{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Methode IIF – het installeren van een automatische sprinkler- en brandalarminstallatie voor het ontdekken en blussen van brand in alle ruimten waarin brand kan ontstaan, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type scheidingsschotten, of: c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Methode IIIF – het installeren van een automatische brandalarm- en -ontdekkingsinstallatie in alle ruimten waarin brand kan ontstaan, in het algemeen zonder beperkingen ten aanzien van het type scheidingsschotten, met dien verstande dat de oppervlakte van enige accommodatieruimte of -ruimten die door een schot van klasse «A» of «B» wordt begrensd, niet groter mag zijn dan 50 m2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik een grotere oppervlakte toestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling inzake de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van de scheidingsschotten van ruimten voor machines, controlestations en dergelijke, en de bescherming van trapomsluitingen en gangen is voor alle drie de methoden gelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Omschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>onbrandbaar materiaal: een materiaal dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende hoeveelheid afgeeft om bij verhitting tot ongeveer 750°C tot zelfontbranding over te gaan, hetgeen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden aangetoond door middel van een door hem aanvaarde beproevingsmethode. Elk ander materiaal is brandbaar materiaal;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>een standaard brandproef: een proef waarbij gedeelten van de betrokken schotten of dekken in een proefoven blootgesteld worden aan temperaturen die ongeveer overeenkomen met de standaard tijdtemperatuurkromme. De gedeelten van de betrokken schotten of dekken moeten een blootgestelde oppervlakte hebben van ten minste 4,65 m2 en een hoogte (of lengte van het dek) van 2,44 m; zij moeten zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met de voorgenomen constructie en waar nodig ten minste één naad bevatten. Met de standaard tijdtemperatuurkromme wordt bedoeld een gelijkmatig verlopende kromme door de volgende punten gemeten boven de aanvankelijke temperatuur in de oven: oorspronkelijke binnentemperatuur van de oven 20°C na 5 minuten 576°C na 10 minuten 679°C na 15 minuten 738°C na 30 minuten 841°C na 60 minuten 945°C 3. schotten van klasse «A»: schotten en dekken die aan de volgende eisen voldoen: a. zij moeten geconstrueerd zijn van staal of van ander gelijkwaardig materiaal, b. zij moeten voldoende verstijfd zijn, c. zij moeten tot aan het einde van de standaard brandproef van één uur de doortocht van rook en vlammen kunnen verhinderen, en d. zij moeten zodanig geïsoleerd zijn met goedgekeurde onbrandbare materialen dat de gemiddelde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 180°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd:</div>\n<p class=\"lf-p\">Klasse «A-60» 60 minuten Klasse «A-30» 30 minuten Klasse «A-15» 15 minuten Klasse «A-0» 0 minuten Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan beproeving eisen van een prototype van een schot of een dek teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent stijfheid, doorlaten van rook en vlammen en temperatuurstijging;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>schotten van klasse «B»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen: a. zij moeten tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen; b. zij moeten een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt binnen de onderstaand aangegeven tijd:</div>\n<p class=\"lf-p\">Klasse «B-15» 15 minuten Klasse «B-0» 0 minuten c. zij moeten zijn opgebouwd uit goedgekeurde, onbrandbare materialen waarbij alle materialen die gebruikt worden voor schotten van klasse «B» en voor het aanbrengen daarvan, onbrandbaar dienen te zijn, behoudens dat brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «B», teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent het doorlaten van vlammen en de temperatuurstijging;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>schotten van klasse «C»: schotten en dekken welke zijn opgebouwd uit goedgekeurde onbrandbare materialen. Zij behoeven niet te voldoen aan eisen betreffende het doorlaten van rook en vlammen of de beperking van de temperatuurstijging. Brandbare fineerlagen kunnen worden toegestaan onder voorwaarde dat die voldoen aan de daarop van toepassing zijnde voorschriften van dit hoofdstuk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>schotten van klasse «F»: schotten, dekken, plafonds of beschietingen die aan de volgende eisen voldoen: a. tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen kunnen verhinderen, en b. een zodanig isolerend vermogen hebben dat de gemiddelde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde tot aan het einde van het eerste half uur van de standaard brandproef niet meer dan 139°C boven de begintemperatuur stijgt, noch de temperatuur op enig punt, de naden inbegrepen, meer dan 225°C boven de begintemperatuur stijgt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een beproeving eisen van een prototype van een schot van klasse «F», teneinde zekerheid te verkrijgen dat dit voldoet aan bovengenoemde eisen omtrent stijfheid, doorlaten van rook en vlammen en temperatuurstijging;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>doorlopende plafonds of beschietingen van klasse« B»: plafonds of beschietingen van klasse «B» die slechts eindigen bij een schot van klasse «A» of «B»;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>staal of ander gelijkwaardig materiaal: staal, of elk ander materiaal dat zelf of door middel van isolatiemateriaal een brandwerendheid heeft die gelijkwaardig is aan die van staal tot aan het einde van de van toepassing zijnde standaard brandproef (bijvoorbeeld een aluminiumlegering, voorzien van een doeltreffende isolatie);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>laag vlamverspreidend vermogen: de eigenschap die aangeeft dat het aldus aangeduide oppervlak de vlamuitbreiding op voldoende wijze kan beperken en die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond door middel van de FTP-Code;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>accommodatieruimten: ruimten voor algemeen gebruik, gangen, toiletten, hutten, kantoren, ziekenverblijven, bioscopen, ontspanningsruimten, afzonderlijke pantry's zonder voorzieningen om te koken en soortgelijke ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>ruimten voor algemeen gebruik: die delen van de ruimten voor accommodatie die in gebruik zijn als portalen, eetzalen, salons, en soortgelijke permanent ingesloten ruimten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>dienstruimten: ruimten die gebruikt worden voor kombuizen, pantry's met voorzieningen om te koken, kasten en voorraadkamers, werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines, en soortgelijke ruimten, alsmede de bijbehorende schachten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>controlestations: ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig, de voornaamste navigatiemiddelen of de elektrische noodkrachtbron zijn ondergebracht of die waarin de uitrusting voor de brandmelding of de brandcontrole is samengebracht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>ruimten voor machines van categorie A: alle ruimten waarin zijn ondergebracht: a. verbrandingsmotoren of gasturbines, die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig; b. verbrandingsmotoren of gasturbines, andere dan die worden gebruikt als hoofdvoortstuwingswerktuig indien zodanige werktuigen een gezamenlijk vermogen hebben van niet minder dan 375 kW, of c. met olie gestookte ketels of oliestookinrichtingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>ruimten voor machines: alle ruimten voor machines van categorie A en alle andere ruimten waarin voortstuwingswerktuigen, ketels, oliestookinrichtingen, stoommachines, verbrandingsmotoren en gasturbines, generatoren, stuurinrichtingen, belangrijke elektrische werktuigen, olielaadstations, koelmachine-installaties, stabilisatie-inrichtingen, luchtverversings- en luchtbehandelinginstallaties zijn ondergebracht en soortgelijke ruimten, alsmede de bijbehorende schachten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 60 m of meer bedraagt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Constructie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen zijn van staal of ander, gelijkwaardig materiaal vervaardigd, tenzij anders is aangegeven in het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De isolatie van onderdelen van schotten van klasse «A» of« B», die van aluminiumlegering zijn vervaardigd, met uitzondering van die welke naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet lastdragend zijn, is zodanig dat de temperatuur van de metalen kern van de constructie gedurende de van toepassing zijnde brandproef te eniger tijd niet meer dan 200°C boven de temperatuur van de omgeving stijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bijzondere aandacht wordt geschonken aan de isolatie van onderdelen van stutten, stijlen en andere delen van de constructie die van aluminiumlegering zijn vervaardigd en die nodig zijn ter ondersteuning van de plaatsen voor de opstelling en het te water brengen van en de inscheping in de groepsreddingsmiddelen, en van schotten van klasse «A» en «B», teneinde zeker te stellen: a. dat voor dergelijke constructiedelen die de plaatsen met de groepsreddingsmiddelen en schotten van klasse «A» steunen, de grens voor de temperatuurstijging, genoemd in het tweede lid, aan het einde van een uur zal gelden, en b. dat voor dergelijke constructiedelen die schotten van klasse «B» ondersteunen, de grens voor de temperatuurstijging, genoemd in tweede lid, aan het einde van een half uur zal gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Kappen en schachten van ruimten voor machines van categorie A zijn van staal en zijn naar behoren geïsoleerd, terwijl de eventuele openingen daarin doelmatig zijn aangebracht en zijn voorzien van middelen om uitbreiding van brand tegen te gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Schotten binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Binnen ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn alle schotten van klasse «B» opgetrokken van dek tot dek en strekken zij zich uit tot de huid of tot andere begrenzingswanden, tenzij aan beide zijden van de schotten doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» of beide zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen bij het doorlopende plafond of de doorlopende beschieting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Methode IF: alle schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse« A» of «B» zijn, zijn ten minste schotten van klasse« C».</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Methode IIF: de constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse «A» of «B» zijn, is niet aan beperking onderworpen, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 in artikel 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Methode IIIF: de constructie van schotten die niet ingevolge het bepaalde in dit artikel of andere artikelen van deze paragraaf van klasse «A» of «B» zijn, is niet aan beperkingen onderworpen. De oppervlakte van enige ruimte of ruimten voor accommodatie die door een doorlopend schot van klasse «A» of «B» worden begrensd, bedraagt in geen geval meer dan 50 m2, behoudens in die gevallen waarin schotten van klasse «C» zijn vereist overeenkomstig tabel 1 in artikel 5.7. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor ruimten voor algemeen gebruik echter een grotere oppervlakte toestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van trappen en liftschachten in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations 1 Trappen die niet meer dan twee dekken bedienen zijn ten minste op een niveau beschermd door schotten van klasse «B 0» en zelfsluitende deuren. Liften die niet meer dan twee dekken bedienen, zijn omsloten door schotten van klasse «A 0», die op beide niveaus zijn voorzien van stalen deuren. Trappen en liftschachten die meer dan twee dekken bedienen, zijn ten minste omsloten door schotten van klasse «A 0» en zijn beschermd door zelfsluitende deuren op alle niveaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het constructieve deel van alle trappen is van staal, behalve wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van ander, gelijkwaardig materiaal toestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Deuren in brandwerende schotten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Deuren hebben een brandwerend vermogen dat, voor zover als praktisch mogelijk is, gelijkwaardig is aan dat van het schot waarin zij zijn aangebracht. Deuren en deurkozijnen in schotten van klasse «A» zijn van staal. Deuren in schotten van klasse «B» zijn van onbrandbaar materiaal. Deuren aangebracht in begrenzingsschotten van ruimten voor machines van categorie A, zijn zelfsluitend en redelijk gasdicht. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van brandbare materialen toestaan in deuren die hutten scheiden van de eigen bijbehorende sanitaire ruimten, zoals douchecellen, indien methode IF is toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Deuren die zelfsluitend moeten zijn, zijn niet voorzien van vastzethaken. Vastzetinrichtingen mogen evenwel worden toegepast indien deze zijn voorzien van op afstand bediende ontkoppelingsinrichtingen van een type dat de deur doet sluiten indien het systeem in het ongerede geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ventilatieopeningen mogen zijn aangebracht in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren zijn uitsluitend in de onderste helft van een deur aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, bedraagt de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer dan 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, is deze voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Waterdichte deuren behoeven niet geïsoleerd te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Brandwerendheid van schotten en dekken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Behalve aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in deze paragraaf worden voorgeschreven, voldoet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste aan de eisen zoals voorgeschreven in de onderstaande tabellen 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij het gebruik van de tabellen gelden de volgende bepalingen: a. de tabellen 1 en 2 zijn van toepassing op onderscheidenlijk schotten en dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden, en b. ter bepaling van de passende normen voor de brandwerendheid die moeten worden aangelegd voor schotten en dekken tussen aan elkaar grenzende ruimten, zijn deze ruimten als volgt ingedeeld op grond van hun brandrisico:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Controlestations (1): – ruimten waarin de noodkrachtbronnen en de voorzieningen voor de noodverlichting zijn ondergebracht; – stuurhuis en kaartenkamer; – ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig is ondergebracht; – ruimten ten behoeve van brandblussing, stations voor brandcontrole en brandmelding; – controleruimte voor de voortstuwingsinstallatie, indien deze is gelegen buiten de ruimten voor machines; – ruimten waarin de brandalarmeringsapparatuur bijeen is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gangen (2): – gangen en portalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimten voor accommodatie (3): – ruimten als bedoeld in artikel 5.2, de onderdelen 10 en 11, met uitzondering van gangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trappen (4): – binnentrappen, liften en roltrappen, die niet geheel binnen de ruimten voor machines liggen, alsmede de bijbehorende ingesloten ruimten. In dit verband wordt een trap die slechts op één niveau is ingesloten beschouwd als een deel van de ruimte waarin hij niet door een brandwerende deur is gescheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5): – bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van minder dan 2 m2, droogkamers en wasserijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimten voor machines van categorie A (6): – ruimten als bedoeld in artikel 5.2, onderdeel 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">7°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere ruimten voor machines (7): – ruimten als bedoeld in artikel 5.2, onderdeel 15, alsmede ruimten waar vis tot vismeel wordt verwerkt, doch met uitzondering van ruimten voor machines van categorie A.</p>\n<p class=\"lf-p\">8°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Laadruimten (8): – alle ruimten die gebruikt worden voor lading, met inbegrip van ladingolietanks, alsmede schachten en luikhoofden van zodanige ruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9): – kombuizen, pantry's die voorzien zijn van kooktoestellen, verfhutten, lampenhutten, bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van 2 m2 of meer, alsmede werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines.</p>\n<p class=\"lf-p\">10°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Open dekken (10): – open dekruimten en gesloten wandelgangen, ruimten waar vis in rauwe staat wordt verwerkt, ruimten waar vis wordt schoongespoeld en soortgelijke ruimten die niet brandgevaarlijk zijn; – luchtruimten buiten de bovenbouwen en dekhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titel van elke categorie moet meer als omschrijving dan als beperking worden beschouwd. Het tussen haakjes geplaatste nummer achter elke categorie verwijst naar de desbetreffende kolom of rij in de tabellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 – Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden Ruimten</p>\n<p class=\"lf-p\">(1)</p>\n<p class=\"lf-p\">(2)</p>\n<p class=\"lf-p\">(3)</p>\n<p class=\"lf-p\">(4)</p>\n<p class=\"lf-p\">(5)</p>\n<p class=\"lf-p\">(6)</p>\n<p class=\"lf-p\">(7)</p>\n<p class=\"lf-p\">(8)</p>\n<p class=\"lf-p\">(9)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(10)</span>Controlestations</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>A-0e A-0 A-60 A-0 A-15 A-60 A-15 A-60 A-60 ∗ Gangen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>C B-0 B-0A-0c B-0 A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Ruimten voor accommodatie</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>Ca,b B-0 A-0c B-0 A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Trappen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(4)</span>B-0A-0c B-0A-0c A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(5)</span>C A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Ruimten voor machines van categorie A</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(6)</span>∗ A-0 A-0 A-60 ∗ Andere ruimten voor machines</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(7)</span>A-0d A-0 A-0 ∗ Laadruimten</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(8)</span>∗ A-0 ∗ Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(9)</span>A-0d ∗ Open dekken</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(10)</span>- Noten: (zie tabel 2) Tabel 2 – Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden Ruimte onder Ruimte boven</div>\n<p class=\"lf-p\">(1)</p>\n<p class=\"lf-p\">(2)</p>\n<p class=\"lf-p\">(3)</p>\n<p class=\"lf-p\">(4)</p>\n<p class=\"lf-p\">(5)</p>\n<p class=\"lf-p\">(6)</p>\n<p class=\"lf-p\">(7)</p>\n<p class=\"lf-p\">(8)</p>\n<p class=\"lf-p\">(9)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(10)</span>Controle stations</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Gangen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>A-0 ∗ ∗ A-0 ∗ A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Ruimten voor accommodatie</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>A-60 A-0 ∗ A-0 ∗ A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Trappen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(4)</span>A-0 A-0 A-0 ∗ A-0 A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(5)</span>A-15 A-0 A-0 A-0 ∗ A-60 A-0 A-0 A-0 ∗ Ruimten voor machines van categorie A</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(6)</span>A-60 A-60 A-60 A-60 A-60 ∗ A-60 A-30 A-60 ∗ Andere ruimten voor machines</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(7)</span>A-15 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 ∗ A-0 A-0 ∗ Laadruimten</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(8)</span>A-60 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 ∗ A-0 ∗ Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(9)</span>A-60 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0d ∗ Open dekken</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(10)</span>∗ ∗ ∗ ∗ ∗ ∗ ∗ ∗ ∗ - Noten: Onderstaande noten gelden, voorzover van toepassing, voor zowel tabel 1 als tabel 2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>Bij de brandbescherming volgens methode IIF en IIIF worden geen bijzondere eisen aan deze schotten gesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>Bij de toepassing van methode IIIF moeten schotten van klasse «B-0» zijn aangebracht tussen ruimten of groepen van ruimten met een oppervlakte van 50 m2 of meer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Ter verduidelijking van hetgeen van toepassing is, zie de artikelen 5.4 en 5.5.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>Indien ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en de letter d staat vermeld, wordt een schot of dek met een brandwerendheid zoals aangegeven in de tabellen, alleen geëist indien de aan elkaar grenzende ruimten voor verschillende doeleinden dienen, zoals bijvoorbeeld in categorie (9). Indien twee kombuizen aan elkaar grenzen, worden aan het schot geen eisen gesteld, doch indien een kombuis aan een verfhut grenst, is een schot van klasse «A-0» vereist.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">e)</span>Schotten die het stuurhuis, de kaartenkamer en de radiohut van elkaar scheiden, mogen schotten van klasse «B-0» zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">f)</span>Brandisolatie hoeft niet te worden aangebracht indien de ruimte voor machines in categorie (7), naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, niet of in geringe mate brandgevaarlijk is. ∗ Wanneer een sterretje in de tabellen staat vermeld, moet het scheidingsschot of -dek van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, doch het behoeft niet van klasse «A» te zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">3 Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» kunnen, tezamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor ruimten voor machines gelden ten aanzien van ramen en schijnlichten de volgende voorschriften: a. schijnlichten die kunnen worden geopend, kunnen van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht worden gesloten. Schijnlichten waarin ramen zijn aangebracht zijn aan de buitenzijde voorzien van blinden van staal of ander gelijkwaardig materiaal en zijn vast aan het schijnlicht verbonden, b. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingsschotten van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van draadglas in schijnlichten en glas in controlekamers die geheel in ruimten voor machines zijn gelegen niet uit, en c. schijnlichten als bedoeld onder a zijn voorzien van draadglas.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In de buitenste begrenzingswanden die ingevolge het bepaalde in artikel 5.3, eerste lid, van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in deze paragraaf is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse« A» hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse «A» behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Constructiedetails</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Methode IF In ruimten voor accommodatie, in dienstruimten en in controlestations zijn alle beschietingen, afstoppingen, plafonds en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Methoden IIF en IIIF In de gangen en in ingesloten ruimten voor trappen die toegang geven tot ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, zijn plafonds, beschietingen, afstoppingen en het bijbehorende grondhout van onbrandbaar materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Methoden IF, IIF en IIIF a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij toegepast in laadruimten of koel- en vrieskamers in dienstruimten, zijn de isolatiematerialen onbrandbaar met dien verstande dat dampwerende lagen, kleefstoffen gebruikt bij isolatie, alsmede de isolatie van pijpleidingen van koudwatersystemen niet van onbrandbaar materiaal behoeven te zijn, doch zij worden tot het praktisch mogelijke minimum beperkt en het vlamverspreidend vermogen van de blootgestelde oppervlakken ervan is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. In ruimten waarin olieproducten aanwezig kunnen zijn, is het oppervlak van de isolatie ondoordringbaar voor olie en oliedampen. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien onbrandbare schotten, beschietingen en plafonds zijn aangebracht in ruimten voor accommodatie en dienstruimten, mogen deze binnen deze ruimten zijn voorzien van een brandbare fineerlaag mits deze niet dikker is dan 2 mm, behalve in gangen, ingesloten ruimten voor trappen en controlestations, alwaar deze laag niet dikker mag zijn dan 1,5 mm. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Luchtruimten, ingesloten achter wanden en beschietingen en tussen plafonds en dekken, zijn op passende wijze onderverdeeld door afstoppingen die de trek tegengaan en die niet verder dan 14 m uiteen liggen. In verticale richting zijn dergelijke ruimten, met inbegrip van die achter beschietingen van trappenhuizen, schachten en andere ruimten, op elk dek afgestopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Ventilatiesystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ventilatiekanalen zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte stukken van kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 m en waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 m2 bedraagt, behoeven niet onbrandbaar te zijn, mits aan onderstaande voorwaarden is voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. de kanalen zijn vervaardigd van een materiaal dat slechts in beperkte mate brandgevaarlijk is, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, 2°. zij mogen alleen worden gebruikt aan het eind van het ventilatiesysteem, en 3°. zij mogen zich, langs het kanaal gemeten, niet op minder dan 600 mm vanaf een doorvoering door een schot van klasse «A» of «B», doorlopende plafonds van klasse «B» daaronder begrepen, bevinden. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ventilatiekanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m2 bedraagt, door schotten of dekken van klasse« A» gaan, zijn de openingen voorzien van een stalen ommantelingskoker, tenzij de kanalen die door schotten of dekken gaan ter plaatse van de doorvoering door het dek of schot van staal zijn en voor dat deel van het kanaal voldoen aan de volgende voorschriften:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. voor kanalen, waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m2 bedraagt, hebben de ommantelingskokers een dikte van ten minste 3 mm en een lengte van ten minste 900 mm; bij doorvoering door een schot verdient het aanbeveling deze lengte gelijkelijk over beide zijden van het schot te verdelen. Kanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m2 bedraagt, zijn voorzien van een brandisolatie die ten minste dezelfde brandwerendheid heeft als het schot of dek waardoor het kanaal is gevoerd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een door hem gelijkwaardig geachte beveiliging van de doorvoering toestaan, en 2°. kanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,075 m2 bedraagt, zijn, in aanvulling op het bepaalde in onderdeel 1, voorzien van brandkleppen die automatisch werken, doch tevens aan beide zijden van het schot of dek met de hand kunnen worden gesloten. Brandkleppen zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Brandkleppen zijn echter niet vereist indien kanalen door ruimten lopen die zijn omsloten door schotten van klasse «A» en die niet door deze kanalen worden bediend, mits deze kanalen dezelfde brandwerendheid hebben als de schotten waar doorheen zij gevoerd worden. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie «A» of voor kombuizen mogen in het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie evenwel kan toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ventilatiekanalen voor ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen in het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen met dien verstande dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie evenwel kan toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ventilatiekanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m2 bedraagt, door schotten of dekken van klasse« B» gaan, zijn de openingen voorzien van stalen ommantelingskokers die een lengte van ten minste 900 mm hebben, tenzij de kanalen over dezelfde lengte ter plaatse van de doorvoering zijn vervaardigd van staal, waarbij deze lengte waar mogelijk gelijk over beide zijden van het schot van klasse« B» is verdeeld. f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al het mogelijke wordt gedaan om te bereiken, dat in controlestations die buiten ruimten voor machines zijn gelegen, ventilatie, zicht en afwezigheid van rook worden gehandhaafd, zodat in geval van brand de werktuigen en toestellen daarin op deugdelijke wijze blijven werken en gecontroleerd kunnen worden. Er is een extra gescheiden systeem van luchttoevoer aangebracht, waarbij de inlaatopeningen van de beide systemen van luchttoevoer zo zijn gelegen, dat het gevaar dat zij gelijktijdig rook aanzuigen tot een minimum beperkt blijft. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat dergelijke eisen niet worden gesteld aan controlestations, gelegen op en uitgang verlenend naar een open dek, of daar waar plaatselijke afsluitmiddelen zijn aangebracht die even doeltreffend zijn. g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien kokers van afvoerkappen boven fornuizen door ruimten voor accommodatie of ruimten met brandbare materialen lopen, zijn zij geconstrueerd als schotten van klasse «A», waarbij elke afvoerkoker is uitgerust met:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. een vetvanger die gemakkelijk kan worden verwijderd voor reiniging, 2°. een brandklep in het onderste deel van de koker, 3°. een inrichting die vanuit de kombuis kan worden bediend voor het stoppen van de afzuigventilator, en 4°. een vast aangebrachte inrichting om een brand in de koker te blussen, tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aanbrengen van een dergelijke inrichting op een vaartuig, waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, niet praktisch uitvoerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De hoofdin- en uitlaten van alle ventilatiesystemen kunnen worden gesloten buiten de ruimten die worden geventileerd. Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines kunnen vanaf een gemakkelijk bereikbare plaats buiten de ruimten die zij bedienen, worden gestopt. Deze plaats is zodanig gelegen dat die niet gemakkelijk onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend. De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines kunnen worden gestopt, is geheel gescheiden van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten kan worden gestopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Er zijn middelen aanwezig om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, zijn onafhankelijk van systemen die andere ruimten bedienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. De ventilatie vindt plaats op hoog en op laag niveau. De in- en uitlaten van de ventilatoren zijn op een veilige plaats aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verwarmingsinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Elektrische verwarmingstoestellen zijn vast opgesteld en zijn zo ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze toestellen mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat kleding, gordijnen of andere soortgelijke materialen in de directe omgeving kan doen schroeien of in brand doen geraken door de hitte van het element.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Verwarming door middel van open vuur is niet toegestaan. Verwarmingskachels en andere soortgelijke apparaten zijn deugdelijk bevestigd en zij zijn onder, rondom en ter hoogte van de schoorsteenoploop voorzien van voldoende bescherming en isolatie tegen brand. Schoorsteenoplopen van kachels die vaste brandstof verstoken, zijn zo ingericht en ontworpen dat de kans op verstopt raken door verbrandingsproducten tot een minimum wordt beperkt en zijn uitgerust met een toegankelijke voorziening om schoon te maken. Kleppen om de schoorsteentrek te regelen hebben bij de gesloten stand nog enige doorlaat. Ruimten waarin kachels zijn geplaatst zijn voorzien van ventilatoren met voldoende doortocht om te kunnen voorzien in voldoende verbrandingslucht voor de kachel. Dergelijke ventilatoren mogen niet zijn uitgerust met een afsluitmiddel en hun opstelling is zodanig dat afsluitmiddelen die voldoen aan het bepaalde in artikel 2.9 niet vereist zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toestellen met een open gasvlam, met uitzondering van kookkachels en waterverwarmers, zijn niet toegestaan. Ruimten waarin dergelijke kachels en waterverwarmers zijn geplaatst, zijn voorzien van voldoende ventilatie om dampen en mogelijke gaslekkage naar een veilige plaats af te voeren. Alle leidingen waardoor het gas vanaf het drukvat naar de kachel of waterverwarmer wordt geleid, zijn van staal of een ander goedgekeurd materiaal. Er zijn automatische veiligheidsinrichtingen voor het afsluiten van de gastoevoer aangebracht, die in werking treden bij drukverlies in de hoofdgasleiding of in het geval van vlamstoring bij elk toestel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien propaan of butaan wordt gebruikt voor huishoudelijke doeleinden zijn de inrichting, de opslag, de distributie en het gebruik van de brandstof ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en voldoen zij aan het bepaalde in artikel 5.12.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Diversen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Alle blootgestelde oppervlakken in gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken, met inbegrip van het daarmee verbonden grondhout, in verborgen of ontoegankelijke plaatsen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations hebben een laag vlamverspreidend vermogen. Blootgestelde oppervlakken van plafonds in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations hebben een laag vlamverspreidend vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, die worden gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, zijn volgens de FTP-Code getest zodanig dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren, en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations is van goedgekeurd materiaal dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Wanneer schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn doorboord voor het doorvoeren van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kanalen en dergelijke, of voor het aanbrengen van uitmondingen van het ventilatiesysteem, verlichtingsarmaturen en soortgelijke inrichtingen, zijn er zodanige maatregelen getroffen dat de brandwerendheid van de schotten of dekken niet vermindert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations zijn pijpen die door schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn gevoerd, van goedgekeurde materialen vervaardigd, rekening houdende met de temperatuur waaraan de betrokken schotten of dekken weerstand moeten kunnen bieden. Indien door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt toegestaan dat door ruimten voor accommodatie en dienstruimten olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, zijn de pijpen waardoor die olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd van goedgekeurd materiaal vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte mogen niet worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan het in het ongerede raken in geval van brand gevaar voor instromen van water zou meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In cinematografische installaties wordt geen filmmateriaal op basis van cellulosenitraat gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Afvalbakken, andere dan die worden gebruikt bij de verwerking van vis, zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen zijn voorzien van inrichtingen voor afstandsbediening die zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten, zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Waar nodig zijn lekbakken aangebracht, teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Brandbare isolatie in visruimen is door een goed afsluitende bekleding beschermd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag van gasflessen en van gevaarlijke materialen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Flessen die zijn bestemd voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen zijn duidelijk gemarkeerd door middel van voorgeschreven kleuren voor identificatie en zijn voorzien van een duidelijk leesbare identificatie van de naam en chemische formule van hun inhoud. Dergelijke flessen zijn deugdelijk vastgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Flessen die ontvlambare of andere gevaarlijke gassen bevatten, alsmede flessen die als zodanig in gebruik zijn geweest, zijn deugdelijk geborgd en zijn opgesteld op het open dek en alle afsluiters, drukregelaars en op de flessen aangesloten leidingen zijn tegen beschadiging beschermd. De flessen zijn beschermd tegen grote veranderingen in temperatuur, direct zonlicht en opeenhoping van sneeuw. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat dergelijke flessen zijn opgeslagen in ruimten die voldoen aan de eisen van het derde tot en met vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ruimten waarin gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen zoals vluchtige verfstoffen, paraffine, benzol en dergelijke en, indien toegestaan, vloeibaar gemaakt gas zijn opgeslagen, zijn uitsluitend toegankelijk vanaf het open dek. Drukregeltoestellen en ontlastkleppen monden binnen deze ruimten uit. Wanneer begrenzingsschotten van dergelijke ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, zijn deze schotten gasdicht uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Elektrische bedrading en aansluitingen zijn niet toegestaan binnen ruimten die worden gebruikt voor het bergen van gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen en vloeibaar gemaakte gassen, tenzij benodigd binnen die ruimten. In dat geval zijn de elektrische aansluitingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikt voor gebruik in een ontvlambare atmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet dicht bij dergelijke ruimten bevinden en opschriften met «niet roken» en «geen open vuur» zijn aangebracht op een doelmatige plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Elk soort samengeperst gas is afzonderlijk opgeslagen. Ruimten die voor opslag van dergelijke gassen worden gebruikt, mogen niet worden gebruikt voor het opslaan van brandbare producten, noch voor gereedschappen of onderdelen die geen deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter met inachtneming van de kenmerkende eigenschappen, hoeveelheid en voorgenomen gebruik van dergelijke samengeperste gassen, verlichting van deze voorschriften toestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor ontsnapping</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In en vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, zijn trappen en ladders aangebracht waarlangs het open dek en vervolgens de groepsreddingsmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder voldoen zij aan de volgende bepalingen: a. op elk dek waarop zich ruimten voor accommodatie bevinden, zijn ten minste twee, zo ver mogelijk van elkaar verwijderde voorzieningen voor ontsnapping aangebracht. De normale voorzieningen voor toegang tot elke besloten ruimte of groep van ruimten mogen hieronder worden begrepen; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. onder het blootgestelde dek bestaat de hoofdvoorziening voor ontsnapping uit een trap, terwijl de tweede voorziening voor ontsnapping mag bestaan uit een schacht of trap, en 2°. boven het blootgestelde dek bestaan de voorzieningen voor ontsnapping uit trappen of deuren naar een open dek, dan wel uit een combinatie van beide; c. het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan bij wijze van uitzondering toestaan dat slechts één voorziening voor ontsnapping is aangebracht, indien de aard en de plaats van de ruimten en het aantal personen die in normale omstandigheden daarin verblijven of dienst doen, daartoe aanleiding geven; d. doodlopende gangen met een lengte van meer dan 7 m zijn niet toegestaan; e. de afmetingen van en de wijze waarop de voorzieningen voor ontsnapping zijn uitgevoerd, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In elke ruimte voor machines van categorie A zijn twee voorzieningen voor ontsnapping aangebracht, die bestaan uit hetzij: a. twee stel stalen ladders, aangebracht op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, die leiden naar eveneens zo ver mogelijk van elkaar verwijderde deuren in het bovenste gedeelte van de ruimte vanwaar het open dek kan worden bereikt. In het algemeen geeft een van deze ladders een ononderbroken bescherming tegen brand vanaf het onderste gedeelte van de ruimte tot een veilige plaats buiten de ruimte. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat een zodanige bescherming niet wordt aangebracht, indien de inrichting en de afmetingen van de ruimte voor machines zodanig zijn, dat in een veilige vluchtweg uit het onderste gedeelte van deze ruimte is voorzien. Deze bescherming is van staal, waar nodig geïsoleerd ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en aan de onderzijde voorzien van een zelfsluitende stalen deur, hetzij: b. een stalen ladder, die leidt naar een deur in het bovenste gedeelte van de ruimte, vanwaar het open dek kan worden bereikt. Bovendien is in het onderste gedeelte van de ruimte, ruimschoots verwijderd van deze ladder, een stalen deur aangebracht, die aan beide zijden kan worden bediend en die een veilige vluchtweg biedt vanuit het onderste gedeelte van de ruimte naar het open dek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Vanuit ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in veilige vluchtwegen voorzien, daarbij rekening houdend met de aard en de ligging van de betreffende ruimte alsmede of daarin onder normale omstandigheden personen dienst doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Liften worden niet beschouwd als een van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Voorzieningen voor ontsnapping zijn op de juiste plaatsen voorzien van signaleringen die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen nadere eisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (Methode IIF)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op vaartuigen waar methode IIF wordt toegepast is een automatische sprinkler-, brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Deze installatie is op zodanige wijze aangebracht, dat ruimten voor accommodatie en dienstruimten, met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, worden beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De installatie is te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed en generlei handeling van de zijde van de bemanning moet nodig zijn om de installatie in werking te stellen. De installatie is van het «natte pijp»-type, doch kleine blootgestelde delen kunnen van het «droge pijp»-type zijn, indien dit naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een noodzakelijke voorzorg is. Delen van de installatie die in bedrijfstoestand kunnen worden blootgesteld aan temperaturen beneden het vriespunt, zijn op passende wijze tegen bevriezing beschermd. De installatie staat steeds onder voldoende druk en is verzekerd van een voortdurende watertoevoer, zoals vereist in het zesde lid, onder b. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elke sprinklersectie zijn middelen aangebracht voor het automatisch geven van zichtbare en hoorbare signalen op een of meer alarmpanelen, wanneer een sprinkler gaat werken. Deze alarmpanelen geven een aanwijzing in welke door de installatie beschermde sectie zich brand voordoet en zijn gecentraliseerd op de brug; bovendien zijn zichtbare en hoorbare signalen afkomstig van het alarmpaneel op een zodanige plaats buiten het stuurhuis waarneembaar, dat zeker is dat de brandmelding onmiddellijk door de bemanning wordt opgemerkt. Een dergelijke alarminstallatie is zodanig geconstrueerd, dat eventueel in de installatie optredende defecten worden aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sprinklers zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, elk van niet meer dan 200. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke sprinklersectie wordt door middel van slechts één afsluiter afgescheiden van het overige deel van de installatie. De afsluiter in elke sectie is gemakkelijk bereikbaar en de plaats ervan is duidelijk en duurzaam aangegeven. Er zijn voorzieningen getroffen teneinde te voorkomen dat de afsluiters door een onbevoegde kunnen worden bediend. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een manometer die de druk in de installatie aangeeft, aangebracht bij iedere sectieafsluiter en op een centrale plaats. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sprinklers zijn bestand tegen corrosie. In ruimten voor accommodatie en dienstruimten werken de sprinklers bij een temperatuur tussen 68°C en 79°C, behalve dat in ruimten zoals droogkamers, waar een hoge temperatuur kan worden verwacht, de temperatuur waarbij de sprinkler gaat werken, kan worden verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of bij elk alarmpaneel is duidelijk aangegeven wat de door de installatie bestreken ruimten zijn en de plaats van de betreffende sprinklersectie ten opzichte van de overige secties. Er zijn passende instructies voor de beproeving en het onderhoud aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De sprinklers zijn hoog in de ruimte aangebracht in een zodanig patroon dat de levering van een gemiddelde hoeveelheid water van niet minder dan 5 l/m2/min. wordt gehandhaafd over de nominale oppervlakte die door de sprinklers wordt bestreken. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het gebruik van sprinklers toestaan die een andere hoeveelheid water, op de juiste wijze verdeeld, leveren en waarvan ten genoegen van genoemd hoofd is aangetoond dat zij niet minder doeltreffend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een druktank is aangebracht met een inhoud gelijk aan ten minste het dubbele van de hoeveelheid water zoals aangegeven in dit lid. De tank bevat permanent een hoeveelheid zoet water die gelijk is aan de hoeveelheid water die in één minuut zou worden geleverd door de pomp zoals bedoeld in het zesde lid, onder b. De inrichting voorziet in een zodanige handhaving van de luchtdruk in de tank dat wordt gewaarborgd dat, nadat de permanente hoeveelheid zoet water uit de tank is gedreven, de druk niet minder zal zijn dan de werkdruk van de sprinkler, vermeerderd met de statische druk van een kolom water gemeten van de bodem van de tank tot de hoogste sprinkler in het systeem. Er zijn passende middelen aanwezig voor de aanvulling van de onder druk staande lucht en van de zoetwatervoorraad in de tank. Er is een peilglas aangebracht dat het waterpeil in de tank aangeeft. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn middelen aanwezig om te verhinderen dat zeewater in de tank kan stromen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een onafhankelijke mechanisch aangedreven pomp aanwezig, uitsluitend bestemd voor automatische voortzetting van de afgifte van water uit de sprinklers. De pomp treedt automatisch in werking door een drukval in het systeem voordat de permanente hoeveelheid zoet water in de druktank volledig is uitgeput. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pomp en het leidingstelsel zijn in staat de nodige druk ter hoogte van de hoogste sprinkler te handhaven, teneinde een voortdurende afgifte van water te verzekeren die voldoende is voor het gelijktijdig bestrijken van de maximum oppervlakte die wordt begrensd door onbrandbare schotten van klasse« A» en «B» of van een oppervlakte van 280 m2, waarbij de kleinste oppervlakte mag worden aangehouden, bij een hoeveelheid water per tijdseenheid als aangegeven in het vierde lid. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pomp is aan de drukzijde voorzien van een proefkraan met een korte open afvoerpijp. De effectieve doorstroomopening van de kraan en de pijp is groot genoeg om de vereiste pompcapaciteit af te voeren bij een druk in het systeem, zoals die is omschreven in het vijfde lid, onderdeel a. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zee-inlaat van de pomp ligt, indien mogelijk, in dezelfde ruimte als waarin de pomp is opgesteld en is zodanig geplaatst dat het bij het te water liggende vaartuig niet nodig is de toevoer van zeewater naar de pomp af te sluiten voor andere doeleinden dan inspectie of reparatie van de pomp.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De sprinklerpomp en -tank zijn opgesteld op een redelijke afstand van ruimten voor machines van categorie A. Zij mogen niet zijn opgesteld in een ruimte die door het sprinklersysteem wordt beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste twee krachtbronnen zijn aanwezig voor de aandrijving van de sprinklerpomp en voor de voeding van de automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Indien de pomp door een elektromotor wordt aangedreven, is deze aangesloten op de elektrische hoofdkrachtbron die door ten minste twee generatoren kan worden gevoed. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voedingsleidingen zijn zodanig aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere ingesloten ruimten met een hoog brandrisico lopen, behoudens voorzover het noodzakelijk is om het desbetreffende schakelbord te bereiken. Een van de krachtbronnen voor de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie is een noodkrachtbron. Indien een van de krachtbronnen voor de pomp een verbrandingsmotor is, voldoet de opstelling hiervan aan het bepaalde in het zevende lid en is tevens zo gelegen dat de luchttoevoer naar de desbetreffende motor niet wordt beïnvloed door een brand in een beschermde ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 De sprinklerinstallatie heeft een verbinding met de hoofdbrandblusleiding van het vaartuig door middel van een afsluiter met een losse klep die is voorzien van een borginrichting met slot, waardoor het terugvloeien van water vanuit de sprinklerinstallatie naar de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een proefkraan aanwezig voor de beproeving van het automatische alarm voor elke sprinklersectie, waardoor een hoeveelheid water kan worden afgevoerd die gelijkwaardig is aan de werking van een sprinkler. De proefkraan voor elke sectie is bij de sectieafsluiter geplaatst. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn middelen aanwezig voor de beproeving van de automatische werking van de pomp door de druk in het systeem te verminderen. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn schakelaars aanwezig bij een van de alarmpanelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, waarmee de hoorbare en zichtbare alarmen van elke sprinklersectie kunnen worden beproefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Voor elke sprinklersectie bepaalt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aantal reserve sprinklerkoppen dat aanwezig moet zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (Methode IIIF)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op vaartuigen waar methode IIIF wordt toegepast, is een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Deze installatie is op zodanige wijze aangebracht, dat de aanwezigheid van brand in alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, kan worden ontdekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De installatie is te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed en generlei handeling van de zijde van de bemanning moet nodig zijn om de installatie in werking te stellen. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elke sectie als bedoeld in het derde lid zijn middelen aangebracht voor het automatisch geven van zichtbare en hoorbare alarmsignalen op een of meer alarmpanelen, wanneer een branddetector gaat werken. Deze alarmpanelen geven een aanwijzing in welke door de installatie beschermde sectie zich brand voordoet en zijn gecentraliseerd op de brug en op zodanige andere plaatsen, dat zeker is dat elk alarm van de installatie onmiddellijk door de bemanning wordt opgemerkt. Bovendien zijn er voorzieningen aangebracht teneinde zeker te stellen dat een hoorbaar alarmsignaal wordt gegeven op het dek waarop de brand is ontdekt. Een dergelijke alarminstallatie is zodanig geconstrueerd, dat eventueel in de installatie optredende defecten worden aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De branddetectors zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, die zich uitstrekken tot niet meer dan 50 ruimten waarin een dergelijke installatie is aangebracht en die niet meer dan 100 detectors mogen omvatten. De branddetectors zijn op zodanige wijze in zones ondergebracht, dat kan worden aangegeven op welk dek zich brand voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De installatie wordt in werking gesteld door een abnormale temperatuur van de lucht, door een abnormale rookconcentratie of door andere factoren, die een begin van brand in een te beschermen ruimte aanduiden. De installaties die reageren op de temperatuur van de lucht, mogen niet in werking treden bij een temperatuur van minder dan 54°C en treden in werking bij een temperatuur van niet meer dan 78°C, wanneer de temperatuurstijging tot die waarden niet meer is dan 1°C/min. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat in ruimten zoals droogkamers, waar hoge omgevingstemperaturen kunnen worden verwacht, de temperatuur waarbij de installatie in werking treedt, wordt verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond. Installaties bestaande uit rookdetectoren die reageren op een vermindering van de intensiteit van een uitgezonden lichtstraal treden in werking alvorens de rookdichtheid een waarde van 12,5% verduistering per meter overschrijdt, maar niet voordat de rookdichtheid een waarde van 2% verduistering per meter overschrijdt. Andere even doeltreffende methoden voor inwerkingstelling van de installatie kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aanvaard. De ontdekkingsinstallatie mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor brandontdekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De branddetectors zijn zodanig uitgevoerd dat zij het alarm in werking stellen door hetzij openen of sluiten van contacten, hetzij op een andere doelmatige wijze. Zij zijn hoog in de ruimte geplaatst en op deugdelijke wijze beschermd tegen stoten en mogelijke andere oorzaken van beschadiging. Zij zijn bestand tegen de inwerking van zeelucht. Zij zijn op een open plaats aangebracht, vrij van dekbalken en andere voorwerpen die het toestromen van hete gassen of rook naar het gevoelige element zouden kunnen belemmeren. Detectors die in werking treden door het sluiten van contacten, zijn van een type waarbij de contacten zijn afgesloten van de buitenlucht. Er zijn voorzieningen aanwezig om het systeem voortdurend op defecten te kunnen controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In elke ruimte waar voorzieningen van brandontdekking zijn vereist, is ten minste een detector aangebracht, met dien verstande dat voor elke 37 m2 dekoppervlakte tenminste een detector aanwezig is. In grote ruimten zijn de detectors aangebracht in een regelmatig patroon, zodat geen enkele detector meer dan 9 m van een andere detector of meer dan 4,5 m van een schot is verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Ten minste twee krachtbronnen zijn aanwezig voor de elektrische apparatuur, nodig voor het functioneren van de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Een van deze krachtbronnen is een noodkrachtbron. De voeding geschiedt door uitsluitend voor dit doel bestemde voedingsleidingen. De voedingsleidingen zijn aangesloten op een omschakelaar in het controlestation voor het brandontdekkingssysteem. De leidingen zijn zodanig aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere besloten ruimten met een groot brandrisico lopen, behoudens voorzover dergelijke leidingen nodig zijn voor brandontdekking in deze ruimte of om het betreffende schakelbord te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of bij elk alarmpaneel is de door de installatie bestreken ruimten en de ligging van de desbetreffende zone van het ontdekkingssysteem duidelijk aangegeven. Instructies voor de beproeving zijn aanwezig. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn middelen aanwezig waarmee hete lucht of rook op detectors kan worden gericht, teneinde de goede werking daarvan en die van de alarmpanelen te beproeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Voor elke sectie van de brandontdekkingsinstallatie is een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen aantal reserve detectorelementen aan boord aanwezig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vast aangebrachte brandblusinstallaties voor laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn Laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn, zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof of door een brandblusinstallatie die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een gelijkwaardige bescherming biedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Brandbluspompen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Aan boord van een vaartuig zijn ten minste twee brandbluspompen aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Wanneer een brand in een bepaalde afdeling alle brandbluspompen buiten werking zou kunnen stellen, is een vervangend middel aanwezig voor het leveren van water voor het blussen van brand. Op vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, bestaat dit vervangend middel uit een vast opgestelde, onafhankelijk aangedreven noodbrandbluspomp. Deze noodbrandbluspomp is in staat tot het leveren van twee stralen water, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De brandbluspompen, de noodbrandbluspomp uitgezonderd, zijn in staat voor brandblusdoeleinden een totale hoeveelheid water te leveren met een minimum druk van 0,25 N/mm2, met een totale capaciteit (Q) van ten minste:</p>\n<p class=\"lf-p\">Q = [0,15 √{L(B+D)} + 2,25]2 m3 per uur waarin L, B en D in meters zijn. De vereiste totale capaciteit der brandbluspompen behoeft echter niet groter te zijn dan 180 m3 per uur. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke voorgeschreven brandbluspomp, behalve de noodbrandbluspomp, heeft een capaciteit van niet minder dan 40% van de in onderdeel a vereiste totale capaciteit van de brandbluspompen en is in elk geval in staat om ten minste de in artikel 5.19, tweede lid, onderdeel a, vereiste stralen water te leveren. Deze brandbluspompen moeten in staat zijn om de hoofdbrandblusleiding onder de voorgeschreven voorwaarden van water te voorzien. Wanneer meer dan twee pompen zijn opgesteld, moet de capaciteit van die extra pompen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandbluspompen zijn onafhankelijk aangedreven mechanische pompen. Sanitaire, ballast-, lens- of algemene dienstpompen kunnen worden aanvaard als brandbluspompen mits zij onder normale omstandigheden niet worden gebruikt voor het pompen van olie en, indien zij af en toe voor dit doel moeten worden gebruikt, doelmatige verwisselinrichtingen zijn aangebracht die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandbluspompen moeten alle van ontlastkleppen zijn voorzien indien zij in staat zijn een druk te leveren die de druk overtreft waarvoor de brandblusleidingen, brandkranen en brandslangen zijn ontworpen. Deze ontlastkleppen zijn op zodanige plaats aangebracht en zijn zodanig afgesteld, dat een te hoge druk in enig deel van de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mechanisch aangedreven noodbrandbluspompen moeten onafhankelijk zelfstandig aangedreven pompen zijn die zijn uitgerust met een eigen dieselmotor en brandstoftoevoer, die zijn opgesteld op een toegankelijke plaats buiten de ruimte waarin de hoofdbrandbluspompen zijn ondergebracht of worden aangedreven door een op zich zelf staande generator, die de noodgenerator mag zijn als bedoeld in artikel 4.17 met een voldoende capaciteit en op een veilige plaats buiten de machinekamer en bij voorkeur boven het werkdek opgesteld. De werking van de noodbrandbluspomp moet voor ten minste drie uur verzekerd zijn. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noodbrandbluspompen, zee-inlaatafsluiters en andere noodzakelijke afsluiters kunnen worden bediend vanaf een plaats die is gelegen buiten de ruimten waarin de overige brandbluspompen zijn ondergebracht. Deze plaats is zodanig dat het niet waarschijnlijk is dat zij in geval van brand in de bedoelde ruimten onbereikbaar wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Hoofdbrandblusleidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien meer dan één brandkraan is voorgeschreven om te kunnen voorzien in het aantal stralen water, zoals bedoeld in artikel 5.19, tweede lid, onderdeel a, is er een hoofdbrandblusleiding aangebracht. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdbrandblusleidingen hebben geen andere aansluitingen dan die welke voor de brandbestrijding zijn vereist, met uitzondering van aansluitingen die zijn aangebracht om het dek te wassen, de ankerkettingen schoon te spuiten en de lensejectoren te bedienen, onder voorwaarde dat de doelmatigheid van het brandblussysteem gehandhaafd blijft. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdbrandblusleidingen zijn op doelmatige plaatsen aftapkranen aangebracht om beschadiging door bevriezing te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doorlaat van de hoofdbrandblusleiding en van de aftakkingen daarvan is groot genoeg voor een doelmatige verwerking van de maximaal voorgeschreven opbrengst van twee gelijktijdig werkende brandbluspompen. De doorlaat behoeft echter niet groter te zijn dan voor de verwerking van 140 m3/uur nodig is. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de onder a genoemde opbrengst, geleverd door de aldaar genoemde pompen, wordt verwerkt door straalpijpen als omschreven in artikel 5.19, vijfde lid, gekoppeld aan slangen die zijn aangesloten op in elkaars nabijheid gelegen brandkranen, kan bij alle brandkranen ten minste een druk van 0,25 N/mm2 worden gehandhaafd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Brandkranen, brandslangen en straalpijpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal brandslangen is gelijk aan het aantal geplaatste brandkranen, zoals voorgeschreven in het tweede lid. Bovendien is er een reserve brandslang aanwezig. Dit aantal omvat niet de brandslangen zoals vereist in de machinekamer en het ketelruim. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een groter aantal brandslangen voorschrijven opdat, rekening houdende met de grootte van het vaartuig, steeds voldoende slangen beschikbaar en bereikbaar zijn. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandslangen zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal en zijn van voldoende lengte om met een waterstraal alle ruimten te kunnen bereiken waarvoor zij zijn bestemd. Deze lengte mag niet meer dan 20 m bedragen. Elke brandslang is voorzien van een straalpijp en de nodige koppelingen. Brandslangen worden tezamen met de benodigde onderdelen en gereedschappen voor gebruik gereed gehouden op opvallende plaatsen nabij de brandkranen of slangaansluitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal en de plaats van de brandkranen is zodanig dat met ten minste twee stralen water, niet afkomstig uit dezelfde brandkraan, waarbij voor een van deze stralen slechts een brandslanglengte mag worden gebruikt, elk deel van het vaartuig dat gedurende de vaart onder normale bedrijfsomstandigheden toegankelijk is, kan worden bereikt. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle voorgeschreven brandkranen zijn voorzien van brandslangen die zijn uitgerust met straalpijpen die kunnen spuiten en sproeien zoals is vereist in het vijfde lid. Er is een brandkraan aangebracht bij de toegang van de ruimte die moet worden beveiligd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Hoofdbrandblusleidingen en brandkranen zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn, tenzij deze voldoende zijn beschermd. Brandblusleidingen en brandkranen zijn zodanig geplaatst dat de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aan boord van vaartuigen die lading aan dek kunnen vervoeren is de plaats van de brandkranen altijd gemakkelijk bereikbaar en de leidingen zijn, zoveel als praktisch mogelijk, zodanig aangelegd dat gevaar voor beschadiging door een dergelijke lading wordt vermeden. Tenzij bij elke brandkraan een bijbehorende brandslang met straalpijp aanwezig is kan elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang worden aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Elke aansluiting voor een brandslang is voorzien van een kraan of afsluiter waarmee een brandslang gemakkelijk en snel kan worden aan- of afgekoppeld terwijl de brandbluspompen in werking zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Straalpijpen hebben een standaard spuitopening met een diameter van 12, 16 of 19 mm, dan wel een doorlaat die hier nagenoeg mee overeenkomt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een grotere spuitopening toestaan. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruimten voor accommodatie en dienstruimten behoeft de spuitopening van de straalpijpen niet groter te zijn dan 12 mm. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruimten voor machines en op open dekken is de diameter van de spuitopening van de straalpijpen zodanig dat met twee stralen water bij de druk, genoemd in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel b, met de kleinste pomp een zo groot mogelijke hoeveelheid water kan worden geleverd. Er behoeft echter geen straalpijp te worden gebruikt met een spuitopening waarvan de diameter meer dan 19 mm bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Brandblustoestellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een brandblustoestel is van een goedgekeurd type. De inhoud van een voorgeschreven draagbaar brandblustoestel met vloeibare blusstof mag niet groter zijn dan 13,5 l en niet kleiner dan 9 l. Een brandblustoestel met een andere blusstof is ten minste even goed draagbaar als een toestel met vloeibare blusstof van 13,5 l en het blusvermogen is ten minste gelijkwaardig aan dat van een dergelijk toestel met een blusstof van 9 l. De gelijkwaardigheid van brandblustoestellen wordt bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Brandblustoestellen die zijn gevuld met een blusstof die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie hetzij uit zichzelf, hetzij onder te verwachten gebruiksomstandigheden zodanige hoeveelheden giftige gassen afgeeft dat dit schadelijk is voor de gezondheid, zijn aan boord niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Brandblustoestellen worden periodiek nagezien en worden onderworpen aan de tests die door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In het algemeen is een van de draagbare brandblustoestellen die voor het gebruik in een bepaalde ruimte zijn bestemd, nabij de toegang tot die ruimte geplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn ten minste vijf goedgekeurde draagbare brandblustoestellen geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn ruimten waarin oliegestookte ketels of oliestookinrichtingen zijn opgesteld, voorzien van één van de volgende vast aangebrachte brandblusinstallaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. een sproei-installatie voor water onder druk, of 2°. een installatie met verstikkend gas als blusstof, of 3°. een installatie met gas als blusstof verkregen uit een verdampende vloeistof met een lage giftigheidgraad, of 4°. een installatie voor schuim met een hoog verschuimingsgetal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien machinekamers en ketelruimen niet volkomen van elkaar zijn gescheiden of wanneer brandstofolie vanuit het ketelruim in de machinekamer kan vloeien, worden de betrokken machinekamers en ketelruimen als één ruimte beschouwd. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe brandblusinstallaties met halon 1211 en 1301 als blusstof zijn verboden op nieuwe en bestaande vaartuigen. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven met betrekking tot het testen van bestaande installaties. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder ketelruim is ten minste één speciaal draagbaar schuimbrandblustoestel aanwezig ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste twee goedgekeurde draagbare brandblustoestellen met schuim of een gelijkwaardige blusstof zijn aanwezig op elke stookplaats van elk ketelruim en in elke ruimte waarin een deel van de oliestookinrichting is ondergebracht. Ten minste een schuimbrandblustoestel met een inhoud van ten minste 135 l of een daaraan gelijkwaardig gesteld brandblustoestel is voorzien van op haspels aangebrachte slangen die lang genoeg zijn om elk deel van de ruimte te kunnen bereiken. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdend met de afmetingen en de aard van de ruimte die moet worden beschermd, vermindering toestaan van het vereiste in dit onderdeel. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op elke stookplaats is een bak met zand, met soda doordrenkt zaagsel of een ander goedgekeurd droog materiaal aanwezig in hoeveelheden die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. Een goedgekeurd draagbaar schuimbrandblustoestel of een gelijkwaardig brandblustoestel kan hiervoor in de plaats worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Ruimten waarin verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld die worden gebruikt hetzij als hoofdvoortstuwingswerktuigen, hetzij voor andere doeleinden waarbij deze werktuigen tezamen een totaal vermogen hebben van niet minder dan 750 kW, zijn voorzien van: a. één van de brandblusinstallaties als voorgeschreven in het eerste lid, onderdeel a, b. ten minste een speciaal draagbaar schuimbrandblustoestel ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, en c. een voldoende aantal goedgekeurde schuimbrandblustoestellen met een inhoud van ten minste 45 l of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen om blusstof te kunnen richten op ieder deel van de brandstofsystemen, smeeroliedruksystemen, tandwielkasten en andere brandgevaarlijke plaatsen. Bovendien moet een voldoende aantal draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen aanwezig zijn, die zo zijn geplaatst dat geen enkel punt in de ruimte op een loopafstand van meer dan 10 m van een brandblustoestel is gelegen; er moeten echter in elke ruimte ten minste twee van deze brandblustoestellen aanwezig zijn. Voor kleinere ruimten kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afwijking van deze eisen toestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ruimten waarin stoomturbines of gesloten stoommachines zijn opgesteld, gebezigd hetzij als hoofdvoortstuwingswerktuigen, hetzij voor andere doeleinden waarbij deze werktuigen tezamen een totaal vermogen hebben van niet minder dan 750 kW, zijn voorzien van: a. een voldoende aantal schuimbrandblustoestellen met een inhoud van ten minste 45 l of daaraan gelijkwaardige brandblustoestellen, om blusstof te kunnen richten op ieder deel van het smeeroliedruksysteem, van de omkastingen van de onder druk gesmeerde delen van de turbines, machines of daarbij behorende tandwielkasten en andere brandgevaarlijke plaatsen. Deze brandblustoestellen zijn echter niet vereist indien in dergelijke ruimten een vast aangebrachte brandblusinstallatie aanwezig is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en b. een voldoende aantal draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardige brandblustoestellen die zo zijn geplaatst dat geen enkel punt in de ruimte op een loopafstand van meer dan 10 m van een brandblustoestel is gelegen; er moeten echter in elke ruimte ten minste twee van deze brandblustoestellen aanwezig zijn. Het bepaalde in dit onderdeel is niet van toepassing wanneer ingevolge het bepaalde in het tweede lid, onderdeel c, reeds brandblustoestellen zijn vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien er naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie brandgevaar aanwezig is in ruimten voor machines ten aanzien waarvan geen bepaalde voorschriften omtrent brandblusmiddelen zijn gegeven in het eerste, tweede en derde lid, zijn in of dicht bij deze ruimten een zodanig aantal brandblustoestellen of andere brandblusmiddelen opgesteld als door hem voldoende wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een vast aangebrachte brandblusinstallatie die niet in dit hoofdstuk wordt voorgeschreven, is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Voor een ruimte voor machines van categorie A die op een laag niveau toegankelijk is vanuit een aangrenzende schroefastunnel, is, behalve een waterdichte deur aan de van deze ruimte voor machines afgekeerde zijde, een lichte stalen brandwerende deur aangebracht die aan beide zijden geopend kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Ten aanzien van Nederlandse vissersvaartuigen geldt dat alle machineruimten van categorie A zijn uitgerust met een vast aangebrachte brandblusinrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Internationale walaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Er is ten minste een internationale walaansluiting aanwezig die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De standaardafmetingen van flenzen voor de internationale walaansluiting komen overeen met de onderstaande tabel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschrijving Afmeting Uitwendige flensdiameter 178 mm Inwendige flensdiameter 64 mm Diameter van de steekcirkel der bouten 132 mm Boutgaten 4 gaten van 19 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op de bovenstaande steekcirkel van de bouten, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek Flensdikte ten minste 14,5 mm Bouten en moeren 4, elk met een diameter van 16 mm en een lengte van 50 mm 3 De internationale walaansluiting is vervaardigd van materiaal, geschikt voor een werkdruk van 1,0 N/mm2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De flens is aan één zijde vlak. Op de andere zijde is een koppeling, passend op de brandkranen en brandslangen van het vaartuig, permanent aangebracht. De internationale walaansluiting wordt aan boord van het vaartuig bewaard, tezamen met een flenspakking geschikt voor een werkdruk van 1,0 N/mm2, alsmede met vier bouten met een diameter van 16 mm en een lengte van 50 mm en acht sluitringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Er zijn voorzieningen aangebracht om een dergelijke aansluiting aan beide zijden van het vaartuig te kunnen gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Brandweeruitrustingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Elk vaartuig is uitgerust met ten minste twee brandweeruitrustingen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De brandweeruitrustingen zijn zo opgeborgen, dat zij gemakkelijk bereikbaar en gereed voor gebruik zijn. Zij worden op ver uiteen liggende plaatsen bewaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Brandbeveiligingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter instructie van de bemanning wordt een brandbeveiligingsplan permanent opgehangen op daarvoor in aanmerking komende plaatsen. De uitvoering van dit plan is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Brandbestrijdingsmiddelen worden goed onderhouden en zijn te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Toelating van vervangende middelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven kan, indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een en ander niet minder effectief is, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Brandbeveiligingsmaatregelen op vaartuigen waarvan de lengte 45 m onderscheidenlijk 24 m of meer bedraagt, maar minder dan 60 m</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27a</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, maar minder dan 60 meter, alsmede op alle vaartuigen met een lengte van 24 meter of meer, maar minder dan 60 meter die dienstdoen in Nederlandse wateren of die hun vangst aan land brengen in een Nederlandse haven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Structurele brandbeveiliging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen zijn van onbrandbare materialen vervaardigd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een brandbare constructie toestaan mits wordt voldaan aan de van toepassing zijnde bepalingen van dit artikel en aan de aanvullende bepalingen van artikel 5.40, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, zijn dekken en schotten die ruimten voor machines van categorie A scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, van klasse« A-60» wanneer de ruimte voor machines van categorie A niet is voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie, en van klasse «A-30» wanneer een dergelijke installatie wel is aangebracht. Dekken en schotten die andere ruimten voor machines scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, zijn van klasse «A-0». Dekken en schotten die controlestations scheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten zijn van klasse «A» en zijn geïsoleerd ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het aanbrengen van wanden van klasse «B-15» toestaan voor de scheiding van ruimten zoals de hut van de schipper en de brug. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, zijn dekken en schotten, die ruimten voor machines scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «F» of klasse «B-15». Bovendien verhinderen dekken en schotten die ruimten voor machines omgeven, zoveel als praktisch mogelijk is de doortocht van rook. Dekken en schotten die controlestations scheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten, zijn van klasse «F».</p>\n<p class=\"lf-p\">3 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, zijn schotten van gangen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «B-15». b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, zijn schotten van gangen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «F». c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schotten van gangen als vereist in onderdeel a of b zijn opgetrokken van dek tot dek, tenzij aan beide zijden van het schot doorlopende plafonds met dezelfde brandwerendheid als van de gangschotten zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen tegen het doorlopende plafond.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Binnentrappen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations zijn van staal of ander, gelijkwaardig materiaal. Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen zijn dergelijke binnentrappen ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «F». Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen zijn dergelijke binnentrappen ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «B-15». Indien evenwel een dergelijke binnentrap slechts twee dekken verbindt, behoeft deze slechts op een dek door schotten te zijn omsloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Deuren en andere afsluitmiddelen in schotten en dekken als bedoeld in het tweede en derde lid, deuren welke zijn aangebracht in schotten die trappen omsluiten als bedoeld in het vierde lid en deuren welke zijn aangebracht in schachtwanden van machinekamers en ketelruimen, bezitten voorzover als praktisch mogelijk is ten minste een gelijkwaardige brandwerendheid als de schotten en dekken waarin zij zijn aangebracht. Deuren die toegang geven tot ruimten voor machines van categorie A zijn zelfsluitend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Liftschachten welke door ruimten voor accommodatie en dienstruimten gaan, zijn van staal of van een ander, gelijkwaardig materiaal vervaardigd en zijn voorzien van afsluitmiddelen waarmee de trek en de rookverspreiding onder controle kunnen worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen zijn de begrenzingsschotten en dekken van ruimten waarin de noodkrachtbron is opgesteld en schotten en dekken tussen kombuizen, verfhutten, lampenhutten of bergplaatsen waarin zich belangrijke hoeveelheden licht ontvlambaar materiaal bevinden en ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «F» of klasse «B-15». b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen zijn de schotten en dekken, bedoeld onder a, van klasse «A» en zijn deze ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geïsoleerd, rekening houdend met het brandgevaar. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan tussen een kombuis en ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations klasse «B-15» toestaan wanneer in de kombuis slechts elektrische fornuizen, elektrische warmwaterbereiders en andere elektrisch verwarmde apparaten zijn opgesteld. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht ontvlambare producten worden in daarvoor geschikte gesloten vaten opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Wanneer schotten en dekken die ingevolge het bepaalde in het tweede, derde, vijfde of zevende lid van klasse «A», klasse «B» of klasse «F» zijn, worden doorboord voor het doorlaten van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kokers en dergelijke, worden zodanige maatregelen getroffen dat de brandwerendheid van de schotten en dekken niet vermindert.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Luchtruimten ingesloten achter wanden en beschietingen tussen plafonds en dekken in de ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, zijn onderverdeeld door afstoppingen welke de trek tegengaan en die niet verder dan 7 m uiteen liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Voor ruimten voor machines gelden ten aanzien van ramen en schijnlichten de volgende voorschriften: a. schijnlichten die kunnen worden geopend, kunnen van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht worden gesloten. Schijnlichten waarin ramen zijn aangebracht zijn aan de buitenzijde voorzien van blinden van staal of ander gelijkwaardig materiaal en zijn vast aan het schijnlicht verbonden, b. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingsschotten van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van draadglas in schijnlichten en glas in controlekamers die geheel in ruimten voor machines zijn gelegen niet uit, en c. schijnlichten als bedoeld onder a zijn voorzien van draadglas.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Isolatiematerialen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten met uitzondering van proviand-, koel- en vrieskamers, in controlestations en in ruimten voor machines, zijn onbrandbaar. Het oppervlak van isolatiemateriaal dat is aangebracht aan de binnenzijde van begrenzingsschotten en -dekken van ruimten voor machines van categorie A, is ondoordringbaar voor olie of oliedampen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Brandbare isolatie in visruimen is door een goed afsluitende bekleding beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Onverminderd het bepaalde in dit artikel kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat klasse «A-0» wordt toegepast in plaats van klasse« B-15» of klasse «F», rekening houdend met de hoeveelheid brandbare materialen die gebruikt zijn in aangrenzende ruimten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Ventilatiesystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met uitzondering van het bepaalde in artikel 5.30, tweede lid, zijn er middelen aanwezig voor het stopzetten van ventilatoren en het sluiten van hoofdin- en uitlaten van ventilatiesystemen van buiten de ruimten die worden geventileerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Er zijn middelen aanwezig om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ventilatieopeningen zijn toegestaan in en onder deuren in schotten van gangen, met dien verstande dat dergelijke openingen niet mogen zijn aangebracht in en onder deuren van trapomsluitingen. De openingen in deuren mogen alleen in de onderste helft van de deur zijn aangebracht. Indien een dergelijke opening zich bevindt in of onder een deur, mag de totale oppervlakte van deze opening of openingen niet meer bedragen dat 0,05 m2. Indien een dergelijke opening in een deur is aangebracht, is deze voorzien van een rooster van onbrandbaar materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie A of voor kombuizen mogen over het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Ventilatiekanalen voor ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen over het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die zijn gescheiden van andere ventilatiesystemen. De ventilatie vindt plaats op hoog en op laag niveau in de ruimte en de in- en uitlaten van de ventilatoren zijn op een veilige plaats aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, zijn onafhankelijk van systemen die andere ruimten bedienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten aan weerszijden van schotten en dekken van klasse «A» bedienen, zijn er kleppen aangebracht ter voorkoming van verspreiding van vuur en rook van de ene ruimte naar de andere. Met de hand bedienbare kleppen kunnen aan beide zijden van het schot of het dek geopend en gesloten worden. Indien de schachten of kanalen met een oppervlakte van de dwarsdoorsnede van meer dan 0,02 m2 lopen door schotten en dekken van klasse «A», zijn er automatisch sluitende kleppen aangebracht. Schachten die ruimten bedienen die slechts aan één zijde van dergelijke schotten zijn gelegen, voldoen aan het bepaalde in artikel 5.9, eerste lid, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Verwarmingsinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Elektrische kachels zijn vast opgesteld en zijn zo ingericht dat het brandgevaar tot een minimum is beperkt. Deze toestellen mogen niet zijn voorzien van een verwarmingselement dat kleding, gordijnen of andere soortgelijke materialen in de directe omgeving kan verschroeien of vlam vatten door de hitte die het element uitstraalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Verwarming door middel van open vuur is niet toegestaan. Kachels en andere soortgelijke apparaten zijn deugdelijk bevestigd en zij zijn onder, rondom en ter hoogte van de schoorsteenoploop voorzien van voldoende bescherming en isolatie tegen brand. Schoorsteenoplopen van kachels die vaste brandstof verstoken zijn zo ingericht en ontworpen dat de kans op verstopt raken door verbrandingsproducten tot een minimum wordt beperkt en zijn uitgerust met een toegankelijke voorziening om schoon te maken. Kleppen om de schoorsteentrek te regelen hebben bij de gesloten stand nog enige doorlaat. Ruimten waarin kachels zijn geplaatst zijn voorzien van ventilatoren met voldoende doortocht om te kunnen voorzien in voldoende verbrandingslucht voor de kachel. Dergelijke ventilatoren mogen niet zijn uitgerust met een afsluitinrichting en hun opstelling is zodanig dat geen afsluitinrichtingen als bedoeld in artikel 2.9 vereist zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Toestellen met een open gasvlam, met uitzondering van fornuizen en warmwatertoestellen, zijn niet toegestaan. Ruimten waarin dergelijke fornuizen en warmwatertoestellen zijn geplaatst, zijn voorzien van voldoende ventilatie om dampen en mogelijke gaslekkage naar een veilige plaats af te voeren. Alle leidingen waardoor het gas vanaf het drukvat naar de kachel of waterverwarmer wordt geleid zijn van staal of een ander goedgekeurd materiaal. Er zijn automatische veiligheidsinrichtingen voor het afsluiten van de gastoevoer aangebracht die in werking treden bij drukverlies in de hoofdgasleiding of in het geval van vlamstoring bij elk toestel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Diversen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Blootgestelde oppervlakken in ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations, gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken verborgen achter schotten, beschietingen en plafonds in bovengenoemde ruimten, hebben een laag vlamverspreidend vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Alle blootgestelde oppervlakken van met glas gewapende kunststof constructies binnen ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations, ruimten voor machines van categorie A en andere ruimten voor machines met eenzelfde brandgevaar, zijn voorzien van een afwerkingslaag van goedgekeurde hars die blijvende brandvertragende eigenschappen heeft of zijn bedekt met een goedgekeurde brandvertragende verf of zijn beschermd door onbrandbare materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking, gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, zijn zodanig dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations is van goedgekeurd materiaal dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations zijn pijpen die door schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn gevoerd, van goedgekeurde materialen vervaardigd, rekening houdend met de temperatuur waaraan de betrokken schotten of dekken weerstand moeten kunnen bieden. Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaat dat door ruimten voor accommodatie en dienstruimten olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, zijn de pijpen waardoor die olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd van goedgekeurd materiaal vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte, mogen niet worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan smelten, in geval van brand, gevaar voor instromen van water zou meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Alle andere afvalbakken dan die, welke worden gebruikt bij de verwerking van vis, zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en hebben geen openingen in de zijkanten of bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen zijn voorzien van afstandsbedieningen die zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Waar nodig zijn lekbakken aangebracht teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag van gasflessen en van gevaarlijke materialen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Flessen die zijn bestemd voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of onder druk opgeloste gassen zijn duidelijk gemarkeerd door middel van voorgeschreven kleuren ter identificatie en zijn voorzien van een duidelijk leesbare identificatie van de naam en chemische formule van hun inhoud. Dergelijke flessen zijn deugdelijk vastgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Flessen die ontvlambare of andere gevaarlijke gassen bevatten alsmede flessen die als zodanig in gebruik zijn geweest zijn deugdelijk vastgezet en opgesteld op het open dek en alle afsluiters, drukregelaars en op de flessen aangesloten leidingen zijn tegen beschadiging beschermd. De flessen zijn beschermd tegen grote veranderingen in temperatuur, direct zonlicht en opeenhoping van sneeuw. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter toestaan dat dergelijke flessen zijn opgeslagen in ruimten die voldoen aan de eisen van het derde tot en met vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ruimten waarin gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen, zoals vluchtige verfstoffen, paraffine, benzol en dergelijke, en indien toegestaan vloeibaar gas zijn opgeslagen, mogen uitsluitend toegankelijk zijn vanaf het open dek. Drukregeltoestellen en ontlastingskleppen monden binnen deze ruimten uit. Wanneer begrenzingsschotten van dergelijke ruimten grenzen aan andere omsloten ruimten, zijn deze schotten gasdicht uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Elektrische leidingen en aansluitingen zijn niet toegestaan binnen ruimten welke worden gebruikt voor het bergen van gemakkelijk ontvlambare vloeistoffen en vloeibaar gemaakte gassen, tenzij nodig voor het verrichten van werkzaamheden binnen die ruimten. In dat geval zijn de elektrische aansluitingen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geschikt voor gebruik in een ontvlambare atmosfeer. Warmtebronnen mogen zich niet dicht bij dergelijke ruimten bevinden en opschriften met «niet roken» en «geen open vuur» zijn aangebracht op een doelmatige plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Elk soort samengeperst gas is afzonderlijk opgeslagen. Ruimten die voor opslag van dergelijke gassen worden gebruikt, mogen niet worden gebruikt voor het opslaan van brandbare producten, noch voor gereedschappen of onderdelen die geen deel uitmaken van het gasdistributiesysteem. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter met inachtneming van de kenmerkende eigenschappen, hoeveelheid en voorgenomen gebruik van dergelijke samengeperste gassen, verlichting van deze voorschriften toestaan, rekening houdend met de eigenschappen en de hoeveelheid van zodanige samengeperste gassen en het gebruik waarvoor deze bestemd zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor ontsnapping</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 In en vanuit alle ruimten voor accommodatie en ruimten waarin door de bemanning onder normale omstandigheden dienst wordt gedaan, andere dan ruimten voor machines, zijn trappen en ladders aangebracht waarlangs het open dek en vervolgens de groepsreddingsmiddelen gemakkelijk kunnen worden bereikt. In het bijzonder wordt aan de volgende bepalingen voldaan: a. op elk dek waarop zich ruimten voor accommodatie bevinden, zijn ten minste twee, zo ver mogelijk van elkaar verwijderde voorzieningen voor ontsnapping aangebracht. De normale voorzieningen voor toegang tot elke besloten ruimte of groep van ruimten mogen hieronder worden begrepen; b.</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. onder het blootgestelde dek bestaat de hoofdvoorziening voor ontsnapping uit een trap, terwijl de tweede voorziening voor ontsnapping mag bestaan uit een schacht of trap, en 2°. boven het blootgestelde dek bestaan de voorzieningen voor ontsnapping uit trappen of deuren naar een open dek, dan wel uit een combinatie van beide. Indien het uit praktische overwegingen niet mogelijk is om trappen of deuren aan te brengen, mag één van de voorzieningen voor ontsnapping bestaan uit een luik, dat zo nodig beschermd is tegen ijsafzetting; c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan bij wijze van uitzondering toestaan dat slechts één voorziening voor ontsnapping is aangebracht indien de aard en de plaats van de ruimten en het aantal van de personen die in normale omstandigheden daarin verblijven of dienst doen, daartoe aanleiding geven; d. een doodlopende gang of een doodlopend gedeelte van een gang is bij voorkeur niet langer dan 2,5 m en in geen geval langer dan 5,0 m; e. de afmetingen van en de wijze waarop de voorzieningen voor ontsnapping zijn uitgevoerd, zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In elke ruimte voor machines van categorie A zijn twee voorzieningen voor ontsnapping aangebracht die zo ver mogelijk van elkaar zijn verwijderd. Verticale vluchtmiddelen bestaan uit stalen trappen of ladders. Indien de afmetingen van de ruimten voor machines daartoe aanleiding geven, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat slechts een voorziening voor ontsnapping is aangebracht. In een dergelijk geval is bijzondere aandacht geschonken aan deze uitgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Liften worden niet beschouwd als een van de vereiste voorzieningen voor ontsnapping.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voorzieningen voor ontsnapping zijn op de juiste plaats voorzien van signaleringen die voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen nadere regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op vissersvaartuigen waar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op grond van het bepaalde in artikel 5.28, eerste lid, een brandbare constructie heeft toegestaan of waar anders aanzienlijke hoeveelheden brandbaar materiaal worden gebruikt bij de constructie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations wordt speciale aandacht geschonken aan het installeren van een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie in die ruimten, waarbij rekening wordt gehouden met de afmeting van die ruimten, hun inrichting en plaatsing betrekking hebbend op controlestations alsmede, indien van toepassing, het vlamspreidend vermogen van het geplaatste meubilair.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Brandbluspompen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Het minimum aantal en type brandbluspompen dat aan boord van een vaartuig is aangebracht, is als volgt: a. één werktuiglijke pomp die voor de aandrijving niet afhankelijk is van het hoofdwerktuig of b. één werktuiglijke pomp die door het hoofdwerktuig wordt aangedreven, onder voorwaarde dat de schroefas is voorzien van een uitschakelbare koppeling, of van een verstelbare schroef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeacht het bepaalde onder a en b zijn er op Nederlandse vissersvaartuigen te allen tijde ten minste twee brandbluspompen aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Sanitair-, ballast-, lens-, algemene dienstpompen of andere pompen mogen als brandbluspompen worden gebruikt indien zij voldoen aan het gestelde in dit hoofdstuk en, bij gebruik van deze pompen als brandbluspomp, de lenscapaciteit van het vaartuig hierdoor niet wordt beïnvloed. Brandbluspompen zijn zo aangesloten dat het niet mogelijk is hiermee olie of andere brandbare vloeistoffen te verpompen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij centrifugaalpompen of andere op de brandblusleiding aangesloten pompen waarbij het mogelijk is dat het water door de pomp kan terugstromen, is in de persleiding een terugslagklep aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Vissersvaartuigen die niet zijn uitgerust met een werktuiglijk bediende noodbrandbluspomp en zonder een vast aangebrachte brandblusinstallatie in de ruimten voor machines zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorzien van aanvullende brandblusmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Werktuiglijk bediende noodbrandbluspompen, indien aangebracht, zijn onafhankelijk gedreven, op zich zelf staande pompen die zijn uitgerust met een eigen aandrijfwerktuig en brandstoftoevoer en die zijn opgesteld op een toegankelijke plaats buiten de ruimte waarin de hoofdbrandbluspompen zijn ondergebracht of worden aangedreven door een op zich zelf staande generator, die de noodgenerator mag zijn, die van voldoende capaciteit is en op een veilige plaats buiten de machinekamer is opgesteld, bij voorkeur boven het werkdek.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Voor elke noodbrandbluspomp, indien aangebracht, kunnen de pomp, zee-inlaatafsluiters en andere noodzakelijke afsluiters worden bediend vanaf een plaats die is gelegen buiten de ruimten waarin de hoofdbrandbluspompen zijn ondergebracht. Deze plaats is zodanig dat het niet waarschijnlijk is dat zij in geval van brand in de bedoelde ruimten onbereikbaar wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De totale capaciteit (Q) van de werktuiglijk bediende hoofdbrandbluspompen is ten minste gelijk aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Q = [0,15 √{L(B+D)} + 2,25]2 m2 per uur, waarbij L, B en D in meters zijn uitgedrukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Indien twee onafhankelijk werktuiglijk bediende brandbluspompen zijn aangebracht, mag de capaciteit van elke pomp niet minder zijn dan 40 percent van de vereiste capaciteit volgens het bepaalde in het zevende lid of 25m2 per uur, waarbij voor Nederlandse vissersvaartuigen de hoogste waarde bepalend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Wanneer hoofdbrandbluspompen de volgens de in het zevende lid vereiste opbrengst leveren aan de hoofdbrandblusleiding, brandslangen en straalpijpen mag de druk bij elke brandkraan niet minder zijn dan 0,25 N/mm2.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Indien werktuiglijk aangedreven noodbrandbluspompen de maximum opbrengst leveren met de straal water volgens het bepaalde in artikel 5.37, eerste lid, is de druk bij elke brandkraan ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Hoofdbrandblusleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien meer dan één brandkraan is vereist om te voorzien in het aantal stralen water zoals bepaald in artikel 5.37, eerste lid, is er een hoofdbrandblusleiding aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Hoofdbrandblusleidingen en brandkranen zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn, tenzij deze voldoende zijn beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien de persdruk van de brandbluspomp de werkdruk waarvoor de hoofdbrandblusleiding is ontworpen, kan overschrijden, zijn er ontlastkleppen aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Hoofdbrandblusleidingen mogen geen andere aansluitingen hebben dan die welke voor de brandbestrijding zijn vereist, met uitzondering van aansluitingen die zijn aangebracht om het dek en de ankerkettingen schoon te spuiten of de ejector van de kettingbak te bedienen, onder voorwaarde dat de doelmatigheid van het brandblussysteem gehandhaafd blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In hoofdbrandblusleidingen zijn op doelmatige plaatsen aftapkranen aangebracht om beschadiging door bevriezing te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Brandkranen, brandslangen en straalpijpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Brandkranen zijn zodanig geplaatst dat brandslangen gemakkelijk en snel kunnen worden aan- of afgekoppeld en elk deel van het vaartuig dat onder normale bedrijfsomstandigheden toegankelijk is met ten minste één straal water kan worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor de in het eerste lid genoemde waterstraal mag slechts één brandslanglengte worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid is buiten ruimten voor machines van categorie A nabij de toegang ten minste één brandkraan met slang en straalpijp aangebracht voor gebruik in genoemde ruimte. De straalpijp is van het type dat kan spuiten en sproeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij elke voorgeschreven brandkraan is één brandslang aanwezig. Bovendien is er een reserve brandslang aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een enkele brandslanglengte mag niet meer dan 20 m bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Brandslangen zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal. Elke brandslang is voorzien van de nodige koppelingen en een straalpijp die kan spuiten en sproeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Met uitzondering van brandslangen die permanent zijn aangesloten op de hoofdbrandblusleiding kan elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang worden aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De straalpijpen, voorgeschreven in het zesde lid, zijn aangepast aan de totale opbrengst van de geïnstalleerde brandbluspompen. De spuitopening heeft evenwel een inwendige diameter van niet minder dan 12 mm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-538\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.38</span><span class=\"lf-art-t\">Brandblustoestellen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een brandblustoestel is van een goedgekeurd type. De inhoud van een voorgeschreven draagbaar brandblustoestel met vloeibare blusstof mag niet groter zijn dan 13,5 l en niet kleiner dan 9 l. Een brandblustoestel met een andere blusstof is ten minste even goed draagbaar als een toestel met vloeibare blusstof van 13,5 l en het blusvermogen is ten minste gelijkwaardig aan dat van een dergelijk toestel met een blusstof van 9 l. De gelijkwaardigheid van brandblustoestellen wordt bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Brandblustoestellen, gevuld met een blusstof die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie hetzij uit zichzelf, hetzij onder te verwachten gebruiksomstandigheden zodanige hoeveelheden giftige gassen afgeeft dat dit schadelijk is voor de gezondheid, zijn aan boord niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Brandblustoestellen worden periodiek nagezien en worden onderworpen aan de tests die door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een van de draagbare brandblustoestellen die voor het gebruik in een bepaalde ruimte zijn bestemd, is nabij de toegang tot die ruimte geplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-539\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.39</span><span class=\"lf-art-t\">Draagbare brandblustoestellen in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een voldoende aantal draagbare brandblustoestellen is geplaatst in controlestations, ruimten voor accommodatie en dienstruimten opdat ten minste een brandblustoestel met een voor de in deze ruimte te verwachten branden geschikte blusstof, direct beschikbaar is voor gebruik op elke plaats in deze ruimte. Het totale aantal brandblustoestellen voor bovengenoemde ruimten bedraagt ten minste drie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het aantal aan boord aanwezige reservevullingen is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-540\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn ruimten waarin oliegestookte ketels, oliestookinrichtingen of verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld waarbij deze werktuigen tezamen een totaal vermogen hebben van niet minder dan 750 kW dan wel, voor Nederlandse vissersvaartuigen, 375 kW, voorzien van één van de volgende vast aangebrachte brandblusinstallaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. een sproei-installatie voor water onder druk, 2°. een installatie met verstikkend gas als blusstof, 3°. een installatie met gas als blusstof verkregen uit een verdampende vloeistof met een lage giftigheidgraad, of 4°. een installatie voor schuim met een hoog verschuimingsgetal. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe vast aangebrachte installaties met halon 1211 en 1301 als blusstof zijn niet toegestaan op nieuwe en bestaande vaartuigen. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien machinekamers en ketelruimen niet volkomen van elkaar zijn gescheiden of wanneer brandstofolie vanuit het ketelruim in de machinekamer kan vloeien, worden de betrokken machinekamers en ketelruimen als één ruimte beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid, onder a, bedoelde brandblusinstallatie kan worden bediend vanaf een gemakkelijk toegankelijke plaats buiten dergelijke ruimten, welke zodanig is gelegen dat het niet waarschijnlijk is dat, in geval van brand in een te beschermen ruimte, deze plaats onbereikbaar wordt. Er zijn voorzieningen getroffen teneinde de energievoorziening zeker te stellen die noodzakelijk is voor het inwerking stellen van de installatie in geval van brand in de te beschermen ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Op vaartuigen die geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd van hout of kunststof en waarin oliegestookte ketels, verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld en waarvan de ruimten voor machines zijn omgeven door schotten of dekken van dergelijke materialen, zijn deze ruimten voorzien van een vast aangebrachte brandblusinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In elke ruimte voor machines van categorie A zijn ten minste twee draagbare brandblustoestellen aanwezig van een type dat geschikt is voor het blussen van branden waarbij brandstofolie is betrokken. Indien in dergelijke ruimten werktuigen zijn opgesteld met een totaal vermogen van niet minder dan 250 kW, zijn ten minste drie van dergelijke brandblustoestellen aanwezig. Een van de brandblustoestellen is nabij de toegang tot die ruimte geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Vissersvaartuigen met ruimten voor machines die niet zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie zijn voorzien van een schuimbrandblustoestel met een inhoud van ten minste 45 liter of een daarmee gelijkwaardig brandblustoestel dat geschikt is voor het blussen van oliebranden. Indien deze bepaling door de afmetingen van de ruimten voor machines praktisch niet uitvoerbaar is, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat een aanvullend aantal draagbare brandblustoestellen wordt opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Op Nederlandse vissersvaartuigen zijn alle ruimten voor machines van categorie A uitgerust met een vast aangebrachte brandblusinstallatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span><span class=\"lf-art-t\">Brandweeruitrustingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal brandweeruitrustingen en de plaats waar deze worden bewaard zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.42</span><span class=\"lf-art-t\">Brandbeveiligingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een brandbeveiligingsplan dat permanent aan boord is opgehangen en dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is. In geval van kleine vaartuigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing van dit voorschrift verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.43</span><span class=\"lf-art-t\">Onmiddellijke beschikbaarheid van brandbestrijdingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Brandbestrijdingsmiddelen worden goed onderhouden en zijn te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.44</span><span class=\"lf-art-t\">Toelating van vervangende middelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven kan, indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie één en ander niet minder effectief is, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de bemanning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene beveiligingsmaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Een reddingslijnsysteem is zodanig ontworpen dat het functioneel is voor alle situaties waarvoor het is bestemd en is voorzien van alle benodigde lijnen, touwen, sluitingen, oogbouten en kikkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Dekopeningen die zijn voorzien van luikhoofden of drempels waarvan de hoogte minder dan 600 mm bedraagt, zijn uitgerust met beveiligingsmiddelen zoals scharnierende of verplaatsbare relingen of netwerk. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Schijnlichten of andere, soortgelijke openingen zijn voorzien van beveiligingsstaven waarvan de onderlinge afstand niet meer bedraagt dan 350 mm. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor kleine openingen verlichting toestaan van deze eis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het oppervlak van elk dek is zodanig ontworpen of behandeld dat de mogelijkheid van uitglijden door opvarenden tot een minimum is beperkt. In het bijzonder zijn dekken op plaatsen waar gewerkt wordt, zoals in ruimten voor machines, in kombuizen, bij lieren en op plaatsen waar vis wordt verwerkt alsmede ter plaatse van de onder- en bovenkant van ladders en voor deuren, voorzien van antislipoppervlakken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Dekopeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Scharnierende deksels van luiken, mangaten en andere openingen zijn beveiligd tegen per ongeluk sluiten. In het bijzonder zijn zware deksels op noodluiken uitgerust met contragewichten en zijn zij zodanig geconstrueerd dat zij zowel vanaf de binnen- als buitenzijde geopend kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De afmetingen van toegangsluiken en ontsnappingsluiken mogen niet kleiner zijn dan 600 bij 600 mm of een kleinere diameter hebben dan 600 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Waar praktisch uitvoerbaar zijn boven het dek waarin zich nooduitgangen bevinden handgrepen aangebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verschansingen, relingen en beveiligingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Alle aan weer en wind blootgestelde dekken, voorzover deze bestemd zijn om daar te werken, zijn voorzien van een deugdelijke verschansing of reling. De hoogte van de verschansing of van de reling is ten minste 1 m boven het dek. Indien deze hoogte een belemmering vormt voor de normale werkzaamheden aan boord kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een geringere hoogte toestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De kleinste afstand, verticaal gemeten, vanaf de hoogst gelegen lastlijn tot aan het laagste punt van de bovenzijde van de verschansing of tot aan de rand van het werkdek indien een reling is aangebracht, garandeert, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, voldoende bescherming van de bemanning tegen overkomend water, waarbij rekening wordt gehouden met de toestand van de zee en de weersomstandigheden waarbij het vaartuig dienst moet kunnen doen, alsmede met het vaargebied, het type vaartuig en de vismethode waarvoor het bestemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De hoogte van de opening onder de onderste roede van het relingwerk mag niet groter zijn dan 230 mm. De onderlinge afstand van de overige roeden mag niet meer dan 380 mm bedragen en de onderlinge afstand tussen scepters mag niet meer dan 1,50 m zijn. Op vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, zijn de scepters van het relingwerk op het vlakke gedeelte van het dek geplaatst. Relingen mogen geen scherpe punten, randen en hoeken hebben en zijn van voldoende sterkte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn er voorzieningen aangebracht zoals relingen, handleiders, loopbruggen of onderdeks gelegen gangen ter bescherming van de bemanning bij het gaan naar of het komen van hun verblijven, de ruimten voor machines en andere werkruimten. Zonodig zijn buiten alle dekhuizen en schachten handleiders of andere doelmatige voorzieningen aangebracht teneinde de opvarenden een veilige doorgang en veilig werk te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De bovenzijde van een aflopend deel van het dek aan boord van hektrawlers is voorzien van een doelmatige beveiliging in de vorm van deuren, hekken of netwerk die op dezelfde hoogte zijn aangebracht als de aangrenzende verschansing of reling. Voor het geval tijdelijk niet is voorzien in een dergelijke beveiliging is een ketting of ander beveiligingsmiddel over het hellende deel aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Aan boord van een vaartuig zijn middelen aanwezig ter persoonlijke bescherming van de schepelingen tegen letsel dat uit door hen te verrichten werkzaamheden zou kunnen voortvloeien. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het aantal, de soort en het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Trappen en ladders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Met het oog op de veiligheid van de bemanning zijn, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, trappen en ladders van voldoende afmetingen en sterkte aangebracht, die zijn voorzien van leuningen en antisliptreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Er is een valreep, loopplank of vergelijkbare voorziening aanwezig waarmee op een adequate en veilige manier aan boord kan worden gegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Medische uitrusting aan boord</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Bij ministeriële regeling wordt voorgeschreven welke medische uitrusting, bestaande uit geneesmiddelen en antidota, met bijbehorende controlelijsten en handleidingen, aan boord aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De schipper is verplicht ervoor te zorgen dat de medische uitrusting in goede staat verkeert, wordt aangevuld en zo nodig wordt vernieuwd zodra dit mogelijk is, in ieder geval bij voorrang tijdens normale bevoorradingsprocedures. Hij kan het gebruik en het beheer van de medische uitrusting aan boord, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid, overdragen aan een of meer schepelingen die ten minste dienen te beschikken over een certificaat scheepsgezondheidszorg-B.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bewaren van de medische uitrusting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Gescheiden bewaren van geneesmiddelen en antidota van verplegingsartikelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De geneesmiddelen en antidota worden gescheiden van de verplegingsartikelen bewaard. Indien zij samen in één kist worden bewaard, worden zij door een tussenschot gescheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De morfinepreparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een afgesloten ruimte, waarvan de sleutel berust bij de schipper of bij de schepeling aan wie de schipper het gebruik en het beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Nummering, afschrift lijst, benamingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is, voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, en artikel 6.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Op de etiketten, aanwezig op de verpakking van de middelen, zijn ten behoeve van in het buitenland te raadplegen deskundigen zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheidsorganisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Levering van geneesmiddelen en antidota</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen blijkt uit een merk op de verpakking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 Indien er nog andere geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota aan boord aanwezig zijn dan die zijn voorgeschreven op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, en artikel 6.12, zijn ten aanzien van deze aanvullende middelen de artikelen 6.6 tot en met 6.9 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota aan boord niet aanwezig zijn, is de schipper verplicht ervoor te zorgen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig handboek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer van gevaarlijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan boord van een vaartuig gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 130 van het Schepenbesluit 1965 worden meegevoerd, zijn tevens bij ministeriële regeling voorgeschreven antidota en een zuurstofbeademingskoffer met onderhoudsset, met de daarbij behorende controlelijst en handleiding aanwezig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.13</span><span class=\"lf-art-t\">Bedieningsaanwijzingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op of nabij groepsreddingsmiddelen en de bedieningsplaatsen van de tewaterlatingmiddelen zijn instructieplaten of aanduidingen aangebracht die: a. het doel van de bedieningsmiddelen, de volgorde van de behandeling ervan en de ter zake dienende instructie of waarschuwingen aangeven, b. duidelijk zichtbaar zijn bij noodverlichting, en c. voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen nadere eisen inzake symbolen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14</span><span class=\"lf-art-t\">Inrichting van werkruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De bedieningsorganen van de lieren zijn op een voldoende ruime plaats aangebracht teneinde het bedienende personeel in staat te stellen ongehinderd te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De lieren zijn bovendien voorzien van adequate veiligheidsvoorzieningen voor noodgevallen, met inbegrip van noodstopvoorzieningen. Degene die de lieren bedient heeft goed zicht op de bemanningsleden die daarmee aan het werk zijn. Ook als de lieren worden bediend vanaf de brug heeft degene die de lieren bedient goed zicht op de werknemers die daarmee aan werk zijn, hetzij rechtstreeks, hetzij via enig ander geschikt hulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de communicatie vanaf de brug wordt gebruik gemaakt van een betrouwbaar communicatiesysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Er wordt te allen tijde goede uitkijk gehouden en de bemanning wordt gewaarschuwd voor dreigend gevaar van naderende zeeën gedurende de visserijwerkzaamheden of wanneer er ander werk aan dek wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Ter beperking van de beweging van de massa's, met name aan boord van trawlers, zijn er voorzieningen aangebracht voor het blokkeren van de visborden en ter beperking van slingerbewegingen van de netkuil.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Indien ten behoeve van de ventilatie in gesloten werkruimten een mechanische luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, is deze altijd bedrijfsklaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met zesde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.15</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsruimten en dienstruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1 De plaats, de constructie, de geluids- en warmte-isolatie en de inrichting van de verblijfsruimten en de dienstruimten, voorzover aanwezig, alsmede de toegangen daartoe, bieden adequate bescherming tegen trillingen en geluidhinder tijdens de rustperiode van de bemanning. In de verblijven van de bemanning, voorzover aanwezig, zijn trillingen, geluid en de gevolgen van bewegingen en versnellingen tot een minimum beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Wanneer de constructie, de afmetingen of de bestemming van het vaartuig het mogelijk maken zijn de verblijfsruimten zodanig gelegen dat de gevolgen van bewegingen en versnellingen zo veel mogelijk worden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voorzover mogelijk worden er passende maatregelen genomen voor de bescherming van niet-rokers tegen hinder door tabaksrook.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor voedselopslag zijn koelkasten of andere koelvoorzieningen aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  7</h3>\n<p class=\"lf-p\">Reddingsmiddelen en -voorzieningen en veiligheidsmiddelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer en op nieuwe Nederlandse vissersvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>te water laten door middel van vrij opdrijven: de methode van te water laten van een groepsreddingsmiddel waarbij dit automatisch van een zinkend vaartuig wordt ontkoppeld en klaar is voor gebruik;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>te water laten door middel van vrije val: de methode van te water laten van een groepsreddingsmiddel waarbij dit met volledige bezetting en volledige uitrusting wordt ontkoppeld en vervolgens vrij in het water kan vallen zonder afgeremd te worden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>opblaasbaar reddingsmiddel: een reddingsmiddel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van niet-verstijfde, met gas gevulde drijfkamers en dat gewoonlijk in niet-opgeblazen toestand wordt gehouden tot aan het moment van gebruik;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>reddingsmiddel in opgeblazen toestand: een reddingsmiddel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van niet-verstijfde, met gas gevulde drijfkamers en dat permanent in opgeblazen toestand en klaar voor gebruik wordt gehouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>tewaterlatingsmiddel of -voorziening: een middel of voorziening om een groepsreddingsmiddel of hulpverleningsboot vanaf de opstellingsplaats veilig te water te brengen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>reddingsmiddelen of -voorzieningen van een nieuw ontwerp: reddingsmiddelen of -voorzieningen die nieuwe eigenschappen bevatten die niet geheel vallen onder de voorschriften van dit besluit, maar die een gelijke of hogere norm van veiligheid bieden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>hulpverleningsboot: een boot die is ontworpen om personen in nood uit het water te kunnen halen en voor het bij elkaar brengen van groepsreddingsmiddelen;</div>\n<p class=\"lf-p\">8.</p></div>", "next": 239786}