{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">gebruikmaking van dit criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het tweede lid is een implementatie van deze verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wegaanlegvergunning (art 2:11) valt onder de Wabo, en ook onder bepaalde omstandigheden het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (art 2:10). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-3-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraagIn de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Als een aanvraag echt veel te vroeg wordt gedaan en dan nog niet kan worden beoordeeld, volstaat een gemotiveerde mededeling daarvan aan de aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-4-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingenIn literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-5-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingEen vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kennisgeving is juridisch gezien van een andere orde dan een vergunning of ontheffing (want niet op rechtsgevolg gericht). Ook voor een kennisgeving die in het kader van vergunning- of ontheffingverlening aan een vergunning- of ontheffinghouder wordt verstrekt, geldt echter dat deze persoonsgebonden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ontheffingDe in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-7-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">TermijnenArtikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt b.: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de toelichting onder artikel 1:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaaken proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">WeigeringsgrondenVergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke</h3>\n<p class=\"lf-p\">vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningen Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV van de VNG zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vestiging of tijdelijke overschrijding Bij het screenen van de model-APV van de VNG aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse dienstverrichter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie categorieën. Het zou in theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op diezelfde gronden is het evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt. Zie daarvoor de toelichting bij hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de model-APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlast Vanouds is de APV een openbare orde en overlastverordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid van personen en gezondheid Deze gronden waarop grond voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zedelijkheid Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben. [check] Voorzieningenniveau bij standplaatsen In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van o.m. gemeenten , voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDEAFDELING 1 ORDE EN VEILIGHEID OP OPENBARE PLAATSENIn deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik</h3>\n<p class=\"lf-p\">als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldhedenEerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn situaties denkbaar waarbij een samenscholing zonder meer overlastgevend is. In een dergelijke situatie hoeft de overlast die voortvloeit uit de samenscholing niet als zodanig te worden aangetoond. Hiervan is sprake, indien de verzameling van personen verband houdt met drugsgebruik, dan wel -handel. De politie zal in het concrete geval moeten beoordelen of hier sprake van is en men toekomt aan artikel 2:1. Een en ander op basis van ervaring en de concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid van artikel 2:1 is het verwijderingsbevel - gegeven door een politieambtenaar - opgenomen. Dit conform de jurisprudentie welke heeft bepaald dat een bevel ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 2 Politiewet in de gemeentelijke regelgeving moet zijn verankerd. Het gaat dus niet om nieuwe politiebevoegdheden. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV-bepaling gegeven politiebevel vindt plaats op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr. Dit conform het standpunt van het college van Procureurs Generaal (mei 2012). Zij stelt dat vervolging op grond van artikel 184 WvSr mogelijk is indien de bevoegdheid is verankerd in de APV. Dit laatste is het geval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-2-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Optochten (gereserveerd)In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie verder de toelichting bij die artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenDit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(WOM).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze definitie is in artikel 1:1 overgenomen (zie toelichting aldaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:3. alleen betrekking op betogingen. Het artikel kan zonodig worden uitgebreid tot samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, tot vergaderingen en tot “processies”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Wet openbare manifestaties De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7 Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.</p>\n<p class=\"lf-p\">5/6): -de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een kennisgeving voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd worden; de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen; de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat met name om de volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6)</span>: -het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8 WOM); -een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3, vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid); -de bescherming van het functioneren van buitenlandse vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere volkenrechtelijke bescherming genieten, voor zover deze bescherming verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” (artikel 9 WOM); -de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM); -de bescherming van de zondagsrust, deze bescherming verder dient te reiken dan “de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden” (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel III WOM).</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden; of deze bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een nadere toelichting over “openbare en andere dan openbare plaatsen”: zie de toelichting bij artikel 1:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betoging Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als: een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen “menigte” nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging” omschreven als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975- 1976, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klokgelui en oproepen tot gebed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is om regels te stellen over de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">duur, het tijdstip en het geluidsniveau van klokgelui en oproepen tot gebed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:5 APV (overige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke bevoegdheden Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een noodverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 Gemeentewet zich als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is “dus de wet (in formele zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt”, HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester dus bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester heeft in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking termijn(gereserveerd)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Te verstrekken gegevens(gereserveerd)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verspreiden van voorwerpen voor</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">handelsreclamedoeleindenGekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het verbod raakt het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. De vrijheid tot verspreiding van ideële reclame en van gedachten en gevoelens worden daarin beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in de aangewezen gebieden beperkt zich dan ook tot het maken van handelsreclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">De formulering van het verbod is evenwel zodanig opgesteld dat ook verspreiding “met het kennelijke doel” van het maken van handelsreclame is beperkt. Dit maakt het mogelijk om ook commerciële reclame-uitingen in combinatie met niet commerciële uitingen te beperken, indien het primaire doel is het maken van handelsreclame. In bepaalde gebieden of tijdens bepaalde gebeurtenissen (evenementen, optochten, demonstraties) is het wenselijk vanuit het oogpunt van overlasten milieu preventief op te treden met een tijdelijk verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een absoluut verbod is daarom onwenselijk. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing van de hele stad is niet mogelijk en niet wenselijk. Ook in gebieden waar het verbod geldt, kan het wenselijk zijn om het verspreiden beperkt toe te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid biedt de mogelijkheid om het verbod voor die wegen te beperken tot nader aan te geven dagen en uren. Dit betekent ook dat bepaalde gebeurtenissen of evenementen aangewezen kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is een opruimplicht opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid is een algemene vrijstelling opgenomen van het verbod tot het verspreiden van huis aan huis verspreiding of bezorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid regelt dat de burgemeester vrijstelling kan verlenen van het verbod voor bepaalde categorieën en ontheffing kan verlenen in individuele gevallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwet luidt als volgt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Feest, muziek en wedstrijd e.d.In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie het commentaar bij die artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-8-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span><span class=\"lf-art-t\">DienstverleningDe VNG heeft het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">StraatartiestNet als straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9 wordt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een straatmuzikant onder de straatartiesten gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de betekenis van deze begrippen het commentaar onder artikel 1:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen op, in, aan of boven de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Bij de term ‘overeenkomstig de publieke functie’ gaat het er niet om welke bestemming er op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan geldt, maar om welke functie de weg of het weggedeelte heeft. Plaatst iemand voorwerpen op de weg, zoals bijvoorbeeld goederen, kisten, afval, bouwmaterialen of meubilair, dan wordt daardoor een gebruik van de (openbare) weg gemaakt dat de algemene gebruikswaarde als verkeersbaan aantast. Hierdoor is een vorm van gebruik aanwezig welk beslag legt op de weg als object ten nadele van het algemeen openstaand gebruik. Dit raakt wel de bruikbaarheid van de weg zelf, waarvoor de beheerder (de gemeente) van de weg heeft te verzorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn in aanvulling op artikel 1:8 een aantal weigeringsgronden opgenomen. Zo wordt de vergunning bijvoorbeeld geweigerd als het gebruik schade kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert of niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is bevoegd categorieën aan te wijzen waarvoor de vergunning plicht niet geldt en volstaan kan worden met een melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 2:10 bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een inrichting, waarvoor door de burgemeester vergunning is verleend op grond van artikel 2:29e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo’n terras maakt blijkens de definitie in artikel 2:27 deel uit van die inrichting. Daarom is hier een afbakeningsbepaling opgenomen. Voor de duidelijkheid: het gaat hierom een terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw of een in artikel 2:27 bedoelde inrichting en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c: standplaatsen Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop afdeling 5.4 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid regelt dat wanneer het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak handelt, zij geen vergunning op grond van artikel 2:10 nodig heeft. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Tevens regelt dit lid de afbakening met landelijke verkeerswetgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegOp het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een uitwegUit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:12 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg) te veel belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is, indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Een uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd op basis van een van de weigeringsgronden in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgeweegd te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt ten aanzien van de weigeringsgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden ter weigering van het maken van een uitweg als daarbij een (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van groenvoorzieningen aan de vergunning voorschriften worden verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEGAlgemeenArtikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot</h3>\n<p class=\"lf-p\">het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204 m.nt. W.F. Prins).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-13-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:13</span><span class=\"lf-art-t\">Veroorzaken van gladheid[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">WinkelwagentjesDeze bepaling bestrijdt het ‘zwerfkarrenprobleem’ door het gebruik van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">winkelwagens niet toe te staan buiten de door het college aangewezen weg of weggedeelten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Apv 2009 was alleen een bepaling opgenomen die de winkelier verplichtte achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen. Voor het winkelend publiek was geen verbod opgenomen om winkelwagentjes onbeheerd achter te laten. De reden hiervoor was dat een dergelijke verbod slecht te handhaven is. Immers, de handhaver moet constateren dat er sprake is ‘onbeheerd achterlaten op heterdaad’ voordat hij kan ingrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Capelle wordt in sommige gedeelten van de stad echter veelvuldig winkelwagentjes gebruikt om de boodschappen tot aan de voordeur te vervoeren. Vervolgens worden de wagentjes of onbeheerd achtergelaten of op een galerij bij de voordeur ‘geparkeerd’. Dit tast een veilige en leefbare woonomgeving aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat te ver om de winkelier verantwoordelijk te stellen voor winkelwagentjes buiten de directe omgeving van zijn bedrijf. Om het ‘zwerfkarrenprobleem’ effectief aan te kunnen pakken is daarom het gebruik van een winkelwagen buiten een door het college vastgesteld gebied verboden. Dit artikel schept zowel voor de burger als de handhaver duidelijkheid over de norm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, bij de winkelcentra zal duidelijk worden aangegeven buiten welke grens men zich niet met een winkelwagentje mag begeven en wat de consequenties zijn als men over die grens heen gaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of voorwerpIndien door bomen, planten of voorwerpen het uitzicht zodanig wordt belemmerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-16-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:16</span><span class=\"lf-art-t\">Openen straatkolken e.d.Dit artikel ziet er op toe dat te allen tijde gebruik van de openbare</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij calamiteiten snel opgetreden kan worden. Tevens kan met deze bepaling vandalistisch gedrag worden bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt – vanzelfsprekend – niet voor degene die handelingen verricht aan de nutsvoorzieningen in opdracht van de beheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-17-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:17</span><span class=\"lf-art-t\">Kelderingangen e.d.[gereserveerd]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Capelle heeft geen kelderingangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-18-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen[gereserveerd]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien een verbod nauwelijks handhaafbaar is afgezien van een rookverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien biedt artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht, luidende: \"Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan\" al een mogelijkheid om op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-19-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpElektrische schrikdraadinstallaties worden niet meer uitsluitend in de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">agrarische sector gebruikt; ook particulieren blijken er steeds vaker toe over te gaan ter bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen dieven schrikdraadinstallaties aan te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-20-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span><span class=\"lf-art-t\">Vallende voorwerpen[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting[gereserveerd]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is nuttig voor de oude binnensteden. In Capelle is echter geen behoefte aan dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-22-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanningslijn[gereserveerd]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Capelle heeft geen hoogspanningslijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijs[gereserveerd]</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Is bedoeld voor gemeenten waar bijvoorbeeld schaatswedstrijden worden gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23a</span><span class=\"lf-art-t\">(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kampeermiddelenHet slapen op de openbare weg wordt als hinder beschouwd en draagt bij aan de verloedering van de stad. Ook het gebrek aan sanitaire voorzieningen draagt bij aan de verloedering ter plekke. Bij de handhaving van dit artikel staat voorop dat de eisen van proportionaliteit in acht worden genomen. Zo valt onder andere het slapen op de openbare weg door kinderen in een kinderwagen niet onder de reikwijdte van dit artikel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7. EvenementenAlgemeen</h3>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen die de gemeente Rotterdam hanteert zijn overgenomen. Hierdoor wordt aangesloten bij wat in de regio gebruikelijk is bij de regeling van evenementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingBij evenement kan in de praktijk worden gedacht aan voor het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">publiektoegankelijke verrichtingen van kunst, tentoonstellingen, feesten, kermissen, circussen e.d. De omschrijving omvat alle activiteiten van vermaak, ongeacht of het publiek zelf deelneemt, met uitzondering van de activiteiten genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met f. In onderdeel e zijn samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties uitgezonderd van het evenementenbegrip. De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het eerste lid, onder d, is voor evenementen in openbare inrichtingen geen evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund op grond van artikel 2:28, en voor zover die evenementen tot de toegestane exploitatievorm behoren. Een en ander doet niets af aan de voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en in hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze APV. Deze voorschriften blijven onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor evenementen op het terras van een openbare inrichting zal veelal een evenementenvergunning nodig zijn, omdat de activiteiten meestal niet zullen vallen binnen de toegestane exploitatievorm. Het terras maakt onderdeel uit van de inrichting, waardoor er voor het terras in principe dezelfde geluidsnormen gelden als voor in de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluid veroorzaakt op het terras meer geluidsoverlast dan geluid dat binnen wordt geproduceerd. Om meer geluid te mogen produceren op het terras dient er naast een evenementenvergunning tevens een kennisgeving worden gedaan om ontheffing van de geluidsvoorschriften uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer te krijgen. In de evenementenvergunning kunnen aanvullende geluidsvoorschriften worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vrijstelling van een vergunningplicht voor het houden van een sportwedstrijd binnen gebouwen kan op gespannen voet komen te staan met andere belangen zoals openbare orde en veiligheid. Zo wijst de praktijk uit dat er bij sommige sportevenementen een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet. Het is niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven van dergelijke sportevenementen. Er blijken steeds nieuwe varianten te worden ontwikkeld. Het onderscheid dat in het tweede lid, onderdeel e wordt gemaakt, is gebaseerd op het criterium of een organisator van het evenement is aangesloten bij het NOC*NSF.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erkenning door de georganiseerde sportwereld duidt op een maatschappelijke aanvaarding van de betreffende activiteit als sport en vormt daarmee de garantie dat de sport regulering kent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze sportwedstrijden worden niet beschouwd als evenement, waardoor geen aparte evenementenvergunning is vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">EvenementenvergunningHet is gewenst een regeling op te nemen die toeziet op het reguleren van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">evenementen. De laatste decennia worden veel vaker openbare vermakelijkheden georganiseerd. Op deze evenementen komen veel bezoekers af en deze evenementen hebben afwisselend een beperkte of (zeer) grote uitstraling op de openbare orde. Als zodanig kunnen zij onderwerp van gemeentelijke regelgeving zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handhaving van de openbare orde rond dergelijke evenementen vereist - zo heeft de praktijk geleerd - een intensieve overheidsbemoeienis.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het evenmentenvergunningenbeleid wordt daarom onderscheid gemaakt in vier soorten evenementen, afhankelijk van het effect van het evenement op het gemeenschapsleven. Hierbij wordt doormiddel van een risicoanalysemodel een evenement ingeschaald in een 0-evenement of een A-, B- of C-evenement. Op basis van de risicoscan worden evenementen ingedeeld in deze verschillende risiconiveaus. Het analysemodel houdt rekening met het risico, de complexiteit en de impact op de omgeving van het evenement. De risicoscan is gebaseerd op verschillende indicatoren die zijn gerubriceerd in drie profielen, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het publieksprofiel (bijvoorbeeld aantal en type bezoekers),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het ruimteprofiel (bijvoorbeeld openbare/afgesloten ruimte,ingeschatte geluidsoverlast, parkeer- of verkeersoverlast), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het activiteitenprofiel (bijvoorbeeld tijdstip, politieke gevoeligheid).</div>\n<p class=\"lf-p\">De risicoscan wordt ingevuld op basis van de aanvraag en de concrete plannen van de organisator, de ervaringsgegevens (van onder meer vergelijkbare evenementen) en specifieke informatie vanuit de diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de risicoscan kan sprake zijn van een A-evenement welke een beperkte impact heeft op de omgeving en het verkeer. Een B-evenement heeft een gemiddeld risico met een grote impact op de directe omgeving en gevolgen voor het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">C-evenementen hebben een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term “organiseren” uit het eerste lid heeft niet alleen betrekking op het houden van een evenement, maar ziet tevens toe op de voorbereiding en de afbouw van het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens wordt gekeken naar de effectenvoor de omgeving, zoals parkeren en mobiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een goede regulering van het evenementenbeleid is het medenoodzakelijk dat er een aantal (kwaliteit)eisen wordt gesteld aan de organisator van het evenement. Het derde lid ziet toe op het feit dat een organisator van een B- of C-evenement niet onder curatele mag staan, er geen sprake mag zijn van slecht levensgedrag en de organisator tenminste de leeftijd moet hebben van 18 jaren. Indien hieraan niet is voldaan wordt er in beginsel geen evenementenvergunning afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid ziet toe op de mogelijkheden om een evenementenvergunning te weigeren dan wel in te trekken of te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bescherming van de openbare orde, dan wel de bescherming van de bezoekers van het evenement (niet langer) gegarandeerd kan worden, kan een vergunning worden geweigerd of alsnog worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aan de vergunning te verbinden voorschriften gesteld in het vierde lid kunnen onder meer betrekking hebben op de plaats, het tijdstip en de \"inrichting\" van het evenement, het maximaal toe te laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator zelf te nemen maatregelen ter waarborging van openbare orde en veiligheid, de verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven, het activiteitenprogramma, het veiligheidsplan, een inzetschema met betrekking tot het aantal verkeersregelaars en hekken- en bordenplan, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de “inrichting” wordt bedoeld de indeling van het evenemententerreinen de opstelling van de diverse voorzieningen ten behoeve van het evenement, zoals toiletten, (drang)hekken, podia en eventueel tribunes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de organisator primair verantwoordelijk is voor een ordelijken veilig verloop van zijn evenement en dat onder meer het overlast gevend nuttigen van alcohol en/of drugs in het publieke domein niet is toegestaan. Primair ligt de handhavende verantwoordelijkheid voor dit onderwerp binnen het evenemententerrein bij de organisator.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel waarborgt ook dat kan worden bezien of, en zo ja, in hoeverre de wenselijk geachte inzet van politie, GHOR, brandweer en gemeentelijke diensten in de planning van de totaal beschikbare bezetting kan worden ingepast. Voor de politieformatie geldt de voor de \"resterende\" reguliere politietaken minimaal noodzakelijke sterkte als belangrijkste criterium. In het uiterste geval - indien en voor zover de organisatoren niet bereid of instaat zijn om zélf genoegzaam in het treffen van noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en er tevens onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is - opent het artikel de mogelijkheid het evenement geheel, dan wel op een bepaalde plaats of tijd te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:25a 0-evenementenVoor het organiseren van kleine evenementen zoals een straatfeest of feest op eigen terrein in de openbare ruimte en dansbijeenkomsten is in het kader van de vermindering van administratieve lasten de termijn van kennisgeving verminderd van vier weken naar vijf werkdagen. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid, maar tegelijkertijd ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evenement kan met een melding worden afgedaan, indien aan alle in het artikel genoemde vereisten (cumulatief) wordt voldaan. De toestemming is verleend indien de organisator een ontvangstbevestiging van zijn melding kan tonen en na ontvangt van het formulier geen tegenbericht is verzonden. Met deze ontvangstbevestiging wordt aangetoond dat de melding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan een 0-evenement geen doorgang vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de goede orde wordt aangegeven dat een kennisgeving niet nodig is bij een spontane barbecue of kinderfeest in een park bij een eerste mooie lentedag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat een 0-evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch ook een ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en horecawet is verleend. Indien de organisator dat wenst, dient hij die apart aan te vragen. Met specifieke termijnen voor verkrijging van een dergelijke ontheffing dient rekening te worden gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25b</span><span class=\"lf-art-t\">BeslistermijnOm te kunnen waarborgen dat belanghebbende op een besluit van de burgemeester om</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een vergunning te weigeren of te verlenen een rechtsmiddel heeft, zijn deze termijnen van vergunningverlening opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare orde en veiligheidAangesloten is bij de bepaling van Rotterdam. Het artikel 2:26 is ontleend aan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de inhoud van (nood)bevoegdheden van de burgemeester, die in het verleden bij sommige grotere evenementen zijn uitgevaardigd. De in deze leden strafbaar gestelde gedragingen komen vooral bij grotere evenementen voor, zowel op het evenemententerrein als daarbuiten. De raad is bevoegd dergelijke gedragingen strafbaar te stellen, aangezien hij daardoor geen inbreuk maakt op wettelijke regelingen (de burgemeester is tot het maken van een dergelijke inbreuk wél bevoegd op grond van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet). Het voordeel van een regeling door de raad is, dat de burgemeester in voorkomende gevallen minder frequent gebruik hoeft te maken van de noodmaatregelen als bedoeld in de voornoemde artikelen van de Gemeentewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingenIn de APV 2013 wordt niet aangesloten bij de bepalingen over openbare</h3>\n<p class=\"lf-p\">inrichtingen van de VNG of Rotterdam maar worden de artikelen uit de APV 2009 gehandhaafd. De discussie over nut en noodzaak van de horeca-exploitatievergunning speelt al geruime tijd en is nog steeds actueel. De gemeente ziet deze vergunning echter als een belangrijk instrument ter voorkoming en beperking van overlast in de brede zin in de omgeving van het horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste verschillen met Rotterdam zijn: -eisen exploitant/beheerder: Rotterdam hanteert een leeftijdsgrens 18 jaar, in Capelle blijven we 21 jaar hanteren. -beslistermijn aanvraag: Rotterdam 8 weken, in Capelle 12 weken. De praktijk leert dat de termijn van 12 weken, gelet op de capaciteit en medewerking van andere partners, deze termijn noodzakelijk is; -sluitingstijden: Rotterdam kent deze wel Capelle niet. Er is geen behoefte aan want dit heeft tot nog toe nooit problemen gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsomschrijvingIn plaats van de term \"horecabedrijf\" wordt nu de term \"openbare inrichting\"</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met \"horecabedrijf\" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde \"natte horeca\". De bepalingen in de Apv betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde \"droge horeca\": tearooms, lunchrooms en dergelijke.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning / proefvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">horecabedrijfLid 1 Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 tot en met 5 maken het mogelijk dat de burgemeester bij twijfel of de aanvrager voldoet aan alle vereisten, aan hem voor de periode van een jaar, op proef een vergunning wordt verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28a-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28a</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen exploitant en beheerderBij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een openbare inrichting kan het van belang zijn dat rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het orgaan dat bevoegd is (de burgemeester) vergunningen als bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag (artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28b</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beheerderDe aanwezigheid van de exploitant of beheerder is noodzakelijk tijdens de openingsuren van de inrichting. De exploitant is te allen tijde verantwoordelijk voor hetgeen zich in en rond de inrichting afspeelt. Deze bepaling is tevens opgenomen om effectief tegen schijnbeheer op te kunnen treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, kan de inrichting door de burgemeester gesloten worden of kan de verleende exploitatievergunning ingetrokken worden. (Onder strafbare feiten wordt in ieder geval begrepen, de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Categorale vrijstellingDe burgemeester kan bepalen dat het exploiteren van categorieën inrichtingen, genoemd in artikel 2:11 onder a, geheel of gedeeltelijk van vergunningplicht worden vrijgesteld. Te denken valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons, bedrijfskantines en -restaurants etc.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29a-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29a</span><span class=\"lf-art-t\">VergunningaanvraagIn dit artikel is bepaald dat de burgemeester nadere regels vaststelt over de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gegevens en bescheiden die noodzakelijk zijn om de aanvraag te beoordelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29b-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29b</span><span class=\"lf-art-t\">BeslistermijnDe burgemeester beslist binnen twaalf weken op de aanvraag. Uit de praktijk is</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gebleken dat deze termijn noodzakelijk is om een besluit te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29c-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29c</span><span class=\"lf-art-t\">Weigerings- en intrekkingsgrondenDe algemene weigerings- en intrekkingsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">en 1:8. In artikel 2:18 staan daarnaast de meer specifieke weigerings-, intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Teneinde een betere afstemming te verkrijgen tussen planologische en openbare orde-eisen die aan de in deze paragraaf bedoelde inrichtingen worden gesteld, is in lid 1 \"strijd met een geldend bestemmingsplan opgenomen als imperatieve weigeringgrond voor een exploitatievergunningsaanvraag. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en 3 De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat omschreven in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De in het vierde lid van artikel 2:18 opgenomen weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden spreken grotendeels voor zichzelf en komen tegemoet aan de eisen van de praktijk. Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of beheerders meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Aan de exploitanten of beheerders als bedoeld in deze paragraaf dienen hoge eisen te worden gesteld voor wat betreft hun levenswandel. Exploitanten of beheerders in gebreke blijven, lopen het risico, dat hun exploitatievergunning door de burgemeester wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29d</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting van inrichtingenHet kan zo zijn, dat de burgemeester het om redenen van openbare orde nodig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">oordeelt een bepaalde inrichting tijdelijk te sluiten, zonder dat dit hoeft te leiden tot (tijdelijke) intrekking van de exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval dat de exploitant de exploitatie van een inrichting heeft beëindigd vervalt de verleende exploitatievergunning van rechtswege. De burgemeester kan de betreffende inrichting dan sluiten op grond van onderdeel a: er wordt geëxploiteerd zonder exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid van artikel 2:19 wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting op verzoek van belanghebbende(n) opheft. Artikel 2:19 voorziet ook in de mogelijkheid voor belanghebbende(n) om aan de burgemeester tussentijdse opheffing van een tijdelijke sluiting te vragen. Hiertoe kan de burgemeester overgaan indien er voldoende garanties aanwezig zijn waardoor de kans op herhaling van de verstoring van de openbare orde tot het minimum zijn beperkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29e</span><span class=\"lf-art-t\">TerrassenDe belangen, genoemd in artikel 2:29, tweede lid, zijn aanvullend ten opzichte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van voorschrift 4.1.4, aanhef en onder c, van de bijlage onder B van het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer, waarin met zoveel woorden is bepaald dat het bevoegd gezag - in relatie met milieuhinder - een nadere eis kan stellen ten aanzien van de situering van een terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geldt dus in zijn algemeenheid voor alle terrassen. Bij de vergunningverlening zal de burgemeester hiermee uitdrukkelijk rekening moeten houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:29, vierde lid, is opgenomen teneinde verkapte uitbreiding van terrassen met vergunning en de daarmee samenhangende overlast tegen te gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Openings- en sluitingstijdenCapelle kent geen voorschriften voor openings- en sluitingstijden. In de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">praktijk levert dit geen problemen op. Bovendien is gebleken dat de verstoring van de openbare orde (nachtrust) aanzienlijk kan worden beperkt als er geen sluitingstijden worden gehanteerd: er is sprake van minder geluidsoverlast doordat cafébezoekers niet langer tegelijk maar geleidelijk aan huiswaarts keren en de politie is beter in staat voldoende toezicht uit te oefenen. Mocht het echter noodzakelijk blijken dan biedt dit artikel de mogelijkheid dat al dan niet tijdelijk - openings-en sluitingstijden vast gesteld kunnen worden voor een inrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatieHet is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. De vergunning komt dan te vervallen. Ratio hiervan is gelegen in het feit dat de vergunning niet overdraagbaar is. Consequentie hiervan is dat een rechtsopvolger van de vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode dat de vergunningaanvraag behandeld wordt moet de inrichting gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende exploitant de exploitatie pas beëindigt nadat op de nieuwe aanvraag is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31a</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging beheerOm schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van groot belang dat de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beheerders bij de gemeente bekend zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel binnen openbare richtingenDit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">regelmatig gestolen goed wordt verhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996, 414 m.nt. FM, JG 96.0267 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient geen enkel doel. Pres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202 .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">College als bevoegd bestuursorgaanIndien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van het bepaalde in deze afdeling met uitzondering van artikel 2:30.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van</h3>\n<p class=\"lf-p\">nachtverblijfArtikel 2:35 Begripsbepaling[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-37-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister[gereserveerd]</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDENArtikel 2:39 Speelgelegenheden1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek</h3>\n<p class=\"lf-p\">toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen , zoals poker, worden beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De gemeente staat het exploiteren van een speelgelegenheid niet toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">KansspelautomatenOp 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag was met name of een horeca inrichting als “hoogdrempelig” of “laagdrempelig”, wat van belang was voor de vraag of er gokautomaten aanwezig mochten zijn. Er ontstond een uitvoerige en gedetailleerde jurisprudentie. Zie hieronder voor een aantal voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los van de vele verslavende spelen die op het internet gespeeld kunnen worden, al dan niet gratis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de model APV betekent dit dat in artikel 2:40 tweede en derde lid de term “speelautomaten”, die ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat, wordt vervangen door “kansspelautomaten”, waarmee gokkasten worden aangeduid waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een laagdrempelige activiteit. CBB 11-04- 2003, AWB 02/1474, LJN AF7697.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002, AWB01/822, JG 02.0153 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN AE 7540.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 15-02-2002, AWB01/482 29010, JG 02.0069 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN AD9977.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEIDArtikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaalEerste lid</h3>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladdenHet eerste lid van dit artikel bevat een absoluut verbod om te krassen of te</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kladden. Juridisch is dit geen probleem, daar in deze terminologie reeds besloten ligt, dat het bij krassen of kladden niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IV (vgl. de toelichting bij hoofdstuk 1, artikel 1:1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen het helaas wijd verbreide euvel van graffiti.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het tweede lid van artikel 2:42 is het plakverbod van toepassing niet alleen op onroerende, maar ook op roerende zaken. Strafbaar zijn niet alleen de feitelijke plakkers, maar ook hun opdrachtgevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het “op andere wijze aanbrengen” omvat mede het schoonmaken van een onroerende zaak of de openbare weg met sjablonen. De vereiste toestemming om afbeeldingen of aanduidingen aan te brengen is vooral bedoeld om particulieren een titel te geven om op te treden tegen degenen die teksten aanbrengen op hun eigendom, zonder dat daarvoor toestemming is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gaat om overheidseigendom geldt deze systematiek ook maar het artikel biedt ruimte voor een gedifferentieerd beleid, waarin bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met de aard, omvang, locatie van de uiting en de kans op schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de gemeentelijke wetgever niet toegestaan het aanplakken van biljetten e.d. geheel te verbieden. Wel mag de gemeentelijke wetgever het plakken zonder toestemming van de rechthebbende (dat kan ook de gemeente zijn als privaatrechtelijk rechtspersoon) strafbaar stellen. Dat is in artikel 2:42 gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente dient in het kader van de waarborging van de vrijheid van meningsuiting te zorgen voor voldoende \"vrije plakmogelijkheden\" in de gemeente - bezien naar aantal, oppervlakte en plaats - opdat van “gebruik van enige betekenis” van het onderhavige middel van bekendmaking van meningsuitingen sprake kan zijn. Het hangt af van “bijzondere plaatselijke omstandigheden” of er nog gesproken kan worden van gebruik van enige betekenis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d.Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">opgenomen plak- en kladverbod vergroot. De Hoge Raad heeft een dergelijke zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen geaccepteerd. Het onderhavige artikel verbiedt het vervoer van allerlei plak- en kladgereedschappen en -attributen (waaronder verfspuitbussen e.d., in gebruik bij graffiti-\"kunstenaars\") indien dit vervoer het kennelijk doel heeft om daarmee strafbare feiten te plegen. Dit kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Iemand die met de genoemde voorwerpen over straat gaat, is in beginsel in overtreding, tenzij hij aannemelijk kan maken, dat de betreffende voorwerpen niet zijn/worden meegenomen om zich schuldig te maken aan het plakken en kladden als bedoeld in artikel 2:42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander verlicht de bewijslast voor de politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigenEen verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07 06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02- 1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bij zich dragen is niet aan tijd gebonden indien deze middelen zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer geprepareerde voorwerpenDit artikel beoogt het plegen van winkeldiefstallen of althans het meedragen van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">hulpmiddelen daarbij strafbaar te stellen. Vaak gebruiken plegers van winkeldiefstallen speciaal uitgeruste voorwerpen als tassen, jammers, magneten of elektronische voorwerpen die veiligheidspoortjes of veiligheidslabels dan wel andere hulpmiddelen om het plegen van diefstal te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Politie en beveiligers zijn in staat om met geoefend ‘oog’ de geprepareerde voorwerpen te herkennen. Met deze bepaling kan worden ingegrepen voordat de winkeldief zijn slag heeft geslagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d.[Gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-46-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:46</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden over bermen e.d.[Gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsenIn een samenleving waarin een groot aantal mensen op een relatief klein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">grondgebied woont, zal men elkaar hinderen en overlast aandoen. Op basis van artikel 2:47 (en ook 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Tevens kan op deze wijze worden opgetreden tegen zwervers die op bankjes liggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 424</span><span class=\"lf-art-t\">Wetboek van Strafrecht stelt reeds \"straatschenderij\" strafbaar\"</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hij die op of aan de openbare weg of op enige voor het publiektoegankelijke plaats tegen personen of goederen enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht, wordt als schuldig aan straatschenderij, gestraft met geldboete van de eerste categorie (max. 225 euro)\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 426bis van dat Wetboek verklaart strafbaar het belemmeren van anderen op de openbare weg: \"Hij die wederrechtelijk op de openbare weg een ander in zijn vrijheid van beweging belemmert of meteen of meer anderen zich aan een ander tegen diens uitdrukkelijk verklaarde wil blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft volgen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie (max. 2250 euro)\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 431 van het Wetboek van Strafrecht tenslotte stelt nachtelijk burengerucht strafbaar: \"Met geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan worden verstoord\". Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Openlijk drankgebruikPersonen die zich op de openbare weg - al dan niet in combinatie met drugs - te</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">goed doen aan alcoholica kunnen overlast geven. Bijvoorbeeld door passanten lastig vallen of andere met het gebruik van alcohol samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, onderling ruzie maken en vechten, vervuiling van de omgeving, wildplassen etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de mogelijkheden tot optreden betreft zij vermeld, dat de politie – als daadwerkelijke verstoring van de openbare orde zich voordoet - op grond van de artikel 6:2 bevelen tot verwijdering kan geven. Niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht en op grond van artikel 6:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zal in een aantal gevallen (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stuk gegooid) optreden mogelijk zijn op grond van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid; vgl. ook de toelichting bij artikel 2:47). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Om deze reden is behoefte aan aanvullende rechtsgronden. In het tweede lid is daarom bepaald dat alcoholgebruik of het voorhanden hebben daarvan in ieder geval niet is toegestaan in winkelcentra en speelweiden of speelplaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedrag bij of in gebouwenVoor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ruimtenDeze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50a</span><span class=\"lf-art-t\">Messen en andere voorwerpen als wapenDeze bepaling is van toepassing op messen en andere voorwerpen die als wapen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kunnen worden gebruikt. Het artikel heeft ten doel de bescherming van de openbare orde en veiligheid in heel Capelle. Het openlijk bezit van dergelijke wapens dient daarom op alle wegen in de gemeente verboden te worden. Om deze reden is gekozen voor het niet langer door het college laten aanwijzen van wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid grenst het verbod af van de op 1 september 1989 in werking getreden en in 2011 aangepaste Wet wapens en munitie. Deze wet verbiedt onder meer het dragen van steekwapens op de openbare weg of andere voor het publiektoegankelijke plaatsen, anders dan vervoer (dat wil zeggen: zodanig verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks de wetswijziging blijft een dergelijk APV artikel noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het APV artikel maakt direct optreden beter mogelijk, doordat het ook het openlijk bij zich dragen van een wapen strafbaar stelt. Afhankelijk van de omstandigheden vallen hieronder voorwerpen zoals dolkmessen, knuppels, flessen en tafelpoten. In die omstandigheden gaat het om de (directe) bescherming van de persoonlijke vrijheid of integriteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50b</span><span class=\"lf-art-t\">Glaswerk op speelweiden of speelplaatsenHet gebruik van glas, zeker als dit (gebroken) achtergelaten wordt, levert</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gevaar op voor spelende kinderen. Het gebruik van glas op deze plaatsen is daarom expliciet verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van (brom)fiets, rollerskates, skateboard en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dergelijkeHet is verboden zich met een fiets of bromfiets, op rollerskates of een skateboard, of met een dergelijk vervoermiddel te bevinden in overdekte winkelcentra, dan wel op overige door de burgemeester of door het college aangewezen openbare plaatsen op de daarin aangegeven uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde vervoermiddelen kunnen overlast veroorzaken of tot onveilige situaties leiden in winkelcentra. Op grond van dit artikel worden dezen dan ook geweerd in overdekte winkelcentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is bevoegd andere openbare plaatsen aan te wijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-54-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span><span class=\"lf-art-t\">[Gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-55-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:55</span><span class=\"lf-art-t\">[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-56-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:56</span><span class=\"lf-art-t\">[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende hondenArtikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: -de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; het voorkomen van hinder voor voetgangers; het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie in het derde lid een voorziening getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt in twee opzichten beperkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden dier”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door hondenStraatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke hondenDit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dierenDoor in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voeren van bepaalde dieren is opgenomen om het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven op bepaalde plaatsen te kunnen verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen optreden. In lid 3 is bepaald dat degene die zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of voor de omgeving hinder veroorzaakt. Door deze bepaling op te nemen kan worden opgetreden tegen bijvoorbeeld houders van honden die veel blaffen of de houder van een haan die in alle vroegte de buurt wakker kukelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-61-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:61</span><span class=\"lf-art-t\">Wilde dieren[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-62-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend vee[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-63-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:63</span><span class=\"lf-art-t\">Duiven[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-64-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">Bijen[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">BedelarijMet name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">432)</span>is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod, maar onder de regeling van artikel 2:9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN</h3>\n<p class=\"lf-p\">GOEDERENArtikel 2:66 BegripsbepalingDe bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</div>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie kan voorwerpen in beslag nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene opsporingsambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek, (brom)fiets, autohandel en goudopkopers).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen registratieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelaar Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorheen werd ook het begrip “verkoopregister” omschreven in dit artikel. Bij de herziening van de APV begin 2008 is het geschrapt, omdat dit begrip alleen nog terug komt in artikel 2:67. In dit artikel (en de toelichting) staat het nader omschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verkoopregisterDe in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden geregistreerd expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige lid, óf te bepalen dat alleen die goederen moeten worden geregistreerd die de burgemeester heeft aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wetboekvan StrafrechtDeze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a, onder 1° Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, onder 1°, nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a, onder 2° en 3° Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren up to date houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a, onder 4° Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onderdeel d, voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-69-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:69</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen[gereserveerd]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-70-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:70</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijven[verplaatst naar afdeling 8]</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 13 VUURWERKArtikel 2:71 BegripsbepalingenDeze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk</h3>\n<p class=\"lf-p\">rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitie consumentenvuurwerk Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - indien: het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier; het aangetroffen wordt bij een particulier; het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of e.het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op: -vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen; -vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer is; -vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fop- en schertsvuurwerk Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1 van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels: -een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een particulier (artikel 2.3.2 lid 1); -dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>; -een verbod per levering meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); -een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4); -een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan personen die jonger zijn dan 12 jaar, voor zover het betreft categorie 1, 16 jaar voor zover het betreft categorie 2 en 18 jaar voor zover het betreft categorie 3(artikel 2.3.5); een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar (artikel 2.3.6).</div>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen 2:72 en 2:73 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-72-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">tijdensde verkoopdagenVerkoopvergunning consumentenvuurwerk Op basis van artikel 2:72 kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Deze vergunning is als gevolg van de versoepeling van landelijke regelgeving in 2012 opnieuw geïntroduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landelijke aanpassing van het vuurwerkbesluit in 2012 houdt in dat bedrijven pas vanaf 10.000 kg vuurwerkopslag een vergunning nodig hebben. Hierdoor kunnen vuurwerkverkooppunten tot 10.000 kg zich vergunningvrij vestigen in Capelle aan den IJssel. Dit kan een toename van het aantal verkooppunten in Capelle aan den IJssel tot gevolg hebben. Het behoeft geen toelichting dat het gevaar voor de omgeving potentieel sterk wordt vergroot door de (10 maal) grotere hoeveelheid vuurwerk die in een bedrijf vergunningvrij opgeslagen mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze lacune door de deregulering van het landelijke Vuurwerkbesluit te dichten en tevens te zorgen voor een evenwichtige spreiding van het aantal vuurwerkverkooppunten in de stad, wordt opnieuw een lokale vergunningplicht voor vuurwerkverkooppunten in de APV opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lokale vuurwerkvergunning koppelt een toelatingsregime aan een op langere termijn effect hebbend spreidingsbeleid, met als doel het woon- en leefklimaat in woonwijken te verbeteren door (een concentratie van) vuurwerkverkooppunten aldaar tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene weigeringsgronden in de zin van artikel1:8 in het kader van de onderhavige vergunning zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door overlast dreigt te worden aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen, scholen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming van overlast een spreidingsbeleid voor verkooppunten voeren of een maximaal af te geven aantal vergunningen vaststellen. Er is daarom niet voor gekozen om in het onderhavige artikel een maximum te verbinden aan het aantal te verlenen vergunningen. Met het spreidingsbeleid kan bijvoorbeeld een concentratie aan vuurwerkverkooppunten in een straat of woonwijk, wat een ongewenste situatie voor het woon- of leefklimaat kan zijn, worden tegengegaan. Een goede en beheersbare vuurwerkbranche is bovendien niet alleen afhankelijk van het aantal vuurwerkbedrijven, maar, ook op de hoeveelheid vuurwerk die binnen deze bedrijven wordt opgeslagen. In afwijking van artikel 1:7 APV wordt de vergunning vooralsnog verleend voor de duur van een jaar, in afwachting van de definitieve vormgeving van een lokaal beleid, met name het ruimtelijke beleid. Naar verwachting zal in 2013 een looptijd van vijf jaar geïntroduceerd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een langere looptijd van een vergunning realiseert lastenvermindering, zowel voor de ondernemer als voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens betekent de introductie van een lokale vuurwerkvergunning voor de enkele exploitant die meer dan 10.000 kilogram vuurwerk opslaat, dat hij twee vergunningen nodig heeft. Dit is te rechtvaardigen vanwege het verschil in doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koopzondag In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In dit artikellid zijn in aanvulling op de artikelen 1:6 en 1:8 de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden opgenomen. Algemene achtergrond van deze bepalingen is de behoefte om de exploitanten of beheerders meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Het derde lid vormt het sluitstuk op het handhavingsinstrumentarium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een ondernemer de voorschriften of beperkingen van een aan hem verleende vergunning heeft overtreden, kan dit ertoe leiden dat aan hem geen nieuwe vergunning meer wordt verleend of zijn bestaande vergunning wordt ingetrokken. Dit kan ook indien in of vanuit de het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed of gebleken is dat de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar analogie van de eisen zoals deze gesteld worden in horecaparagraaf, vindt altijd een antecedententoets van de exploitant en beheerder plaats. De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de wijze van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel (zie ook ABRvS 26 juni 2002, 200106008/1). Op basis van jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2). In navolging van de uitbreiding van het wetsvoorstel BIBOB, welke in 2013 in werking zal treden, zal ook een BIBOB-toets tot de mogelijkheden behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20 van de Wet politiegegevens biedt de bevoegdheid om bij het verstrekken van vergunningen over politiegegevens te beschikken en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing. De burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid kunnen beschikken over alle relevante informatie over eventuele onveiligheid in voor publiek toegankelijke ruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen vergunning wordt verleend indien de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. Dit vanwege de wens om in de toekomst de spreiding van vuurwerkverkooppunten middels bestemmingsplannen te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgemerkt wordt nog dat artikel 2:35 ‘Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen’ een grondslag biedt voor een (tijdelijke) sluiting van een vuurwerkverkooppunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde tot en met zesde lid De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5 APV) en wordt verleend voor de aangevraagde locatie. Wanneer andere personen het bedrijf leiden, is een nieuwe toets door het college noodzakelijk. Een eenmaal verleende vergunning kan niet worden meegenomen naar een andere locatie. Dan zal een nieuwe toets moeten plaatsvinden. Met het begrip “drijver van de inrichting” wordt aangesloten bij de Wet milieubeheer en het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">jaarwisselingIn het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</p></div>", "next": 239942}