{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen: of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte; in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a; of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt; of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:13:1</span><span class=\"lf-art-t\">Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt; indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staken van doorbetaling bezoldiging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:13:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De doorbetaling van bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek na te komen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen; blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard; zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben; tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend; weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden; zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven; weigert om -op verzoek van het college- informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die zich niet houdt aan de regels gesteld in het verzuimprotocol, bedoeld in artikel 7:9, vijfde lid, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene en staat te stellen passende of gangbare arbeid te verrichten; gedurende de eerste 52 weken wegens ziekte verhinderd te zijn geweest zijn dienstbetrekking te vervullen, weigert aangeboden passende arbeid, waartoe de arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel weigert aangeboden passende arbeid te verrichten waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is; gedurende de periode na 52 weken wegens ziekte verhinderd te zijn geweest zijn dienstbetrekking te vervullen, weigert aangeboden gangbare arbeid, waar-toe de arbo-dienst hem in staat acht, te verkrijgen of te aanvaarden, dan wel weigert aangeboden gangbare arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, derde lid, verplicht is; zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van en plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:15:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorzover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van opdragen passende en gangbare arbeid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede en derde lid, kan als volgt aan de ambtenaar worden opgedragen: een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling; een andere betrekking, door wijziging van de aanstelling; bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugkeer in betrekking na ziekte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te ver-vullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkomsten uit of in verband met arbeid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen van inkomsten uit passende of gangbare arbeid op de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:18:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden: zolang de ambtenaar krachtens artikel 7:3 aanspraak kan maken op zijn volle bezoldiging, de inkomsten uit deze arbeid hierop geheel in mindering gebracht; zolang de ambtenaar krachtens artikel 7:3 aanspraak kan maken op 80% van zijn bezoldiging, bedoelde inkomsten hierop in mindering gebracht, voor zover deze 20% van zijn bezoldiging te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingtoelage, toegekend op grond van paragraaf 9 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf5.Bijzondere situaties Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, eerste lid, recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen is te wijten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, eerste lid, recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop van bezoldiging bij ziekte met arbeidsongeschiktheidsuitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, recht heeft op een WAO-uitkering wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, eerste lid, recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar recht heeft op een WAO-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging wordt doorbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de ambtenaar geen WAO-uitkering aanvraagt binnen de WAO gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dienten-gevolge geen WAO-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een WAO-uitkering zoals die zou zijn toegekend bij een arbeids-ongeschiktheid van 80% of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar, de mate van arbeidsongeschiktheid niet kan worden vastgesteld en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een WAO-uitkering zoals die zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toe-passing van dit artikel uitgegaan van de WAO-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering van het bedrag plaatsvond.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WAO-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAJONG/WAZ</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ- uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijk gesteld met een WAO-uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:23</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-23-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:23:1</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6IZA - deelnemerschap IZA - deelnemerschap en vergoeding kosten geneeskundige verzorging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gemeente deelneemt aan het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (IZA), wordt door IZA voorzien in een uitkering wegens ziektekosten van een ambtenaar, alsmede in de kosten verband houdende met ziekte, dan wel in andere voorzieningen in ziektezorg, tot het moment dat een ander besluit ter zake wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalingen voor bij IZA aangesloten gemeenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college van bij IZA aangesloten gemeenten kan nadere regels stellen met betrekking tot de IZA - regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichting deelneming IZA - regeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die een betrekking in dienst van de gemeente bekleedt, waarvan de arbeids-duur ten minste 50% bedraagt van de voor een soortgelijke betrekking normaliter vastgestelde arbeidsduur, is verplicht aan de IZA - regeling deel te nemen. Indien daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat, kan het college een betrekking die niet voldoet aan het gestelde in dit lid ten aanzien van de arbeidsduur aanmerken als een betrekking bedoeld in de vorige volzin. Van de verplichting tot deelneming kan het college op zijn verzoek ontheffing verlenen aan de ambtenaar die tegen deze deelneming gewetensbezwaren heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De kosten van de IZA - regeling worden door de gemeente en de ambtenaar gezamenlijk gedragen volgens de bij de IZA - regeling te stellen regels. Het college kan omtrent de inhouding van de door de ambtenaar verschuldigde bijdrage nadere regels stellen. Daarin kunnen onder ambtenaren gewezen ambtenaren worden begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1%-regeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan een ambtenaar, die een betrekking, bedoeld in artikel 7:25:1, eerste lid, bekleedt, worden vergoed de in enige periode van twaalf opeenvolgende maanden te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van het college redelijk gemaakte kosten vallende onder de IZA -regeling, voor zover deze een bedrag gelijk aan 1% van het inkomen overschrijden. Voor de toepassing van dit lid blijven buiten beschouwing: de bijdrage van de ambtenaar in de kosten van de IZA - regeling, bedoeld in artikel 7:25:1, tweede lid; de kosten voor verrichtingen en leveringen, waarvoor door het bestuur van IZA - Nederland een tegemoetkoming is toegekend op grond van artikel 10, vijfde lid, van de IZA - regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan het college in bijzondere gevallen, indien de noodzakelijke kosten, verband houdende met ziekte, welke de ambtenaar voor zich en zijn gezin heeft gemaakt, een bedrag overschrijden dat in verhouding tot het inkomen redelijker-wijze te zijnen laste kan komen, in die kosten een tegemoetkoming toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onder het inkomen in de zin van dit artikel wordt verstaan het inkomen zoals omschreven in artikel 3.1 van het pensioenreglement, vermeerderd met de uit arbeid of bedrijf, waaronder mede te verstaan vroegere arbeid of bedrijf, verkregen inkomsten van hemzelf en van die gezinsleden die als gezinslid deelnemer zijn op grond van artikel 10 van de IZA - regeling, alsmede het ouderdomspensioen en de vakantie-uitkering krachtens de Algemene ouderdomswet die een gezinslid geniet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onder de inkomsten van de gezinsleden in de zin van dit artikel worden niet gerekend: het werkgeversaandeel in sociale en pensioenverzekeringen; inkomsten die strekken tot vergoeding van kosten die aan de dienstverhouding zijn verbonden, vergoedingen voor verblijf buiten Nederland daaronder begrepen; vacatie- en presentiegelden; kinderbijslag; gratificaties; vergoedingen voor studiekosten; uitkeringen bij bijzondere gelegenheden of bijzondere omstandigheden die betrekking hebben op het gezinslid; tantièmes.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewezen ambtenaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste, tweede en derde lid van artikel 7:25:2, zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar, die ingevolge artikel 4, sub b en c, van de IZA - regeling, deelnemer is, met dien verstande dat: het college bevoegd is dit artikel niet van toepassing te verklaren op de gewezen ambtenaar die zich blijvend in het buitenland vestigt; het gestelde in het eerste lid, dient te worden gelezen als: de bijdrage van de gewezen ambtenaar in de kosten van de IZA - regeling; het gestelde in de eerste volzin van het derde lid dient te worden gelezen als: de inkomsten uit arbeid of bedrijf, waaronder mede te verstaan vroegere arbeid of bedrijf, het ouderdoms-pensioen en de vakantie-uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet, van de gewezen ambtenaar en die leden van zijn gezin, die op grond van het bepaalde in artikel 10 van de IZA - regeling als gezinslid deelnemer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie premie AOW/ANW</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de ambtenaar die deelnemer is aan de IZA - regeling en over het werkgeversaandeel in de bijdrage aan die ziektekostenvoorziening premie AOW/ANW is verschuldigd, terwijl hij niet reeds op grond van zijn inkomen uit zijn dienstbetrekking bij de gemeente de maximaal verschuldigde premie AOW/ANW betaalt, wordt een compensatie verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gewezen ambtenaren met aanspraak op een uitkering terzake van werkloosheid, vervroegde uittreding en invaliditeit, alsmede op nabestaanden van ambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het eerste lid bedoelde compensatie is gelijk aan het bedrag dat aan premie AOW/ANW is verschuldigd over het werkgeversaandeel in de bijdrage aan de IZA - regelingen en waarmee het op grond van zijn inkomen, bedoeld in het vorige lid, verschuldigde bedrag aan premie AOW/ANW wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bedrag van de compensatie wordt aan het eind van het kalenderjaar uitbetaald. Bij in dienst treden of ontslag in de loop van een kalenderjaar vindt, voor zover het bepaalde in het eerste lid van toepassing is, vaststelling van de compensatie plaats over het gewerkte aantal kalendermaanden in dat jaar. Bij ontslag vindt de uitbetaling plaats in de maand volgend op de maand, waarin het dienstverband wordt beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In 2003 wordt het bedrag van de compensatie zoals die wordt vastgesteld op basis van het derde lid voor tweederde deel uitbetaald. In 2004 wordt het bedrag van de compensatie zoals die wordt vastgesteld op basis van het derde lid voor eenderde deel uitbetaald. Vanaf 1 januari 2005 bestaat geen aanspraak meer op compensatie premie AOW/ANW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf7.Overige bepalingen Overgangsbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Garantie-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde vóór 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar vóór 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zo-danige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daar-na 33 maanden 70% van de bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingtoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeids-ongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De garantie-uitkering eindigt: met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt; bij ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK8ONTSLAG Ontslag op verzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:1:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wegens ouderdomspensioen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de ambtenaar die de volgens artikel 6.1 van het pensioenreglement voor het recht op ouderdomspensioen vereiste leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de bedoelde leeftijd is bereikt eervol ontslag verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling als bedoeld in artikel 2:7 dan wel artikel 8:2, tweede lid, wordt beëindigd wanneer een der partijen zulks wenselijk acht met een opzegtermijn van één maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wegens FLO</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn bepaald voor de ver-vulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig nader omschreven betrekkingen, wordt de ambtenaar die een zodanige betrekking vervult en de daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden, eervol ontslag verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:3:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag, bedoeld in artikel 8:3, gaat, behoudens de mogelijkheid van opschorting als in de in artikel 8:3 bedoelde regeling voorzien, in op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de in artikel 8:3 bedoelde leeftijdsgrens wordt bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend onder toekenning van een uitkering als geregeld in de in artikel 8:3 bedoelde regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wegens reorganisatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:4:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag op een van de in artikel 8:4 genoemde gronden kan slechts plaatsvinden indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opdragen van passende werkzaamheden zal, teneinde het ontstaan dan wel het vergroten van feitelijke ongelijkheden tegen te gaan, uitgangspunt zijn dat voorrang wordt gegeven aan vrouwelijke ambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij ontslag wegens verandering in de inrichting van een of meer dienstonderdelen of wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten geschiedt, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, het ontslag van de ambtenaren in de volgende rangorde: zij die dit wensen; zij die 35 of meer jaren in overheidsdienst werkzaam zijn, waarbij ouderen in leeftijd voor jongeren gaan; zij die de leeftijd van 35 jaren nog niet hebben overschreden, te beginnen met hen die het geringste aantal jaren in overheidsdienst werkzaam zijn; zij die het geringste aantal jaren in overheidsdienst werkzaam zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van het aantal jaren in overheidsdienst wordt mede in aanmerking genomen tijd gewijd aan de verzorging van tot het huishouden van de ambtenaar behorende 0-4 jarige eigen, stief- of pleegkinderen, tot een maximum van in totaal zes jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Over het plan, bedoeld in artikel 8:4, tweede lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien aan een ambtenaar op grond van artikel 8:4 ontslag wordt verleend wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Binnen een periode van uiterlijk een jaar nadat de ambtenaar de hem opgedragen werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, is gaan vervullen, kan hem alsnog het ontslag als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 8:4 worden verleend, indien die werkzaamheden niet passend voor hem blijken te zijn. Het bepaalde in het vierde lid is daarbij niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wort onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een ontslag, bedoeld in lid 1 mag slechts plaatsvinden indien: er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden; herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van 6 maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten; het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 24 maanden wordt niet meegerekend de periode dat de vrouwelijke ambtenaar ongeschikt is voor de vervulling van haar betrekking wegens door de zwangerschap veroorzaakte ziekte tijdens de zwangerschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 24 maanden wordt niet meegerekend de periode dat de vrouwelijke ambtenaar zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a., bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte van de ambtenaar samengesteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; indien zij worden onderbroken door een periode van vier weken of langer wegens ziekte gedurende de zwangerschap, welke ziekte veroorzaakt wordt door de zwangerschap; indien zij worden onderbroken door zwangerschaps- en bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het bestuursorgaan wint voor het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, advies in bij een door de uitvoeringsinstelling daartoe aangewezen medisch deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De in het zevende lid bedoelde arts betrekt bij zijn beoordeling een arts, aangewezen door het bestuursorgaan en, indien de ambtenaar dit wenst, een arts, aangewezen door de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Het bestuursorgaan stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een procedure als bedoeld in het zevende lid wordt ingesteld. In deze aanschrijving wijst het bestuurs-orgaan de ambtenaar op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De aanschrijving, bedoeld in het negende lid, geschiedt op zijn vroegst vanaf de 18e maand na de eerste ziektedag, met dien verstande dat de procedure met betrekking tot het medisch advies uiterlijk in de 24e maand na de eerste ziektedag afgerond kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De in het zevende lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op dat wordt toegezonden aan het bestuursorgaan en in afschrift aan de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.De kosten van het medisch onderzoek, verricht door de in het zevende en achtste lid genoemde artsen, komen ten laste van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert: gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9; arbeid als bedoeld in artikel 7:11 te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt; zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a, tweede lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslagwegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van ontslag op grond van dit artikel heeft betrokkene, indien er recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a. In uitzonderlijke gevallen, gelegen binnen de werksfeer, kan besloten worden tot het verlenen van een aansluitende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige ontslaggronden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:7</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de betrekking geldt; aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de betrekking zou uitsluiten; staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf; het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:7:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van ontslag op grond van dit artikel treft het college een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten, met dien verstande dat de betrokkene minimaal recht heeft op een aanvullende en een aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:8:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wegens pré-Vut</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de ambtenaar op zijn verzoek eervol ontslag verleend, indien hij op de datum van zijn ontslag recht heeft op een uitkering ingevolge het bepaalde in artikel 5:2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag wegens pré-VUT wordt slechts verleend, indien het bestuur van het Vut-fonds op een desbetreffend verzoek heeft beslist, dat na het te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:10:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10, tweede lid, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bepaalde in artikel 8:10, eerste lid, geldt niet ten aanzien van de ambtenaar op wie artikel 8:3 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wegens FPU</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt tenminste 10% van de formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, tenminste 10% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-11-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:11:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan is van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde, is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Burgemeester en wethouders kunnen omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:12:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-12-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:12:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen: van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd; van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd; van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag als disciplinaire straf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslagbescherming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:14</span><span class=\"lf-art-t\">1.In dit artikel wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wet: Wet op de ondernemingsraden; ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet; ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet; wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet; van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad; van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schorsing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:15:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door burgemeester en wethouders worden geschorst: wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan; wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd; wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld; in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval: een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat; een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven; een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:15:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor IZA-regeling en pensioen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslagverlening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-15-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:15:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzegtermijnen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:16:1</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overlijdensuitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:16:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de vakantietoelage.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-16-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:16:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als burgemeester en wethouders dat in het belang van de dienst noodzakelijk achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK9UITKERING FUNCTIONEEL LEEFTIJDSONTSLAG Ontslag wegens FLO</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in artikel 8:3, wordt met ingang van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-1-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:1:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-1-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:1:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De in artikel 8:3:1, eerste lid, bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrag en duur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel - doch ten hoogste 10 malen - 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de gewezen ambtenaar is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:3</span><span class=\"lf-art-t\">1.In dit artikel wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de financiering van het functioneel leeftijdsontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De gemeenten zijn verplicht de in de Verveningsregeling bedoelde bijdrage af te dragen aan het Vereveningsfonds voor alle bij hun in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling moet worden afgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft verhaald op de bij de instellingen in.dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling wordt afgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf Samenloop met FPU</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of ouder gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht een uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De uitkering als bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling indien de ambtenaar geen toestemming verleent om de uitkering krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te laten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet tijdig de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet volledig ontvangt, voor de toepassing.van het derde lid van dit artikel rekening gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum zou hebben genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel tijdig zou hebben aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat, verminderd met het bedrag van de.uitkering krachtens de FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van het pensioenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering krachtens de FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de toepassing van het.derde lid van dit artikel geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:4:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering krachtens artikel 9:2 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:4:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan burgemeester en wethouders. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1, tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of ongeval</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-4-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:4:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de gewezen ambtenaar die op 1 april 1997 jonger dan 50 jaar is bij het bereiken van de. leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.1 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, waardoor ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voor de helft plaats vindt, worden de kosten van deze vrijwillige voortzetting gedragen door de gemeente, met dien verstande dat 25% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen te allen tijde volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de gewezen ambtenaar die op 1 april 1997 50 jaar of ouder is bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.5 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, waardoor ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voor de helft plaats vindt, worden de kosten van deze vrijwillige voortzetting gedragen door de gemeente, met dien verstande dat 25% van de kosten voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van: de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voor de helft voort te zetten op basis van artikel 16.1 van het pensioen- reglement voor de gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 9:5, eerste lid, dan wel op basis van artikel 16.5 van het pensioenreglement voor de gewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 9:5, tweede lid; dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven mogelijkheid gebruik maakt, dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 9:5, eerste lid, dan wel artikel 9:5, tweede lid; de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.1 en 16.5 van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP; de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanschrijving als bedoeld in het derde lid wordt herhaald in de drie maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geneeskundig onderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:6:1</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verval uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">1.De uitkering vervalt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden; op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaren bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De uitkering kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van burgemeester en wethouders zodanig gedraagt dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlijdensuitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:8:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar heeft de weduwe, weduwnaar dan wel de geregistreerd partner, die krachtens het pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over een tijdvak van drie maanden, welk bedrag in voorkomend geval wordt verminderd met de uitkering bij overlijden krachtens de FPU-regeling. Wordt geen weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner als bedoeld in de vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde uitkering. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerjarige kinderen, broers of zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan dit bedrag door burgemeester en wethouders geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-9-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:9:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke leeftijdsgrenzen gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde betrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingangsdatum ontslag wegens FLO</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9:10:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1 genoemd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de leeftijdsgrens als genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin deze regeling in werking treedt, tenzij overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9:1:2, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK10WACHTGELD Betrokkene</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:1</span><span class=\"lf-art-t\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking: waarin hij vast was aangesteld; waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard; de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichamen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:2</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen':</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoon-lijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensttijd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:3</span><span class=\"lf-art-t\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd':</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing: diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling; tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement; tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstbetrekking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoldiging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recht op wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene : ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeids-ongeschiktheid van 80% of meer; terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene , bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80%. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van: artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen. artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur van het wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene: in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</p>\n<p class=\"lf-p\">3 maanden.bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">0,5 jaar.bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">1 jaar.bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">1,5 jaar.bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 jaar.bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">2,5 jaar.bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">3,5 jaar.bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en 4,5 jaar.bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van: perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Perioden, waarin een betrokkene: recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%; ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend; een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsonge-schiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend; na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet; een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind: beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid volledig, en vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet meegeteld de periode waarin: de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid, of de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen zijn burgemeester en wethouders bevoegd een van hen die naar hun oordeel als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder: een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind; een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene: die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd; die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%; die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid, in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere verlenging, buiten aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgwachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene die het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid, heeft bereikt en voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het vervolgwachtgeld een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrag van het wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrag van het vervolgwachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van burgemeester en wethouders vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door burgemeester en wethouders in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van burgemeester en wethouders daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen bij ziekte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Burgemeester en wethouders stellen nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien betrokkene door het LISV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuiskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door burgemeester en wethouders een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermindering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van de pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgave van inkomsten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan burgemeester en wethouders of aan een door dezen aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van burgemeester en wethouders, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlenging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opschorting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van 65% tot 80%:. 80%;</p>\n<p class=\"lf-p\">55% tot 65%:. 60%;</p>\n<p class=\"lf-p\">45% tot 55%:. 50%;</p>\n<p class=\"lf-p\">35% tot 45%:. 40%;</p>\n<p class=\"lf-p\">25% tot 35%:. 30%;</p>\n<p class=\"lf-p\">15% tot 25%:. 20%; minder dan 15%:. 0%.</p>\n<p class=\"lf-p\">De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, wordt gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:20</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot een volle gulden / euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld over langere termijnen geschieden.</div>\n<p class=\"lf-p\">ArtikelAfkoop</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders op verzoek van de betrokkene een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verval van wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:22</span><span class=\"lf-art-t\">1.Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet; indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt; indien de betrokkene zich zonder toestemming van burgemeester en wethouders in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven; indien de betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld; indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven; indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10;12, zesde lid, aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:23</span><span class=\"lf-art-t\">1.Het recht op wachtgeld vervalt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; op de dag na het overlijden van de betrokkene; op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen; op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlijdensuitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de nagelaten echtgeno(o)t(en) of geregistreerde partner(s) een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgeno(o)t(en) of geregistreerde partner(s) na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse termijnen betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimum-vakantiebijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het vorenstaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:28</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Slotbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">10a BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSUITKERING Paragraaf1.Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van de Werkloosheidswet; betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is; dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering; bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf2.Aanvullende uitkering Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die: recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel Hoogte van de uitkering: indexering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt telkens aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: bedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt: gedurende de eerste vijftien maanden 80% en vervolgens 70%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herleving van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlenging van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen en sancties</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kennen burgemeester en wethouders een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kennen burgemeester en wethouders een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anticumulatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel35van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling op ziekengeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de.aanvulling op het ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling op Waz-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">12a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkering bij overlijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3.Aansluitende uitkering Diensttijd</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze paragraaf wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van even genoemde regeling niet is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing: diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling; tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het Pensioenreglement; tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die: recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door burgemeester en wethouders op basis van artikel 10a:9, derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering zijn geëindigd op grond van artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur van de uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene: die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd; die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene die op het tijdstip van het ontslag de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">17</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">3is van toepassing op de aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: indexering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">18</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">4is van toepassing op de aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: bedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aansluitende uitkering bedraagt 70% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig artikel 10a:16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nawerking Ziektewet en Waz</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">20a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering krachtens de Ziektewet in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herleving van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De artikelen 43 en 50 van de Werkloosheidswet met betrekking tot verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen en sancties</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anticumulatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel35van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitendeuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkering bij overlijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4.Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde: de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen; te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode; arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het arbeidscontract; zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet bedragen; schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reïntegratietoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien: hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet aanvaardt en het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32 van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De reïntegratietoeslag wordt beëindigd: indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken; indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe betrekking; indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden het in artikel 10a31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per kalenderweek: ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren resteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a3 genoemde berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reïntegratiepremie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend indien: betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid geniet en hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">33</span></h4></div>", "next": 239611}