{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In artikel 1.3 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald op welke wijze personeelskosten subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken. Voor Limburg en Noord-Brabant zijn gelijksoortige regels vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Asv. Voor Limburg zijn dit de Nadere regels met betrekking tot berekeningswijzen uurtarieven en uniforme kostenbegrippen in het kader van het verstrekken van subsidies. Op grond van artikel 3 van de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies, schrijft de subsidieverlener een standaardberekeningswijze en de wijze waarop deze berekeningswijze wordt uitgevoerd, voor. Voor Noord-Brabant is door Gedeputeerde Staten Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen uurtarieven subsidies Noord-Brabant vastgesteld. Voor de berekeningswijze van uurtarieven op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een opslagpercentage voor indirecte kosten van 25% op arbeidskosten en loonkosten. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor berekeningswijze van uurtarieven op basis van een fortfaitair uurtarief hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een uurtarief van € 50. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door in dit artikel de Nadere regels van Limburg van toepassing te verklaren, bepalen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in dit geval dat de Nadere regels voldoen aan hetgeen bepaald in de Asv van Noord-Brabant. In artikel 1.6 is hiertoe aangegeven welk opslagpercentage en welk forfaitair uurtarief een subsidieaanvrager dient te hanteren in zijn aanvraag. Er wordt in deze regeling uitgegaan van een opslagpercentage van 50% voor indirecte kosten en een uurtarief van € 60 gehanteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de drie provincies is bepaald dat verrekenbare of compensabele BTW niet voor subsidie in aanmerking komt. Daarnaast is in artikel 15 van de ASV 2017 van Limburg bepaald dat niet subsidiabel zijn: kosten die samenhangen met financiële of contractuele verplichtingen die zijn aangegaan voordat een projectsubsidie is aangevraagd, tenzij sprake is van voorbereidingskosten of het ontwikkelen van plannen met betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten; kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd, zijn reeds uitgesloten op basis van staatssteunregelgeving (overcompensatieverbod, transparantiebeginsel en maximale steunpercentages).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1.4.1 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald dat aanvragen tenminste acht weken voor het begin van de activiteit worden ingediend. Op grond van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in een individueel geval besluiten af te wijken van deze termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10 van Asv 2017 Limburg is bepaald dat gedeputeerde staten in nadere regels een termijn of uiterlijke datum waarbinnen respectievelijk waarop een subsidieaanvraag moet zijn ingediend of ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.9 bevat indieningsvereisten en is een aanvulling op hetgeen reeds is bepaald voor de drie provincies. In Zeeland zijn in artikel 1.4.2 van het Asb2013 de in te dienen gegevens opgesomd. Deze opsomming wordt in het aanvraagformulier opgenomen. Hetzelfde geldt voor de opsomming in artikel 11 van de ASV2017 van Limburg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit plafond is een onderscheid gemaakt tussen zogenoemde grote projecten, projecten waarvoor een subsidie tussen € 200.000 tot en met € 350.000 wordt toegekend, en kleine projecten, met een subsidie tot € 200.000, om te voorkomen dat het gehele subsidieplafond wordt toebedeeld aan grote projecten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Uit dit artikel volgt dat de gehele subsidieaanvraag wordt geweigerd indien de subsidiehoogte en verdeling van de subsidie over de deelnemers van het samenwerkingsverband er toe leidt dat een of meer deelnemers minder dan € 25.000 ontvangen of juist meer dan € 100.000 respectievelijk meer dan € 175.000 (afhankelijk van het totaal aangevraagde bedrag).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelcriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder eerste lid onder d Impact R&amp;D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden (missies) impact hebben en daarmee bijdragen aan de KIA’s zoals beschreven in bijlage 1. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en KIA’s op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke kosten en baten op de genoemde terreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijnen subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. De kortste termijn wordt gehanteerd door Zeeland. Dit is een termijn van acht weken en wordt niet haalbaar geacht voor subsidies uit deze paragraaf. Omdat de termijn is opgenomen in het Asb2013, kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kan echter niet worden afgeweken. Derhalve is de kortste termijn van deze twee provincies aangehouden. Omdat er in deze paragraaf sprake is van een tender geldt er een termijn van 12 weken na afloop van de tenderperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is een maximale bevoorschotting bepaald van 75% voor het tweede en derde arrangement en voor Limburg en Noord-Brabant is dit niet bepaald in de Asv’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Limburg is in beleidsregels bepaald, artikel 3, onder B, van de Beleidsregels subsidies, dat bij projectsubsidies van € 25.000 tot € 125.000 direct bij subsidieverleningsbeschikking een voorschot worden verleend van 90%. Dit voorschot zal binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking worden overgemaakt op de rekening van de subsidieontvanger. Voor projectsubsidies vanaf € 125.000 is ingevolge artikel 3, onder C, van voornoemde Beleidsregels bepaald dat op basis van de ingediende liquiditeitsprognose van de subsidieontvanger, een schema van de bevoorschotting worden opgenomen tot maximaal 90%. De momenten van uitbetaling van de voorschotten zullen worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. In artikel 4, tweede lid, van voornoemde Beleidsregels, staat dat de bevoorschotting conform de geschetste beleidslijn worden toegepast, tenzij Gedeputeerde Staten anders bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de huidige bepaling in de regeling wordt afgeweken van het beleid omwille van de eenduidigheid tussen de drie provincies en ten voordele van de aanvragers. Voor de hoogte van de bevoorschotting is aangesloten bij Zeeland, binnen de arrangementenhoogtes van Limburg en Noord-Brabant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Subsidies op grond van deze paragraaf worden vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten. Hierbij gaat het om factuurbewijzen, urenstaten en betaalbewijzen (zoals een bankafschrift waaruit volgt dat er een betaling is verricht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Ter zake de aanvraagtermijn waarbinnen de subsidieontvanger zijn aanvraag om vaststelling in moet dienen, hanteren de drie provincies drie verschillende termijnen in de Asv’s. Vanwege de uniforme uitvoering is aansluiting gezocht bij de termijn zoals genoemd in het Asb2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 maart 2021, Gedeputeerde Staten van Zeeland, de voorzitter, drs. J.M.M. Polman de secretaris, A.W. Smit Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de voorzitter, mr. I.R. Adema de secretaris, drs. M.J.A. van Bijnen MBA Gedeputeerde Staten van Limburg, de voorzitter, drs. Th.J.F.M. Bovens de secretaris, drs. G.H.E. Derks MPA</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">woning: een pand met een individueel adres, een eigen nutsaansluiting, al dan niet grondgebonden, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, niet zijnde een bedrijfs- of dienstwoning of een 1- of 2- kamerappartement; particuliere woning: een woning in eigendom van een particulier die niet wordt verhuurd; sociale huurwoning: een woning, meestal in eigendom van een woningcorporatie, die wordt verhuurd in de gereguleerde sector, met een huurprijs van maximaal € 737,14; vrije sector huurwoning: een woning in eigendom van een particulier of onderneming die wordt verhuurd in de vrije sector; ongewenste particuliere woning: een verouderde, voor 1975 gebouwde, particuliere woning met een meest recente WOZ-waarde of een maximaal twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) gelijk aan of lager dan € 190.000; ongewenste sociale huurwoning: een verouderde, voor 1975 gebouwde, sociale huurwoning met een meest recente WOZ-waarde of een maximaal twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) gelijk aan of lager dan € 190.000; ongewenste vrije sector huurwoning: een verouderde, voor 1975 gebouwde, vrije sector huurwoning met een meest recente WOZ-waarde of een maximaal twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) gelijk aan of lager dan € 190.000; sloop van een woning: het geheel verwijderen van een woning, met inbegrip van de fundering; terugbouwen van een woning: het nieuw bouwen van een woning waarbij de regels van toepassing zijn inzake nieuwbouw conform het Bouwbesluit 2012; toekomstbestendig maken van een woning: het aanpassen van een woning zodanig dat deze voldoet aan de huidige en toekomstige eisen van gebruikers en verandert in minimaal een levensloopbestendige en/of energieneutrale woning; levensloopbestendige woning: een woning die geschikt is of eenvoudig geschikt is te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buiten af bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; energieneutrale woning: een woning die op jaarbasis zelf voldoende energie opwekt om te voorzien in het huishoudelijk verbruik (elektra, warm water, koken, verwarming) bij een normaal leefpatroon en een hoog comfortniveau;</p>\n<p class=\"lf-p\">onttrokken woning: een woning die is gesloopt en niet meer wordt teruggebouwd waarbij de bestemming 'Wonen' niet meer van toepassing is, waarbij het adres/huisnummer is komen te vervallen, zichtbaar via Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG); regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in het Omgevingsplan Zeeland 2018; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; landelijke bebouwingsconcentratie: een concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, ook wel buurtschap genoemd, met overwegend een woonfunctie. De grens van de landelijke bebouwingsconcentratie eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest; innovatie: de mate waarin binnen een activiteit onderdelen zijn opgenomen die nog nooit op deze wijze in Zeeland of daarbuiten zijn uitgeprobeerd; cultuurhistorie: een door het Rijk op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen stads- of dorpsgezicht, een door het Rijk geselecteerd wederopbouwgebied dat van nationaal belang is of een ander waardevol cultuurhistorisch erfgoed dat is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Zeeland; duurzaamheid: de mate waarin binnen een activiteit maatregelen worden genomen in het kader van het zuinig omgaan met energie, water, grondstoffen en het terugdringen of vermijden van vervuiling;</p>\n<p class=\"lf-p\">Z4: de gebieden gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van de steden Goes, Middelburg, Terneuzen en Vlissingen; krimpgebied: de gebieden behorend tot de gemeenten Hulst, Terneuzen, Schouwen-Duiveland, Sluis en Vlissingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen of het samenvoegen van twee of meer woningen waaronder ten minste één ongewenste particuliere woning; het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel woningen; het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt; het slopen van ongewenste sociale huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen; het slopen van ongewenste vrije sector huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van de woning(en) waarop de activiteit, bedoeld in artikel 8.2, betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit is aangevangen eerder dan vier weken na beëindiging van de openstellingspe- riode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, als bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit een bezwaar vormt voor het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit plaatsvindt in een regio waarvoor geen geldende en door de provincie onder- schreven regionale woningmarktafspraken beschikbaar zijn; de activiteit geen punten scoort op basis van artikel 8.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied en de landelijke bebouwings- concentratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het derde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.3.1 en 1.3.2 zijn niet van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen: een volledig ingevuld aanvraagformulier Provinciale Impuls Wonen, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland; een beschrijving van de tijdplanning van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een externe deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.8</span><span class=\"lf-art-t\">De hoogte van de subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1°. bij het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen: maximaal € 40.000 per onttrokken woning;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. bij het samenvoegen van twee of meer woningen waaronder ten minste één ongewenste particuliere woning: maximaal € 25.000 per samenvoeging; bij het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel woningen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. maximaal € 10.000 per gesloopte woning; en 2°. maximaal € 10.000 ten behoeve van de kosten van het saneren van ernstige vormen van verontreiniging per gesloopte woning; bij het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt: maximaal € 10.000 per toekomstbestendig gemaakte woning; bij het slopen van ongewenste sociale huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen: maximaal € 15.000 per onttrokken woning; bij het slopen van ongewenste vrije sector huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen: maximaal € 15.000 per onttrokken woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: soort fysieke ingreep; locatie; innovatie; cultuurhistorie; duurzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: criterium soort fysieke ingreep: het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantalterugbouwen van woningen of het samenvoegen van twee of meer woningenwaaronder ten minste één ongewenste particuliere woning: ten hoogste vijfhonderdpunten; het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveelwoningen: ten hoogste tweehonderdvijftig punten; het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewensteparticuliere woningen: ten hoogste honderdvijftig punten, waarbij geldt voor alleenlevensloopbestendige woningen: 75 punten en voor alleen energieneutrale woningen:75 punten; het slopen van ongewenste sociale huurwoningen en het niet of minder in aantalterugbouwen van woningen: ten hoogste honderd punten; het slopen van ongewenste vrije sector huurwoningen en het niet of minder in aantalterugbouwen van woningen: ten hoogste honderd punten. criterium locatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Z4: vijftig punten; krimpgebied: vijftig punten; criterium innovatie: ten hoogste tweehonderd punten; criterium cultuurhistorie: ten hoogste vijftig punten; criterium duurzaamheid: particuliere woningen: ten hoogste honderd punten; sociale huurwoningen en vrije sector huurwoningen: ten hoogste tachtig punten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Indien ook hierbij sprake is van een gelijk puntenaantal, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten zal uitvoeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor een kernsportevenement</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kernsport: wieler-, water- en strandsport waarbij gebruik wordt gemaakt van het Zeeuwse landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wielersport: een sport erkend door de Internationale Wielerunie UCI en NFTU;</p>\n<p class=\"lf-p\">Watersport: een sport erkend door één van de aan het NOC*NSF gelieerde watersportbonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Strandsport: een sport die wordt uitgeoefend op het strand en erkend wordt door één van de aan het NOC*NSF gelieerde bonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie kan worden verleend voor een kernsportevenement, dat:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">door de landelijke sportbond of het NOC*NSF wordt gekwalificeerd als hoogste niveau in de betreffende tak van sport voor de betreffende leeftijdscategorie; potentie voor Zeeland heeft in de zin van de promotie van de provincie Zeeland door internationale of nationale zichtbaarheid en waarmee de provincie als regio wordt geprofileerd; of, een economische impuls levert voor de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt niet verstrekt voor een evenement waarbij er geen sprake is van verbreding van het evenement door sportontwikkeling, talentontwikkeling, breedtesport of gehandicaptensport.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie voor een kernsportevenement niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 1.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">maximaal € 75.000 voor een nationaal of internationaal evenement met regionale en nationale en beperkte internationale media-aandacht, met een publieksbereik ook buiten Zeeland, een groot aantal sporters op het hoogste niveau, een groot aantal side-events en georganiseerd door een professionele organisatie; maximaal € 25.000 voor een nationaal of provinciaal evenement met provinciale en beperkte nationale media-aandacht, een groot aantal sporters op hoog niveau, een provinciaal publieksbereik en georganiseerd door een semi-professionele organisatie; maximaal € 5.000 voor een meerdaags evenement met nationale of internationale deelnemers en een regionale uitstraling; € 2.500 voor een eendaags evenement met nationale deelnemers en een regionale uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum zoals genoemd in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarin de activiteit wordt aangevangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De behandelingstermijn van de aanvraag vangt aan op 1 januari.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor subsidie voor een activiteit in 2014 ingediend voor 15 mei 2014.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van het tweede lid vangt de behandelingstermijn van de aanvraag voor subsidie in 2014 aan op 15 mei 2014.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan SportZeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen voor subsidie beoordeeld en geselecteerd aan de hand van de criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreiding over de drie kernsporten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Publieksbereik van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau van de sporters die deelnemen aan het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciaal belang van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">De publieke uitstraling van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbreding van het evenement naar een groot publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na selectie op basis van het eerste lid de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de te verstrekken subsidies naar rato van de aangevraagde subsidiebedragen verlaagd, tenzij het aangevraagde subsidiebedrag het maximum uit artikel 9.3, eerste lid overschrijdt, dan wordt de subsidie verlaagd naar rato van de in het betreffende artikel genoemde bedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling verplichten medewerking te verlenen aan de toolkit evenementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, en 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor een kernsportevenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10 Vervallen Hoofdstuk11 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Faunafonds: zelfstandig bestuursorgaan, onder meer belast met het toekennen van tegemoetkomingen in door beschermde diersoorten aangerichte schade aan de landbouw; ganzenrustgebied: door gedeputeerde staten van Zeeland begrensde percelen landbouwgrond waar overwinterende beschermde inheemse ganzen ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 november tot 1 april; gewasperceel: een perceel landbouwgrond dat in gebruik is bij één grondgebruiker, op grond van één gebruikstitel en dat wordt beteeld met één gewas; grondgebruiker: degene die op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst gerechtigd is de als ganzenrustgebied aangewezen gewaspercelen in gebruik te hebben en die onderneming is actief in de primaire productie van landbouwproducten; onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013; schadehectare: (deel van een) hectare waarop door het Faunafonds een tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw als bedoeld in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (Staatscourant 2014 nr. 22309) wordt verstrekt; verjaging: opzettelijke verontrusting van beschermde inheemse ganzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden gedurende de periode van 1 november tot 1 april.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt slechts verleend aan de grondgebruikers van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen, voor zover deze gebruikers voor de desbetreffende percelen op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van het Faunafonds in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw in de periode van 1 november tot 1 april.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedraagt in afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 € 50,00 per schadehectare van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen; en wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 15.000,00 over een periode van drie belastingjaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag voor subsidie wordt ingediend binnen zes weken na de datum van verzending van het besluit van het Faunafonds op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade omtrent de hoogte van de uit te betalen tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen veroorzaakte schade in de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag voor subsidie met betrekking tot de periode van 1 november 2014 tot 1 april 2015 ingediend uiterlijk op 1 december 2015.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.6</span><span class=\"lf-art-t\">1.In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor de subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie ingevolge hoofdstuk 11 van het Asb Zeeland 2013, een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring, én een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan het vereiste van artikel 11.2 om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.4.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 1.8.1 en 1.8.9 wordt op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 15.000 arrangement 1 toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 1.7.2 wordt de subsidie verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de volledige betaling van de subsidie plaats na vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De artikelen 1.6.6, 1.7.4 tot en met 1.7.8, artikel 1.7.9, tweede lid, en 1.8.1 tot en met 1.10.1 zijn niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van openbaar vervoer per buurtbus</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">buurtbus: een door de concessiehouder beschikbaar gesteld motorrijtuig, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, dat wordt ingezet door de concessiehouder voor exploitatie van een lijn, uitgevoerd door in een buurtbusvereniging georganiseerde onbezoldigde chauffeurs; buurtbusproject: een initiatief van vrijwilligers, waarbij een buurtbus een vaste route rijdt met bepaalde intervallen, in een bepaalde bedieningsperiode en halterend bij bepaalde halten, zoals aangegeven in de dienstregeling; buurtbusvereniging: een vereniging, die bij notariële akte is opgericht en de dagelijkse uitvoering van het buurtbusproject coördineert; concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie de concessie is gegund voor het openbaar vervoer over de weg in het betreffende concessiegebied;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">1.Een eenmalige subsidie kan worden verleend voor de oprichting van een buurtbusvereniging, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de statuten van de nieuwe vereniging bij notariële akte zijn gepasseerd; en de ledenlijst uit minimaal 20 vrijwilligers bestaat die zich hebben aangemeld als buschauffeur; beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts. er een concreet buurtbusproject, zoals benoemd in artikel 12.3, eerste lid, aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">1.Subsidie kan worden verleend voor de uitvoering van een buurtbusproject, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het buurtbusproject vervoer per buurtbus tussen kernen verzorgt; en het buurtbusproject onderdeel uitmaakt van de voor het openbaar vervoer over de weg opgestelde dienstregeling; en de buurtbusvereniging voor het buurtbusproject een overeenkomst heeft afgesloten met de concessiehouder; en gemiddeld 125 reizigers per maand gebruik maken van het buurtbusproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen besluiten af te wijken van het in het eerste lid, onder d genoemde aantal reizigers per maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor de oprichting van een buurtbusvereniging ten minste: de bij notariële akte gepasseerde statuten van de nieuwe vereniging; een ledenlijst, bestaande uit minimaal 20 vrijwilligers, waarbij duidelijk blijkt dat zij: zich hebben aangemeld als buschauffeur; en beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor een buurtbusproject ten minste: een ledenlijst van vrijwillige buschauffeurs, waarbij duidelijk blijkt dat zij: beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts. een opgave van het aantal reizigers dat het afgelopen kalenderjaar van het buurtbusproject gebruik heeft gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.6</span><span class=\"lf-art-t\">1.De subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor de oprichting van een buurtbusvereniging: eenmalig een vergoeding van € 1.000,--; voor de werving van vrijwilligers voor een buurtbusproject: een vast bedrag van € 1.000,-- per jaar; oor de uitvoering van een buurtbusproject: een vast bedrag van € 3.000,-- per jaar; voor elke ingezette vrijwillige buschauffeur en voor elk bestuurslid, niet zijnde buschauffeur, per vereniging: een vast bedrag van € 100,-- per jaar.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid onder c en d bepaalde bedragen worden naar rato berekend, indien er sprake is van een gedeelte van het jaar.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 13Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor opruiming van drugsafval provincie Zeeland 2020</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bodem: vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming alsmede de bodem en oevers van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet; drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs; dumping van drugsafval: in strijd met wet- en regelgeving achterlaten van drugsafval in of op de bodem, dan wel het lozen of storten van drugsafval in oppervlaktewater; kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar aan derden verschuldigd zijn en die direct ten behoeve van de subsidiabele activiteit worden gemaakt; oppervlaktewater: vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen; sanering van de bodem: nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd teneinde verontreiniging van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming en artikel 6.8 van de Waterwet; synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen; verwijdering: verwijdering als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan: gemeenten, omgevingsdiensten of waterschappen; natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen die eigenaar of erfpachter zijn van een locatie waar drugsafval is gedumpt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Staatsbosbeheer als eigenaar van een locatie waar drugsafval is gedumpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op herstel van bodem en oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval, in de vorm van: afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval; afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: het project is uitgevoerd in de provincie Zeeland; het project is gericht op herstel van bodem of oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval, in de vorm van: afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval; afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval; de locatie waarop drugsafval is gedumpt: is in geval van een aanvrager als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder a, gelegen binnen de territoriale bevoegdheid van de aanvrager; of behoort in geval van een aanvrager als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder b of c, tot het eigendom respectievelijk erfpachtrecht van de aanvrager; de afvoer en verwijdering van het drugsafval heeft plaatsgevonden in de periode januari 2019 tot en met november 2020; aan het project ligt ten grondslag: een bewijs van melding of aangifte bij de politie van de dumping van het drugsafval in de vorm van een meldingsnummer of proces-verbaalnummer; een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval alsmede een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen; en een bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater dan wel de sanering van de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder a of b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: het aangetroffen drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater is afgevoerd en verwijderd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving; aan het project ligt een bewijs van afvoer en verwijdering van het drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater ten grondslag in de vorm van een afvoerbon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: de bodem is gesaneerd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving; aan het project ligt een bewijs van sanering van de bodem ten grondslag in de vorm van een saneringsverslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.3.1, eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, voor subsidie in aanmerking de daadwerkelijk gemaakte kosten derden met betrekking tot: het afvoeren en verwijderen van gedumpt drugsafval; het afvoeren en verwijderen van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; het saneren van de uit de dumping voortvloeiende verontreinigde bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.3.2 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag voldoet aan de volgende vereisten: subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier; een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen; subsidieaanvragen worden ingediend na afloop van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagtijdvak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden ingediend van 8 juni 2020 tot en met 1 december 2020.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 13.8, vast op € 20.373,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt: ingeval de grond of het water waar het project betrekking op heeft eigendom is van een natuurlijke persoon, privaatrechtelijke rechtspersoon of Staatsbosbeheer, dan wel de subsidieaanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is die de grond in erfpacht heeft: 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999; ingeval de grond of het water waar het project betrekking op heeft eigendom is van een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder a: 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verdelingswijzen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen in de rangschikking die volledig gehonoreerd kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.12</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen de subsidie direct vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.7.1 tot en met 1.7.7 en 1.7.9. tot en met 1.9.10 zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.13</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.5.3 en 1.6.6 zijn niet van toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 14 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">actueel regionaal bedrijventerreinprogramma: een door gedeputeerde staten na 1 januari 2016 bekrachtigd programma waarin gemeenten in regionaal verband hun bedrijventerreinbeleid afstemmen; bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein of delen ervan tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; veroudering: technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering, met als gevolg het economisch suboptimaal functioneren van de gevestigde bedrijven, verpaupering of verrommeling van de omgeving, inefficiënt ruimtegebruik, een onnodige impuls voor de ontwikkeling van nieuwe uitleglocaties of onveiligheid; zeehaventerrein: een als zodanig op kaart 1 van het Omgevingsplan Zeeland 2018 aangegeven terrein van minimaal één hectare bruto dat onderdeel vormt van het beheersgebied van Zeeland Seaports.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft het realiseren van een kwaliteitsimpuls voor een bedrijventerrein door middel van herstructurering waardoor het regionaal aanbod aan bedrijventerreinen zo goed mogelijk aansluit bij de vraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.6, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.6, eerste lid; de activiteit plaatsvindt buiten een bedrijventerrein; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van een nieuwe economische drager, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A bij de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen de bebouwde kom; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein; de activiteit plaatsvindt in een regio waar geen actueel regionaal bedrijventerreinprogramma beschikbaar is; de activiteit op basis van artikel 14.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b tezamen, minder dan 30 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 14.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met e, minder bedraagt dan 60 punten; de gevraagde subsidie hoger is dan 50% van het totaal van de subsidiabele kosten van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie alleen verstrekt indien de te verstrekken subsidie meer dan € 50.000,- bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.5</span><span class=\"lf-art-t\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kosten voor marketing en promotie; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen: een volledig ingevuld aanvraagformulier Fonds Impuls Bedrijventerreinen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland; een beschrijving van de tijdplanning van het project; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: kwaliteitsverbetering: de mate van vooruitgang die geboekt wordt in de verbetering van het vestigingsklimaat van het bedrijventerrein voor bedrijven; locatie: de bijdrage die de ontwikkeling op die specifieke locatie levert aan een toekomstbestendige bedrijventerreinvoorraad; hefboom: de verhouding tussen de subsidie en de maatschappelijke meerwaarde. Dit komt tot uitdrukking in de bereidheid van andere partijen om in het project te investeren en de aansluiting bij een visie of uitvoeringsplan; innovatie: de mate waarin gebruikelijke barrières worden doorbroken door het toepassen van een vernieuwende werkwijze; duurzaamheid en leefomgeving: de mate waarin ingrepen bijdragen aan de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en vergroting van de biodiversiteit op bedrijventerreinen en het terugdringen en vermijden van vervuiling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: kwaliteitsverbetering: ten hoogste 40 punten. Wanneer het project enkel bestaat uit investeringen in de openbare ruimte: ten hoogste 20 punten; locatie: ten hoogste 40 punten; hefboom: ten hoogste 25 punten; innovatie: ten hoogste 25 punten; duurzaamheid en leefomgeving: ten hoogste 40 punten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk15Vervallen Hoofdstuk 16Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor versterking van kennis- en innovatienetwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">triple helix netwerk: een netwerk waar minimaal tien bedrijven, minimaal twee onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en minimaal één overheidsinstelling deel van uitmaken; kennis- en innovatienetwerk: een georganiseerd triple helix netwerk gevormd door meerdere partijen binnen een economische sector met de intentie om kennis en ervaring te delen met als doel de sector te versterken en innovatie binnen de sector te stimuleren; innovatieve projecten of programma’s: projecten of programma’s gericht op de ontwikkeling van: nieuwe producten, processen of diensten; wezenlijk nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten; meerjaren agenda: gezamenlijke strategische meerjaren visie inclusief jaarlijks uitvoeringsprogramma; uitvoeringsprogramma: programma bestaand uit innovatieve projecten of programma’s die door deelnemende partijen binnen het netwerk worden gedefinieerd, georganiseerd en opgevolgd en waarbij de vraag vanuit de ondernemers leidend is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor de versterking van het organiserend vermogen van een bestaand kennis- en innovatienetwerk: dat bijdraagt aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiekracht; dat actief is binnen een van de volgende Zeeuwse economische sectoren: industrie en maintenance; havens en logistiek; agrofood en seafood; water en energie; vrijetijdseconomie; zorg; dat van toegevoegde waarde is binnen de betreffende economische sector in Zeeland, in die zin dat er geen of beperkte inhoudelijke overlap is met andere netwerken; dat de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt neemt; dat ten minste Zeeland breed acteert; dat beschikt over een meerjaren agenda; waarbij de resultaten van de activiteiten van het netwerk overwegend ten goede komen aan Zeeland; dat connecties of samenwerkingen heeft met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de betreffende sector; dat in het betreffende kalenderjaar niet eerder provinciale subsidie heeft ontvangen voor de versterking van het organiserend vermogen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan een kennis- en innovatienetwerk dan wel aan één van de deelnemende partijen binnen het netwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.4</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten de kosten voor:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het initiëren en organiseren van activiteiten en bijeenkomsten voor de leden of partners van het netwerk; het initiëren en organiseren van activiteiten met als doel het werven van nieuwe leden of partners van het netwerk; het onderhouden van contacten met leden of partners; de ondersteuning bij het ontwikkelen en updaten van de meerjaren agenda; het initiëren en organiseren van samenwerking met andere regionale, landelijke en Europese netwerken; public relations en communicatie omtrent de activiteiten van het netwerk; vertegenwoordiging van het netwerk op regionaal, nationaal en internationaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet subsidiabel zijn de kosten voor het uitvoeren of managen van projecten die voortkomen uit het uitvoeringsprogramma van het netwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.6</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2 bevat de aanvraag voor de subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Kennis- en Innovatienetwerken; een schriftelijk vastgestelde meerjaren agenda, inclusief het uitvoeringsprogramma voor het komende kalenderjaar; een beschrijving van de connecties of samenwerkingen die het netwerk heeft of zal aangaan met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en op welke wijze het netwerk bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de betreffende sector; een beschrijving op welke wijze bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen betrokken zijn bij het netwerk en op welke op welke wijze en hoeveel overige bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen het netwerk gaat betrekken bij de uitvoering van projecten en andere activiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel16.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,-.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 17 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 17.1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014; consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om op basis van een gezamenlijke strategische agenda systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie; demonstratieproject: een project dat kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening : het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De-minimisverordening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet; haalbaarheidsonderzoek: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; innovatief product: nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieve dienst: nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst; kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk; kmo: kleine en middelgrote ondernemingen die aan de in Bijlage I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoen; strategische agenda: gezamenlijke strategische visie met uitvoeringsprogramma, waarin gewerkt wordt aan structuurversterking in de Zeeuwse economische clusters, per cluster vastgelegd in de volgende documenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">SDR Roadmap, CE Delft, maart 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Smart Delta Resources Regioplan 2030-2050, Smart Delta Resources, september 2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">SDR Roadmap, CE Delft, maart 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerjarenplanning KicMPi 2020-2023, Kennis- en innovatiecentrum Maintenance Procesindustrie, 12 juni 2020; conomische Agenda 2017-2021, hoofdstuk 2.4 Energietransitie en circulaire economie, provincie Zeeland, 12 september 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">Schelde Safety Network Strategische Agenda 2021-2023, Schelde Safety Network, 30 maart 2021; havens en logistiek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Visie en actieplan Logistiek Zeeland 2019-2023, Zeeland Connect, 2019; agrofood en seafood:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbinden en versterken Visserij Zuidwest Nederland Agenda 2022, Stuurgroep Visserĳ-innovatie Zuidwest Nederland, december 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Economische agenda 2017-2021, hoofdstuk 3.6 Sector food, provincie Zeeland, 12 september 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">Fooddelta Zeeland, Groei door Samenwerking, Fooddelta Zeeland, 2019;</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen werken aan het Zeeuwse platteland!, Ambitiedocument voor uitvoeringsprogramma landelijk gebied: landbouw en natuur, provincie Zeeland, 19 oktober 2019; water en energie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Economische Agenda 2017-2021, hoofdstuk 2.4 Energietransitie en circulaire economie, provincie Zeeland, 12 september 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkprogramma Energietransitie en Circulaire economie, provincie Zeeland, 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Smart Maintenance Fieldlab Zephyros, Strategische agenda, Fieldlab Zephyros, 8 februari 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">Regionale Energiestrategie Zeeland (RES 1.0), stuurgroep RES Zeeland, februari 2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">Infosheet Kennis- &amp; Innovatienetwerk Circulair Bouwen, Agenda 2021, Kennis- &amp; Innovatienetwerk Circulair Bouwen, 7 januari 2021. vrijetijdseconomie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Strategische Agenda Toerisme voor Zeeland 2020-2030, TUA/TOZ, mei 2019;</p>\n<p class=\"lf-p\">Economische Agenda 2017-2021, hoofdstuk 2.1 Beleef Zeeland, provincie Zeeland, 12 september 2016; zorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Visie op Zorg in Zeeland in 2025, Commissie Toekomstige Zorg in Zeeland 2025, juli 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deltaplan arbeidsmarkt zorg &amp; welzijn Zeeland 2020-2024, Viazorg, oktober 2019.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium werkzaam binnen één of meer van de volgende Zeeuwse economische clusters: industrie en maintenance; havens en logistiek; agrofood en seafood; water en energie; vrijetijdseconomie; zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de subsidie geen stimulerend effect heeft, als bedoeld in artikel 6 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening uitstaat; de aanvrager een onderneming in moeilijkheden, als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de aanvrager is gevestigd in Zeeland; de aanvrager acteert ten minste op Zeeuws regionaal niveau de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; en de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; de subsidiabele activiteit neemt de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt; de subsidiabele activiteit draagt bij aan de realisatie van de strategische agenda van het cluster.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 17.2Haalbaarheidsonderzoeken</h3>\n<p class=\"lf-p\">17.2.1 Artikel Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek ter voorbereiding van de ontwikkeling van: een innovatief product; een innovatief productieproces; een innovatieve dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda; het project is voldoende innovatief; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten uitsluitend de kosten van het haalbaarheidsonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de economische clusters waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling - haalbaarheidsonderzoek'; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1726\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1727\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vervalt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1728\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 voor advies over artikel 17.2.2, derde lid, voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1729\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor subsidie binnen twaalf weken na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het project wordt binnen zes maanden na indiening van de volledige aavraag gestart; het project wordt binnen 18 maanden na indiening van de volledige aanvraag gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 17.3 Demonstratieprojecten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een demonstratieproject gericht op de ontwikkeling van: een innovatief product; een innovatief productieproces; een innovatieve dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000,- of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun, wordt subsidie slechts verstrekt indien: het project kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening; het project daadwerkelijke samenwerking behelst: tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten, en geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening neemt, of tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onder 83, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de subsidiabele kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open-access-repositories, of gratis opensource-software.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan de vereisten in het tweede lid, wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria:het projectplan heeft een voldoende kwaliteit. het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda; het project is voldoende innovatief; het project heeft voldoende economisch perspectief; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1733\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd. Wat gronden betreft, zijn de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten subsidiabel; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1734\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de economische clusters waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1735\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Zeeland in Stroomversnelling - demonstratieproject; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1736\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 200.000,-</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1737\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda; de mate van innovativiteit van het project; het economisch perspectief van het project; en de kwaliteit van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1738\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 voor advies over artikel 17.3.2, vierde lid, en artikel 17.3.7, voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1739\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17.3.4, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 30 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 17A Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling: Human Capital Agenda</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om op basis van een gezamenlijke agenda systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De-minimisverordening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet; kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk; sociale innovatie: het streven naar een originele oplossing met een meetbare of waarneembare sociale impact op een hardnekkig maatschappelijk probleem. De innovatie kan gelegen zijn in de ontwikkeling van een nieuwe organisatorische vorm (samenwerkingsverbanden, relaties) en/of de ontwikkeling van een nieuw product, een nieuwe dienst of een nieuwe methode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten: die bijdragen aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; en die gericht zijn op de ontwikkeling van een sociale innovatie die betrekking heeft op één of meer van de volgende thema’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dynamisch managen: nieuwe managementvaardigheden en –methodieken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Slimmer werken: uitgaan van competenties van medewerkers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Flexibel organiseren: innovatieve organisatievormen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Co-Creatie sectoren: hoogwaardige samenwerkingsverbanden binnen één of meer sectoren of cross-sectoraal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Werknemer in eigen kracht: mobiliteit, flexibiliteit en lef op de arbeidsmarkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit leren en ontwikkelen: de juiste mensen op de juiste plek met de juiste kwalificaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Duurzame inzetbaarheid: stimuleren van eigenaarschap bij medewerkers op het gebied van vitaliteit, flexibiliteit en maatschappelijke weerbaarheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Leven lang leren en ontwikkelen: wendbare, flexibele werknemers die zich kunnen blijven ontwikkelen en mee kunnen met de nieuwste ontwikkelingen; en waarbij een methodiek wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium werkzaam binnen één of meer van de volgende Zeeuwse economische clusters: industrie en maintenance; havens en logistiek; agrofood en seafood; water en energie; vrijetijdseconomie; zorg; onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager is gevestigd in Zeeland; de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager; de vraag vanuit de ondernemers vormt het belangrijkste uitgangspunt; de projectresultaten en ontwikkelde methodieken zijn openbaar en worden ruim verspreid onder (Zeeuwse) ondernemingen en instellingen die geen deel uitmaken van het consortium; het project is additioneel aan gemeentelijke activiteiten en projecten; het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; het project is voldoende innovatief voor Zeeland; het project heeft voldoende perspectief; het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie: een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Human Capital Agenda'; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; de mate van innovativiteit van het project voor Zeeland; het perspectief van het project; de kwaliteit van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 voor advies over artikel 17A.4, eerste lid, onder g, en artikel 17A.8, voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">A.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17A.5, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">A.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 24 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 17B Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling: Vestigingsklimaat Paragraaf 17B.1 Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: bovenlokaal effect: een effect dat zijn neerslag heeft in ten minste twee Zeeuwse gemeenten; consortium: een samenwerkingsverband van ten minste twee partijen, waaronder ten minste één rechtspersoon, dat als doel heeft om een project te realiseren dat een bijdrage levert aan de versterking van de leefbaarheid en daarmee het vestigingsklimaat voor (potentiële) werknemers;</p>\n<p class=\"lf-p\">De-minimisverordening: Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet; leefbaarheid: de mate waarin een omgeving goed aansluit bij de behoeften van de mensen die er wonen en tegelijkertijd aantrekkelijk is voor nieuwe inwoners en toekomstige generaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, en onverminderd het bepaalde in artikel 1.4.1, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: de aanvrager is gevestigd in Zeeland; de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering of activiteiten van de aanvrager; de subsidiabele activiteit past binnen de provinciale ambitie uit het Coalitieakkoord 2019-2023 ‘Samen verschil maken’ op het gebied van leefbaarheid, waar vanuit een aanvullende rol ingezet wordt op de bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen, onderwijs, zorg en een gezonde en veilige leefomgeving met als doel de aantrekkelijkheid van Zeeland voor jongeren, ouderen en nieuwe Zeeuwen te behouden en te versterken; het project heeft een bovenlokaal effect; de behoefte van de (potentiële) werknemers vormt het belangrijkste uitgangspunt; de projectresultaten en ontwikkelde werkwijzen zijn openbaar en worden ruim verspreid onder (Zeeuwse) partijen die geen deel uitmaken van het consortium; en het project is additioneel aan gemeentelijke activiteiten en projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 17B.2 Onderzoeken</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een onderzoek ter voorbereiding op de ontwikkeling van projecten: die bijdragen aan het vergroten van de leefbaarheid, waardoor het aantrekkelijker wordt voor (potentiële) werknemers om zich in een Zeeuwse gemeente te vestigen; en die gericht zijn op de ontwikkeling van een voorziening (bijvoorbeeld op sociaal, cultureel, zorg- of onderwijsgebied) of de bereikbaarheid van voorzieningen; en waarbij een onderzoek of werkwijze wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder dan € 5.000,- bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.2.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie: een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Vestigingsklimaat Onderzoeken; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting; en een bewijs van commitment van ten minste één gemeente middels het format ‘Instemmingsverklaring gemeenten’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, komen kosten slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 25.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid; de kwaliteit van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.2.1 voor advies over artikel 17B.2.2, derde lid, en artikel 17B.2.6 voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17B.2.3, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.2.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 18 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 17B.3 Pilots</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een pilot: die bijdraagt aan het vergroten van de leefbaarheid, waardoor het aantrekkelijker wordt voor (potentiële) werknemers om zich in een Zeeuwse gemeente te vestigen; en die gericht is op de ontwikkeling van een voorziening (bijvoorbeeld op sociaal, cultureel, zorg- of onderwijsgebied) of de bereikbaarheid van voorzieningen; en waarbij een onderzoek of werkwijze wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria: het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid; het project heeft voldoende perspectief op continuïteit; en het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.3.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie: een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Vestigingsklimaat Pilots; en een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting; en een bewijs van commitment van ten minste één gemeente middels het format ‘Instemmingsverklaring gemeenten’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, komen kosten slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid; de mate van perspectief op continuïteit van het project; de kwaliteit van het projectplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.3.1 voor advies over artikel 17B.3.2, derde lid, en artikel 17B.3.6 voor aan de Deskundigencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17B.3.3, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel17</span><span class=\"lf-art-t\">B.3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen: het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart; het project wordt binnen 24 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 18 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van de verbeteringvan de toegankelijkheid van bestaande halteplaatsen in Zeeland.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-181-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt onder halteplaats verstaan: onderdeel van een bushalte, waar zich één bustegelijkertijd kan opstellen voor het laten in- en uitstappen van reizigers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-182-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de verbetering van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer in Zeeland, kan subsidie worden verstrekt voor het toegankelijk maken van: halteplaatsen voor de buurtbus, de zomerbus of de haltetaxi zodat zij voldoen aan de toegankelijkheidseisen voor visueel beperkten zoals gesteld in de van toepassing zijnde Richtlijn toegankelijkheid van het CROW; en de halteplaatsen voor het kernnet, spitsnet of scholierennet zodat zij voldoen aan de toegankelijkheidseisen voor visueel- en motorisch beperkten zoals gesteld in de van toepassing zijnde Richtlijn toegankelijkheid van het CROW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-183-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan slechts worden verstrekt aan gemeenten binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend, indien de subsidie betrekking heeft op halteplaatsen die: door een reguliere bus of buurtbus worden aangedaan, mits de som van het aantal in- en uitstappers in het jaar 2018 meer was dan 100; alleen door een haltetaxi worden aangedaan, mits de som van het aantal in- en uitstappers in het jaar 2018 meer was dan 1000; of in het jaar 2018 alleen door de zomerbus werden aangedaan, mits de halteplaatsen onderdeel zijn van een busstation.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-184-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000 per halteplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.1, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: de aanlegkosten van een nieuwe halteplaats; de kosten voor het plaatsen van (nieuwe) voorzieningen op een bestaande halteplaats; kosten voor de vervanging van een bestaande toegankelijke abri door een nieuwe toegankelijke abri.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-185-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond voor het tijdvak 2019-2020 bedraagt € 800.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij de datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-186-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, wordt de aanvraag in de periode van 1 februari 2019 tot en met 1 juli 2019 ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-187-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6, is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten uiterlijk op 1 juli 2020 af te ronden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 19 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-191-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedrijfspand: een gebouw waarin één of meerdere bedrijven kantoor houden dan wel dat bestemd is om daarin een bedrijf uit te oefenen, in eigendom van een particulier, met een individueel adres en eigen nutsaansluiting en waaronder tevens begrepen een garage gelegen op hetzelfde perceel; eigenaar: eigenaar van een woning of pand, dan wel opstaller, erfpachter of vruchtgebruiker ervan; gecertificeerd bedrijf: een bedrijf gecertificeerd met het ‘Groenkeur keurmerk’, verschaft door Stichting Groenkeur, of een bedrijf dat een persoon in dienst heeft met het persoonsgebonden certificaat ‘Dak- &amp; Gevel Basismedewerker’ dan wel het persoonsgebonden certificaat ‘Dak &amp; Gevel Gevorderde’; groen dak: een plat of hellend dak van een woning of pand met begroeiing, die kan bestaan uit struiken, bomen, vetplanten zoals vetkruid (sedum), kruiden, mos of gras) particuliere woning: een pand in eigendom van een particulier, met een individueel adres en eigen nutsaansluiting, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, waaronder tevens begrepen een garage gelegen op hetzelfde perceel en niet zijnde een appartementencomplex;</p>\n<p class=\"lf-p\">VvE: een bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vereniging van eigenaars van de appartementsrechten van de woningen die tot een appartementencomplex behoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-192-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het aanleggen van een groen dak op een particuliere woning, een bedrijfspand of een appartementencomplex.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-193-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van de particuliere woning of het bedrijfspand dan wel aan de VvE van het appartementencomplex waarop het groene dak wordt aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijke persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd, is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, is voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-194-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een aanvraag van subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak gelden de volgende vereisten: subsidie wordt slechts eenmaal per adres of per appartementencomplex verstrekt; alleen bestaande woningen, bedrijfspanden en appartementencomplexen komen in aanmerking voor subsidie; de woning, het bedrijfspand of het appartementencomplex waarop het groene dak wordt aangelegd, is gelegen binnen de bebouwde kom; de waterbergingscapaciteit van het groene dak is minimaal 20 l/m²; het groene dak bevat minimaal een wortelwerende laag, een drainagelaag, een substraatlaag en een vegetatielaag; de oppervlakte van het groene dak is minimaal 10 m²; de hellingshoek van het groene dak is maximaal 35°; het groene dak wordt aangelegd door een gecertificeerd bedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-195-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 25,- per m² aan te leggen groen dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie voor het aanleggen van een groen dak bedraagt maximaal vijftig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.1, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking: de kosten van advisering ten behoeve van het aanleggen van een groen dak; de kosten voor het onderhouden van een groen dak; de kosten voor de sloop en afvoer van een bestaand dak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-196-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak: een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘subsidie groene daken’; de ondertekende offerte van een gecertificeerd bedrijf dat het groene dak gaat aanleggen waar in ieder geval het volgende in is opgenomen: de waterbergingscapaciteit van het groene dak; de lagen van het aan te leggen groene dak; de oppervlakte van het groene dak; de hellingshoek van het groene dak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-197-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van ontvangst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij een lager aangevraagd subsidiebedrag voorgaat op een hoger aangevraagd subsidiebedrag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-198-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6 heeft de subsidieontvanger de verplichting om het project binnen zes maanden na verlening van de subsidie te realiseren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 20 Bijzondere bepalingen voor het verstrekken van cofinanciering voor het Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014; de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimisverordening; gebouwde omgeving: gebied dat door aaneengesloten bebouwing een overwegend woon-, werk-, recreatie- of verblijfsfunctie heeft een daadwerkelijk als zodanig wordt gebruikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van provincie Zeeland; innovatiesysteem: samenwerking in publieke en private sector waarvan de activiteiten en de interacties hiertussen, nieuwe technologieën initiëren, importeren, veranderen en verspreiden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Managementautoriteit: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant aangewezen als managementautoriteit, bedoeld in artikel 123, eerste lid, van verordening 1303/2013 voor het Operationeel Programma Zuid 2014-2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">MKB: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003-361/EG); slimme uitrol: testen, demonstreren en eerste toepassing in een operationele omgeving;</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieregeling OPZuid: Subsidieregeling Operationeel Programma Zuid-Nederland 2014-2020;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden aangevraagd door degenen die subsidie hebben aangevraagd op grond van de Subsidieregeling OPZuid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten: gericht op versterking van het innovatiesysteem, binnen de technologiedomeinen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Logistiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maintenance;</p>\n<p class=\"lf-p\">Biobased; gericht op het versterken van het valorisatievermogen van het MKB; gericht op duurzame versterking van het systeem waarbinnen arbeidsvraag- en aanbod op elkaar worden afgestemd; waarbij het merendeel van de activiteiten gericht is op de slimme uitrol van innovatieve koolstofarme technologieën en instrumenten ten gunste van de gebouwde omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.4</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3 van de Subsidieregeling OPZuid, wordt subsidie op grond van dit hoofdstuk geweigerd, indien de subsidieaanvraag op grond van de Subsidieregeling OPZuid door de Managementautoriteit, is afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om voor subsidie, als bedoeld in artikel 20.3, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het vereiste dat het project wordt uitgevoerd in Zuid-Nederland en deresultaten van het project ten goede komen aan de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het projectplan, genoemd in de artikelen 2.3, vierde lid, onder a, 3.3, derde lid, onder a, 4.3, vierde lid, onder a en 5.3, vierde lid, onder a, van de Subsidieregeling OPZuid, wordt tevens opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan het vereiste in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[werkt terug tot en met 13 juli 2019] Onverminderde het bepaalde in artikel 1.3.1 van dit besluit, zijn de volgende kosten subsidiabel, voor zover die kosten worden gemaakt door deelnemers aan het project die zijn gevestigd in de provincie Zeeland, dan wel door deelnemers aan het project die zijn gevestigd buiten de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg voor zover hun bijdrage aan het project ten goede komt aan de provincie Zeeland: voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel a: de kosten als vermeld in artikel 2.4 van de Subsidieregeling OPZuid; voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel b: de kosten als vermeld in artikel 3.4 van de Subsidieregeling OPZuid; voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel c: de kosten als vermeld in artikel 4.4 van de Subsidieregeling OPZuid; voor subsidies als bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel d: de kosten als vermeld in artikel 5.4 van de Subsidieregeling OPZuid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.7</span><span class=\"lf-art-t\">Vereisten indiening subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk, voldoet een subsidieaanvraag aan de volgende vereisten: een subsidieaanvraag op grond van dit hoofdstuk wordt ingediend bij de Managementautoriteit; een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het Aanvraagformulier Provinciale cofinanciering OPZuid 2014-2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in het eerste lid en in afwijking van artikel 1.4.1 van dit besluit, kunnen subsidies, als bedoeld in artikel 20.3, uitsluitend worden verstrekt als Gedeputeerde Staten de mogelijkheid tot het indienen van een subsidieaanvraag hebben opengesteld door vaststelling van een tenderperiode voor de indiening van de subsidieaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag is tijdig ingediend, indien die voor het einde van de tenderperiode is ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.8</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op de subsidieaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, van dit besluit, beslissen Gedeputeerde Staten binnen acht weken na de bekendmaking van de beslissing van de Managementautoriteit op de subsidieaanvraag op grond van de Subsidieregeling OPZuid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.9</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen voor subsidies, als bedoeld in artikel 20.3, per tenderperiode, als bedoeld in artikel 20.7, tweede lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.10</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidies, bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel a, bedraagt maximaal 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €428.571,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidies, bedoeld in artikel 20.3, aanhef en onderdeel d, bedraagt maximaal 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 485.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het voorgaande lid, wordt, indien sprake is van staatssteun en: het project past binnen een van de vrijstellingen van de algemene groepsvrijstellingsverordening als bedoeld in de artikelen 2.3, tweede lid, 4.3, tweede lid, of 5.3, tweede lid van de Subsidieregeling OP Zuid, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit de algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden; geen van de vrijstellingen uit onderdeel a van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verdeelcriteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[werkt terug tot en met 13 juli 2019] Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het daarvoor vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, wordt, in geval door de Managementautoriteit op grond van artikel 2.8, artikel 3.8, artikel 4.8 of artikel 5.8 van de Subsidieregeling OPZuid een rangschikking is gemaakt, subsidie verleend op grond van de volgorde van die rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de in het eerste lid bedoelde rangschikking niet is gemaakt door de Managementautoriteit, is artikel 2.8, artikel 3.8, artikel 4.8 of artikel 5.8 van de Subsidieregeling OPZuid van overeenkomstige toepassing op subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2012\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.6.3 en artikel 1.6.6, derde lid, van dit besluit blijven buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 van de Subsidieregeling OPZuid is van overeenkomstige toepassing op subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk, met dien verstande dat voor Managementautoriteit in de artikelen 5.2.10 en 5.2.11 van de Regeling Europese EZK-en LNV subsidies, moet worden gelezen Gedeputeerde Staten van Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2013\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.13</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 3, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en de paragrafen 1.7 tot en met 1.9 van dit besluit en onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van de Subsidieregeling OPZuid, worden, gelet op de van toepassing zijnde Europese regelgeving ter rechtvaardiging van staatssteun, de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling op grond van de Subsidieregeling OPZuid wordt aangemerkt als aanvraag tot vaststelling op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2014\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20.14</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling en bevoorschotting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[ werkt terug tot en met 20 april 2019] Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 75% van de maximale subsidie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 21 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidsscans voor bedrijven en bedrijventerreinen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied; circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren; energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen; verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie of vergroting van de biodiversiteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te realiseren en daarmee bestaande bedrijven en bedrijventerreinen duurzaam in exploitatie te houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van onderzoek waarbij de kansen voor verduurzaming worden geïnventariseerd van: een bedrijventerrein en de daarop gevestigde bedrijven of een deel daarvan; of een groep van ten minste 20 bedrijven die niet gevestigd zijn op een bedrijventerrein en waarop afdeling 2.6 Energiebesparing van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient zich, naast energietransitie, op ten minste twee van de drie andere onder artikel 21.1, onderdeel b tot en met e, genoemde vormen van verduurzaming te richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient zich ten minste op energietransitie te richten, met inbegrip van de omschakeling naar hernieuwbare energiebronnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek, bedoeld in artikel 21.2, dient in ieder geval inzicht te geven in de volgende onderwerpen: ten aanzien van het resultaat van het onderzoek: de verwachte mate van reductie van de CO2-uitstoot bij toepassing van de geïnventariseerde verduurzamingsmaatregelen; de verwachte resultaten bij toepassing van de geïnventariseerde maatregelen op het gebied van circulaire economie, klimaatadaptatie en biodiversiteit; ten aanzien van kennisdeling en uitvoering: de wijze waarop invulling wordt gegeven aan kennisdeling; de mate waarin opschaling van de geïnventariseerde maatregelen plaats kan vinden; de wijze waarop de uitvoering van de geïnventariseerde maatregelen wordt voorzien, met een daarbij behorende tijdsplanning; indien mogelijk, een voorstel voor een pilot- of demonstratieproject met het oog op de uitvoering van de geïnventariseerde maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-214-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen drie maanden na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 21.7, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 21.7, eerste lid; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-215-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 40.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor marketing en promotie komen niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-217-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-218-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.8</span><span class=\"lf-art-t\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een plan van aanpak voor de uitvoering van het onderzoek, inclusief tijdsplanning; de offerte van het bedrijf dat het onderzoek gaat uitvoeren; een beschrijving van de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de verschillende vormen van verduurzaming: energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en biodiversiteit; in geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a: het aantal bedrijven dat gevestigd is op het bedrijventerrein en deelneemt aan het onderzoek; in geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b: het aantal, de bedrijfsnaam en de locatie van de bedrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-219-288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 22 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Hergebruik Leegstaande Pandenvoor Wonen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221-289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.1</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingenIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beeldbepalend gebouw: een leegstaand gebouw, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; eeldverstorend verpauperd gebouw: een leegstaand gebouw dat door een combinatie van het ontbreken van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld; bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; herbestemmen: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw die, zo nodig, juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; leegstaand: het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn; rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; slopen: het afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; transformeren: het verrichten van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft: het herbestemmen of transformeren van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen; het slopen van beeldverstorende verpauperde gebouwen die niet meer zinvol kunnen worden herbestemd of getransformeerd, gevolgd door herontwikkeling of een andere herinvulling van de vrijgekomen ruimte gericht op ruimtelijk kwalitatieve verbeteringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223-290\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van het gebouw waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijk persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien: de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid; de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd uiterlijk op 31 december 2023; de activiteit in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a en c tezamen, minder dan 75 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, minder bedraagt dan 400 punten; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied; het gebouw minder dan één jaar leegstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel f bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiehoogte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vooroverleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een aanvraag wordt ingediend, kan er een vooroverleg plaatsvinden aan de hand van het op de website van de provincie Zeeland beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. Het vooroverleg vindt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het vooroverlegformulier plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld: locatie en eigenaarschap van de locatie; huidige en beoogde situatie van het project, inclusief leegstandsduur; de haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd; of de activiteit niet in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de project gerelateerde duurzaamheidsambities; de informatie die bij de aanvraag moet worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking: kosten voor marketing en promotie; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen; kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten van planschade.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.7</span><span class=\"lf-art-t\">Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22.8</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2: een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie Hergebruik Leegstaande Panden voor wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland; een plan van aanpak, met daarin: een locatieaanduiding waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat; een algemene beschrijving van de herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd;</p></div>", "next": 239630}