{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">voertuigen: alle voertuigen, met uitzondering van treinen en trams, fietsen en bromfietsen in de zin van het Wegenverkeersreglement en kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen en rolstoelen; parkeren: het doen of laten staan van voertuigen, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en wordt gebruikt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van een autobedrijf e.d</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is degene die er zijn bedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren, voor het geven van rijlessen te gebruiken of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg in elkaars nabijheid te parkeren; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, op of aan de weg een voertuig te parkeren met het doel het te koop aan te bieden of te verhandelen, in de naaste omgeving van een ander met gelijk doel geplaatst voertuig.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden, op door Burgemeester en Wethouders aangewezen wegen een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van handkarren, bakfietsen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden, op de weg een aanhangwagen, handkar, bakfiets, kruiwagen of een dergelijk vervoermiddel te parkeren met het kennelijke doel door middel daarvan parkeerruimte te reserveren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen als opslagruimte</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, op of aan de weg een voertuig dat hoofdzakelijk of uitsluitend als opslag- of bedrijfsruimte wordt gebruikt, te parkeren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van fietsen en bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden, een fiets of bromfiets: a. op zodanige wijze voor of tegen een gebouw te parkeren, dat daardoor voor een bewoner of gebruiker van dat gebouw de toegang of het uitzicht wordt belemmerd; b. op zodanige wijze op een voetpad of trottoir te parkeren, dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, een voertuig dat een lengte van 6 m of een hoogte, al dan niet met inbegrip van lading, van 2,4 m te boven gaat, tussen zonsopgang en zonsondergang, op de weg te parkeren op een door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaats, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, een voertuig als bedoeld in artikel 1.2, dat is voorzien van een reclameaanduiding, op of aan de weg te parkeren met het doel daarmee reclame te maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De ontheffing als bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd, gelet op de belangen genoemd in artikel 8.2, vierde lid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 m of een hoogte van meer dan 2,4 m, op of aan de weg te parkeren bij een voor bewoning of voor ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet gedurende de tijd die nodig is en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1010\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van caravans, aanhangwagens en dergelijke</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, op of aan de weg een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan drie dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te parkeren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen wegen aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De in het derde lid bedoelde ontheffing kan worden geweigerd met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of het uiterlijk aanzien van de gemeente.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.11</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik fietsenrekken e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en Wethouders kunnen wegen of weggedeelten aanwijzen waar het verboden is langer dan een door hen te bepalen periode zonder wezenlijke tijdsonderbreking van de voor het parkeren van fietsen of bromfietsen bestemde voorzieningen gebruik te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11 Dieren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De rechthebbende op een hond is verplicht, ervoor te zorgen dat die hond, indien deze zich op of aan de weg bevindt, zich niet van uitwerpselen ontdoet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing: op door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaatsen; indien de rechthebbende op een hond ervoor zorgt, dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De rechthebbende is verplicht, indien hij zich met een hond op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor de verwijdering van de uitwerpselen. Burgemeester en Wethouders stellen de eisen vast waaraan een hulpmiddel ten minste moet voldoen, wil het doeltreffend zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De rechthebbende op een hond die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezicht houdende ambtenaar.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanlijngebod honden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De rechthebbende op een hond is, indien deze hond zich op of aan de weg bevindt, verplicht ervoor te zorgen, dat: deze aangelijnd is; deze op duidelijk zichtbare wijze aan de hals de penning draagt die voor die hond op grond van de geldende Verordening hondenbelasting is verstrekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het bepaalde in het eerste lid, onder a, niet van toepassing is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste lid is niet van toepassing voorzover de rechthebbende op een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen voor honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een hond verboden, deze op een voor kinderen bestemde openbare speelplaats of speelweide te laten verblijven dan wel op andere door Burgemeester en Wethouders aangewezen plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Muilkorf of -band voor honden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is de rechthebbende op een hond verboden, deze te laten verblijven op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat Burgemeester en Wethouders hem hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk achten; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat Burgemeester en Wethouders hem hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk achten; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, indien de hond behoort tot een door Burgemeester en Wethouders aangewezen als gevaarlijk aangemerkt ras of type hond of door kruising daarmee verkregen verwanten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren (Staatscourant 1993, nr. 11); kort aangelijnd: aanlijnen van een hond met een lijn van een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 m.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voorzover de Regeling agressieve dieren (Staatscourant 1993, nr. 11) van toepassing is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11.5</span><span class=\"lf-art-t\">Duiven</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, op of aan de weg duivenvoer te verkopen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Burgemeester en Wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voorzover de ontheffing als bedoeld in het eerste lid strekt, is de Verordening op de straathandel niet van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op door de Gemeenteraad of door Burgemeester en Wethouders ingestelde markten gedurende de voor die markten aangewezen dagen en uren.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12 Behendigheidsspelen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren; exploitant: degene die krachtens een zakelijk of persoonlijk recht een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder is van die rechtspersoon; beheerder: de natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatie van een speelgelegenheid</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid is niet van toepassing op: speelcasino’s waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden, het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot de in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen omschreven handeling; de door de Burgemeester aangewezen soorten speelgelegenheden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Voor het indienen van een aanvraag om een vergunning maakt de exploitant gebruik van een door de Burgemeester vastgesteld formulier.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij een aanvraag wordt een bedrijfsplan overgelegd, waarin in ieder geval staat beschreven welk spel in de speelgelegenheid zal worden beoefend en op welke wijze de bedrijfsactiviteiten zullen worden gefinancierd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien de exploitant een wijziging wenst van het soort spelen in de speelgelegenheid, deelt hij dit de Burgemeester vooraf schriftelijk mede; de mededeling wordt als aanvulling op het bedrijfsplan aangemerkt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overdraagbaarheid vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning is niet overdraagbaar en gebonden aan de speelgelegenheid waarvoor zij is verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan de exploitant en de beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De exploitant en de beheerder van een speelgelegenheid: a. staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Gronden voor weigering vergunning</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De Burgemeester weigert een vergunning, indien: de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een bestemmingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing; de vestiging daarvan geschiedt in een woonruimte waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking is verleend als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestigingswet; de speelgelegenheid niet in een gebouw is gevestigd; de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 12.5 gestelde eisen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De Burgemeester kan een vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel: het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelgelegenheid; een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van artikel 2.7 of artikel 12.10 van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten; het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 12.3 onvoldoende garanties geeft dat het in de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden; het op grond van andere feiten en omstandigheden onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de exploitant en beheerder</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht, voldoende toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de openingsuren van het bedrijf dan wel ervoor zorg te dragen dat voldoende toezicht wordt uitgeoefend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De exploitant is verplicht als beheerder van het bedrijf op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat de vergunning in het bedrijf aanwezig is en op eerste vordering van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage af te geven.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.8</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatietijden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De Burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter voorkoming of beperking van overlast de openingstijden van een speelgelegenheid beperken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is de bezoeker van een speelgelegenheid verboden, zich daarin te bevinden gedurende de tijden dat het bedrijf ingevolge het eerste lid gesloten dient te zijn.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.9</span><span class=\"lf-art-t\">Gronden voor intrekking vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien: a. de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft opgenomen; b. het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 12.3, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden; c. het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden; d. in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in het bedrijf; e. de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat door de aan-wezigheid van het bedrijf wordt verstoord of benadeeld; f. de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 12.5, onder a en b, gestelde eisen; g. de exploitant de in artikel 12.7 neergelegde verplichting niet of onvoldoende nakomt; h. de exploitant het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.10</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting speelgelegenheid</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.7 van deze verordening kan de Burgemeester, indien het belang van de openbare orde en veiligheid dat naar zijn oordeel vereist, de sluiting bevelen van een speelgelegenheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de in het eerste lid genoemde belangen de sluiting naar zijn oordeel niet langer vereisen, heft de Burgemeester de sluiting op.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.11</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatie speelgelegenheid</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De exploitant is verplicht, indien hij de exploitatie van de speelgelegenheid ten behoeve waarvan de vergunning is verleend, beëindigt, hiervan binnen twee weken na de beëindiging schriftelijk mededeling te doen aan de Burgemeester.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij ontvangst van deze mededeling vervalt de vergunning, tenzij daarbij is aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten door een ander worden voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen vier weken na de mede-deling is ingediend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten, blijft de vergunning in dat geval van kracht, totdat op de aanvraag een besluit is genomen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.12</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd orgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de speelgelegenheid niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd, worden de in dit hoofdstuk aan de Burgemeester toegekende bevoegdheden uitgeoefend door Burgemeester en Wethouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.13</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het verbod van artikel 12.2 geldt 30 dagen na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk niet voor een speelgelegenheid die, naar het oordeel van de Burgemeester, al bestond vóór die inwerkingtreding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de exploitant binnen de in het eerste lid genoemde 30 dagen een aanvraag om een vergunning heeft ingediend, geldt het verbod niet totdat op de aanvraag een besluit is genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedurende de periode dat nog niet op de aanvraag is beslist, kan de Burgemeester de sluiting bevelen van een speelgelegenheid indien daar naar zijn oordeel de Wet op de kansspelen wordt overtreden of het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde wordt bemoeilijkt of belemmerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Slothoofdstuk Overgangs-, straf- en slotbepalingen Artikel S.1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, en van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van deze verordening verleende vergunningen of ontheffingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing: op de bepalingen van hoofdstuk 5 (helingbestrijding), met uitzondering van artikel 5.6; op de artikelen 2.9 en 2.10 (openbare manifestaties).</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel S.2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de door Burgemeester en Wethouders dan wel de door de Burgemeester aangewezen ambtenaren, personen of categorieën van ambtenaren, ieder voorzover het betreft de in de aanwijzing vermelde bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel S.3 Betreden dan wel binnentreden woningen, andere gebouwen en terreinen 1. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid geldt niet voorzover het betreden dan wel binnentreden nodig is in verband met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bepalingen van hoofdstuk 5 (helingbestrijding), met uitzondering van artikel 5.6.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel S.4 Overgangsbepaling 1. Vergunningen en ontheffingen hoe ook genaamd verleend krachtens de verordeningen vermeld in artikel S.6, blijven, indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook opgenomen is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken, nog gedurende vijf jaar van kracht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van een verordening als bedoeld in artikel S.6, is ingediend en vóór het vermelde tijdstip daarop nog niet is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing is vereist krachtens deze verordening en die niet voorkomen in een verordening als bedoeld in artikel S.6, zijn niet van toepassing: gedurende twee maanden na de inwerkingtreding van deze verordening; na de onder a vermelde termijn, indien binnen deze termijn een aanvraag voor een vergunning of ontheffing is ingediend, totdat door het bevoegde bestuursorgaan onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Besluiten ter uitvoering van bepalingen van de verordeningen als bedoeld in artikel S.6 worden geacht te zijn genomen ter uitvoering van de overeenkomstige bepalingen in deze verordening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel S.5 Aanhalingstitel Deze verordening kan worden aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening 1994 of als APV-1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel S.6 Intrekking van verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken: a. de Algemene Plaatselijke Verordening, uitgezonderd hoofdstuk IV, vastgesteld bij raadsbesluit van 1982, nr. 1063 (Gemeenteblad 1983, afd. 3, volgn. 31), laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 12 mei 1993, nr. 219 (Gemeenteblad 1993, afd. 3, volgn. 133); b. de Romp-Algemene Politieverordening van Amsterdam, uitgezonderd Hoofdstuk III, vastgesteld bij raadsbesluit van 25 augustus 1982, nr. 1063 (Gemeenteblad 1983, afd. 3, volgn. 31), laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 3 november 1993, nr. 647A (Gemeenteblad 1993, afd. 3, volgn. 156); c. de Verordening Gevaarlijke Stoffen, vastgesteld bij raadsbesluit van 29 augustus 1979, nr. 854 (Gemeenteblad 1980, afd. 3, volgn. 19), laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 3 november 1993, nr. 631 (Gemeenteblad 1994, afd. 3, volgn. 21); d. de Verordening op de Verblijfsinrichtingen 1984, vastgesteld bij raadsbesluit van 7 maart 1984, nr. 97, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 21 april 1993, nr. 224 (Gemeenteblad 1993, afd. 3, volgn. 115).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel S.7 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1995.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening per hoofdstuk/artikel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.1 en artikel 1.2 geven begripsomschrijvingen; de overige artikelen bevatten enkele regels over het verkeer tussen het bestuur en de burger. Sommige hoofdstukken of artikelen hebben eigen begripsomschrijvingen. Dit komt de eenheid en de leesbaarheid van die hoofdstukken ten goede. Om dezelfde reden zijn in tegenstelling tot de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) uit 1982 (APV-1982) de bevoegdheden van bestuursorganen om ontheffing te verlenen, niet in het eerste hoofdstuk opgesomd, maar telkens in de verbodsbepaling zelf toegevoegd. Andere artikelen, zoals de strafbepaling, zijn verplaatst naar het slothoofdstuk. Zodoende valt in hoofdstuk 1 nu de nadruk op de procedurele regels voor de verhouding tussen bestuursorgaan en burger, in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereiding van een beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In titel 4.1 van de Awb staat een alomvattende regeling over de beschikking. De APV-1982 bevatte een deelonderwerp van de Awb-regeling, namelijk artikel 6, derde lid. Daarin stond het vereiste dat de houder van een vergunning in de gelegenheid moet worden gesteld zijn mening kenbaar te maken over een voorgenomen intrekking van die vergunning. Deze bepaling vervalt. De Awb-regeling ziet er in het kort als volgt uit. Een afwijzende beschikking op een aanvraag wordt niet genomen voordat de aanvrager de gelegenheid heeft gekregen zijn zienswijze naar voren te brengen, indien de afwijzing zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen en die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager ter zake zelf heeft verstrekt. Wat een andere belanghebbende dan de aanvrager betreft, geldt dezelfde regel. De zienswijze van belanghebbende(n) kan zowel schriftelijk als mondeling worden gegeven. Het bestuursorgaan kan van bedoelde regel afwijken in geval van spoed of wanneer belanghebbende al eerder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht of, indien het doel van de beschikking zich verzet tegen het tevoren in kennis stellen van de belanghebbende. Voor het vaststellen van financiële verplichtingen en aanspraken is genoemde verplichting ook niet van toepassing, mits tegen deze beschikkingen een bezwaar- of beroepsgang (met hoorplicht) openstaat en de nadelige gevolgen van de beschikking in die procedure volledig ongedaan (zouden) kunnen worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bekendmaking van besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het hoofdstuk zijn geen bepalingen over de wijze van bekendmaking van besluiten opgenomen. De nieuwe Gemeentewet regelt de bekendmaking van door gemeentelijke organen vastgestelde algemeen verbindende regels, de Awb die van andere besluiten. Volgens artikel 139 van de nieuwe Gemeentewet is voor de inwerkingtreding van algemeen verbindende regels, zoals verordeningen en nadere (wetgevende) regels, ten minste publikatie in het Gemeenteblad vereist. Voorts zijn er regels met betrekking tot terinzagelegging, verstrekking van afschriften en toezending aan het parket van het arrondissement. De Awb (artikel 3:40 juncto artikel 3:42) eist voor de inwerkingtreding van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, eveneens publikatie, en wel \"in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op andere geschikte wijze.\" Tot deze besluiten horen uitvoeringsbesluiten van algemene strekking, bij voorbeeld een besluit dat het werkingsgebied van een verbods-bepaling nader bepaalt en ook besluiten, inhoudende de vaststelling van beleidsregels, bij voorbeeld de \"reclamerichtlijnen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten van algemene strekking die nauw samenhangen met een APV-verbodsbepaling, worden doorgaans in het Gemeenteblad gepubliceerd. Besluiten van stadsdeelbesturen worden bekendgemaakt op de wijze zoals in een stadsdeel gebruikelijk is. Deze besluiten komen in het zogenaamde subdriehoeksoverleg ter sprake, waarin ook voorzitters van stadsdelen participeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrip weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen het woord \"weg\" wordt gebruikt, niet het begrip \"openbare weg\". De aanduiding \"openbare\" is overbodig. De omschrijvingen houden in dat het steeds gaat om wegen en plaatsen die, al dan niet met enige beperking, voor het publiek toegankelijk zijn. Veel van de in de verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen op de weg. De ruime begripsomschrijving van artikel 1.1 is in de APV van kracht voor zover bij de desbetreffende bepaling(en) niet anders is bepaald. In het hoofdstuk parkeerexcessen (10) bij voorbeeld is een beperktere omschrijving van weg opgenomen. Hierdoor zijn de verbodsbepalingen in hoofdstuk 10 waarin sprake is van weg, niet van toepassing op parkeergebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouwen vallen niet onder het begrip weg. Er zijn wel gedeelten van gebouwen die tot de openbare ruimte horen, zoals portieken en galerijen. Toegevoegd zijn daarom de aanduidingen onder d en e. Hierdoor zijn de verbodsbepalingen met betrekking tot het gedrag in de openbare ruimten eveneens, en duidelijker dan voorheen, van toepassing in galerijen van flatgebouwen, portieken van woningen, winkelgalerijen en winkelcentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b zijn allerlei plaatsen genoemd die deel uit maken van de openbare ruimte en die voor het publiek toegankelijk zijn, zoals pleinen en parken. Voor de duidelijkheid zijn ook vermeld ijsvlakten, aanlegplaatsen voor vaartuigen, veerponten en stegen. Als de plaats niet voor ieder vrijelijk toegankelijk is, maar aan de toegankelijkheid beperkingen zijn gesteld, blijft die plaats voor het publiek toegankelijk in de zin van artikel 1.2. Stegen die vanwege de openbare orde zijn afgesloten, zijn doorgaans geen weg meer als bedoeld onder a, maar zijn wel een plaats als bedoeld onder b, omdat ze in beginsel voor het publiek toegankelijk blijven, al is het slechts voor bewoners en hun bezoekers. Hetzelfde geldt voor een 's nachts afgesloten park of een gedeeltelijk toegankelijk plantsoen. Verbodsbepalingen van de APV betreffende gedragingen op (of aan) de weg blijven daar zodoende van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien onder de omschrijving van weg geen gebouwen vallen (behalve parkeergebouwen), zal uit een verbodsbepaling zelf moeten blijken, of die ook geldt in voor het publiek toegankelijke gebouwen of inrichtingen, zoals postkantoren, stadions, stations of horecabedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere voorkomende toevoeging aan het begrip weg betreft de zinsnede (op of) \"aan de weg\". Dan wordt het werkingsgebied van de bepaling uitgebreid naar plaatsen die buiten het begrip weg vallen en die soms wel soms niet voor het publiek toegankelijk zijn. Ook gedragingen op privéterreinen kunnen zo door een bepaling worden bestreken. Het gaat dan om gedragingen (op die plaatsen) die een duidelijke relatie hebben met of een uitstraling hebben naar de weg en de openbare ruimte. Het begrip \"aan de weg\" duidt in het algemeen op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. De zinsnede bedoelt in het algemeen niet hetgeen zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Er zijn verbodsbepalingen met een andere, algemene redactie die dat wel doen en die dus (mede) gedragingen bestrijken die zich binnen een gebouw voordoen. Het is bij voorbeeld verboden handelingen te verrichten waardoor voor een omwonende (geluids)hinder wordt veroorzaakt (hoofdstuk 9).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Andere begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begripsomschrijvingen zijn van toepassing voor zover niet elders in de APV speciale begripsomschrijvingen zijn opgenomen. a Rechthebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving komt grotendeels overeen met artikel 2 (oud). Het element \"feitelijke beschikking\" is uit de omschrijving weggelaten; aldus sluit de inhoud van het begrip \"rechthebbende\" beter bij het spraakgebruik aan. Voorts is in plaats van \"goed\" in overeenstemming met het Nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW) het woord \"zaak\" gebruikt. De term \"goed\" wordt in het NBW als verzamelwoord gebruikt voor alle (rechts)goederen en het woord \"zaak\" specifiek voor stoffelijke goederen, voorwerpen en dergelijke. b Voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van voertuigen omvat alle voertuigen, zoals fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen en (aanhang)wagens, met uitzondering van trams en kinderwagens en dergelijke. c Openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woord \"openbaar\" heeft hier geen bijzondere juridische betekenis, zoals wel het geval is bij de openbaarheid van de weg in de zin van de Wegenwet. Volgens die wet is een weg openbaar wanneer deze 30 jaar voor ieder toegankelijk was en de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven. Wat het openbaar water betreft, komt \"openbaar\" neer op: \"feitelijk voor het publiek toegankelijk\". d Bouwwerk. e Gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijvingen komen overeen met die van de Bouwverordening. f Geluidsapparaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving is ruim, hetgeen van belang is voor de geluidshinderbepalingen van hoofdstuk 9. g Reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving die grotendeels is ontleend aan de model-APV is duidelijker dan die van \"handelsreclame\" in artikel 2 (oud). Het moet gaan om een commercieel doel. De omschrijving sluit op die manier het openbaren van gedachten en gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet uit. In artikel 8.4, dat gaat over ontsierende reclames aan onroerende zaken, wordt vanwege het belang van het uiterlijk aanzien van de stad een ruimere definitie van reclame gehanteerd. De zinsnede \". . . commercieel belang. . .\" is daar weggelaten. Daar artikel 8.4 als gevolg daarvan ook uitingen in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet zou kunnen bestrijken, bevat artikel 8.4 geen vereiste van voorafgaand overheidsverlof, maar slechts een facultatieve meldingsplicht. h Samenscholing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving is ontleend aan het woordenboek van Van Dale en hier overgenomen omdat het begrip met dezelfde betekenis als in Van Dale in het hoofdstuk \"orde en veiligheid\" wordt gebruikt. i Harddrugs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving is ingevoerd om in de bepalingen niet steeds naar de Opiumwet te hoeven verwijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Het doen van meldingen en het aanvragen van een beschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de aanhef wordt gesproken van meldingen en beschikkingen. Onder het begrip beschikkingen vallen behalve vergunningen en ontheffingen ook andere op rechtsgevolg gerichte besluiten, zoals besluiten tot bestuursdwang. In de bestuurspraktijk wordt vaak om een beschikking verzocht. Deze aanvragen (de term \"verzoek\" wordt in overeenstemming met de Awb niet meer gehanteerd) moeten volgens de Awb schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (artikel 4:1). De Awb laat ruimte om bij gemeentelijke verordening anders te bepalen, namelijk, dat aanvragen mondeling kunnen worden ingediend of bij een ander bestuursorgaan. Voor het eerste bestaat geen noodzaak. Dit betekent dat burgers een beschikking in alle gevallen schriftelijk moeten aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanvragen om een beschikking zijn \"meldingen\" van de burger aan een bestuursorgaan. In een aantal gevallen is in de APV aan de burger een meldings plicht opgelegd. In het eerste lid is bepaald dat dit schriftelijk moet gebeuren. In sommige (spoedeisende) gevallen kan (en moet) mondeling melding worden gedaan. Dat wordt dan in de specifieke bepaling afzonderlijk aangegeven, zoals ten aanzien van de kennisgeving van betogingen aan de Burgemeester, die in een bepaald geval mondeling kan gebeuren. De zinsnede \"krachtens deze verordening\" verwijst naar voorschriften die aan een vergunning of ontheffing zijn verbonden en die een meldingsvoorschrift kunnen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de binnengemeentelijke decentralisatie is er wel behoefte aan de mogelijkheid om bij een ander bestuursorgaan dan het tot beschikking bevoegde orgaan een beschikking aan te vragen. De aan de Burgemeester inzake de openbare orde verleende beschikkingsbevoegdheden kunnen op grond van de gemeentewet geen van alle worden gedelegeerd. Voor een deel zijn ze door hem gemandateerd aan voorzitters van een stadsdeel. Daar de beschikking dan in stadsdeelverband wordt voorbereid en genomen, is in het tweede lid bepaald dat de aanvraag dan bij de stadsdeelvoorzitter wordt ingediend. Als het om gedelegeerde bevoegdheden gaat, brengt de Awb voor de burger rechtstreeks de verplichting mee om de aanvraag bij het bevoegde bestuursorgaan van het stadsdeel in te dienen. Voor de burgers zal een en ander geen problemen opleveren. De bestuursorganen moeten verkeerd geadresseerde aanvragen doorzenden naar het juiste adres, onder mededeling hiervan aan de betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de aanvraag bepaalt de Awb verder (artikel 4:2) dat de aanvraag wordt ondertekend en dat die ten minste de naam, het adres, de dagtekening en een aanduiding van de verlangde beschikking bevat en ook dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Voorts geeft de Awb aan (artikel 4:3) in welke gevallen de aanvrager de gegevens en bescheiden wel of niet kan weigeren te verschaffen. Deze bepalingen zijn niet in de APV geplaatst. Deze verplichtingen vloeien voor de burger voort uit de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid betreft het formulier voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens waarvan de aanvrager gebruik moet maken als het bestuursorgaan een dergelijk formulier heeft vastgesteld. De Awb verleent in artikel 4:4 de bevoegdheid aan het bestuursorgaan om dit formulier vast te stellen. Niet voor elke soort aanvraag zal een formulier behoeven te worden vastgesteld. Als dit wel is gebeurd, zal de burger daarvan gebruik moeten maken. Doet hij dat niet, dan zal de voor het bestuursorgaan geldende beslissingstermijn worden opgeschoven, dan wel de aanvraag niet in behandeling worden genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet in behandeling nemen aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Awb wordt niet meer de term niet-ontvankelijk verklaren gebruikt. De woorden \"niet in behandeling nemen\" drukken beter uit welke beslissing in een dergelijk geval precies wordt genomen. Deze beslissing is op zich een beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4:5 van de Awb wordt een regeling gegeven voor het niet in behandeling nemen. Als de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1.4 wordt het (gemeentelijke) wettelijk voorschrift ingevoerd dat de verschuldigde leges moet zijn voldaan. De Legesverordening verplicht de burger tot het betalen van leges voor bepaalde vergunningen en andere beschikkingen. Artikel 1.4 koppelt hieraan de bevoegdheid om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Uit de Legesverordening zelf vloeit deze bevoegdheid namelijk niet voort. Gesproken wordt van \"vigerende\" Legesverordening. Strikt genomen is dat overbodig, maar het is voor de duidelijkheid toch vermeld om te attenderen op het gegeven dat de tarieven jaarlijks worden aangepast. Over het niet in behandeling nemen van een aanvraag behoeft verder niets in de APV te worden bepaald. De Awb-bepaling (artikel 4:5) is rechtstreeks van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin is ook een gedragslijn neergelegd met betrekking tot aanvragen in een vreemde taal. Het bestuursorgaan kan een aanvraag die in een vreemde taal is gesteld, terugsturen met het verzoek een vertaling bij te leveren. Bovendien wordt in de Awb-bepaling een termijn van vier weken gesteld waarbinnen een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekend moet worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet in de APV is geplaatst een regeling met betrekking tot de herhaalde aanvraag. De ter zake van toepassing zijnde Awb-bepaling (4:6) codificeert de geldende jurisprudentie. Wanneer na een afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Doet hij dat niet, dan kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder meer afwijzen, onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Er is dan wel sprake van een nieuwe beschikking waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het kan zijn dat het bestuursorgaan zelf hem bekende relevante nieuwe gegevens in zijn beslissing had moeten betrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissingstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:13 van de Awb geeft als hoofdregel dat wettelijk, in casu door de gemeentelijke wetgever, een termijn kan worden bepaald waarbinnen door het bestuursorgaan moet zijn beslist. Als algemeen geldende normstelling voor het geval dat een wettelijk gegeven termijn ontbreekt, wordt door de Awb ingevoerd dat moet worden beslist binnen een redelijke termijn, welke in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven. In de APV-bepaling is evenals in de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gekozen voor een algemene termijn van acht weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen specifieke regelingen in de APV waarbij een langere termijn nodig zou zijn, behalve bij (grootschalige) evenementen, waarvoor een langere termijn van toepassing kan zijn (zie aldaar). Als het bestuursorgaan niet binnen acht weken kan beslissen, kan het de beslissingstermijn verlengen. In de APV-bepaling is als maximumtermijn voor deze verdaging de termijn van acht weken ingevoerd. Deze regeling heeft onder het Awb-stelsel rechtsgevolgen met betrekking tot het indienen van een bezwaarschrift: het niet tijdig beslissen wordt gelijkgesteld met een afwijzende beschikking, waartegen bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend moet het besluit tot verlenging aan de aanvrager worden bekendgemaakt. Anders treedt het besluit niet in werking. In de Awb en ook in de APV wordt er overigens van uitgegaan dat alle besluiten in schriftelijke vorm worden bekendgemaakt. Alleen in uitzonderingsgevallen zal dit anders kunnen zijn, bij voorbeeld bij grote spoed of als direct een aanwijzing moet worden gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is aangegeven dat de aan een vergunning verbonden voorschriften strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee het vergunningvereiste is gesteld. Dit vloeit voort uit het rechtsstatelijk beginsel dat de uitoefening van bestuursbevoegdheden een wettelijke grondslag moet hebben. Dit beginsel zou ook werking hebben wanneer het in het eerste lid bepaalde niet zou zijn opgenomen. Dit neemt niet weg dat het goed is dat de gemeentelijke wetgever het in de verordening zelf bepaalt. Het gaat hier om de uitoefening van door de Gemeenteraad toegekende bevoegdheden met het oog op door de Raad aangegeven belangen. Voor de uitvoerende bestuursorganen dienen deze als handelingskader. Het mogen verbinden van voorschriften aan een vergunning is inherent aan de toegekende beschikkingsbevoegdheid. Toch is het opnemen van een bepaling hierover nuttig en duidelijk. In de strafbepaling die in het slothoofdstuk is opgenomen, wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Dit geldt dus ook voor overtreding van vergunningsvoorschriften. Voor de duidelijkheid is de verplichting tot naleving van genoemde voorschriften in het derde lid van artikel 1.6 opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is bepaald dat de vergunning aan een door het bestuursorgaan te bepalen looptijd kan worden gebonden. De duur is afhankelijk van de aard van de vergunning en van het beleid dat ter uitvoering van het vergunningsvereiste wordt gevoerd. Bij bepaalde vergunningen is in de verordening zelf een looptijd bepaald, bij voorbeeld bij horecavergunningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling voorziet in de behoefte aan duidelijke intrekkings- en wijzigingsgronden. Onder b worden beleidswijzigingen bedoeld. Deze kunnen tot intrekking van een vergunning leiden. Daarbij moeten uiteraard de beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen en ook de belangen in verband waarmee het vergunningsvereiste is gesteld. Onder d is een oplossing gegeven voor het geval dat van een vergunning geen gebruik wordt gemaakt. Het kunnen intrekken is wenselijk om de situatie te voorkomen dat \"papieren\" vergunningen tot in lengte van jaren blijven voortbestaan. Onder e is van intrekking sprake als de vergunninghouder of zijn rechtverkrijgende hierom verzoekt. Dit kan bij voorbeeld bij faillissement het geval zijn. Onder f is een algemene grond voor intrekking gegeven. De intrekking kan nodig worden geoordeeld, gelet op de belangen in verband waarmee een vergunningvereiste is gesteld, terwijl geen van de andere gronden van toepassing is, bij voorbeeld als er door het bestuursorgaan een fout is gemaakt. Wel weegt dan het rechtszekerheidsbeginsel zwaarder, zeker als de burger van de fout niet op de hoogte kon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is deze intrekkingsgrond bruikbaar als de vergunning (privaatrechtelijk) is \"overgedragen\" aan een ander en de vergunning een persoonsgebonden karakter heeft. Het bestuursorgaan behoeft dan gelet op de belangen die in het spel zijn aan een dergelijke overdracht publiekrechtelijk geen gevolg te geven. Bij vergunningen die sterk objectgebonden karakter hebben (bij voorbeeld een vergunning voor de uitoefening van een bedrijf op een bepaalde plaats) zal het bestuursorgaan bij rechtsverkrijging door een ander in het algemeen, bijzondere omstandigheden daargelaten, de vergunning \"overschrijven\" op naam van de rechtsverkrijger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Inzage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling die ook in de APV-1982 was opgenomen, heeft als doel de controle op de naleving van vergunnings- en ontheffingsbepalingen te ondersteunen. Zonder inzage in de vergunning of ontheffing is controle op de naleving van voorschriften niet goed mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de verplichting is strafbaar gesteld. De bepaling fungeert als dwangmiddel, wanneer de middelen van overreding, overleg, informatie en voorlichting niet tot resultaat leiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Mandaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling heeft als doel deze figuur in de raadsverordening vast te leggen. In de bestuurspraktijk is mandaatverlening onmisbaar. Voor mandaatverlening aan ondergeschikten is geen wettelijke grondslag nodig. Dit neemt niet weg dat de Gemeenteraad hierover bepalingen kan opnemen. Het gaat om uitvoering van door de Gemeenteraad toegekende bevoegdheden. De bepaling is voorts van belang voor de binnengemeentelijke verhoudingen, waaraan de Gemeenteraad vorm en gestalte geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overdracht van bevoegdheden aan stadsdeelbesturen is niet altijd wettelijk mogelijk. Bij de vaststelling van hoofdstuk 3 (inwerkingtreding 1 september 1993) is mandaatverlening aan stadsdeelvoorzitters geïntroduceerd. Dit is nu in het algemeen in het eerste lid vastgelegd. De bedoelde bepaling in hoofdstuk 3 is in verband hiermee geschrapt. Artikel 1.9 verwijst ernaar dat de Burgemeester kan mandateren. Het is te zijner beoordeling, of hij dat in alle gevallen zal doen. Ook kan de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering ervan verzetten. Mandatering moet op een schriftelijk mandaatbesluit berusten. Voor de inhoud daarvan zijn enkele aanwijzingen gegeven. Met \"voorwaarden\" worden zaken bedoeld als periodieke rapportage en, belangrijker nog, de grenzen of procedures die de mandataris in acht moet nemen (bij voorbeeld bij het maken van beleidsregels). Dat de burger van deze mandaatsbesluiten kennis moet kunnen nemen, spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. Openbare orde.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het hoofdstuk worden het samenscholingsverbod en het verwijderingsbevel met betrekking tot het spelen van \"balletje-balletje\" voortaan op APV-bepalingen gebaseerd. Bedoelde maatregelen waren gegrond op artikel 175 (219 oud) van de Gemeentewet. Dit artikel vereist volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State het aanwezig zijn van een \"uitzonderingssituatie\", voor de bestrijding waarvan, naar stellig kan worden aangenomen de gewone middelen ontbreken, te weten feitelijke en juridische middelen. Een verbod van de gemeenteraad is als \"gewoon (juridisch) middel\" te beschouwen. Dat een situatie in de zin van het vermelde artikel 175 is aanvaard als \"uitzonderingssituatie\", staat er niet aan in de weg, dat een reguliere wettelijke grondslag wordt geschapen. Waar mogelijk, verdient dat zelfs de voorkeur. Eerder is dat gebeurd met het \"messenverbod\": thans geldend op basis van artikel 37 van de APV (oud), maar oorspronkelijk in een noodverordening op basis van artikel 220 van de gemeentewet (oud) in het leven geroepen. Het opnemen in de APV van deze maatregelen is te vergelijken met bij voorbeeld een bepaling als artikel 84 van de APV (oud). Op grond van die bepaling kan de Burgemeester in het belang van de openbare orde de sluiting bevelen van voor publiek toegankelijke gebouwen en inrichtingen in verband met hard drugs. Zou deze bepaling niet bestaan, dan zouden sluitingen op de Gemeentewet moeten worden gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de nieuwe Gemeentewet wordt aan de Burgemeester het toezicht op de openbare orde opgedragen. De regeling is in vergelijking met de huidige Gemeentewet meer uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 172 bepaalt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1° dat de Burgemeester belast is met de handhaving van de openbare orde;</p>\n<p class=\"lf-p\">2° dat de Burgemeester bevoegd is overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde te beletten of te beëindigen, waarbij hij zich bedient van de onder zijn gezag staande politie;</p>\n<p class=\"lf-p\">3° dat de Burgemeester bevoegd is bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk zijn te achten voor de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het in artikel 172 bepaalde is in artikel 175 en artikel 176 neergelegd de bevoegdheid om de zogenaamde noodbevelen te geven (nu artikel 219 en artikel 220). De bevoegdheid van artikel 172, derde lid, wordt aangeduid als \"lichte bevelsbevoegdheid\": er behoeft nog geen wettelijk voorschrift te zijn geschonden en er behoeft geen noodsituatie te zijn of te dreigen, terwijl er toch sprake is van een situatie die uit een oogpunt van een aanvaardbaar niveau van orde en rust in de lokale samenleving ongewenst is en waartegen moet worden opgetreden. Bij de behandeling in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is ervan uitgegaan dat de problematiek van de (mogelijke) verstoring van de openbare orde goed in de algemene plaatselijke verordening kan of zou moeten worden geregeld, zodat dan artikel 172, derde lid, in de praktijk weinig of geen toepassing zou vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van het vorenstaande is het hoofdstuk orde en veiligheid met enkele bepalingen uitgebreid. Zo is een verbodsbepaling toegevoegd die het openlijk gebruik van harddrugs op straat verbiedt. Overtreding daarvan kan worden belet en beëindigd. Daarnaast en \"daar boven op\" blijven met name in de binnenstad de verblijfsontzeggingen (voor de duur van acht uur en veertien dagen) van kracht op basis van de bevelsbevoegdheden die aan de Burgemeester in de Gemeentewet zijn toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is ontleend aan de model-APV van de VNG, gecombineerd met artikel 53 (oud) en heeft de orde in het openbare leven op het oog. De bepaling verbiedt ordeverstoringen, zowel individueel als collectief op de weg en in een voor het publiek toegankelijk gebouw (of vaartuig), bij voorbeeld postkantoren, sportstadions, stations en horecabedrijven. In het tweede lid, dat hetzelfde is als het tweede lid van artikel 53 (oud), worden voorwerpen bedoeld die om de orde te verstoren naar rellen en dergelijke worden meegenomen, zoals stenen en stokken. Het woord \"kennelijk\" is weggelaten. Dit compliceert de bewijsvoering onnodig. De bepaling is ook van toepassing in of bij voetbalstadions, bij voorbeeld wat meegenomen explosief materiaal en staven betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.1 wordt het begrip samenscholing gebruikt. Voor 1982 was een soortgelijke bepaling in de Amsterdamse APV al opgenomen. Onder samenscholing verstaat Van Dale: het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben. Het gaat hierbij vooral om opstootjes, rellen, militante acties en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is verboden het onnodig opdringen; weliswaar kan hierbij de intentie onschuldig van aard zijn, bij voorbeeld bij brand, of optochten en andere evenementen, maar hierdoor kan ook de orde en veiligheid in gevaar worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn evenals volgens artikel 53 (oud) verboden: het lastig vallen van personen en vechten. Toegevoegd is \"in groepsverband\". Niet alleen individuele handelingen kunnen de orde en veiligheid bedreigen, maar in het bijzonder ook het in en vanuit een groep lastig vallen van anderen, zoals voorbijgangers, bij voorbeeld door verzamelingen van drugsverslaafden of jongeren, in de binnenstad, winkelcentra, parkeergarages en zo meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid, dat overeenstemt met de model-APV, is voor de daarin genoemde gevallen die betrekking hebben op een situatie van (dreigende) wanordelijkheden, de verplichting opgenomen zich te verwijderen als een politieambtenaar daartoe een bevel geeft. De politie heeft onder meer tot taak, op grond van de Politiewet, zo nodig met onmiddellijke maatregelen het leven in de openbare ruimte in ordelijke banen te leiden en direct te zorgen voor de veiligheid van persoon of zaak. Volgens jurisprudentie houdt die taak de bevoegdheid van de politie in om van geval tot geval daartoe de nodige bevelen te geven. De APV-bepaling is te zien als een concretisering van de wettelijke taakopdracht in een bevoegdheidsgrondslag op lokaal niveau. De bevoegdheid wordt in dit geval door de raad aan een bepaald doel gebonden. Het geen gehoor geven aan het bevel levert een overtreding op van de door de gemeenteraad in het leven geroepen verplichting om dat wel te doen. De politieambtenaar verricht de situatiebeoordeling die nodig is voor de toepassing van de strafbepaling. Rechterlijke toetsing ervan gebeurt als vervolging wordt ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid betreffende wegafzettingen is hetzelfde als artikel 55 (oud), met dit verschil dat overeenkomstig de Awb \"bevoegd gezag\" is vervangen door \"bevoegd bestuursorgaan\". Het gaat hierbij bij voorbeeld om (tijdelijke) afzettingen door de wegbeheerder of door of vanwege de Burgemeester bij staatsbezoeken, evenementen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid bevat een regeling waaraan in de praktijk behoefte is gebleken. Bij de jaarlijkse 4 mei-herdenking bij voorbeeld moeten op bepaalde plaatsen fietsen en andere voorwerpen worden verwijderd voor een goed verloop van die samenkomst. De bepaling geeft hieraan een betere juridische fundering. Volgens artikel 174, derde lid, van de nieuwe Gemeentewet is de Burgemeester belast met de uitvoering van (bepalingen van) verordeningen die betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat een samenscholing of samenkomsten (mede) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. In het zesde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is. De Burgemeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de Burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat dienaangaande strafbepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verzamelingen van personen in verband met harddrugs of heling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is nieuw. De bepaling is toegespitst op (1) het bekende fenomeen van het samengroepen van gebruikers en handelaren in harddrugs of daarop gelijkende waar, zoals nepdrugs, en (2) op hetzelfde soort verschijnselen in verband met heling. De twee staan vaak in wisselwerking met elkaar, maar vallen niet samen en worden daarom in de aanpak en de te treffen maatregelen onderscheiden. Dit komt in de bepaling tot uiting in \"dan wel\". Het verbod richt zich via het uitvoeringsbesluit van de Burgemeester op harddrugs of op heling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling regelt wat tot nu toe \"samenscholingsverbod\" werden genoemd. De term samenscholing wordt in dit kader niet meer gebruikt, omdat die in artikel 2.1 een andere, met de omschrijving in Van Dale overeenkomende betekenis heeft, zoals bij artikel 2.1 is toegelicht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>Harddrugs.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder in de oude binnenstad, maar ook in bij voorbeeld Zuidoost, is groepsvorming van gebruikers en handelaren een permanent, maar in frequentie, ernst en omvang variërend verschijnsel. Deze verzamelingen van personen hebben negatieve effecten op het ordelijk verloop van het dagelijks leven in de publieke ruimte. Het bestrijden daarvan valt moeilijk te brengen onder het algemene verbod op samenscholing zoals dat is vermeld in artikel 2.1. Van een onmiddellijk dreigende houding of van een concreet lastig vallen van voorbijgangers behoeft (nog) geen sprake te zijn. Toch bergen deze verzamelingen van personen deze mogelijkheid voortdurend in zich. Daarnaast roepen ze sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook vanwege de ordeverstorende strafbare gedragingen die zich telkens in en vanuit die verzamelingen van personen voordoen, zijn deze groepsvormingen ongewenst; daarom worden ze in hun algemeenheid verboden, in bepaalde door de Burgemeester aan te wijzen gebieden, zoals in de oude binnenstad, die door de \"drugsscene\" worden gefrequenteerd. Er bestaat steeds het risico van het periodiek, snel en excessief toenemen van de aantallen drugsverslaafden en -dealers, waardoor het normale leven op straat daar soms praktisch onmogelijk kan worden. De bepaling maakt het daarom mogelijk dat aldaar (tijdelijk) elke verzameling van meer dan vier personen wordt verboden waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verband houdt met harddrugs of heling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vraagt in de toepassing de beoordeling van de vraag, of een verzameling van personen geen verband houdt met harddrugs. De Politie beschikt, zeker in de aan te wijzen gebieden, over de voor die beoordeling benodigde ervaringskennis en deskundigheid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>Heling.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vorenvermeld verbod is in delen van de (binnen)stad al vaak in praktijk gebracht. Een soortgelijk verbod wat heling betreft, is af en toe tijdelijk toegepast, teneinde op bepaalde plaatsen, bij voorbeeld de \"kop\" van de Waterloopleinmarkt, de samenkomsten van groeiende aantallen aanbieders, vaak drugsverslaafden, en kopers te doen opbreken. Dergelijke trefpunten vormen, zo is de ervaring, een belangrijke schakel in bestaande patronen van verslaving-diefstal-afzet en dragen aldus bij aan de instandhouding van problemen van orde en veiligheid. Bedoelde maatregel, die de plaats van afzet treft en daardoor het meest effectief is, is steeds specifiek op een betrekkelijk klein gebied gericht. Resultaat volgt dan meestal snel, waarna het verbod na enige tijd kan worden ingetrokken. In het tweede lid wordt een termijn van zes maanden genoemd. Ook hier mag worden uitgegaan van de ervaringskennis en deskundigheid van de Politie. Dit is verantwoord vanwege het zwaarwegende openbare-ordebelang van de maatregel, die daarom hanteerbaar moet zijn, en het tijdelijke en specifieke karakter ervan, waardoor de beperking van de bewegingsvrijheid betrekkelijk gering is. Alvorens de maatregel wordt ingesteld, zijn de helingsfeiten, alsmede hun verband met het trefpunt in casu, duidelijk uit opsporingsacties naar voren gekomen. Het aan te wijzen gebied wordt daarop toegesneden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Openlijk gebruik en handel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van de bepaling is nieuw. De bepaling heeft als doel, het openlijk gebruik van harddrugs op straat, in portieken en in voor het publiek toegankelijke gebouwen tegen te gaan. Zoals bekend, gaat dit gebruik met veel overlast gepaard. Voorts werkt dit verschijnsel onveiligheid in de hand, alsmede sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij anderen die van de openbare ruimte gebruik kunnen of moeten maken. Volgens artikel 172 van de nieuwe Gemeentewet is de Burgemeester en de onder zijn gezag staande politie bevoegd overtreding van wettelijke voorschriften die op de openbare orde betrekking hebben, te beletten en te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3 behoort tot deze voorschriften. De bepaling geeft aldus een rechtstreekse grondslag om tegen openlijk gebruik op te treden. Ook voorwerpen die openlijk worden gebezigd als hulpmiddel voor dat gebruik, vallen onder het verbod. Dat is gedaan om de bepaling uitvoerbaar te maken met het oog op de gewenste overlastbestrijding. Het gaat niet om (opsporing van) de voorwerpen op zich. Het moet voorts gaan om het openlijk voorhanden hebben; een voorwerp dat opgeborgen wordt meegevoerd, valt niet onder de bepaling. De bepaling heeft een ander motief dan de Opiumwet, namelijk de openbare orde, en is daarom niet in strijd met die wet (evenmin als de bepaling die de sluiting van inrichtingen waarin harddrugs aanwezig zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Opiumwet verbiedt overigens het openlijk gebruiken op straat als zodanig niet. De APV-bepaling laat onverlet dat de Politie in voorkomende gevallen optreedt op grond van (strafrechtelijke) bevoegdheden in verband met overtredingen van de Opiumwet. Daarvoor gelden vervolgingsrichtlijnen, die overigens wat het in bezit hebben van kleine hoeveelheden voor eigen gebruik betreft, een lagere prioriteit inhouden dan voor andere Opiumwetdelicten. Ook met het oog daarop is er behoefte aan een APV-bepaling die specifiek is gericht op het tegengaan van overlast en hinder die met het gebruiken van harddrugs op voor het publiek toegankelijke plaatsen gepaard gaat. De bepaling stelt daaromtrent een norm vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij vervult in de uitvoering een (basis)functie naast andere, verdergaande maatregelen, zoals opsporing en vervolging van (zware) Opiumwetdelicten, en bestuurlijk ingrijpen met verwijderingsbevelen (met strafrechtelijke vervolging bij overtreding daarvan). Tegelijkertijd worden ter bestrijding van de harddrugsproblematiek bestuurlijke inspanningen geleverd met betrekking tot hulpverlening en gezondheidszorg (zoals spuitomruil, methadonverstrekking en subsidiëring van instellingen). Om de spuitomruilprogramma's, methadonbussen en de daarmee gemoeide belangen van de volksgezondheid niet in gevaar te brengen (er worden circa 1 miljoen spuiten per jaar omgeruild), is in het derde lid een uitzondering opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is grotendeels gelijk aan artikel 83 (oud), met dien verstande dat toegevoegd zijn \"te kopen of\" en \"slaap- of kalmeringsmiddelen\". De bepaling richt zich tegen de ernstige overlast die wordt veroorzaakt door het steeds weer op bepaalde plaatsen of routes aanbieden van hard drugs, soft drugs, pillen, nepmiddelen en dergelijke. Ook de daar telkens terugkerende kopers moeten worden geweerd. Niet alleen het aanbod, ook de vraag werkt de hardnekkigheid van dit verschijnsel in de hand. Een en ander dient \"redelijkerwijs te kunnen worden aangenomen\". Dit dient te blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het hoorbaar aanbieden, ruzies tussen aanbieders en afnemers, en zo meer. Toegevoegd zijn \"slaap- en kalmeringsmiddelen\", waarmee wordt gedoeld op middelen als rohypnol, valium, diazepan of daarop gelijkende waar (neppillen), die nog steeds op bepaalde plaatsen onderdeel vormen van de overlast veroorzakende \"drugsscene\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting van verkoopinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is een sluitingsbevoegdheid opgenomen inzake winkels die aan verslaafden bepaalde hulpmiddelen verkopen, zoals mesjes, lepeltjes, zilverfolie, weegschaaltjesenz. Regelmatig, maar niet vaak, doet zich dit probleem voor. Deze verkooppunten werken – op onaanvaardbare wijze – de overlast in de hand, zowel in de directe omgeving van het bedrijf als elders in het gebied. In het verleden zijn dergelijke zaken soms – op wankele basis – gesloten op grond van de \"noodbevoegdheden\" van de Burgemeester of op grond van de Politiewet. De termijn van sluiting is bepaald op ten hoogste vier weken. Na die periode is de loop van verslaafden op deze verkooppunten in het algemeen verdwenen, terwijl dan verder redelijkerwijs aannemelijk is dat de verkoper niet in herhaling zal vervallen. In de praktijk zal sluiting doorgaans aan de orde komen nadat is gewaarschuwd dat de verkoop van die voorwerpen moet worden gestaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is opgenomen om van het verbod voorzieningen uit te sluiten waarbij met instemming van overheidswege in het kader van de drugshulpverlening of de aids-bestrijding bepaalde voorwerpen voor gebruik worden verkocht of verstrekt (zoals spuitverkoopautomaten).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Messen en andere voorwerpen als steekwapen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vervangt artikel 37 (oud), dat het opschrift droeg \"katapulten en dergelijke\". De bepaling is alleen toegepast voor messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, op plaatsen waar de \"drugsscene\" ernstige overlast veroorzaakt en een bedreiging van de orde en veiligheid vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid grenst het verbod af van de op 1 september 1989 in werking getreden Wet wapens en munitie. Deze wet verbiedt onder meer het dragen van steekwapens op de openbare weg of andere voor het publiek toegankelijke plaatsen, anders dan voor vervoer, te weten: zodanig verpakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet deelt wapens in categorieën in. Tot categorie I behoren messen met meer dan twee snijkanten, stiletto's, val- en vlindermessen en dergelijke, tot categorie II bajonetten en tot categorie III zwaarden, sabels, degens en werpmessen. In categorie IV wordt verboden het dragen van voorwerpen waarvan, vanwege hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Afhankelijk van de omstandigheden vallen hier voorwerpen onder als dolkmessen, knuppels, flessen en tafelpoten. In die omstandigheden gaat het om de (directe) bescherming van de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.5 betreft in ruimere zin de bescherming van de openbare orde tegen mogelijke aantastingen ervan. Vanuit die optiek mag men in gebieden waar het gebruik van en de handel in harddrugs zich concentreert, in aanvulling op de Wet wapens en munitie geen enkel mes of ander voorwerp dat als steekwapen kan worden gebruikt, op of aan de weg bij zich hebben. De soorten wapens die al verboden zijn in of bij de Wet wapens en munitie, zijn in het tweede lid uitgezonderd. Men mag, in de gehele stad, dergelijke wapens niet dragen. Daartegen kan met die wet worden opgetreden. De strafmaxima volgens die wet zijn ook hoger dan in de APV mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Spelen om geld op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vervangt artikel 74 (oud). Het opschrift \"dobbelen\" is vervangen door \"spelen om geld op of aan de weg\". Het verbod is gericht tegen de negatieve verschijnselen die met het spelen om geld op of aan de weg in het algemeen gepaard gaan: voorbijgangers worden gehinderd in hun bewegingsvrijheid, de toegankelijkheid van winkels en woningen wordt belemmerd, ruzies of vechtpartijen worden in de hand gewerkt. Ook leert de ervaring dat om geld spelen criminele vormen kan aannemen, zoals het beruchte \"balletje-balletje\". Daardoor worden de ordeproblemen nog verergerd, vaak juist op die plaatsen die al worden bedreigd door drugsoverlast. De hoogtijdagen van dat spel zijn in Amsterdam achter de rug, maar dat is geen garantie voor de toekomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede en derde lid is de bevoegdheid opgenomen een straatverbod op te leggen aan recidiverende balletje-balletje-spelers. Tot nu toe gebeurde dat op basis van een bevel van de Burgemeester op grond van artikel 175 van de Gemeentewet, en wel in een deel van de oude binnenstad. In de bepaling is de bestaande werkwijze neergelegd. Het verbod geldt voor maximaal twee weken en is niet van toepassing wanneer de betrokkene in het door de Burgemeester aan te wijzen gebied woont of werkt. De bepaling komt niet in strijd met het recht op bewegingsvrijheid zoals gewaarborgd in artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten. Dit recht kan namelijk aan beperkingen worden onderworpen die nodig zijn in het belang van de openbare orde. De uitzonderingen wat het openbaar vervoer, wonen en werken betreft, strekken ertoe de bewegingsvrijheid niet verder in te perken dan echt nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">A Verblijfsontzeggingen in verband met harddrugs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid om op grond van dit artikel verwijderingsbevelen voor de duur van acht uur en veertien dagen op te leggen, is bedoeld ter vervanging van de praktijk waarbij de Burgemeester verwijderingsbevelen oplegde op basis van de artikelen 172 en 175 van de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A geeft de Burgemeester de bevoegdheid gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig is verstoord door de aanwezigheid van verslaafden of handelaren in harddrugs. Vervolgens kan aan personen die in het aangewezen gebied de in het artikel vermelde ordeverstorende gedragingen begaan, tijdelijk de toegang tot het gebied worden ontzegd Het artikel richt zich tegen personen die telkens weer op een bepaalde plek terugkomen om drugs te gebruiken of daarin te handelen en daarbij of als gevolg daarvan de openbare orde verstoren. Allereerst wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid, iemand voor de duur van acht uur uit het gebied te verwijderen. Personen die binnen een periode van zes maanden ten minste vijf orde-verstorende gedragingen vertonen, kunnen voor de duur van veertien dagen worden verwijderd. Zij leggen immers een bepaald leefpatroon aan de dag waarin deze gedragingen frequent tot zeer frequent voorkomen; derhalve verstoren zij de openbare orde in een relatief kort tijdsbestek zo vaak, dat een verwijderingsbevel voor langere duur geboden en gerechtvaardigd is. De duur van veertien dagen is ingegeven door de overweging dat in het algemeen voor deze (korte) periode concreet voorzienbaar, te verwachten en redelijkerwijs aannemelijk is dat de gedragingen zich binnen de verwijderingsperiode zullen herhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het motief van de bepaling is dan ook niet het opleggen van een sanctie wegens het plegen van strafbare feiten, maar het bestrijden van de ernstige aan drugs gerelateerde overlast die in bepaalde delen van de stad bestaat. In haar uitspraak van 23 mei 1996 (RO3.93.1675) onderschrijft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit preventieve openbare-ordekarakter van het veertiendagenbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Burgemeester is op grond van artikel 172 van de Gemeentewet het bevoegde orgaan om uitvoering te geven aan openbare-ordemaatregelen. Dit komt neer op de bevoegdheid gebieden aan te wijzen en de verwijderingsbevelen op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de reeds bestaande praktijk zal de Burgemeester de bevoegdheid tot het opleggen van de verwijderingsbevelen voor de duur van acht uur in mandaat aan de Politie geven. De bevoegdheid tot het opleggen van verwijderingsbevelen voor de duur van veertien dagen wordt niet aan de Politie gemandateerd. De Politie houdt de administratie bij, bereidt de voordrachten voor en reikt het verwijderingsbevelen uit. De Burgemeester ondertekent de verwijderingsbevelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting gebouwen vanwege de openbare orde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vervangt de artikelen 84, 85 en 86 (oud). In het eerste lid is de sluiting in verband met harddrugs opgenomen; in het tweede lid de sluiting in verband met verstoringen van de openbare orde die verband houden met andere feiten. Het komt regelmatig voor dat met harddrugs ook als harddrugs verpakte nepmiddelen door de Politie in de inrichting worden aangetroffen. Deze nepmiddelen kunnen in het bijzonder aanleiding geven tot ordeverstoringen. Het vierde lid bevat het verbod om bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang voor het gebouw het bevel tot sluiting van kracht is. Door de samenvoeging van deze bepalingen in een artikel kon een aantal herhalingen verdwijnen. Weggelaten is de zinsnede \"onverminderd het bepaalde in artikel 221 van de Gemeentewet\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Die was bedoeld om aan te geven dat de Burgemeester over een afzonderlijke bevoegdheid beschikt om bij een (acute) bedreiging van de openbare orde ten aanzien van voor het publiek openstaande gebouwen de passende maatregelen te treffen. Deze verwijzing is niet nodig. De bevoegdheid tot sluiting op grond van de APV is niet in strijd met artikel 221 (oud) van de Gemeentewet. De maatregel van sluiting wordt vooral in verband met harddrugs regelmatig toegepast. Maatstaf is daarbij niet, of de exploitant zelf is betrokken bij het gebruiken of verhandelen van hard drugs, maar of de situatie in en rond het voor het publiek toegankelijke gebouw uit een oogpunt van openbare orde onverantwoord is. De exploitant wordt verantwoordelijk gehouden voor een goede exploitatie en bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heropening is volgens het derde lid verplicht, zodra de openbare orde de sluiting niet langer vereist. Van belang is de bereidheid en de bekwaamheid van de exploitant om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen, bij voorbeeld door herinrichting van het bedrijf, verscherping van toelatingsbeleid of het aannemen van (ander) personeel. Criterium is ook in hoeverre het bedrijf tot aantrekkingspunt voor drugsverslaafden is geworden. Het kost enige tijd, zo is de ervaring, om een bestaande loop van drugsverslaafden op een (horeca)bedrijf te doorbreken. In het vierde, vijfde en zesde lid is artikel 86 (oud) vervangen door een kortere formulering. Toegevoegd is dat de rechthebbende niet zonder toestemming van de Burgemeester de gesloten ruimte mag betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze werkwijze wordt in de praktijk al gevolgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vervangt artikel 53A (oud). Zij is vereenvoudigd als gevolg van de nieuwe omschrijving van het begrip weg in de APV, waaronder ook overdekte winkelstraten, winkelpassages en dergelijke vallen. Voorts is het tweede lid compacter geformuleerd. Op terrassen en dergelijke geldt het verbod niet. Het verbod heeft zijn waarde bewezen, met name in de oude binnenstad en in het stadsdeel Zuidoost.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">A Openbare fietsverkoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel beoogt de normvervaging en verloedering van het straatbeeld tegen te gaan en hoort als zodanig thuis in het hoofdstuk 2 (Orde en veiligheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 2.8A is het niet meer mogelijk, fietsen op of aan de (openbare) weg ten verkoop aan te bieden of te kopen. Voor de definitie van het begrip “weg” wordt verwezen naar artikel 1.1 van de APV. Het verbod richt zich zowel tot de verkoper als de koper.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het verbod is in het tweede lid uitgezonderd de bedrijfsmatige handel in fietsen. Onder “bedrijfsmatig” wordt verstaan hetgeen het normale spraakgebruik daaronder verstaat, te weten: de handel in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf. Deze handel doet zich meestal voor op een markt of in een winkel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de bedrijfsmatige handel niet zou worden uitgesloten, is in het vervolg de fietsverkoop in een reguliere fietsenzaak of openbare markt verboden. Dat is niet de bedoeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de eventuele bedrijfsmatige handel in gestolen fietsen (die ook voorkomt), dient toevlucht te (blijven) worden gezocht bij het Wetboek van Strafrecht. De APV-bepaling beoogt de incidentele, niet-bedrijfsmatige, (ver)koop van fietsen tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de formulering van het derde lid is gedacht aan bijvoorbeeld Koninginnedag. Het moet dan mogelijk blijven/zijn dat particulieren in bijvoorbeeld het Vondelpark op de vrijmarkt fietsen (ver)kopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 2.9 tot en met 2.13. Openbare manifestaties en evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen treffen een regeling voor allerlei gebeurtenissen die op of aan de weg worden georganiseerd. Er is een onderscheid gemaakt tussen (1) openbare manifestaties en (2) diverse evenementen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Op manifestaties is de Wet openbare manifestaties (WOM) van toepassing. De WOM geeft een eenvormige regeling voor de activiteiten die vallen onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 van de Grondwet, betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, voor zover die op openbare plaatsen worden gehouden. De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen, dat wil zeggen: uitingen van meer dan twee personen. De WOM kent bepaalde bevoegdheden toe aan gemeenteraden en burgemeesters: het scheppen van een kennisgevingsstelsel, het geven van aanwijzingen, het (in het uiterste geval) beëindigen van een manifestatie. Andere onderwerpen zijn aan de competentie van de plaatselijke wetgever onttrokken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM aan de Burgemeester uitsluitend repressieve bevoegdheden toe. Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist. De leidende gedachte hierachter is dat wat manifestaties op niet-openbare plaatsen betreft, een terughoudende opstelling vooraf van de overheid op haar plaats is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WOM bepaalt wat een openbare plaats is: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, dat wil zeggen: dat een ieder in beginsel vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan. Op een zodanige plaats is het verblijf niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden. Op grond hiervan kunnen bij voorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als \"openbare plaatsen\" worden aangemerkt, maar wel openbare wegen, plantsoenen, speelweiden, parken, en de voor ieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, stationshallen, vliegvelden, en van openbare waterwegen en recreatieplassen. In 1988 is de APV in verband met de inwerkingtreding van de WOM aangepast. Met artikel 59A (oud) is een kennisgevingsstelsel met een meldingsplicht ingevoerd. Dit blijft in hoofdlijnen in de nieuwe APV onveranderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 58 (oud) is niet teruggekeerd in de APV. Dit bevatte een verbod op \"exercities\", zijnde: oefeningen in het hanteren van wapens en het marcheren in (semi-)militaire uitrusting. Deze vooroorlogse bepaling was gericht tegen de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) en behoefde na de oorlog niet meer te worden toegepast. Indien nodig, kan worden opgetreden op grond van artikel 2.9 juncto de WOM, indien het bij voorbeeld om een ─ politieke ─ manifestatie gaat of op grond van artikel 2.12 en 2.13, indien het een soort optocht betreft. Ook de Wet op de weerkorpsen geeft handhavingsmogelijkheden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Er zijn allerlei activiteiten op of aan de weg die geen manifestaties zijn in de zin van de WOM. Deze worden aangeduid met de verzamelterm \"evenementen\". Het gaat daarbij om activiteiten die erop gericht zijn publiek aan te trekken of die feitelijk tot allerlei samenkomsten op of aan de weg leiden. Dit is ook de reden dat artikel 174 (221 oud) van de Gemeentewet van toepassing is, dat het toezicht op \"samenkomsten\" exclusief aan de Burgemeester toekent. Voorbeelden van deze soort evenementen zijn: vertoningen, vermakelijkheden, muziek maken, straattheater, buurtfeesten, straatfestivals, kermissen, wedstrijden, sportmanifestaties, herdenkings-bijeenkomsten. Met betrekking tot dit onderwerp bevatte de APV in artikel 57 (oud) een genuanceerde, specifiek Amsterdamse regeling, waarin gestreefd is naar een zekere vrijheid en het waarborgen van de belangen van orde en veiligheid, en het beperken van hinder en overlast. De bepaling dient ook andere belangen. De belangstelling voor het houden van allerlei evenementen is op tal van plaatsen, in het bijzonder in de binnenstad, het gehele jaar door groot. Een zekere regulering is daarom onvermijdelijk. Het dichtslibben van druk bezochte publieke ruimten op of aan de weg moet worden voorkomen, en evenementen mogen ook elkaar niet gaan verdringen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uit de opsomming blijkt, vielen zowel kleine als grote tot zeer grootschalige activiteiten onder artikel 57 (oud). Dit artikel was op die verscheidenheid niet goed toegesneden. Zo worden vertoningen en het ten gehore brengen van muziek onder meer vrijgelaten, wanneer ze korter dan een half uur duren. Voor tal van evenementen, bij voorbeeld feesten, is dat niet relevant; daarom zijn in de nieuwe regeling diverse soorten uitgesplitst. Voor de grotere evenementen wordt een meer uitgewerkte regeling opgenomen in artikel 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opbouw is als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>openbare manifestaties (artikel 2.9 en artikel 2.10);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>evenementen/algemeen (artikel 2.11);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>bijzondere evenementen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>optochten (artikel 2.12 en artikel 2.13);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>voetbalwedstrijden (artikel 2.14 en artikel 2.15);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>straatartiest en muziek (artikel 2.16).</div>\n<p class=\"lf-p\">Wat de evenementen betreft, regelt artikel 2.11 derhalve de evenementen die resteren na aftrek van die bijzondere evenementen waarvoor een afzonderlijke regeling is getroffen in de artikelen 2.12 tot en met 2.16.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare manifestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervangen is artikel 59A (oud). Dit artikel is ingevoegd bij raadsbesluit van 13 juli 1988, in verband met de inwerkingtreding van de Wet openbare manifestaties (WOM) op 27 april 1988. De vervanging houdt geen essentiële wijzigingen in. De terminologie is aangepast aan de Awb. De procedure van kennisgeving is voor de duidelijkheid in een afzonderlijke bepaling ondergebracht (artikel 2.10). In het eerste lid van artikel 2.9 is het begrip \"openbare plaats\" omschreven. Hiervoor is dat begrip al toegelicht. Geen openbare plaatsen zijn een gebouw of besloten plaats zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet, welk artikel betrekking heeft op de vrijheid van het belijden van godsdienst of levensovertuiging. Overeenkomstig de WOM is deze uitzondering ook in de APV-bepaling opgenomen. Uitgezonderd is in het tweede lid het geval zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de WOM. Dit betreft regelmatige samenkomsten op vooraf bepaalbare tijdstippen van kerkgenootschappen en dergelijke. Dan kan ingevolge de WOM met een eenmalige kennisgeving worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de in het tweede lid opgenomen verplichting is strafbaar gesteld in de WOM. Op grond van die wet kan de Burgemeester onder omstandigheden de manifestatie verbieden. Het derde lid heft genoemde verplichting (en dus de strafbaarstelling) op, indien naar het oordeel van de Burgemeester van bijzondere omstandigheden sprake is, bij voorbeeld een spontane publieke beroering naar aanleiding van een actuele bijzondere gebeurtenis. Wel geldt dan de verplichting, onverwijld daarvan mondeling kennis te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke manifestatie is als een betoging op te vatten, omdat volgens de jurisprudentie van een betoging sprake is, wanneer een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep erop uit is een mening uit te dragen. Bij een deelneming van twee personen kan al sprake zijn van een collectieve uiting. Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het element van de meningsuiting moet voorop staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het uitdragen van de mening op de achtergrond is geraakt en dwangmiddelen jegens de overheid of derden domineren, bij voorbeeld bij blokkades van wegen, is grondwettelijke bescherming niet aan de orde: demonstreren mag, blokkeren mag niet. In de APV-bepaling is geen verbodsbepaling opgenomen. Een demonstratie of betoging kan slechts op grond van de Wet openbare manifestaties door de Burgemeester worden verboden. Volgens jurisprudentie is er bij voorbeeld grond voor een verbod wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen. De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties of woede opwekt of tegendemonstraties uitlokt, biedt dus op zichzelf onvoldoende basis voor een verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 57 (oud) werden geregeld het muziek maken, het geven van vertoningen en het houden van vermakelijkheden op of aan de openbare weg. Onder de werking van deze bepaling vielen ook evenementen van grotere omvang. Voor de regeling daarvan bood artikel 57 (oud) echter geen geschikt kader meer. In artikel 2.11 is daarom voor \"evenementen\" de regeling uitgebouwd, terwijl voor het maken van muziek en het optreden als straatartiest een speciale regeling in artikel 2.16 is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen vervullen een belangrijke functie in de stad, vooral die van grotere omvang, zoals kermissen, buurtfeesten, straatfestivals, de uitmarkt, sail, bijzondere huldigingen, herdenkingen, sportmanifestaties en -wedstrijden. Daarbij moeten veel belangen in het oog worden gehouden en tot hun recht kunnen komen. De bepaling biedt daarom een veel ruimer afwegingskader dan artikel 57 (oud). Gekozen is voor een vergunningstelsel, omdat in dat kader het noodzakelijke vooroverleg, de benodigde advisering van vele betrokken diensten en de onderlinge afstemming van wensen en voorschriften het beste gestalte kan krijgen. De aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen op deze belangen inspelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is ingevoerd het begrip \"evenemententerrein\". Daardoor kan van elk evenement een duidelijke ruimtelijke omlijning worden bepaald. Aan de ene kant wordt het afwegingskader verruimd, aan de andere kant wordt de werking van andere gemeentelijke regelingen zoveel mogelijk uitgeschakeld. In de evenementenvergunning kunnen deze zaken worden meegenomen, bij voorbeeld het plaatsen van voorwerpen. Deze aanpak leidt tot een vergaande vereenvoudiging van procedures. Het belang van de burger (organisator) wordt hiermee gediend. Diens aanvraag wordt in haar geheel behandeld. Ook is gebleken dat organisatoren behoefte kunnen hebben aan meer armslag om tot de gewenste invulling van het evenement te komen, bij voorbeeld door het maken van afspraken met derden. Daardoor kan deze in bepaalde gevallen tevens meer inkomsten genereren ten behoeve van de organisatie. Dit heeft aan de andere kant voor de gemeente het voordeel, dat in redelijkheid meer eisen kunnen worden gesteld wat de voorzieningen betreft die door de organisator moeten worden getroffen, bij voorbeeld inzake schoonhouden en schoonmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begripsomschrijving is ruim gehouden gelet op de grote variatie in evenementen. Een aantal elders in de verordening geregelde activiteiten wordt uitgezonderd, zoals manifestaties, optochten en voetbalwedstrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in het artikel om evenementen op of aan de openbare weg. Daaronder vallen niet voor publiek toegankelijke gebeurtenissen in gebouwen. Hierover is een afzonderlijke bepaling opgenomen (artikel 2.18) in verband met zaken als houseparties en laserdoolhoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar meer en meer evenementen (gedeeltelijk) op het water plaatsvinden, is voor de duidelijkheid ook het openbare water in de omschrijving opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip \"evenemententerrein\" maakt het mogelijk tot een duidelijke omlijning te komen en daarmee tot een duidelijk juridische afbakening van geldende regels en bevoegdheden. Naar gelang de omstandigheden kan het evenemententerrein nader worden bepaald, of kunnen de grenzen daarvan ruimer worden getrokken, bij voorbeeld door voorzieningen voor toeschouwers erin te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin is de vergunningsplicht vastgelegd. Doorgaans wordt een evenement georganiseerd. De vergunning wordt dan aangevraagd door en verleend aan de organiserende (rechts)persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangen met het oog waarop de vergunningsplicht wordt ingevoerd, worden hier aangegeven in de vorm van een uitgebreide opsomming. In het kader van de vergunningverlening kan dan een integrale belangenafweging plaatsvinden. Daarin kan worden meegenomen het beslag dat het evenement legt op diverse hulpdiensten (van de overheid). Naarmate het evenement een meer commerciële inslag heeft, is het minder vanzelfsprekend dat voor het evenement overheidsdiensten, zoals reiniging, moeten worden ingezet. Bij evenementen die (mede) een meer algemeen belang vertegenwoordigen, zoals herdenkingen, zal de afweging anders kunnen of moeten zijn. Bij de vergunningverlening kan beleid worden gevoerd dat hiermee rekening houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op de genoemde belangen kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden. Dit behoeft niet speciaal bepaald te worden, maar toegevoegd is voor de duidelijkheid dat vooraf een borgsom kan worden verlangd ter verzekering van de nakoming van de voorschriften. Dat kan van belang zijn bij het noodzakelijke herstel van beschadigingen aan openbare voorzieningen of met het oog op het beheer van de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor evenementen is ter voorbereiding vaak een periode van advisering en overleg nodig tussen ambtelijke diensten en de organisator. Daarom is voor het indienen van een aanvraag een uiterlijke datum bepaald. Voor de evenementen is die op acht weken gezet. Dient de organisator de aanvraag te laat in, dan loopt hij het risico dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. De Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk en stelt ter zake regels. De Burgemeester kan voor eenvoudige evenementen afwijken van de gestelde termijn. De vraag, of de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen, is dan niet zozeer aan de orde. Ook kan hij voor bijzondere evenementen een speciale aanvraagtermijn vaststellen. Dat is van belang voor (periodieke) grootschalige evenementen, zoals de Uitmarkt, de marathon, Sail en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het terrein zijn andere vergunningsplichten uitgeschakeld. De organisator wordt daardoor meer vrijheid gegeven om tot een invulling van zijn evenement te komen. De organisator heeft dan niet nog allerlei andere vergunningen nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woord vergunningen in dit lid en de volgende leden moet in verband hiermee in ruime zin worden opgevat; ook ontheffingen en dergelijke vallen hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar anderzijds in de evenementenvergunning veel belangen kunnen worden meegewogen, kunnen, indien nodig, wel voorschriften worden gesteld, zodat de uitschakeling geen ongewenste gevolgen kan hebben. Voorwerpen op de weg, zoals podia, kunnen op goede wijze in de vergunning worden geregeld. De bedoelde activiteiten moeten wel in de evenementenvergunning zijn vermeld. Dit geldt ook voor het (tijdelijk) innemen van staanplaatsen buiten de markt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op het zesde lid worden op het evenemententerrein de activiteiten van anderen dan die van de houder van de evenementvergunning verboden, ook al zouden die op het evenemententerrein op grond van een vergunning die ingevolge de APV of een andere gemeentelijke verordening is verleend, mogen worden uitgeoefend. Het kan immers zijn dat die strijdig zijn met de opzet, de aard of de organisatie van het evenement. Als dat niet het geval is, kunnen die activiteiten wel worden uitgeoefend indien ze ten minste in de vergunning zijn vermeld en indien de derde met de vergunninghouder een overeenkomst heeft gesloten en zich jegens hem heeft verbonden de voorschriften en beperkingen na te leven die aan de evenementen vergunning zijn verbonden. De niet in de evenementenvergunning genoemde activiteiten zijn op grond van het zevende lid verboden. Door deze bepaling kunnen bestaande rechten in principe (tijdelijk) opzij worden gezet. Het bepaalde in het negende lid stelt hieraan grenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de derde met de vergunninghouder van het evenement een overeenkomst heeft gesloten, is het zesde lid van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat deze derden evenmin een afzonderlijke vergunning nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Negende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in dit lid bepaalde heeft de strekking, ervoor te zorgen dat derden die normaliter op de plaats waar het evenement wordt gehouden vergunningplichtige activiteiten mogen verrichten, van hun vergunning gebruik kunnen blijven maken. De vergunning moet wel betrekking hebben op een handeling of activiteit die specifiek aan een plaats (op het evenemententerrein) gebonden is, zoals een staanplaats buiten de markten. Een vergunning, zoals voor rondvaarten, valt niet onder het bepaalde in het negende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tiende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het bepaalde in dit lid wordt voor evenementen zekergesteld dat de uitoefening van civielrechtelijke bevoegdheden geen doorkruising van het publiekrechtelijke vergunningstelsel inhoudt, zoals dat in artikel 2.11 is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat voor evenementen gemeentegrond in gebruik wordt genomen waarvoor een overeenkomst nodig is. Dit kan in het bijzonder bij commerciële evenementen van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij evenementen kan ook andere wetgeving van belang zijn. In het artikel is deze niet genoemd, omdat die wettelijke regelingen een ander onderwerp en/of met ander motief regelen dan in de evenementenregeling. Artikel 24 van de Wegenverkeerswet (WVW) vereist voor wedstrijden met auto's of motorfietsen op de weg vergunning van Burgemeester en Wethouders. Wanneer wedstrijden plaatsvinden op of aan de weg die geen weg is in de zin van de WVW, of niet met voertuigen in de zin van de WVW, geldt het verbod van artikel 2.11 (in zoverre) wel. Soms kunnen er dus twee vergunningen vereist zijn. Overigens verdient vermelding dat de reikwijdte van de WVW per 1 november 1991 is verruimd. Behalve verkeersaspecten kunnen in de afweging met betrekking tot de WVW-vergunning nu ook een rol spelen: overlast, hinder en schade en de aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden, kortom leefmilieu-overwegingen. Ook kan worden genoemd de Luchtvaartwet, die voor activiteiten in de lucht een regeling treft. De toeloop van publiek op de grond kan wel onder een evenement vallen. Voorts kunnen (onderdelen van) activiteiten vallen onder de Wet milieubeheer of de Woningwet en de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 2.12 en 2.13. Optochten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is ten opzichte van artikel 59 (oud) niet essentieel gewijzigd. De terminologie is aangepast aan de Algemene wet bestuursrecht. Voor de duidelijkheid zijn de procedure van kennisgeving en de verbodsbepaling gesplitst. Optochten, zoals carnavals- en sinterklaasoptochten, bloemencorso's en parades van muziekbands, kunnen (doorgaans) niet worden opgevat als een middel tot het uiten van een mening, gedachten of gevoelens en vallen als zodanig niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees Verdrag en de Wet openbare manifestaties. De meldingsregeling in artikel 2.12, waarin een termijn van drie weken is opgenomen, heeft het doel de Politie en de gemeente de tijd te geven de route en andere relevante aspecten te toetsen en, voor zover nodig, in overleg met de organisator, de nodige maatregelen te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 2.14 en 2.15. Voetbalwedstrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is ten opzichte van artikel 59B (oud) niet wezenlijk gewijzigd. Ook hier zijn de procedure- en de verbodsbepaling gesplitst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest en muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling is de kern van artikel 57 (oud) opgenomen. Voor de duidelijkheid wordt nu in artikel 2.16 in het bijzonder \"straatartiest en muziek\" geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.16 worden activiteiten bedoeld van bijvoorbeeld mimespelers, goochelaars, jongleurs, muziek- en zanggroepen, straattekenaars en theatergroepen; activiteiten die in het algemeen positief door het publiek worden gewaardeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een belangrijk deel vallen deze uitingen onder de werking van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Elke uiting van gedachte of gevoel en valt daar namelijk onder. De APV-bepaling heeft op de inhoud van de uiting geen betrekking. Gereguleerd wordt alleen de verspreiding van die activiteiten over de stad. De aspecten inhoud en verspreiding zijn in de praktijk moeilijk los van elkaar te zien. Een verbod op een bepaalde plaats betekent in feite dat daar geen uiting kan plaatsvinden. Voorop staat daarom dat er voldoende ruimte voor deze activiteiten moet overblijven, niet alleen in het belang van de vrijheid van expressie, maar ook in het belang van een veelzijdig en aantrekkelijk stadsleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de APV-1982 hebben artikel 56 (APV-1955) en de voorgestelde verruiming (concept-APV-1982) veel stof tot discussie opgeleverd. Het uitgangspunt van een zo groot mogelijke vrijheid moest worden verzoend met de belangen van degenen die hinder en overlast ondervinden. Tegelijk moeten andere functies van de openbare ruimte ook kunnen worden uitgeoefend. Daarbij was en is nog steeds een belangrijk gegeven dat er ─ in bepaalde perioden en voor bepaalde plaatsen ─ een overmaat aan belangstelling bestaat om op te treden. Ook onderling gaat men elkaar verdringen. Een en ander heeft geleid tot de vaststelling van artikel 57 (APV-1982) met zijn huidige, tamelijk gecompliceerde structuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is aangepast en vereenvoudigd, maar inhoudelijk in essentie niet gewijzigd. In het oog springt dat de term straatartiest is ingevoerd. Daarmee wordt bedoeld de op publiek gerichte, vrije, al of niet artistieke expressie, op welke wijze dan ook, van bij voorbeeld mimespelers, goochelaars, acrobaten en trottoirtekenaars. In het eerste lid is de mogelijkheid gegeven dat de Burgemeester plaats en tijd aangeeft waar optredens verboden zijn; met name van zeer drukke plaatsen in de binnenstad. Buiten de wegen als bedoeld in het eerste lid, geldt een vergunningstelsel (artikel 2.16, tweede lid). In het derde lid van artikel 2.16 is vervolgens, net zoals onder artikel 57 (oud) het geval was, bepaald dat onder bepaalde voorwaarden geen vergunningsplicht van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is ten aanzien van het ten gehore brengen van muziek het geval, wanneer wordt opgetreden met minder dan zeven personen (ongewijzigd), er niet langer dan een half uur wordt opgetreden (ongewijzigd) en er geen geluidversterkende apparatuur wordt gebruikt (ongewijzigd). Vervallen is de voorwaarde dat \"geen hinder wordt veroorzaakt\". Deze voorwaarde is vanwege de subjectieve inhoud ervan moeilijk uitvoerbaar gebleken, behalve wat het gebruik van slaginstrumenten betreft. Als gevolg van het grote aantal klachten hierover is in de handhaving het gebruik daarvan als (ontoelaatbare) hinder opgevat. In de bepaling zelf is daarom nu toegevoegd \"of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo's en dergelijke\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laten vervallen van het woord hinder past ook beter in de opzet van de bepaling: waar een vrij regime geldt, moet een zekere hinder in subjectieve zin worden aanvaard. In het algemeen bestaat op dit punt inderdaad de nodige tolerantie. Wel is ingevoegd (onder d) een verbod op muziek maken tussen 23.00 uur en 9.00 uur. Na 23.00 uur, welk tijdstip ook in de milieuwetgeving wordt gehanteerd, is een vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is de voorwaarde vervallen dat slechts op passieve wijze geld wordt ingezameld. Op die grond was het zogeheten mansen niet toegestaan. Men mocht wel iets neerzetten waar geld in geworpen kon worden, maar daarmee niet rondgaan. Die voorwaarde is moeilijk handhaafbaar, terwijl van klachten niet is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte is de voorwaarde gehandhaafd dat niet langer dan een half uur mag worden opgetreden. Deze bepaling vervult in de praktijk een nuttige functie, ook al is handhaving niet altijd mogelijk vanwege het relatief grote beslag op de controlecapaciteit van de Politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor andere straatartiesten dan muzikanten is voortaan een vergunningsplicht van toepassing. Hierdoor kan op bepaalde drukke plaatsen het aanbod worden gereguleerd. Anders zou op die plaatsen alleen de keus openstaan tussen geheel verbieden of geheel vrijlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvattend geldt het volgende regime:</p>\n<p class=\"lf-p\">1° vertoningen en muziek kunnen op bepaalde plaatsen bij uitvoeringsbesluit geheel worden verboden; ook tijden kunnen daarin worden genoemd;</p>\n<p class=\"lf-p\">2° op de overige plaatsen en tijden is muziek maken vrij, mits met niet meer dan zes personen, niet langer dan een half uur, er geen geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten worden gebruikt, en niet tussen 23.00 en 9.00 uur;</p>\n<p class=\"lf-p\">3° voor vertoningen die niet aan deze voorwaarden voldoen en die niet plaatsvinden op de volgens het eerste lid verboden tijden en plaatsen, is een vergunning nodig. Daarbij kan beleid worden gevoerd, bij voorbeeld om ruimte te maken voor speciale vertoningen of slagmuziek;</p>\n<p class=\"lf-p\">4° controle en handhaving kunnen zich richten op de voorwaarden genoemd onder punt 2, en op het al of niet hebben van een (dag)vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbieden van diensten op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling zijn de artikelen 71, 72 en (gedeeltelijk) 73 (oud) samengevoegd. Het gaat hier om het weren van commerciële activiteiten die erop gericht zijn in de openbare ruimte allerlei diensten aan te bieden. Vaak wordt dit door het publiek als hinderlijk ervaren. Deze activiteiten kunnen onevenredig veel ruimte in beslag nemen ten koste van andere functies van de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen moet ook worden dat toeristen worden geconfronteerd met onevenredig hoge prijzen voor de te verlenen, vaak bij verrassing opgedrongen diensten. Een en ander geldt ook voor de onder b bedoelde \"runner\"-activiteiten: het werven van klanten voor allerlei bedrijven, zoals rondvaartrederijen. Daarbij moet ook verscherping van onderlinge concurrentie met negatieve gevolgen voor de openbare orde worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het verbod in het tweede lid wordt om dezelfde redenen het zwart verkopen van entreebiljetten tegengegaan, bij voorbeeld bij voetbalwedstrijden of popconcerten. In tegenstelling tot bij artikel 2.16 gaat het in artikel 2.17 niet om vertoningen of vermakelijkheden, maar om commerciële activiteiten waarbij het element van vrije expressie ontbreekt of een ondergeschikte rol speelt. Met dit verschil correspondeert het verschil in het tot uitvoering bevoegde bestuursorgaan. In artikel 2.17 gaat het niet om samenkomsten of vermakelijkheden, op welk punt de Burgemeester bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderd ten opzichte van de artikelen 71 en 73 (oud) is dat het vergunningstelsel is omgezet in een ontheffingsbevoegdheid. Vergunningen werden, behalve door rondvaartgidsen, bijna nooit aangevraagd. In de bepaling gaat het in hoofdzaak om in het straatleven onwenselijk te achten activiteiten. Een vergunningstelsel is erop gericht een in hoofdzaak vrij te laten activiteit met het oog op bepaalde te beschermen belangen bij te sturen. Bij de toepassing van artikel 73 deed zich wel het misverstand voor dat die bepaling ook betrekking had op het tegengaan van beunhazerij. Dit is niet de bedoeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling bevat een vergunningstelsel inzake voor publiek toegankelijke gebeurtenissen die in een gebouw (of tent) plaatsvinden. Hierdoor wordt voor zaken als houseparties, laserdoolhoven en dergelijke een regelingskader in het leven geroepen, in het bijzonder om de belangen die met de leefbaarheid samenhangen, te beschermen. Voorstellingen in bioscopen, theaters en dergelijke worden uitgezonderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling voegt de artikelen 28 en 54 (oud) samen, betreffende hinderlijk gedrag in of bij gebouwen of vaartuigen, en het gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten. Artikel 33 (oud), betreffende het plaatsen van fietsen voor gebouwen, is opgenomen in hoofdstuk 10 dat gaat over parkeerexcessen (artikel 10.6). Verboden zijn gedragingen die ordeverstorend zijn en hinder of overlast geven voor bewoners of gebruikers. De Politie kan, zo nodig, op grond van de verbodsbepaling optreden. Hoe vaak dat nodig is of gebeurt, is uiteraard vooraf niet precies te zeggen. Een waarschuwing kan voldoende zijn. Vooral gebruikers van harddrugs moeten regelmatig worden weggestuurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">Slapen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de bepaling zijn samengetrokken de artikelen 61 en 62 (oud). Artikel 61 stamt uit de tijd van problemen als gevolg van de grote aantallen Dam- en Vondelpark-slapers; artikel 62 is in 1973 ingevoerd toen het kamperen in de stad in busjes en andere voertuigen hand over hand was toegenomen. Meer recent zijn de artikelen, naast de bepalingen van de Woningwet en Bouwverordening, toegepast met betrekking tot de zogenaamde stadsnomaden, die zich op diverse terreinen in de stad hadden verzameld. Deze plaatsen bleken aantrekkingskracht uit te oefenen op een wassende stroom van trekkers, daklozen, toeristen en passanten die daar kampeerden, tijdelijk verbleven of hun woon- en nachtverblijf vestigden. Als gevolg daarvan trad een aantal malen een cumulatie van problemen op. Brandgevaar en het uitbreken van besmettelijke ziekten maakten in enkele gevallen ontruiming acuut noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.20 is duidelijker op deze problemen afgestemd. In het tweede lid zijn de gemeentelijke belangen aangegeven die door de bepaling zijn gediend. Het gaat onder andere om het voorkomen van hinder en overlast, verontreiniging en risico's voor de volksgezondheid. Bij het verlenen van ontheffingen kan beleid worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt de verbodsbepaling uitgeschakeld voor zover de Kampeerwet of de Woonwagenwet voor moet gaan. De Kampeerwet is van toepassing op \"recreatief nachtverblijf\". Kampeermiddelen mogen alleen op volgens de Kampeerwet erkende kampeerterreinen worden geplaatst. De Woonwagenwet is volgens de jurisprudentie in het volgende geval van toepassing: wanneer het betreft een woonwagen volgens de omschrijving in artikel 1 van die wet en het betreft een bewoner die behoort tot een in de wet aangewezen categorie die van oudsher deel uitmaakt van de woonwagenbevolking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is de Woonwagenwet van toepassing als het gaat om staanplaatsen in woonwagencentra die op grond van die wet zijn aangewezen. Is de Woonwagenwet van toepassing, dan moet het gemeentebestuur de in die wet neergelegde procedures volgen, met uitsluiting van alle andere procedures, waaronder ook de toepassing van privaatrechtelijke middelen. In het derde lid is voorts een uitzondering gemaakt voor plaatsen die door Burgemeester en Wethouders zijn aangewezen. Daarvoor komen de zogenaamde SLOAP-terreinen (spacesleft over beforeorafter planning), die als plaatsen voor groepjes wagenbewoners in ontwikkeling zijn, in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding van gladheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de bepaling worden de artikelen 38 en 39 (oud) ongewijzigd samengevoegd, met dien verstande, dat \"vaartuigen\" zijn toegevoegd. Bij de deregulering van APV-bepalingen (1990) is besloten de bepaling te handhaven vanwege de reacties op het voorstel tot intrekking. De burgerplicht tot het voorkomen van gladheid en tot het ruimen van sneeuw voor woningen blijft van belang, vooral voor bejaarden en mensen die slecht ter been zijn. Velen houden zich uit eigen beweging aan deze gedragsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het intrekken van de bepaling zou een verkeerd signaal kunnen uitgaan. In onveilige situaties en tegen burgers die zich niet aan de verplichting houden, moet (kunnen) worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts biedt de bepaling steun bij de zorg van gemeentelijke diensten voor de gladheidsbestrijding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.22</span><span class=\"lf-art-t\">Beplantingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is dezelfde als artikel 68 (oud) en heeft de bedoeling de verkeersveiligheid en brandpreventie te dienen. Beplantingen mogen niet het zicht aan weggebruikers ontnemen of bemoeilijken. Brandkranen moeten bereikbaar blijven. De plaatsing in dit hoofdstuk is ingegeven door het motief van veiligheid op de weg. Volgens artikel 68 (oud) moest \"op aanschrijving van Burgemeester en Wethouders\" de beplanting \"binnen de door hen te stellen termijn\" tot de voorgeschreven afmetingen worden teruggebracht. De tussen aanhalingstekens geplaatste zinsneden zijn vervallen. De Algemene wet bestuursrecht regelt voor alle beschikkingen de wijze van bekendmaking aan de belanghebbende, het stellen van termijnen enzovoort. Dat het besluit schriftelijk moet zijn, is bepaald in hoofdstuk 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.23</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming van de privacy</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling van het eerste lid (bewakingsapparatuur) is dezelfde als artikel 94 (oud), dat was opgenomen in de afdeling \"andere bepalingen met betrekking tot de openbare orde\". Bij de deregulering van de APV in 1990 is op advies van de Registratiecommissie Privacy besloten de bepaling niet in te trekken. Het gemeentelijk belang van de bepaling betreft de bescherming van de privésfeer van de burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van de bepaling ligt onder meer in de mogelijkheid een afschermkap te laten aanbrengen op bewakingsapparatuur. De video-apparatuur van het Gemeentevervoerbedrijf is bij voorbeeld van een dergelijke kap voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een bepaling toegevoegd waarin het zogenaamde gluren wordt verboden. Deze bepaling was in 1990 geschrapt, maar blijkt toch nodig te zijn om te kunnen optreden tegen de hinder en overlast die in het Amsterdamse Bos wordt veroorzaakt door gluurders bij de plekken waar naaktrecreatie is toegestaan (met toepassing van artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.24</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of zaken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is terug te vinden in artikel 63 (oud). Het derde lid daarvan is vervallen in verband met het intrekken van bepalingen uit de Rompwet-instellingen van weldadigheid [Wet vereenvoudiging van regelgeving en vergroting van gemeentelijke en provinciale beleidsvrijheid, aangehaald als: Verzamelwet D'Gemeenten (Staatsblad 1991, nr. 394)]. De verwijzing naar de Rompwet is dus niet meer nodig. Ook instellingen van weldadigheid vallen nu onder artikel 2.24. Overigens fungeerde alleen het Leger des Heils nog als een instelling van weldadigheid in de zin van de Rompwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is in haar vernieuwde vorm ontleend aan de model-APV van de VNG. De bedoeling van de regeling was en is om in het belang van de burgers een zekere regulering tot stand te brengen van de vele inzamelingsacties voor goede doelen die regelmatig een beroep doen op de liefdadigheidszin. Het komt voor dat die acties uitgaan van instellingen of personen die geen steun verdienen, omdat in werkelijkheid alleen particuliere belangen met de actie zijn gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan er sprake zijn van misbruik in die zin dat de giften slechts voor een gering deel aan het (beweerde) charitatieve doel ten goede komen. De regulering bewerkstelligt ook dat de bonafide instellingen voldoende aan hun trekken kunnen blijven komen. In het algemeen worden er alleen rechtspersonen toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In vergelijking met artikel 63 is de bepaling niet beperkt tot inzameling van geld, maar is toegevoegd \"of zaken\", waarmee worden bedoeld stoffelijke voorwerpen. Er zijn namelijk ook acties die zich voor (beweerde) charitatieve doeleinden richten op de inzameling van zaken, bij voorbeeld kleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de openbaarheid van de inzameling is voldoende dat deze aan de weg of van de weg af zichtbaar is of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. Een inzameling gericht op een persoon, is geen inzameling in de zin van het artikel. In het derde lid is uitgezonderd een inzameling die \"in een besloten kring\" wordt gehouden. Daarmee worden situaties bedoeld waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon een bepaalde band bestaat, bij voorbeeld kerkelijk, maatschappelijk of in een vereniging, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het risico van misbruik is dan niet of nauwelijks aanwezig. Het bedoelde verband is nauwer dan alleen een gemeenschappelijk (papieren) lidmaatschap. Het begrip \"besloten kring\" veronderstelt een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar. Een dergelijke inzameling zou in het openbaar, bij voorbeeld aan huis, kunnen plaatsvinden, maar is dus ingevolge het derde lid van de vergunningsplicht uitgezonderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens jurisprudentie komt de bepaling niet in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet wat de verspreiding van gedrukte stukken betreft (HR 26 mei 1987, AB 1987, nr. 106, Zwolle). Van inzamelen van geld blijft sprake als bij het aanbieden van gedrukte stukken geld wordt aangenomen. De verbodsbepaling laat de vrijheid tot verspreiding van gedrukte stukken intact. Artikel 2.24 regelt immers het collecteren; ook als dat gebeurt onder gelijktijdige aanbieding daarbij van gedrukte stukken. Het colporteren met gedrukte stukken valt niet onder de bepaling. Het te koop aanbieden daarvan wordt wel door het genoemde Grondwetsartikel beschermd. Dat het in de bepaling om collecteren gaat, is ook duidelijk uit de zinsnede: \"indien . . . daarbij de indruk wordt gewekt dat de opbrengst is bestemd voor een liefdadig doel. . .\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vergunningenbeleid gaat het gemeentebestuur af op het jaarlijks door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving opgestelde (landelijke) collecteplan. Dit vormt de leidraad voor het plaatselijke collecterooster. Bijna alle gemeenten zijn bij het genoemde bureau, dat de activiteiten van de instellingen toetst, aangesloten. Alleen bonafide instellingen worden vermeld op het collecteplan. Instellingen die niet in het collecteplan voorkomen, zijn aangewezen op de in dit plan opengelaten vrije collecteperioden. Volgens jurisprudentie mag het gemeentebestuur van het plan alleen om bijzonder zwaarwegende redenen afwijken. Daarom is in het vierde lid een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen. Daardoor kan voor collecten van instellingen die jaarlijks in het landelijke collecteplan zijn opgenomen, de vergunningsplicht worden afgeschaft. Desgewenst kan het bestuurs-orgaan voorschriften stellen, bij voorbeeld een meldingsplicht en een legitimatieplicht voor de geldinzamelaars.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.25</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderwerp was geregeld in de artikelen 210, 211, en 212 van de Romp-APV, als aanvulling op artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt strafbaar degene die er een beroep van maakt aan personen nachtverblijf te verschaffen wanneer deze geen doorlopend register bijhoudt, waarin een aantal gegevens van de bezoeker onverwijld moet worden aangetekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de APV-bepaling, die is ontleend aan de model-APV van de VNG, wordt invulling gegeven aan de wijze waarop deze vorm van controle hier wordt uitgeoefend. Er wordt al bij aankomst aantekening van de gegevens van de bezoeker verlangd, en voorts worden enkele gegevens meer verlangd dan in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk ook de geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit. Het artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de APV-bepaling hebben als doel, de opsporing en aanhouding van gezochte personen te vergemakkelijken. Het desbetreffende toezicht werd voorheen uitgeoefend door de afdeling Hotelcontrole van de Politie, maar de opsporing en het toezicht zijn inmiddels overgedragen aan de districten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de APV-bepaling vallen ook \"logeerinrichtingen\" als bedoeld in de Verordening op de verblijfsinrichtingen. Artikel 14 van die verordening bevat een soortgelijke bepaling met betrekking tot het nachtregister. Artikel 14 kan hiermee vervallen. Deze verordening is op het genoemde artikel 14 na al ingetrokken in verband met de nieuwe Woningwet bij de inwerkingtreding van de nieuwe Bouwverordening. Het uitvoeringsbesluit van de Burgemeester (Gemeenteblad 1985, afd. 3, volgn. 69) kan in aangepaste vorm dienst doen in het kader van dit artikel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3. Horecabedrijven.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Vooraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 30 november 1994 en 14 december 1994 heeft de Gemeenteraad wijzigingen aangebracht in de sluitingstijden, als uitvloeisel van het Programakkoord 1994─1998 waarin is opgenomen dat de openingstijden van horecabedrijven stap voor stap moeten worden verruimd. Besloten is ook, dat na twee jaar de nieuwe tijden worden geëvalueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van hoofdstuk 3 is oorspronkelijk vastgesteld bij raadsbesluit van 12 mei 1993, nr. 219. De datum van inwerkingtreding was 1 september 1993. In de tekst van hoofdstuk 3 zijn de volgende wijzigingen aangebracht. Artikel 3.10 (mandaat) is vervallen, omdat een dergelijk artikel nu in hoofdstuk 1 (algemene bepalingen) is geplaatst. In verband hiermee is de nummering van de daaropvolgende artikelen gewijzigd. Artikel 3.11 is artikel 3.10 geworden enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere wijziging is dat \"Hinderwet\" is vervangen door \"Wet milieubeheer\" als gevolg van de desbetreffende wetswijziging per 1 maart 1993.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is in de overgangsbepaling (artikel 3.10) de zinsnede \"op de datum van inwerkingtreding van deze verordening\" gewijzigd in \"op 1 september 1993\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van het raadsbesluit van 30 november 1994, nr. 865, zijn gewijzigd: artikel 3.1, onder h (sluitingstijd avondzaak), artikel 3.3 (idem en sluitingstijden weekeinde), artikel 3.2, zesde lid (sluitingstijd terrassen) en artikel 3.5, vierde lid (terrasseizoen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a Horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van het begrip horecabedrijf komt grotendeels overeen met die van de Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) op grond van de Wet milieubeheer en de daarop afgestemde modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Dit heeft tot gevolg dat de bedrijven die onder de Wet milieubeheer vallen, ook onder de APV vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van het Besluit aanwijzing horecabedrijven Hinderbesluit vallen alle horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 11, onder a, van de Wet geluidhinder onder de Wet milieubeheer. Met de inwerkingtreding van het genoemde besluit zijn naast cafés, koffieshops enz. in beginsel ook milieubeheerplichtig de volgende soorten inrichtingen: afhaalrestaurant, automatiek, ijssalon, ontmoetingscentrum, buurthuis, zalenexploitatie, kiosk, bistro, crêperie, croissanterie, motel. In beginsel: want dat hangt ook af van het aanwezig zijn van installaties en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens zijn niet voor alle milieubeheerplichtige inrichtingen de algemene voorschriften van het Besluit Horecabedrijven Milieubeheer van kracht. (Het woord \"inrichting\" is in het verband van de Wet milieubeheer de meest algemene term, waaronder elk organisatorisch, zakelijk en ruimtelijk geheel wordt verstaan waar een bepaalde activiteit wordt uitgeoefend). In laatstgenoemd besluit zijn namelijk in de omschrijving van horecabedrijf de woorden \"in hoofdzaak of uitsluitend bestemd voor (het tegen vergoeding schenken enz.)\" ingevoegd. Hierdoor vallen onzelfstandige horeca-onderdelen van een andersoortig bedrijf buiten de werking van dat besluit. In het besluit zijn ook uitzonderingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorbeeld zijn op bedrijven die een grotere dansoppervlakte hebben dan 10 m2, de voorschriften van dat besluit niet van toepassing. Wel geldt dan de al gebruikelijke vergunningsplicht op grond van de Wet milieubeheer. Deze systematiek is gekozen omdat op die manier in bepaalde gevallen het bestuur \"maatwerk\" kan leveren: voorschriften die op het individuele geval zijn afgestemd. In de APV wordt aangesloten bij de ruimste omschrijving van horecabedrijf. De APV laat daarbij wel een milieubeheer-plichtige categorie als zodanig buiten schot, te weten: de hotel- en pensionbedrijven. Die zijn niet genoemd. Wel vallen de voor het publiek toegankelijke hotelbars en dergelijke, die nu onder het sluitingstijdenstelsel vallen, onder de algemene omschrijving van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van de Verordening op de straathandel op 1 januari 1994 is de loketverkoop ook op die grond vergunningplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn vaste staanplaatsen voor de ambulante handel, die, wanneer op de standplaats eetwaren worden bereid en verkocht, zoals patates-friteskramen, onder de Wet milieubeheer vallen, in de APV-omschrijving uitgesloten, omdat voor het uitgeven van staanplaatsen op en buiten de markten al een plaatselijk vergunningsstelsel bestaat. In het voor inspraak verspreide concept was in de tekst en toelichting aangesloten bij de categorieën die in het Besluit Horecabedrijven Milieubeheer zijn genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit opmerkingen van de zijde van de stadsdelen en van de Politie is afgeleid dat een ruimere werking van de APV de voorkeur verdient. Onder de oude concept-tekst was het in verband met de formulering \"in hoofdzaak (enz.)\" niet zeker meer, of bij voorbeeld een zalenverhuurbedrijf, sociëteit, clublokaal, verenigingsgebouw of sportkantine onder de APV zouden vallen. In het algemeen is dat onwenselijk omdat deze vormen van (horeca)bedrijvigheid ook ongunstige gevolgen voor het woon- en leefklimaat kunnen meebrengen. De omschrijving is nu zo geformuleerd – in navolging van het VNG-model – dat ook deze inrichtingen onder de APV vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woorden \"uitsluitend of in hoofdzaak\" zijn geschrapt. Deze uitbreiding van de reikwijdte heeft tot gevolg dat ook bij voorbeeld horeca-inrichtingen in een warenhuis, of bedrijfsrestaurants onder de werking van de APV vallen, dat wil zeggen: bedrijven die doorgaans geen enkel probleem voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat opleveren. In verband hiermee is in artikel 3.2 het negende lid toegevoegd, dat het mogelijk maakt bepaalde soorten van bedrijven van de vergunningsplicht uit te sluiten. Hierbij zullen ook bedrijven die in hoofdzaak zijn bestemd voor prostitutie, worden uitgesloten. c Terras.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terrassen maken deel uit van een horecabedrijf. De omschrijving van terras sluit aan bij die van de Wet milieubeheer en de VNG. Met \"besloten ruimte\" wordt in deze verordening bedoeld de ruimte in het gebouwde perceel, waarin het horecabedrijf als zodanig van oorsprong geëxploiteerd wordt. Ook overdekte terrassen liggen dus buiten de besloten ruimte of worden voor de toepassing van deze verordening beschouwd als daarbuiten te liggen. Wanneer voor overdekte of onoverdekte terrassen verschillende regels worden gesteld, blijkt dit uit de desbetreffende bepaling of de strekking ervan. Zie bij voorbeeld artikel 3.5, vijfde lid (terrasseizoen). Voorts bepaalt bij voorbeeld artikel 2.8 van het Horecabesluit dat bij het bepalen van de (toegestane) equivalente geluidniveaus het stemgeluid van bezoekers \"op een onverwarmd en onoverdekt terras\" dat niet is gelegen op of aan een binnenterrein, buiten beschouwing blijft. d en e Alcoholverstrekkend en alcoholvrij bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze onderscheiding wordt gemaakt, omdat voor deze categorieën verschillende tijden van geopend zijn in de verordening zijn vastgelegd. f Weekeinde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving is ingevoegd om misverstand uit te sluiten en de bepalingen over de tijdstippen van opening en sluiting korter en leesbaarder te maken. g, h, en i Dagzaak, avondzaak en nachtzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze categorieën komen overeen met de al sinds het begin van de jaren zeventig bestaande, voor alcoholverstrekkende bedrijven geldende driedeling in exploitatievormen: dagzaken, avondzaken en nachtzaken. Deze indeling is indertijd ingevoerd in nauw overleg met het horecabedrijfsleven en is ook zo in stand gebleven. De regelmatig weerkerende discussies over een andere opzet hebben hierin geen echte verandering gebracht. De begrippen worden nu in de verordening zelf gehanteerd. De sluitingstijd van avondzaken is bij raadsbesluit van 30 november 1994 verlengd van 02.00 uur naar 03.00 uur (weekeinde 04.00 uur). Alleen voor danszaken is van oudsher een late sluitingstijd toegestaan, namelijk van 10.00 tot 04.00 uur (weekeinde 05.00 uur).</p></div>", "next": 239521}