisering voor aan de desbetreffende adviesorganen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.2.1 tweede lid bij de aanvraag de gevraagde gegevens overeenkomstig het aanvraagformulier Economische Innovatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Ten aanzien van de gepubliceerde deelbudgetten voor clusters en netwerken Twente, Stedendriehoek en IJsselVecht wordt in het geval van dreigende onderuitputting op 1 september bepaald of binnen deze deelbudgetten overheveling plaats gaat vinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten weigeren de subsidie als minder dan € 50.000,-- aan subsidie zal worden verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoedingsplicht bij vermogensvorming</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In de gevallen bedoeld in artikel 4:41 tweede lid Awb is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan de provincie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De hoogte van de vergoeding is maatwerk en zal per van toepassing zijnd project worden vastgesteld en in de subsidieverlening worden vastgelegd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en 1.4.2 voert de subsidieontvanger een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit ten allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem gemaakte en betaalde kosten, aangegane verplichtingen en verrichte betalingen en de eventueel aan het project toe te rekenen opbrengsten kunnen worden afgelezen en gespecificeerd overeenkomstig de gehonoreerde subsidiabele kostensoorten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.2 Operationeel Programma EFRO 2007-2013; GO-Oost Nederland</h3>\n<p class=\"lf-p\">138[Toelichting: Het GO programma is een Europees subsidieprogramma dat wordt uitgevoerd door de managementautoriteit Oost-Nederland. De managementautoriteit wordt gevormd door de leden van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, gezamenlijk.Voor nadere voorwaarden en het indienen van een aanvraag voor subsidie kunt u terecht bij: Managementautoriteit Oost-Nederland, Postbus 9090, 6800 GX Arnhem; www.go-oostnederland.eu.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken aan projecten die passen binnen en die EFRO-cofinancieringsmiddelen ontvangen uit: het Operationeel programma EFRO 2007-2013 Regio Oost-Nederland, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie d.d. 27 juli 2007, nr. C(2007) 3724.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 6.2.1 moet voldoen aan de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Projecten moeten een EFRO-cofinanciering ontvangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De aanvraag dient te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor het Operationeel programma EFRO 2007-2013 Regio Oost-Nederland, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie d.d. 27 juli 2007, nr. C(2007) 3724.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kosten zijn subsidiabel indien deze voldoen aan de voorwaarden die gelden voor het Operationeel programma EFRO 2007-2013 Regio Oost-Nederland, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie d.d. 27 juli 2007, nr. C(2007) 3724.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Bijzondere bepalingen Verkeer, vervoer en wegen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7.1 Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">139[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten, maatregelen te treffen en de daarvoor bestemde middelen in te zetten. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over:1maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie;2en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. BDU: Brede Doeluitkering. b. Bestedingsplan BDU: een jaarlijks door Gedeputeerde Staten op te stellen plan waarin de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen zijn opgenomen. Het bestedingsplan bevat een verdeling van de BDU-middelen over: maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeer- en vervoerbeleid die worden uitgevoerd door de provincie;maatregelen met betrekking tot het gemeentelijk en intergemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband. maatregelen met betrekking tot het gemeentelijk en intergemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband. c. samenwerkingsverband: een aantal gemeenten die met betrekking tot een bepaald project samenwerking gaan zoeken en daarvoor gezamenlijk een aanvraag voor subsidie indienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen een jaarlijkse subsidie verstrekken voor het realiseren van: a. infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten of b. gedragsbeïnvloedingsprojecten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">140[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit de Omgevingsvisie Overijssel en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband.Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor gedragsbeïnvloedingsprojecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnenwordt als start van een project beschouwd.] Een aanvraag voor het realiseren van activiteiten als bedoeld in artikel 7.1.2 moet voldoen aan de volgende criteria: a. de aanvrager is een Overijsselse gemeente, een waterschap of een samenwerkingsverband in West-Overijssel b. het project past in de Omgevingsvisie Overijssel; c. het project past in het bestedingsplan BDU als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; d. het project is uitvoeringsgereed; e. ten aanzien van een aanvraag voor subsidie voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten geldt dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 100.000,-- bedragen;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">141[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verstrekken subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking.De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties die voorkomen op de laatst uitgegeven VOC-lijst Overijssel. Deze lijst is een gezamenlijke uitgave van de provincie Overijssel en de Regio Twente.] 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt: maximaal 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallen- concentratiepunten; maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor de overige infrastructuurprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor gedragsbeïnvloedingsprojecten bedraagt maximaal 75% van de projectkosten. 142[Toelichting: Projectkosten als bedoeld in het tweede lid van artikel 7.1.4 zijn kosten die worden gemaakt voor projecten zoals vermeld in het ‘aanvraagformulier subsidie gedragsbeïnvloeding' (educatielijst).] 3. Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde maximale subsidiepercentages.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.1.5 derde lid zijn de kosten voor vervanging, beheer en onderhoud niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">143[Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team RWB Mobiliteit van de provincie.Voorafgaand aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft wordt een subsidieplafond vastgesteld. Er is een samenhang met het vaststellen van een subsidieplafond (artikel 7.1.8) en de volgorde van behandeling (zie artikel 7.1.9). Indiening voor een bepaalde datum hangt logisch samen met de wens van het bestuursorgaan om een onderlinge afweging te maken (prioriteitsvolgorde, loting, verdeling naar evenredigheid). Indiening het hele jaar door hangt logisch samen met een behandeling in volgorde van ontvangst.] Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in artikel 1.2.2 tweede lid genoemde indieningstermijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">144[Toelichting: De aanvraagformulieren zijn op te vragen op www.overijssel.nl/subsidie. ] In aanvulling op artikel 1.2.1 eerste lid hebben Gedeputeerde Staten voor zowel infrastructurele- als gedragsbeïnvloedingsprojecten een aanvraagformulier vastgesteld die bij de aanvraag dient te worden overlegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-718\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het Bestedingsplan BDU vast, waarmee tevens het subsidieplafond voor verkeers- en vervoersprojecten wordt vastgesteld. Voor het subsidieplafond wordt een begrotingsvoorbehoud gemaakt. Als achteraf blijkt dat de beschikbare middelen afwijken van deze begroting, dan kan besloten worden het subsidieplafond aan te passen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-719\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">145[Toelichting: De in artikel 7.1.3 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een opsomming van duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor gedragsbeïnvloedingsprojecten. ] In afwijking van artikel 1.1.3 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die vóór 1 oktober zijn ontvangen en die voldoen aan de in artikel 7.1.3 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde die het best aansluit bij de bestedingsdoelen zoals genoemd in het jaarlijks vast te stellen Bestedingsplan BDU. Gedeputeerde Staten verstrekken de subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dat toestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.3 derde lid beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen 22weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 7.1.6 is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid wordt voor infrastructurele projecten een voorschot verleend in overeenstemming met de voortgang van het project, met een maximum van 90%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.3.3 derde lid wordt voor gedragsbeïnvloedingsprojecten bij het versturen van de beschikking een voorschot van ten hoogste 50% van het verleende subsidiebedrag uitbetaald.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleveren beleidsinformatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">146[Toelichting: Voor de verslaglegging c.a. van de gedragsbeïnvloedingsprojecten dient gebruik te worden gemaakt van het verantwoordingsformulier. Dit formulier is op te vragen op www.overijssel.nl/subsidie. ] De aanvrager overlegt binnen twee maanden na afloop van het subsidietijdvak wat betreft gedragsbeïnvloedingsprojecten een verslag van de geleverde (deel)prestaties en de kosten daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In aanvulling op de artikelen 1.4.1 en artikel 1.4.2 dient de subsidieontvanger voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten aan de hand van primaire documenten zichtbaar toezicht te houden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een infrastructureel project is pas gerealiseerd als een procesverbaal van oplevering heeft plaatsgevonden en er verificatie van oplevering ter plaatse is uitgevoerd.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen Milieu</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8.1 Duurzame energieopwekking en energiebesparing</h3>\n<p class=\"lf-p\">147[Toelichting: De ambitie van het programma Nieuwe Energie Overijssel is het aandeel nieuwe energie te vergroten naar 20% in 2020. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">148[Toelichting: Het protocol Monitoring energiebesparing 2010 is de vinden op de website http://www.ecn.nl/. ] b. Energieopwekking: duurzame energie opwekkingsvoorzieningen die het geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van energie uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken, zoals gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">149[Toelichting: Het protocol monitoring Hernieuwbare Energie 2010 is te vinden op de website http://www.agentschapnl.nl/. ] c. Engineerings-en voorbereidingskosten: de kosten die gemaakt worden voor een detailontwerp of voor het testen; d. Gebouwgebonden energiebesparing: maatregelen in of van de schil van een gebouw die leiden tot vermindering van energieverlies in dat gebouw; e. Vermeden primaire energie: de theoretische energie-inhoud bepaald op basis van een referentietechnologie, als bedoeld in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">150[Toelichting: De hoeveelheid vermeden primaire energie is de theoretische energie-inhoud van de conventionele energiedrager die men nu niet heeft hoeven gebruiken. De theoretische energie-inhoud wordt bepaald op basis van een referentietechnologie. De referentietechnologie is de conventionele methode waarmee dat energieproduct anders zou zijn opgewekt. Voor iedere referentietechnologie is het rendement bekend waarmee de primaire energiedrager wordt omgezet in een secondaire energiedrager, oftewel de energieproducten elektriciteit, warmte en (verschillende soorten) brandstof. De referentietechnologieën en rendementen staan beschreven in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2010. ] f. Investering: de aanschaf van duurzaam kapitaalgoed, zijnde een machine, installatie of een gebouw, die op de balans worden opgevoerd als vaste activa. Investeringen in gronden vallen niet onder deze definitie. Een kenmerk van een investering is dat het nut zich over meerdere jaren voor doet; g. Netto-investering: de kosten van een investering minus de opbrengsten; h. Opbrengsten: het vermeden primaire energiegebruik en de vergoeding voor de opgewekte energie over een periode van vijf jaar uitgedrukt in euro's. De berekening van de opbrengsten is gebaseerd op de in art. 8.1.1. sub a en b genoemde protocollen; i. Particuliere woningeigenaar: een particulier die voor 100% het eigendomsrecht heeft van het vastgoed met de bestemming wonen; j. EPC: Energieprestatiecoëfficiënt, coëfficiënt die de energieprestatie van een nieuwbouw woning of utiliteitsgebouw aangeeft. Deze coëfficiënt wordt berekend op basis van de gebouweigenschappen, de gebouwgebonden installaties en een gestandaardiseerd bewoners/gebruikersgedrag; k. Biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval (conform Richtlijn 2001/77/EG); l. De-minimisverordening: Verordening (EG) 1998/2006 PbEU L379/10 van de commissie van 15 december 2006, betreffende de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) op de-minimissteun.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-812\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen gericht op gebouwgebonden energiebesparing;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende investeringen:</div>\n<p class=\"lf-p\">Energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen te weten bio-energie, geothermie, wind- of waterenergie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Energiebesparing door de distributie van restwarmte naar de eindgebruiker.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen gericht op energieopwekking uit zonne-energie, ten behoeve van particuliere woningen en bedrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor investeringen gericht op de optimalisatie van bedrijfsprocessen waarbij energiebesparing optreedt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-813\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.1.2. moet voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">De investering dient in hoofdzaak, voor meer dan 50% van de subsidie, binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">151[Toelichting: De resultaten en effecten van de activiteiten dienen direct bruikbaar te zijn voor natuurlijke personen en rechtspersonen binnen de provincie Overijssel. Projecten dienen in hoofdzaak (&gt; 50% van de ingezette middelen) binnen de grenzen van de provincie Overijssel plaats te vinden. Het doel hiervan is om provinciegrensoverschrijdende samenwerking mogelijk te maken. ] De investering moet een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar na subsidieverlening;</p>\n<p class=\"lf-p\">152[Toelichting: Maatregelen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen worden in principe als ‘redelijk' beschouwd (zie ook de Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven door Infomil) en komen daarom niet in aanmerking voor subsidie. Hierbij kan gedacht worden aan warmtepompen. Ook houtkachels komen hierdoor niet altijd in aanmerking voor subsidie. ] Als er sprake is van een investering in biomassa, dan moet de biomassa voldoen aan de duurzaamheidscriteria voor biomassa ten behoeve van energiedoeleinden, zoals bedoeld in NEN NTA 8080:2009 nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verleende subsidie een steunmaatregel is, dan moet de subsidie voldoen aan artikel 2 van de de-minimisverordening.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvullend op het eerste lid moet de aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.1.2. eerste lid voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">De energiebesparende voorzieningen in de woningbouw moet leiden tot verbetering van meer dan 50 woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvragen voor energiebesparende voorzieningen voor nieuwbouw van utiliteitsgebouwen en van woningen bereiken tenminste een 25% lagere EPC dan wettelijk voorgeschreven op moment van aanvraag;</p>\n<p class=\"lf-p\">153[Toelichting: Voor de berekening van de EPC kan gebruik worden gemaakt van GPR Gebouw of Greencalc. ] Aanvragen voor energiebesparende voorzieningen in nieuwbouw van kantoren, woningen of scholen bereiken ten minste 25% lagere EPC dan volgens het Bouwbesluit noodzakelijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">154[Toelichting: Voor de berekening van de EPC kan gebruik worden gemaakt van GPR Gebouw of Greencalc. ] Energiebesparende voorzieningen voor bestaande gebouwen bereiken tenminste een energieprestatie van label A of label B bij minimaal 3 labelstappen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aanvullend op het eerste lid moet de aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.1.2. derde lid voldoen aan de volgende criteria: de productie van zonne-energie betreft zonne-energie met Photo-voltaïsche-panelen en bedraagt minimaal 100.000 Wattpiek geïnstalleerd vermogen; aan de activiteit doen minimaal 25 particuliere woningeigenaren of minimaal 15 bedrijven mee; er is geen subsidie verstrekt door een ander bestuursorgaan; de verschillende deelnemers van het project bevinden zich binnen een straal van zes km van elkaar; de oriëntatie van het dak waarop de Photo-voltaïsche-panelen worden geplaatst is tussen het zuid-oosten en het zuid-westen en er valt geen schaduw op dit dakgedeelte; het dak waar de Photo-voltaïsche panelen worden geplaatst bevat geen asbest.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-814\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 8.1.2. eerste lid, tweede en vierde lid, bedraagt ten hoogste 50% van de netto-investering met een maximum van € 199.000 per aanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 8.1.2. derde lid, bedraagt maximaal € 0,50 per Wattpiek geïnstalleerd vermogen en bedraagt ten hoogste 30% van de investering met een maximum van € 199.000 per aanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie voor een project dat uit een combinatie van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 8.1.2. bedraagt ten hoogste 50% van de netto-investering, danwel investering als bedoeld in artikel 8.1.2. derde lid, met een maximale subsidie van € 199.000 per aanvraag.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-815\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.1.5. eerste lid is voor subsidie op grond van artikel 8.1.2., eerste, tweede en vierde lid, de netto-investering subsidiabel. De subsidiabele kosten van de investering zijn de kosten van de aanschaf van een duurzame kapitaalgoed als bedoeld in artikel 8.1.1. onder f, alsmede de kosten voor het installeren van het kapitaalgoed en eventuele engineerings- en voorbereidingskosten waarbij geldt dat de kosten voor het installeren, de engineerings- en voorbereidingskosten in totaal maximaal 10% van de subsidiabele kosten bedragen. Interne loonkosten van de aanvrager, leverancier of deelnemer zijn niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-816\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">155[Toelichting: Het in de beoordeling van de aanvraag meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn verdraagt zich niet met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen die in het tendersysteem centraal staat. Uit de aard van het tendersysteem vloeit derhalve voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overlegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie dat neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag. Bij onvolledigheid van de aanvraag na de sluitingsdatum is er alleen ruimte voor het herstel van kleinigheden zoals een handtekening, een bankrekeningnummer, kamer van koophandel gegevens e.d., het moet gaan om informatie die niet inhoudelijk betrekking heeft op de beoordelingscriteria zoals opgenomen in deze subsidieparagraaf. De volledigheid/juistheid van de aanvraag is de verantwoordelijkheid van de aanvrager.] 1. In afwijking van artikel 1.2.2. geldt dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag ingediend kan worden vanaf 1 februari van het betreffende kalenderjaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag ontvangen moet zijn vóór 1 april van het betreffende kalenderjaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een onvolledige aanvraag voor subsidie kan na sluitingsdatum alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-817\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag tot subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1. overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens alle gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Duurzame Energieopwekking en energiebesparing. Indien de opbrengsten van de investering niet opgegeven zijn, bepalen Gedeputeerde Staten de opbrengsten door gebruik te maken van de Tabel energieprijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">156[Toelichting: Tabel energieprijzen Energieprijzen ; Bedrag ; Aardgas m3 (incl. 19% BTW); € 0,60; Elektriciteit kWh (incl. 19% BTW); € 0,23; Houtchips €/ton; € 40,00; Biomassa gedroogd €/ton; € 80,00; Groen gas m3 (geen SDE+); € 0,30; Groen gas m3 (SDE+); € 0,62; Bij de aanvraag moeten de gegevens en stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Duurzame energieopwekking en energiebesparing ingediend worden. Het betreft in ieder geval een projectplan met daarin opgenomen:1Een beschrijving van de investering gericht op energiebesparing en energieopwekking; 2Een samenvatting van kosten en opbrengsten en welke partijen in welke mate bijdragen aan de financiering; 3De berekening van de vermeden primaire energieverbruik uitgedrukt in Gigajoule; 4Een onderbouwing van de EPC, indien de aanvraag een gebouwgebonden investering betreft; 5Een onderbouwing van het huidige en nieuwe energielabel, indien de aanvraag een gebouwgebonden investering betreft; 6Onderbouwing van de 25% lagere EPC dan volgens de het bouwbesluit noodzakelijk, indien de aanvraag een gebouwgebonden investering betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook moeten onder andere de volgende bijlage worden meegestuurd:1Offertes ten behoeve van de investering; 2Kopie van de noodzakelijke vergunningen; 3Indien van toepassing, bewijsstuk waaruit de inkoop van biomassa blijkt; 4Een lijst van deelnemende particulieren, bedrijven of locaties, indien de aanvraag een investering gericht op opwekking van zonne-energie betreft; 5Een ingevulde de-minimisverklaring, indien de aanvrager een onderneming betreft. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-818\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-819\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Volgorde van behandeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">157[Toelichting: De regeling is gebaseerd op een ‘tendersysteem'. Dat houdt in dat alle aanvragen vóór een bepaald tijdstip moeten worden ingediend en gelijktijdig worden beoordeeld in welke mate ze voldoen aan de criteria van de regeling. De hoogst gerangschikte aanvragen worden vervolgens toegewezen voor zover het subsidieplafond dat toelaat. Gedeputeerde Staten zullen bij de beoordeling onder meer gebruik maken van externe advisering. De subsidieaanvragen worden gerangschikt onder meer op basis van de verwachte hoeveelheid vermeden primaire energie in Gigajoule per te subsidiëren euro.De bijdrage aan de doelen wordt beoordeeld op de bijdrage aan de vermindering van GJ fossiele brandstoffen ten opzichte van een opgave over de in het voorgaande jaar opgewekte en/of verbruikte energie op basis van fossiele brandstoffen, herhaalpotentieel voor het project en de kans dat dit wordt benut. Bij economisch risico kan worden gedacht aan de robuustheid van het perspectief van een technologie ten opzichte van de te verwachten kostprijsontwikkeling; de mate waarin het project leidt tot kostenbesparing ten opzichte van referentie technologie en de mate waarin marktverwachtingen realistisch zijn.] 1. In afwijking van artikel 1.1.3. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het subsidieplafond dit toelaat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvullend op het eerste lid geldt voor de subsidieaanvragen op grond van artikel 8.1.2. eerste, tweede en vierde lid dat de prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van de score die de investering haalt voor de volgende onderdelen:</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoeveelheid vermeden primaire energiegebruik in GigaJoule. De score wordt bepaald aan de hand van de Score tabel investeringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">158[Toelichting: Scoretabel investeringen Vermeden primaire energie GJ; GJ; GJ; Toekenning cijfer; van; tot; 10; 10.000; &gt;50.000; 8; 7.000; 10.000; 6; 4.000; 7.000; 4; 1.000; 4.000; 2; 0; 1.000; 0; 0; ; Vermeden primaire energie in GJ per te subsidiëren euro; €; €; Toekenning cijfer; van ; tot; 10; 0,20; &gt;0,20; 8; 0,10; 0,20; 6; 0,05; 0,10; 4; 0,03; 0,05; 2; 0,01; 0,03; 0; 0; 0,01; Combinatie subsidiabele activiteiten; ; ; Toekenning cijfer; ; ; 10; 4; ; 8; 3; 4; 6; 2; 3; 4; 1; 2; 0; 0; 1; Formule investeringen = toegekende cijfer vermeden primaire energie*5 (25%) + toegekende cijfer vermeden primaire energie per te subsidiëren euro*5 (25%) + toegekende cijfer de mate van slaagkans*4 (20%) + toegekende cijfer praktische navolging *4 (20%) + toegekende cijfer de mate van combinatie subsidiabele activiteiten*2 (10%). De totale som wordt gedeeld door 20, zodat een cijfer tussen de 0 en 10 wordt verkregen. ] Hoeveelheid vermeden primaire energie in GigaJoule per te subsidiëren euro. De score wordt bepaald door aan de hand van de Score tabel investeringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">159[Toelichting: Hier geldt ook de toelichting die bij sub a staat. ] De mate van slaagkans van het project, afhankelijk van de kwaliteit, kennis en expertise in de organisatie alsmede de technische, financiële en juridische haalbaarheid van de activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">160[Toelichting: Bij slaagkans valt te denken aan de helderheid van de doelstellingen en de gekozen aanpak van het projectvoorstel, aan de kwaliteit van de aanvrager(s) en aan de kwaliteit van de organisatie, die zich uit in beschikbare kennis, middelen en expertise. ] Praktische navolging van het project, afhankelijk van de openbaarheid van de toegepaste technologie, voorbeeldwerking en herhaalpotentieel van de activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">161[Toelichting: Bij praktische navolging gaat het om het inzicht in de ontwikkeling van de technologie nadat het project is afgerond waarbij ook niet-technologische aspecten een belangrijke rol spelen. ] De mate waarin een combinatie van subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 8.1.2. eerste en het tweede lid zich voordoen. De score wordt bepaald door aan de hand van de Score tabel investeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">162[Toelichting: Hier geldt ook de toelichting die bij sub a staat. ] 3. Aanvullend op het eerste lid geldt voor de subsidieaanvragen op grond van artikel 8.1.2. derde lid dat de prioriteitsvolgorde wordt bepaald op basis van de score, bepaald aan de hand van de Score tabel zonne-energie, die de investering haalt voor de volgende onderdelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Totale productie van zonne-energie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangevraagde subsidie per Wattpiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van deelname van particulieren of bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">163[Toelichting: Scoretabel zonne-energieTotale productie zonne-energie ; ; Criteria € per wattpiek ; ; 1 bedrijf = 5/3 particulier; ; Productie in wattpiek; Toekenning cijfer; Gevraagde € per wattpiek; Toekenning cijfer; Aantal deelnemers; Toekenning cijfer; 100.000; 3; € 0,50; 3; 25; 5; 125.000; 4; € 0,45; 4; 30; 6; 150.000; 5; € 0,40; 5; 35; 7; 175.000; 6; € 0,35; 6; 45; 8; 200.000; 7; € 0,325; 7; 55; 9; 250.000; 8; € 0,30; 8; 65 of meer; 10; 300.000; 9; € 0,275; 9; ; ; 400.000 of meer; 10; € 0,25 of minder; 10; ; ; ; ; ; ; ; ; Formule zonne-energie= toekenning cijfer productie Wattpiek *2 (40%) + toekenning cijfer gevraagde € per Wattpiek *2 (40%) + deelname *1 (20%). De totale som wordt gedeeld door 5, zodat een cijfer tussen de 3 en 10 wordt verkregen. Het aantal deelnemers wordt berekend aan de hand van het aantal particulieren. Het aantal bedrijven wordt omgerekend naar het aantal particulieren door het aantal bedrijven te vermenigvuldigen met 5/3.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1. weigeren Gedeputeerde Staten de subsidie als de aanvraag de volgende energiebesparende- en energieopwekkingsvoorzieningen betreft: a. wettelijk vereiste onderzoeken en maatregelen; b. energiebesparende voorzieningen in huishoudens; c. een puur plantaardige olie als energiebron in de sector mobiliteit en transport.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.5.2. tweede lid of artikel 1.5.3. tweede lid bij de aanvraag tevens een ingevuld factsheet Subsidieregeling Duurzame energieopwekking en energiebesparing.</p>\n<p class=\"lf-p\">164[Toelichting: Het factsheet is te vinden op www.overijssel.nl/subsidie. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">165[Toelichting: De doorlooptijd van de projecten is gesteld op maximaal 3 jaar met uitzondering van projecten op het gebied van zonne-energie. Een verzoek tot uitstel zal worden beoordeeld waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met voorzienbaarheid, en of de vertraging aan de aanvrager redelijkerwijs te verwijten is, dan wel voor zijn rekening dient te komen. ] 1. De subsidieontvanger realiseert de investeringen als bedoeld in artikel 8.1.2. eerste, tweede en vierde lid uiterlijk 3 jaar na datum van subsidieverlening. Gedeputeerde Staten kunnen een aanvrager, die hierom onder opgave van redenen verzoekt, uitstel van de hiervoor bedoelde termijn verlenen van maximaal één jaar indien sprake is van omstandigheden die voor de subsidieaanvrager ten tijde van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening redelijkerwijs niet voorzienbaar waren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger realiseert de investering als bedoeld in artikel 8.1.2. derde lid voor 1 april 2013.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 8.1.2. derde lid met een bedrag van € 125.000 of meer vindt, in afwijking van artikel 1.5.3., plaats overeenkomstig artikel 1.5.2.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8.2 Energiebesparing particuliere woningen Overijssel</h3>\n<p class=\"lf-p\">166[Toelichting: Op 25 juni 2008 hebben Provinciale Staten van Overijssel het Programma Energiepact Overijssel vastgesteld. Met dit programma wil de provincie Overijssel een substantiële bijdrage leveren aan het terugdringen van het gebruik van fossiele brandstoffen. Energiebesparing in de gebouwde omgeving is één van de speerpunten in het energiebeleid van de provincie. Een derde van het energieverbruik is gerelateerd aan energiegebruik in gebouwen. Dit verbruik kan aanzienlijk beperkt worden bij de bouw en verbetering van woningen en andere gebouwen. Het programma Energiepact zoekt nadrukkelijk de samenhang met andere programma's op het gebied van wonen en herstructurering. Bij het bereiken van de doelstellingen is een belangrijke taak weggelegd in samenwerking met en tussen gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2010 hebben Gedeputeerde Staten en Burgemeester en Wethouders van de Overijsselse gemeenten prestatieafspraken gemaakt over een breed pakket van onderwerpen op het gebied van bouwen en wonen. De prestatieafspraken zijn in samenwerking met gemeenten opgesteld en zijn in de eerste helft van 2010 ondertekend. In deze prestatieovereenkomst zijn ook afspraken gemaakt over het beleidsthema Energie &amp; Duurzaamheid. Deze subsidieregeling vormt mede de juridische grondslag om de prestatieafspraken die met de gemeenten zijn gemaakt op het gebied van Energie &amp; Duurzaamheid uitvoering te geven. De provincie en gemeenten stimuleren hiermee energiebesparingsmaatregelen bij particuliere woningbezitters.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie biedt als alternatief, ten opzichte van deze subsidie, de mogelijkheid aan gemeenten gebruik te maken van het instrument duurzaamheidslening. Ook hier betreft het een financiële maatregel van maximaal € 500.000,-- en een bijdrage van maximaal 75% van de totale leenruimte per gemeente ter stimulering van energiemaatregelen bij particuliere woningeigenaren. Overijsselse gemeenten kunnen in overleg met de provincie een beroep doen op het Provinciale Energiebesparingsfonds Overijssel bij SVn. Indien een gemeente een combinatie wenst te maken van de leenruimte voor duurzaamheidsleningen en een Duurzaamheidsubsidie dan geldt dat de totale bijdrage (leenplafond + subsidie) van de provincie niet meer mag zijn dan € 500.000,--.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-821\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. energiebesparing: technische, logistieke of organisatorische voorzieningen die leiden tot verminderd verbruik van energie, zoals gedefinieerd in het protocol Monitoring energiebesparing; b. energieleverende woning: een nieuwbouwwoning waarvan bij normaal gebruik de duurzame energieopwekking de energievraag op jaarbasis overtreft; c. energiebesparende woning: een bestaande woning waarin energiemaatregelen worden gerealiseerd, zodat de energieprestatie ervan overeenkomt met of lager is dan de energieprestatie van een Passiefhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">167[Toelichting: Een passiefhuis is een zo energiezuinig mogelijke woning. Dit wordt bereikt door het verminderen van het warmteverlies en het maximaliseren van de warmtewinst. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-822\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten: a. het realiseren van een gemeentelijk energieloket; b. het vergroten van gemeentelijke subsidiebudgetten gericht op energiebesparing door de particuliere woningbezitter in de bestaande woningvoorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">168[Toelichting: Bij sub b gaat het om gemeentelijk regelingen voor energiebesparing bij particulieren in de bestaande woningbouw, die door Gedeputeerde Staten verhoogd kunnen worden. Ook reeds bestaande gemeentelijke regelingen met nieuwe budgetten komen in aanmerking om qua budget verhoogd te worden. De reden voor de cofinanciering van financieringsarrangementen is dat de particuliere woningbezitter voor de provincie een moeilijk te bereiken doelgroep is. Gemeenten staan veel dichter bij deze doelgroep. Daar komt bij dat gemeenten zelf al financieringsarrangementen hebben of overwegen in te stellen. Met een vergroting van het budget door de provincie kan een extra groot aantal woningen verbeterd worden.] c. een pilotproject ten behoeve van de realisatie van een energieleverende woning of energiebesparende woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">169[Toelichting: Sub c is gericht op pilotprojecten waarmee de gemeente een energieleverende (nieuwbouw) en/of energiebesparende bestaande woning gaat realiseren en belangstellenden daarvoor werft en daarover informeert. De subsidie is zowel bedoeld voor de bouwkosten, als voor voorlichtingsactiviteiten in de 2 jaren na de bouw van de woning. Energieleverend/energie-besparend kan gerealiseerd worden met innovatieve maatregelen maar ook met bestaande, bewezen maatregelen en technieken. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-823\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.2.2. sub a voldoet aan de volgende criteria: de aanvrager is een Overijsselse gemeente;</div></div>", "next": 239953}