{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">10[Toelichting: Met dit artikel stellen Provinciale Staten vast welke gebieden tot de EHS worden gerekend en leggen dit op de bijbehorende kaart vast. Het vaststellen van de begrenzing van de EHS wordt primair als bevoegdheid van PS gezien gelet de daarbij betrokken belangen en de (rechts)gevolgen. Om praktische redenen is aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid gegeven om zowel de binnengrenzen als de buitengrenzen van de EHS te wijzigen. Zij kunnen dit doen door de begrenzing van de gebiedscategorieën aan te passen (binnengrenzen), bijvoorbeeld door \"te ontwikkelen natuur\" om te zetten in \"bestaande natuur\". Het omgekeerde zal zich niet voordoen. Het binnen dan wel buiten de EHS brengen van gebieden is bovendien beperkt tot die situaties waarin daar sociaaleconomische of ecologische redenen voor zijn. Vergroting van de EHS is hiermee niet beoogd, wel (per saldo) de waarde van de EHS. ] 1. Het werkingsgebied van titel 2.7 wordt begrensd door de geometrische plaatsbepaling van de EHS op de kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De bepalingen in titel 2.7 hebben enkel betrekking op bestemmingsplannen, projectbesluiten, beheersverordeningen en de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, voor zover het werkingsgebied van die plannen, besluiten en verordeningen samenvalt met het werkingsgebied als in lid 1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen bij besluit: de begrenzing van het werkingsgebied bedoeld in het eerste lid wijzigen: ten behoeve van de uitvoering van aanpassing van de EHS uit ecologische en sociaaleconomische overwegingen; ingeval zij ontheffing hebben verleend overeenkomstig artikel 2.7.6; de gebiedscategorieën iii, iv, v aanpassen als de ontwikkelingen in het gebied hiertoe aanleiding geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op de besluiten als bedoeld in het derde lid is het bepaalde in artikel 4.1, lid 2 Wro van toepassing tenzij Gedeputeerde Staten bij het besluit als bedoeld in lid 3 een andere termijn hebben gesteld.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Regels inzake de inhoud van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en projectbesluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">11[Toelichting: Dit artikel vormt, samen met artikel 2.7.4. (regels inzake de toelichting) en artikel 2.7.6. (ontheffingen), de kern van de verordening. Hoofdlijn is dat gemeentelijke plannen moeten worden afgestemd op de bij de verordening vastgestelde gebiedscategorieën. Juist omdat voor de categorie nog niet gerealiseerde nieuwe natuur de bestaande situatie nog niet het gewenste eindbeeld is en er veel (provinciaal) beleidsinstrumentarium wordt ingezet om die ontwikkeling te bevorderen, is de beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38. Wro voor deze categorie geen passend of gewenst planologisch instrument. Naar zijn aard is een beheersverordening immers slechts bedoeld voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien en waar kan worden volstaan met regeling van het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beheersverordening is in beginsel wel denkbaar voor de categorieën bestaande natuur en gerealiseerde nieuwe natuur, maar moet dus voor andere categorieën worden uitgesloten. In lid 4 is het principe vastgelegd dat de huidige (agrarische) functies binnen de EHS kunnen worden voortgezet, zolang de betreffende gronden niet (op basis van vrijwilligheid) zijn verworven voor het realiseren van de beoogde natuurdoelen. Dit is geformuleerd in de vorm van de clausule dat de verplichtingen uit het tweede lid niet de rechten en ontwikkelingsmogelijkheden beperken die aan bestaande functies toekomen op grond van de bestemming die geldt op het moment dat de verordening in werking treedt. In lid 5 wordt in aanvulling op het bepaalde in lid 4 ontwikkelingsruimte geboden aan bestaande agrarische bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierdoor ontstaat er - naast de ruimte die zij op basis van geldende bestemmingsplannen hebben - ook ruimte voor eventuele uitbreidingen als dat nodig is voor een duurzame continuering van de bedrijfsvoering en mits dit niet leidt tot significante negatieve effecten op actuele waarden. Voor dit soort uitbreidingen geldt dus niet de toets aan het effect op potentiële waarden die gebaseerd zijn op de natuurdoelen voor het gebied. Dit is een voortzetting van het beleid op basis van het streekplan Overijssel 2000+ dat bestaande agrarische bedrijven door het beleid voor de EHS niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en dat bestaande landbouwbedrijven geen onevenredig nadeel mogen ondervinden van hun ligging in de EHS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens heeft deze bepaling alleen betrekking op de ruimte die wordt geboden ten aanzien van het beleid voor de EHS. De bepaling ziet niet op overige wet- en regelgeving zoals de Wet Ammoniak en Veehouderij, de Natuurbeschermingswet en het Reconstructieplan. Overigens geldt voor agrarische bedrijven buiten de EHS dat er in geen geval sprake is van schaduwwerking van de EHS. Waar sprake is van beperkingen vanwege natuurwaarden in de omgeving wordt dit niet veroorzaakt door de aanwijzing van een naastgelegen gebied als EHS, maar vloeien die beperkingen al voort uit andere wettelijke kaders. ] 1. Een beheersverordening heeft geen betrekking op een gebied dat op de kaart EHS, Overige natuur en Nationale Landschappen nr. 09295050, is aangegeven als gebiedscategorie nieuwe nog niet gerealiseerde natuur.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen: strekken uitsluitend tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden behorend tot de gebiedscategorieën bestaande natuur en nieuwe gerealiseerde natuur; strekken mede tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden behorend tot de gebiedscategorieën nieuwe nog niet gerealiseerde natuur en zoekgebied; wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken welke significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zullen of kunnen hebben; stellen regels ter bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De verplichtingen die voortvloeien uit het tweede lid houden in ieder geval in behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De verplichtingen die voortvloeien uit het tweede lid beperken niet rechten en ontwikkelingsmogelijkheden, en leiden niet tot wijziging van de regels ter zake van bebouwing of terreinverharding die aan bestaande functies toekomen ingevolge de bestemming die geldt ten tijde van het van kracht worden van deze titel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De verplichtingen die voortvloeien uit het tweede lid beperken niet de ontwikkeling van bestaande agrarische bedrijven die nodig zijn vanuit een duurzame continuering van de bedrijfsvoering en die geen significante negatieve effecten hebben op actuele waarden van het gebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van de ter voldoening aan het in dit artikel gestelde.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Regels inzake de toelichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">12[Toelichting: In dit artikel wordt een bijzondere motiveringsverplichting vastgelegd voor gronden die binnen de EHS vallen omdat het voor het realiseren van de EHS van groot belang is dat dit belang op een zorgvuldige wijze wordt meenomen in de totale belangenafweging die aan de planologische regeling van het gebied ten grondslag moet worden gelegd. De verordening verplicht er toe, de daarvoor nodige onderzoeken en onderzoeksgegevens volledig te vermelden in de toelichting. Ook moet uit die toelichting duidelijk worden welke waarde en betekenis de gemeente heeft toegekend aan wettelijke regelingen en beleidsvisies van Rijk en provincie. ] 1. Bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen die betrekking hebben op gronden die vallen binnen de EHS gaan vergezeld van een toelichting c.q. onderbouwing waaruit blijkt op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de te onderzoeken gegevens, de wijze van waardering van deze gegevens en de wijze van afweging van de onderkende ruimtelijke belangen, met inbegrip van de wijze waarop met bestaande belangen rekening gehouden dient te worden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">13[Toelichting: De bijzondere overgangsbeplaing voor de EHS die oorspronkelijk was opgenomen onder artikel 2.7.5 is verplaatst naar hoofdstuk 8 en daaropgenomen onderartikel 8.2.2. ] Verplaatst naar hoofdstuk 8 (artikel 8.2.2).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">14[Toelichting: Het EHS-beleid is te complex en te genuanceerd om zich te laten vangen in enkelvoudige bepalingen van ja en nee, die door middel van een zuivere rechtmatigheidstoets van de rechter zouden kunnen worden gehandhaafd. Er is dan ook gekozen voor een systeem van regels met ontheffingsmogelijkheden waarover het provinciaal bestuur moet beslissen. Dat biedt betere mogelijkheden voor \"maatwerk\", wat juist in de EHS van essentieel belang moet worden geacht (zie hiertoe ook de Spelregels EHS, een gezamenlijke uitwerking van rijk en provincies). Inherent aan dit systeem is dat de betrokkenheid van de provincie bij bescherming en realisering van de EHS in het ruimtelijke spoor niet eindigt met vaststelling van de verordening, maar een vervolg krijgt bij het overleg en de beslissingen omtrent aanvragen voor ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mitigeren en compenseren Wanneer beoordeling van een voorgenomen ingreep leidt tot de conclusie dat deze significante effecten heeft, maar toch doorgang moet vinden, is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor realisatie van maatregelen om de nadelige effecten weg te nemen of te ondervangen en waar dit niet volstaat, de dan nog resterende effecten te compenseren. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: ¿ Kan alleen worden toegepast als sprake is van een groot openbaar belang; ¿ Er treedt geen nettoverlies aan waarden op, voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang; ¿ Compensatie geschiedt alleen aansluitend of nabij het gebied, onder de voorwaarde dat een duurzame situatie ontstaat (bij fysieke compensatie kan onteigening aan de orde zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit onmogelijk is, moet de compensatie plaatsvinden door het realiseren van kwalitatief gelijke waarden, dan wel door fysieke compensatie verder weg van het aangetaste gebied. Alleen als dit ook onmogelijk is, kan financiële compensatie plaatsvinden. Dit bedrag wordt in het Nationaal groenfonds gestort, maar blijft gelabeld aan de betrokken ingreep; ¿ Het tijdstip van het besluit over de ingreep is ook het tijdstip waarop wordt besloten over aard, wijze en het tijdstip van mitigatie en compensatie; Voor die gebieden in en buiten de EHS die zijn aangemeld c.q. aangewezen als gebieden in de zin van de Vogel- en Habitatrichtlijn, gelden enkele scherpere eisen conform de bepalingen uit de Richtlijnen (o.a. geen financiële compensatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbegrenzen De provincie kan, onverminderd de oorspronkelijke ambitie, de (huidige) grenzen van de EHS aanpassen. Dit kan alleen om de ruimtelijke samenhang van de EHS te verbeteren en de EHS in haar omgeving duurzaam in te passen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: ¿ Dit principe wordt alleen toegepast voor uitzonderingsgevallen; ¿ Door de voorgestelde ruimtelijke ingreep vindt slechts een beperkte aantasting van waarden plaats; ¿ Het initiatief moet uiteindelijk leiden tot behoud of versterking van de EHS in kwalitatieve en/of kwantitatieve zin; ¿ Zorgvuldige onderbouwing van de ruimtelijke ingreep op de gegeven locatie plaats, met een afweging van alternatieven; ¿ Ter plekke worden zodanige maatregelen genomen dat er sprake is van een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid om te herbegrenzen is overigens geregeld in artikel 2.7.2., lid 3. Salderen Om een ontwikkelingsgerichte aanpak mogelijk te maken, is een gecombineerde uitvoering toegestaan van projecten of handelingen waarvan één of enkele hiervan afzonderlijk een negatief effect op de EHS hebben. Deze gecombineerde uitvoering moet dan tevens als doel hebben de kwaliteit en/of de kwantiteit van de EHS op gebiedsniveau per saldo te verbeteren. Hierdoor kan bijvoorbeeld een meer aaneengesloten EHS worden gerealiseerd of worden EHS-gebieden beter met elkaar verbonden. Functies of activiteiten kunnen dan elders binnen de EHS of daarbuiten betere ontwikkelingsmogelijkheden krijgen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: ¿ Dit principe wordt alleen toegepast in het kader van een integrale gebiedsontwikkeling en als een groot deel van het gebied ligt in de EHS; ¿ De combinatie van plannen, projecten of handelingen wordt in één ruimtelijke visie gepresenteerd; ¿ Er moet een onderlinge samenhang bestaan tussen de betreffende plannen en projecten; ¿ Er is een schriftelijke waarborg voor de realisatie van de plannen / projecten of handelingen waarop alle betrokkenen zijn aan te spreken; ¿ Binnen de EHS kan een kwaliteitsslag gemaakt worden waarbij het oppervlak natuur minimaal gelijk blijft dan wel toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke kwaliteitsslag kan bijvoorbeeld ontstaan doordat binnen de EHS met bestemmingen geschoven wordt, en/of: ¿ Binnen de ruimtelijke visie treedt een vergroting van het areaal EHS op, ter compensatie van het gebied dat door de projecten of handelingen verloren is gegaan. Voorwaarde daarbij is dat daarmee tevens een beter functionerende EHS ontstaat. ] 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in en krachtens artikel 2.7.3, lid 2.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend voor wijzigingen van het bestemmingsplan of de regels ter zake van het gebruik van grond, als is aangetoond en verzekerd dat: er sprake is van redenen van groot openbaar belang; er geen reële alternatieven voor de beoogde activiteit voorhanden zijn; voor zover de negatieve effecten tengevolge van de beoogde activiteit niet kunnen worden voorkomen, deze zo beperkt mogelijk worden gehouden en; de overblijvende optredende schade of negatieve effecten op een toereikende, tenminste gelijkwaardige wijze worden gecompenseerd en het besluit hiertoe tegelijk wordt genomen met het besluit tot wijziging van de bestemming of de regels ter zake het gebruik van de grond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het tweede lid wordt ontheffing verleend van de voorwaarde genoemd onder d voor een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect heeft op de EHS maar de gecombineerde uitvoering leidt tot verbetering van de kwaliteit en/of kwantiteit van de EHS op gebiedsniveau.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van lid 2 en lid 3 wordt een ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleend als er sprake is van een relatief kleinschalige wijziging van het bestemmingsplan of van de regels ter zake van het gebruik van grond als is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging: de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast; de kwaliteit en kwantiteit van de EHS op het betreffende gebiedsniveau tenminste behoudt; plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties; maatregelen bevat die resulteren in een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen aan de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">15[Toelichting: Aan een aanvraag om ontheffing worden eisen gesteld, vooral met betrekking tot het aantonen van de noodzaak en de gevolgen. Van groot belang is het verkrijgen van voldoende zekerheid dat een voorgenomen ingreep niet alleen op papier, maar ook daadwerkelijk zal worden gecompenseerd. Het wat, waarom, wanneer, door wie moet duidelijk zijn en waar de verlening van een ontheffing gepaard gaat met het opleggen van verplichtingen, moet de nakoming zijn geborgd. Een dergelijke ontwikkeling zal altijd gepaard (moeten) gaan van maatregelen die het negatieve effect op de EHS (ten minste) compenseren. Er worden voorwaarden gesteld om deze compensatie te waarborgen. ] 1. De aanvraag tot ontheffing als bedoeld in artikel 2.7.6 bevat in ieder geval: een ontwerp van het betrokken besluit tot wijziging van het bestemmingsplan of van de regels ter zake van het gebruik van grond; een beschrijving (compensatieplan) waaruit blijkt dat: de nadelige effecten zoveel mogelijk worden beperkt en, voor zover deze niet kunnen worden beperkt, zodanig worden gecompenseerd dat er geen nettoverlies van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden plaatsvindt; de compensatie door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden plaatsvindt aansluitend aan of nabij het gebied of, als dit niet mogelijk is, door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie elders, of, als ook dit niet mogelijk is, op financiële wijze; een toelichting op het bestemmingsplan, waarin ten minste inzicht wordt geboden in de wijze waarop de tenuitvoerlegging van het compensatieplan planologisch mogelijk is; in het geval dat de realisatie van het compensatieplan als bedoeld onder b, sub ii, of onderdelen daarvan geschiedt buiten het grondgebied waarop het desbetreffende bestemmingsplan betrekking heeft en het geldende bestemmingsplan bestemmingen of regels bevat die de compensatiemaatregelen beperken of verhinderen, wordt bij de aanvraag tevens het ontwerp van het besluit tot wijziging van de betrokken bestemmingsplannen overlegd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de aanvraag tot ontheffing strekt tot de uitvoering van een combinatie van ingrepen zoals bedoeld in artikel 2.7.6, lid 3, bevat de aanvraag in aanvulling op lid 1 in ieder geval: een ruimtelijke visie waarin de plannen, projecten of handelingen in hun onderlinge samenhang worden gepresenteerd en waaruit blijkt dat het oppervlak natuur binnen de EHS minimaal gelijk blijft dan wel het EHS-areaal wordt vergroot;</div>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijke waarborg voor de realisatie van de plannen, projecten of handelingen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien de aanvraag bedoeld in het eerste en tweede lid strekt tot het mogelijk maken van activiteiten door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon bevat de aanvraag een privaatrechtelijke overeenkomst tussen die natuurlijke persoon of rechtspersoon en de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen over de tenuitvoerlegging van het compensatieplan waarin tenminste is opgenomen: de wijze waarop financiële zekerheidsstelling is gerealiseerd voor uitvoering van de maatregelen en voorzieningen van het compensatieplan alsmede voor de financiering van het ontwikkelingsbeheer; de uiterste termijn voor realisatie alsmede een effectieve boeteclausule die van toepassing is bij een niet tijdige of genoegzame tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit het compensatieplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke eisen aan het compensatieplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">16[Toelichting: Aan een aanvraag om ontheffing worden eisen gesteld, vooral met betrekking tot het aantonen van de noodzaak en de gevolgen. Van groot belang is het verkrijgen van voldoende zekerheid dat een voorgenomen ingreep niet alleen op papier, maar ook daadwerkelijk zal worden gecompenseerd. Het wat, waarom, wanneer, door wie moet duidelijk zijn en waar de verlening van een ontheffing gepaard gaat met het opleggen van verplichtingen, moet de nakoming zijn geborgd. Een dergelijke ontwikkeling zal altijd gepaard (moeten) gaan van maatregelen die het negatieve effect op de EHS (ten minste) compenseren. Er worden voorwaarden gesteld om deze compensatie te waarborgen. ] 1. Een compensatieplan als bedoeld in artikel 2.7.7, lid 1, onder b en artikel 2.7.7, lid 2, bevat in elk geval: de aard, omvang, kwaliteit, locatie en tijdvak van realisatie van de maatregelen en voorzieningen die ter compensatie zullen worden gerealiseerd; de ontwikkelings- en beheerskosten van de maatregelen en voorzieningen; het oordeel van de besturen van de betrokken gemeenten, waterschappen en diensten van provincie of Rijk die betrokken zijn bij de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn; de wijze van monitoring en rapportage van de tenuitvoerlegging.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ter zake van de compensatie bedoeld in het tweede lid en het compensatieplan bedoeld in het derde lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen omtrent het bieden van financiële compensatie in gevallen waarin genoegzaam vaststaat dat compensatie in de vorm van maatregelen of voorzieningen niet mogelijk is.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.8. Bos en natuurgebieden buiten de EHS</h3>\n<p class=\"lf-p\">17[Toelichting: Provinciaal belang Buiten de EHS zijn in de provincie in ruime mate bos- en natuurgebieden aanwezig. Deze gebieden hebben vaak gebiedskenmerken die bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit en die daarom behouden dienen te blijven. In aanvulling op de gebiedskenmerken - die vooral gericht zijn op het behoud en herstel van landschapskenmerken - voorziet de verordening in een aanvullende bescherming voor bos- en natuurgebieden vanwege het belang van deze gebieden voor flora- en fauna. Gelet op dit functie is het ongewenst dat bos- en natuurelementen worden ‘verplaatst'. De gebiedskenmerken sluiten immers niet uit dat bestaande groene elementen worden ‘verschoven' mits daarbij de karakteristiek van het gebied gehandhaafd blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zou een verlies van natuurwaarden kunnen betekenen, bijvoorbeeld waar oude bosbodems verloren gaan. Specifieke bestemming Daarom wordt in artikel 2.8.2. bepaald dat bestaande bos- en natuurgebieden die als zodanig zijn bestemd in geldende bestemmingsplannen ook in de toekomst voorzien moeten blijven van een specifieke bestemming. Deze bepaling is alleen van toepassing op bos- en natuurgebieden en niet op landschapselementen. Aantasting van de aanwezige en te ontwikkelen waarden alleen in zeer uitzonderlijke situaties toegestaan. In die gevallen moet aangetoond worden dat er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor geen alternatieve oplossingen gevonden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzekerd moet zijn dat de ingrepen voldoende worden gecompenseerd. De strekking van de Richtlijnen voor de toepassing van het Compensatiebeginsel voor natuur, bos en landschap van april 1999 blijven van toepassing. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: a. bestaande natuur: bestaande bos- en natuurgebieden buiten de EHS die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in geldende bestemmingsplannen als zodanig zijn bestemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande natuur voorzien in een specifieke, daarop toegesneden bestemming die gericht is op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen als bedoeld in lid 1 voorzien niet in ontwikkelingen waardoor de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden worden aangetast.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het gestelde onder 2 kunnen ontwikkelingen worden toegestaan die uit een oogpunt van zwaarwegende maatschappelijke belangen noodzakelijk zijn en waarin niet op een andere wijze kan worden voorzien, mits in voldoende mate in compensatie is voorzien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen regels stellen voor het bieden van compensatie als bedoeld in het vorige lid.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.9. Reconstructiebeleid</h3>\n<p class=\"lf-p\">18[Toelichting: Provinciaal belang Naast de Omgevingsvisie blijft het Reconstructieplan Salland-Twente van kracht. Eén van de instrumenten voor uitvoering van het reconstructieplan was tot 1 juli 2008 de provinciale goedkeuring van gemeentelijke bestemmingsplannen. Met dat instrument kon vooral effectief worden voorkomen dat bestemmingsplannen rechtskracht zouden krijgen die ontwikkelingsmogelijkheden boden in strijd met het reconstructieplan. Die waarborg is als zodanig met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening verdwenen. Om de doorwerking van het reconstructieplan veilig te stellen is het noodzakelijk om in de provinciale verordening te bepalen dat -kort gezegd- het in het reconstructieplan vastgelegde beleid in gemeentelijke bestemmingsplannen moet worden vertaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorwerking in gemeentelijke plannen Omwille van de rechtszekerheid wordt die verplichting geënt op het reconstructieplan zoals dat is vastgesteld en nadien gewijzigd door Provinciale Staten bij besluit van 15 december 2004, laatstelijk gewijzigd per 1 juli 2009 De verplichting heeft dus niet automatisch betrekking op eventuele toekomstige herzieningen van het reconstructieplan. Indien ook die herzieningen hun doorwerking moeten vinden in gemeentelijke bestemmingsplannen, zal de verordening in die zin moeten worden aangepast. Met de reconstructiegemeenten zijn bestuurlijke afspraken gemaakt, strekkend onder andere tot aanpassing van de gemeentelijke bestemmingsplannen aan het reconstructieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is ook overeengekomen binnen welke termijn die aanpassingen hun beslag moeten hebben gekregen. Niet alle afspraken op dit punt zijn geëffectueerd. Ook is met de afspraken niet of niet volledig geborgd dat de bestemmingsplannen met het reconstructieplan in overeenstemming zullen blijven. Die waarborg wordt wel verkregen via het bepaalde in artikel 2.9.2., inhoudende dat bestemmingsplannen met het reconstructieplan in overeenstemming dienen te zijn (en dus ook te blijven). In aanmerking genomen dat de destijds overeengekomen termijn voor aanpassing van de gemeentelijke plannen al enkele jaren is verstreken, is het ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen niet meer dan redelijk, zo niet noodzakelijk, om voor die aanpassing nu een termijn te bepalen die de helft bedraagt (zes maanden) van de termijn voor overige aanpassingen van bestemmingsplannen aan de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ook bij de toelichting op de kwaliteitsimpuls Groene omgeving is vermeld, blijft het generieke beleid zoals neergelegd in titel 2.9. daarbij onverkort van toepassing. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: a. reconstructieplan: het Reconstructieplan Salland-Twente, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Overijssel bij besluit van 15 september 2004 (nr. PS/2004/738) en laatstelijk gewijzigd bij besluit van 1 juli 2009.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doorwerking reconstructieplan</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan dienen, voor wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming te zijn met het reconstructieplan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor zover aan het bepaalde in lid 1 nog niet is voldaan, geldt voor die vaststelling in afwijking van het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, een termijn van zes maanden na inwerkingtreding van deze titel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen toelichting</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voor gebieden die als landbouwontwikkelingsgebied zijn opgenomen in het reconstructieplan gaan vergezeld van een toelichting dan wel onderbouwing, waaruit blijkt op basis van welke gegevens, waarderingen en afwegingen tot vaststelling is besloten, een en ander in overeenstemming met de vereisten van het Reconstructieplan Salland-Twente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij de toelichting dan wel onderbouwing als bedoeld in lid 1 wordt in elk geval expliciet verwoord op welke wijze de regels met betrekking tot bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen op het reconstructieplan zijn afgestemd.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.10. Glastuinbouwlocaties</h3>\n<p class=\"lf-p\">19[Toelichting: Provinciaal belang Het beleid in de Omgevingsvisie is gericht op verdere ontwikkeling van het glastuinbouwcluster in de Koekoekspolder binnen de daarvoor aangegeven grens en op het tegengaan van nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven buiten dat gebied. Alleen in Koekoekspolder Titel 2.10. beoogt de doorwerking van dit beleid juridisch te borgen. Al bestaande en als zodanig bestemde glastuinbouwbedrijven buiten de Koekoekspolder worden door het bepaalde in artikel 1 niet in hun uitbreidingsmogelijkheden beperkt, met dien verstande dat dergelijke beperkingen wel kunnen voortvloeien uit andere regels en dat de voorgenomen uitbreidingen uiteraard niet feitelijk het karakter van nieuwvestiging mogen hebben. Ondersteunend glas Overigens ziet titel 2.10. niet op gevallen waar sprake is van ondersteunend glas, bijvoorbeeld ten behoeve van de boomteelt. Daarvoor gelden overigens wel de generieke bepalingen van titel 2.1. (voorwaarden van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien niet in nieuwe mogelijkheden voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven buiten het daarvoor op de kaart Ontwikkelingsperspectieven nr. 009295055 als ‘glastuinbouw’ aangegeven glastuinbouwgebied de Koekoekspolder.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.11. Cultuurhistorie</h3>\n<p class=\"lf-p\">20[Toelichting: Provinciaal belang Cultuurhistorische waarden spelen een belangrijke rol in de identiteit en de leefkwaliteit van Overijssel. De provincie zet in op een integrale benadering van het cultuurhistorisch erfgoed in ruimtelijke ontwikkelingen. De uitdaging ligt in het behouden van cultuurhistorische waarden door ze te verbinden met actuele en toekomstige (ruimtelijke) ontwikkelingen. Door het vinden van een nieuwe functie en bestaansbasis die aansluit bij de eisen van de huidige samenleving wordt behoud op de lange termijn veilig gesteld. Het behoud en het beleefbaar maken van cultuurhistorische waarden levert een bijdrage aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat en aan een grotere toeristische belevingswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorische waarden zijn in deze optiek geen belemmering voor voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, maar bieden juist kansen om te benutten bij het versterken van het ruimtelijke ontwerp. Om die rol goed te kunnen vervullen is het van belang dat in vroegtijdig stadium van de planvorming bekend is welke waarden in een gebied aanwezig zijn zodat daarmee gerekend kan worden. Gebiedskenmerken Door middel van de gebiedskenmerken zoals die in de Catalogus Gebiedskenmerken zijn benoemd wordt voor een groot deel al bereikt dat rekening wordt gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Deze gebiedskenmerken zullen vooral een rol gaan spelen op het moment dat over wordt gegaan tot inpassing van een ontwikkeling in het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke motiveringsplicht die geregeld wordt in artikel 2.12.2. moet ertoe leiden dat in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling rekening wordt gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden zodat die niet alleen beschermd worden, maar ook positief benut gaan worden bij de keuze van de locatie en de aard en functie van ruimtelijke ontwikkelingen. Gemeenten zijn op basis van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg al verplicht om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te treffen om dit te bewerken. Dit is een punt van aandacht in de toelichting op bestemmingsplannen. Deze motiveringsplicht wordt met deze regeling in de verordening verbreed zodat ook aan het bovengrondse deel van het cultuurhistorisch erfgoed in de ruimtelijke afwegingen aandacht moet worden besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologische verwachtingskaart De Archeologische Verwachtingskaart geeft de kans op het aantreffen van archeologische waarden en de Archeologische Gebiedenkaart geeft de archeologische waarden en monumenten aan die op basis van vondsten bekend zijn. Deze kaarten kunnen gebruikt worden bij het ontwikkelen van een visie op ruimtelijke plannen. In 2009 wordt nog een detailkaart aardkundige waarden gemaakt. In de Catalogus Gebiedskenmerken wordt voor diverse landschapstypen aandacht gevraagd voor cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden. De provinciale archeologische gebiedenkaart en de provinciale archeologische verwachtingenkaart geven de archeologische waarden en verwachtingen weer op provinciaal niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het merendeel van de Overijsselse gemeenten beschikt echter ook over een eigen archeologische waardenkaart om aan de verplichtingen van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg te voldoen. Gemeenten kunnen bij de ontwikkeling van hun plannen uiteraard gebruik maken van dit meer gedetailleerde kaartmateriaal. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze titel wordt verstaan onder: a. cultuurhistorische waarden: het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.12. Verblijfsrecreatie</h3>\n<p class=\"lf-p\">21[Toelichting: Provinciaal belang Het huidige aanbod aan verblijfsaccommodaties in Overijssel sluit niet in alle opzichten aan op de behoeften van recreanten en toeristen. Kwantitatief is er in principe voldoende aanbod. Kwalitatief schiet het aanbod nog te kort. Verdere uitbreiding van het aantal recreatiewoningen is ongewenst omdat bij een te lage bezettingsgraad van recreatiewoningen het risico van permanente bewoning toeneemt. Ook om het ondernemerschap en de kwaliteit van de voorzieningen onder druk te staan. Afgezien daarvan is het uit een oogpunt van zuinig ruimtegebruik ongewenst om nieuw aanbod te creëren die niet zal worden opgenomen door de recreatieve verhuurmarkt. Om het huidige aanbod aan recreatiewoningen meer aan te laten sluiten op de vraag zet de provincie in op kwaliteitsverbetering en het vergroten van de diversiteit in het aanbod aan verblijfsaccommodatie in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatiewoningen dienen beschikbaar te zijn voor de verhuur omdat hierdoor meer mensen kunnen profiteren van deze verblijfsrecreatieve voorzieningen en er meer toeristen naar Overijssel kunnen komen. De provincie verwacht dat door de steeds wisselende vakantiegangers, het economische effect (= bestedingen) voor de omgeving groter is. De bedrijfsmatige exploitatie van complexen van recreatiewoningen biedt garanties dat de recreatiewoningen op de lange termijn beschikbaar blijven voor verhuur. Beperkt ruimte In de verordening wordt de uitspraak in de Ontwerp Omgevingsvisie vastgelegd dat alleen nog ruimte wordt geboden voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen als sprake is van een innovatief concept en als verzekerd is dat de recreatiewoningen voor de verhuur beschikbaar zijn en bedrijfsmatig geëxploiteerd zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder innovatieve concepten worden verstaan verblijfsrecreatieve voorzieningen die voorzien in een nieuw aanbod waarin de markt tot dusver nog niet voorziet en die een meerwaarde bieden voor het toeristisch-recreatieve product van Overijssel. Onder de kwaliteitsimpuls voor bestaande recreatiebedrijven vallen die situaties waarin een bestaand recreatieterrein een totale verbetering ondergaat door investeringen in de aanwezige recreatieverblijven waarbij voor de exploitatie ook nieuwe recreatiewoningen moeten worden toegevoegd. Daarbij geldt dat ook geïnvesteerd moet worden in de inpassing van het recreatieterrein in het landschap waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd. Hierdoor wordt niet alleen de kwaliteit van de voorziening verbeterd, maar ook de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder worden enkele specifieke locaties (die al in het Gebiedsperspectief Noordwest-Overijssel waren voorzien en de locatie Saasveld waarvoor eerder een plan voor verblijfsrecreatie is goedgekeurd) buiten het ‘verbod op nieuwe recreatiewoningen' gehouden omdat daar sprake is van ‘bestaande rechten'. Voor deze locaties geldt uiteraard wel de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie. Op het moment dat toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12.2. lid 1 is ook artikel 2.1.6. (kwaliteitsimpuls) van toepassing en zal een extra investering moeten worden gedaan in ruimtelijke kwaliteit. AMvB Ruimte In de AMvB Ruimte zal het Rijk juridisch bindende normen opnemen ten aanzien van de nieuwbouw van recreatiewoningen die rechtstreeks doorwerking hebben op gemeentelijke bestemmingsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar het Rijk ruimte biedt voor nieuwbouw van recreatiewoningen op locaties buiten het bestaand bebouwd gebied waar ook woningbouw kan worden toegestaan en voor complexen van recreatiewoningen voor zover het recreatieve gebruik door middel van een bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd, ziet de provincie aanleiding om verdergaande beperkingen op te leggen gelet op het aanwezige aanbod in Overijssel. De aanvullende eis is dat er sprake moet zijn van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande terreinen. Verder moet het gaan om een op verhuur gerichte exploitatie. Permanente bewoning In de verordening wordt het principe vastgelegd dat recreatiewoningen die op enig moment als zodanig zijn gebouwd, beschikbaar moeten blijven voor recreatief gebruik door een breed publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform het Rijksbeleid wordt ruimte gelaten voor een persoonsgebonden overgangsrecht/gedoogbeschikking/ontheffing voor die gevallen waarin vóór 31 oktober 2003 sprake was van permanente bewoning die sindsdien onafgebroken is voortgezet. Waar gemeenten op het moment van inwerkingtreding van de verordening een objectgebonden overgangsrecht hebben toegekend, wordt dit als een bestaand recht gerespecteerd. Geen woonbestemming In aanvulling op de toekomstige regeling in de AMvB Ruimte - die voor de provincie Overijssel te ruim wordt geacht - wordt geregeld dat de bestemming van recreatiewoningen niet mag worden gewijzigd in een woonbestemming. De achtergrond van deze regel is dat recreatiewoningen die op enig moment als zodanig zijn gebouwd, beschikbaar moeten blijven voor een recreatieve functie om te voorkomen dat voor de bouw van nieuwe recreatiewoningen (opnieuw) beslag wordt gelegd op de groene omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor die permanent bewoonde recreatiewoningen die staan in stads- en dorpsrandgebieden, voor zover het niet gaat om gebieden die aangewezen zijn als EHS en nationaal landschap. Daarbij moet ook worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit voor (bestaande) regulier woningen en relevante milieuwetgeving en milieuregelgeving. Reden voor deze uitzondering is dat deze gebieden op termijn wellicht toch gaan vallen binnen het stads- en dorpsgebied in het kader van stadsuitleg en een woonfunctie aansluit bij de functie van het naastgelegen gebied. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.1</span><span class=\"lf-art-t\">In deze verordening wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, dat niet op wielen verplaatsbaar is en dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen; b. recreatieverblijf: een gebouw of kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt; c. kampeermiddel: een tent, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of voertuig of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd zijn of kunnen worden gebruikt voor toeristisch nachtverblijf; d. bedrijfsmatige exploitatie: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer dat in de recreatieve verblijven daadwerkelijk recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.2</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft: de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt; de locaties voor verblijfsrecreatie die als zodanig zijn aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051, waarbij geldt dat op locaties aangeduid met * alleen kleinschalige complexen zijn toegestaan, mits door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie verzekerd is dat er sprake zal zijn van recreatief gebruik.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op recreatiewoningen die worden gerealiseerd in het kader van de kwaliteitsimpuls Groene omgeving, voor zover deze recreatiewoningen voldoen aan de eis van op de verhuurgerichte, bedrijfsmatige exploitatie.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De regels van bestemmingsplannen sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht persoonsgebonden overgangsrecht, een persoonsgebonden gedoogbeschikking of een persoonsgebonden ontheffing, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan permanente bewoning van recreatiewoningen worden toegestaan met een daarop gericht objectgebonden overgangsrecht, voor zover deze recreatiewoningen vóór of op 31 oktober 2003 permanent werden bewoond en dat gebruik sindsdien onafgebroken is voortgezet, voor zover op het moment van inwerkingtreding van deze verordening in een geldende bestemmingsplan voorzien was in een dergelijk objectgebonden overgangsrecht.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12.4</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voorzien niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op enig moment als zodanig is gebouwd, een woonbestemming wordt toegekend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan aan recreatiewoningen een woonbestemming worden toegekend voor zover deze recreatiewoningen al vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond werden en deze permanente bewoning sindsdien onafgebroken is voortgezet voor zover:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voldaan wordt aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 voor (bestaande) reguliere woningen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voldaan wordt aan relevante milieuwet- en regelgeving;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de recreatiewoningen staan in stads- en dorpsrandgebieden voor zover het niet gaat om gebieden die zijn aangewezen als EHS en Nationaal Landschap.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.13. Drinkwatervoorziening</h3>\n<p class=\"lf-p\">22[Toelichting: Provinciaal belang De bescherming van het grondwater met het oog op de openbare drinkwatervoorziening is een provinciaal belang. Daarom worden de bestaande en toekomstige drinkwatervoorzieningen (ook) via de ruimtelijke ordening beschermd. Voor het ruimtelijke ordeningsbeleid is het uitgangspunt dat het risico op verontreiniging van het grondwater binnen grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden wordt tegengegaan. Hierbij worden in deze titel bepalingen opgenomen die ruimte bieden voor ontwikkelingen in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden voor zover deze ontwikkelingen: ¿ Bijdragen aan kwalitatief goed grondwater; ¿ De risico van grondwaterverontreiniging verkleinen; ¿ Geen risico van grondwaterverontreiniging met zich meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drinkwaterwet Overigens werkt het Rijk aan een (nieuwe) Drinkwaterwet. In deze wet wordt rechtstreeks de bescherming van de drinkwatervoorzieningen geregeld en beschermd. Bij de opstelling van de bepalingen is al rekening gehouden met de komende wetgeving. Werkingsgebied Voor een juiste bepaling van de locaties waarvoor de betreffende onderdelen van toepassing zijn, zijn aan de verordening kaarten (op perceelsniveau) toegevoegd die de volgende gebieden aanduiden: ¿ Grondwaterbeschermingsgebieden ¿ Grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies ¿ Intrekgebieden ¿ Intrekgebieden met stedelijke functies ¿ Waterwingebieden Relatie milieuspoor De bescherming van de drinkwatervoorziening dient enerzijds gerealiseerd te worden door middel van het ruimtelijke ordeningsspoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds dient ook in het milieuspoor zorg te worden gedragen voor de bescherming van de drinkwatervoorziening. Hiervoor zijn in hoofdstuk 3 van deze verordening de noodzakelijke regelingen getroffen. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar de passages bij hoofdstuk 3. Definities In titel 2.13. is voor de gebruikte definities aansluiting gevonden bij de omschrijvingen zoals opgenomen in de waterbijlage van de Omgevingsvisie. Het gaat daarbij om onder andere de volgende definities: harmoniërende functies, niet-risicovolle functies, grote en grootschalige risicovolle functies, stand still-principe en stap vooruit-principe. Onder harmoniërende functies worden in elk geval verstaan: ¿ Extensieve land- en tuinbouw, waaronder beheerslandbouw en biologische land- en tuinbouw ¿ Extensieve recreatie ¿ Landschaps-, natuur- en bosbouw ¿ Nieuwe landgoederen en buitenplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies worden onder niet-risicovolle functies in ieder geval begrepen projecten van minder dan 10 woningen. In intrekgebieden met stedelijke functies worden onder niet-risicovolle functies in elk geval begrepen projecten van minder dan 100 woningen. Onder grote of grootschalige risicovolle functies worden in elk geval verstaan grote en grootschalige vormen van: ¿ (Dag- en verblijfs-)recreatie ¿ Woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen) ¿ Stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening) ¿ Autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia), spoorwegen (inclusief emplacementen) en waterwegen (inclusief havens) ¿ Bedrijventerreinen ¿ Buisleidingen voor gas, olie(producten) of chemicaliën ¿ Nieuwe rioolwaterzuiveringsinstallaties en diepteontgrondingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder niet-risicovolle functies worden alle functies verstaan die niet gerekend worden tot harmoniërende functies en tot grote of grootschalige risicovolle functies. Bescherming RO-spoor De grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden krijgen in deze titel hun bescherming in de RO-regelgeving. Het beschermingsregime voor intrekgebieden is in grote lijnen vergelijkbaar met dat van grondwaterbeschermingsgebieden. De intrekgebieden liggen echter op een grotere afstand van de winputten en zijn daarom minder kwetsbaar. Daarom is voor intrekgebieden het aanvaardbaar dat er minder zware eisen worden gesteld aan nieuwe ontwikkelingen. Waar in grondwaterbeschermingsgebieden alleen niet-risicovolle functies worden toegestaan die voldoen aan het stand still-principe, geldt dat in intrekgebieden naast niet-risicovolle ook grote risicovolle functies worden toegestaan die aan dit principe voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grondwaterbeschermingsgebieden geldt voor grote en grootschalige activiteiten de eisen van zwaarwegend maatschappelijk belang, ontbreken alternatieven en stap-vooruit. In intrekgebieden worden deze voorwaarden alleen gesteld bij grootschalige activiteiten. Verder wordt een onderscheid gemaakt tussen grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden met stedelijke functies en overige, overwegend landelijke gebieden. In gebieden met stedelijke functies komen vaak van oudsher al activiteiten voor die een risico kunnen opleveren voor de grondwaterkwaliteit. De eisen van zwaarwegend maatschappelijk belang en het ontbreken van alternatieven zou voor deze gebieden ongerechtvaardigde beperkingen opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is voor deze gebieden een afwijkende regeling van toepassing zodat nieuwe stedelijke functies kunnen worden toegestaan mits de risico's worden verminderd (stap vooruit principe in grondwaterbeschermingsgebieden) of de risico's niet toenemen (stand still-principe in intrekgebieden). Voor het overige wordt de bescherming van de grondwaterbeschermingsgebieden geregeld in hoofdstuk 3. Voor deze gebieden geldt namelijk dat er op allerlei activiteiten die risico's opleveren voor de kwaliteit van het grondwater, milieuregels van toepassing zijn. Voor grote en grootschalige activiteiten is een ontheffing nodig. Ten aanzien van de intrekgebieden geldt dat er alleen bescherming is via het ruimtelijke spoor mogelijk is omdat de Wet milieubeheer hierin niet voorziet. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. waterwingebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; b. grondwaterbeschermingsgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; c. grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; d. intrekgebieden: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; e. intrekgebieden met stedelijke functies: de als zodanig op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 aangegeven gebieden; f. stand still-principe: beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen; g. stap vooruit-principe: beginsel dat erop gericht is de risico’s op verontreiniging van het grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te verbeteren; h. methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming: de door Gedeputeerde Staten als zodanig vastgestelde methodiek; i. niet-risicovolle functies: alle functies behalve harmoniërende functies en grotere of grootschalige risicovolle functies; j. harmoniërende functies: functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning; k. grote en grootschalige risicovolle functies: functies die gelet op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.2</span><span class=\"lf-art-t\">Waterwingebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten dienste staan aan de drinkwaterwinning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in grondwaterbeschermingsgebieden ook nieuwe niet-risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.6</span><span class=\"lf-art-t\">Grote of grootschalige risicovolle functies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterbeschermingsgebieden met een stedelijke functie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.4 en 2.13.6 kunnen binnen grondwaterbeschermingsgebieden met stedelijke functies nieuwe grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functies voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stap vooruit-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.8</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekgebieden met stedelijke functies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in de artikelen 2.13.5 en 2.13.6 kunnen binnen intrekgebieden met stedelijke functies nieuwe grotere of grootschalige risicovolle functies worden toegestaan mits deze functie voldoet aan de eis van een goede ruimtelijke ordening en aan het stand still-principe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13.9</span><span class=\"lf-art-t\">Toelichting op bestemmingsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij enig bestemmingsplan ingevolge dit hoofdstuk dient te zijn voldaan aan het stand still-principe of aan het stap vooruit-principe, wordt dat in de toelichting bij dat plan verantwoord op basis van toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.14. Watergebiedsreservering</h3>\n<p class=\"lf-p\">23[Toelichting: Provinciaal belang Doel van deze regeling is bescherming te bieden tegen overstroming en wateroverlast. Door klimaatverandering neemt de kans daarop toe. Primaire watergebieden en waterbergingsgebieden Primaire watergebieden en waterbergingsgebieden worden aangewezen als gebieden waarin water in extreme situaties kan worden vastgehouden om te voorkomen dat waterafvoersystemen overbelast raken en er wateroverlast optreedt op plekken waar dit meer schade toebrengt. Primaire waterbergingen zijn gebieden die vanwege de natuurlijke lage ligging bij hoog water gemakkelijk onderlopen. Waterbergingsgebieden zijn gebieden die door het aanbrengen van waterhuishoudkundige werken zoals dijken, kades en toevoerwerken geschikt gemaakt zijn voor waterberging.</p>\n<p class=\"lf-p\">In primaire watergebieden en waterbergingsgebieden mag worden gebouwd mits hierdoor het waterbergend vermogen niet wordt aangetast. Daarbij geldt wel dat nieuwe kapitaalintensieve functies zoveel mogelijk worden geweerd in verband met schadekosten. Gebieden met risico op overstroming Gebieden met risico op overstroming zijn gebieden in lage delen van Overijssel die geheel of gedeeltelijk omgeven zijn door primaire waterkeringen en waar het risico bestaat dat bij een doorbraak het gebied snel en diep dan wel minder snel en ondiep onderloopt. De gevolgen van een overstroming worden bepaald door de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart) en de snelheid waarmee een gebied overstroomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overstromingsrisicogebieden die snel en diep onderlopen (gelegen binnen dijkring 10: Mastenbroek en dijkring 11: IJsseldelta) mag in principe geen nieuwe bebouwing worden toegevoegd. Een uitzondering wordt gemaakt voor nieuwe bebouwing die nodig is vanuit zwaarwegende maatschappelijke belangen en t.b.v. agrarische functies of kleinschalige individuele woonfuncties. Voor alle gebieden binnen dijkringen is het gewenst dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe woonwijken, bedrijventerreinen en herstructurering) tijdig nadenken over voorzieningen die in zo'n geval getroffen kunnen en moeten worden om de bebouwing te beschermen tegen onderlopen, het gebied te kunnen evacueren of belangrijke functies veilig te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij bijvoorbeeld over het ophogen van gebieden, het realiseren van hoger gelegen wegen of locale dijken en kaden die vitale bebouwing beschermen. De urgentie van dit soort voorzieningen is hoger voor gebieden die snel en diep onderlopen (binnen dijkring 10:Mastenbroek en dijkring 11: IJsseldelta) dan voor gebieden die langzaam en minder diep onderlopen (binnen dijkring 9: Vollenhove, dijkring 52: Oost-Veluwe en dijkring 53: Salland). De verordening schrijft voor dat voor gebieden met risico op overstroming een overstromingsrisicoparagraaf wordt opgenomen in de toelichting bij bestemmingsplannen, waarin aandacht wordt besteed aan deze aspecten. Essentiële waterlopen Voor essentiële waterlopen geldt dat er aan weerszijden een strook van 100 meter wordt aangewezen als zone die gevrijwaard moet worden van ontwikkelingen die nu en in de toekomst belemmerend kunnen werken voor het waterafvoerend en waterbergend vermogen van deze waterlopen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Primaire watergebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen die betrekking hebben op primaire watergebieden zoals op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 aangegeven, voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Waterbergingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen die betrekking hebben op waterbergingsgebieden die als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, regelen de instandhouding van de waterhuishoudkundige werken en voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen die de rol van deze gebieden voor wateropvang belemmeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.3</span><span class=\"lf-art-t\">Gebieden met risico op overstroming (minder snel en ondiep onderlopende gebieden)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 9: Vollenhove, 52: Oost-Veluwe, 53: Salland (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, voorzien alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen binnen deze gebieden als in het desbetreffende bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De toelichting bij bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de risico’s bij overstroming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gebieden met risico op overstroming (snel en diep onderlopende gebieden)</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen de dijkringen 10: Mastenbroek en 11: IJsseldelta (wettelijk vastgelegde dijkringgebieden) en als zodanig op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 zijn aangegeven, voorzien alleen in het realiseren van nieuwe bebouwing binnen deze gebieden als er sprake is van zwaarwegend maatschappelijk belang. Het desbetreffende bestemmingsplan stelt in dit geval zodanige voorwaarden dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het gestelde in lid 1 wordt de voorwaarde van zwaarwegend maatschappelijk belang, niet gesteld ten aanzien van agrarische functies en incidentele woonbebouwing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden als bedoeld in lid 1, is voorzien van een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de risico’s bij overstroming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14.5</span><span class=\"lf-art-t\">Essentiële watergangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen die op kaart Waterveiligheid nr. 09295054 als zodanig zijn aangegeven, voorzien binnen stroken van 100 meter aan weerzijden van deze essentiële waterlopen niet in nieuwe ontwikkelingen die:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de functie van deze waterlopen voor de waterafvoer beperken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de toekomstige verruiming van de waterloop ten behoeve van afvoer en berging van water onmogelijk maken.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.15. Windturbines</h3>\n<p class=\"lf-p\">24[Toelichting: Provinciaal beleid De provincie bevordert de opwekking van duurzame energie. In dat kader wordt ingezet op het vergroten van het aandeel van windenergie in de energieopwekking. Op dit moment leveren de 3 windturbines in Staphorst (de Lichtmis) een totaalvermogen van 6 MW (megawatt). De provincie heeft met het Rijk afgesproken dat in 2010 tenminste 80 MW in de vorm van duurzame energie zal worden geleverd. Inmiddels zijn diverse projecten in voorbereiding waarbij windturbines zullen worden opgericht. Met name in de gebieden die in de Omgevingsvisie zijn aangemerkt als kansrijk zoekgebied windenergie verwacht de provincie haar taakstelling op het gebied van windenergie te kunnen behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen Niet overal binnen Overijssel is de oprichting van windturbines gewenst gelet op de impact die dat kan hebben op landschappelijke en natuurlijke waarden. Verder geldt dat hoge bouwwerken ongewenst zijn binnen zones waar (laag) gevlogen kan worden. In de verordening wordt daarom de oprichting van windmolens uitgesloten binnen de EHS, de twee nationale landschappen (IJsseldelta en Noordoost-Twente) en gebieden die zijn aangewezen als laagvliegroutes en funnels. Verplichte clustering In de verordening is het principe van verplichte clustering vastgelegd. In de groene omgeving zijn windturbines alleen toegestaan in de vorm van een windpark. Een windpark bestaat uit minimaal 4 windturbines.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering op dit principe van clustering wordt gemaakt voor windturbines met een maximale tiphoogte van 25 meter. De invloed van deze kleine molens op de omgeving is namelijk relatief gering. Gebiedskenmerken Buiten deze gebieden is de oprichting van windturbines in principe toegestaan op grond van het provinciale beleid. Gemeenten zullen de initiatieven voor het plaatsen van windturbines verder moeten beoordelen op basis van een nadere verkenning van de lokale situatie. Afhankelijk van de situering ten opzichte van natuurgebieden, zal ecologisch onderzoek nodig zijn om aan te tonen dat de oprichting van de windmolens niet zal leiden tot significante effecten op beschermde natuurwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle gevallen zal toegelicht moeten worden hoe de plaatsing van windturbines zich verhoudt tot de aanwezige gebiedskenmerken. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 2.1.5. van deze verordening (sturen op ruimtelijke kwaliteit). ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. windturbines: een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15.2</span><span class=\"lf-art-t\">Uitsluiting windturbines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines binnen gebieden die:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op grond van artikel 2.7.2. gerekend worden tot de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>op grond van artikel 2.6.2. worden aangemerkt als Nationaal Landschap of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>die vallen binnen de als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven laagvliegroutes en funnel vliegveld Twente.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eis van clustering</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen die betrekking hebben op de groene omgeving voorzien uitsluitend in de mogelijkheid van het oprichten van nieuwe windturbines in de vorm van windparken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het bepaalde in lid 1 kunnen bestemmingsplannen voor de Groene omgeving individuele windturbines toestaan voor zover de tiphoogte daarvan niet meer bedraagt dan 25 meter.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.16. Basisrecreatietoervaartnet</h3>\n<p class=\"lf-p\">25[Toelichting: Provinciaal belang De landelijke toeristisch-recreatieve infrastructuur voor de recreatieve toervaart is van belang voor de beleving van de omgeving en de toeristische aantrekkingskracht van de provincie. Niet alleen hebben de routes een hoge recreatieve belevingswaarde, maar ook hebben zij een gunstig effect op de economische omzet van bedrijven langs deze routes. Voor de aantrekkelijkheid van de routes is - naast de vrije doorvaart - het van belang dat zij goed worden ingepast bij eventuele nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen. Motiveringsplicht De regeling voorziet in een bijzondere motiveringsplicht, om te verzekeren dat in gebieden rond het als zodanig aangegeven basisrecreatietoervaartnet in een vroeg stadium van de planontwikkeling hieraan aandacht wordt geschonken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens blijven daarnaast de generieke bepalingen in titel 2.1. (principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken) van toepassing. AMvB Ruimte Deze regeling is een aanvulling op de regeling die het Rijk zal treffen in de AMvB Ruimte en die gericht is op het veiligstellen van de vrije doorvaart op de basisrecreatietoervaartnet, dat in de Nota Ruimte is aangemerkt als nationaal belang. De ontwerp-AMvB voorziet in een (rechtstreekse) opdracht aan de raad om ten opzichte van geldende bestemmingsplannen geen wijzigingen aan te brengen in de bestemming die een nieuwe belemmering vormen of kunnen vormen voor de doorgang van schepen met bepaalde doorvaartmaten. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het basisrecreatietoervaartnet zoals is aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.17. Fiets- en wandelroutestructuren</h3>\n<p class=\"lf-p\">26[Toelichting: Provinciaal belang De bovenlokale toeristisch-recreatieve infrastructuur voor fietsen en wandelen is van belang voor de beleving van de omgeving en de toeristische aantrekkingskracht van de provincie. Niet alleen hebben de routes een hoge recreatieve belevingswaarde, maar ook hebben zij een gunstig effect op de economische omzet van bedrijven langs deze routes. Naast de landelijke routes zoals de Lange afstand wandelpaden (LAW's) en de Landelijke Fietsroutes (LF's) die door Overijssel lopen, gaat het om provinciale fiets- en wandelstructuren zoals de paden die deel uitmaken van het Raamplan Fietspaden, het Fietsroutenetwerk Overijssel en het Wandelnetwerk Twente. Motiveringsplicht Voor de aantrekkelijkheid van de bovenlokale routes is het van belang dat zij goed worden ingepast bij eventuele nieuwe (stedelijke) ontwikkelingen. Het ontstaan van nieuwe belemmeringen, barrières en knelpunten moet zoveel mogelijk worden tegengegaan en in ieder geval gecompenseerd moeten worden door bijvoorbeeld het aanleggen van alternatieve tracés waarbij de belevingswaarde van de route gewaarborgd blijft. De regeling voorziet in een bijzondere motiveringsplicht, om te verzekeren dat in een vroegtijdig stadium van de planontwikkeling hieraan aandacht wordt geschonken. Overigens blijven daarnaast de generieke bepalingen in titel 2.1. (principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectief en gebiedskenmerken) van toepassing. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met bestaande bovenlokale fiets- en wandelroutestructuren zoals aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.18. Externe Veiligheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">27[Toelichting: Provinciaal belang Economische ontwikkeling en toename van de bevolking betekenen een toename van externe veiligheidsrisico's. De intensiteit van risicovolle activiteiten, waaronder het transport van gevaarlijke stoffen via weg, spoor en water en via ondergrondse transportleidingen neemt toe. Daarnaast is er de opgave om voor de bevolking en veilige woon-, werk-, en leefomgeving in stand te houden en daar waar nodig te creëren. Daarom zijn keuzes noodzakelijk. Provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen over (vaar)wegen is een provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen aangewezen. Het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen is afgestemd op het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen voor weg, water en spoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen komen tot een aaneengesloten route van transport van gevaarlijke stoffen is het van belang om langs (vaar)wegen die zijn vrijgegeven en (mogelijk) aangewezen worden als route gevaarlijke stoffen, het toevoegen van kwetsbare functies te voorkomen als dit zou leiden tot beperking van de gebruiksmogelijkheden van de (vaar)weg als onderdeel van de route gevaarlijke stoffen. Buisleidingen Uit een oogpunt van externe veiligheid stimuleert de provincie het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Voor hoofdtransportleidingen en regionale transportleidingen van aardgas worden vooruitlopend op de AMvB Buisleidingen vrijwaringszones geregeld waarbinnen niet gebouwd mag worden als dit zou leiden tot een inperking van de ruimtelijke reservering voor intensivering van de transportfunctie van deze leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essentiële functies Essentiële functies en gebouwen moeten zonder meer inzetbaar zijn bij een crisis, ramp of andere calamiteit. Dit geldt voor rampencoördinatiecentra, als traumacentrum aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales, specifieke infrastructuur enz. Deze functies dienen te worden beschermd tegen externe veiligheidsrisico's. Kwetsbare objecten dienen ruimtelijk gescheiden te zijn van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. buisleiding gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven regionale en hoofdtransportleidingen voor het transport van aardgas, olie, olieproducten, chemicaliën en CO2; b. provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen: als zodanig op kaart Externe Veiligheid nr. 09295052 aangegeven (vaar)wegen die vrijgegeven zijn en (mogelijk) aangewezen worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over weg of water; c. essentiële functies en gebouwen: functies en gebouwen die essentieel zijn voor het effectief kunnen bestrijden en beperken van gevolgen van crises, rampen en andere calamiteiten, zoals rampencoördinatiecentra, als traumacentra aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en infrastructuur die nodig is bij eventuele ontruimingen van een gebied; d. kwetsbaar object: object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel m van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening; e. beperkt kwetsbare objecten: objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening; f. groepsrisico: cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van risicobron; g. plaatsgebonden risico: risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die bepaalde plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval met een risicobron; h. invloedsgebied: gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico; i. exploitant: de instantie die verantwoordelijk is voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de risicobron; j. risicokaart: een geografische kaart waarop de in de provincie aanwezige risico’s zijn aangeduid als bedoeld in artikel 6a van de Wet Rampen en zware ongevallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.2</span><span class=\"lf-art-t\">Buisleiding gevaarlijke stoffen en belemmeringenstroken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">28[Toelichting: Artikel 2.18.2. en 2.18.3. geven voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst geregeld worden door een AMvB (Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen) en de structuurvisie buisleidingen. De procedure daarvan loopt, maar de verwachting is dat de AMvB en structuurvisie pas over enige tijd in werking zal treden. Bij buisleidingen die op de risicokaart staan kan men op deze kaart ook de GR (groepsrisico) en PR- (plaatsgebonden risico) contour aflezen. Zolang dit nog niet voor de volledige 100% is geborgd kunnen de contouren nog bij de Gasunie of NAM worden opgevraagd. Dat kan via het steunpunt of via info@concernloket.nl ] 1. Bestemmingsplannen voorzien in een specifieke bestemming en/of aanduiding voor de in het plangebied aanwezige buisleidingen gevaarlijke stoffen en de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt bepaald dat bouwwerken alleen zijn toegestaan na ontheffing gehoord de exploitant. Deze ontheffing kan alleen worden verleend voor zover de buisleiding niet wordt geschaad en geen kwetsbare objecten worden toegelaten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In het kader van het toekennen van de bestemming en/of aanduiding als bedoeld onder 1 wordt een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de buisleiding.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkelingen nabij buisleiding gevaarlijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">29[Toelichting: Artikel 2.18.2. en 2.18.3. geven voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst geregeld worden door een AMvB (Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen) en de structuurvisie buisleidingen. De procedure daarvan loopt, maar de verwachting is dat de AMvB en structuurvisie pas over enige tijd in werking zal treden. Bij buisleidingen die op de risicokaart staan kan men op deze kaart ook de GR (groepsrisico) en PR- (plaatsgebonden risico) contour aflezen. Zolang dit nog niet voor de volledige 100% is geborgd kunnen de contouren nog bij de Gasunie of NAM worden opgevraagd. Dat kan via het steunpunt of via info@concernloket.nl] 1. Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object als is aangetoond dat de grenswaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten in acht genomen wordt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object of van een buisleiding met gevaarlijke stoffen als rekening is gehouden met de richtwaarde van 10-6 met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het gestelde onder lid 2 kan overschrijding van de richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan na ontheffing zoals bedoeld in artikel 3.6, lid 1, sub c Wro, mits:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>sprake is van een groot maatschappelijk belang en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>verzekerd is dat zodanige maatregelen worden getroffen dat een goed woon- en leefklimaat verzekerd is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.4</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe ontwikkelingen en transport gevaarlijke stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">30[Toelichting:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(nieuwe ontwikkelingen nabij provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen) Dit artikel geeft een voorlopige invulling aan zaken die in de toekomst geregeld worden door een AMvB (Besluit Transport Externe Veiligheid). De procedure daarvan loopt, maar de verwachting is dat de AMvB pas over enige tijd in werking zal treden. De toekomstige AMvB stelt dat bij alle overige wegen (de niet in het landelijk basisnet genoemde wegen) naast het GR en het PR ook rekening moet worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied van 20 meter. Daarnaast geeft het toekomstige basisnet naar alle waarschijnlijkheid de mogelijkheid een provinciaal basisnet op te zetten. Samenhang en continuïteit routenetwerk In de verordening is een bijzondere motiveringsplicht opgenomen op grond waarvan gemeenten in de toelichting moeten ingaan op de vraag in hoeverre bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het principe van provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk vervoer gevaarlijk stoffen Nieuwe ontwikkelingen Door nu via de Omgevingsverordening te borgen dat rekening wordt gehouden met als zodanig op de kaart aangegeven provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen, hoeft alleen bij die wegen rekening gehouden te worden met het plasbrandaandachtsgebied (i.p.v. bij alle gemeentelijke en provinciale wegen). Overigens is het relevant om te weten dat bij gemeentelijke en provinciale wegen de PR 10-6 contour in de regel op de weg zelf ligt en het plasbrandaandachtsgebied in de toekomst de voornaamste ruimtelijke belemmering zal zijn rondom deze wegen. Als (een deel van) de ruimtelijke ontwikkeling binnen de 200 meter van de weg plaatsvindt kan het, afhankelijk van de verwachte verandering van het groepsrisico, noodzakelijk zijn een berekening van het groepsrisico uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontwikkeling buiten deze 200 meter plaatsvindt, is een berekening in het kader van de verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Voor wat betreft artikel 2.18.4. lid 4, sub b is het de bedoeling dat in één grafiek de 0-situatie, de eindsituatie en oriënterende waarde van het groepsrisico met elkaar worden vergeleken. Essentiële functies Het begrip ‘Essentiële functies en gebouwen' is niet limitatief. Het gaat om functies en gebouwen die zonder meer inzetbaar moeten zijn bij een crisis, ramp of andere calamiteit. Dit geldt in ieder geval voor rampencoördinatiecentra, als traumacentrum aangewezen ziekenhuizen, energiecentrales en specifiek voor de rampenbestrijding benodigde infrastructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doorfunctioneren van deze functies dient te worden gegarandeerd door ze te beschermen tegen externe veiligheidsrisico's. Hierbij zal specifiek gekeken moeten worden naar de invloed op het doorfunctioneren van de essentiële functie. Bijvoorbeeld: een toxische wolk zal het doorfunctioneren van het C2000 netwerk niet beïnvloeden, maar heeft bij een als traumacentrum aangewezen ziekenhuis wel duidelijke gevolgen voor de inzetbaarheid. ] 1. In de toelichting op bestemmingsplannen die betrekking hebben op wegen en vaarwegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen wordt aangegeven op welke wijze bij de planontwikkeling rekening is gehouden met het uitgangspunt dat de provinciale samenhang en de continuïteit van dit routenetwerk moet worden geborgd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen voorzien alleen in de aanleg, bouw of vestiging van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten in het invloedsgebied van een (vaar)weg die op de risicokaart is aangeduid als ‘route gevaarlijke stoffen’ nadat is aangetoond dat dit geen beperkingen zal opleveren voor de functie van de (vaar)weg als onderdeel van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen en advies is gevraagd van de regionale brandweer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 stelt het bevoegd gezag, het bestuur van de regionale brandweer in wier gebied het bestemmingsplan ligt, in de gelegenheid advies uit te brengen over het groepsrisico en de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In de toelichting op een bestemmingsplan als bedoeld onder lid 2 wordt in elk geval vermeld: de aanwezige en de op grond van het bestemmingsplan te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; het groepsrisico per kilometer (vaar)weg op het tijdstip waarop het bestemmingsplan wordt vastgesteld en de invloed van het bestemmingsplan op de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval van 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast; andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan; de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de ‘route gevaarlijke stoffen’ om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet; het plasbrandaandachtsgebied en de maatregelen die met betrekking tot dit gebied zijn getroffen om de effecten van een zwaar ongeval of ramp te beperken; een samenvatting van het advies van de regionale brandweer over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp of het zware ongeval als bedoeld in de Wet Rampen en zware ongevallen, alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18.5</span><span class=\"lf-art-t\">Essentiële functies en gebouwen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe essentiële functies en gebouwen binnen het invloedsgebied van inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en/of binnen het invloedsgebied van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bestemmingsplannen voorzien niet in de aanleg, bouw of vestiging van nieuwe inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals die luidde op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en van een als zodanig aangewezen route gevaarlijke stoffen of buisleiding gevaarlijke stoffen als zich binnen het invloedsgebied essentiële functies en gebouwen bevinden, tenzij aangetoond is dat zodanige maatregelen getroffen zijn dat het essentiële gebouw of de essentiële functie naar zijn aard kan blijven functioneren in geval van een calamiteit.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.19. Mobiliteit</h3>\n<p class=\"lf-p\">31[Toelichting: Provinciaal belang Goede verbindingen zijn essentieel voor de economische groei en stedelijke ontwikkeling van de economische kerngebieden. Aan de andere kant kan mobiliteit ook de kwaliteit van de leefomgeving aantasten. Daarom wordt ingezet op bundeling van verkeersstromen op de hoofdinfrastructuur waar het belang van een goede en veilige doorstroming vervolgens voorop wordt gezet. Voor de overige wegen geldt dat het mobiliteitsbelang ondergeschikt wordt gesteld aan de kwaliteit van de leefomgeving, zoals de woonomgeving, landschap, natuur, toerisme en recreatie. Wegencategorisering Met het systeem van wegencategorisering wordt aan de diverse wegen een functie toegekend, waarop vervolgens de inrichting van de weg wordt aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee is niet alleen doorstroming gediend, maar wordt ook bijgedragen aan de verkeersveiligheid. Met gemeenten worden afspraken gemaakt over het toepassen van het systeem van wegencategorisering op gemeentelijke wegen. Concentratie De provincie zet vanuit het belang voor de economische ontwikkeling in op een goede bereikbaarheid van en naar stedelijke en streekcentra met zowel per auto, met het openbaar vervoer, met de fiets als over water. Omgekeerd dient bij het projecteren van ruimtelijk-economische activiteiten rekening gehouden worden met de effecten op de (hoofd)infrastructuur. Ontwikkelingen die mobiliteit oproepen dienen bij voorkeur geprojecteerd te worden nabij aansluitingen op de hoofdinfrastructuur en multimodale knooppunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluitingen Om de doorstroming op de hoofdinfrastructuur te verzekeren dient het aantal aansluitingen op deze wegen beperkt te blijven. Voor zover het gaat om provinciale wegen zal de provincie als wegbeheerder terughoudend omgaan met het toestaan van nieuwe aansluitingen. Wij gaan er vanuit dat voor rijkswegen het bestaande terughoudende beleid ten aanzien van het toestaan van nieuwe aansluitingen wordt gehandhaafd. In hoofdstuk 5 Verkeer is voorzien in een ontheffingssysteem voor uitwegen en aansluitingen op provinciale wegen. Door middel van beleidsregels worden kaders gesteld aan de verlening van dergelijke ontheffingen. Fietsverbindingen De provincie wil het aandeel van het fietsverkeer in het totaal aan verkeersbewegingen vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvoor is van belang dat fietsverbindingen voldoende kwaliteit hebben en snelle en aantrekkelijke routes volgen. Bij het projecteren van stedelijke ontwikkelingen dient aandacht te zijn voor een goede aansluiting op hoofdfietsverbindingen. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt verstaan onder: a. hoofdinfrastructuur: weg-, vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra; b. hoofdfietsverbindingen: hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en streekcentra; c. multimodale knooppunten: locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen verkeersmodaliteiten (weg, water, spoor).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19.2</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe ontwikkelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen worden geprojecteerd nabij aansluitingen op hoofdinfrastructuur, hoofdfietsverbindingen en multimodale knooppunten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2.20. Winlocaties grondstoffen</h3>\n<p class=\"lf-p\">32[Toelichting: Provinciaal belang Vanuit de ambitie dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met de ondergrond, is in de Omgevingsvisie vastgelegd dat wanneer de ondergrond gebruikt kan worden als bron van grondstoffen (waaronder oppervlaktedelfstoffen), deze kans duurzaam moet worden benut. Voor nieuwe ontgronden geldt dat deze multifunctioneel moeten zijn, moeten passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit. Vergunningverlening Nu is de provincie op grond van de Ontgrondingenwet de instantie die moet beslissen over de vergunningen voor ontgrondingen. Dit betekent echter niet zonder meer dat ook het provinciale ruimtelijke beleid ten aanzien van zandwinningen zonder meer bij die beslissing kunnen worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het systeem van vergunningverlening voor ontgrondingen komt kortweg op het volgende neer: 1. Het is verboden te ontgronden zonder vergunning. 2. Bij de beslissing over verlening van een ontgrondingsvergunning moeten alle betrokken belangen worden afgewogen. 3. Een ontgrondingsvergunning wordt geweigerd indien sprake is van strijd met een ruimtelijk besluit, tenzij die strijd naar verwachting zal worden opgeheven. Ruimtelijke spoor Omdat de provinciale structuurvisie (Omgevingsvisie) niet mag worden aangemerkt als een ruimtelijk besluit (dus als weigeringsgrond), is het nodig om in de verordening hiervoor een kader te geven omdat die wel een externe bindende/normerende werking heeft. De vergunning kan op grond van de Ontgrondingenwet weliswaar worden geweigerd op basis van een \"afweging van alle betrokken belangen\", dus ook die waar de Omgevingsvisie op ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij kan echter niet de formele \"strijd met de Omgevingsvisie\" als motivering wordt gehanteerd, maar alleen inhoudelijke strijd met belangen van bijvoorbeeld natuur, landschap, aardkundige waarden etc. Daarmee is dan nog niet verzekerd dat in de locatieafweging voor ontgrondingen de principes van multifunctionaliteit, passendheid in het netwerk van zandwinningen en ruimtelijke kwaliteit worden toegepast. Via artikel 2.20.1. wordt bereikt dat bestemmingsplannen alleen ontgrondingen mogelijk maken die voldoen aan deze principes. Dit heeft als resultaat dat gevraagde vergunningen voor ontgrondingen die vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst zijn, geweigerd kunnen worden wegens strijd met het bestemmingsplan en met de ruimtelijke verordening die hiermee ook op zichzelf als een weigeringsgrond kan worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoutwinlocaties In artikel 2.20.2. is een regeling opgenomen die ervoor zorgt dat nieuwe zoutwinlocaties alleen worden toegelaten als deze kunnen worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap conform de gebiedskenmerken. Op grond van de Mijnbouwwet zal eventuele schade als gevolg van de winning, bijvoorbeeld door bodemdaling en bodemtrillingen, gecompenseerd moeten worden. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ontgrondingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe, multifunctionele ontgrondingslocaties, indien deze passen binnen het bestaande netwerk van zandwinningen en bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een bestemmingsplan als bedoeld in lid 1 regelt, voor zover mogelijk, dat de ontgrondingslocatie zodanig wordt geprojecteerd en ingericht dat tijdens de zandwinning de invloed op de omgevingskwaliteiten beperkt blijft en de locatie na het (gefaseerd) beëindigen van de zandwinning eenvoudig geschikt te maken is voor de beoogde nieuwe bestemming.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20.2</span><span class=\"lf-art-t\">Zoutwinningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinlocaties indien de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3. Grondwaterbescherming en bodem</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3.1. Algemeen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.1.1. Begripsbepalingen en zorgplicht</h3>\n<p class=\"lf-p\">33[Toelichting: Op grond van de zorgplichtbepaling in artikel 3.1.1.2. is het verboden om in de beschermingsgebieden van (openbare) drinkwaterwinningen schadelijke stoffen te gebruiken en/of handelingen te verrichten die de grondwaterkwaliteit kunnen aantasten, zonder beschermende maatregelen of voorzieningen te treffen. In de verordening zijn slechts voor een beperkt aantal risico-activiteiten expliciete regels opgenomen. De zorgplichtbepaling heeft daarom een belangrijke vangnetfunctie. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. achtergrondwaarden, baggerspecie, bouwstof, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse, toepassen van bouwstoffen, toepassen van grond of baggerspecie, werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; b. begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as: begraafplaatsen als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of terreinen voor de uitstrooiing van as als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging alsmede dierenbegraafplaatsen; c. betrokken grondwateronttrekker: de houder van een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1. van de Waterwet, uitsluitend of mede bestemd tot het onttrekken van grondwater voor de (openbare) drinkwatervoorziening, in wiens belang het betreffende gebied wordt beschermd; d. bijlage: bij deze verordening behorende bijlage; e. bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bodembescherming; f. bodemenergiesystemen: systemen bestemd voor het onttrekken of toevoegen van energie aan de bodem, waaronder begrepen energieopslagsystemen en warmtepompensystemen; g. energieopslagsystemen: systemen waarbij door middel van het onttrekken en infiltreren van grondwater als bedoeld in de Grondwaterwet, energie in de bodem wordt opgeslagen; h. gebouw: een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c van de Woningwet; i. gewasbeschermingsmiddel, biocide: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; j. inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; k. leidingen: leidingen voor het transport van gas, olie of chemicaliën, met uitzondering van leidingen voor het transport van aardgas, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; l. lozen vanuit een particulier huishouden: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit lozing afvalwater huishoudens; m. lozing in de bodem, huishoudelijk afvalwater, koelwater, overige vloeistoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Lozingenbesluit bodembescherming; n. mechanische ingreep: een werk op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, waaronder begrepen boringen, grond- en funderingswerken; o. meststoffen, dierlijke meststoffen respectievelijk compost, kalkmeststoffen respectievelijk stikstofkunstmest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Meststoffenwet respectievelijk artikel 1, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet respectievelijk artikel 1, eerste lid van het Besluit gebruik meststoffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">p. milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning: gebieden als bedoeld in artikel 1.2, lid 2, onder a van de Wet milieubeheer; q. PGS 3: publicatie 3 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen van het Ministerie van VROM, getiteld ‘Richtlijnen voor kwantitatieve risicoanalyse’; r. schadelijke stoffen: stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen; s. waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone: zones van milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning als bedoeld in artikel 3.1.2.1 van deze Verordening; t. de wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Ieder die in een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning buiten een inrichting gedragingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning kan worden geschaad, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die schade te voorkomen. Indien die schade niet kan worden voorkomen moet hij deze zoveel mogelijk beperken en ongedaan maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien die schade zich voordoet of dreigt voor te doen, behoort tot de maatregelen als bedoeld in het eerste lid in ieder geval dat degene die de bedoelde gedragingen verricht of nalaat, onmiddellijk Gedeputeerde Staten en de betrokken grondwateronttrekker informeert.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.1.2. Gebiedsaanwijzing</h3>\n<p class=\"lf-p\">34[Toelichting: Op grond van artikel 3.1.2.1. van deze paragraaf worden de beschermingsgebieden van drinkwaterwinningen aangewezen, de zogenaamde milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning. De beschermingsgebieden zijn onderverdeeld in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. De grenzen van de verschillende gebieden en zones zijn op perceelsniveau aangegeven aan de hand van topografische herkenbare kenmerken. Een waterwingebied beslaat de directe omgeving van de pompputten. Een grondwaterbeschermingsgebied betreft de zone daaromheen. In een boringsvrije zone bevindt zich een beschermende kleilaag in de bodem, waardoor verontreinigingen het op te pompen grondwater niet kunnen bereiken. Gedeputeerde Staten hebben op grond van artikel 3.1.2.2. de bevoegdheid de grenzen te wijzigen, bijv. in verband met (ver)plaatsing van pompputten (eerste lid, onder a). Over het eerste lid, onder d. merken wij op dat een vergroting van de winning met maximaal 1 miljoen m3 naar onze verwachting niet zal leiden tot een “substantiële” vergroting van het beschermingsgebied, mede gezien de huidige omvang van winningen. De grenzen van de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden worden aangegeven door middel van borden. De borden moeten in ieder geval worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot het gebied of daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Milieubeschermingsgebieden met functie waterwinning</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Als milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning worden aangewezen de gebieden die als zodanig zijn aangegeven op kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een milieubeschermingsgebied met de functie waterwinning kan bestaan uit verschillende zones, die als zodanig zijn aangewezen op de kaart, als bedoeld in het eerste lid: waterwingebied; grondwaterbeschermingsgebied; boringsvrije zone.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheden Gedeputeerde Staten tot wijzigen grenzen gebieden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen de grenzen van de gebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1 wijzigen als er sprake is van: wijzigingen op perceelsniveau; verkleining of opheffing van een gebied bij (gedeeltelijke) sluiting van een drinkwaterwinning; verkleining van een gebied bij voorzienbare sluiting van een drinkwaterwinning; vergroting van een gebied als gevolg van uitbreiding van de vergunde capaciteit van een drinkwaterwinning met maximaal 1 miljoen m3 grondwater.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.4 van de wet worden eigenaren en gebruikers van de betreffende gronden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het tweede lid wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een grenswijziging als bedoeld in het eerste lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten duiden de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, als bedoeld in artikel 3.1.2.1, lid 2, onder a en b, op afdoende wijze aan door middel van borden.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 3.2. Grondwaterbescherming</h3>\n<p class=\"lf-p\">35[Toelichting: In deze titel zijn regels opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater in de milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning. In de verschillende zones van de beschermingsgebieden gelden verschillende regels, afhankelijk van de mate van kwetsbaarheid. In waterwingebieden zijn in beginsel geen activiteiten toegestaan die niet direct samenhangen met de winning. Grondwaterbeschermingsgebieden zijn, gezien de langere verblijftijden van het op te pompen grondwater, minder kwetsbaar dan waterwingebieden. In deze gebieden gelden regels gericht op het verbieden van of het stellen van voorwaarden aan grondwaterbedreigende activiteiten. In de boringsvrije zones gelden alleen regels die erop gericht zijn de beschermende bodemlagen niet aan te tasten. ]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.2.1. Grondwaterbescherming, regels voor inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">36[Toelichting: Paragraaf 3.2.1. bevat de volgende regels voor inrichtingen: 1. Een verbod om bepaalde inrichtingen op te richten, in werking te hebben of de werking ervan te veranderen; 2. Rechtstreeks werkende regels (algemene voorschriften) voor niet-milieuvergunningplichtige inrichtingen; 3. Instructieregels voor gemeenten om voorschriften te verbinden aan milieuvergunningen voor inrichtingen. Ad 1. In de waterwingebieden mogen geen nieuwe inrichtingen worden opgericht, met uitzondering van inrichtingen die noodzakelijk zijn voor de drinkwaterwinning. Bestaande bedrijven mogen in werking blijven en kunnen wijzigen of uitbreiden als dit geen nadelige gevolgen heeft voor de waterwinning. Bij de beoordeling daarvan kan gebruik worden gemaakt van het TNO-rapport ‘Een methodiek voor de bepaling van het risico van bodemverontreiniging door bedrijven' (TNO, augustus 1990).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de grondwaterbeschermingsgebieden geldt een oprichtingsverbod voor bepaalde categorieën inrichtingen. Het gaat om bedrijven met een bodemindex 2 en 3 volgens de brochure Bedrijven en milieuzonering, VNG, Groene reeks nr. 80, juli 1992. In interprovinciaal verband wordt momenteel een nieuwe lijst voorbereid, deze wordt in 2009/2010 verwacht. De verbodslijst is zowel van toepassing op milieuvergunningplichtige als op niet-milieuvergunningplichtige inrichtingen. In waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones is het niet toegestaan om koelwater en (verontreinigde) overige vloeistoffen binnen een inrichting te lozen en om bodemenergiesystemen tot stand te brengen. Dit gelet op de (mogelijke) risico's van opwarming of verontreiniging van het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder worden eerst de resultaten afgewacht van enkele langjarige, landelijke proefprojecten waarbij de risico's van bodemenergiesystemen in beeld worden gebracht. In boringsvrije zones gelden deze verboden alleen vanaf een bepaalde diepte in de ondergrond. Ad 2. Het in werking hebben van niet-milieuvergunningplichtige inrichtingen (die vallen onder de werkingssfeer van een AMvB op basis van artikel 8.40. Wet milieubeheer), is in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones verboden tenzij aan algemene voorschriften wordt voldaan. De algemene voorschriften gelden ook voor bestaande niet-milieuvergunningplichtige inrichtingen in waterwingebieden. Wanneer de voorschriften niet afdoende zijn om de kwaliteit van het grondwater te beschermen kunnen nadere eisen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat kan ingeval de voorschriften nader moeten worden uitgewerkt ofwel een situatie in de voorschriften niet is voorzien. Ad 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-846\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.46</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van de Wet milieubeheer geeft de bevoegdheid aan Provinciale Staten om het bevoegd gezag voor een milieuvergunningplichtige inrichting te verplichten voorschriften aan de betreffende milieuvergunning te verbinden die nodig zijn voor bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning. Het bevoegd gezag moet deze voorschriften verbinden aan de milieuvergunningen voor inrichtingen in de waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden in waterwingebieden voor inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden in waterwingebieden een inrichting, als bedoeld in de onderdeel C van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, op te richten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden in waterwingebieden binnen een inrichting een lozing uit te voeren in de bodem van overige vloeistoffen waarin stoffen voorkomen als bedoeld bijlage III van het Lozingenbesluit bodembescherming, of van koelwater.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is verboden in waterwingebieden binnen een inrichting een bodemenergiesysteem te hebben of tot stand te brengen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het is verboden in waterwingebieden een inrichting in werking te hebben, waarvoor geen vergunning krachtens hoofdstuk 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden in grondwaterbeschermingsgebieden voor inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting op te richten indien die inrichting behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen in bijlage 2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden binnen een inrichting een lozing uit te voeren in de bodem van overige vloeistoffen waarin stoffen voorkomen als bedoeld bijlage III bij het Lozingenbesluit bodembescherming of van koelwater.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden binnen een inrichting een bodemenergiesysteem tot stand te brengen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het is verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een inrichting op te richten of in werking te hebben, waarvoor geen vergunning krachtens hoofdstuk 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden in boringsvrije zones voor inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden in boringsvrije zones binnen een inrichting een lozing uit te voeren in de bodem van overige vloeistoffen waarin stoffen voorkomen als bedoeld in bijlage III bij het Lozingenbesluit bodembescherming, of van koelwater of een bodemenergiesysteem tot stand te brengen, voor zover deze activiteiten plaatsvinden: dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zones Diepenveen, Deventer-Ceintuurbaan en Deventer-Zutphenseweg; dieper dan vijfenzeventig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Engelse Werk te Zwolle; dieper dan vijf meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Kotkamp/Schreurserve te Enschede en dieper dan vijftig meter onder het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden in boringsvrije zones binnen een inrichting waarvoor geen vergunning krachtens hoofdstuk 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, een mechanische ingreep uit te voeren, op de wijze als bedoeld in het eerste lid, onder a, b, c en d.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen, algemene voorschriften en nadere eisen voor inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De in artikel 3.2.1.1, lid 1 en artikel 3.2.1.2, lid 1, gestelde verboden gelden niet voor de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de inrichting noodzakelijk is voor de waterwinning.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in artikel 3.2.1.1, lid 4, artikel 3.2.1.2, lid 4 en artikel 3.2.1.3, lid 2, gestelde verboden gelden niet indien wordt voldaan aan de voorschriften in bijlage 3 en geen nadelige gevolgen voor de waterwinning optreden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van de voorschriften als bedoeld in het tweede lid dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Instructieregels voor vergunningen voor inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Indien het bevoegde gezag een vergunning verleent krachtens hoofdstuk 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor een inrichting in een waterwingebied, een grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone, worden aan de vergunning in ieder geval de beperkingen aangebracht en de voorschriften verbonden zoals aangegeven in bijlage 3.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bevoegde gezag kan afwijken van de beperkingen en voorschriften als bedoeld in het eerste lid, dan wel nadere eisen stellen, voor zover dit is aangegeven in bijlage 3.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.2.2. Grondwaterbescherming, buiten inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">37[Toelichting: Paragraaf 3.2.2. bevat uitsluitend regels voor activiteiten die buiten het kader van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer worden uitgevoerd. Waterwingebieden In waterwingebieden zijn in principe alle activiteiten verboden die niet direct in verband staan met de waterwinning. Het verbod is niet van toepassing op activiteiten die noodzakelijk zijn voor de drinkwaterwinning. Het verbod geldt ook niet wanneer het waterleidingbedrijf een beheerplan heeft opgesteld voor het waterwingebied. In het plan dient te zijn aangegeven: op welke wijze het gebied is of wordt ingericht en beheerd, op welke wijze de bodem en het grondwater met het oog op de waterwinning worden beschermd en welke activiteiten in het gebied worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van schadelijke stoffen in een waterwingebied is in enkele gevallen toegestaan. Het gaat ondermeer om het voorhanden hebben van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen voor normaal (huishoudelijk) gebruik of verkoop. Aangehouden wordt een maximale hoeveelheid van 20 tot 25 kilo of liter. Ook geldt een uitzondering voor het verspreiden van wegenzout en het vervoeren van schadelijke stoffen over de weg. Bestaande constructies en werken mogen in stand blijven. Het gaat om constructies en werken die reeds (legaal) aanwezig waren op het moment dat deze verbodsbepaling in werking is getreden. Wijziging of uitbreiding van de constructies of werken is mogelijk indien wordt aangetoond dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de grondwaterbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">In spaarzame gevallen kunnen in de waterwingebieden nieuwe activiteiten worden toegestaan, die niet direct in verband staan met de waterwinning. Gedeputeerde Staten kunnen in die gevallen (onder strikte voorwaarden) ontheffing verlenen van het verbod. De activiteiten mogen geen extra risico's met zich meebrengen voor de grondwaterkwaliteit. Het gaat ondermeer om natuurontwikkeling en extensieve recreatie. Daarbij kan worden gedacht aan extensieve beweiding (1,5 GVE) ten behoeve van natuurbeheer en het openstellen van het gebied voor publiek ten behoeve van educatie en recreatie. Ook activiteiten van groot maatschappelijk belang kunnen in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan. Gezien de kwetsbaarheid van een waterwingebied is het noodzakelijk dat een adequate afweging wordt gemaakt en specifieke voorwaarden worden gesteld ingeval van nieuwe activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is gekozen voor het instrument van de ontheffingverlening. Grondwaterbeschermingsgebieden, grote en grootschalige projecten In grondwaterbeschermingsgebieden geldt voor grote en grootschalige projecten een verbod met een ontheffingsmogelijkheid . Het gaat hier om projecten die grote tot zeer grote risico's met zich kunnen meebrengen voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Bij de beschrijving van de activiteiten is aansluiting gezocht bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994. a. Bij grote respectievelijk grootschalige dag- of verblijfsrecreatie (recreatieve of toeristische voorzieningen) kan worden gedacht aan voorzieningen of een combinatie van voorzieningen met een oppervlakte van ten minste 1 respectievelijk 10 hectare in het beschermingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffingsplicht geldt voor voorzieningen met een oppervlakte van 1 ha of meer in het beschermingsgebied. b. Van grote respectievelijk grootschalige woningbouwprojecten is sprake ingeval van de bouw van meer dan 10 respectievelijk 100 woningen in het beschermingsgebied. Een ontheffingplicht bestaat bij de bouw van meer dan 10 woningen. c. Bij grote respectievelijk grootschalige stedenbouw denken wij aan de uitvoering dan wel de wijziging of uitbreiding van stadsprojecten met inbegrip van winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening of parkeerterreinen, betrekking hebbend op een oppervlakte van ten minste 1 hectare (groot) respectievelijk 10 hectare (grootschalig) in het beschermingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffingsplicht geldt vanaf 1 hectare. d. Onder grootschalige wegen worden begrepen stroomwegen (hoofdwegen, autosnelwegen en autowegen) en de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer. Onder grote autowegen worden begrepen gebiedsontsluitingswegen. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van genoemde wegen geldt een ontheffingsplicht. Met grote parkeerterreinen/transferia worden ondermeer bedoeld parkeerterreinen/ transferia voor ten minste 50 personenauto's, parkeerterreinen voor transportmaterieel, zoals vrachtwagens, tankauto's, bussen en dergelijke en parkeerterreinen waar handelingen met schadelijke stoffen (bijv. overslag) plaatsvinden. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van genoemde parkeerterreinen geldt een ontheffingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een grote waterweg/haven is sprake ingeval de waterweg/haven kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 250 ton tot 900 ton. Van een grootschalige waterweg/haven kan worden gesproken bij een waterweg/haven die kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 900 ton of meer. De ontheffingsplicht geldt voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van waterwegen/havens die kunnen worden bevaren door schepen met een laadvermogen vanaf 250 ton. Voor aanleg, wijziging en uitbreiding van spoorwegen en bijbehorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken voor het verkeer per spoor en van spoorwegemplacementen geldt een ontheffingsplicht. De ontheffingsplicht geldt niet voor onderhoudswerkzaamheden aan spoorwegen. e. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bedrijventerrein is ontheffingplichtig bij een oppervlakte van ten minste 1 ha. in het beschermingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval is sprake van een groot bedrijventerrein. Van een grootschalig bedrijventerrein is sprake bij een oppervlakte van ten minste 10 ha. in het beschermingsgebied. f. Van een grote buisleiding is sprake ingeval van een buisleiding voor het transport van gas, olie(producten) of chemicaliën die over een lengte van 1 kilometer of meer is geprojecteerd binnen een grondwaterbeschermingsgebied. In dat geval geldt een ontheffingsplicht. Grootschalige buisleidingen zijn buisleidingen die over een lengte van 5 kilometer of meer in een beschermingsgebied liggen. Ook deze buisleidingen zijn ontheffingsplichtig. Voor transportleidingen voor aardgas, water, afvalwater en stoom geldt geen ontheffingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwaterbeschermingsgebieden, overige risicoactiviteiten Een aantal, zogenaamde overige risicoactiviteiten is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan of slechts onder voorwaarden. Het gaat om de volgende activiteiten: a. Het toepassen van meststoffen anders dan dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, compost en kalkmeststoffen; vanwege het risico van mogelijk aanwezige onbekende verontreinigingen in meststoffen en de complexe handhaafbaarheid van het gebruik van deze meststoffen; b. Toepassen van IBC-bouwstoffen, grond en baggerspecie; omdat het gebruik van verontreinigd materiaal risico's met zich mee kan brengen voor de kwaliteit van het grondwater voor de drinkwaterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van IBC-bouwstoffen is nooit toegestaan omdat deze bouwstoffen dermate verontreinigd zijn dat zij niet zonder isolatiemaatregelen mogen worden toegepast. Toepassing van licht verontreinigde grond en bagger (klasse A en klasse Wonen) is alleen onder voorwaarden toegestaan. Het materiaal moet uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig zijn (stand-still op gebiedsniveau). Ook geldt de voorwaarde dat geen verontreinigd materiaal op een schone bodem mag worden toegepast (stand-still op lokaal niveau). Voor grootschalige toepassingen van licht verontreinigde grond en bagger (tenminste 5000 m3) geldt dat het materiaal uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied afkomstig moet zijn en door onderzoek moet worden aangetoond dat door de toepassing de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt voor deze grootschalige toepassingen een meldingsplicht. Voor verspreiding van baggerspecie vanuit watergangen over aangrenzende percelen biedt het Besluit bodemkwaliteit voldoende bescherming en geldt een vrijstelling. c. Het uitvoeren van in het artikel genoemde lozingen; gelet op de risico's van opwarming of verontreiniging van het grondwater. Een uitzondering geldt voor de lozing van hemelwater afkomstig van daken van particuliere huishoudens, gezien de beperkte risico's en de complexe handhaafbaarheid. Het lozen van hemelwater vanaf wegen en parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer is toegestaan wanneer wordt voldaan aan algemene voorschriften. Daarnaast geldt een meldingsplicht. d. Het hebben of tot stand brengen van constructies waarbij schadelijke stoffen op of in de bodem worden vervoerd, op- of overgeslagen; vanwege het risico op lekkages waardoor schadelijke stoffen het grondwater kunnen verontreinigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een aantal constructies geldt een uitzondering. Het gaat om voorzieningen voor de inzameling en transport van afvalwater en om voorzieningen voor opslag en transport van schadelijke stoffen voor niet-bedrijfsmatige doeleinden omdat daarvoor algemeen aanvaarde landelijke regelgeving geldt. Verder is het tot stand brengen, wijzigen of uitbreiden van (transport)leidingen binnen het beschermingsgebied uitgezonderd, mits wordt aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging niet groter wordt. Hiervoor geldt een meldingsplicht. Deze bepaling geldt voor leidingen die over een lengte tot 1 km in het beschermingsgebied liggen. Voor leidingen met een lengte van meer dan 1 km geldt een ontheffingsplicht. e. Het uitvoeren van mechanische ingrepen; vanwege de risico's dat de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen worden aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor mechanische ingrepen die noodzakelijk zijn voor de waterwinning geldt een uitzondering op het verbod. Overige mechanische ingrepen zijn alleen toegestaan wanneer wordt voldaan aan algemene voorschriften en vooraf een melding wordt ingediend. f. Het tot stand brengen van bodemenergiesystemen; omdat nog onvoldoende duidelijk is dat deze systemen geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwaterwinning. Het verbod geldt in afwachting van resultaten van landelijke proefprojecten. Boringsvrije zones In boringsvrije zones is het beschermingsregime erop gericht om de zones te vrijwaren van mechanische bodemingrepen, die de beschermende functie van slecht doorlatende bodemlagen teniet zouden kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook moet worden voorkomen dat schadelijke stoffen het grondwater verontreinigen dat wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening. Om die reden is een verbod opgenomen om overige vloeistoffen en koelwater te lozen, om mechanische ingrepen uit te voeren en om bodemenergiesystemen tot stand te brengen vanaf een bepaalde diepte in de ondergrond. Ontheffingen Voor het verlenen en wijzigen van een ontheffing geldt de voorwaarde dat een onherroepelijk bestemmingsplan de gedragingen of activiteiten toestaat (derde lid). Voor het al of niet toestaan van risicoactiviteiten is het provinciaal planologische beleid uitgangspunt. Risicoactiviteiten in waterwingebieden en grote of grootschalige risicoactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebieden worden in principe geweerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kunnen slechts bij uitzondering en onder voorwaarden worden toegestaan. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden in waterwingebieden, buiten inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is in waterwingebieden verboden om buiten inrichtingen: schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren; constructies of werken op of in de bodem op te richten, te hebben, of uit te voeren als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen kan ontstaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde schadelijke stoffen worden in ieder geval begrepen aardolieproducten, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meststoffen, IBC-bouwstoffen, grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondenwaarden overschrijdt, koelwater, overige vloeistoffen waarin stoffen voorkomen als bedoeld in bijlage III bij het Lozingenbesluit bodembescherming, afvalwater en afvalstoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in ieder geval begrepen leidingen, installaties, opslagreservoirs, mechanische ingrepen (boringen, grond- en funderingswerken), begraafplaatsen en terreinen voor het uitstrooien van as, wegen, parkeerplaatsen en andere terreinen voor gemotoriseerd verkeer, spoorwegen en waterwegen, recreatieve voorzieningen, gebouwen en bodemenergiesystemen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen in waterwingebieden, buiten inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De in artikel 3.2.2.1, onder a en b, gestelde verboden gelden niet voor: activiteiten van de betrokken grondwateronttrekker, voor zover de activiteiten noodzakelijk zijn voor de waterwinning; activiteiten waarvoor Gedeputeerde Staten een vergunning hebben verleend op grond van de Waterwet of de Ontgrondingenwet dan wel een beschikking hebben gegeven op de Wet bodembescherming en daaraan voorschriften hebben verbonden ter bescherming van de waterwinning; activiteiten waarvoor de betrokken grondwateronttrekker een beheerplan heeft opgesteld dat is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in artikel 3.2.2.1, onder a, gestelde verbod geldt niet voor: het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, anders dan gewasbeschermingsmiddelen en biociden, bij woningen en andere gebouwen, bestemd voor of afkomstig van normaal gebruik ter plaatse, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen weersinvloeden; het hebben of gebruiken van schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; het verspreiden van strooizout ter bestrijding van gladheid van wegen; het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijk gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen weersinvloeden, op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding bestaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het in artikel 3.2.2.1, onder b, gestelde verbod geldt niet: voor constructies of werken die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestonden; voor uitbreiding of wijziging van de constructies en werken bedoeld onder a voor zover de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om buiten inrichtingen grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is in grondwaterbeschermingsgebieden verboden om buiten inrichtingen: meststoffen op of in de bodem te brengen;</div>\n<p class=\"lf-p\">IBC-bouwstoffen op of in de bodem te brengen; grond of baggerspecie op of in de bodem toe te passen; een lozing op of in de bodem uit te voeren van overige vloeistoffen waarin stoffen voorkomen als bedoeld bijlage III bij het Lozingenbesluit bodembescherming en van koelwater; constructies voor het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen op of in de bodem, waaronder begrepen leidingen, installaties en opslagreservoirs, te hebben of tot stand te brengen; mechanische ingrepen (boringen en grond- en funderingswerken) op of in de bodem uit te voeren dieper dan twee meter onder het maaiveld; bodemenergiesystemen tot stand te brengen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onder projecten, als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan grote en grootschalige: dag- of verblijfsrecreatie; woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen); stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening); autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia), waterwegen (inclusief havens), spoorwegen (inclusief emplacementen); bedrijventerreinen; buisleidingen voor olie(producten), chemicaliën of gas, niet zijnde aardgas.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen in grondwaterbeschermingsgebieden, buiten inrichtingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het in artikel 3.2.2.3, lid 2, onder a, gestelde verbod geldt niet voor dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, compost en kalkmeststoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in artikel 3.2.2.3, lid 2, onder c, gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of baggerspecie: indien de kwaliteit hiervan de achtergrondwaarden niet overschrijdt; op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, indien de kwaliteit hiervan de maximale waarden kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; in oppervlaktewater indien de kwaliteit hiervan de maximale waarden kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is;</div></div>", "next": 239326}