{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het waterschap maakt bij het beoordelen van activiteiten een onderscheid tussen de erosiebestendigheid van het buitentalud van een waterkering en de erosiebestendigheid van het binnentalud. Voor het buitentalud is het waterschap kritischer, omdat hier het buitenwater direct tegen aan staat of kan staan (afhankelijk van categorie waterkering). De erosiebestendigheid van het binnentalud speelt vooral een rol bij water dat over de waterkering heen stroomt of slaat. Voor het binnentalud is sprake van een minder grote dreiging dan bij het buitentalud. Voor het binnentalud van een primaire waterkering en een zomerkade kijkt het waterschap voor de erosiebestendigheid alleen naar de zone dijklichaam en niet naar de gehele zone waterstaatswerk - zoals wel het geval is aan de buitenzijde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Piping De activiteit mag de kans op het voor komen van piping niet vergroten. Dit betekent dat de aanwezige kwelweglengte niet mag worden verkort, door bijvoorbeeld ontgravingen of het plaatsen van verticale objecten in de grond waar water langs kan stromen. Van belang hierbij is ook dat er geen ondoorlatende grondlagen onder de waterkering worden verstoord door de uitvoering van de activiteiten. Piping kan optreden bij activiteiten die plaats vinden in de zone waterstaatswerk, maar in enkele gevallen kunnen activiteiten in de beschermingszone hier ook een effect op hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de vergunningplichtige activiteiten kan de aanvrager van de vergunning worden gevraagd om met berekeningen aan te tonen dat het risico op piping niet wordt vergroot en deze berekeningen dienen bij de vergunningsaanvraag ter controle aan het waterschap te worden voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inspectie en onderhoud De activiteit mag geen hinder veroorzaken voor het efficiënt kunnen uitvoeren van onderhoud (dagelijks/regulier) en inspecties aan de waterkering – gedurende het uitvoeren van de activiteiten én hierna. Hierbij wordt vooral gekeken naar de aanwezige ruimte en de toegankelijkheid en begaanbaarheid (vastheid, draagvermogen en helling). Kan de waterkering bijvoorbeeld nog gemaaid worden met een tractor en is de waterkering bijvoorbeeld nog toegankelijk voor inspecteurs?</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode Het waterschap kijkt bij het beoordelen van (vergunningplichtige) activiteiten naar de periode waarin de activiteiten worden uitgevoerd. Zo kan het in de zomer heel droog zijn en in de winter heel nat; beide situaties kunnen nadelig zijn voor waterkeringen. Bij waterkeringen met een grasbekleding zijn het uitvoeren van activiteiten in de winter vooral een aandachtspunt, omdat het gras nauwelijks of niet groeit of aanslaat in deze periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de primaire waterkeringen en zomerkaden is de ‘gesloten dijkperiode’ van toepassing. Dit is ieder jaar van 1 oktober tot 1 april. In deze periode is er een verhoogde kans op hoogwater op de rivier en dit betekent dat de waterkerende functie van de waterkeringen in deze periode optimaal moet zijn en dat er in principe niets mag plaats vinden wat deze functie benadeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Profiel van vrije ruimte (primaire waterkeringen) Bij grote, kapitaalsintensieve activiteiten moet voldoende vrije ruimte over blijven voor een in de toekomst uit te voeren versterking van de waterkering. Het profiel van vrije ruimte is vastgelegd in de profielenlegger. Daarnaast moeten activiteiten binnen het profiel van vrije ruimte nu of in de toekomst mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het te realiseren bouwwerk ontstaat. Dit betekent dat de aanvrager van de vergunning gevraagd kan worden om door berekeningen aan te tonen dat het bouwwerk en/of de fundering daarvan geen schade oploopt door de (extra) belasting van het grondlichaam van de waterkering conform het toekomstige profiel van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stand-still beginsel De activiteit mag geen achteruitgang van de bestaande situatie tot gevolg hebben. Dat betekent in dit geval dat de waterkering geen extra nadelige invloed ondervindt van de uit te voeren activiteiten ten opzichte van de bestaande situatie. Zo mag een bouwwerk bijvoorbeeld niet verder opschuiven in de richting van de kruin van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekomstige kadeverbeteringen (regionale/overige waterkeringen en zomerkaden) De activiteit mag geen nadelig effect hebben op toekomstige kadeverbeteringen. Er moet bijvoorbeeld voldoende ruimte over blijven voor een in de toekomst uit te voeren verbetering aan de waterkering. Daarnaast kan de aanvrager van de vergunning worden gevraagd om door berekeningen aan te tonen dat het bouwwerk en/of fundering daarvan geen schade oplopen door een (extra) belasting van het grondlichaam van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwaarwegend maatschappelijk belang Er is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang, wanneer het specifieke belang van een activiteit groter is dan het algemene belang om de activiteit niet toe te staan (waterveiligheid). Als een activiteit een negatief effect heeft op de waterkerende functie van een waterkering, maar er is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang, dan kan het waterschap toch overwegen om een vergunning (onder voorwaarden) te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locatiegebondenheid Met locatiegebondenheid wordt gedoeld op de noodzaak dat een activiteit op een bepaalde locatie plaats vindt. Als de activiteit ook kan plaats vinden buiten de zone(s) van de waterkering, zal er geen vergunning worden verleend voor deze activiteit binnen de zone(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.4Algemeen Natuurvriendelijke oever De beleidsregel uit deze paragraaf is van toepassing als er activiteiten worden uitgevoerd natuurvriendelijke oever en er geldt hiervoor een vergunningplicht. Naast de beleidsregel van de betreffende activiteit is dan tevens de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus als er bijvoorbeeld een steiger wordt aangelegd boven een natuurvriendelijke oever en er geldt een vergunningplicht vanwege de gevolgen van de aanleg van de steiger voor deze natuurvriendelijke oever, dan geldt behalve de beleidsregel voor de steiger ook de beleidsregel voor de natuurvriendelijke oever uit deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingskader Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verrichten van activiteiten in of boven natuurvriendelijke oevers houden wij er rekening mee dat een verslechtering van de fysisch-chemische en/of ecologische waterkwaliteit moet worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van activiteiten in of boven natuurvriendelijk oevers waarbij meer dan 2 m² oever verdwijnt, die niet in dezelfde watergang gecompenseerd kan worden, komen in de praktijk zelden voor. Om deze reden is er geen standaard beleid, maar wordt van geval tot geval beoordeeld hoe om te gaan met die gevallen waarin compensatie aansluitend aan de bestaande oever niet kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1.5Algemeen Vaarweg De beleidsregel uit deze paragraaf is van toepassing als er activiteiten uitgevoerd worden in of boven een vaarweg en er geldt hiervoor een vergunningplicht. Naast de beleidsregel van de betreffende activiteit is dan tevens de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus als er bijvoorbeeld een steiger wordt aangelegd in een vaarweg en er geldt een vergunningplicht vanwege de gevolgen van de aanleg van de steiger voor deze vaarweg, dan geldt behalve de beleidsregel voor de steiger ook de beleidsregel voor de vaarweg uit deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingskader Bij de beoordeling van een aanvraag voor het uitvoeren van activiteiten in of boven een vaarweg houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem wordt belemmerd Alle activiteiten die de scheepvaart belemmeren, zijn niet toegestaan. Versmallingen en verondiepingen van de watergang worden getoetst aan de door het waterschap gehanteerde maatvoering. Het waterschap maakt hierbij gebruik van de Nota Vaarwegbeleid 2024 en de Richtlijnen Vaarwegen 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend op voorwaarde dat het minimale doorvaartprofiel vastgelegd in de legger oppervlaktewateren in stand blijft en er geen belemmering voor de scheepvaart optreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2Graven 4.2.1Inleiding Als voor de activiteit graven een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het graven van oppervlaktewater ten behoeve van het permanent aanleggen van een nieuwe watergang of het verlengen, verdiepen of verbreden van een bestaande watergang, houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste; het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste Bij de aanleg van nieuwe watergangen kunnen deklagen worden doorgraven, waardoor de bodem van een watergang gaat bestaan uit een doorlatende zandlaag. Aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug kan het graven van oppervlaktewater leiden tot extra afvoer van kwel uit de Utrechtse Heuvelrug. Dit heeft verlaging van de grondwaterstand hoger in het gebied tot gevolg. Door het treffen van maatregelen zoals het plaatsen van stuwen is het mogelijk om extra kwel te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doorgraven van deklagen kan in sommige gebieden leiden tot extra wegzijging van water. Dit kan ter plaatse leiden tot een watertekort en in lager gelegen gebieden tot een teveel aan water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningaanvragen worden getoetst of extra kwel of wegzijging leidt tot waterschaarste of –overlast. Als dit het geval is kunnen voorschriften worden opgenomen om dit te voorkomen. ad b: het garanderen van de aan- en afvoer van water Het graven in een beschermingszone K van een kunstwerk, zie Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten), kan de stabiliteit van het betreffende kunstwerk in gevaar brengen. Graafwerkzaamheden worden in een beschermingszone K uitsluitend toegestaan als de stabiliteit van het kunstwerk niet in gevaar komt of onder voorwaarde dat maatregelen worden getroffen waarmee de stabiliteit van het kunstwerk wordt geborgd. Ook kan het graven onderloopsheid van het kunstwerk tot gevolg hebben. Maatregelen moeten worden getroffen om dit te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van nieuwe watergangen wordt getoetst of deze passen binnen de bestaande waterhuishouding en binnen eventuele toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot het watersysteem. Het nieuw gegraven water mag toekomstige ontwikkelingen niet onmogelijk maken. Als vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat het nieuwe oppervlaktewater past binnen toekomstige ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als oppervlaktewater wordt gegraven, dan wordt dit water opgenomen in de profielenlegger, ook als het niet als watercompensatie dient voor een demping of voor de aanleg van een weg of verharding of voor het bouwen van een gebouw. Dit water kan dan later niet zonder compensatie weer worden gedempt. Als het water wordt opgenomen in een waterbank, dan kan het later ingezet worden voor watercompensatie. De mogelijkheden voor een waterbank kunt u bespreken met het waterschap. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Het verbreden van een primaire watergang met een beschermingszone A, die door het waterschap vanaf één oever wordt onderhouden, kan tot gevolg hebben dat onderhoud vanaf die oever na de verbreding niet meer mogelijk is. Alternatief is het onderhoud, wanneer mogelijk, vanaf beide oevers of varend uit te voeren. Dit brengt echter hogere kosten met zich mee en stelt ook eisen aan de inrichting van de watergang (inlaatplaatsen voor de boot, bruggen op minimale hoogte). Het belang van de verbreding wordt gewogen tegen de extra kosten voor onderhoud. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat minimaal een vorm van machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, mogelijk blijft. ad d: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Het waterschap heeft op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water de verplichting om te streven naar ecologisch gezond water. Om dit te kunnen waarborgen in nieuw te graven water, worden er eisen gesteld aan de vormgeving (diepte, breedte, taludhelling) van de watergang. Voor het graven van tertiaire watergangen gelden minimale afmetingen. Voor het verlengen van bestaande primaire of secundaire watergangen heeft het de voorkeur om het bestaande profiel door te trekken. Dit geldt met name als het profiel een vorm heeft die afgestemd is op de ecologische wensen. Als dit niet het geval is, wordt met de initiatiefnemer gekeken of het mogelijk is om een ecologisch gewenst profiel aan te leggen. Voor andere nieuw aan te leggen watergangen wordt samen met de initiatiefnemer gekeken in hoeverre een op de ecologie afgestemd profiel mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Graven in de zone waterstaatswerk of in de beschermingszone van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking Een verlegging van een waterkering valt ook onder graven. Zo’n verlegging kan noodzakelijk zijn bij een herinrichtingsplan van een gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het graven bij een waterkering wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen waterkeringen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Graven bij een primaire waterkering Bij de beoordeling van een aanvraag voor het graven bij een primaire waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kijken wij naar: of de activiteiten het leggerprofiel van de waterkering doorsnijden; of het gaat om een tijdelijke of definitieve ontgraving.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Graven bij een regionale of overige waterkering Bij de beoordeling van een aanvraag voor het graven bij een regionale of overige waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kijken wij naar: of de activiteiten het leggerprofiel/minimaal benodigde profiel doorsnijden; of bij een verheelde regionale of verheelde overige waterkering voldoende ruimte overblijft voor het minimaal benodigde profiel, inclusief de bijbehorende waterkeringzones of het gaat om een tijdelijke of definitieve ontgraving 3. Graven bij een zomerkade Bij de beoordeling van een aanvraag voor het graven bij een zomerkade houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; inspectie en onderhoud; periode; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kijken wij naar: of de activiteiten het minimaal benodigde profiel van de waterkering doorsnijden; of het gaat om een tijdelijke of definitieve ontgraving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.4Insteekhaven langs waterkeringen langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een insteekhaven in de zone waterstaatswerk van een waterkering langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van deze waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de insteekhaven aan te leggen, maar ook voor de aanwezigheid van de insteekhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is alleen geldig voor de waterkeringen langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Voor de aanleg van een insteekhaven moet ook door de provincie (o.b.v. de Landschapsverordening) en/of de gemeente (o.b.v. het bestemmingsplan) een vergunning worden verleend. De overheden informeren elkaar over binnenkomende vergunningaanvragen en er vindt afstemming plaats over de behandeling van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet ook afstemming plaats vinden met de vaarwegbeheerder in verband met nautische veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepalingen Onder een insteekhaven wordt verstaan: een plaatselijke verbreding van het oppervlaktewater die de doorgaande oeverlijn onderbreekt, meestal aangelegd ten behoeve van het afmeren van een vaartuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een waterkering met klein risico is een waterkering waarbij het achterland relatief hoog ligt en waarbij geen bebouwing aanwezig is in het beschermde gebied achter de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overgedimensioneerde waterkering is bij deze beleidsregel een waterkering waarbij geen sprake is van een binnentalud, omdat het achterliggende land over grote afstand op of boven het maatgevende boezempeil ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Wanneer een waterkering direct langs het water is gelegen, betekent de aanleg van een insteekhaven het verleggen van de waterkering. Dit beleid is opgesteld om te voorkomen dat bij de aanleg van een insteekhaven het risico van overstroming van een waterkering wordt vergroot door het verleggen van de waterkering en het vergroten van de lengte van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de toe te passen afweging De aanleg van insteekhavens is in beginsel niet wenselijk voor het in stand houden van de waterkeringen. Wanneer het een particuliere insteekhaven betreft, dient het maatschappelijk belang zwaarder te wegen dan het particulier belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een regionale of een overige waterkering zal niet worden verlegd, met uitzondering van een tweetal bijzondere situaties, namelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het risico zeer klein (omdat het achterland relatief hoog ligt en er geen bebouwing in het beschermde gebied ligt) of;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een overgedimensioneerde waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een regionale of een overige waterkering met een zeer klein overstromingsrisico, is de aanleg van een insteekhaven onder voorwaarden toelaatbaar. De te stellen voorwaarden hebben zowel betrekking op de ligging van de haven als op de constructie ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de regionale en overige waterkeringen langs de Gekanaliseerde Hollandse IJssel is op de kaart 19 in Bijlage 5 bij de Keur, Uitvoeringsregels en Beleidsregels vastgelegd of sprake is van een klein risico of een overdimensionering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderstaande figuur 54.1 is samengevat op welke locaties voor insteekhavens vergunning kan worden verleend. De specifieke toetsingscriteria worden hierna verder uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 2.1 Locaties vergunbare insteekhavens Specifieke toetsingscriteria Voor de aanleg van een insteekhaven langs de Gekanaliseerde Hollandse IJssel kan vergunning worden verleend, als de aanleg plaats vindt: in het dijklichaam van een regionale of een overige waterkering die op de kaart in de bijlage bij deze beleidsregels is aangemerkt als een waterkering met klein risico; in het dijklichaam van een overgedimensioneerde regionale of overige waterkering, mits de werkzaamheden voldoen aan de algemene vergunningscriteria en aan de volgende specifieke toetsingscriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dijkverlegging. Er is voldoende ruimte om het dijklichaam, inclusief de bijbehorende waterkeringzones te verleggen. Hierbij moet rondom de haven minimaal 7 meter vrij zijn van bebouwing, etc. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de nieuwe situatie aan de regels moet voldoen met betrekking tot werken in de waterkeringzones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Profiel. Indien er sprake is van een dijkverlegging, moet de waterkering zodanig worden verlegd, dat het profiel overeenkomt met de legger; evt. kunnen aanvullende eisen worden gesteld, vooruitlopend op groot onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergrond. De ondergrond waar de nieuwe waterkering komt te liggen moet onderzocht worden om te bepalen of deze geschikt is (ter beoordeling van het waterschap). Hierbij wordt o.a. gekeken naar de zettingen en de draagkracht van de grond in relatie tot de hoogte en de stabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Damwand. Indien een damwand wordt geplaatst, moet de damwand in combinatie met een grondlichaam de waterkering vormen, de damwand is de buitenkruinlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naburige havens. Een dijkverlegging voor twee vlakbij elkaar gelegen havens moet worden gecombineerd, zodat de lengte van de waterkering zo klein mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ligging en afmetingen. Indien er sprake is van een dijkverlegging, moet de haven met de lange zijde evenwijdig aan de waterkering liggen (evenwijdig aan het water). De maximale breedte van de haven mag niet meer dan 3.25 m bedragen. Deze voorwaarde geldt niet in het geval van een verheelde waterkering, mits er voldoende ruimte is om het waterstaatswerk te verleggen. (Zie ook het criterium dijkverlegging.) In- en uitlaten. Een eventuele waterinlaat of -uitlaat ter plaatse moet zodanig worden verlegd of aangepast dat deze kan blijven functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezicht. De aanleg van de insteekhaven en de eventuele verlegging van de waterkering worden door de vergunninghouder uitgevoerd onder toezicht van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoudsplicht. Eventuele aanpassing en/of vervanging van een aan te leggen damwand en/of waterkering is en blijft voor rekening van de vergunninghouder. De onderhoudsplicht van dit ‘groot onderhoud’ wordt vastgelegd in de legger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steigers e.d. Voor het waterstaatswerk en de beschermingszone van de verlegde waterkering zijn de beperkingen uit de waterschapsverordening onverkort van toepassing. Voorzieningen ten behoeve van het gebruik van de insteekhaven (bijvoorbeeld steigers, beschoeiingen, boothuizen) mogen geen negatieve invloed hebben op de stabiliteit of het onderhoud van de waterkering en dienen apart te worden opgenomen in de vergunningaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van een insteekhaven langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel kan vergunning worden verleend als de aanleg plaats vindt binnen het waterstaatswerk maar buiten het dijklichaam, mits de werkzaamheden voldoen aan de algemene vergunningscriteria en aan de volgende specifieke toetsingscriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit. Er worden zodanige maatregelen getroffen dat de stabiliteit van de waterkering is verzekerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In- en uitlaten. Een eventuele waterinlaat of -uitlaat ter plaatse moet zodanig worden verlegd of aangepast dat deze kan blijven functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezicht. De aanleg van de insteekhaven en de eventuele verlegging van de waterkering worden door de vergunninghouder uitgevoerd onder toezicht van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoudsplicht. Eventuele aanpassing en/of vervanging van een aan te leggen damwand en/of waterkering is en blijft voor rekening van de vergunninghouder. De onderhoudsplicht van dit ‘groot onderhoud’ wordt vastgelegd in de legger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steigers e.d. Voor het waterstaatswerk en de beschermingszone van de verlegde waterkering zijn de beperkingen uit de keur onverkort van toepassing. Voorzieningen ten behoeve van het gebruik van de insteekhaven (bijvoorbeeld steigers, beschoeiingen, boothuizen) mogen geen negatieve invloed hebben op de stabiliteit of het onderhoud van de waterkering en dienen apart te worden opgenomen in de vergunningaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van een insteekhaven langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel geldt een Absoluut verbod als de aanleg plaats vindt in niet omschreven situatie. Er wordt geen vergunning verleend in het dijklichaam van een regionale of een overige waterkering, die op de kaart in de bijlage bij deze beleidsregels niet is aangemerkt als een waterkering met klein risico of als overgedimensioneerde waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2.5Natuurvriendelijke oever Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan is de beleidsregel uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3Grond of ander materiaal aanbrengen 4.3.1Inleiding Als voor de activiteit grond of ander materiaal aanbrengen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder het aanbrengen van grond of ander materiaal valt tevens het dempen, versmallen of verondiepen van een watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er ter compensatie nieuw oppervlaktewater moet worden gegraven dan moeten ook de beleidsregels Graven en Natuurvriendelijke oever worden geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het dempen, versmallen of verondiepen van een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste; het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers; het tegengaan van bodemdaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste Uitgangspunt is dat de waterberging door een demping niet verkleind wordt. Oppervlaktewater dat tengevolge van een demping geïsoleerd wordt van het watersysteem wordt ook als gedempt beschouwd. Een demping moet volledig worden gecompenseerd (stand-still principe). bij voorkeur binnen hetzelfde peilgebied; als dit niet mogelijk is, in het aangrenzend benedenstroomse peilgebied; als dit niet mogelijk is, in het aangrenzend bovenstroomse peilgebied; als dit niet mogelijk is, in hetzelfde afwateringsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de compensatie valt ook het verwijderen van bestaande dammen onder het graven van nieuw water. Het opheffen van overbodige dammen is positief voor de doorstroming en de ecologie van het watersysteem en kan daarom de voorkeur genieten boven het graven van nieuw water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze compensatie moet in principe voorafgaand of gelijktijdig met de demping plaatsvinden. Als duidelijke garanties worden gegeven dat de compensatie in een later stadium van het project wordt uitgevoerd, staat het waterschap onder voorwaarden toe om in gebieden waar geen wateropgave voor wateroverlast is, een demping op een later moment te compenseren. Tijdelijke dempingen, bijvoorbeeld ten behoeve van de uitvoering van een project, hoeven niet gecompenseerd te worden, tenzij deze tijdelijke demping zou kunnen leiden tot wateroverlast. Afspraken over inzet van eerder gegraven of later te graven water kunnen in overleg met het waterschap worden vastgelegd in een waterbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat bij later compenseren de demping binnen een bepaalde periode volledig wordt gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook tijdelijke afdammingen met het doel om in het voorjaar ten behoeve van vogelweidebeheer de (grond)waterstand tijdelijk te verhogen kunnen worden vergund zonder dat dit gecompenseerd wordt. Randvoorwaarde is dat het risico op (grond)wateroverlast bij derden binnen de norm blijft en er geen nadelige beïnvloeding is op de waterkwaliteit (uitspoeling van nutriënten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen bij hoge uitzondering kan vergunning worden gegeven voor een permanente demping zonder dat deze wordt gecompenseerd. Deze uitzonderingen zijn: droge sloten die geen bijdrage leveren aan de berging in het watersysteem; watergangen die worden gedempt met aantoonbaar het doel verdroging te bestrijden. Door het dempen van deze sloten worden kwelstromen verminderd en hiermee neemt de belasting op het watersysteem af; oppervlaktewater dat niet is aangesloten op het watersysteem (geïsoleerde wateren); het herstellen van afgekalfde oevers, waarbij aantoonbaar is dat deze afkalving recent (afgelopen 5 jaar) heeft plaatsgevonden. ad b: het garanderen van de aan- en afvoer Bij een demping van oppervlaktewater moet de wateraan- en -afvoer van het achterliggende gebied gegarandeerd blijven. Op de kaart Tertiaire watergangen met geborgde afmetingen in Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten) zijn tertiaire watergangen aangegeven die niet zondermeer versmald kunnen worden tot het minimale leggerprofiel. Voor het versmallen of dempen van tertiaire watergangen binnen deze gebieden wordt bij een vergunningaanvraag getoetst of de wateraan- en -afvoer binnen het peilgebied niet wordt belemmerd, zodat er wateroverlast of -schaarste kan ontstaan. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Een demping in een primaire watergang in onderhoud bij het waterschap kan het normale varend onderhoud belemmeren. In deze gevallen wordt gekeken of onderhoud vanaf de oever mogelijk is. Is dit niet het geval, dan moet minimaal machinaal onderhoud van de watergang tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijven. Eventuele meerkosten van het onderhoud door het waterschap worden gewogen tegen het belang van de demping. Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft en de kosten voor onderhoud niet disproportioneel stijgen. ad d: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Dempingen kunnen leiden tot (ongewenste) effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologische toestand van het water. Voor het behoud van de ecologische waarden wordt het ‘stand-still principe’ gehanteerd. Na een demping kan de doorstroming verminderen, waardoor de waterkwaliteit afneemt. De leefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren ter plaatse wordt bedreigd. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand na demping minimaal gelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbreden van een watergang, om zodoende te compenseren voor een demping van een watergang elders, moet minimaal 50 cm van de watergang omvatten. Het verbreden zorgt namelijk voor een verstoring in de watergang zelf (bijv. vertroebeling). Ook is er een flinke verstoring op de kanten van de watergang doordat de oever, inclusief oeverplanten en overige flora en fauna, worden verwijderd. Hierbij is ook de Wet Natuurbescherming van kracht. ad e: het tegengaan van bodemdaling Klei-op-veen- en veengronden zijn zogenaamde zettingsgevoelige gronden. Vooral wanneer de grondwaterspiegel onder de bovenkant van het veen komt te liggen, bestaat het gevaar dat het veenpakket inklinkt en krimpt met als gevolg dat het maaiveld daalt. De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil in de sloten en de afstand tussen de sloten. Om deze reden worden er randvoorwaarden gesteld aan de maximale breedte van een perceel. Van deze criteria kan niet worden afgeweken, tenzij er afdoende maatregelen worden getroffen om de extra bodemdaling te voorkomen en uit berekeningen blijkt dat de grondwaterstand niet verder daalt dan in de oorspronkelijke toestand. Bijvoorbeeld door percelen integraal op te hogen met zand, waarbij in de eindsituatie het grondwater tot in het zandpakket staat. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de door het waterschap gehanteerde droogleggingsnormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van grond in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt zowel voor de werkzaamheden om de grond aan te brengen, als voor de aangebrachte grond zelf (gewicht, ed.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van grond in het profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering kan toekomstige ontwikkelingen van de waterkering belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanbrengen van grond bij een waterkering wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen waterkeringen. Daarnaast worden voor het aanleggen van een op- en afrit bij een primaire waterkering aanvullende voorwaarden gesteld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Aanbrengen van grond bij een primaire waterkering Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanbrengen van grond bij een primaire waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: stabiliteit; erosiebestendigheid; periode; inspectie en onderhoud; profiel van vrije ruimte.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kijken wij naar: of het aanbrengen van grond leidt tot een taludverflauwing; of het de aanleg van een steunberm betreft; of het de aanleg van een op- of afrit betreft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanleggen van een op- en afrit bij een primaire waterkering Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een op- en afrit bij een primaire waterkering kijken wij, naast de aspecten onder lid 1 (Aanbrengen van grond bij een primaire waterkering), aanvullend naar onderstaande aspecten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen nut en noodzaak; belasting; (ongelijkmatige) zettingen; erosiebestendigheid; enkelvoudig uitvoeren; passeerbaarheid voor inspectie en onderhoud waterkering; profiel van de dijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitendijks ophoping zwerfvuil en ijsvorming; meeliggend uitvoeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnendijks toegankelijkheid afgestemd op ontsluiten achterland (afmetingen en taludhelling). ad a: nut en noodzaak Er wordt terughoudend omgegaan met op- en afritten bij de dijk. De aanleg van de op- en afrit wordt slechts overwogen indien deze noodzakelijk is ter ontsluiting. Indien er andere mogelijkheden bestaan ter ontsluiting op de openbare weg moet hiervan gebruik gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager dient dus aan te tonen dat ontsluiting via een nieuw aan te leggen oprit naar de dijk inderdaad de enige mogelijkheid is. Mocht er een andere mogelijkheid zijn of is er reeds een andere mogelijkheid, dan wordt de aanvraag geweigerd. ad b: belasting De belasting van de op- en afrit zelf en de verkeersbelasting hierop mag geen negatieve gevolgen hebben op de veiligheidsfactor van de dijk. Aanvrager dient dit aan te tonen met stabiliteitsberekeningen en gegevens over de grondopbouw. ad c: (ongelijkmatige) zettingen Voorkomen moet worden dat zettingen een negatieve invloed op de dijk uitoefenen. Aanvrager dient dit aan te tonen met zettingsberekeningen en gegevens over de grondopbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer uit bij de beheerder reeds aanwezige grondgegevens blijkt dat er niet of nauwelijks zetting te verwachten is, dan kan de beheerder toestemming geven om geen stabiliteits- of zettingsberekening aan te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen moet worden dat door aanleg of gebruik er ongelijkmatige zettingen optreden. Hierdoor wordt de kans op scheurvorming of onveilige situaties vergroot. ad d: erosiebestendigheid De op- en afrit moet zodanig zijn aangelegd dat de dijk zijn erosiebestendigheid behoudt. De bekleding van de dijk moet bestand zijn tegen golfslag, golfoploop en golfoverslag. Golfslag is het moment waarop een golf tegen het buitentalud slaat. Golfoploop is de verdere beweging van de golf omhoog langs het buitentalud. Golfoverslag zijn golven die over de kruin en het binnentalud slaan, zonder dat het waterpeil boven de kruinhoogte uitsteekt. ad e: enkelvoudig uitvoeren Een op- en afrit dient enkelvoudig te worden uitgevoerd, dat wil zeggen een verbinding tussen kruin dijk en achterland. Dubbele op- en afrit (Y vorm waarbij de op- en afrit via twee zijde de kruin en het achterland verbind) zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering hierop zijn op- en afrit die een openbare functie hebben en of de wegveiligheid aantoonbaar aanleiding geeft. ad f: passeerbaarheid voor inspectie en onderhoud waterkering De beheerstrook moet bereikbaar blijven vanaf de openbare weg en mag niet door de nieuwe op- en afrit worden onderbroken zonder dat de doorgang is geborgd. De nieuwe op- en afrit dient aan beide zijde een eigen op- en afrit in de oksel van de nieuwe op- en afrit te krijgen. Een andere optie is dat de beheerstrook de nieuwe op- en afritten onderaan via een voorziening kruist. Dit geniet niet de voorkeur Scherpe bochten worden voorkomen i.v.m. de draaicirkel van voertuigen t.b.v. inspectie en onderhoud. ad g: profiel van de dijk Om aan de vigerende eisen te blijven voldoen mag het profiel van de dijk niet aangetast worden. De constructie van de op- en afrit (inclusief cunet) ligt dus geheel buiten het profiel van de dijk. ad h: ophoping zwerfvuil en ijsvorming buitendijks;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van een op- en afrit mag niet leiden tot ophoping van zwerfvuil en mag tevens geen aangrijpingspunt vormen voor ijsvorming. ad i: meeliggend uitvoeren (buitendijkse oprit);Een buitendijkse oprit wordt meeliggend uitgevoerd, dat wil zeggen met de stroom mee aangelegd. ad j: toegankelijkheid afgestemd op ontsluiten achterland;</p>\n<p class=\"lf-p\">De afmetingen en de taludhelling van de op- of afrit zijn afgestemd op het doel waarvoor de op- of afrit is bestemd. Dit kan zijn privé-verkeer maar ook werkverkeer. Het kan zijn dat andere partijen tevens gebruik gaan maken van de op- of afrit.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aanbrengen van grond bij een regionale of overige waterkering of een zomerkade Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanbrengen van grond bij een regionale, overige waterkering of zomerkade houden wij rekening met de volgende aspecten: stabiliteit; erosiebestendigheid; periode; inspectie en onderhoud.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kijken wij naar: of het aanbrengen van grond leidt tot een taludverflauwing; of het de aanleg van een steunberm betreft; of het de aanleg van een op- of afrit betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.4Natuurvriendelijke oever en vaarweg Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4Duiker Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een duiker, het verwijderen van een duiker en het vervangen van een duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1Duiker aanleggen 4.4.1.1Inleiding Als voor de activiteit duiker aanleggen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder Duiker aanleggen wordt in dit verband verstaan het aanleggen van een duiker waarbij geen bestaand oppervlaktewater wordt gedempt. Wordt er wel bestaand oppervlaktewater gedempt dan is er sprake van het aanleggen van een dam met duiker. Ook het aanleggen van een verbindingsduiker valt onder deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanleggen van een dam met duiker zie paragraaf 4.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbindingsduiker heeft als functie het verbeteren van de waterkwaliteit. Voorbeeld hiervan is een duiker die wordt aangelegd tussen 2 watergangen, terwijl die 2 watergangen al wel in verbinding stonden met het watersysteem. Wanneer een watergang door dempingen geïsoleerd raakt, maar weer wordt verbonden met een duiker om bergingsverlies te voorkomen, gaat het niet om een verbindingsduiker maar om een duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een duiker bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste; het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste Opstuwing en daarmee de vermindering van de drooglegging wordt als een negatief effect beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wateroverlast of -schaarste kan ontstaan als een duiker in een watergang te veel opstuwing veroorzaakt. Om deze reden streeft het waterschap naar zo weinig en zo kort mogelijke duikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om opstuwing in het watersysteem te voorkomen en het risico op verstopping van een duiker klein te houden, wordt voor primaire watergangen in beginsel een minimale diameter van rond 0,80 meter en voor tertiaire watergangen van minimaal rond 0,50 meter als norm gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een nieuwe duiker in het primair stelsel wordt altijd getoetst welke afmeting vereist is om wateroverlast ten gevolge van opstuwing te voorkomen (zie ook ad b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het beheergebied van het waterschap zijn er gebieden die kwetsbaar zijn voor wateroverlast of waar veel water aangevoerd moet worden voor bijvoorbeeld de onttrekking van oppervlaktewater in het kader van de nachtvorstschadebestrijding in de fruitteelt. Zie hiervoor de kaart Gebied met minimale duikerdiameter 0,80 meter in Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten). Hier voldoet de standaard duikerdiameter van 0,50 meter in tertiaire watergangen niet altijd, maar een diameter van 0,80 meter wel. Als een initiatiefnemer in deze gebieden een kleinere duiker dan 0,80 meter wil aanleggen, zal per geval worden beoordeeld of deze afwijking kan worden vergund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat de aanleg van een duiker niet leidt tot extra risico op wateroverlast of -schaarste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verbindingsduikers is de eis van een minimale diameter van 0,50 meter in combinatie met de eis dat de duiker met 20-35% lucht moet worden gelegd niet altijd haalbaar. Dat is bijvoorbeeld het geval als zo’n verbindingsduiker door een agrarisch perceel wordt gelegd met weinig drooglegging. Omdat een verbindingsduiker niet wordt aangelegd vanwege de aan- en afvoer van water, maar een extra voorziening is voor het verbeteren van de waterkwaliteit, kan voor een verbindingsduiker worden afgeweken van bovengenoemde eisen. Voorwaarde is dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de aanleg van de verbindingsduiker moet leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit. Voor verbindingsduikers geldt in dergelijke gevallen een minimale diameter van 0,30 meter. ad b: het garanderen van de aan- en afvoer van water Een duiker in een primaire of secundaire watergang moet voldoende doorstroomprofiel hebben ten behoeve van de aan- en afvoer van water. In de regio Kromme Rijn worden aanvragen voor een duiker in een tertiaire watergang ook getoetst op voldoende aanvoer capaciteit ten behoeve van de onttrekking van oppervlaktewater in het kader van de nachtvorstschadebestrijding in de fruitteelt. De afvoercapaciteit wordt bepaald door de diameter van de duiker en het maximaal aanvaardbare verhang in de duiker. Om grote verschillen in de afstroming (het verhang) binnen het watersysteem te beperken, worden eisen gesteld aan de maximale opstuwing die een duiker mag veroorzaken. De toegestane opstuwing wordt van geval tot geval beoordeeld op basis van de aanvraag. Als teveel opstuwing ontstaat, kan alleen vergunning worden verleend voor een diameter die dit verhang voldoende beperkt. Door het verlenen van een vergunning voor het aanleggen van een duiker mogen echter niet alle reserves gebruikt worden. Met andere woorden, de eerste aanvrager mag niet beperkend worden voor potentiële aanvragers op hetzelfde afvoertraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat de doorvoercapaciteit van de watergang blijft voldoen aan de norm, ook als op vergelijkbare plaatsen in de watergang dezelfde duikers worden aangelegd. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan de watergang worden belemmerd In een lange duiker of een duiker die niet in één rechte lijn wordt gelegd is het onderhoud van het doorstroomprofiel moeilijk. Om deze reden kan het waterschap bij deze duikers een inspectieput eisen, zodat het reinigen van de duiker mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat onderhoud van het doorstroomprofiel tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft. ad d: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Een duiker vormt een belemmering voor de fysisch-chemische waterkwaliteit en het ecologisch functioneren van een watergang. Ook voor dit doel is het beleid van het waterschap er op gericht om het aantal duikers zo beperkt mogelijk te houden en ook geen langere duiker toe te staan dan strikt noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lange duikers bevatten relatief veel water waar geen licht bij kan komen. Bij slechte doorstroming kan dit tot zuurstofloos water leiden, vooral door ophoping van kroos en drijfvuil. Bij aanvragen wordt getoetst of er voldoende inspanning wordt gepleegd om de duikerlengte zoveel mogelijk te beperken en of de verblijftijd van het water dermate wordt beperkt dat zuurstofloosheid van het water in de duiker wordt voorkomen. Bij duikers langer dan 15 meter, kan een grotere diameter voorgeschreven of geadviseerd worden ter compensatie van de lengte wat de doorstroming ten goede komt. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de invloed op de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologie dermate beperkt is dat het niet leidt tot ecologisch ongezond water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een duiker in een stedelijke omgeving en voor een verbindingsduiker geldt dat de lengte van de duiker veelal wordt bepaald door de inrichting van de openbare ruimte of – bij een verbindingsduiker – door de perceelsbreedte. Daarom kan een langere duiker hier worden vergund, mits er alles aan is gedaan om de lengte zoveel als mogelijk te beperken en eventueel een grotere diameter voor de duiker wordt toegepast. Deze grotere diameter geldt niet voor een verbindingsduiker, aangezien deze niet wordt aangelegd vanwege de aan- en afvoer van water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tertiaire watergangen wordt onder andere om kwalitatieve en ecologische redenen een minimale duikerdiameter van 0,50 meter vereist. Uitzondering hierop zijn de tertiaire watergangen in een gebied met minimale duikerdiameter 0,80 meter, zie Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten). In deze gebieden moet de diameter van de duiker vanwege grotere aan- en afvoer van oppervlaktewater mogelijk groter zijn dan 0,50 meter. Dit is bijvoorbeeld het geval in gebieden waar er veel onttrekking van oppervlaktewater voor de nachtvorstschadebestrijding plaatsvindt. Voor het hydraulisch functioneren volstaat vaak een kleinere diameter. Kleinere diameters worden alleen toegestaan indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleinere diameter van de duiker leidt niet tot te weinig aan- en afvoer van water; de aanleg van een duiker met een diameter van 0,50 meter is onevenredig duur; het negatieve effect van een kleinere duikerdiameter op de ecologie en waterkwaliteit is klein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden en redenen voor een kleinere duikerdiameter zijn: afmetingen van de aangrenzende sloten zijn beperkt; beperkte diepte van aangrenzende sloten; specifieke functie van de duiker (bijvoorbeeld verbindingsduiker door agrarische percelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanleggen van een duiker is het uitgangspunt dat de duiker met voldoende lucht wordt aangelegd. Onder voldoende lucht wordt minimaal 20% en maximaal 35% verstaan bij het hoogste streefpeil. Als door de aanwezigheid van kabels en leidingen het onevenredig kostbaar wordt om aan deze eis te kunnen voldoen kan hiervan afgeweken worden. De huidige waterkwaliteit en ecologische toestand van het water wordt hierin meegewogen. Ook kan het voorkomen dat vanwege de geringe drooglegging er niet voldoende gronddekking op de duiker gerealiseerd kan worden (veenweidegebied). In deze gevallen kan ook afgeweken worden van de eis van minimaal 20% lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een duiker een grotere diameter heeft dan de minimaal vereiste diameter kan worden afgeweken van de eis van maximaal 35% lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een duiker in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de duiker, aan te leggen, maar kan ook van toepassing zijn op de aanwezigheid van de duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een duiker in het profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering kan toekomstige ontwikkelingen van de waterkering belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een duiker bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; profiel van vrije ruimte; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1.4Natuurvriendelijke oever en vaarweg Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2Duiker verwijderen 4.4.2.1Inleiding Als u in Afdeling 4.4 van de waterschapsverordening met betrekking tot Duiker verwijderen uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de activiteit niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder Duiker verwijderen wordt in dit verband ook verstaan het verwijderen van een duiker uit een dam, waarbij de dam blijft liggen. Ook het verwijderen van een verbindingsduiker valt onder deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verwijderen van een dam met duiker zie paragraaf 4.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbindingsduiker heeft geen functie voor de aan- en afvoer van oppervlaktewater, maar heeft een functie voor de waterkwaliteit. Voorbeeld hiervan is een duiker die wordt aangelegd tussen 2 watergangen om de doorstroming te verbeteren, terwijl die 2 watergangen al wel in verbinding stonden met het watersysteem. Wanneer een watergang door dempingen geïsoleerd raakt, maar weer wordt verbonden met een duiker om bergingsverlies te voorkomen, gaat het niet om een verbindingsduiker maar om een duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een duiker bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het garanderen van de aan- en afvoer van water (geldt voor het verwijderen van een duiker uit een dam); het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers (geldt voor het verwijderen van een verbindingsduiker en voor het verwijderen van een duiker uit een dam).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het garanderen van de aan- en afvoer van water Door het verwijderen van een duiker uit een dam wijzigt de wateraan- en -afvoer van het watersysteem. Vergunningaanvragen worden getoetst op het in stand houden van de benodigde wateraan- en -afvoer. ad b: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Als een duiker wordt verwijderd kan er een doodlopende watergang ontstaan of kan er zelfs een geïsoleerde watergang ontstaan. Dit kan ongunstig zijn voor de waterkwaliteit en ecologie. Vergunningaanvragen worden getoetst op effecten op de waterkwaliteit en ecologie. Randvoorwaarde is dat er geen ecologische achteruitgang optreedt en dat er geen geïsoleerd water ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijderen van een duiker in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van een waterkering vanwege de werkzaamheden om de duiker te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een duiker bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2.4Natuurvriendelijke oever Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan is de beleidsregel uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3Duiker vervangen 4.4.3.1Inleiding Als voor de activiteit duiker vervangen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder Duiker vervangen wordt in dit verband ook verstaan het vervangen van een duiker in een dam, waarbij de dam blijft liggen. Ook het vervangen van een verbindingsduiker valt onder deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbindingsduiker heeft geen functie voor de aan- en afvoer van oppervlaktewater, maar heeft een functie voor de waterkwaliteit. Voorbeeld hiervan is een duiker die wordt aangelegd tussen 2 watergangen om de doorstroming te verbeteren, terwijl die 2 watergangen al wel in verbinding stonden met het watersysteem. Wanneer een watergang door dempingen geïsoleerd raakt, maar weer wordt verbonden met een duiker om bergingsverlies te voorkomen, gaat het niet om een verbindingsduiker maar om een duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het vervangen van een duiker bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste (geldt voor het vervangen van een duiker in een dam); het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers (geldt voor het vervangen van een verbindingsduiker en voor het vervangen van een duiker in een dam).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste Bij vervanging van een duiker in een dam wordt in beginsel gestreefd naar de minimale afmetingen van de duiker voor het aanleggen van een duiker in een dam, ook al is de huidige diameter van de te vervangen duiker kleiner dan dit minimum. Alleen onder voorwaarden genoemd onder ad b kan hier voor duikers in het tertiaire systeem van worden afgeweken. ad b: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Bij het vervangen van de duiker mag de lengte van de duiker in principe niet toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tertiaire watergangen wordt onder andere om kwalitatieve en ecologische redenen een minimale duikerdiameter van 0,50 meter geëist. Uitzondering hierop zijn de tertiaire watergangen in een gebied met minimale duikerdiameter 0,80 meter, zie Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten). In deze gebieden moet de diameter van de duiker vanwege grotere aan- en afvoer van oppervlaktewater mogelijk groter zijn dan 0,50 meter. Dit is bijvoorbeeld het geval in gebieden waar er veel onttrekking van oppervlaktewater voor de nachtvorstschadebestrijding plaatsvindt. Voor het hydraulisch functioneren volstaat vaak een kleinere diameter. Kleinere diameters worden alleen toegestaan indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleinere diameter van de duiker leidt niet tot te weinig aan- en afvoer van water; de aanleg van een duiker met een diameter van 0,50 meter is onevenredig duur; het negatieve effect van een kleinere duikerdiameter op de ecologie en waterkwaliteit is klein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden en redenen voor een kleinere duikerdiameter zijn: afmetingen van de aangrenzende sloten zijn beperkt; beperkte diepte van aangrenzende sloten; specifieke functie van de duiker (bijvoorbeeld verbindingsduiker door agrarische percelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vervanging van bestaande duikers en verbindingsduikers die niet met voldoende (ongeveer 20%) lucht zijn gelegd, is het uitgangspunt dat de nieuwe duiker wel met voldoende lucht wordt aangelegd. Onder voldoende lucht wordt minimaal 20% en maximaal 35% verstaan bij het hoogste streefpeil. Indien door de aanwezigheid van kabels en leidingen het onevenredig kostbaar wordt om aan deze eis te kunnen voldoen kan hiervan afgeweken worden. De huidige waterkwaliteit en ecologische toestand van het water wordt hierin meegewogen. Ook kan het voorkomen dat vanwege de geringe drooglegging er niet voldoende gronddekking op de duiker of verbindingsduiker gelegd kan worden (veenweidegebied). In deze gevallen kan ook afgeweken worden van de eis van minimaal 20% lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een duiker een grotere diameter heeft dan de minimaal vereiste diameter kan worden afgeweken van de eis van maximaal 35% lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van een duiker in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de duiker te vervangen, maar kan ook van toepassing zijn op de aanwezigheid van de duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van een duiker in het profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering kan toekomstige ontwikkelingen van de waterkering belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het vervangen van een duiker bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; profiel van vrije ruimte; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3.4Natuurvriendelijke oever Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan is de beleidsregel uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5Dam met duiker Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een dam met duiker, het verwijderen van een dam met duiker en het vervangen van een dam met duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1Dam met duiker aanleggen 4.5.1.1Inleiding Als voor de activiteit dam met duiker aanleggen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder Dam met duiker aanleggen wordt in dit verband alleen verstaan het aanleggen van een duiker waarbij bestaand oppervlaktewater wordt gedempt. Ook een duiker onder een nieuw aan te leggen weg door, waarbij bestaand oppervlaktewater wordt gedempt, valt onder deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanleggen van een duiker zie paragraaf 4.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er ter compensatie nieuw oppervlaktewater moet worden gegraven dan moeten ook de beleidsregels Graven, Grond of ander materiaal aanbrengen en Natuurvriendelijke oever worden geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een dam met duiker bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste; het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste Opstuwing en daarmee de vermindering van de drooglegging en het afnemen van de bergingscapaciteit van het watersysteem worden als negatieve effecten beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de bergingscapaciteit van het watersysteem te behouden moet een dam met duiker, die meer dan 25 m² aan bergingscapaciteit wegneemt altijd gecompenseerd worden overeenkomstig de beleidsregel voor Grond of ander materiaal aanbrengen. Uitzondering hierop is een tijdelijke dam met duiker, die bijvoorbeeld voor de uitvoering van een project wordt aangelegd. Voor de compensatie valt ook het verwijderen van een bestaande dam met duiker onder het graven van nieuw water. Het verwijderen van een overbodige dam met duiker is positief voor de doorstroming en de ecologie van het watersysteem en heeft daarom de voorkeur boven het graven van nieuw water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wateroverlast of -schaarste kan ontstaan als een dam met duiker in een watergang te veel opstuwing veroorzaakt. Om deze reden streeft het waterschap naar zo weinig en zo kort mogelijke dammen met duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om opstuwing in het watersysteem te voorkomen en het risico op verstopping van een duiker klein te houden, wordt voor primaire watergangen in beginsel een minimale diameter van rond 0,80 meter en voor tertiaire watergangen van minimaal rond 0,50 meter als norm gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een nieuwe dam met duiker in het primair stelsel wordt altijd getoetst welke afmeting vereist is om wateroverlast ten gevolge van opstuwing te voorkomen (zie ook ad b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het beheergebied van het waterschap zijn er gebieden die kwetsbaar zijn voor wateroverlast of waar veel water aangevoerd moet worden voor bijvoorbeeld de onttrekking van oppervlaktewater in het kader van de nachtvorstschadebestrijding in de fruitteelt. Zie hiervoor de kaart Gebied met minimale duikerdiameter 0,80 meter in Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten). Hier voldoet de standaard duikerdiameter van 0,50 meter in tertiaire watergangen niet altijd, maar een diameter van 0,80 meter wel. Als een initiatiefnemer in deze gebieden een kleinere duiker dan 0,80 meter wil aanleggen, zal per geval worden beoordeeld of deze afwijking kan worden vergund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat de aanleg van een dam met duiker niet leidt tot extra risico op wateroverlast of -schaarste. ad b: het garanderen van de aan- en -afvoer van water Een dam met duiker in een primaire of secundaire watergang moet voldoende doorstroomprofiel hebben ten behoeve van de aan- en afvoer van water. In de regio Kromme Rijn worden aanvragen voor een dam met duiker in een tertiaire watergang ook getoetst op voldoende aanvoer capaciteit ten behoeve van de onttrekking van oppervlaktewater in het kader van de nachtvorstschadebestrijding in de fruitteelt. De afvoercapaciteit wordt bepaald door de diameter van de duiker en het maximaal aanvaardbare verhang in de duiker. Om grote verschillen in de afstroming (het verhang) binnen het watersysteem te beperken, worden eisen gesteld aan de maximale opstuwing die een dam met duiker mag veroorzaken. De toegestane opstuwing wordt van geval tot geval beoordeeld op basis van de aanvraag. Als teveel opstuwing ontstaat, kan alleen vergunning worden verleend voor een diameter die dit verhang voldoende beperkt. Door het verlenen van een vergunning voor het aanleggen van een dam met duiker mogen echter niet alle reserves gebruikt worden. Met andere woorden, de eerste aanvrager mag niet beperkend worden voor potentiële aanvragers op hetzelfde afvoertraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat de doorvoercapaciteit van de watergang blijft voldoen aan de norm, ook als op vergelijkbare plaatsen in de watergang dezelfde dammen met duiker worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dam met duiker die op minder dan 10 meter afstand van een peilregelend kunstwerk wordt aangelegd (in dezelfde watergang), kan de werking van het kunstwerk verstoren. Vergunningaanvragen worden getoetst op verstoring van de werking van een peilregelend kunstwerk. Indien mogelijk worden voorschriften opgenomen op dit te voorkomen. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan de watergang worden belemmerd In een primaire watergang, die varend moet kunnen worden onderhouden, vormt een dam met duiker een hindernis voor het varend onderhoud. Zie hiervoor de kaart Onderhoudsvaarwater in Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten). In onderhoudsvaarwateren waarop uitsluitend bruggen als ontsluiting liggen, wordt een dam met duiker niet toegestaan. Er zijn ook onderhoudsvaarwateren waar reeds dammen met duiker aanwezig zijn. Voor een aantal onderhoudsvaarwateren is een uitsterfbeleid voor dammen met duiker van toepassing. Bij vervanging worden alleen doorvaarbare constructies toegestaan (een brug of een doorvaarbare duiker). In deze gevallen wordt een nieuwe dam met duiker niet toegestaan. In onderhoudsvaarwateren waar reeds dammen met duiker liggen waarop geen uitsterfbeleid van toepassing is - vaak stedelijk gebied - kunnen alleen extra dammen met duiker worden toegestaan onder voorwaarde dat er voldoende mogelijkheid is, of wordt gecreëerd, om de onderhoudsboot in en uit het water te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dammen met duiker, die dichter dan 7 meter van elkaar of van een peilregelend kunstwerk liggen, kunnen een belemmering vormen voor het machinaal onderhoud vanaf de oever van de watergang. Als een dam niet op de gewenste afstand kan worden gelegd, worden in de vergunning voorwaarden opgenomen over het onderhoud van de watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een lange duiker of een duiker die niet in één rechte lijn wordt gelegd is het onderhoud van het doorstroomprofiel moeilijk. Om deze reden kan het waterschap bij deze duikers een inspectieput eisen, zodat het reinigen van de duiker mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat onderhoud van het doorstroomprofiel tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft. ad d: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Een dam met duiker vormt een belemmering voor de fysisch-chemische waterkwaliteit en het ecologisch functioneren van een watergang. Ook voor dit doel is het beleid van het waterschap er op gericht om het aantal dammen met duiker zo beperkt mogelijk te houden en ook geen langere dam met duiker toe te staan dan strikt noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lange dammen met duiker bevatten relatief veel water waar geen licht bij kan komen. Bij slechte doorstroming kan dit tot zuurstofloos water leiden, vooral door ophoping van kroos en drijfvuil. Bij aanvragen wordt getoetst of er voldoende inspanning wordt gepleegd om de duikerlengte zoveel mogelijk te beperken en of de verblijftijd van het water dermate wordt beperkt dat zuurstofloosheid van het water in de duiker wordt voorkomen. Bij duikers langer dan 15 meter, kan een grotere diameter voorgeschreven of geadviseerd worden ter compensatie van de lengte wat de doorstroming ten goede komt. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de invloed op de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologie dermate beperkt is dat het niet leidt tot ecologisch ongezond water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tertiaire watergangen wordt onder andere om kwalitatieve en ecologische redenen een minimale duikerdiameter van 0,50 meter vereist. Uitzondering hierop zijn de tertiaire watergangen in een gebied met minimale duikerdiameter 0,80 meter, zie Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten). In deze gebieden moet de diameter van de duiker vanwege grotere aan- en afvoer van oppervlaktewater mogelijk groter zijn dan 0,50 meter. Dit is bijvoorbeeld het geval in gebieden waar er veel onttrekking van oppervlaktewater voor de nachtvorstschadebestrijding plaatsvindt. Voor het hydraulisch functioneren volstaat vaak een kleinere diameter. Kleinere diameters worden alleen toegestaan indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleinere diameter van de duiker leidt niet tot te weinig aan- en afvoer van water; de aanleg van een duiker met een diameter van 0,50 meter is onevenredig duur; het negatieve effect van een kleinere duikerdiameter op de ecologie en waterkwaliteit is klein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden en redenen voor een kleinere duikerdiameter zijn: afmetingen van de aangrenzende sloten zijn beperkt; beperkte diepte van aangrenzende sloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanleggen van een dam met duiker is het uitgangspunt dat de duiker met voldoende lucht wordt aangelegd. Onder voldoende lucht wordt minimaal 20% en maximaal 35% verstaan bij het hoogste streefpeil. Als door de aanwezigheid van kabels en leidingen het onevenredig kostbaar wordt om aan deze eis te kunnen voldoen kan hiervan afgeweken worden. De huidige waterkwaliteit en ecologische toestand van het water wordt hierin meegewogen. Ook kan het voorkomen dat vanwege de geringe drooglegging er niet voldoende gronddekking op de duiker gerealiseerd kan worden (veenweidegebied). In deze gevallen kan ook afgeweken worden van de eis van minimaal 20% lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een duiker een grotere diameter heeft dan de minimaal vereiste diameter kan worden afgeweken van de eis van maximaal 35% lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een dam met duiker in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de dam met duiker aan te leggen, maar kan ook van toepassing zijn op de aanwezigheid van de dam met duiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering kan toekomstige ontwikkelingen van de waterkering belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een dam met duiker bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; profiel van vrije ruimte; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.4Natuurvriendelijke oever en vaarweg Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2Dam met duiker verwijderen 4.5.2.1Inleiding Als voor de activiteit dam met duiker verwijderen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder Dam met duiker verwijderen wordt in dit verband alleen verstaan het verwijderen van een dam met duiker en dus niet het verwijderen van een duiker. Hiervoor is de beleidsregel Verwijderen duiker van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verwijderen van een duiker zie paragraaf 4.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een dam met duiker bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd. het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan de watergang worden belemmerd Het verwijderen van een dam met duiker in een beschermingszone A van een primaire watergang belemmert de doorgang van een onderhoudsvoertuig. Dit kan alleen worden toegestaan onder voorwaarde dat het normaal machinaal onderhoud mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Indien de dam met duiker wordt vervangen door een brug, zal deze brug voldoende sterk moeten zijn voor het dragen van het onderhoudsvoertuig. Indien er geen brug op de locatie van de dam wordt gelegd, zal er een alternatieve route voor het onderhoudsvoertuig beschikbaar moeten zijn. Deze route mag het onderhoud niet erg vertragen. Het belang van de initiatiefnemer wordt gewogen tegen de nadelen die het waterschap ondervindt bij het uitvoeren van het onderhoud. Het onderhoud moet tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijven. ad b: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Het verwijderen van een dam met duiker heeft een positief effect op de waterkwaliteit en ecologie, want er wordt een barrière verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de compensatie valt ook het verwijderen van een dam met duiker onder het graven van nieuw water. Het verwijderen van een overbodige dam met duiker is positief voor de doorstroming en de ecologie van het watersysteem en heeft daarom de voorkeur boven het graven van nieuw water.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijderen van een dam met duiker in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt met name voor de werkzaamheden om een dam met duiker te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een dam met duiker bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2.4Natuurvriendelijke oever Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan is de beleidsregel uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6Dichte dam Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een dichte dam en het verwijderen van een dichte dam.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.1Dichte dam aanleggen 4.6.1.1Inleiding Als voor de activiteit dichte dam aanleggen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder Dichte dam aanleggen wordt in dit verband alleen verstaan het aanleggen van een dichte dam, niet zijnde een peilscheidingsdam. Voor een peilscheidingsdam is de beleidsregel Peilscheiding van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanleggen van een peilscheiding zie paragraaf 4.29.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er ter compensatie nieuw oppervlaktewater moet worden gegraven dan moeten ook de beleidsregels Graven, Grond of ander materiaal aanbrengen en Natuurvriendelijke oever worden geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.1.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een dichte dam bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste; het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste Om de bergingscapaciteit van het watersysteem te behouden moet een dichte dam, die meer dan 25 m² aan bergingscapaciteit wegneemt altijd gecompenseerd worden overeenkomstig de beleidsregel voor Grond of ander materiaal aanbrengen. Uitzondering hierop zijn tijdelijke dichte dammen, die bijvoorbeeld voor de uitvoering van een project worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook mag het aanleggen van een dichte dam niet leiden tot geïsoleerd oppervlaktewater, tenzij dit wordt gecompenseerd. ad b: het garanderen van de aan- en afvoer van water Bij de aanleg van een dichte dam moet de aan- en afvoer van water van het achterliggende gebied gegarandeerd blijven. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan de watergang worden belemmerd Dammen in primaire watergangen, die dichter dan 7 meter van elkaar of van een peilregelend kunstwerk liggen, kunnen een belemmering vormen voor het machinaal onderhoud vanaf de oever van de watergang. Indien dammen niet op de gewenste afstand kunnen worden gelegd, worden in de vergunning voorwaarden opgenomen over het onderhoud van de watergang. ad d: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Dichte dammen kunnen leiden tot (ongewenste) effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologische toestand van het water. Voor het behoud van de ecologische waarden wordt het ‘stand-still principe’ gehanteerd. Door de aanleg van een dichte dam kan de doorstroming verminderen, waardoor de waterkwaliteit afneemt. De leefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren ter plaatse wordt bedreigd. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand door de aanleg van de dichte dam minimaal gelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering hierop kunnen tijdelijke dichte dammen zijn of een dichte dam die tegen het doodlopende eind van een watergang wordt gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.1.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een dichte dam in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de dam aan te leggen, maar kan ook van toepassing zijn op de aanwezigheid van de dam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een dichte dam bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.1.4Natuurvriendelijke oever en vaarweg Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2Dichte dam verwijderen Als voor de activiteit dichte dam verwijderen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerkingen Onder Dichte dam verwijderen wordt in dit verband alleen verstaan het verwijderen van een dichte dam, niet zijnde een peilscheidingsdam. Voor een peilscheidingsdam is de beleidsregel Peilscheiding van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verwijderen van een peilscheiding zie paragraaf 4.29.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2.1Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een dichte dam bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Het verwijderen van een dichte dam in een beschermingszone A van een primaire watergang belemmert de doorgang van een onderhoudsvoertuig. Dit kan alleen worden toegestaan onder voorwaarde dat het normaal machinaal onderhoud mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Indien de dichte dam wordt vervangen door een brug, zal deze brug voldoende sterk moeten zijn voor het dragen van het onderhoudsvoertuig. Indien er geen brug op de locatie van de dam wordt gelegd, zal er een alternatieve route voor het onderhoudsvoertuig beschikbaar moeten zijn. Deze route mag het onderhoud niet erg vertragen. Het belang van de initiatiefnemer wordt gewogen tegen de nadelen die het waterschap ondervindt bij het uitvoeren van het onderhoud. Het onderhoud moet tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijven. ad b: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Het verwijderen van een dichte dam heeft een positief effect op de waterkwaliteit en ecologie, want er wordt een barrière verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de compensatie valt ook het verwijderen van een dichte dam onder het graven van nieuw water. Het verwijderen van een overbodige dam is positief voor de doorstroming en de ecologie van het watersysteem en heeft daarom de voorkeur boven het graven van nieuw water.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2.2Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijderen van een dichte dam in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt met name voor de werkzaamheden om een dam met duiker te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een dichte dam bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2.3Natuurvriendelijke oever Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan is de beleidsregel uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7Brug Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een brug, het verwijderen van een brug en het vervangen van een brugdek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.1Brug aanleggen 4.7.1.1Inleiding Als voor de activiteit brug aanleggen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking Wanneer er ter compensatie nieuw oppervlaktewater moet worden gegraven dan moeten ook de beleidsregels Graven, Grond of ander materiaal aanbrengen en Natuurvriendelijke oever worden geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.1.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een brug bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het garanderen van de aan- en afvoer van water Als de aanleg van een brug leidt tot versmalling van de watergang, dan kan dat worden vergund mits de opstuwing beperkt blijft. Hierbij wordt er op gelet dat de eerste aanvrager niet beperkend mag zijn voor de volgende aanvragers. Indien er op het onderhavige traject meer aanvragen voor landhoofden, die gedeeltelijk in het water staan, verwacht worden, die tezamen teveel opstuwing gaan veroorzaken, wordt geen of slechts een beperkte versmalling toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de doorvoercapaciteit blijft voldoen aan de norm, ook als er meer te voorziene landhoofden in het water worden aangelegd. Het vergroten van bestaande of aanleggen van nieuwe landhoofden die gedeeltelijk in het water staan, wordt beschouwd als het dempen van water. Als er door de aanleg van de brug meer dan 25 m² water wordt weggenomen als gevolg van bijvoorbeeld de aanleg van landhoofden in de watergang, dan moet dit gecompenseerd worden overeenkomstig de beleidsregel voor Grond of ander materiaal aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meeste primaire of secundaire watergangen vormen bruggen met twee sets palen of pijlers geen belemmering voor de doorvoer van water. In primaire of secundaire watergangen waar hoge stroomsnelheden voorkomen, bijvoorbeeld bij grote poldergemalen, kunnen twee sets palen of pijlers ophoping van maaisel, takken etc. veroorzaken en hiermee de doorvoer van water belemmeren. Deze watergangen zijn aangegeven de kaart Watergang met groot afvoerdebiet in Bijlage II (Overzicht Informatieobjecten). Voor bruggen die in dergelijke watergangen worden aangelegd, wordt per geval beoordeeld welke constructie toegepast kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij brede primaire of secundaire watergangen is het soms wenselijk dat er meer dan twee sets palen of pijlers onder een brug worden geplaatst. Dit kan leiden tot ophoping van drijvend (planten)materiaal tegen de palen of pijlers, waardoor de doorstroming wordt belemmerd. Dit effect kan worden beperkt of voorkomen indien de hoeveelheid palen of pijlers wordt beperkt of de palen of pijlers op voldoende afstand van elkaar worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij bruggen waarbij de afstand van de onderkant van de brug tot de waterspiegel klein is (&lt; 0,30 meter) bestaat het risico op ophoping van drijvend materiaal. Dit wordt uitsluitend toegestaan in gevallen waar dit niet anders kan. Er worden dan voorwaarden in de vergunning opgenomen over het verwijderen van drijvend (planten)materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het risico ten gevolge ophoping van drijvend materiaal dermate wordt beperkt dat de vereiste aan- en afvoer van water niet wordt belemmerd. ad b: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd In primaire watergangen waar het onderhoud varend wordt uitgevoerd, mogen bruggen geen obstakel vormen voor de maaiboot. Doorvaarthoogten kleiner dan 0,80 meter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit, belemmeren het varend onderhoud. In gevallen waar varend onderhoud wordt belemmerd, wordt eerst gekeken of onderhoud vanaf de oever een optie is. Is dit niet mogelijk dan wordt gekeken welke maatregelen getroffen moeten worden om varend onderhoud mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gebieden met geringe drooglegging kunnen situaties ontstaan dat een aan te leggen brug met doorvaarthoogte van 0,80 meter hinderlijk hoog boven het maaiveld komt te liggen. Dit kan leiden tot verkeersgevaarlijke situaties. In deze gevallen kan een lagere hoogte worden vergund; indien mogelijk op een hoogte dat de onderhoudsboot nog (net) wel onder de brug door kan varen. Daar waar de onderhoudsboot niet meer onder de brug door kan en varend onderhoud mogelijk moet blijven, dienen er voorzieningen (zoals bijvoorbeeld een in- en uitlaatplaats) te worden aangelegd. Bruggen met een kleinere doorvaarbreedte dan 2,5 meter in primaire watergangen, die varend worden onderhouden, worden in beginsel niet toegestaan. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties, waarbij een initiatiefnemer onevenredig hoge kosten moet maken om aan de eis van 2,5 meter te voldoen, wordt vergunning verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft. Indien deze kosten te hoog worden kunnen afspraken met de initiatiefnemer in de vergunning worden opgenomen over het onderhoud van de watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten van de watergang mogelijk blijft. ad c: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Bij een vrije hoogte onder de brug van minder dan 0,30 meter (en 0,10 meter bij tertiaire watergangen) bestaat het risico dat kroos en/of drijfvuil zich ophopen wat invloed heeft op de lichttoetreding in het water. Dit kan een negatief effect hebben op de ecologische toestand van het water. Bij een vrije hoogte onder de brug minder dan 0,30 meter, resp. 0,10 meter kan vergunning worden verleend onder voorwaarde dat het effect op de ecologie van de watergang dermate klein is dat het water ecologisch gezond blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bouwen of vernieuwen van bruggen onder snelwegen en provinciale wegen (N-wegen) dient er een mogelijkheid gemaakt te worden voor migrerende fauna (bijvoorbeeld voor de otter). Zodat fauna een kans heeft tot het passeren van een weg zonder verkeersslachtoffer te worden. Dit kan gedaan worden door looprichels aan te brengen of oevers door te laten lopen onder bruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.1.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een brug in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de brug aan te leggen, maar kan ook van toepassing zijn op de aanwezigheid van de brug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook graafwerkzaamheden in de beschermingszone van een waterkering ten behoeve van de aanleg van een brug kunnen een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering kan toekomstige ontwikkelingen van de waterkering belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor de aanleg van een brug bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; periode; profiel van vrije ruimte; toekomstige kadeverbeteringen; zwaarwegend maatschappelijk belang; locatiegebondenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.1.4Natuurvriendelijke oever en vaarweg Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2Brug verwijderen 4.7.2.1Inleiding Als voor de activiteit brug verwijderen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.2Watergang Voor het verwijderen van een brug bij een watergang geldt in de waterschapsverordening geen vergunningplicht. Daarom is er geen beleidsregel voor het verwijderen van een brug bij een watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook graafwerkzaamheden in de beschermingszone van een waterkering ten behoeve van het verwijderen van een brug kunnen een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een brug bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend kijken wij naar: of er een bouwkundige noodzaak is voor het verwijderen van aanwezige palen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.4Natuurvriendelijke oever Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan zijn de beleidsregels uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.3Brugdek vervangen 4.7.3.1Inleiding Als voor de activiteit brugdek vervangen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.3.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het vervangen van een brugdek bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het garanderen van de aan- en afvoer van water Bij bruggen waarbij de afstand van de onderkant van de brug tot de waterspiegel klein is (&lt; 0,30 meter) bestaat het risico op ophoping van drijvend materiaal. Dit wordt uitsluitend toegestaan in gevallen waar dit niet anders kan. Er worden dan voorwaarden in de vergunning opgenomen over het verwijderen van drijvend (planten)materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het risico ten gevolge ophoping van drijvend materiaal dermate wordt beperkt dat de vereiste aan- en afvoer van water niet wordt belemmerd. ad b: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd In primaire watergangen waar het onderhoud varend wordt uitgevoerd, mogen bruggen geen obstakel vormen voor de maaiboot. Doorvaarthoogten kleiner dan 0,80 meter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit, belemmeren het varend onderhoud. In gevallen waar varend onderhoud wordt belemmerd, wordt eerst gekeken of onderhoud vanaf de oever een optie is. Is dit niet mogelijk dan wordt gekeken welke maatregelen getroffen moeten worden om varend onderhoud mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gebieden met geringe drooglegging kunnen situaties ontstaan dat een aan te leggen brug met doorvaarthoogte van 0,80 meter hinderlijk hoog boven het maaiveld komt te liggen. Dit kan leiden tot verkeersgevaarlijke situaties. In deze gevallen kan een lagere hoogte worden vergund; indien mogelijk op een hoogte dat de onderhoudsboot nog (net) wel onder de brug door kan varen. Daar waar de onderhoudsboot niet meer onder de brug door kan en varend onderhoud mogelijk moet blijven, dienen er voorzieningen (zoals bijvoorbeeld een in- en uitlaatplaats) te worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten van de watergang mogelijk blijft. ad c: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Bij een vrije hoogte onder de brug van minder dan 0,30 meter (en 0,10 meter bij tertiaire watergangen) bestaat het risico dat kroos en/of drijfvuil zich ophopen wat invloed heeft op de lichttoetreding in het water. Dit kan een negatief effect hebben op de ecologische toestand van het water. Bij een vrije hoogte onder de brug minder dan 0,30 meter, resp. 0,10 meter kan vergunning worden verleend onder voorwaarde dat het effect op de ecologie van de watergang dermate klein is dat het water ecologisch gezond blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.3.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijderen van een brug in de zone waterstaatswerk of de beschermingszone van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering indien hierbij graafwerkzaamheden plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het vervangen van een brugdek bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: hoogte; stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.3.4Natuurvriendelijke oever en vaarweg Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8Steiger Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een steiger en het verwijderen van een steiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.1Steiger aanleggen 4.8.1.1Inleiding Als voor de activiteit steiger aanleggen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.1.2Watergang Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een steiger bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het garanderen van de aan- en afvoer van water; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het garanderen van de aan- en afvoer van water Het plaatsen van palen in de watergang ter ondersteuning van de steiger moet worden voorkomen. Achter steigerpalen in het natte profiel van een watergang kan maaisel en drijfvuil blijven hangen. Dit kan een directe belemmering voor de aan- en afvoer van water vormen. Het hydraulisch profiel van de watergang dient te worden gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steigers met een kleinere drooglegging dan 0,30 meter lopen het risico te inunderen tijdens hevige neerslag. Gevolg kan zijn dat objecten die zich op de steiger bevinden, in de primaire watergang terecht komen. Deze kunnen de doorstroming belemmeren. Steigers met een kleinere drooglegging dan 0,30 meter kunnen alleen worden vergund, indien deze geringe drooglegging een vereiste is vanwege de functie van de steiger. Een voorbeeld hiervan zijn steigers voor het aan- en afmeren van kano’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het risico op wegdrijven van objecten van de steiger beperkt is. ad b: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd De aanleg van een steiger of vlonder in een primaire watergang kan het maaionderhoud van het natte profiel bemoeilijken. Voor het rijdend maaien vanaf de oever waaraan de steiger of vlonder is geplaatst vormt de hele steiger of vlonder een obstakel. Als het maaionderhoud vanaf de overzijde kan plaatsvinden vormen alleen eventuele palen van een steiger een obstakel. Bij de aanleg van een steiger of vlonder wordt er in beginsel naar gestreefd om de bestaande techniek van onderhoud te handhaven. Hiervoor kan het waterschap aanvullende eisen in de vergunning stellen ten aanzien van vorm, sterkte en afmetingen van de steiger of vlonder. In gevallen waar dit tot hoge kosten voor de initiatiefnemer leidt, kan een andere techniek van onderhoud worden overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In primaire en secundaire watergangen, die varend onderhouden worden, moet de doorvaartbreedte voor de maaiboot gegarandeerd blijven. Motieven van de initiatiefnemer om de doorvaarbreedte te verminderen worden gewogen tegen de mogelijkheden voor het blijven uitvoeren van het varend onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat varend onderhoud of een andere vorm van machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Palen in het water onder een steiger bemoeilijken het maaionderhoud en moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. De hoogte van de steiger boven de waterspiegel, het aantal palen en de omvang van de steiger zijn bepalend in hoeverre het varend onderhoud wordt gehinderd. In eerste instantie zal beoordeeld worden of het ontwerp tegen redelijke kosten ook zonder palen uitgevoerd kan worden. De hoogte van de steiger is ook bepalend of en in hoeverre vegetatie zich onder de steiger zal ontwikkelen. Indien van toepassing moeten palen zover uit elkaar staan, dat de maaiboot vegetatie onder de steiger kan verwijderen. Bij steigers breder dan één meter (met of zonder palen) waaronder vegetatiegroei optreedt, moet machinaal maaionderhoud onder de steiger mogelijk blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat normaal machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft en dat risico’s op schade aan de steiger als gevolg van het onderhoud klein is. Eventueel kan in de te verlenen vergunning de voorwaarde worden opgenomen dat vergunninghouder het natte profiel onder de steiger open en schoon houdt. ad c: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Een steiger kan belemmerend werken op plantengroei door het wegnemen van licht. Bovendien kan een steiger kan ervoor zorgen dat kroos en drijfvuil zich ophopen onder en om de steiger, waardoor de lichttoetreding in het water ook wordt verminderd. Bij aanleg van een steiger met een maximaal overstek van één meter en hoger dan 0,30 meter boven het water, is de impact op de ecologie beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij hiervan afwijkende maten kan vergunning worden verleend onder voorwaarde dat het effect op de ecologie van de watergang dermate klein is dat het water ecologisch gezond blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.1.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de steiger aan te leggen of te verwijderen, maar kan ook van toepassing zijn op de aanwezigheid van de steiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook graafwerkzaamheden in de beschermingszone van een waterkering ten behoeve van het aanleggen van een steiger kunnen een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van een steiger in het profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering kan toekomstige ontwikkelingen van de waterkering belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een steiger bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; inspectie en onderhoud; profiel van vrije ruimte; toekomstige kadeverbeteringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.1.4Natuurvriendelijke oever en vaarweg Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.2Steiger verwijderen 4.8.2.1Inleiding Als voor de activiteit steiger verwijderen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.2.2Watergang Voor het verwijderen van een steiger bij een watergang geldt in de waterschapsverordening geen vergunningplicht. Daarom is er geen beleidsregel voor het verwijderen van een steiger bij een watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.2.3Waterkering Afwegingskader Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijderen van een steiger in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering..</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook graafwerkzaamheden in de beschermingszone van een waterkering ten behoeve van het verwijderen van een steiger kunnen een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een steiger bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten: stabiliteit; erosiebestendigheid; piping; profiel van vrije ruimte; toekomstige kadeverbeteringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.2.4Natuurvriendelijke oever Afwegingskader Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan zijn de beleidsregels uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9Beschoeiing of damwand Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een beschoeiing of damwand, het verwijderen van een beschoeiing of damwand en het vervangen van een beschoeiing of damwand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.1Beschoeiing of damwand aanleggen 4.9.1.1Inleiding</p></div>", "next": 239219}