{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde rangschikking niet is gemaakt door de Beheerautoriteit, is artikel 2.9 van de Subsidieregeling OPZuid van toepassing op subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijn van artikel 4.2.4 van de REES 2021 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 van de Subsidieregeling OPZuid is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.6.3 en 1.6.6, derde lid, zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.6 van de Subsidieregeling OPZuid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving, worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de subsidieontvanger wordt de aanvraag tot vaststelling op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag tot vaststelling op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijn van artikel 4.2.17 van de REES 2021 is van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.13</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling en bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 100% van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten betalen het voorschot in een keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk21Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidsscans voor bedrijven en bedrijventerreinen Vervallen Hoofdstuk22Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Hergebruik Leegstaande Panden voor Wonen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: beeldbepalend gebouw: een leegstaand gebouw, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; beeldverstorend verpauperd gebouw: een leegstaand gebouw dat door een combinatie van het ontbreken van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; herbestemmen: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw die, zo nodig, juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; leegstaand: het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn; rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; slopen: het afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; transformeren: het verrichten van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft: het herbestemmen of transformeren van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen naar een woonfunctie; het slopen van beeldverstorende verpauperde gebouwen die niet meer zinvol kunnen worden herbestemd of getransformeerd, gevolgd door herontwikkeling of een andere herinvulling van de vrijgekomen ruimte gericht op wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van het gebouw waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijk persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de activiteit in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b tezamen, minder dan 75 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, minder bedraagt dan 300 punten; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied; het gebouw minder dan één jaar leegstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel f bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vooroverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een aanvraag wordt ingediend, kan er een vooroverleg plaatsvinden aan de hand van het op de website van de provincie Zeeland beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. Het vooroverleg vindt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het vooroverlegformulier plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld: locatie en eigenaarschap van de locatie; huidige en beoogde situatie van het project, inclusief leegstandsduur; de financiële haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd; of de activiteit niet in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de duurzaamheidsmaatregelen van het project; de informatie die bij de aanvraag moet worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor marketing en promotie; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten van planschade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.7</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie Hergebruik Leegstaande Panden voor wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2: een plan van aanpak, met daarin: een locatieaanduiding waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat; en algemene beschrijving van de herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt het terugdringen van leegstand, de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en waar van toepassing de cultuurhistorie; een toelichting van de te nemen maatregelen, inclusief de duurzaamheidsmaatregelen; tekeningen van de bestaande en gewenste situatie, plattegrond(en) en gevelaanzichten; een (onderbouwde) financieringstoelichting van het project met in ieder geval: een uitgebreide begroting met een (onderbouwde) raming van de kosten per maatregel; recente taxaties van de waarde van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; de waarde van de gronden en opstallen of de opbrengst door verkoop of verhuur na voltooiing van het project; een beschrijving van de tijdplanning van het project; een bewijs van eigendom van de locatie; een schriftelijke verklaring dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit; een toelichting waaruit de oorzaak en duur van de leegstand van het pand of de panden blijkt; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.9</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vooroverleg en de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de onderstaande criteria: kwaliteitsverbetering: de mate waarin het project door hergebruik en door de bouwkundige en esthetische verbetering van het gebouw bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; impact: de mate waarin het project leidt tot een verbetering in de omgeving; herbestemming: de mate waarin door herbestemming, transformatie of herontwikkeling wordt bijgedragen aan de woonbehoefte of maatschappelijke doelen; duurzaamheid: de mate waarin het project zorgt voor de verduurzaming van het gebouw; cultuurhistorie: de mate waarin het project bijdraagt aan de cultuurhistorische waarden van het gebouw en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: kwaliteitsverbetering: ten hoogste 150 punten; impact: ten hoogste 100 punten; herbestemming: ten hoogste 100 punten; duurzaamheid: ten hoogste 100 punten; cultuurhistorie: ten hoogste 50 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium kwaliteitsverbetering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de activiteit wordt binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid, gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk23Bijzondere bepalingen Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Adviescommissie: Adviescommissie Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland; bovenlokale uitwerking: uitwerking die zijn weerslag heeft in ten minste twee Zeeuwse gemeenten; culturele instelling: instelling met rechtspersoonlijkheid die blijkens haar statuten het uitvoeren van culturele activiteiten tot doel heeft of een zelfstandige die beroepsmatig werkzaam is in de culturele sector; duurzame samenwerking: samenwerking die structureel van karakter is; nieuwe maker: cultuurprofessional of ambachtsbeoefenaar, die maximaal vijf jaren voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag een diploma kunstvakonderwijs heeft behaald of staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige; publieksbereik: het publiek dat wordt bereikt met het culturele aanbod; verdienmodel: wijze om omzet te genereren; vrijwilligerspotentieel: potentieel aan vrijwilligers en het potentieel aan kennis en kunde onder vrijwilligers dat nog niet is ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-232-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen een subsidieplafond vast, ten laste waarvan aanvragen kunnen worden ingediend gedurende een openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten die zijn gericht op het versterken van de culturele sector in Zeeland en betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen: het verbreden van het publieksbereik tot doelgroepen die nu niet of beperkt gebruik maken van het aanbod in de culturele sector; de totstandkoming van duurzame samenwerking binnen en buiten de culturele sector; het scheppen van randvoorwaarden voor het opbouwen van een beroepspraktijk ten behoeve van nieuwe makers; het versterken van het vrijwilligerspotentieel; het doen van onderzoek naar een of meer van de onderwerpen genoemd onder a tot en met d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het doen van onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onder e, worden per openstellingsperiode maximaal twee subsidies toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvanger - penvoerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend aangevraagd door en verstrekt aan een penvoerder van een samenwerkingsverband van tenminste twee instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De penvoerder is werkzaam binnen één of meer van de volgende culturele disciplines: audiovisuele kunsten; beeldende kunsten, architectuur en vormgeving; bibliotheekwerk; cultureel erfgoed; letteren; podiumkunsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De penvoerder is een culturele instelling met rechtspersoonlijkheid en het aanspreekpunt voor het bevoegd gezag voor alle zaken die de subsidie betreffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt uitsluitend verstrekt wanneer: de penvoerder is gevestigd in Zeeland; het project binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid, wordt gestart en binnen 24 maanden na afloop van deze periode wordt gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.6</span><span class=\"lf-art-t\">De-minimissteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de penvoerder op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte subsidiebedrag en niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 70% van de kosten als bedoeld in artikel 1.3.1, tot een maximum van € 50.000 per project.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt geen subsidie verstrekt voor kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.8</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Samen in Zee: versterking cultuur in Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, wordt bij de aanvraag overgelegd: het projectplan van maximaal 8 pagina’s A4 waarin het volgende wordt beschreven: een omschrijving van het project, waaronder de projectopzet en de uit te voeren activiteiten; een onderbouwing van de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten, waaronder de projectplanning en de risicofactoren die in de weg kunnen staan aan het behalen van het beoogde resultaat; de mate waarin het project bijdraagt aan de versterking van de Zeeuwse culturele sector; de meerwaarde ten opzichte van bestaande producten, processen, diensten, onderzoeken of ontwikkelingen; de verwachte bovenlokale uitwerking; de mate waarin de resultaten overdraagbaar of toepasbaar zijn op andere disciplines binnen de culturele sector; de samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband; een sluitende (meerjaren)begroting als bedoeld in artikel 1.4.3, voorzien van specificatie en toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.9</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd gedurende een openstellingsperiode die gedeputeerde staten hebben vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.11</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingscriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Adviescommissie beoordeelt en rangschikt de aanvragen op volgorde van verlening op grond van de beoordelingscriteria genoemd in het tweede lid en adviseert gedeputeerde staten over de volgorde van verlening en over het toepassen van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 23.13, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende beoordelingscriteria: de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten; de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking van de culturele sector in Zeeland; de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft; de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan ieder criterium als genoemd in het tweede lid wordt een score toegekend op basis van de bij dit artikel behorende scoretabel. Naarmate een project meer bijdraagt aan het realiseren van een criterium wordt een hogere score toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de toekenning van de scores worden de aanvragen gerangschikt op basis van de totaalscore, waarbij de aanvraag met het hoogste puntenaantal als eerste in de rangschikking wordt opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgorde van gelijk geplaatste subsidieaanvragen wordt als volgt bepaald wanneer subsidieverlening voor die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond: prioriteit wordt gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder b; in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder a; in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder d; als ook dan nog steeds sprake is van een gelijke score, vindt loting tussen die betreffende aanvragen plaats. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer door toekenning van een aanvraag het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de subsidie niet verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rangschikking blijft achterwege wanneer de subsidieverlening voor de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie, niet zal leiden tot overschrijding van het subsidieplafond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van het zevende lid toetst de Adviescommissie of sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 23.13, eerste lid en brengt daarover advies uit aan gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scoretabel behorend bij artikel 23.11, derde lid: beoordelingscriteria score de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking van de culturele sector in Zeeland onvoldoende: 0 punten voldoende: 10 punten goed: 20 punten excellent: 30 punten de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector onvoldoende: 0 punten voldoende: 5 punten goed: 10 punten excellent: 15 punten totaalscore (a+b+c+d) maximaal 75 punten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderde het bepaalde in de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.5 is de subsidieontvanger verplicht: de projectresultaten en ontwikkelde methodieken openbaar te maken en te verspreiden onder Zeeuwse instellingen; de Governance Code Cultuur, Code Diversiteit en Inclusie en de Code Fair Practice bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten toe te passen dan wel toe te lichten waarom de codes niet of niet geheel worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.6.6, eerste lid, verbinden gedeputeerde staten aan de subsidie de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen vermeldt dat het project mede mogelijk wordt gemaakt door de Zeeuwse gemeenten en de provincie Zeeland en wordt hiertoe het logo van Samen in Zee afgebeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6.6, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23.13</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten weigeren de subsidie wanneer op één of meer van de beoordelingscriteria de score ‘onvoldoende’ wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1, tweede lid, onder d, weigeren gedeputeerde staten de subsidie wanneer de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk24Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie bij planvorming ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen– planvorming)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; collectieve fysieke maatregelen: fysieke maatregelen die bedrijven en overheden kunnen nemen die impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; gebiedsproces: een proces gericht op het koppelen van belangen en het verbinden van partijen in een gebied voor een goede afweging van te realiseren doelen; herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebbende kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslagen hogere temperaturen op te kunnen vangen; toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat inspeelt op toekomstige kansen en opgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, waardoor het terrein aantrekkelijk blijft als vestigingslocatie; verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te stimuleren; zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port; zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de planvorming van collectieve fysieke maatregelen ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen die zich richt op het opzetten en uitvoeren van een gebiedsproces, het inventariseren van kansen en knelpunten (w.o. duurzaamheidsscan), het onderzoeken van de haalbaarheid of het uitwerken van ruimtelijke plannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze planvorming van collectieve fysieke maatregelen dient betrekking te hebben op minimaal drie van de volgende thema’s: herstructurering in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan de verduurzaming van het bedrijventerrein of de verduurzaming van de daarop gevestigde bedrijven mogelijk maakt; energietransitie; circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; zero-emissie mobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ondernemingen gevestigd op het bedrijventerrein waarop de subsidiabele activiteit ziet; gemeenten binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt als de collectiviteit van de activiteiten voldoende wordt aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid wordt, indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen, subsidie slechts verstrekt als de activiteit wordt ondersteund door de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen zes maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend; de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen vijftien maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vijfde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.3.1 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – planvorming’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie: een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit, inclusief tijdsplanning; een offerte voor de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie; indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen: een ondersteuningsbrief van de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk25Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de flexibele inzet voor versnelling van de Zeeuwse woningbouwopgave</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-251-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; collectief particulier opdrachtgeverschap: collectief van toekomstige bewoners van een woningbouwproject waarbij zij gezamenlijk opdrachtgever zijn voor de gehele realisatie van de woningen; externe expertise: externe deskundige met expertise op het gebied van woningbouw of op het gebied van knelpunten die zich binnen een specifiek project afspelen, die een gemeente ondersteunt bij het oplossen van het betreffende knelpunt; flexwonen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden; herstructureringsproject: project dat ten doel heeft meerdere woningen in een afgebakend gebied te renoveren of slopen en nieuw terug te bouwen; innovatieve woonvormen: woonvormen die qua concept, product of proces niet eerder zijn toegepast in de Zeeuwse woningbouwsector en die de mogelijkheid bieden op te schalen of waarvan de leereffecten elders kunnen worden toegepast; internationale werknemer: economisch-actieve burger afkomstig uit een ander land, die tijdelijk in Zeeland verblijft om hier te werken, maar niet van plan is zich voor langere tijd te vestigen; knelpunt: specifiek voorliggend probleem dat de doorgang van actieve woningbouw of herstructurering van de woningvoorraad stagneert; kwetsbare doelgroepen: dak- en thuislozen en spoedzoekers. Spoedzoekers zijn mensen die met haast een woning nodig hebben, maar niet in aanmerking komen voor een urgentiestatus, omdat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie of acuut probleem (bijvoorbeeld mensen die door een scheiding hun huis verliezen of statushouders); levensloopbestendige woningen: woningen die geschikt zijn of eenvoudig geschikt zijn te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buitenaf bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenoemde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; middeldure huurwoningen: woningen met een huurprijs hoger dan € 752,33 (dit is de liberalisatiegrens op 1 januari 2021) en tot € 1.100,00, met inachtneming van de indexering van de rijksoverheid die geldt voor woningen tot de liberalisatiegrens;</p>\n<p class=\"lf-p\">overtollige plancapaciteit voor woningbouw: planologische mogelijkheid om woningen toe te voegen aan de woningvoorraad waarvan de benutting ervan ongewenst is verklaard door het verantwoordelijke gemeentebestuur; tijdelijke capaciteit: inhuur van capaciteit omdat de gemeente niet over voldoende capaciteit beschikt om knelpunten in het kader van woningbouw op te lossen; transformatieproject: project dat ten doel heeft de ruimtelijke functie van een gebouw of gebied te transformeren voor de functie ‘Wonen’, waarbij zowel een ruimtelijke ingreep of verbouwing noodzakelijk is, evenals het vastleggen van de nieuwe bestemming in een bestemmings- of inpassingsplan; wooncoöperatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt om haar leden in staat te stellen zelfstandig te voorzien in het beheer en onderhoud van de door hen bewoonde woongelegenheden en de direct daaraan grenzende omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise ter bevordering van de snelheid in de voorfase van woningbouwactiviteiten, ten behoeve van: de vergunningverlening van woningbouwprojecten; het uitwerken van een woningbouwproject; het sluiten van anterieure overeenkomsten met marktpartijen; of het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de bijbehorende procedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.3</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt indien de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise waarvoor subsidie wordt gevraagd betrekking heeft op een van de volgende woningbouwactiviteiten: het wegnemen van overtollige plancapaciteit voor woningbouw; het versnellen van herstructureringsprojecten; het versnellen van transformatieprojecten; het versnellen van woningbouwprojecten voor flexwonen, levensloopbestendige woningen, middeldure huurwoningen, kwetsbare doelgroepen, internationale werknemers, collectief particulier opdrachtgeverschap, wooncoöperaties of innovatieve woonvormen; het versnellen van woningbouwprojecten voor overige doelgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt indien de woningbouwactiviteiten plaatsvinden binnen het bestaand stedelijk gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.4</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente in de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder a, b, c of d, bedraagt de subsidie maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 45.000,- per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder e, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 30.000,- per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per aanvrager wordt maximaal €100.000 subsidie verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 1.3.1 en artikel 1.3.3 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise en voor zover zij zien op de periode tot uiterlijk 31 december 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.8</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en verdeelmethode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.9</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie Tijdelijke Inhuur Capaciteit en Expertise voor Woningbouw zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie: een plan van aanpak, met daarin de beschrijving van de werkzaamheden en de woningbouwactiviteit waarvoor de tijdelijke capaciteit of externe expertise wordt ingezet; een offerte voor de tijdelijke inhuur van capaciteit of externe expertise.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen twee maanden na subsidieverlening; de activiteit is uiterlijk op 31 december 2023 afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25.11</span><span class=\"lf-art-t\">SiSa-verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verantwoording van de subsidie is artikel 1.5.4 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk26Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Gebiedsgerichte Aanpak Wonen (GAW)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-261-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; complementaire woningtypen: woningtypen waar een gebrek aan is of in de toekomst een gebrek aan ontstaat, zoals levensloopbestendige woningen, middeldure huurwoningen, woonzorg-woningen en flexwoningen; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; exploitatiegebied: afgebakend gebied waarbinnen de activiteiten ten behoeve van de gebiedsgerichte aanpak tot uitvoering worden gebracht; flexwoningen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden; gebiedsgerichte aanpak: de projectmatige integrale aanpak van een afgebakend gebied in het bestaand stedelijk gebied waarmee een sterke bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van de woonkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit; herstructurering: activiteit waarbij door woningtoevoeging (nieuwbouw en splitsing) en/of woningonttrekking (sloop en samenvoeging) de samenstelling van de bestaande woningvoorraad binnen bestaand stedelijk gebied verandert zonder ingrijpende wijziging van de planologische functie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; kwetsbaar overschot: woningen die naar verwachting op de korte of middellange termijn leeg komen te staan, omdat ze slecht scoren op een combinatie van woningkenmerken (energieprestatie, levensloopgeschiktheid, waardeontwikkeling, uitstraling) en buurtkenmerken (voorzieningenniveau, openbare ruimte, veiligheid, sociaaleconomische standaard); kwetsbare woningvoorraad: woningen die op korte of middellange termijn slecht in de markt komen te liggen, met onderscheid in het kwetsbare overschot en overige kwetsbare woningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">levensloopbestendig: geschikt of eenvoudig geschikt te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buitenaf bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; middeldure huurwoningen: woningen met een huurprijs hoger dan € 763,47 (dit is de liberalisatiegrens op 1 januari 2022) en tot € 1.100 met inachtneming van de indexering van de rijksoverheid die geldt voor woningen tot de liberalisatiegrens; overige kwetsbare woningen: relatief kwetsbare woningen zonder risico op leegstand, maar waarvoor een inspanning (opwaardering en isolatie) wenselijk is; regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in de Zeeuwse Omgevingsvisie (vastgesteld door Provinciale Staten op 12 november 2021, te consulteren op: www.zeeland.nl); renovatie: het uitvoeren van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw om de woonfunctie aan te passen naar de eisen van de tijd, zoals verduurzaming en levensloopbestendig maken; ruimtelijke kwaliteit: de balans tussen de gebruikswaarde (functionaliteit, nut en noodzaak), belevingswaarde (beeldkwaliteit, eigenheid, gevoel van gebruikers) en toekomstwaarde (het vermogen om veranderingen op te vangen) van gebieden, projecten en gebouwen; rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; sloop: het afbreken van gebouwen, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; transformatie: activiteit waarbij door woningtoevoeging in gebouwen of op (bebouwde) gronden (nieuwbouw en functiewijziging) in bestaand stedelijk gebied de planologische functie van het gebouw of de (bebouwde) grond verandert, met uitzondering van agrarische gronden en (onbebouwde) gronden met gebruik als stedelijk groen zoals sportvelden; verduurzaming: het treffen van maatregelen voor het verminderen van het energieverbruik en het opwekken van duurzame energie van bestaande woningen; woonzorgwoningen: nultredenwoningen binnen een complex of buurtje dat zo is opgezet dat senioren zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen, maar eenzaamheid voorkomen wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een gebiedsgerichte aanpak binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij sprake is van een verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door middel van renovatie, herstructurering of transformatie, gecombineerd met een herinrichting van de openbare ruimte en passend in een actuele gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland die initiatiefnemer is van de gebiedsgerichte aanpak waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel d, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000 of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd uiterlijk op 31 december 2023; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied; de activiteit plaatsvindt in een regio waarvoor geen geldende en door de provincie onderschreven regionale woningmarktafspraken beschikbaar zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor marketing en promotie; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwerving of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en met een hogere waarde dan de actuele getaxeerde marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten van planschade; kosten van bovenwijkse voorzieningen; kosten die zijn gemaakt voor ontvangst van de volledige subsidieaanvraag; kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Gebiedsgerichte Aanpak Wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 26.2: een plan van aanpak, met daarin: een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven en waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat; een algemene beschrijving van de beoogde renovatie, herstructurering en/of transformatie in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd, inclusief het aantal particuliere woningen en het aantal sociale huurwoningen waarop het project betrekking heeft; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door: de toevoeging van complementaire woningtypen; de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad; het levensloopbestendig maken van de bestaande woningvoorraad; een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte: de herinrichting van de openbare ruimte; de inrichtingsmaatregelen die bijdragen aan de leefbaarheid en gezondheid van bewoners; een onderbouwing op welke wijze de gebiedsgerichte aanpak extra kwaliteit levert door middel van bovenwettelijke maatregelen die bijdragen aan de volgende doelen: circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; energietransitie; een onderbouwing op welke wijze deze aanpak past binnen een gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied; een toelichting op de te nemen maatregelen en een onderbouwde raming van de kosten per maatregel; tekeningen of schetsen van de bestaande en gewenste situatie; grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; een onderbouwde financieringstoelichting van het project met daarin: grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; een realistische planning die aantoont: welke werkzaamheden van het project voor de indiening van de aanvraag zijn uitgevoerd; dat de uitvoering van het project binnen een jaar na beëindiging van de openstelling kan starten; dat het project uiterlijk op 31 december 2023 kan worden afgerond; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.8</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: realisatie complementaire woningtypen: de mate waarin de activiteit door middel van renovatie, herstructurering of transformatie voorziet in de realisatie van woningtypen die complementair zijn aan de bestaande woningvoorraad; aard van de aanpak: de mate waarin er sprake is van herstructurering, renovatie van de kwetsbare woningvoorraad en/of transformatie; particulier eigendom: de mate waarin er sprake is van particulier woningbezit bij aanvang van het project; aanpak openbare ruimte: de mate waarin de openbare ruimte ingericht wordt ter bevordering van de leefbaarheid en de gezondheid van bewoners; verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: de mate waarin de activiteit door het opnemen van bovenwettelijke maatregelen bijdraagt aan circulaire economie, biodiversiteit, klimaatadaptatie, energietransitie en/of de belevingswaarde van de gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: realisatie juiste woningen: ten hoogste 50 punten; aard van de aanpak: ten hoogste 45 punten; particulier eigendom: ten hoogste 25 punten; aanpak openbare ruimte: ten hoogste 30 punten; verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: ten hoogste 50 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met de hoogste score behaald op basis van het criterium a, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid; de activiteit wordt uiterlijk op 31 december 2023 gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk27Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van mobiliteitshubs Zeeland 2022-2024 Paragraaf27.1Algemene Bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">buurthub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen in een wijk waar reizigers gebruik van maken voor korte verplaatsingen als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand; deelmobiliteit: mobiliteitsvorm verzorgd door deelvoertuigen zoals deelfietsen, e-deelfietsen, e-deelscooters en e-deelauto’s; deelmobiliteithub: buurthub, wijkhub en regiohub; e-: elektrische; halte: herkenbare plek die deel uitmaakt van een gestrekte buslijn, waar de reiziger kan opstappen op de grote bus, dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; haltevertrekstaat en contactinformatie; duidelijke bewegwijzering; hub: reguliere hub, regionale hub en stationshub; knooppunt: een punt in het vervoersnetwerk waar een overstap tussen meerdere openbaar vervoerswijzen gefaciliteerd wordt; regiohub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen in landelijk gebied bij of een intercity-station, of een park &amp; ride aan een grotere weg, of aan de rand of op enige afstand van een stad bij een openbaar vervoerverbinding, waar reizigers gebruik van maken als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand; regionale hub: een knooppunt met een grote regionale functie en dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; een kiss &amp; ride-zone; duidelijke bewegwijzering op de hub; routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs; parkeer- en stallingsmogelijkheden voor deelmobiliteit; overdekt fietsparkeren en voldoende aanbindpunten; volgens de in de betreffende gemeente geldende parkeernorm voldoende ruimte voor parkeren van niet e-auto’s; voorzieningen voor laadpunten voor e-fietsen, e-scooters en e-auto’s; overdekte en afgesloten wachtruimte; wifi en een watertappunt; reguliere hub: knooppunt dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen: een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi; routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs; overdekt fietsparkeren; autoparkeren en een kiss &amp; ride-zone; overdekte wachtruimte; stationshub: een regionale hub nabij treinstation waar reizigers de mogelijkheid hebben om tussen modaliteiten over te stappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">TOMP API: Transport Operator to Mobility Provider-Application Programming Interface; wijkhub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen op een centrale plek in een wijk of aan de rand van een wijk bij een openbaar vervoerverbinding, waar reizigers gebruik van maken voor korte verplaatsingen als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene subsidievoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt alleen verstrekt wanneer: de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, passen in de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland zoals vastgesteld door provinciale staten op 17 december 2021; de halte, hub of deelmobiliteithub gelegen is in de openbare ruimte en voor alle reizigers toegankelijk is; voor alle voertuigen wordt gezorgd voor een goede ondergrond, belijning en bebording; de halte, hub of deelmobiliteithub past binnen het bestemmingsplan en ruimtelijk wordt ingepast; de subsidieaanvrager die niet tevens eigenaar is van de grond waarop de subsidiabele activiteiten plaatsvinden, daarvoor toestemming van die eigenaar heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht voor het regelen van de exploitatie en het beheer en onderhoud van een halte, hub of deelmobiliteithub tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten weigeren de subsidie voor zover de activiteit in een vergelijkbare vorm naar het oordeel van gedeputeerde staten, middels al verleende subsidie of (in)directe financiering, door de provincie Zeeland financieel wordt ondersteund.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 zijn personeelskosten van medewerkers die in dienst zijn van gemeenten niet subsidiabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid zijn niet subsidiabel: de onderhoudskosten aan infrastructuur of voorzieningen en de kosten als gevolg van achterstallig onderhoud; de kosten voor de onderdelen van de infrastructuur of dienst die niet direct leiden tot het bereiken van de doelstellingen van de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland; de kosten voor de aanschaf en het plaatsen van laadpalen; de kosten voor de aanschaf en exploitatie van deelvoertuigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aantal halte, hub en deelmobiliteithub</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het tijdvak 2022-2024 wordt subsidie verleend voor maximaal drie stationshubs, vijf regionale hubs, acht reguliere hubs, tien haltes en dertig deelmobiliteithubs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn, subsidieplafond en verdeling subsidieplafonds</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen worden ten minste acht weken voor aanvang van de subsidiabele activiteiten ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieplafonds worden op volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum van ontvangst is het tijdstip waarop de aanvraag volledig is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover aanvragen op hetzelfde tijdstip zijn ingediend en toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, bepalen gedeputeerde staten door middel van loting in welke volgorde de aanvragen worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf27.2Realisatie halte en hub</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor: de realisatie van een nieuwe halte in Zeeland; de realisatie van een hub.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt aan gemeenten in de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende weigeringsgrond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 27.1.4, zullen gedeputeerde staten de subsidie weigeren als het niet aannemelijk is dat de realisatie van een nieuwe halte of hub binnen twee jaar na indiening van de aanvraag om subsidie is afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier ‘halte en hub realisatie’, te vinden op www.zeeland.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, tweede lid, ten minste de volgende bijlagen: sluitende (meerjaren)begroting met kostenraming en dekkingsposten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Plan van Aanpak met minimaal de volgende onderdelen: onderbouwing per locatie; planning; foto’s van de huidige locatie; (ontwerp)schetsen toekomstige invulling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van: € 50.000 voor de realisatie van een nieuwe halte; € 150.000 voor de realisatie van een reguliere hub; € 300.000 voor de realisatie van een regionale hub; € 500.000 voor de realisatie van een stationshub.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf27.3Realisatie deelmobiliteithub</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van een deelmobiliteithub in Zeeland, mits deze parkeer- en stallingsruimte biedt voor minimaal de volgende deelmobiliteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">5 deelvoertuigen als het gaat om een buurthub;</p>\n<p class=\"lf-p\">10 deelvoertuigen als het gaat om een wijkhub;</p>\n<p class=\"lf-p\">15 deelvoertuigen als het gaat om een regiohub.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieontvangers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten in de provincie Zeeland; exploitanten van deelmobiliteithubs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2733\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende subsidievoorwaarden deelmobiliteithub</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bepaalde in artikel 27.1.2, geldt voor de realisatie van een deelmobiliteithub de volgende voorwaarden: voor fietsen, e-fietsen en e-scooters wordt een stalling gerealiseerd; voor e-deelvoertuigen wordt voldoende laadinfrastructuur gerealiseerd, met een aansluiting op het net; in het geval de subsidieaanvraag afkomstig is van een exploitant van deelmobiliteithub stemt de betreffende gemeente in met de voorgestelde locatie; de realisatie van een deelmobiliteithub is binnen een jaar na indiening van de aanvraag om subsidie afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2734\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger is verplicht ervoor zorg te dragen dat: alle deelmobiliteitaanbieders in beginsel kans maken om deelmobiliteit aan te bieden op de deelmobiliteithub onder gelijke condities via een vergunningenstelsel of openbare aanbesteding; deelmobiliteitsaanbieders contractueel of in een vergunning worden verplicht om de TOMP API te implementeren; deelmobiliteitsaanbieders juridisch verplicht zijn om geanonimiseerde data te leveren over het gebruik van de deelmobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2735\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier ‘deelmobiliteithub’, te vinden op www.zeeland.nl en bevat de daarin voorgeschreven bijlagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2736\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag bedraagt voor de realisatie van een deelmobiliteithub maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van: € 20.000 in het geval van een buurthub; € 35.000 in het geval van een wijkhub; € 50.000 in het geval van een regiohub.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2737\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">De-minimissteun</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de penvoerder op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk28Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de uitvoering van fysieke maatregelen ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-281-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; collectieve fysieke maatregelen: fysieke maatregelen die bedrijven en overheden kunnen nemen die impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat inspeelt op toekomstige kansen en opgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, waardoor het terrein aantrekkelijk blijft als vestigingslocatie; verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te stimuleren; zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port; zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van collectieve fysieke maatregelen met inbegrip van de procesbegeleiding ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze collectieve fysieke maatregelen dienen betrekking te hebben op één of meerdere van de volgende thema’s: herstructurering in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan de verduurzaming van het bedrijventerrein of deze de verduurzaming van de daarop gevestigde bedrijven mogelijk maakt; energietransitie; circulaire economie; klimaatadaptatie; biodiversiteit; zero-emissie mobiliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep, voorwaarden en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt als: er sprake is van een tekort in de financiering van de activiteit; de activiteit aantoonbaar bijdraagt aan het toekomstbestendiger maken van het bedrijventerrein; de activiteit een multiplier effect heeft voor ontwikkelingen op het bedrijventerrein; de collectiviteit van de te realiseren fysieke maatregelen voldoende wordt aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein; de som van het aantal toegekende punten aan de activiteit op basis van artikel 28.8, tweede lid, minder bedraagt dan 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie hoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000 per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor de indiening van de aanvraag; kosten voor marketing en promotie; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden en opstallen; kosten voor bodemsanering, voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van maatregelen die gerekend kunnen worden tot het regulier onderhoud van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na beëindiging van de openstellingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie wordt bij gedeputeerde staten ingediend door gebruik te maken van een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen’, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, tweede lid, bevat een aanvraag voor een subsidie: een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit, inclusief uitgewerkte meerjarenbegroting en realistische tijdsplanning; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering; informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelprocedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: impact: de mate waarin de maatregel bijdraagt aan het vergroten van de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein; multiplier: de mate waarin de subsidie een multipliereffect heeft op ontwikkelingen op het bedrijventerrein; kwaliteit: de kwaliteit en haalbaarheid van het plan van aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: impact: ten hoogste 50 punten; multiplier: ten hoogste 30 punten; kwaliteit: ten hoogste 20 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28.9</span><span class=\"lf-art-t\">Extern deskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk29Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-291\"><span class=\"lf-art-num\">§29.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking en overgangsrecht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel29.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijft van toepassing op besluiten omtrent subsidie die zijn genomen voor 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijft van toepassing op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijft van toepassing op aanvragen om subsidie die worden ingediend na 1 januari 2023 voor zover deze worden ingediend in het kader van een tenderprocedure waarvan de openstellingsperiode is aangevangen voor 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is niet van toepassing op aanvragen om integrale kosten subsidies als bedoeld in hoofdstuk 2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-292\"><span class=\"lf-art-num\">§29.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en aanhaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2921\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel29.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit wordt aangehaald als: ‘Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023’, afgekort tot ‘Asb 2023’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van 20 december 2022.Drs. J.M.M. Polman, voorzitterA.W. Smit, secretarisBijlageA als bedoeld in artikel 1.9.7van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Uitgangspunten</h3>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Doelstelling Dit controleprotocol heeft betrekking op subsidies die de provincie Zeeland verstrekt aan instellingen op grond van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 (afgekort Asb 2023).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit controleprotocol is opgesteld om duidelijkheid te scheppen over de aspecten waar de accountant zijn controle ten minste op dient te richten. Hierin worden de verwachtingen van gedeputeerde staten van Zeeland vastgelegd ten aanzien van de werkzaamheden van de accountant bij de controle van de aanvraag tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van de subsidieontvanger is verantwoordelijk voor de correcte samenstelling, getrouwheid en rechtmatigheid van de aanvraag tot vaststelling, bestaande uit de prestatiebewijzen, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden en de financiële verantwoording opgesteld overeenkomstig de indeling van de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De accountant verricht zijn onderzoek, gericht op het verkrijgen van een hoge mate van zekerheid over de financiële verantwoording die onderdeel uitmaakt van de aanvraag tot vaststelling. De accountant controleert de financiële verantwoording met inachtneming van de voorgeschreven aandachtspunten in hoofdstuk 2 van dit controleprotocol. De accountant rapporteert zijn bevindingen in een controleverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Definities In dit controleprotocol wordt verstaan onder: subsidieverstrekker: provincie Zeeland; subsidieontvanger: instelling die subsidie ontvangt van de provincie Zeeland; accountant: Registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent die de aanvraag tot vaststelling controleert, die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 36 van de Wet op het accountantsberoep; aanvraag tot vaststelling: het geheel aan documenten dat dient te worden ingediend voor de verantwoording van de subsidie; financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten; subsidie conform arrangement 3: een subsidie conform paragraaf 1.9 Arrangement 3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023; integrale kosten subsidie: een subsidie conform hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van integrale kosten subsidie van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Procedures In het geval van een subsidie conform arrangement 3 wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend door de subsidieontvanger binnen 12 weken nadat de projecttermijn is verstreken, tenzij hiervoor uitstel is verleend, of is afgesproken via de beschikking tot subsidieverlening dat de subsidie in de jaarrekening wordt verantwoord. In het geval van een integrale kosten subsidie wordt de aanvraag tot vaststelling zes maanden na afloop van het boekjaar ingediend door de subsidieontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling van een subsidie conform arrangement 3 bestaat uit: het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs; overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden; een financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling van een integrale kosten subsidie bestaat uit: het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs; overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden; het jaarverslag over het boekjaar; een financiële verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening; een verantwoording van de omvang van de egalisatiereserve opgenomen in de jaarrekening, voor zover met toepassing van artikel 2.5.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 een egalisatiereserve is gevormd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger heeft een actieve meldplicht. Dit houdt in dat iedere afwijking van de beschikking tot subsidieverlening of de aanvraag voor de subsidie dient te worden gemeld. Niet tijdig melden kan consequenties hebben voor de hoogte van de subsidie. Wijzigingen op de subsidie worden altijd schriftelijk door de subsidieverstrekker bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 1.9.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 is het mogelijk dat door de externe accountant van de provincie Zeeland, of een door de provincie Zeeland aan te wijzen ambtenaar of accountant, een review wordt uitgevoerd bij de accountant van de instelling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak</h3>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Controleaanpak De onderzoeksaanpak is primair de verantwoordelijkheid van de accountant. Dit controleprotocol geeft nadere aanwijzingen, die de accountant bij zijn onderzoeksaanpak ten minste moet betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle van de financiële verantwoording dient te omvatten de getrouwheid, de rechtmatige besteding van de subsidie en de naleving van de financiële verplichtingen en voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Financiële verantwoording Van de accountant wordt verwacht dat hij controleert dat de in het verslag opgenomen financiële gegevens getrouw zijn weergegeven en rechtmatig zijn. Dit houdt in dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een subsidie conform arrangement 3: de uitgaven rechtstreeks aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de gesubsidieerde activiteit (Artikel 1.3.1, eerste lid, Asb 2023); geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1, tweede lid, Asb 2023); de personeelskosten aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en gebaseerd zijn op een controleerbare urenadministratie (Artikel 1.3.2, eerste lid, onder a, Asb 2023); de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording zijn berekend aan de hand van een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in geval van een deeltijd dienstverband omgerekend naar een maandsalaris bij een voltijdsdienstverband (Artikel 1.3.2, eerste lid, onder b, Asb 2023); de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording het met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde in begroting opgenomen bedrag aan personeelskosten niet overschrijden (Artikel 1.3.2, eerste lid, onder c, Asb 2023); de kosten van derden aantoonbaar zijn verschuldigd aan een derde, rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de subsidiabele activiteit, betrekking hebben op activiteiten die binnen de subsidieperiode zijn uitgevoerd en het uurtarief niet meer bedraagt dan de geldende norm, bedoeld in artikel 2.3 van de Wet normering topinkomens gedeeld door 1600 (Artikel 1.3.3, eerste lid, Asb 2023); de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 1.9.5, eerste lid, onder c, jo. artikel 1.1.1, onder c, Asb 2023); de (extra) inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 1.9.5, eerste lid, onder c, jo. artikel 1.1.1 onder c Asb 2023); de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen (financiële) voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 1.9.5, eerste lid, onder b, Asb 2023); of, indien op de subsidie ook een ander hoofdstuk uit het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 dan hoofdstuk 1 en 2 van toepassing is, ook aan de financiële voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een integrale kosten subsidie: dat de kosten op de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde wijze zijn toegerekend aan de gesubsidieerde activiteiten (Artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, Asb 2023); dat er geen toevoegingen aan reserves zijn toegerekend aan de subsidiabele kosten (Artikel 2.2.1, eerste lid, onder d, Asb 2023); geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1, tweede lid, Asb 2023); de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen overige financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 2.9.2, onder d, Asb 2023); de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 2.9.2, onder d, Asb 2023); de (extra) inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 2.9.2, onder d, Asb 2023); voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 2.5.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013, voor zover met toepassing van dat artikel een egalisatiereserve is gevormd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Referentiekader Het wettelijk kader voor dit controleprotocol is: de Algemene wet bestuursrecht; de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023; het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023; de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen aanvullende subsidieverplichtingen en subsidievoorwaarden; de overige van toepassing zijnde besluiten en correspondentie met betrekking tot de verleende subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen verbonden aan de financiële verantwoording streeft de accountant naar een hoge mate van zekerheid. De controle moet worden uitgevoerd met een betrouwbaarheid van 95 procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële informatie: Een controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de meest waarschijnlijke fout niet groter is dan één procent van de verantwoording van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze norm overschreden wordt, is de hieronder vermelde tabel van toepassing: - Strekking controleverklaring - - - Goedkeuringstolerantie Goedkeurend Beperking Oordeelonthouding Afkeurend Fouten in de aanvraag tot vaststelling ≤ 1% &gt; 1% ≤ 3% - ≥ 3% Onzekerheden in de controle ≤ 3% &gt; 3% ≤ 10% - - De rapporteringstolerantie is gelijk aan de controletolerantie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Accountantsproducten</h3>\n<p class=\"lf-p\">De accountant gebruikt het meest recente model controleverklaring zoals opgenomen in de Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector. In de controleverklaring wordt tevens vermeld dat de controle mede in overeenstemming met dit controleprotocol is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de controleverklaring ten behoeve van de provincie Zeeland dient ten minste te worden gemeld: in de paragraaf \"verklaring betreffende de jaarrekening/xxx\" een verwijzing naar de beschikking tot subsidieverlening, inclusief datum en kenmerk; in de paragraaf \"verantwoordelijkheid van het bestuur\" een verwijzing naar de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023; in de paragraaf \"verantwoordelijkheid van de accountant\" naast het Nederlands recht een verwijzing opnemen naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en verplichtingen; in de paragraaf \"oordeel\" een verwijzing naar de financiële verantwoording en een verwijzing naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en subsidieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeldtekst, gebaseerd op Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector, zoals de provincie Zeeland wil ontvangen ten minste voorzien van alle hiervoor benoemde essentiële onderdelen is te vinden in de bijlage bij dit controleprotocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij het controleprotocol voor de accountant CONTROLEVERKLARING VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT Afgegeven ten behoeve van de Provincie Zeeland Aan: Opdrachtgever Wij hebben bijgaande financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 van ... (naam entiteit(en)) te ... (statutaire vestigingsplaats) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../20.. met zaaknummer/kenmerk … voor het project ………. gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid van het bestuur Het bestuur van de entiteit is verantwoordelijk voor het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording in overeenstemming met de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023, het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 en de voorwaarden zoals benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid van de accountant Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de financiële verantwoording op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat financiële verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het samenstellen van de financiële verantwoording door de entiteit, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het samenstellen van de financiële verantwoording, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel Naar ons oordeel geeft de financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 van ... (naam entiteit(en)) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../20.. met zaaknummer/kenmerk … voor het project ……….in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer, in overeenstemming met het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperking in gebruik en verspreidingskring De financiële verantwoording is opgesteld voor Provincie Zeeland met als doel ... (naam entiteit(en)) in staat te stellen te voldoen aan de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en)) en de Provincie Zeeland en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaats en datum Bijlage Supplement bij hoofdstuk 7van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland van 9 maart 2021, houdende regels omtrent subsidieverstrekking ten behoeve van MKB-ondernemingen door de Zuidelijke provincies van Nederland (Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025) Gedeputeerde Staten van Zeeland, Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Gedeputeerde Staten van Limburg, Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op artikel 5 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v.;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 november 2019 een Kennis- en Innovatieconvenant 2020-2023 hebben ondertekend tezamen met het Rijk, publiekrechtelijke wetenschappelijke organisaties en kennisinstellingen en Topsectoren waarin afspraken zijn gemaakt om de focus te leggen op de vier maatschappelijke thema’s van het missiegedreven kennis- en innovatiebeleid, de verdere ontwikkelingen van sleuteltechnologieën en het maatschappelijk verdienvermogen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegende dat beoogd wordt om op kwaliteit te sturen en hiertoe subsidieverstrekking op landsdelig niveau voor de drie Zuidelijke Provincies samen noodzakelijk is en dit een voorzetting is van de werkwijze in de afgelopen jaren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten vast te stellen de volgende regeling:</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-1\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Haalbaarheidsproject</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; haalbaarheidsproject: project dat geheel of grotendeels bestaat uit haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;</p>\n<p class=\"lf-p\">KIA’s: kennis- en innovatieagenda’s als bedoeld in bijlage 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat; projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door MKB-ondernemingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een haalbaarheidsproject.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien: de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 2.500; gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project; ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; aan aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland; het project moet passen binnen of uitvoering geven aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1 te weten: de KIA energietransitie en duurzaamheid; de KIA landbouw, water en voedsel; de KIA gezondheid en zorg; de KIA veiligheid; de KIA sleuteltechnologieën; de KIA maatschappelijk verdienvermogen in combinatie met een KIA genoemd in het eerste lid, onder b onderdeel 1 tot en met 5. de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; het project bestaat voor: tenminste 60 % van de subsidiabele kosten uit haalbaarheidsstudie; ten hoogste 40 % van de subsidiabele kosten uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst; het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of de innovatieve dienst waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen; het project geeft voldoende en realistisch inzicht in het economisch perspectief van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of de innovatieve dienst; het project geeft voldoende en realistisch inzicht in de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of de innovatieve dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling; een begroting en sluitend financieringsplan; een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-302\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de kosten voor het haalbaarheidsproject voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de berekeningswijze van loonkosten op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten, bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten, 50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief voor loonkosten per gewerkt uur, € 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.3.3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 blijft buiten toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor de startdatum van het project; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 worden subsidieaanvragen ingediend van 4 april 2023, vanaf 09.00 uur tot en met 12 september 2023, tot 17.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 1.9, vast op € 3.424.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-306\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 20.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verrichten van haalbaarheidsstudie bedraagt de subsidie 40 % van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verrichten van activiteiten gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling bedraagt de subsidie 35 % van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112-307\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelcriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113-308\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijnen subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114-309\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.14</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger start het project uiterlijk vier maanden na verlening van de subsidie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger realiseert het project uiterlijk 12 maanden na de start van het project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 blijven buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115-310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.15</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een rapport van het haalbaarheidsproject.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.16</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.17</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van paragraaf 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 en op basis van artikel 20, eerste lid onder a van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en artikel 31 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. worden subsidies in deze paragraaf tot en met € 20.000 direct vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.18</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zenden in 2023 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-2\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">R&amp;D samenwerkingsproject</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187); experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;</p>\n<p class=\"lf-p\">KIA’s: kennis- en innovatieagenda’s als bedoeld in bijlage 1;</p>\n<p class=\"lf-p\">MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening; project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat; projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; verbonden partijen: marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan uitsluitend worden aangevraagd door MKB-ondernemingen in een samenwerkingsverband.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een R&amp;D-samenwerkingsproject.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien: gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde; reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project; ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; aan aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland; het project moet passen binnen of uitvoering geven aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1 te weten: de KIA energietransitie en duurzaamheid; de KIA landbouw, water en voedsel; de KIA gezondheid en zorg; de KIA veiligheid; de KIA sleuteltechnologieën; de KIA maatschappelijk verdienvermogen in combinatie met een KIA genoemd in het eerste lid, onder b, onderdeel 1 tot en met 5. het samenwerkingsverband dient te bestaan uit ten minste twee MKB-ondernemingen; het samenwerkingsverband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project; het samenwerkingsverband heeft geen rechtspersoonlijkheid; het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband; deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn geen verbonden partijen overeenkomstig de criteria van bijlage 2; geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening; ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemingen die zijn gevestigd in Zuid-Nederland; het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor: de deelnemers in het samenwerkingsverband; of, de Zuid-Nederlandse economie; het samenwerkingsverband is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkend uit: complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; de kwaliteit van de projectorganisatie; het project draagt bij aan: vernieuwing van producten, processen of diensten; of, wezenlijk nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten; het project heeft een positieve maatschappelijke impact op de onderwerpen genoemd in een of meerdere KIA’s uit bijlage 1; het project scoort ten minste 10 punten op de afzonderlijke verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a tot en met d; de totale score van het project op de verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, bedraagt ten minste 50 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen: op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling; een begroting en sluitend financieringsplan; een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking: loonkosten; kosten derden; afschrijvingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van de berekeningswijze van loonkosten op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten, 50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief van loonkosten per gewerkt uur, € 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.3.3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 blijft buiten toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor de startdatum van het project; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 worden subsidieaanvragen ingediend van 6 juni 2023, vanaf 09.00 uur tot en met 12 september 2023, tot 17.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.9 vast op € 7.989.333 met dien verstande dat maximaal 50% van het subsidieplafond beschikbaar is voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per subsidiabele activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale subsidie wordt niet verstrekt, indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat het deel van de subsidie dat aan een deelnemer aan het samenwerkingsverband toekomt: minder bedraagt dan € 25.000; of, meer bedraagt dan: € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is; of € 175.000 indien het subsidiebedrag hoger is dan € 200.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelcriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met maximaal 25 punten; de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met maximaal 25 punten, voor: de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6, de Zuid-Nederlandse economie; de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6, te waarderen met maximaal 25 punten, gezien de: complementariteit van de deelnemers; capaciteiten van de deelnemers; kwaliteit van de projectorganisatie; mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd, te waarderen met maximaal 25 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na toepassing van het eerste lid, en artikel 2.6, eerste lid, onder p, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000, wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Externe adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie voor advies over artikel 2.6, eerste lid, onder k, l, m, n, o en p en artikel 2.12, eerste en tweede lid, voor aan een door hen in te stellen adviescommissie als bedoeld in artikel 82 van de Provinciewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijnen subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na afloop van de tenderperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger: start het project uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag; rondt het project uiterlijk 24 maanden na de start van het project af; overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt; houdt een administratie bij van de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 blijven buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijnen vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag tot vaststelling binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij subsidies tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van: een inhoudelijk eindverslag; bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij subsidies boven de € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van: een inhoudelijk eindverslag; bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; een controleverklaring.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot als bedoeld in het tweede lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen de subsidie op grond van deze paragraaf ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig artikel 1.9.4 van het Asb Zeeland 2023 dienen aanvragen tot vaststelling binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend te worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de subsidies tot € 125.000, zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing: artikel 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant met uitzondering van het derde lid, vierde lid, zesde lid, zevende lid onderdeel a onder 2, zevende lid onderdeel b, achtste lid en twaalfde lid van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; artikel 33 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. met uitzondering van het eerste lid onder c; artikel 1.9.5 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 met uitzondering van de accountantsverklaring genoemd in het eerste lid, onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragrafen 1.7 en 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 blijven buiten toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten zenden in 2023 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 maart 2021, Gedeputeerde Staten van Zeeland, de voorzitter, drs. J.M.M. Polman de secretaris, A.W. Smit Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de voorzitter, mr. I.R. Adema de secretaris, drs. M.J.A. van Bijnen MBA Gedeputeerde Staten van Limburg, de voorzitter, drs. Th.J.F.M. Bovens de secretaris, drs. G.H.E. Derks MPA Bijlage 1 bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar deze bijlage. Deze bijlage is juridisch maatgevend voor de onderwerpen (de KIA’s) waar een project zich op kan richten en voor de maatschappelijke impact waarop een R&amp;D-Samenwerkingsproject mede wordt gerangschikt. Verderop wordt nader toegelicht waar de verschillende kennis- en innovatie-agenda’s zich op richten, en waar uw project zich dus op kan richten. In de algemene en artikelsgewijze toelichting op de Subsidieregeling wordt aangegeven hoe deze informatie dient te worden geinterpreteerd binnen de MIT-regeling en respectievelijk de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdeelcriteria en score R&amp;D-project R&amp;D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden impact hebben. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’s) op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt voor de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke baten op de genoemde terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere informatie en voorbeelden Er is voor gekozen de informatie in deze bijlage zo beperkt mogelijk te houden. Nadere informatie over de achtergronden en context van de verschillende missies en over de verschillende onderzoeksprogramma’s in de KIA’s kunt u vinden via de relevante URL’s. In de achterliggende documenten kunt u ook voorbeelden vinden van recente innovaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">KIA 1. Energie en Duurzaamheid https://www.topsectoren.nl/publicaties/publicaties/2019-publicaties/oktober/161019/kia-energietransitie-en-duurzaamheid Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energie- en grondstoffensysteem in 2050 of aan een circulaire economie in hetzelfde jaar. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030. Combinaties zijn logischerwijze mogelijk, daar waar deze thema’s elkaar overlappen. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlaging van het gebruik van fossiele energie c.q. van de uitstoot van CO2 of andere broeikasgassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoging van de productie of benutting van duurzame energie en de integratie en de integratie in het energiesysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlaging van het gebruik van primaire grondstoffen (rekening houdend met de ecologische voetafdruk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergroting van het hoogwaardig gebruik van circulaire materialen, onder meer door gebruik van gerecycleerde grondstoffen of duurzaam geproduceerde en verkregen bio-based componenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen naar het milieu dan wel vervanging van deze schadelijke stoffen door stoffen die veel minder schadelijk of onschadelijk worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergroten van de efficiency van het mobiliteitssysteem, verkeersveiligheid, ladingveiligheid, cybersecurity, veilig datagebruik en databeheer en het beperken en mitigeren van geluidhinder, fijnstof en andere emissies, trillingen als gevolg van transportbewegingen of –systemen.</p></div>", "next": 239916}