{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">richt voor zijn huurders, voor de omwonenden van de door hem verhuurde zelfstandige woonruimten en onzelfstandige woonruimten en voor de gemeente een via internet en telefoon te bereiken contactpunt in; evalueert het verhuurplan tenminste eens per twee jaar en stelt de burgemeester binnen twee weken na afronding van de evaluatie in kennis van uitkomsten daarvan; zendt het verhuurplan binnen twee weken na vaststelling of wijzigen aan de burgemeester en zorgt dat een ieder kennis van het verhuurplan kennis kan nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop het verhuurplan geëvalueerd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-85-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:85</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht exploitatie woonruimteverhuurbedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden om een woonruimteverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester of in afwijking van de aan die vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan de vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden: ter bescherming van de in artikel 1:8 en het vierde lid van dit artikel genoemde belangen; en, in het belang van een effectief nalevingstoezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De burgemeester weigert de vergunning of trekt deze in: indien de exploitatie van het woonruimteverhuurbedrijf strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan of omgevingsplan of het bepaalde bij of krachtens de Huisvestingswet 2014; of, indien de aanvrager niet de exploitant van het woonruimteverhuurbedrijf is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In aanvulling op artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren of intrekken in het belang van: een geordend woon- en leefmilieu; het voorkomen en bestrijden van ondermijnende activiteiten; of, het voorkomen en beperken van overlast als gevolg van de exploitatie van het woonruimteverhuurbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij zijn beoordeling of de in het vierde lid bedoelde belangen aanleiding geven tot weigering of intrekking, beoordeelt de burgemeester: of de aanvrager beschikt over een vastgesteld verhuurplan als bedoeld in artikel 2:84 APV in hoeverre voldoende gewaarborgd is dat de aanvrager de ingevolge artikel 2: 83 APV voor hem geldende verplichtingen zal naleven; en, of de aanvrager, de natuurlijke persoon die optreedt als bestuurder of feitelijk leidinggevende van de rechtspersoon of beheerder die de vergunning aanvraagt, in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, blijkt heeft gegeven van slecht verhuurderschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De burgemeester kan de vergunning voorts weigeren of intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De burgemeester kan de vergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De vergunning is niet overdraagbaar en vermeldt ten minste: de naam van de vergunninghouder; en het adres van de door hem verhuurde woonruimten of onzelfstandige woonruimte in verband waarmee de vergunning is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-86-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:86</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien het naar zijn oordeel voldoende aannemelijk is dat de in artikel 2:85 APV genoemde weigeringsgronden zich in bepaalde categorieën van gevallen niet zullen voordoen, kan de burgemeester die categorieën van gevallen vrijstellen van het in artikel 2:85 APV, eerste lid, opgenomen verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De burgemeester kan een op grond van het eerste lid genomen besluit intrekken of wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-87-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:87</span><span class=\"lf-art-t\">Melding in plaats van de vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 2:85 APV is niet van toepassing op een exploitant voor zover: de exploitant of een aan hem of haar gelieerde natuurlijke of rechtspersoon geen werkgever of opdrachtgever zijn van tenminste één van zijn of haar huurders; de exploitant aan ten hoogste tien huurders woonruimte verhuurt of in gebruik geeft, dan wel laat verhuren of in gebruik laat geven als bedoeld in artikel 2:81, vierde lid; en de exploitant de start van de exploitatie van het woonruimteverhuurbedrijf uiterlijk binnen twee weken na de start aan de burgemeester heeft gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het vorige lid bedoelde melding wordt gedaan door indiening van een ingevuld en onderteken en door de burgemeester vastgesteld, meldingsformulier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-88-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:88</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken en wijzigen van de vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De burgemeester kan de in artikel 2: 85 APV bedoelde vergunning intrekken of wijzigen, indien: de vergunninghouder in strijd handelt met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; intrekking of wijziging naar zijn oordeel noodzakelijk is ter bescherming van de in artikel 1:8 en 2:85 APV, vierde lid, genoemde belangen; of, hem feiten of omstandigheden bekend worden op grond waarvan, indien zij hem ten tijde van de behandeling van de aanvraag reeds bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd of met een andere inhoud, voorwaarden of beperkingen zou zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De burgemeester kan de vergunning voorts intrekken of wijzigen in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-89-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2:89</span><span class=\"lf-art-t\">Invoeringsregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit artikel is van toepassing op een exploitant die direct voor inwerkingtreding van deze afdeling een woonruimteverhuurbedrijf exploiteerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedurende de eerste drie maanden na inwerkingtreding van deze afdeling, is artikel 2:85 APV niet van toepassing op een in het eerste lid bedoelde exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedurende de in het tweede lid bedoelde termijn van drie maanden: kan een in het eerste lid bedoelde exploitant de in artikel 2:85 APV bedoelde vergunning aanvragen of de in artikel 2:87 APV bedoelde melding doen; is de burgemeester bevoegd om de in dit lid, onder a, bedoelde aanvragen in behandeling te nemen en de aangevraagde vergunning te verlenen of te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK3.SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling1.Begripsbepalingen en andere regels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting met uitzondering van: de exploitant; de leidinggevende; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele dienst prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;</p>\n<p class=\"lf-p\">seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; m. werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht; advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college mandateert zijn bevoegdheid als het gaat om het nemen van besluiten voor escortbedrijven als bedoeld in dit hoofdstuk aan de burgemeester.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de in dit hoofdstuk genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2.Seksinrichtingen en escortbedrijven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Seksinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de leidinggevende; en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De vergunning dient in de seksinrichting of het escortbedrijf aanwezig te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4a-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:4a</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostituee die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is een prostituee verboden: te handelen in strijd met het eerste lid; werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4b-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:4b</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: op het gebied van hygiëne; ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; ter bescherming van de gezondheid van de klanten; ter voorkoming van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees; in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken; de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft; de prostituee niet verplicht kan worden om zonder condoom te werken; de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft; aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen; de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt; de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie; de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt; er voldoende toezicht plaatsvindt op het prostitutiebedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4c-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:4c</span><span class=\"lf-art-t\">Adverteren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel Eisen, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel Eisen, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen exploitant en leidinggevende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De exploitant en de leidinggevende: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de leidinggevende niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De exploitant of de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of leidinggevende geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03.00 uur en 11.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald 2.Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 en artikel 3:3 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-361\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting of escortbedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien: de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften; een van de in artikel 3:13 en 3:13 a genoemde situaties zich voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting of escortbedrijf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een ieder is verplicht toe te laten dat in het vierde lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting of escortbedrijf verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het derde lid gesloten seksinrichting of escortbedrijf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van belanghebbende(n) door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-362\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of leidinggevende in de seksinrichting aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De exploitant en de leidinggevende zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9-363\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste acht weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10-364\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:10</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10a-365\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:10a</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijk of geheel intrekken, indien: blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; de ingevolge artikel 3:4, tweede lid onder a. in de vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie voert; de exploitant of leidinggevende de bepalingen in afdeling 2, de nadere regels als bedoeld in artikel 3:3, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; in de seksinrichting een minderjarige prostitué(e) wordt aangetroffen; in de seksinrichting een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen; een seksinrichting of escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostitué(e) of een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel; er door de exploitant of leidinggevende onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid; aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat; de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd; naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon-of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of escortbedrijf nadelig wordt beïnvloed; op grond van verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen. n. Dit in het belang is van: de veiligheid van personen of goederen; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10b-366\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:10b</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheidsduur vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een door het bevoegd bestuursorgaan verleende vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van seksinrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-11-367\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:11</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-12-368\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:12</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een leidinggevende het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:10, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-13-369\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:13</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 3;10 eerste lid onder b niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3.Straatprostitutie en Sekswinkels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14-370\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan andere door het college aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-15-371\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Sekswinkels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-16-372\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel3:16</span><span class=\"lf-art-t\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling1.Geluidhinder en verlichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-373\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit: het Activiteitenbesluit Milieubeheer; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; geluidsgevoelige ruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet Geluidhinder verblijfsruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-374\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel: dagperiode (07.00-19.00 uur) avondperiode (19.00-23.00 uur) nachtperiode (23.00-01.00/02.00 uur) LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 65 dB(A) 60 dB(A) 55 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 60 dB(A) 55 dB(A) 50 dB(A) 7.De geluidsnorm, als bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5: uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt; uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-375\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is een inrichting toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college stelt nadere regels voor het doen van de kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel: dagperiode (07.00- 19.00 uur) avondperiode (19.00-23.00 uur) nachtperiode (23.00- 01.00/02.00 uur) LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 65 dB(A) 60 dB(A) 55 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 60 dB(A) 55 dB(A) 50 dB(A) 5.De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De ontheffing van de geluidsnorm, bedoeld in het eerste lid, geldt ten hoogste 5 keer per jaar voor de buitenruimte van de inrichting, mits toestemming is verleend voor het houden van een evenement. In afwijking van het eerste en zesde lid gelden in dat geval de geluidsnormen en tijden zoals bepaald in de toestemming voor het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening: uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt; uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4-376\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4a-377\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:4a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidsplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5-378\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gelet op artikel 2.18, eerste lid onder f en krachtens artikel 2.18, vijfde lid, van het Besluit wordt onversterkte muziek tussen 19.00 uur en 7.00 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting en zijn de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit onverminderd van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Maximaal 2 uur per week, gedurende één avond, is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in het bebouwde deel van een inrichting tijdens de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur) uitgezonderd van het gestelde in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan voor het gestelde in het eerste lid ontheffing verlenen. Het college kan aan deze ontheffing voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5a-379\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder in de openlucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale Milieuverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5b-380\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5b</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5c-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5c</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5d-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5d</span><span class=\"lf-art-t\">Routering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:5e, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5e-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:5e</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden c.q. bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten op het bouwterrein na 19.00 uur en vóór 07.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6a-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Mosquito</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder mosquito wordt verstaan: een apparaat dat een vooral voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6b-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:6b</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) Afdeling2.Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-7-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-8-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod oplaten ballonnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht, dan wel door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon bedoeld voor personenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3.Het bewaren van houtopstanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-10-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:10</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat: één of meerstammig kan zijn, waarbij ingeval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds vertakken; een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van minimaal 10 centimeter, gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. houtopstand: één of meer bomen en/of knotbomen, hakhout of een houtwal; hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; knotboom: periodiek tot op de stam teruggezette boom; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1 sub a. van de Wet natuurbescherming; boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen (NVTB). vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.11d; achtertuinen niet groter dan 120 m2; voortuinen niet groter dan 20m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411b-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11b</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4:11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval weigeren, dan wel onder voorwaarden verlenen, in het belang van: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan hierbij de boomwaarde als criterium hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4.11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval niet weigeren ingeval voldaan moet worden aan de verplichting ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411c-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11c</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningsvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien herplant niet mogelijk is, kan er door het bevoegd gezag een financiële compensatie worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien de noodzaak voor de kap is aangetoond en/of andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411d-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11d</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant-/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel een schadevergoeding opleggen, waarbij de boomwaarde als criterium wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wordt een verplichting tot herbeplanting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of; een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411e-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4.11e</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gebruiker of eigenaar van een houtopstand tengevolge van een verbod tot vellen van een houtopstand of een weigering tot ontheffing van een verbod tot vellen van een houtopstand, schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven, kan het college van burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekennen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11f-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11f</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding ziekte houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor de verspreiding van een nader door het college aan te wijzen ziekte is de rechthebbende verplicht de in de aanschrijving van het college maatregelen te treffen binnen de daarbij aangegeven termijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11g-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11g</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding watermerkziekte (vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11h-400\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:11h</span><span class=\"lf-art-t\">Afstand tot de erfgrens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor bomen, heesters en heggen op een openbare weg of langs openbaar water wordt de afstand tot de grenslijn van een anders erf, in afwijking van de afstanden genoemd in artikel 5:42 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor bomen vastgesteld op 0,5 meter en voor heesters en heggen op nihil.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12-401\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:12</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning van rechtswege</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12a-402\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:12a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervaltermijn vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) Afdeling4.Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13-403\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13a-404\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:13a</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden een openbare plaats wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen reinigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of een Provinciaal wegenreglement van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-405\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-406\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit Milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16-407\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lichtreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen) Afdeling5.Kamperen buiten kampeerterrein</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17-408\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-18-409\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan daarbij de duur bepalen van de periode waarin het verbod niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling1.Parkeerexcessen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen; opgenomen in artikel 1:1)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</p>\n<p class=\"lf-p\">3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig te parkeren op de weg met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect voertuig mede begrepen een niet van een kenteken voorzien voertuig, voor zover voor het rijden met het betrokken voertuig het voeren van zodanig kenteken wettelijk verplicht is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en andere</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte en/of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid onder a gestelde verbod geldt niet van 1 juli tot 1 september.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen: van het in het eerste lid onder a gestelde verbod voor de overige maanden dan die genoemd in het tweede lid; van het in het eerste lid onder c gestelde verbod 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland of de Provinciale landschapsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 5:6 is het de eigenaar of houder van een geheel of ten dele voor recreatie bestemd voertuig of een aanhangwagen verboden deze te parkeren in een parkeerschijfzone, als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, gedurende het (de) daarop aangegeven tijdvak(ken).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college ten behoeve van de inzameldienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren anders dan op de rijbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden op door het college, in het belang van het beheer van de openbare ruimte, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2.Collecteren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: in besloten kring; door instellingen die zijn ingedeeld op het thans geldende landelijke collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen of werven in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode; door een andere, door het college aangewezen instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan bij het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3.Venten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-14-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en/of in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Venten en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorts is het verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag voor 9.00 uur en na 22.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijheid van meningsuiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling4.Standplaatsen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-17-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten , gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:20</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling5.Snuffelmarkten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-22-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (verplaatst naar hoofdstuk 2, afdeling 7 Evenementen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (verplaatst naar hoofdstuk 2, afdeling 7 Evenementen) Afdeling6.Openbaar water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Havenbeheersverordening gemeente Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het tweede lid aangewezen gebieden: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Havenverordening Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd het krachtens het derde lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Havenverordening gemeente Maassluis, de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26 tweede lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Waterwet, de Havenbeheersverordening gemeente Maassluis, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale Vaarwegenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30a</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemmen in openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- en milieuwaarden; de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en fietsers of voor berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die zijn gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen binnen de bij of krachtens de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij het gestelde onder het vierde lid onder a. geldt voor ruiters dat de paarden voorzien moeten zijn van een uitwerpselen-opvangzak. De uitzonderingen zoals gesteld in het derde lid zijn hierbij van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8.Verbod vuur te stoken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter bescherming van de woon- en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling9.Verstrooiing van as</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledenen of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK6STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1 - samenscholing en ongeregeldheden artikel 2:1a - aanwijzing overlastgebied artikel 2:1b - wijkverbod artikel 2.1d - woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet artikel 2:3 - kennisgeving betogingen op openbare plaatsen artikel 2:6 - of afbeeldingen beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken artikel 2:9 - straatartiest en dergelijke artikel 2:10 - voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats m.u.v. lid 2 artikel 2:14 - winkelwagentjes artikel 2:15 - hinderlijke beplanting of voorwerp artikel 2:16 - openen straatkolken en dergelijke artikel 2:17 - kelderingangen en dergelijke artikel 2:19 - gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats artikel 2:20 - vallende voorwerpen artikel 2:20a - dragen gevaarlijke voorwerpen artikel 2:21 - voorzieningen voor verkeer en verlichting artikel 2:23 - veiligheid op het ijs artikel 2:23a - verbod op slapen op of aan de weg artikel 2:25 - evenementenvergunning artikel 2:25a - 0-evenementen artikel 2:26 - ordeverstoring artikel 2:26a - openbare orde en veiligheid artikel 2:28 - (tijdelijke) exploitatievergunning horecabedrijf artikel 2:28b - eisen exploitant en leidinggevende artikel 2:28e - opheffing vergunningplicht artikel 2:29 - sluitingstijden artikel 2:31 - aanwezigheid in gesloten horecabedrijf artikel 2:31a - glazen drinkgerei artikel 2.32 - handel in horecabedrijven artikel 2:33 - ordeverstoring artikel 2:36 - kennisgeving exploitatie artikel 2:37 - nachtregister artikel 2:38 - verschaffen gegevens nachtregister artikel 2:40 - vergunning exploitatie bedrijf artikel 2:40b - tijdelijke sluiting artikel 2:40c - aanwezigheid exploitant en beheerder artikel 2:41 - betreden gesloten woning of lokaal artikel 2:42 - plakken en kladden artikel 2:42a - graffiti artikel 2:43 - vervoer plakgereedschap en dergelijke artikel 2:44 - vervoer inbrekerswerktuigen artikel 2:47 - hinderlijke gedrag op of aan een openbare plaats artikel 2:47a - hinderlijk voetballen en dergelijke artikel 2:48 - verboden drankgebruik artikel 2:48a - verboden gebruik lachgas artikel 2:49 - verboden gedrag bij of in gebouwen artikel 2:50 - hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten artikel 2:51 - hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke artikel 2:52 - overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein e.d</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 2:53 - bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen artikel 2:54 - bewakingsapparatuur artikel 2:57 - loslopende honden artikel 2:58 - overlast/verontreiniging door honden artikel 2:59 - gevaarlijke honden artikel 2:59a - gevaarlijke honden op eigen terrein artikel 2:60 - houden van hinderlijke of schadelijke dieren artikel 2:72 - ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen artikel 2:73 - bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling artikel 2:73a - carbidschieten artikel 2:74 - drugshandel op een openbare plaats artikel 2:74a - verzameling van personen in verband met drugs artikel 2:74b - openlijk drugsgebruik artikel 2:74c - weggooien van spuiten en dergelijke artikel 3:4 - seksinrichtingen, escortbedrijven artikel 3:6 - sluitingstijden artikel 2:83 - Zorgplicht exploitant, artikel 2:84 - Verhuurplan, artikel 2:85 - Vergunningplicht exploitatie woonruimteverhuurbedrijf. artikel 3:7 - tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting artikel artikel 3:8 - aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende artikel 3:11 - beëindiging exploitatie artikel 3:12 - wijziging beheer artkel 3:14 - straatprostitutie artkel 3:15 - sekswinkels artikel 3:16 - tentoonstellingen, aanbieden/aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke artikel 4:2 - aanwijzing collectieve festiviteiten artikel 4:3 - kennisgeving incidentele festiviteiten artikel 4:5 - onversterkte muziek artikel 4:5a - geluidhinder in de openlucht artikel 4:5b - geluidhinder door dieren artikel 4:5c - geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen artikel 4:5d - routering artikel 4:5e - geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden artikel 4:6 - overige geluidhinder artikel artikel 4:6a - mosquito artikel 4:8 - natuurlijke behoefte doen artikel 4:9 - toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen artikel 4:11d - herplant-/instandhoudingsplicht artikel 4:11f - bestrijding ziekte houtopstanden artikel 4:11h - afstand tot de erfgrens artikel 4:13 - opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz. artikel 4:13a - verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats artikel 4:15 - verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames artikel 4:18 - recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen artikel 4:19 - aanwijzing kampeerplaatsen artikel 5:2 - parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke artikel 5:3 - te koop aanbieden van voertuigen artikel 5:4 - defecte voertuigen artikel 5:5 - voertuigwrakken artikel 5:6 - kampeermiddelen en andere artikel 5:6a - parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5:7 - parkeren van reclamevoertuigen artikel 5:8 - parkeren van grote voertuigen artikel 5:9 - parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen artikel 5:9a - parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval artikel 5:10 - parkeren anders dan op de rijbaan artikel 5:11 - aantasting groenvoorzieningen door voertuigen artikel 5:12 - overlast van fiets of bromfiets artikel 5:13 - inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving artikel 5:15 - venten en dergelijke artikel 5:16 - vrijheid van meningsuiting artikel 5:18 - standplaatsen en weigeringsgronden artikel 5:19 - toestemming rechthebbende artikel 5:24 - voorwerpen op, in of boven openbaar water artikel 5:25 - ligplaats woonschepen en overige vaartuigen artikel 5:26 - aanwijzingen ligplaats artikel 5:27 - verbod innemen ligplaats artikel 5:28 - beschadigen van waterstaatswerken artikel 5:29 - reddingsmiddelen artikel 5.30 - veiligheid op het water artikel 5:30a - zwemmen in openbaar water artikel 5:31 - overlast aan vaartuigen artikel 5:32 - crossterreinen artikel 5:33 - beperking verkeer in natuurgebieden artikel 5:34 - verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken artikel 5:36 - verboden plaatsen artikel 5:37 - hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing 2.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67, 2:68 en 2:69 (heling) wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 lid 2, 2:11, 2:12 en 4:11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college dan wel door de burgemeester aan te wijzen toezichthouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van publicatie ervan in het Gemeenteblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op dat moment wordt de Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2019 ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 20 december 2022 de griffier, mr. R. van der Hoek de voorzitter, dr. T.J. Haan Toelichtingop de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2022 Inleiding De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Maassluis is een belangrijke verordening van de gemeente op het gebied van de openbare orde en veiligheid. Regelmatig wordt de APV geactualiseerd om aan te sluiten bij ontwikkelingen in de rechtspraak en op het gebied van wetswijzigingen. Ook vanuit de gemeente komen in de loop van de tijd verzoeken en wensen die wijzigingen in de APV behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting is integraal onderdeel van de APV die, tegelijk met wijzigingen in artikelen, ook wordt aangepast. De toelichting geeft nadere uitleg bij de artikelen en/of geeft een artikelsgewijze omschrijving van de doorgevoerde wijzigingen. Dit betreft wijzigingen die dit jaar of die in eerdere jaren in de APV zijn doorgevoerd. Aangezien de toelichting op de model-APV van de VNG uitstekend is te gebruiken als toelichting op deze (Maassluise) verordening wordt ook verwezen naar de uitgebreide toelichting behorend bij dat model.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte worden ook de artikelen toegelicht waar van de modelverordening is afgeweken of waar Paragraaf 4.1.3.3 (Lex Silencio Positivo) wel of niet van toepassing is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de laatste jaren is de APV verschillende keren gewijzigd, namelijk in 2012, 2014, 2016, 2017, 2018, 2020 en 2021. De meest ingrijpende wijziging vond plaats in 2014, veel artikelsgewijze toelichtingen hebben daarom nog betrekking op de in 2014 doorgevoerde wijzigingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is een aantal definities overgeheveld van artikel 5:1 naar artikel 1:1, omdat deze begrippen in verschillende hoofdstukken terugkeren. Deze horen daarom onder de onder 1:1 genoemde en voor de gehele verordening geldende begripsbepalingen. Verder is een aantal definities geherformuleerd in aansluiting op de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip ‘bebouwde kom’ is een andere definitie gekozen: hiervoor was voorheen aangesloten bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Een beter alternatief is om als definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Dat gebied wordt op grond van de WVW niet door gedeputeerde staten, maar door de gemeenteraad vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het vierde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te late indiening aanvraag</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">APV komt te vervallen. In artikel 1:3 APV was opgenomen dat indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing te laat wordt ingediend het bevoegde bestuursorgaan kon besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Daar het onderwerp van inwilligen of weigeren van een aanvraag reeds in landelijke regelgeving (de Algemene wet bestuursrecht) is geregeld, past het niet om dit onderwerp met een aanvullende grond van buiten behandeling stelling, in een gemeentelijke verordening te regelen. In verband met het vervallen van artikel 1:3 APV is conform de modelAPV van de VNG, aan artikel 1:8 APV waarin de weigeringsgronden van een aanvraag zijn opgenomen, een derde lid toegevoegd dat als weigeringsgrond kan dienen voor gevallen waarbij de aanvraag te laat is ingediend en een behoorlijke behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met het vervallen van artikel 1:3 APV is aan artikel 1:8 APV waarin de weigeringsgronden van een aanvraag zijn opgenomen, een derde lid toegevoegd dat als weigeringsgrond kan dienen voor gevallen waarbij de aanvraag te laat is ingediend en een behoorlijke behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo (LSP) Een belangrijke consequentie van de invoering van de Dienstenrichtlijn is de verplichte invoering van de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) voor vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De Lex Silencio Positivo houdt in dat wanneer op een vergunning of ontheffingsaanvraag, danwel een melding niet tijdig een beslissing wordt genomen, deze van rechtswege alszijnde een positieve beschikking wordt beschouwd. Dit is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht. Het gemeentebestuur kan hierbij aangeven welke vergunningen wel en niet onder de LSP vallen. Alleen vanwege dringende redenen van algemeen belang kan van de lex silencio positivo worden afgezien.Op die keuzevrijheid is één belangrijke uitzondering. Een klein aantal bepalingen in de APV betreft omgevingsvergunningen. Voor deze vergunningen geldt altijd een LSP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen daarop zijn niet mogelijk. De wijzigingen die verplicht nodig waren in verband met de invoering van de Europese Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet zoals vervat in de modelapv VNG 2009 zijn bij wijziging van de APV Maassluis 2010 al doorgevoerd. De wijzigingen die de VNG in haar modelapv 2012 ten aanzien van de LSP voorstelt waren optioneel van aard. De aanpassing betrof het opnemen van informatie over de LSP bij ieder artikel afzonderlijk in plaats van twee artikelen in hoofdstuk 1. Wij hebben er om praktische redenen voor gekozen om de artikelen waarbij de LSP wel of niet van toepassing is in stand te laten onder twee artikelen (1:9 en 1:10) zoals in de APV Maassluis 2010, en de gewijzigde verordening 2012. Voorts is er in deze toelichting bij alle artikelen waarbij paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wel of niet van toepassing wordt verklaard een motivering opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1:9 is aangegeven dat de lex silencio positivo van toepassing is op de volgende artikelen: 2:6 lid 4, 2:9 lid 3, 2:10 lid 2, 2:11, 2:12, 2:25a, 2:29 lid 4, 2:67 lid 2, 4:11, 5:13 lid 1, 5:15, 5:16 lid 3 en 5:36 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:10</span><span class=\"lf-art-t\">Geen toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor die vergunningstelsels waar een lex silencio positivo vanwege dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk is, is thans in de APV aangegeven dat de lex silencio positivo niet van toepassing is. Het betreft de artikelen 2:1 lid 4, 2:10 lid 1, 2:23a lid 2, 2:25, 2:28, 2:31a lid 3, 2:40, 2:41 lid 4, 2:72, 3:4, 4:5, 4:5a lid 2, 4:5d lid 2, 4:5e lid 2, 4:6 lid 2, 4:18 lid 3, 5:6 lid 3, 5:8 lid 5, 5:11 lid 3, 5:18, 5:25, 5:33 lid 6 en 5:34 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Openbare orde</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is het artikel over samenscholingen en ongeregeldheden geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG. Onbedoeld is zowel het vorige artikel blijven staan als het nieuwe artikel toegevoegd. Dat wordt nu rechtgezet door onder Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden artikel 2:1 (het vorige artikel) te vervangen door het nieuwe artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts hetgeen hieromtrent is opgenomen onder artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 zijn verschillende begripsbepalingen geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing overlastgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging van de letter a aan het artikelnummer verklaart dat het een artikel is wat in de model APV niet is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven om gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig wordt bedreigd of verstoord. Die verstoring of bedreiging kan samenhangen met het gebruik van of de handel in harddrugs, maar er zijn ook andere omstandigheden denkbaar op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de openbare orde in een gebied in gevaar is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een groep jongeren die overlast veroorzaken, en waardoor omwonenden zich onveilig of zelfs bedreigd voelen. Het aanwijzen van een gebied als overlastgebied gebeurt indien sprake is van structurele overlast die de openbare orde in dat gebied aantast of bedreigt. Er kan dus geen gebied aangewezen worden als overlastgebied wanneer er slechts sprake is van incidentele overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde van de aanwijzing van een gebied als overlastgebied regelt het tweede artikellid ook dat in een overlastgebied een samenscholingsverbod geldt, voor zover samenscholing leidt tot een verstoring van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1b-456\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1b</span><span class=\"lf-art-t\">Wijkverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het artikel biedt de basis om personen die zich in strijd gedragen met de openbare orde een verbod op te leggen zich gedurende een bepaalde tijd in een aangewezen gebied te bevinden of zich daarin te begeven. De burgemeester kan dit doen in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen en goederen; de gezondheid; de zedelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een wijkverbod wordt opgelegd indien een persoon strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht en daarvoor ten minste één maal is gewaarschuwd. De waarschuwing geldt voor de gehele stad en is zes maanden geldig. Nadat een persoon is gewaarschuwd én hij een redelijke termijn heeft gekregen om zijn overlastgevende gedrag te beëindigen dan wel het gebied te verlaten, kan een verbod worden opgelegd indien het overlast gevende of strafbare gedrag aanhoudt. Door het wijkverbod kan de burgemeester direct optreden wanneer een maatregel op dat moment in dat gebied noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe het middel door de burgemeester of de door of namens hem gemandateerde ambtenaren wordt ingezet ligt vast in een beleidsregel. Hierin is aangegeven welke feiten en openbare orde verstorende handelingen aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een wijkverbod. Dit kunnen zowel overtredingen van de APV als andere strafbare feiten zijn. Een wijkverbod geldt in beginsel voor het gebied waarin de overtreding is gepleegd en wordt begrensd door de grenzen van de wijkpolitie. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk. Dit is het geval bij evenementen. Dan geldt het verbod voor het gebied dat in het besluit wordt aangegeven, hetgeen wordt begrensd door de grenzen van het evenemententerrein of indien sprake is van een open evenement de grenzen van die wijken waarin het evenement plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Aan een persoon kan slechts een tweede of volgend wijkverbod worden opgelegd indien hij zich binnen zes maanden na het opleggen van een wijkverbod voor een volgende maal schuldig maakt aan strafbare of openbare orde verstorende gedragingen. Een dergelijk wijkverbod heeft een maximale duur van 30 dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft om zich in het gebied op te houden, wordt het gebied waarop het verbod van toepassing is dienovereenkomstig aangepast. Doorgaans zal het gaan om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat of hulpverleningsinstanties. Het opleggen van een wijkverbod houdt niet in dat er geen strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie kan plaatsvinden tegen de gepleegde strafbare feiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1c-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1c</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de regionale aanpak van Overvallen en andere situaties waarbij preventief fouilleren een aanvulling kan zijn op bestaande bestuurlijke mogelijkheden is besloten om dit nieuwe artikel op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken; een ieder aan de kleding te onderzoeken en te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers(privacy); subsidiariteit en proportionaliteit; breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1d-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1d</span><span class=\"lf-art-t\">Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden (artikel 151d van de Gemeentewet). Deze wet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid toekent om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan gebruikers van een woning of erf. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. De zorgplicht geldt thans in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat vanuit de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder plaatsvindt. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid van artikel 2:1d bevat een zorgplicht die inhoudt dat gedragingen in of vanuit een woning of het daarbij behorende erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder mogen veroorzaken voor omwonenden. Gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van de woning of het erf, die ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken, vallen tevens onder de bepaling. De hinder moet ernstig en herhaaldelijk zijn voordat het onder deze bepaling valt. Een eenduidige definitie van hinder is niet te geven. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het draaien van luide muziek in de nachtelijke uren. Deze zorgplicht geldt voor gebruikers van een woning en/of bijbehorend erf. Er hoeft geen huurrechtelijk of eigendomsrechtelijke relatie met de woning te bestaan. Ook een regelmatige gast, een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder de bepaling. De zorgplicht geldt tevens voor verhuurders. Ook zij moeten zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Dat geldt ook als een persoon zijn of haar woning tegen betaling in gebruik geeft aan personen die niet staan ingeschreven in Maassluis in de Basisregistratie Personen (BRP). Hier worden bijvoorbeeld personen mee bedoeld die de eigen woning te huur aanbieden via een online verhuurplatform, zoals Airbnb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Wanneer de zorgplicht wordt geschonden, kan de burgemeester een gedragsaanwijzing geven in de vorm van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang. Uitgangspunt is dat de last proportioneel is en in verhouding staat tot de overtreding. In de last staat bijvoorbeeld omschreven welke handelingen een gebruiker van de woning en/of erf moet verrichten of moet nalaten. Er kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de overtreder geen luide muziek mag draaien na een bepaalde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De last kan ook een tijdelijk verbod inhouden voor een meerderjarige gebruiker om aanwezig te zijn in of bij de woning of op het erf. Het doel hiervan is dat de overlast tijdelijk stopt. Bovendien ontstaat hierdoor ruimte om te zoeken naar een definitieve oplossing en kunnen ingrijpendere maatregelen zoals een woningsluiting worden voorkomen. Het verbod om aanwezig te zijn geldt voor een periode van tien dagen en kan bij ernstige vrees voor verdere overtreding worden verlengd tot ten hoogste vier weken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Er kan ook een gedragsaanwijzing worden gegeven aan degene die zijn of haar woning tegen betaling in gebruik geeft aan perso(o)n(en) die niet staan ingeschreven in Maassluis in de BRP, en waarbij de betreffende personen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken voor omwonenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid schrijft voor dat de burgemeester in beleidsregels vastlegt hoe hij invulling geeft aan zijn bevoegdheid. De wijze waarop de burgemeester gebruik maakt van de bevoegdheid is vastgelegd in de beleidsregel 'ernstige woonoverlast Maassluis’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ultimum remedium Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Betogingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In haar model heeft de VNG in dit artikel artikelleden opgenomen over een afwijkende termijn en te verstrekken gegevens. Daardoor zijn in dat model de artikelen 2:4 en 2:5 komen te vervallen. Bij deze nieuwe verordening is gekozen om deze bundeling van informatie in artikel 2:3 te volgen. Dientengevolge komen de artikelen 2:4 en 2:5 te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2018 is lid twee van artikel 2:3 geschrapt. Het bepaalde onder lid 2 was overbodig, omdat in artikel 1:1 een definitie wordt gegeven van openbare plaats. Verder is qua formulering aangesloten bij de model-APV van de VNG.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Verspreiding van gedrukte stukken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besloten is dit artikel wederom op te nemen in de verordening om mogelijke situaties te kunnen reguleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Er zijn geen dringende redenen van algemeen belang ten aanzien van deze ontheffing voorts is de LSP van toepassing op de ontheffing. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken (“verspreiden”) van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daklozenkrant De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigen. Immers, niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 lid 4 Ontheffing verbod gedrukte of geschreven stukken Bij de ontheffingsaanvraag is geen reden om van het lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is daarom van toepassing verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Vertoningen en dergelijke op een openbare plaats</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het opleggen van een beperking tot bepaalde dagen en uren door de burgemeester met betrekking tot de werking van het verbod, zal doorgaans op initiatief van het gemeentebestuur zelf gebeuren en niet op aanvraag. Een ontheffing van het verbod zal daarentegen bijna alleen op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van het lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is op het gehele artikel van toepassing verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 en 2 Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft; het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een tweede lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. Lid 2 is tekstueel aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG: aan een voorwerp als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo wordt immers een omgevingsvergunning verleend, het college kan daar niet voor kiezen. Ook lid 1 is tekstueel aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 sub g Containers In het kader van verdere deregulering van de vergunningverlening is er bij de APV-wijziging 2018 gekeken naar artikel 2:10 betreffende het plaatsen van voorwerpen op de openbare weg. Op basis van dit artikel worden vergunningen verleend voor het plaatsen van de meest uiteenlopende voorwerpen op de openbare weg. Het is wenselijk om het vergunningstelsel voor een groot aantal voorwerpen in stand te houden, dit om als gemeente meer controle en een betere handhaving te hebben. Hierbij gaat het om voorwerpen die een meer permanent karakter hebben, zoals winkeluitstallingen en bloembakken, en voorwerpen waarbij de toetsing op verkeersveiligheid een belangrijke factor is. Gezien de aansprakelijkheid van de gemeente voor de openbare weg is het gewenst het plaatsen van voorwerpen te blijven reguleren en daarbij niet teveel toe te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op deregulering is het evenmin wenselijk om teveel beperkingen op te leggen. Daarom is ervoor gekozen om het plaatsen van containers voor de opslag van puin of bouwmaterialen wel meldings- en vergunningsvrij te maken. Administratieve lastenverlichting is een van de redenen hiervoor: de tijd die wordt besteed aan een aanvraag wordt vaak niet gedekt door de leges, en daarbij zijn de te verrichten administratieve handelingen hoog in verhouding tot de kortstondige duur van de verleende vergunning. Ook is een vergunningsplicht voor containers niet noodzakelijk voor de handhaving, omdat ook landelijke wetgeving juridische handvaten biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als waarborgen voor de openbare orde en veiligheid gelden wel enkele voorwaarden voor het vergunnings- en meldingsvrij plaatsen van containers: ze mogen niet langer dan 30 dagen op de weg staan geplaatst, anders dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, ze leveren geen hinder of gevaar op voor het verkeer, ze hebben een maximale hoogte van 2,5 meter en een maximale lengte van 4,5 meter en per perceel worden niet meer dan twee containers geplaatst. Deze bepalingen zijn opgenomen in lid 3 sub g. In een later stadium kunnen, indien nodig, ook breed gestelde algemene regels voor het plaatsen van containers worden opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 sub g Keetwagens en toiletcabines In de APV-wijziging 2018 is ervoor gekozen om het plaatsen van containers voor de opslag van puin of bouwmaterialen meldings- en vergunningsvrij te maken. Dit was onderdeel van een dereguleringsslag van de vergunningverlening. Het meldings- en vergunningsvrij plaatsen van containers heeft de afgelopen jaren geen problemen gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2020 worden ook keetwagens en toiletcabines (zoals dixies), mits onder bepaalde voorwaarden, vergunnings-en meldingsvrij gemaakt. Bij bouw- of verbouwactiviteiten is het gebruikelijk dat naast containers ook een toiletcabine en keetwagen worden geplaatst. Aannemers hoeven weliswaar geen melding meer te doen van het plaatsen van een container, maar nu nog wel van een toiletcabine of keetwagen. Omdat deze drie vaak bij elkaar worden geplaatst, is het logisch om het plaatsen van toiletcabines en keetwagens ook meldings- en vergunningsvrij te maken. Wel geldt de voorwaarde dat er van beiden niet meer dan één per perceel mag worden geplaatst, dat ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst en ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV-wijziging 2020 wordt ook onder lid 3 sub g toegevoegd dat containers een maximale breedte mogen hebben van 2,5 meter. Dat is de gangbare breedte van een parkeervak. Door deze maximumbreedte aan te houden, zorgen we ervoor dat containers in een parkeervak passen en niet over de rijbaan uitsteken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 sub h en i Evenementen en terrassen Met de toevoeging van sub h e i worden evenementen en terrassen, als bedoeld in de artikelen 2:24 en 2:27 lid 3 van de APV, vrijgesteld van de vergunningplicht op basis van artikel 2:10. Dat is omdat hieraan al vergunningen worden afgegeven op basis van andere APV-artikelen, en het daarom niet nodig is om hiervoor nog een vergunning te verlenen op basis van artikel 2:10. Wanneer er een evenement wordt gehouden, wordt hiervoor een vergunning verleend op basis van artikel 2:25. Wat terrassen betreft, werkt de gemeente Maassluis met horeca-exploitatievergunningen en verleent langs die weg, op basis van artikel 2:28, vergunningen voor de terrassen die bij een horecabedrijf horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sub i zijn de terrassen expliciet afgebakend en gaat het alleen om terrassen als bedoeld in artikel 2:27, lid 3. Dit zijn de terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend op grond van artikel 2:28. In het geval een terras niet hoort bij een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en is gelegen op de weg of een weggedeelte, zijn de in artikel 2:10 gestelde eisen wel van toepassing en dient voor zo’n terras wel een vergunning te worden aangevraagd. Voor dit soort terrassen wordt geen vergunning afgegeven op basis van een ander APV-artikel. Om dit soort terrassen wel vergunningplichtig te houden, is onder sub i de afbakeningsbepaling opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 sub j, lid 4 en lid 6</p></div>", "next": 239490}