{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">4.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijzen via een inzamelvoorziening op wijkniveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het derde lid is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4237-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een afvalbrengstation op lokaal niveau</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod in artikel 4.2.3.4, vierde lid, en artikel 4.2.3.5, vierde lid, geldt niet voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op lokaal niveau conform het bepaalde in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden andere categorieën van huishoudelijke afvalstoffen via een afvalbrengstation op lokaal niveau aan te bieden dan de categorie waarvoor het afvalbrengstationkrachtens artikel 4.2.2.3 is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kanregels stellen omtrent de wijzen waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden bij een afvalbrengstation op lokaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijzen via een afvalbrengstation op lokaal niveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het derde lid is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4238-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen zonder inzamelmiddel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan categorieën van huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die zonder inzamelmiddel als bedoeld in artikel 4.2.2.3 van deze verordening ter inzameling moeten worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan regels stellen over de wijze waarop deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan regels stellen over het maximale gewicht, de afmetingen en het volume waarop deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is verboden de in het eerste lid bedoelde huishoudelijke afvalstoffen op andere wijzen ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4239-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college steltde dagen en tijden vast waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42310-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald kan het collegeregels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst of krachtens artikel 4.2.2.1, tweede lid, aangewezen personen of instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4Inzameling van bedrijfsafvalstoffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4241-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kanbedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst in dezelfde route als huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4242-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor bedrijfsafvalstoffen die zijn aangewezen krachtens artikel 4.2.4.1, voor zover degenen die gebruik maken van de inzameling door de inzameldienst een overeenkomst ter zake hebben afgesloten met de inzameldienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kanregels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de in artikel 4.2.4.1 bedoelde afvalstoffen aan de inzameldienst ter inzameling kunnen worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is verboden afvalstoffen die zijn aangewezen krachtens artikel 4.2.4.1 ter inzameling aan te bieden in strijd met hetgeen krachtens dit artikel is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4243-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ter inzameling aanbieden aan anderen dan de inzameldienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan regels stellen voor het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3Bepalingen over de riolering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: vuilwaterriool: het niet voor hemelwaterafvoer bedoelde rioolstelsel dan wel gemengde rioolstelsel; hemelwaterriool: het alleen voor de afvoer van hemelwater bedoelde rioolstelsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Het maken, wijzigen en hebben van een rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een rioolaansluiting te maken, te wijzigen of te hebben op het gemeentelijke riool. De vergunning tot het hebben van een aansluiting op het gemeentelijke riool geldt voor de vergunninghouder en diens rechtsopvolgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande rioolaansluitingen die zijn gemaakt of gewijzigd op basis van overeenkomsten met de gemeente wordt geacht een vergunning te zijn verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hemelwaterafvoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een hemelwaterafvoer aan te sluiten of aangesloten te hebben op het vuilwaterriool van het gescheiden stelsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Lozing van afvalwater uit beer- zinkputten, rioolwater, grondwater of spoelwater op inspectieputten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college afvalwater uit beer- of zinkputten, rioolwater, grondwater of spoelwater op inspectieputten te lozen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning dient te worden aangevraagd door middel van een daartoe door het college vastgesteld formulier onder bijvoeging van een rioleringsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kannadere eisen stellen met betrekking tot het in het eerste lid genoemd rioleringsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden die in ieder geval betrekking kunnen hebben op de verplichting aan te sluiten op een verbeterd gescheiden stelsel inclusief het treffen van de daarvoor vereiste voorzieningen op eigen terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling4Bodem, weg en milieuverontreiniging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op: het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen; het thuiscomposteren van groente-, fruit- en tuinafval; voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Bouwstoffenbesluit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Achterlaten van straatafval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter inzameling gereed staan te doorzoeken en te verspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen, die ter inzameling gereed staan, te stoten, te schoppen of deze omver te werpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen: direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet en drinkwaren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of andere dergelijke inrichtingen waar eet en/of drinkwaren worden verkocht welke ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: een mand, bak of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek papier, etensresten, verpakkingsmateriaal en ander afval kan achterlaten; zorg te dragen dat die mand, die bak of dat soortgelijke voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die mand, die bak of dat voorwerp steeds tijdig wordt geledigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder of beheerder van een inrichting bedoeld in het eerste lid is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van de inrichting op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene die op de weg reclamebiljetten of dergelijke of andere promotiemateriaal onder het publiek verspreidt of laat verspreiden, is verplicht deze of de verpakking daarvan, indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of te doen verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet ten aanzien van het verspreiden van reclame of strooibiljetten of dergelijke geschriften vanuit een luchtvaartuig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod opslag van afvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of aan houders van een inzamelvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van of namens de dienst Stadsbeheer aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4410-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4411-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op het doorzoeken van ter inzameling gereed staande afvalstoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden afvalstoffen die ter inzameling gereed staan te doorzoeken en te verspreiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4412-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en nietopenbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sloten en andere wateren en nietopenbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling5Het bewaren van houtopstanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder: houtopstand:een houtwal, hakhout, één of meer bomen of andere houtige gewassen met een diameter van minimaal 25 cm (met een omtrek van 78,5 cm) op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld, in geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam, of één of meer monumentale bomen; hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; houtwal: alle lintvormige begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit bomen en/of struiken; dunning: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; knotten: tot op de stam terugsnoeien van bomen, die hiervoor geschikt zijn (wilg, populier, es); knotboom: boom die (in het verleden) onderhouden wordt (is) als dusdanig; boomwaarde:de waarde zoals deze wordt berekend op basis van de meest actuele versie van de methode Raad die jaarlijks wordt vastgesteld door de Vereniging van beëdigde boomtaxateurs; monumentale houtopstand: houtopstand, geregistreerd in het Nationaal Register van Monumentale Bomen waarover de Bomenstichting het beheer voert; iepenziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytusmultistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Onder verplanten wordt niet verstaan het doen van voorbereidende werkzaamheden, voorafgaande aan het verplaatsen van de boom.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Kapverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; vruchtbomenen windschermen om boomgaarden; fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: ofwel geen groter oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.5.6; houtopstand ten aanzien waarbij een geldend bestemmingsplan of bij een geldend voorbereidingsbesluit is bepaald dat het verboden is deze te vellen zonder schriftelijke vergunning van het college (aanlegvergunning); houtopstand, gelegen in een beschermd natuurmonument in de zin van de Natuurbeschermingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-453-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunning moet, onder bijvoeging van een situatieschets, worden aangevraagd door of namens, dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer het bureau Laser (Landelijke Service bij Regelingen) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan het collegeeen afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-454-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een vergunning als bedoeld in artikel 4.5.2 kan worden geweigerd in het belang van de waarde van de houtopstand, zowel op zichzelf als in relatie tot zijn omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of ander spoedeisend belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-455-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningvoorschriften/herplant/inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het collegete geven aanwijzingen moet worden herplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien herbeplanting naar het oordeel van het college niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand, dan kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de waarde van de houtopstand is gestort in een voorziening van de gemeente die dient ter instandhouding en uitbreiding van het bomenbestand en groenvoorzieningen in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college stelt nadere regels vast voor het bepalen van de waarde van de in het vorige lid bedoelde houtopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens behoren het voorschrift dat de vergunning in werking treedt met ingang van de dag na die waarop de bezwaartermijn eindigt en dat indien gedurende de bezwaartermijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de inwerkingtreding van de vergunning wordt opgeschort totdat op dat verzoek wordt beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-456-400\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Instandhoudingplicht/herplant</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het collegeis geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijke gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Wordt een verplichting, als in het eerste lid bedoeld, opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke wijze de herplanting dient te geschieden wat betreft soort, grootte en waarde van de boom. Het college kan nadere regels stellen omtrent het bepalen van de waarde van de boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457-401\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college beslistop een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458-402\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding iepenziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het collegegevaar opleveren voor verspreiding van de iepenziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; of de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepenziekte wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het collegekan ontheffing verlenen van het onder a van dit lid gestelde verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459-403\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Afstand van de erfgrenslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4510-404\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stemt de procedures betreffende kapvergunning en aanleg- en bouwvergunning in het ontwerpstadium op elkaar af.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De kap-, bouw- en aanlegvergunningen worden zoveel mogelijk per project gelijktijdig afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De beslissing op een aanvraag tot het verstrekken van een kapvergunning kan worden aangehoudenop de enkele grond dat de bouw- of aanlegplannen nog niet definitief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een kapvergunning kan worden geweigerd, nadat een bouw- of aanlegvergunning is verleend, indien de rechthebbende aanvrager van een kapvergunning niet, of niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid heeft gemeld van een beeldbepalende of anderszins waardevolle houtopstand aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling6Bescherming van flora en fauna</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461-405\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming groenvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-462-406\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermde planten; hout sprokkelen; verwijderen van paddenstoelen; verzamelen van zaden en vruchten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college isbevoegd: plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur, landschaps of dorps/ stadsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben; bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben en paddenstoelen van hun groeiplaats te verwijderen of bij zich te hebben en zaden en vruchten van bomen en struiken te verzamelen of bij zich te hebben voor commerciële doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats: de daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken, bij zich te hebben, dan wel; hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben en paddenstoelen van hun groeiplaats te verwijderen of bij zich te hebben en zaden en vruchten van bomen en struiken te verzamelen of bij zich te hebben voor commerciële doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet: ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige bloemen of planten, hout, paddenstoelen of zaden en vruchten; indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; voor zover de Natuurbeschermingswet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet: ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop het in artikel 4.5.2 gestelde verbod niet van toepassing is; ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-463-407\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Wedstrijden, wandel-, fiets, trim- en ruitertochten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college wedstrijden, wandel-, fiets, trim- en ruitertochten te organiseren of te houden in parken, bossen en natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een vergunning wordt geweigerd voor de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-464-408\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beperkte openstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, ter bescherming van flora en fauna, voor publiek toegankelijke natuurgebieden of gedeelten daarvan aanwijzen waar een beperkte openstelling geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471-409\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijke aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; afvalstoffen; autowrakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, dan wel; op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, het Besluit beheer autowrakken, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale milieuverordening van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit artikel verstaat onder: meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt aonder 2e gelezen moet worden: ‘tijdens het uitrijden van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt’; grond: landbouwgrond, maïsland en grasland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de algemeen erkende feest en gedenkdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-472-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden zonder vergunning van het college deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak; opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere constructies, aangewezen door de overheid; opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op: openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op het onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden; mits deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,15 m2 en geen van alle een grotere afmeting in een richting hebben dan 1,00 meter en mits deze opschriften en aankondigingen zijn aangebracht op of aan het onroerend goed; opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits van het aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de rechthebbende of de hoofdgebruiker van de onroerende zaak schriftelijk kennisgeving is gedaan aanhet college en hetcollege niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken. Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze gedurende meer dan 9 weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gesteld verbod geldt voorts niet voor zover de Woningwet, op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Monumentenwet, de Provinciale landschapsverordening, de gemeentelijke monumentenverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-473-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede lid van artikel 4.7.2, dan wel aangebracht voor een ander doel dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, is het college bevoegd de rechthebbende onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van de onroerende zaak aan te schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8Schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-481-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: stralen: droog- of semi-droogstralen; reinigen: al of niet onder hoge druk reinigen met water met of zonder voorbehandeling van te behandelen gebouwen, bouwwerken of wegen; droogstralen: het mechanisch reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen zonder toevoeging van water; semi-droogstralen: het mechanisch reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van vaste stoffen met toevoeging van water en het vervolgens schoonspuiten; hogedruk reinigen: het reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het onder druk spuiten van water, zonder toevoegingen; hogedruk reinigen met voorbehandeling object: het reinigen van gebouwen, bouwwerken of wegen door middel van het opbrengen van een stof met een chemische of fysische werking en het vervolgens onder druk schoonspuiten; wet: Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-482-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen uit te voeren: in een milieubeschermingsgebied zoals aangewezen in de Provinciale milieuverordening Gelderland; op werkdagen buiten de periode van 07.00 uur tot 19.00 uur; op zaterdag of zondag; op algemeen erkende feestdagen; gedurende meer dan tien, al dan niet volledige, werkdagen binnen een tijdsbestek van zes maanden; in nader door het collegebij openbare kennisgeving aan te wijzen situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-483-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor andere dan in artikel 4.8.2 bedoelde schoonmaakactiviteiten door middel van stralen of reinigen kan worden volstaan met een melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een melding, zoals bedoeld in het eerste lid, geschiedt ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het collegedoor middel van een standaard meldingsformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kannadere regels stellen met betrekking tot het stralen of reinigen of de activiteiten die hiermee samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-484-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzonderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 4.8.2 en artikel 4.8.3, eerste en tweede lid, gestelde geldt niet indien: de schoonmaakactiviteit door particulieren, anders dan bedrijfsmatig, wordt uitgevoerd; voor de schoonmaakactiviteit door middel van stralen of reinigen reeds een vergunning op basis van de wet is verleend; een gemeentelijke instelling of een bedrijf als gevolg van een ongewoon voorval een gebouw, bouwwerk of weg in het belang van de verkeersveiligheid of bij verstoring van de openbare orde terstond moet reinigen of stralen. Laatstgenoemde werkzaamheden moeten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór de aanvang van de werkzaamheden worden gemeld bij de milieuklachtentelefoon van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-485-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding met andere artikelen uit deze verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 4.1.5 (geluidhinder) en 4.4.1 (verontreiniging van de weg en van terreinen) van deze verordening zijn niet van toepassing op stralen en reinigen zoals bedoeld in deze afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling1Parkeerexcessen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: treinen, trolleys en trams; tweewielige fietsen en tweewielige bromfietsen; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens; parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen, dan wel; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder verhuren wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het geven van rijlessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is de exploitant van een taxi- en/of vervoerbedrijf verboden drie of meer voertuigen op de weg te parkeren binnen een cirkel met eenstraal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kanvan de in het eerste en derdelid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.2a</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Wrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig of een (brom)fiets die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheerof het Besluit beheer autowrakken van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Caravans e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een kampeerwagen, woonwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te parkeren op de weg, met een maximum van zes dagen per maand; op een door het collegeaangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Provinciale caravan en tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement Gelderland of de Provinciale landschapsverordening Gelderland van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig als bedoeld in artikel 1.1, dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijke aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het collegeaangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren binnen een afstand van 10 meter van een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5110-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of op een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder 1; op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5111-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kanop de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijke aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kanonder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Venten e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van de handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet; voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het houden van een van gemeentewegeingestelde markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consumenten ter plaatse in gevaar komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen: uitstallingen op de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats: met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben; anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat daarop zonder vergunning van het collegestandplaats wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het uitgestaldhebben van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Alsdan geldt ook het in het tweede lid gestelde verbod niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een van gemeentewege ingesteldemarkt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel 5.7.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in artikel 5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Gelderland van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving; in het belang van de verkeersvrijheid of veiligheid; wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het college houdtde beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een activiteit betreft die vergunningplichtig is in het kader van de Wet milieubeheer en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag waarop de milieuvergunning van kracht geworden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Snuffelmarkten e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw ofplaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld; toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw ofplaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt; indien het beoogde gebruik in strijd is met een geldend bestemmingsplan, dan wel zich anderszins niet verdraagt met het karakter van de beoogde locatie; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast, waaronder begrepen verkeers- en parkeeroverlast; indien er gevaar bestaat voor de gezondheid of veiligheid, waaronder begrepen brandveiligheid; indien de aanvrager onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3Openbaar water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder kade: de gehele rechter Rijnoever, met uitzondering van het voormalig Rijksveer Malburgen (kadastraal bekend als gemeente Arnhem, sectie D, nr. 4031), beginnende bij het gedeelte van Onderlangs waar het Rijnhotel, plaatselijk bekend Onderlangs nr. 10 en eindigende bij de Haven van Malburgen, alsmede de gehele wal van de Haven van Malburgen, tussen de waterlijn bij een waterstand van 8,57 + NAP gemeten aan de Rijkspeilschaal aan de Rijnkade bij het Roermondsplein en een evenwijdig daarvan landwaarts gelegen lijn, op een afstand van 30 meter uit die waterlijn, horizontaal gemeten en de Haven van Malburgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is in verboden zonder vergunning van het collegeeen voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in, of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbare water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water of niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijnvaartpolitiereglement 1995, de Visserijwet, het Reglement Binnenvisserij of het Provinciaal reglement Gelderland van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kanvoor vaartuigen, alsmede voor het gebruik van de kade en de haven nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de artikelen 161, 166, 167 of 350 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbare water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal reglement Gelderland van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3AWoonschepen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">1Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder: ligplaats: een gedeelte van het openbare water, bestemd of geschikt om door een woonschip met bijbehorende voorzieningen te worden ingenomen; bijbehorende voorzieningen: zaken zonder welke het gebruik van het schip als woning niet goed mogelijk is, zoals bijboten, steigers en loopplanken; woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd of bestemd is voor bewoning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">2Aanwijzing ligplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college wijstgedeelten van het openbare water aan bestemd voor het innemen van een ligplaats met een woonschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover dit strijdig is met het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijnvaartpolitiereglement 1995 of het Provinciaal reglement Gelderland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">3Verboden ligplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een woonschip een permanente ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats beschikbaar te stellen buiten de op grond van artikel 5.3a.2 aangewezen gedeelten van het openbare water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op woonschepen die in aanbouw of in reparatie zijn, zolang zij zich op of aan een scheepswerf, dan wel in of bij een reparatie-inrichting bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover dit in strijd is met het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Rijnvaartpolitiereglement 1995 of het Provinciaal reglement Gelderland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">4Ligplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een ligplaats in te nemen of te hebben op de op grond van artikel 5.3a.2 aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid bedoelde ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kanten aanzien van de bijbehorende voorzieningen nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een ligplaatsvergunning kan worden geweigerd indien: voor de ligplaats reeds vergunning is verleend; het woonschip belemmeringen veroorzaakt aan het verkeer te water of te land; het uiterlijk van het woonschip afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; het woonschip niet voldoet aan eisen van veiligheid; het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen 26 weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de vergunning is aangevraagd, kan innemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">5Overdragen ligplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op aanvraag van de vergunninghouder en van de rechtverkrijgende schrijft het college de ligplaatsvergunning over op de naam van de rechtverkrijgende van het woonschip.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">6Intrekking ligplaatsvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan de ligplaatsvergunning, naast de in artikel 1.6 genoemde gronden, intrekken, indien: het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een periode langer dan 12 aaneengesloten maanden buiten de gemeente verblijft; het uiterlijk van het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft niet voldoet aan eisen van veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">7Aanwijzingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het innemen van de ligplaats en bij het uitvoeren van werkzaamheden aan of nabij de ligplaats worden de door het college gegeven aanwijzingen in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergunninghouder is verplicht gevolg te geven aan de door het collegegegeven bevelen en aanwijzingen in het belang van de openbare orde, de vrijheid of veiligheid van het verkeer, de volksgezondheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">8Aansluiting aan drinkwaterleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten op het distributienet van de openbare waterleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet, indien het schip is voorzien van een of meer drinkwatertanks waarvan de gezamenlijke inhoud minimaal 250 liter bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3a</span><span class=\"lf-art-t\">9Overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.3a.4, vierde lid zijn niet van toepassing op woonschepen, die ten tijde van het nemen van het in artikel 5.3a.2, eerste lid bedoelde aanwijzingsbesluit ligplaats innemen in het bij dat besluit aangewezen gedeelte van het openbare water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college neemt met betrekking tot de in het eerste lid van dit artikel genoemde situatie en besluit inhoudende vaststelling van de bestaande situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor die woonschepen waarvoor het college een besluit neemt als bedoeld in het tweede lid, onder A van dit artikel, wordt voor die betreffende situatie een vergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling4Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een fiets een wedstrijd dan wel een trainings of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijke aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: zich met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in het vorige lid of met een paard te bevinden, dan wel; zich met een motorvoertuig, een bromfiets of een fiets als bedoeld in het vorige lid of met een paard te bevinden buiten de in die aanwijzing aangeduide en als zodanig gemarkeerde paden; dan wel; zich met een motorvoertuig, met een bromfiets, met een fiets of met een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen of fietsen en voor berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 58 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het collegeaangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; op wegen gelegen binnen de krachtens de provinciale 'Verordening verkeersbeperking ter bescherming van de natuur' aangewezen natuurgebieden; binnen de bij of krachtens de provinciale 'Verordening stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling5Verbod vuur te stoken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kerstboomverbranding in de maand januari van elk kalenderjaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kampvuren, in daarvoor aangelegde stookplaatsen, ten behoeve van scoutingactiviteiten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen als bedoeld in artikel 5.7.1, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tot de door het collegeaan de in het tweede lid genoemde ontheffing te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat de verbranding slechts op een door het college te bepalen plaats en tijdstip mag plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een ontheffing als bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en veiligheid, ter bescherming van de woon- en leefomgeving, ter bescherming van flora en fauna of ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor zover: op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn; de provinciale milieuverordening van toepassing is; artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van Strafrecht van toepassing is; het betreft verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke of het betreft het stoken van vuur in een vuurkorf met een maximale inhoud van 25 liter of het betreft vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar of hinder oplevert voor de omgeving en niet plaatsvindt in parken of buitengebieden van de gemeente Arnhem; het betreft het barbecueën op daarvoor door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling6Verstrooiing van as</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele asverstrooiing is verboden: op verharde delen van de weg; op de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen en het nationale strooiveld Delhuyzen; in of boven waterwingebieden; op de natuurterreinen Landgoed Schaarsbergen, Maasbergse bossen, ‘t Zand, Deelen, Kemperheide, Koningsheide (met uitzondering van het zuidelijk deel), Zonheuvel, Rijk der Heide, Johannahoeve, Grijsoord en Lange Hut.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Incidentele asverstrooiing is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op de onroerende zaak waarop de as wordt verstrooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan, eventueel voor een bepaalde termijn, andere plaatsen dan in het eerste lid genoemd aanwijzen waar incidentele asverstrooiing verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus, op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7Evenementen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-571-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder evenement wordt in deze verordening verstaan het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis, al dan niet met een openbaar dan wel besloten karakter, met uitzondering van: een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties; bioscoopvoorstellingen; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.4.2, 2.2.1, 2.3.3.1 en 5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden 3.(evenementenvergunning).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De burgemeester kan bij openbare kennisgeving bepalen dat één of meer 5.(categorieën van) evenementen die in een gebouw plaatsvinden zijn vrijgesteld van de 6.vergunningplicht zoals bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Een evenementenvergunning wordt verleend aan een organisator en bevat een beschrijving van het gebied waarbinnen het evenement plaatsvindt (evenemententerrein), het tijdstip en de duur van het evenement, alsmede een beschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement mogen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet afzonderlijk 9.vergunningplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke publiekrechtelijke regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Op het evenemententerrein mogen geen activiteiten plaatsvinden die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, tenzij die activiteiten zijn vermeld in de evenementenvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Tenzij de burgemeester anders bepaalt geldt het verbod in het zesde lid niet voor activiteiten waarvan aannemelijk is dat zij krachtens een voor onbepaalde tijd, dan wel voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning ook op het evenemententerrein zouden plaatsvinden als daar geen evenement zou worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.Een beslissing op een aanvraag voor een evenement wordt aangehouden, indien de milieuwetgeving eisen stelt aan het betreffende evenement en zolang de organisator niet heeft voldaan aan die eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.De burgemeester kan een vergunning weigeren, indien: er, gelet op de aard van het evenement, onevenredig veel beslag wordt gelegd op de openbare ruimte, gemeentelijke diensten of hulpdiensten; het aantal bezoekers dat wordt verwacht onevenredig veel beslag legt op de ruimte, gemeentelijke diensten of hulpdiensten; de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie; er gevaar bestaat voor de openbare orde, zedelijkheid, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden; er gevaar bestaat voor ernstige verkeersbelemmeringen; er gevaar bestaat voor een onaanvaardbare belasting voor de omgeving als gevolg van het evenement; de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; de organisator onvoldoende waarborgen biedt om schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken; er gevaar bestaat voor verontreiniging; er gevaar bestaat voor de beschadiging van gemeentelijke dan wel particuliere eigendommen; de organisator niet aantoont dat hij voldoet aan de eisen van de milieuwetgeving, indien van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.De burgemeester kan ter verzekering van de nakoming van de voorschriften in de vergunning bepalen dat een waarborgsom moet worden voldaan voordat het evenement wordt gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-572-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden bij een evenement de openbare orde te verstoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-573-450\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden bij een evenement onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden bij een evenement messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ieder is verplicht bij een evenement alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8Openluchtrecreatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-581-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder: kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf; kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, dan wel enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge de Woningwet een bouwvergunning is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; caravan: al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meerdere personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen; beheerder: de persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent over een kampeerterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden niet als kampeermiddelen beschouwd vaartuigen, woonwagens in de zin van de Woningwet, tenten in gebruik voor het houden van bijeenkomsten, tentoonstellingen of voorstellingen, en voertuigen in gebruik als directiekeet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-582-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeerverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een kampeerterrein te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-583-453\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning voor het houden van een kampeerterrein kan slechts worden verleend indien de aanvraag betrekking heeft op gronden die bij bestemmingsplan op enigerlei wijze zijn aangewezen voor kamperen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-584-454\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verbindt aan een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 voorschriften over de soort en het aantal van de op het kampeerterrein toe te laten kampeermiddelen. Het college kan deze voorschriften wijzigen of intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan in het belang van de orde, de rust, de veiligheid, de natuur- en landschapsbescherming, de bescherming van het milieu, de hygiëne en de gezondheid, alsmede overige onderwerpen betreffende het kamperen aan een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 beperkingen of voorschriften verbinden, dan wel deze beperkingen of voorschriften wijzigen of intrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-585-455\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagformulier</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan ten behoeve van de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 een formulier vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 5.8.2 worden in ieder geval overgelegd: gegevens betreffende naam en adres van de natuurlijke of rechtspersoon die houder is van het kampeerterrein en van de beheerder van het kampeerterrein; en een situatietekening van het kampeerterrein waarop zijn aangegeven de kadastrale omschrijving van het terrein, de plaats van de bestaande en op te richten bouwwerken en hun functies en de wijze waarop in parkeergelegenheid is voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-586-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kamperen buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in artikel 5.8.2 voor het gelegenheid geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen buiten de in artikel 5.8.2 bedoelde kampeerterreinen door groepen uitgaande van een vereniging of andere organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een in de ontheffing aangegeven korte, aaneengesloten periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in artikel 5.8.4 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-587-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf op of aan de weg kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden dan wel daartoe gelegenheid te geven buiten kampeerterreinen waarvoor een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 5.8.2 onderscheidenlijk artikel 5.8.6 is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6Straf, overgangs en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van een artikel uit deze verordening waarin een gebod of verbod is opgenomen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Overtreding van een artikel uit een krachtens deze verordening door het college vastgestelde nadere regel, waarin een gebod of verbod is opgenomen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De vorige leden zijn niet van toepassing op: de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 5 (Bestrijding heling), met uitzondering van artikel 2.5.5; de bepalingen van hoofdstuk 4, afdeling 2 (Afvalstoffen), met uitzondering van de artikelen 4.2.4.1 tot en met 4.2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 4.2.2.5 en paragraaf 3 van afdeling 2 van hoofdstuk 4 wordt aangemerkt als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, aanhef en onder 3°, van de Wet op de Economische Delicten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening - met uitzondering van de in het tweede lid genoemde onderwerpen - zijn belast de personen werkzaam bij de gemeente Arnhem, die zijn benoemd in de volgende functies: milieuhandhaver en gemeentelijk opsporingsambtenaar bij het cluster Openbare Ruimte van de afdeling Handhaving; faunabeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk 2, Afdeling 3 (met uitzondering van de artikelen 2.3.1.12 en 2.3.1.13), zijn belast ambtenaren van politie, werkzaam bij de Afdeling Bijzondere Wetten van de politieregio Gelderland Midden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het collegedan wel de burgemeester aangewezen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63-460\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64-461\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking op de dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na de datum van uitgifte van de Arnhemse Koerier waarin zij is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem, vastgesteld bij besluit van 3 juli 1995 en sindsdien gewijzigd, wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65-462\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze verplichtingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid en verplichtingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen en verplichtingen in de zin van deze verordening te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, voor zover de rechtsgrond waarop de nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66-463\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening voor ArnhemHoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Artikel 1.1 BegripsomschrijvingenAlgemeen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen. Zie met name de afdelingen: 'geluidhinder', 'bewaring van houtopstanden' en 'parkeerexcessen'. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van 'bebouwde kom' in de afdeling 'bewaring van houtopstanden' en de definitie van 'weg' in de afdeling 'parkeerexcessen'. Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de omschrijving van het begrip 'weg' in artikel 1.1 kan het volgende worden opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1 Deze omschrijving stemt - met enige redactionele aanpassingen - overeen met die van het begrip 'weg' in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Buiten twijfel is gesteld dat ook de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen daaronder begrepen worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangenomen mag worden dat ook voor het openbare verkeer openstaande parkeerterreinen onder de definitie van 'weg' in de zin van artikel I WVW begrepen kunnen worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 Door opneming van de woorden 'al dan niet met enige beperking' is buiten kijf gesteld, dat bepaalde voorwaarden voor de toegankelijkheid, zoals de betaling van entreegeld, er niet aan af doen dat gesproken kan worden van 'weg', indien de desbetreffende plaats in feite voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 en 4 In de onderdelen 3 en 4 wordt een onderscheid gemaakt tussen stoepen, trappen, portieken etc., welke 'uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven' (vgl. onder 3) en andere stoepen en trappen etc. (vgl. onder 4). De eerstbedoelde categorie valt alleen onder het begrip 'weg' indien zij niet afsluitbaar zijn. Daarmee worden galerijen in portiekgebouwen etc. uitgezonderd gehouden van het begrip 'weg', óók indien het hek of de deur niet is afgesloten ('afsluitbaar').</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de onder 4 bedoelde categorie speelt de mogelijkheid van afsluiting op zich geen rol; het feitelijk voor het publiek toegankelijk zijn bepaalt of de APV van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze categorie moet gedacht worden aan afsluitbare winkelpassages. In recentelijk gebouwde winkelcentra vindt men steeds meer kleine, veelal overdekte straatjes die voor het doorgaande verkeer nauwelijks een functie hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen 'op of aan de weg'. De term 'aan de weg' duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder valt echter in beginsel niet hetgeen zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij handelsreclame staat een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even scherp zijn. Om enige duidelijkheid te verkrijgen in het onderscheid reclame/handelsreclame levert artikel 1, lid 2, van de Mediawet een voorbeeld van de opvatting van de wetgever van datgene dat niet als handelsreclame hoeft te gelden in de zin van die wet. (Artikel 1, lid 2, Mediawet: Onder reclameboodschappen en andere reclameuitingen wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan of het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, geestelijk, godsdienstig, politiek of liefdadig karakter voor zover deze niet betrekking hebben op het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, die in de handel verkrijgbaar is.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingHet antwoord op de vraag of een vergunning (of ontheffing) overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning (of ontheffing) Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma, bewijs van onbesproken levensgedrag etc.). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde tot een ongebouwd of gebouwd onroerend goed. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bij voorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager een rol spelen, verschilt sterk; er is een scala van die vergunningen welke zodanig aan de persoon zijn gebonden dat elke overgang is uitgesloten, tot die, bij welke de persoon van de gerechtigde voor het bestuur van ondergeschikte betekenis is en waar overgang in ruime mate is toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke werking zal men voorts eerder aanwezig moeten achten bij de ontheffing dan bij de vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is, geeft dit aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor bijzondere gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op de algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer 'mee overgaan' op de rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de ontheffingsmogelijkheid het karakter van uitzonderingsbepaling ontnomen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hangt samen met de omstandigheid dat ingevolge deze wet voor het verkrijgen van een vergunning moet worden voldaan aan eisen van vakbekwaamheid, leeftijd en zedelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een persoonlijke vergunning kunnen ook de standplaatsvergunning en de ventvergunning worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hangt samen zowel met het - persoonlijke - karakter van de ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen veelal verre overtreft, hetgeen het bestuur noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaats of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander terwijl een groot aantal andere gegadigden ook belangstelling heeft voor de desbetreffende standplaats- of ventvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zuiver voorbeeld van een zakelijke vergunning is de vergunning op grond van de Wet milieubeheer. De milieuwetvergunning is van de persoon van de aanvrager c.q. vergunninghouder onafhankelijk. Bezwaren ontleend aan de persoon van de vergunninghouder kunnen geen weigeringsgrond zijn (Kb 14 juli 1920, AB 1920, blz. 38).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij voorbeeld de reclamevergunning als bedoeld in artikel 4.7.2 heeft een zakelijk karakter. Bij de beoordeling van een aanvraag om een dergelijke vergunning spelen enkel overwegingen van welstand en verkeersveiligheid een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht geweigerd kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">TermijnenArtikel 1.7 bevat een terugrekeningsregeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een vrijdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken Hoofdstuk 2 Openbare Orde Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen bedoeld om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen geleiden. Zoals B. de Goede in zijn boek ‘De straat’ duidelijk maakt, heeft 'de straat' in ons land meer functies dan uitsluitend een verkeersfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de straat voor demonstraties, optochten, feesten e.d. wordt door weinigen nog aangemerkt als gebruik dat daar absoluut onverenigbaar mee is. Wel houdt dit in dat deze diverse functies vragen om een regulering van het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de weg is geregeld in de paragrafen 1 tot en met 4, terwijl de bruikbaarheid door middel van paragraaf 5 gereguleerd is. In paragraaf 6 ten slotte zijn bepalingen opgenomen aangaande de veiligheid op de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldhedenIn dit lid zijn gedragingen aangegeven die door hun dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde. Onder 'samenscholing' verstaat Van Dale: 'het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden is het echter denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bij voorbeeld een betoging. Ingevolge het eerste lid is het tevens verboden zich tezamen met anderen te begeven naar een samenscholing. Door een dergelijk verbod, kan worden voorkomen dat een reeds bestaande samenscholing (verder) escaleert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de Wet openbare manifestaties (WOM, Wet van 20 april 1988, Stb. 1988, nr. 157) moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Betogingen Artikelen 2.1.2.1 e.v. Betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WOM kent bepaalde bevoegdheden toe aan de gemeenteraden c.q. burgemeesters:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een kennisgeving voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd worden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen beëindigen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is nu de betekenis van de begrippen 'openbare en andere dan openbare plaatsen'?</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, eerste lid WOM, bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats openstaan voor het publiek. Dat wil zeggen dat in beginsel een ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan. Dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn. Dat de plaats 'open staat' betekent voorts dat geen beletsels in de vorm van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs gelden voor het betreden van de plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het vorenstaande kunnen bij voorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als 'openbare plaatsen' worden aangemerkt. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip 'openbare plaats'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het openstaan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en de voor een ieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken Algemeen Het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd is de vrijheid van meningsuiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het relevante artikel 7 van de Grondwet luidt als volgt: 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisieuitzending.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid van artikel 7 wordt het recht tot openbaring van gedachten en gevoelens in algemene zin erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De drukpersvrijheid De drukpersvrijheid is in het eerste lid als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialist ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet. Met de handhaving van het grondwetsvoorschrift omtrent de vrijheid van drukpers is beoogd de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. Artikel 7 heeft namelijk in de loop der jaren vooral door de jurisprudentie een grote betekenis gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het in artikel 7 beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Ieder middel tot bekendmaking, dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijke verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. Als 'zelfstandige middelen van bekendmaking' zijn in de jurisprudentie onder meer aangemerkt:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het op de weg uitgeven van strooibiljetten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gebruik maken van reclameborden of opschriften aan onroerend goed;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het staan of lopen met propagandamiddelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanbieden van gedrukte stukken bij gelegenheid van het houden van een inzameling (niet het houden van de inzameling zèlf);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verlichte fotovitrine.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden ten aanzien van de inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 van de Gemeentewet wèl bevoegd het in het openbaar bekend maken ('verspreiden') van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij geldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) met betrekking tot het gebruik van een bepaald middel van bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft, is niet geoorloofd;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 een algemeen verbod tot zodanig gebruik is evenmin toegestaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod is mogelijk, mits: a. die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de gedrukte stukken, doch gesteld is in het belang van de openbare orde e.d.; b. gebruik 'van enige betekenis' overblijft; anders komt de beperking in feite neer op een algemeen verbod. De uitleg van 'het overblijven van gebruik van enige betekenis' is de laatste tijd in beweging door een aantal uitspraken van lagere rechters. Deze hadden allemaal betrekking op het aanplakken van affiches. Een gevolg voor de toepassing van de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel is naar onze mening dat men bij de beperking van het verspreidingsrecht ook met de mogelijkheid voor de 'consument' rekening moet houden om van de aangeboden stukken redelijkerwijs kennis te kunnen nemen; een aan een beperkt verbod verbonden mogelijkheid van ontheffing/vergunning is (dan wel) toelaatbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of aan door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Tevens biedt lid 2 de mogelijkheid het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij lid 4 burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in lid 1 toegekende bevoegdheid mogen burgemeester en wethouders niet zodanig gebruik maken dat 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft Paragraaf 4 Vertoning e.d. op de weg Artikel 2.1.4.1 DienstverleningDeze bepaling welke allerlei straatberoepen omvat, komt niet in strijd met artikel 19, derde lid, van de Grondwet, waarin het grondrecht van vrijheid van arbeidskeuze is neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het motief van artikel 2.1.4.2 is het voorkomen van verkeersoverlast, hinder voor anderen etc.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Straatartiest; straatmuziekDe activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen grotendeels onder de werking van artikel 7, lid 3, van de Grondwet. Artikel 7, lid 3, van de Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud), een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bij voorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, lid 3, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, lid 1, van de Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2.1.3.1, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2.1.4.2 is dezelfde redactie gevolgd De leden vier tot en met zes zijn toegevoegd aan dit artikel bij de algehele herziening van de APV in 2003. Op grond van het vierde lid kan de burgemeester gebieden aanwijzen waar het een ieder weliswaar vrij staat om op straat muziek ten gehore te brengen, maar alleen als daarbij de in het vierde lid geformuleerde algemene regels in acht worden genomen. Zo wordt enerzijds het belang van straatmuzikanten gerespecteerd, anderzijds het belang gediend van omwonenden, winkeliers en exploitanten en bezoekers van horeca-inrichtingen om te blijven gevrijwaard van onaanvaardbare overlast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verkoop plaatsbewijzenDeze bepaling verbiedt vanuit het oogpunt van de openbare orde de zwarte verkoop van toegangsbewijzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de weg Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de wegDit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid greep te houden op situaties welke hinder of gevaar kunnen opleveren dan wel ontsierend kunnen zijn. De reikwijdte van dit artikel wordt beperkt door de Wet milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement en het Provinciale wegenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel beperkt zich niet tot het plaatsen, aanbrengen, of hebben van stoffen of voorwerpen op de weg, maar heeft tevens betrekking op het plaatsen, aanbrengen of hebben van stoffen of voorwerpen aan of boven de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien en voor zover de Woningwet van toepassing is, is in zoverre het in artikel 2.1.5.1 gestelde verbod niet van kracht. Een door de Woningwet beschermd belang (bescherming van de welstand) mag dan niet worden meegewogen bij de beslissing omtrent verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt, dat het voor een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Gedragingen waarop artikel 2.1.5.1 ziet, kunnen ook onder de reikwijdte van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 vallen. Voor zover een hinderlijke gedraging of gevaarlijk gedrag plaatsvindt op de weg, zoals omschreven in voornoemd artikel 5, is artikel 2.1.5.1 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een terras behorende bij een horeca-inrichting wordt door de burgemeester vergunning verleend op basis van artikel 2.3.1.13. Een vergunning op basis van artikel 2.1.5.1 is daarmee overbodig geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegAan artikel 2.1.5.2 ligt het motief ten grondslag, de aanleg van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Deze voorschriften mogen echter slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking heeft - zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van verharding - of wat met die weg ten nauwste verband houdt - zoals beplanting en verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de weg liggende riolering Naast deze min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Voorkomen kan dan worden dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor, door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting, de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten met zich mee brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip 'weg' uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering etc. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht geldt voor de zogenaamde 'eigen wegen'. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden omtrent de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen welke bij voorbeeld aangelegd worden op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging 'alsmede alle nietopenbare ontsluitingswegen van gebouwen' opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de vergunningsplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden mede afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2.1.5.2 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde gemeentelijke telecommunicatieverordening</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maken en veranderen van een uitwegIn het vierde lid is aangegeven dat strijd met een geldend bestemmingsplan een dwingende weigeringsgrond vormt. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag moet derhalve altijd worden gelet op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien Paragraaf 6 Veiligheid op de weg Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheidArtikel 2.1.6.1 bevat een verbod om tijdens vriezend weer een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen van de auto op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor plaatselijk een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt, dat het voor een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Gedragingen waarop artikel 2.1.6.1 ziet kunnen ook onder de reikwijdte van artikel 5 voornoemd vallen. Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, zoals omschreven in voornoemd artikel 5, is artikel 2.1.6.1 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WinkelwagentjesDeze bepaling tracht het 'zwerfkarrenprobleem' enigszins te verkleinen door de winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Is het desbetreffende winkelbedrijf vergunningplichtig op basis van de Wet milieubeheer, dan kunnen voorschriften met betrekking tot winkelwagentjes worden verbonden aan de milieuvergunning</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookverbod in bossen en natuurterreinenHet verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan evenwel niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt, zou van 1 maart tot 1 november kunnen zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpOnder het woord \"boord\" in het tweede lid wordt verstaan: rand, berm van een weg</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.7a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijke voorwerpenMits een relatie met een (mogelijke) verstoring van de openbare orde of veiligheid kan worden gelegd, is het mogelijk in de APV een verbod op te nemen om openlijke voorwerpen bij zich te dragen die als wapen kunnen worden gebruikt om de openbare orde of veiligheid rond bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd te verstoren. Van sommige voorwerpen kan vrij snel worden aangenomen, dat de bedoeling van het openlijk bij zich dragen uitsluitend kan zijn de openbare orde of veiligheid te verstoren. Voorbeelden hiervan zijn de in het eerste lid genoemde messen, knuppels en slagwapens. Voor andere voorwerpen ligt de bewijsvoering minder eenvoudig Ook bij ‘duidelijke’ voorwerpen moet er sprake zijn van een directe relatie met bijvoorbeeld de voetbalwedstrijd en het voorwerp moet daarbij geen andere betekenis kunnen hebben dan het gebruik als ordeverstorend middel. Het moge duidelijk zijn, dat niet in overtreding is degene die met een honkbalknuppel onderweg is om een honkbalwedstrijd te spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is in het tweede lid van artikel 2.1.6.7a nog aangegeven, dat het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt voor wapens die behoren tot de categorieën I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie. Wordt een dergelijke bepaling niet opgenomen, dan zou een met hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wordt nog opgemerkt, dat alvorens van deze bepaling gebruik kan worden gemaakt het noodzakelijk is dat burgemeester en wethouders een gebied aanwijzen waar het betreffende verbod geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor verkeer en verlichtingDe in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van het desbetreffende onroerend goed al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbare verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Objecten onder hoogspanningslijnTen behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan eveneens gedacht worden aan voorschriften aangaande de hoogte van toe te laten gebouwen Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen staan c.q. lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de hoogspanningslijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien echter een bestemmingsplan ontbreekt, bij voorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2.1.6.12 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bij voorbeeld de hoogte van toe te laten gebouwen, i.c. twee meter, uit bestemmingsplan en APV op elkaar afgestemd zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.6.14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opsporen van munitie e.d. met een metaaldetectorDeze bepaling is opgenomen om de overlast van- en de gevaren verbonden aan het opsporen met een metaaldetector e.d. te voorkomen. Het gebruik van deze apparatuur voor archeologische doeleinden kan worden toegestaan d.m.v. een ontheffing. Dit artikel heeft niet ten doel het opsporen van de (met lood gevulde) ballen waarvan gebruik wordt gemaakt bij het zogeheten klootschieten te verbieden Afdeling 2 Betaald-voetbalwedstrijden Artikel 2.2.3 Onnodig opdringen, uitdagend gedrag e.d. bij een betaald-voetbalwedstrijdDeze bepaling heeft ten doel de openbare orde of veiligheid bij een betaald-voetbalwedstrijd te waarborgen. De bepaling is voornamelijk preventief van aard, in die zin dat hiermee voorkomen kan worden dat (dreigende) situaties uit de hand lopen. Hiertoe is in het eerste lid onder andere opgenomen, dat het verboden is door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. Hierbij moet worden gedacht aan de situatie waarin één of meerdere supporters anderen met bijvoorbeeld opruiende taal of gebaren uitlokken tot ordeverstorend gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het tweede lid kan onder andere worden opgetreden tegen personen die bij een betaald-voetbalwedstrijd bijvoorbeeld een “aardappelschilmesje” in de binnenzak van hun jas meevoeren. Dit meevoeren dient op een zodanige wijze plaats te vinden, dat hiermee de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. Hiervan zal sprake zijn indien betrokkene het mesje aan anderen toont, met de bedoeling hiermee bij hen een schrikreactie te weeg te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OmgevingsverbodGelet op de ervaringen met bepaalde supporters(groepen) bij voetbalwedstrijden wordt het wenselijk geacht om, naast de stadionverboden die door de KNVB worden opgelegd, ook de mogelijkheid te hebben om een publiekrechtelijk omgevingsverbod op te leggen Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf 1 Toezicht op horeca-inrichtingen Op horeca-inrichtingen zijn velerlei landelijke regels van toepassing, zoals de Drank- en Horecawet, de Wet milieuheer, het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer en de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 149 van de Gemeentewet zijn daarnaast autonome gemeentelijke regels vastgesteld ten aanzien van horeca-inrichtingen, welke zijn samengebracht in de onderhavige Paragraaf 2.3.1. Bij de algehele herziening van de APV in 2003 is deze paragraaf herzien. De veranderingen zijn erop gericht de bepalingen inzake horeca-inrichtingen, zowel wat betreft systematiek als wat betreft eisen waaraan de inrichting en de exploitant / beheerder moeten voldoen, meer te laten aansluiten bij de Drank- en Horecawet en Hoofdstuk 3 van de APV inzake seksinrichtingen. Zo gelden nu voor horeca-inrichtingen in de zin van de APV exact dezelfde inrichtingseisen als voor inrichtingen die vergunningplichtig zijn op grond van de Drank- en Horecawet. Voor het maken van onderscheid bestaat geen goede reden. De herziening van de horecaparagraaf heeft overigens niet tot grote inhoudelijke veranderingen geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf kent in de eerste plaats een vergunningstelsel voor de exploitatie van horeca-inrichtingen. Door deze vergunningplicht kan de komst van een horeca-inrichting preventief worden getoetst en desgewenst worden tegengehouden. Het belang van de openbare orde en van de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting – aspecten die behoren tot de ‘huishouding van de gemeente’ zoals bedoeld in artikel 124 van de Grondwet – zijn hiermee sterk gediend. Ook een coffeeshop is een vergunningplichtige horeca-inrichting in de zin van paragraaf 2.3.1. De vergunning ziet overigens op de exploitatie als droge horeca-inrichting; het verkopen van softdrugs – immers in strijd met de Opiumwet – wordt niet vergund, maar gedoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere verantwoordelijkheid van de beheerder voor de gang van zaken in de horeca-inrichting komt expliciet tot uitdrukking in de aanwezigheidsplicht van artikel 2.3.1.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.1.13 bevat een regeling voor terrasvergunningen. Het tweede lid bepaalt dat bij een afhaalcentrum geen terras is toegestaan; het plaatsen van een terras zou niet zijn te rijmen met het karakter van een afhaalcentrum als horeca-inrichting waar bezoekers slechts een korte tijd verblijven en geen etenswaren ter plekke kunnen en mogen gebruiken. In het derde lid, onder d, is bepaald dat een aantal in artikel 2.3.1.6 genoemde weigeringsgronden ter zake van de exploitatievergunning ook een zelfstandige weigeringsgrond voor een terrasvergunning vormt. Zo zal een terrasvergunning voor een terras bij een bestaand café kunnen worden geweigerd, indien de aanwezigheid van het beoogde terras het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving van het café op ontoelaatbare wijze zou beïnvloeden (artikel 2.3.1.13, derde lid, aanhef en sub d, jo. artikel 2.3.1.6, aanhef en sub b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel artikel 2.3.1.14 als 2.3.1.16 geven de burgemeester de bevoegdheid een horeca-inrichting te sluiten. Een sluiting op grond van artikel 2.3.1.16 is per definitie tijdelijk. Tevens kan een dergelijk besluit betrekking hebben op meerdere horeca-inrichtingen. Een sluiting op grond van artikel 2.3.1.14 kan ook voor onbepaalde tijd geschieden en zal per definitie betrekking hebben op een specifieke horeca-inrichting die structureel vergunningvoorwaarden overtreedt of zonder vergunning geëxploiteerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.3.1.16 kan de burgemeester daarnaast voor één of meer horeca-inrichtingen tijdelijk andere sluitingsuren vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.1.15 bevat een regeling van het sluitingsuur. Op grond van de in artikel 2.3.1.15, tweede lid, geattribueerde bevoegdheid heeft de burgemeester de Notitie sluitingstijden beleid Arnhem (1999) vastgesteld. Deze notitie bevat het sluitingstijdenbeleid (inclusief het nachtzakenbeleid). Bij raadsbesluit van 25 februari 2008 is de bepaling zodanig aangevuld, dat ook het sluitingsuur voor buiten het horecaconcentratiegebied gelegen terrassen (00.00 uur) in de APV zelf is neergelegd. Dit betreft overigens geen inhoudelijke wijziging van de sluitingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Op grond van artikel 438 Wetboek van Strafrecht is degene die er zijn beroep van maakt aan personen nachtverblijf te verschaffen verplicht hiervan een doorlopend register te houden. In dit register moet 'onverwijld bij aankomst van de personen die in de door hem gehouden inrichting de nacht zullen doorbrengen' en bij hun vertrek een aantal persoonlijke gegevens worden aangetekend. Het doorbrengen van de nacht moet het hoofddoel van de bezoeker van de inrichting zijn. De bordeelhouder die gasten ontvangt tijdens de nachtelijke uren is derhalve gevrijwaard van de registratieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het samenstel van artikel 438 Wetboek van Strafrecht en de APVartikelen heeft als primair doel om, aan de hand van de verstrekte gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2.3.3.1 SpeelgelegenhedenDe bepaling heeft een ruime opzet. Iedere openbare gelegenheid, waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren, valt onder het begrip speelgelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijke beperking is ingebouwd in het tweede lid van artikel 2.3.3.1. Alleen voor de 'exploitatie' van een speelgelegenheid geldt de vergunningplicht. Dat betekent, dat de houder van een café waarin men een kaartje kan leggen, niet zonder meer over een vergunning hoeft te beschikken. Dat is alleen het geval, indien de mogelijkheid tot het beoefenen van het spel bewust met enig winstoogmerk wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vult de regeling in de Wet op de kansspelen aan, en wel vanuit een ander motief. De wet heeft namelijk niet tot doel de openbare orde en het woon en leefklimaat te beschermen, maar de speelzucht te kanaliseren, jeugdigen en sociaalzwakkeren te beschermen en illegaal aanbod met daarmee verbonden criminaliteit als fraude tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling, maar onder de Verordening speelautomatenhallen en dienen op grond van laatstgenoemde verordening over een vergunning van de burgemeester te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaalIn 1997 is artikel 174a van de Gemeentewet in werking getreden. De burgemeester is met toepassing van dit artikel bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Op grond van artikel 13b Opiumwet is de burgemeester bevoegd om bestuursdwang toe te passen indien in voor het publiek toegankelijke lokalen wordt gehandeld in soft- of harddrugs. Het verdient aanbeveling om - voor de gevallen waarin de woning of het lokaal niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken - een strafbepaling op te stellen die het verbiedt om een gesloten pand te betreden. Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verblijfsontzeggingen uitgaansgeweld horecaconcentratiegebied(rb 25 februari 2008) De politie heeft in het kader van een evaluatie aangegeven dat de omvang en de aard van het uitgaansgeweld in de binnenstad haar zorgen baart. Terwijl de laatste jaren het totale aantal aangiften van geweld in het politiedistrict Arnhem Veluwezoom langzaam afneemt, neemt het aantal aangiften van geweld in het uitgaansgebied namelijk juist toe. Steeds vaker is er bij deze geweldsincidenten sprake van letsel; het geweld wordt dus grover van aard De politie geeft hierbij overigens wel nadrukkelijk aan dat zij geen causaal verband aanwezig acht tussen de wijziging van de sluitingstijden en de stijgende geweldcijfers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit een nadere analyse is de politie gebleken dat een fors deel van de binnen het horecaconcentratiegebied begane geweldsdelicten gepleegd wordt door een relatief klein aantal personen. Het blijkt te gaan om ongeveer vijftig personen die op stapavonden veelvuldig geweld plegen in het uitgaansgebied, waarmee zij een flinke – negatieve – stempel drukken op de sfeer in de binnenstad. Ondanks het feit dat zij vaak veelvuldig strafrechtelijk veroordeeld zijn voor dit geweld, blijven zij dit gewelddadige gedrag tentoonspreiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze groep frequente geweldplegers, die zich ongevoelig toont voor de reguliere strafrechtelijke aanpak, bepleit de politie de introductie van een zogenaamde ‘verblijfsontzegging’ voor het horecaconcentratiegebied. Een verblijfsontzegging is een bestuursrechtelijk besluit, waarbij aan een persoon die in een bepaald gebied (in casu het horecaconcentratiegebied) herhaaldelijk overlast veroorzaakt (in casu door geweld te plegen) een verbod wordt opgelegd om zich gedurende een bepaalde termijn in dat gebied te bevinden. Een bestuursrechtelijke verblijfsontzegging is níet gericht op bestraffing van de betrokkene - leedtoevoeging voor het door hem begane onrecht -, maar op voorkoming van herhaling van het ordeverstorende gedrag in de toekomst. Hieruit vloeit voort dat een verblijfsontzegging pas kan worden opgelegd indien een persoon zich meermaals, en niet slechts eenmalig, heeft misdragen. Alleen dan is namelijk de vrees gerechtvaardigd dat het overlastgevende gedrag zich in de toekomst zal herhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in deze bepaling neergelegde systeem komt neer op het volgende. Als de politie een persoon aanhoudt in verband met door hem binnen het horecaconcentratiegebied gepleegd geweld, dan wordt deze persoon gewaarschuwd dat hem door de burgemeester een verblijfsontzegging voor het horecaconcentratiegebied zal worden opgelegd, indien hij zich binnen zes maanden opnieuw gewelddadig gedraagt in het horecaconcentratiegebied. Maakt de betrokkene zich binnen zes maanden opnieuw schuldig aan uitgaansgeweld, dan legt de burgemeester hem een verblijfsontzegging op voor een duur van twee maanden (conform het eerste lid van artikel 2.4.1a). Het verbod – de verblijfsontzegging – geldt slechts voor specifiek benoemde tijdstippen binnen dit tijdvak van twee maanden, en is in dit tijdvak derhalve niet permanent van kracht. Dit ligt bij een verblijfsontzegging in verband met uitgaansgeweld ook niet voor de hand. Dit geweld wordt immers in de regel slechts gepleegd op stapavonden/-nachten, niet op een doorsnee doordeweekse dag. Het is dan ook niet gerechtvaardigd en ook niet noodzakelijk om een dergelijke verblijfsontzegging twee maanden lang continu van kracht te laten zijn. De burgemeester zal een en ander nog nader uitwerken in een korte beleidsnotitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een persoon aan wie binnen een periode van twee jaar voor de derde keer een verblijfsontzegging wordt uitgereikt, wordt een verbod voor een duur van vier maanden opgelegd (artikel 2.4.1a, derde lid). Oplegging van een dergelijke lange verblijfsontzegging is onzes inziens dan gerechtvaardigd door het feit dat een dergelijk persoon wel met nadruk kan worden aangemerkt als een groot gevaar voor de openbare orde binnen het horecaconcentratiegebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het instrument verblijfsontzegging is overigens niet nieuw in de Arnhemse APV. Verblijfsontzeggingen kunnen namelijk al worden opgelegd aan overlastveroorzakende harddrugsverslaafden (artikel 2.4.3 APV) en straatprostituees (artikel 3.2.6a APV).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verzamelingen van personen in verband met harddrugs of helingDit voorschrift is in 1994 als artikel 73b in de APV opgenomen. Groepsvorming van gebruikers en verkopers van harddrugs op straat heeft een negatieve invloed op de openbare orde. De bestrijding van deze overlast kan niet goed plaatsvinden via toepassing van het algemene verbod op samenscholing vervat in artikel 2.1.1.1 Bij verzamelingen van gebruikers en handelaren behoeft (nog) geen sprake te zijn van een onmiddellijk dreigende houding of van een concreet lastig vallen van voorbijgangers. Toch bergen deze verzamelingen deze mogelijkheid voortdurend in zich. Daarnaast wekken zij sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid. Daarom geeft dit artikel de burgemeester de bevoegdheid gebieden aan te wijzen waar een samenscholingsverbod voor gebruikers van- en handelaren in harddrugs geldt.</p></div>", "next": 239681}