{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten in met betrekking tot het onttrekken van grondwater, het infiltreren van water, het lozen van grondwater en het plaatsen van een noodvoorziening voor het onttrekken van grondwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking zorgplicht lozingsactiviteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De zorgplicht, bedoeld in Artikel 1.8 , bij het lozen van grondwater op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk houdt in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; b. de best beschikbare technieken worden toegepast; c. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; d. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; e. lozingen doelmatig kunnen worden bemonsterd; f. metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en g. meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.1.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen informatieplicht en meldingsplicht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij informatieplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur worden die ondertekend en in ieder geval voorzien van: a. de aanduiding van de activiteit; b. de naam, het adres, de woonplaats, het telefoonnummer en het e-mailadres van degene die de activiteit verricht; en c. de dagtekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden bij meldingsplicht voor onttrekken van grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of voor het plaatsen van een noodvoorziening voor het onttrekken van grondwater wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. de dagtekening; c. de naam, het adres, de woonplaats, het telefoonnummer en het e-mailadres van de indiener; d. als de werkzaamheden door een ander dan de indiener worden uitgevoerd, de naam, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht; e. als de melding wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, elektronisch adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging; f. als een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 eerste lid, van de Omgevingswet wordt getroffen: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd; g. het doel van de geplande grondwateronttrekking; h. de kadastrale gegevens van het perceel waar de grondwateronttrekking zal plaatsvinden; i. de Rijksdriehoekscoördinaten (X,Y-coördinaten) van de locatie waar de grondwateronttrekking zal plaatsvinden; j. het aantal bestaande en nieuw in te richten onttrekkingsputten; k. de diameter, de lengte en de diepte van de onder- en bovenzijde van de filters van iedere onttrekkingsput ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; l. de totaal opgestelde pompcapaciteit en de pompcapaciteit per onttrekkingsput in m³ per uur; m. de maximaal te onttrekken hoeveelheid grondwater per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar; n. bij een tijdelijke onttrekking:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de periode waarin grondwater wordt onttrokken; en 2. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om eventuele negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken; o. een technisch bemalingsplan, indien het waterschap dat verzoekt, dat voldoet aan beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 en de onderliggende protocollen, of de hiervoor in de plaats getreden regelgeving; en p. een monitoringsplan, indien het waterschap dat verzoekt, dat voldoet aan beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 en de onderliggende protocollen of de hiervoorin de plaats getreden regelgeving.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid, bevat een melding van het onttrekken van grondwater, waarbij het grondwater wordt geretourneerd in de bodem, tevens de volgende gegevens en bescheiden: a. het aantal bestaande en nieuw in terichten putten; b. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet; c. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; d. de diameter en de lengte van de filters in iedere put; e. de pompcapaciteit in m3 per uur; f. de maximaal te retourneren hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar; g. de wijze waarop water wordt geretourneerd; en h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de retournering te voorkomen of te beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen van de naam of het adres, bedoeld in Artikel 4.3 en Artikel 4.4, worden onverwijld doorgegeven aan het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het dagelijks bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gegevens bij een melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het veranderen van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur, tenzij anders is bepaald.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.1.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen omgevingsvergunning met betrekking tot grondwater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning voor onttrekken van grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater, die op grond van deze verordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aanduiding van de activiteit; b. de dagtekening; c. de naam, het adres, de woonplaats, het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvrager; d. als de werkzaamheden door een ander dan de indiener worden uitgevoerd, de naam, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, elektronisch adres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging; f. het doel van de geplande grondwateronttrekking; g. de kadastrale gegevens van het perceel waar de grondwateronttrekking zal plaatsvinden; h. de Rijksdriehoekscoördinaten (X, Y-coördinaten) van de locatie waar de grondwateronttrekking zal plaatsvinden; i. het aantal bestaande en nieuw in te richten onttrekkingsputten; j. de diameter, de lengte en de diepte van de onder- en bovenzijde van de filters van iedere onttrekkingsput ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; k. de totaal opgestelde pompcapaciteit en de pompcapaciteit per onttrekkingsput in m³ per uur; l. de maximaal te onttrekken hoeveelheid grondwater per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar; en m. bij een tijdelijke onttrekking:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de periode waarin grondwater wordt onttrokken; en 2. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om eventuele negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken; n. dient op verzoek van het waterschap een technisch bemalingsplan in dat voldoet aan beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 en de onderliggende protocollen, of de hiervoor in de plaats getreden regelgeving; en o. dient op verzoek van het waterschap een monitoringsplan in dat voldoet aan beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 en de onderliggende protocollen of de hiervoorin de plaats getreden regelgeving.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid, bevat een aanvraag voor het onttrekken van grondwater, waarbij het grondwater wordt geretourneerd in de bodem, tevens de volgende gegevens en bescheiden: a. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; b. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet; c. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; d. de diameter en de lengte van de filters in iedere put; e. de pompcapaciteit in m3 per uur; f. de maximaal te retourneren hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar; g. de wijze waarop grondwater wordt geretourneerd ; h. de herkomst en de samenstelling van het te retourneren grondwater; en i. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de retournering te voorkomen of te beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagvereisten omgevingsvergunning voor infiltreren van water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water , die op grond van deze verordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aanduiding van de activiteit; b. de dagtekening; c. de naam, het adres, de woonplaats, het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvrager; d. als de werkzaamheden door een ander dan de indiener worden uitgevoerd, de naam, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht; e. als de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: naam, adres, e-mailadres, telefoonnummer en woonplaats van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging; f. het doel van de geplande infiltratie; g. de kadastrale gegevens van het perceel waar de infiltratie zal plaatsvinden; h. de Rijksdriehoekscoördinaten (X, Y-coördinaten) van de locatie waar de infiltratie zal plaatsvinden; i. het aantal bestaande en nieuw in te richten infiltratieputten; j. de diameter, de lengte en de diepte van de onder- en bovenzijde van de filters van iedere infiltratieput ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; k. de totaal opgestelde pompcapaciteit en de pompcapaciteit per infiltratieput in m³ per uur; l. de maximaal te infiltrerenatie hoeveelheid water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar; m. de wijze waarop water wordt geïnfiltreerd; n. de herkomst en de samenstelling van het te infiltreren water; en o. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de infiltratie te voorkomen of te beperken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op Artikel 1.15 van deze verordening, is op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater, die op grond van deze verordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op Artikel 1.15 van deze verordening, is op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water, die op grond van deze verordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water, die op grond van deze verordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekken van grondwater en infiltreren van water</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder agrarische doeleinden wordt in ieder geval verstaan: a. beregening; b. gewasbescherming; c. bevloeiing; d. agrarische bedrijfshygiëne; en e. veedrenking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoeringsregels onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die grondwater onttrekt voor agrarische doeleinden: a. richt de onttrekkingsvoorziening in conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en 12000 en onderliggende protocollen; b. verwijdert of dicht na definitieve beëindiging van de grondwateronttrekking de onttrekkingsvoorzieningen conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en 12000 en onderliggende protocollen; c. onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk; d. voorkomt nadelige gevolgen van de grondwateronttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als de nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn; e. meldt direct aan het waterschap een calamiteit, schade of bijzondere omstandigheid waardoor de omgeving of derden nadelige gevolgen ondervinden of kunnen ondervinden; en f. volgt, indien negatieve gevolgen als gevolg van de onttrekking ontstaan of dreigen te ontstaan, aanwijzingen van het dagelijks bestuur direct op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Meetverplichting onttrekken van grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die meer dan 10.000 m3 grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste tot en met derde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot verbod onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan het onttrekken van grondwater verbieden als: a. door de onttrekking nadelige effecten voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen ontstaan of dreigen te ontstaan; b. degene die grondwater onttrekt geen of onvoldoende voorzieningen treft om het onttrokken grondwater in de bodem terug te brengen, een en ander voor zover het treffen van deze voorzieningen redelijkerwijs kan worden gevergd; of c. het gebruik van oppervlaktewater redelijkerwijs kan worden gevergd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-416\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Melding onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als ‘grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen en Oosterwold’ grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, indien minimaal 1 m3 en maximaal 60 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'Oosterwold' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, indien maximaal 60 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-417\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.17</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als meer dan 60 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied keringen'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-418\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Absoluut verbod onttrekken van grondwater voor agrarische doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 08m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 11m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 11 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 14m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 14 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 17m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 17 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 20m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 20 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 23m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 23 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 26m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 26 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 29m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 29 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 32m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 32 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 35m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 35 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 38m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 38 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 41m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 41 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 44m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 44 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 47m' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 47 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'Bremerberg' grondwater te onttrekken voor agrarische doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste tot en met vijftiende lid heeft geen betrekking op (locatie: boringsvrije zone): a. onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; b. onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het dagelijks bestuur of Gedeputeerde Staten; en c. onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel onttrekkingen ten behoeve van handelingen waardoor een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, als voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming heeft gegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-419\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-420\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.20</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoeringsregels onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die grondwater onttrekt voor bronbemaling of proefbemaling: a. richt de onttrekkingsvoorziening in conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en12000 en onderliggende protocollen; b. verwijdert of dicht na definitieve beëindiging van de grondwateronttrekking de onttrekkingsvoorzieningen conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en 12000 en onderliggende protocollen; c. onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk; d. voorkomt nadelige gevolgen van de grondwateronttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als de nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn; e. meldt direct aan het waterschap een calamiteit, schade of bijzondere omstandigheid waardoor de omgeving of derden nadelige gevolgen ondervinden of kunnen ondervinden; en f. volgt, indien negatieve gevolgen als gevolg van de onttrekking ontstaan of dreigen te ontstaan, aanwijzingen van het dagelijks bestuur direct op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.21</span><span class=\"lf-art-t\">Meetverplichting onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste tot en met derde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot verbod onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan het onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling verbieden als: a. door de onttrekking nadelige effecten voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen ontstaan of dreigen te ontstaan; of b. degene die grondwater onttrekt geen of onvoldoende voorzieningen treft om het onttrokken grondwater in de bodem terug te brengen, een en ander voor zover het treffen van deze voorzieningen redelijkerwijs kan worden gevergd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.23</span><span class=\"lf-art-t\">Melding onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, als: a. de activiteit maximaal zes maanden duurt; en b. meer dan 1 m3 en maximaal 140 m3 per uur grondwater wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd binnen één jaar na melding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.24</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als: a. de activiteit langer dan zes maanden duurt; of b. meer dan 140 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied keringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-425\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.25</span><span class=\"lf-art-t\">Absoluut verbod onttrekken van grondwater voor bronbemaling of proefbemaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 08m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 11m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 11 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 14m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 14 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 17m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 17 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 20m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 20 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 23m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 23 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 26m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 26 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 29m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 29 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 32m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 32 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 35m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 35 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 38m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 38 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 41m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 41 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 44m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 44 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 47m' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 47 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'Bremerberg' grondwater te onttrekken voor bronbemaling of proefbemaling, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste tot en met vijftiende lid heeft geen betrekking op: a. onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; b. onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het dagelijks bestuur of Gedeputeerde Staten; en c. onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel onttrekkingen ten behoeve van handelingen waardoor een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, als voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming heeft gegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekken van grondwater voor saneringen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor grondwatersanering en bodemsanering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-427\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.27</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoeringsregels onttrekken van grondwater voor saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die grondwater onttrekt voor een sanering: a. richt de onttrekkingsvoorziening in conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en12000 en onderliggende protocollen; b. verwijdert of dicht na definitieve beëindiging van de grondwateronttrekking de onttrekkingsvoorzieningen conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en 12000 en onderliggende protocollen; c. onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk; d. voorkomt nadelige gevolgen van de grondwateronttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als de nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn; e. meldt direct aan het waterschap een calamiteit, schade of bijzondere omstandigheid waardoor de omgeving of derden nadelige gevolgen ondervinden of kunnen ondervinden; en f. volgt, indien negatieve gevolgen als gevolg van de onttrekking ontstaan of dreigen te ontstaan, aanwijzingen van het dagelijks bestuur direct op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-428\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.28</span><span class=\"lf-art-t\">Meetverplichting onttrekken van grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste tot en met derde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-429\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.29</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot verbod onttrekken van grondwater voor saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan het onttrekken van grondwater voor een sanering verbieden als: a. door de onttrekking nadelige effecten voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen ontstaan of dreigen te ontstaan; of b. degene die grondwater onttrekt geen of onvoldoende voorzieningen treft om het onttrokken grondwater in de bodem terug te brengen, een en ander voor zover het treffen van deze voorzieningen redelijkerwijs kan worden gevergd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-430\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.30</span><span class=\"lf-art-t\">Melding onttrekken van grondwater voor saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen' grondwater te onttrekken voor een sanering zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, als maximaal 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgevoerd binnen één jaar na melding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.31</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning onttrekken van grondwater voor saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen' grondwater te onttrekken voor een sanering, als meer dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor saneringen, in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied keringen'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.32</span><span class=\"lf-art-t\">Absoluut verbod onttrekken van grondwater voor saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 08m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 11m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 11 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 14m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 14 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 17m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 17 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 20m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 20 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 23m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 23 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 26m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 26 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 29m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 29 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 32m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 32 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 35m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 35 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 38m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 38 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 41m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 41 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 44m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 44 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 47m' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 47 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'Bremerberg' grondwater te onttrekken voor een sanering, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste tot en met vijftiende lid heeft geen betrekking op: a. onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; b. onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het dagelijks bestuur of Gedeputeerde Staten; en c. onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel onttrekkingen ten behoeve van handelingen waardoor een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, als voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming heeft gegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.4</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekken van grondwater voor calamiteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.33</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor calamiteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-434\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.34</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoeringsregels onttrekken van grondwater voor calamiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die een onttrekkingsvoorziening inricht voor de onttrekking van grondwater voor calamiteiten: a. richt de onttrekkingsvoorziening in conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en12000 en onderliggende protocollen; b. verwijdert of dicht na definitieve beëindiging van de grondwateronttrekking de onttrekkingsvoorzieningen conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en 12000 en onderliggende protocollen; c. onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk; d. voorkomt nadelige gevolgen van de grondwateronttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als de nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn; e. meldt direct aan het waterschap een calamiteit, schade of bijzondere omstandigheid waardoor de omgeving of derden nadelige gevolgen ondervinden of kunnen ondervinden; en f. volgt, indien negatieve gevolgen als gevolg van de onttrekking ontstaan of dreigen te ontstaan, aanwijzingen van het dagelijks bestuur direct op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-435\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.35</span><span class=\"lf-art-t\">Melding plaatsen noodvoorziening voor calamiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als ‘grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen’ een noodvoorziening ten behoeve van het onttrekken van grondwater voor calamiteiten te plaatsen zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-436\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.36</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning plaatsen noodvoorziening voor calamiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied aangeduid als ' grondwateronttrekkingsgebied – keringen' een noodvoorziening ten behoeve van het onttrekken van grondwater voor calamiteiten te plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-437\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.37</span><span class=\"lf-art-t\">Absoluut verbod plaatsen noodvoorziening voor calamiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 08m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 11m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 11 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 14m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 14 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 17m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 17 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 20m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 20 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 23m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 23 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 26m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 26 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 29m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 29 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 32m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 32 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 35m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 35 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 38m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 38 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 41m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 41 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 44m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 44 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 47m' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 47 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'Bremerberg' een noodvoorziening voor calamiteiten te plaatsen, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste tot en met vijftiende lid heeft geen betrekking op: a. onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; b. onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het dagelijks bestuur of Gedeputeerde Staten; en c. onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel onttrekkingen ten behoeve van handelingen waardoor een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, als voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming heeft gegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekken van grondwater voor overige doeleinden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-438\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.38</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor andere doeleinden dan genoemd in paragraaf 4.2.1 tot en met paragraaf 4.2.4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-439\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.39</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoeringsregels onttrekken van grondwater voor overige doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die grondwater onttrekt voor overige doeleinden: a. richt de onttrekkingsvoorziening in conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en 12000 en onderliggende protocollen; b. verwijdert of dicht na definitieve beëindiging van de grondwateronttrekking de onttrekkingsvoorzieningen conform beoordelingsrichtlijnen SIKB 2100 en 12000 en onderliggende protocollen; c. onttrekt niet meer grondwater dan noodzakelijk; d. voorkomt nadelige gevolgen van de grondwateronttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als de nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn; e. meldt direct aan het waterschap een calamiteit, schade of bijzondere omstandigheid waardoor de omgeving of derden nadelige gevolgen ondervinden of kunnen ondervinden; en f. volgt, indien negatieve gevolgen als gevolg van de onttrekking ontstaan of dreigen te ontstaan, aanwijzingen van het dagelijks bestuur direct op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-440\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.40</span><span class=\"lf-art-t\">Meetverplichting onttrekken van grondwater</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die meer dan 10.000 m3 grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste tot en met derde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.41</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot verbod onttrekken van grondwater voor overige doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan het onttrekken van grondwater verbieden als: a. door de onttrekking nadelige effecten voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen ontstaan of dreigen te ontstaan; b. degene die grondwater onttrekt geen of onvoldoende voorzieningen treft om het onttrokken grondwater in de bodem terug te brengen, een en ander voor zover het treffen van deze voorzieningen redelijkerwijs kan worden gevergd; of c. het gebruik van oppervlaktewater redelijkerwijs kan worden gevergd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.42</span><span class=\"lf-art-t\">Melding onttrekken van grondwater voor overige doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen en Oosterwold' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, als meer dan 1 m3 en maximaal 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'Oosterwold' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de activiteit te melden aan het dagelijks bestuur, als maximaal 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden uitgevoerd binnen één jaar na melding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.43</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning onttrekken van grondwater voor overige doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als meer dan 10 m3 grondwater per uur wordt onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, in het gebied aangeduid als 'grondwateronttrekkingsgebied keringen'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.44</span><span class=\"lf-art-t\">Absoluut verbod onttrekken van grondwater voor overige doeleinden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 08m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 8 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 11m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 11 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 14m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 14 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 17m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 17 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 20m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 20 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 23m' grondwater te onttrekken of grondwater te infiltreren voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 23 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 26m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 26 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 29m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 29 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 32m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 32 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 35m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 35 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 38m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 38 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 41m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 41 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 44m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 44 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'boringsvrije zone - 47m' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 47 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in het gebied aangeduid als 'Bremerberg' grondwater te onttrekken voor overige doeleinden, als de onttrekking plaatsvindt op een grotere diepte ten opzichte van N.A.P. dan 2 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in het eerste tot en met vijftiende lid heeft geen betrekking op: a. onttrekkingen ten behoeve van de grondwatermonitoring, met het oog op de openbare drinkwaterproductie; b. onttrekkingen ten behoeve van het grondwaterbeheer door of op last van het dagelijks bestuur of Gedeputeerde Staten; en c. onttrekkingen ten behoeve van het onderzoeken en saneren van de bodem dan wel onttrekkingen ten behoeve van handelingen waardoor een verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst, als voor dat saneren of die handelingen het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming opdracht of toestemming heeft gegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.2.6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Infiltreren van water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.45</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.46</span><span class=\"lf-art-t\">Meetverplichting infiltreren van water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kortdurende of seizoensgebonden infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 4.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4.1 Parameters en meetfrequentie Parameter Afkorting Frequentie bacteriën van de coligroep vierwekelijks Kleur vierwekelijks zwevende stof SS vierwekelijks geleidingsvermogen voor elektriciteit vierwekelijks temperatuur T vierwekelijks zuurgraad pH vierwekelijks opgelost zuurstof O2 vierwekelijks totaal organisch koolstof TOC vierwekelijks bicarbonaat HCO3 vierwekelijks nitriet NO2 vierwekelijks nitraat NO3 vierwekelijks ammonium NH4 vierwekelijks totaal fosfaat Totaal P vierwekelijks fluoride F driemaandelijks chloride Cl vierwekelijks sulfaat SO4 driemaandelijks natrium Na driemaandelijks ijzer Fe driemaandelijks mangaan Mn driemaandelijks chroom Cr driemaandelijks lood Pb driemaandelijks koper Cu driemaandelijks zink Zn driemaandelijks cadmium Ca driemaandelijks arseen As driemaandelijks cyanide CN driemaandelijks minerale olie vierwekelijks adsorbeerbaar organisch halogeen AOX vierwekelijks vluchtig organisch gebonden chloor VOC vierwekelijks polycyclische aromaten PAK driemaandelijks fenolen driemaandelijks 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt: a. de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden geïnfiltreerd water; en b. de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste tot en met vierde lid gelden niet: a. voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.47</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning infiltreren van water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder omgevingsvergunning water in de bodem te brengen, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, met uitzondering van: a. onttrekkingen en infiltraties voor industriële toepassingen, wanneer de te onttrekken hoeveelheid water meer dan 150.000 m3 per jaar is; b. onttrekkingen en infiltraties voor de openbare drinkwatervoorziening; en c. onttrekkingen voor een bodemenergiesysteem.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  4.3</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van grondwater</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf  4.3.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van grondwater bij saneringen, bronbemaling en proefbemaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.48</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater bij saneringen, bronbemaling en proefb​​emaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.49</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij saneringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater, afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.2, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4.2 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden Naftaleen 0,2 µg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 1,0 µg/l Benzeen tolueen ethylbenzeen xyleen 50,0 µg/l Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 20,0 µg/l Aromatische organohalogeen- verbindingen 20,0 µg/l Minerale olie 500,0 µg/l Cadmium 4,0 µg/l Kwik 1,0 µg/l Koper 11,0 µg/l Nikkel 41,0 µg/l Lood 53,0 µg/l Zink 120,0 µg/l Chroom 24,0 µg/l Onopgeloste stoffen 50,0 mg/l 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.3, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4.3 Emissiegrenswaarden bij lozen in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam Stof Emissiegrenswaarden Naftaleen 0,2 µg/l Polycyclische aromatische koolwaterstoffen 1,0 µg/l Minerale olie 50,0 µg/l Cadmium 0,4 µg/l Kwik 0,1 µg/l Koper 1,1 µg/l Nikkel 4,1 µg/l Lood 5,3 µg/l Zink 12,0 µg/l Chroom 2,4 µg/l Onopgeloste stoffen 20,0 mg/l Benzeen 2,0 µg/l Tolueen 7,0 µg/l Ethylbenzeen 4,0 µg/l Xyleen 4,0 µg/l Tetrachlooretheen 3,0 µg/l Trichlooretheen 20,0 µg/l 1,2-dichlooretheen 20,0 µg/l 1,1,1-trichloorethaan 20,0 µg/l Vinylchloride 8,0 µg/l Som van de vijf hier bovenstaande stoffen 20,0 µg/l Monochloorbenzeen 7,0 µg/l Dichloorbenzenen 3,0 µg/l Trichloorbenzenen 1,0 µg/l</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-450\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.50</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van grondwater bij bronbemaling of proefbemaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater bij bronbemaling of proefbemaling, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater is als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het te lozen grondwater is het zuurstofgehalte ten minste 5 mg/l.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.51</span><span class=\"lf-art-t\">Meet- en rekenbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het bemonsteren van grondwater , als bedoeld in Artikel 4.49 en Artikel 4.50 , is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing: a. voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680 ; b. voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993 ; c. voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680 , waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO15680 gebruikt kan worden; d. voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2 ; e. voor cadmium, ijzer, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885 , waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 ; f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852 , waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2 ; g. voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872 .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.52</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevens en bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel Artikel 4.49 en Artikel 4.50, worden aan het dagelijks bestuur gegevens en bescheiden verstrekt over: a. op welke wijze de lozing van het onttrokken grondwater zal plaatsvinden: op oppervlaktewater, riolering of anders; b. de Rijksdriehoekscoördinaten (X, Y-coördinaten) van de locatie waar de lozing van het onttrokken grondwater zal plaatsvinden; c. de aard en omvang van de lozing; en d. de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij bronbemaling of proefbemaling, als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van bronbemaling of proefbemaling verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  5</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht voor bestaande vergunningen voor onttrekkingen uit derde watervoerende pakket</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningen voor onttrekkingen van grondwater verleend voor 22 december 2009, die vallen onder een verbod, als bedoeld in Artikel 4.18, Artikel 4.25, Artikel 4.32, Artikel 4.37 of Artikel 4.44, blijven van kracht tot het moment dat de onttrekking wordt beëindigd of tot 1 januari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2025.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht visplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een door het dagelijks bestuur goedgekeurd visplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, op basis waarvan onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening visserij mocht worden uitgeoefend in door het waterschap verhuurde oppervlaktewaterlichamen, geldt als een omgevingsvergunning voor visserij, als bedoeld in Artikel 3.85 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, geldt maximaal voor een termijn van zes jaar vanaf het moment dat het dagelijks bestuur het visplan, bedoeld in artikel 2.1 van de Keur Waterschap 2017, heeft goedgekeurd, of tot het moment dat het visrecht opnieuw verhuurd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht maaiplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een door het dagelijks bestuur goedgekeurd maaiplan, als bedoeld in artikel 2.2, van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, op basis waarvan in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening maaiwerkzaamheden mochten worden uitgeoefend in permanent watervoerende krw-oppervlaktewaterlichamen, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, geldt als een in het voorafgaande jaar verleende omgevingsvergunning voor de activiteit maaien in een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in Artikel 3.91 van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing beperkingengebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor waterstaatswerken waarvan een beperkingengebied nog niet overeenkomstig Artikel 1.5 van deze verordening geometrisch is begrensd, gelden de in Bijlage 5 afgebeelde zones als beperkingengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde aangegeven grenzen bepalen de toepassing van de verbodsbepalingen bedoeld in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de insteek van een oppervlaktewaterlichaam niet duidelijk is vast te stellen, geldt als grens de waterlijn, die behoort bij het streefpeil dat is vastgelegd in het peilbesluit van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, plus 5 meter uit deze waterlijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling  5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking Keur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening, wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op het moment waarop de Omgevingswet in werking treedt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Waterschapsverordening Waterschap Zuiderzeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 Begripsbepalingen NEN 6600-1 NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019 NEN 6633 NEN 6633:2007: Water en (zuiverings)slib - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), versie 2007 NEN 6646 NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015 NEN 6966 NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006 NEN-EN 12566-1 NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties = 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016 NEN-EN 13284-1 NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001 NEN-EN 872 NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005 NEN-EN-ISO 10301 NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997 NEN-EN-ISO 11732 NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005 NEN-EN-ISO 11885 NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009 NEN-EN-ISO 12846 NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012 NEN-EN-ISO 13395 NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997 NEN-EN-ISO 15587-1 NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002 NEN-EN-ISO 15587-2 NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002 NEN-EN-ISO 15680 NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN-ISO 15681-1 NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005 NEN-EN-ISO 15681-2 NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018 NEN-EN-ISO 15682 NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001 NEN-EN-ISO 17294-2 NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016 NEN-EN-ISO 17852 NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008 NEN-EN-ISO 17993 NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004 NEN-EN-ISO 5667-3 NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018 NEN-EN-ISO 5815-1 NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019 NEN-EN-ISO 5815-2 NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003 NEN-EN-ISO 6878 NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004 NEN-EN-ISO 9377-2 NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000 NEN-ISO 15705 NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003 NEN-ISO 15923-1 NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013 NEN-ISO 5663 NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993 aangewezen oppervlaktewaterlichaam</p>\n<p class=\"lf-p\">oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen in bijlage II beschermd buitendijks gebied gebieden die buitendijks zijn gelegen en begrensd worden door de daarbij behorende regionale waterkeringen beschermingszone aan een waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze Waterschapsverordening van toepassing zijn condenswater water dat bij afkoeling van lucht in koelinstallaties en langs koude oppervlakken in bewaarruimten ontstaat dagelijks bestuur het dagelijks bestuur van het waterschap bestaat uit het college van dijkgraaf en heemraden grondwater water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat infiltreren van water in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater insteek snijlijn van het talud van een oppervlaktewaterlichaam met het maaiveld natte bak dat deel van de watergang dat permanent onder water staat niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam, anders dan een aangewezen oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in Bijlage 3 oeverbescherming materiaal op de grens van water en land of langs de waterkant, bedoeld om de oever tegen afkalving te beschermen oeverconstructie constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen ontgrondingskuil gat dat ontstaat wanneer bijvoorbeeld een boom omwaait of een drukleiding bezwijkt onttrekken onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsvoorziening oppervlaktewaterlichaam samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna overhangend bouwwerk bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden overhoogte het verschil tussen de minimaal vereiste kruinhoogte en de actuele kruinhoogte recreatief medegebruik recreatief gebruik van het watersysteem, zoals bijvoorbeeld kanoën, varen, zwemmen en duiken retourneren retourneren van grondwater: het terugbrengen in de bodem van onttrokken grondwater in de bodem waaraan geen stoffen zijn toegevoegd talud het aflopende deel van een oppervlaktewaterlichaam (oever) naar de natte bak toe verhard oppervlak alle oppervlakten waar neerslag niet in de bodem kan indringen, maar oppervlakkig tot afstroming komt, zoals daken, wegen en parkeerterreinen visrechthebbende</p>\n<p class=\"lf-p\">de rechthebbende op het visrecht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Visserijwet 1963 vlonder losse houten vloer in/grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam of op het talud waarover gelopen kan worden waterkering kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben waterstaatswerk oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk watersysteem samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken werk alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren Bijlage II Overzicht Informatieobjecten Bijlage 4 Begroeibaar oppervlak maaiplan /join/id/regdata/ws0650/2023/12pdf_b56d5323-372c-47e0-a89b-1956347f7483/nld@2023-11-02;28 Bijlage 5 Overgangsrecht aanwijzing en begrenzing werkingsgebieden /join/id/regdata/ws0650/2023/12pdf_34919cb7-79eb-41f5-9f7a-d3777c95aa15/nld@2023-11-02;28 aan- of afvoersloot - tocht - d-tocht of vaart /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio186/nld@2023-11-02;28 aangewezen oppervlaktewaterlichaam /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio190/nld@2023-11-02;28 beheergebied van waterschap zuiderzeeland /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio192/nld@2023-11-02;28 beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio194/nld@2023-11-02;28 beperkingengebied met betrekking tot een waterkering /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio196/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio169/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 08m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio170/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 11m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio172/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 14m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio168/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 17m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio162/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 20m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio167/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 23m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio161/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 26m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio165/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 29m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio163/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 32m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio171/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 35m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio164/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 38m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio166/nld@2023-11-02;28</p>\n<p class=\"lf-p\">boringsvrije zone - 41m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio174/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 44m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio173/nld@2023-11-02;28 boringsvrije zone - 47m /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio160/nld@2023-11-02;28 bremerberg /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio181/nld@2023-11-02;28 gestuwde oppervlaktewaterlichamen /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio198/nld@2023-11-02;28 grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio204/nld@2023-11-02;28 grondwateronttrekkingsgebied exclusief keringen en oosterwold /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio200/nld@2023-11-02;28 grondwateronttrekkingsgebied keringen /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio202/nld@2023-11-02;28 het weerwater, het bovenwater en de noorderplassen /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio178/nld@2023-11-02;28 landelijk gebied /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio214/nld@2023-11-02;28 niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio212/nld@2023-11-02;28 niet-kwetsbaar water /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio218/nld@2023-11-02;28 oosterwold /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio123/nld@2023-11-02;28 oosterwold fase 1a /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio122/nld@2023-11-02;28 oppervlaktewaterlichaam - binnenbeschermingszone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio260/nld@2023-11-02;28 oppervlaktewaterlichaam - buitenbeschermingszone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio262/nld@2023-11-02;28 oppervlaktewaterlichaam - kernzone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio250/nld@2023-11-02;28 oppervlaktewaterlichaam niet zijnde een wateraanvoersloot /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio220/nld@2023-11-02;28 overige waterkering - beschermingszone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio224/nld@2023-11-02;28 overige waterkering - kernzone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio222/nld@2023-11-02;28 primaire waterkering - binnenbeschermingszone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio232/nld@2023-11-02;28 primaire waterkering - buitenbeschermingszone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio230/nld@2023-11-02;28 primaire waterkering - kernzone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio228/nld@2023-11-02;28 primaire waterkering - tussenbeschermingszone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio226/nld@2023-11-02;28 regionale waterkering - beschermingszone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio238/nld@2023-11-02;28 regionale waterkering - kernzone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio234/nld@2023-11-02;28 regionale waterkering buitendijks - kernzone /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio236/nld@2023-11-02;28 stedelijk gebied /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio242/nld@2023-11-02;28</p>\n<p class=\"lf-p\">wateraanvoergebied /join/id/regdata/ws0650/2023/12gio240/nld@2023-11-02;28 Bijlage 3 Aangewezen oppervlaktewaterlichamen Aangewezen oppervlaktewaterlichamen Aangewezen oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in deze waterschapsverordening zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Creilervaart Espelervaart Hoge Dwarsvaart Hoge Vaart Kampersluisvaart Kuindervaart Lage Dwarsvaart Lage Vaart Larservaart Leemvaart Lemstervaart Luttelgeestervaart Marknesservaart Nagelervaart Oostervaart Ruttensevaart Sluisvaart Swiftervaart Urkervaart Zuidervaart Zwolse Vaart Bijlage 4 Begroeibaar oppervlak maaiplan Begroeibaar oppervlak maaiplan Bijlage 4 Begroeibaar oppervlak maaiplan.pdf Bijlage 5 Overgangsrecht aanwijzing en begrenzing werkingsgebieden Overgangsrecht aanwijzing en begrenzing werkingsgebieden Bijlage 5 Overgangsrecht aanwijzing en begrenzing werkingsgebieden.pdf Toelichting Algemene toelichting Algemeen deel Taken, doelen, omgevingswaarden en waterbeheerprogramma Het waterschap is belast met de zorg voor het watersysteem. De zorg voor watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beheer van het watersysteem is geregeld in de Omgevingswet, als onderdeel van het beheer van de fysieke leefomgeving. Van de fysieke leefomgeving maken voorts deel uit: bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht, natuur, landschap en cultureel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingswet wil samenhangende, doelmatige en vereenvoudigde regels stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling. Het maatschappelijke doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden; en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterschapsverordening is onderdeel van de stelselherziening van het omgevingsrecht. De invoering van de waterschapsverordening draagt bij aan de landelijke verbeterdoelen van de Omgevingswet: een inzichtelijk omgevingsrecht, waarin de leefomgeving centraal staat, waarin ruimte is voor maatwerk en waarin besluitvorming over projecten sneller en beter verloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze waterschapsverordening bevat de regels van Waterschap Zuiderzeeland over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen en de zuiveringtechnische werken. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur en de algemene regels. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op het niveau van de centrale overheid waren geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen zijn de doelstellingen van waterbeheer uitgewerkt in omgevingswaarden. Een omgevingswaarde geeft de gewenste staat of kwaliteit van het waterstaatswerk weer. Het Rijk en de provincies hebben omgevingswaarden vastgesteld voor primaire en regionale waterkeringen in respectievelijk het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en de provinciale omgevingsverordeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingsverordeningen zijn tevens omgevingswaarden vastgesteld voor wateroverlast en voor de ecologische waterkwaliteit van het regionale watersysteem zoals vereist in de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Voor omgevingswaarden geldt een monitoringsplicht waarbij de staat en kwaliteit van het watersysteem systematisch wordt gemonitord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het waterschap in het kader van het waterkwantiteitsbeheer verantwoordelijk voor het vaststellen en handhaven van het oppervlaktewaterpeil en in tijden van droogte het verdelen van het beschikbare water over de verschillende maatschappelijke belangen volgens de verdringingsreeks. Tot slot is het waterschap belast met de calamiteitenzorg voor het watersysteem in zijn beheergebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Decentralisatie lozingsregels De lozingsactiviteiten op oppervlaktewateren en rioolwaterzuiveringen werden voorheen landelijk geregeld door het Rijk. Onder de Omgevingswet kunnen de waterschappen nu zelf regels over lozingen stellen in hun waterschapsverordening, binnen de grenzen die de Omgevingswet daaraan stelt. Om de decentralisatie naar de waterschappen soepel te laten plaatsvinden heeft het Rijk de landelijke regels voor lozingsactiviteiten omgezet naar een set lokale regels voor de waterschappen, de zogenoemde ‘bruidsschat’ voor de waterschappen. De bruidsschat maakt van rechtswege deel uit van de waterschapsverordening bij het inwerkingtreden van de Omgevingswet. De waterschappen hebben daardoor tijd om zelf lozingsregels te ontwerpen die passen bij de karakteristiek van zijn beheergebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de totstandkoming van de waterschapsverordening is gekeken of de regels uit de bruidsschat een op een kunnen worden opgenomen in de waterschapsverordening. Op een paar aanpassingen na is dit het geval. Onder de Omgevingswet verandert het begrip lozen. De lozingsregels gaan straks niet alleen over de kwaliteit van het water, maar ook over hoeveelheden te lozen water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide typen regels worden nu in overeenstemming met elkaar gebracht. In de bruidsschat wordt nog onderscheid gemaakt tussen aangewezen en niet aangewezen waterlichamen. Aangewezen waterlichamen zijn grotere wateren in het beheergebied waarvoor minder strenge normen gelden vanwege het grotere ontvangende oppervlaktewater. Bij de niet-aangewezen waterlichamen gelden iets strengere lozingsnormen, omdat sprake is van een kleiner ontvangend oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen wateren zijn echter ook wateren die zijn aangewezen op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Daarnaast is gebleken dat in de praktijk niet of nauwelijks lozingen plaatsvinden op deze wateren. In deze waterschapsverordening is het onderscheid tussen aangewezen- en niet aangewezen wateren niet meer gemaakt. De eisen voor de kleine wateren gelden het gehele gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor lozen in de bruidsschat betreft een set van ca. 20 onderwerpen, variërend van de algemene zorgplicht tot lozingen van huishoudelijk afvalwater en hemelwater, van lozingen bij grondwatersaneringen tot lozingen op zuiveringtechnische werken. Er spelen dus vele verschillende typen belangen op het gebied van waterkwaliteitsbeheer, waterkwantiteitsbeheer en afvalwaterzuivering. De regels per activiteit uit de bruidsschat zijn in deze waterschapsverordening overgenomen. De enkele activiteiten die niet in het beheergebied voorkomen zijn niet meer als algemene regel opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteitgerichte opbouw Een tweede verandering in vergelijking met de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 is dat het accent is verlegd naar het perspectief van inwoners en bedrijven door een activiteitgerichte opbouw. De oude objectgerichte benadering van de keur wordt daarmee verlaten. In plaats van de waterstaatswerken als aangrijpingspunt van de regels te hanteren, zijn de regels aangeknoopt bij de verschillende activiteiten die inwoners en bedrijven willen verrichten. Dat betekent dat de verschillende hoofdstukken en paragrafen zijn geordend naar alle relevante activiteiten, waarbij een clustering van activiteiten is gehanteerd die aansluit bij de terminologie van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgerichte en risicogestuurde regels De regels zijn zo herzien, dat zij rechtstreeks kunnen worden herleid tot de algemene belangen die het waterschap met de regels beoogd te dienen. Deze belangen zijn in algemene zin als de doelen van de waterschapsverordening omschreven in Hoofdstuk 1 van de waterschapsverordening. In de verschillende hoofdstukken of paragrafen komen selecties of uitwerkingen van deze belangen steeds terug als de concrete oogmerken van de daarin opgenomen regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van de doelen van regels voor activiteiten is gebruik gemaakt van een landelijke doelenboom. Per activiteit is in de doelenboom gemarkeerd op welke aspecten deze van invloed kan zijn. In de waterschapsverordening zijn deze in de artikelen over het toepassingsbereik van elke paragraaf of hoofdstuk als oogmerken opgenomen bij de regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doordat de regels zijn gekoppeld aan de doelen die zij dienen, neemt de transparantie toe. De koppeling aan de diverse doelen van Waterschap Zuiderzeeland (waterveiligheid, voldoende water, waterkwaliteit) leidt tot bovendien tot een meer integrale regelgeving. Deze structuur vergroot de toegankelijkheid voor de inwoner en de toepasbaarheid door het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de doelenboom is de toelaatbaarheid van een aanzienlijk deel van de activiteiten die geregeld werden in de huidige keur en de daarop gebaseerde algemene regels, opnieuw bezien. Er is gekeken naar het risico dat elke activiteit met zich meebrengt voor de doelen van het waterschap. Dat heeft in verschillende gevallen voor deze activiteiten geleid tot een hernieuwde keuze voor het type regel dat gesteld moet worden. Deze risicogestuurde verbeteringen zijn gebaseerd op het ‘ja-mits’ principe: vooropgesteld is dat de activiteit met een informatieplicht of melding aan het waterschapsbestuur kan worden verricht als aan bepaalde vereisten is voldaan. In andere gevallen geldt de vergunningplicht. In lijn met het instrumentarium dat de Omgevingswet biedt, heeft dit geleid tot regels die variëren van een zorgplicht, een inhoudelijke regel of een informatieplicht, tot een maatwerkvoorschrift, een meldingsplicht of een omgevingsvergunningsplicht en in enkele gevallen een absoluut verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsregels De Omgevingswet introduceert het begrip beoordelingsregels. Elke regeling waarin vergunningplichtige gevallen worden aangewezen, bevat tevens de beoordelingsregels op grond waarvan de activiteit wordt beoordeeld. Beoordelingsregels kunnen algemeen zijn gesteld of specifiek voor een bepaalde activiteit. In de waterschapsverordening is gekozen voor algemeen gestelde beoordelingsregels voor de verschillende onderdelen van het watersysteem (waterkering, oppervlaktewater, bergingsgebied en grondwater).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit in het watersysteem wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsregels. Deze bestaan uit de oogmerken en de objectgerichte specifieke zorgplichten voor de verschillende onderdelen van het watersysteem zoals aangegeven in de hoofdstukken 2 tot en met 4 van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het verrichten van een activiteit op basis van deze waterschapsverordening is verboden zonder omgevingsvergunning, dan wordt de omgevingsvergunning alleen geweigerd wegens strijd met de oogmerken waarop het verbod is gericht, tenzij in deze waterschapsverordening anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorschriften In de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in de hoofdstukken 2 tot en met 4 heeft in beginsel een integrale afweging van waterhuishoudkundige belangen plaatsgevonden voor de desbetreffende activiteit. In voorkomende gevallen kan die afweging te streng zijn of te soepel. In die gevallen kan het dagelijks bestuur een maatwerkvoorschrift stellen in afwijking of in aanvulling op de activiteitgerichte specifieke zorgplichten, al naar gelang de omstandigheden van het geval en de betrokken waterhuishoudkundige belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Digitalisering Nieuw is dat de regels over activiteiten zijn gekoppeld aan geometrisch aangewezen en begrensde werkingsgebieden, die in Bijlage 2 van de waterschapsverordening zijn opgenomen en op een digitale kaart voor gebruikers aanklikbaar zijn. Deze digitalisering is onderdeel van het landelijke Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), waarin ook de regelgeving van Rijk, provincie, gemeenten en andere waterschappen digitaal ontsloten wordt. De digitalisering van de waterschapsverordening in het DSO gaat gepaard met een verbeterde dienstverlening aan gebruikers van de digitale voorziening door middel van zogenoemde toepasbare regels en vragenbomen. Via toepasbare regels wordt de juridische tekst van de waterschapsverordening toegankelijk gemaakt aan de hand van vragen(bomen) die burgers naar de op hun activiteit en locatie toepasselijke juridische regels leiden. Zo kan een gebruiker eenvoudig nagaan of een activiteit op een bepaalde locatie is toegestaan, of een vergunning- of meldplicht geldt en aan welke algemene regels eventueel moet worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding tot het stelsel van de Omgevingswet Taken en verantwoordelijkheden De waterschapsverordening is gebaseerd op artikel 2.5 van de Omgevingswet. Op grond van dit artikel stelt het algemeen bestuur van het waterschap één waterschapsverordening vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Anders dan de keur is de waterschapsverordening niet vastgesteld met gebruik van de autonome verordenende bevoegdheid in de zin van de Waterschapswet, maar worden de regels gesteld in medebewind op basis van de Omgevingswet. De Omgevingswet stelt daarbij uitdrukkelijke regels over de gebruikte instrumenten, zoals algemene regels, maatwerkvoorschriften of verboden om activiteiten te verrichten zonder omgevingsvergunning, zonder melding, zonder het leveren van informatie of in absolute zin. De Omgevingswet regelt ook wie het bevoegd gezag is voor deze meldingen, maatwerkvoorschriften en omgevingsvergunningen. In de regel zal dat voor deze waterschapsverordening het dagelijks bestuur van het waterschap zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving en Omgevingsverordening Flevoland Bij het opstellen van de waterschapsverordening spelen instructieregels een rol. Voor zover hier van belang zijn dat enkele regels van het Rijk (vastgesteld in hoofdstuk 6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) en de Provincie Flevoland (Omgevingsverordening Provincie Flevoland) die gaan over de inhoud of de motivering van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit kwaliteit leefomgeving:</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">instructieregel lozingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor waterlichaam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsverordening Provincie Flevoland:</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">gegevens verstrekkingen en grondwaterregister;</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">grondwateronttrekkingen in grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Werkingssfeer Watersystemen en onderdelen daarvan in beheer bij Waterschap Zuiderzeeland De waterschapsverordening is van toepassing in het beheergebied van het waterschap, voor zover het gaat over de watersystemen of onderdelen daarvan die in beheer zijn bij het waterschap. Wat onder watersysteem moet worden verstaan vloeit voort uit de Omgevingswet, zoals dat eerder op basis van de Waterwet het geval was: een samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. Daarbij geldt dat oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk als waterstaatswerken worden aangemerkt. Welke watersystemen of onderdelen daarvan in beheer zijn bij het waterschap wordt bepaald bij provinciale verordening (de Omgevingsverordening Provincie Flevoland) die gebaseerd is op artikel 2.18, tweede lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geometrisch bepaalde werkingsgebieden concrete regels De regels over activiteiten zijn steeds gekoppeld aan werkingsgebieden. Waar geen specifiek werkingsgebied is benoemd, geldt het hele beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland als werkingsgebied. Zie voor de uitwerking hiervan de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen (nog in te vullen). De digitalisering van de waterschapsverordening brengt nieuwe informatiebehoeften over de beheerobjecten van het waterschap met zich mee, vooral in verband met aanwijzing en begrenzing van werkingsgebieden. In de waterschapsverordening worden de werkingsgebieden (de gebieden, waarin bepaalde regels uit de verordening van toepassing zijn, zoals beperkingengebieden met betrekking tot waterkeringen of oppervlaktewaterlichamen) aangewezen en geometrisch begrensd. Deze werkingsgebieden berusten op informatie over de ligging van het waterstaatswerk zelf (de kernzones) en over de beschermingszones die daarop aansluiten. Voor deze waterschapsverordening is een eenduidige naamgeving doorgevoerd, waardoor duidelijker is benoemd welk onderdeel van het watersysteem wordt bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding tot andere regelingen Delegatiesystematiek en delegatiebesluit Artikel 2.5 van de Omgevingswet bepaalt dat het algemeen bestuur één waterschapsverordening vaststelt waarin alle regels met betrekking tot het watersysteem worden opgenomen, met uitzondering van de regels met betrekking tot het onderhoud van het watersysteem, zie artikel 2.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat de regels die het dagelijks bestuur mag stellen dienen te worden vastgesteld in de Waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om alle regels in een waterschapsverordening te kunnen opnemen voorziet artikel 2.8 van de Omgevingswet in een delegatiebepaling waarbij het algemeen bestuur vaststelling van delen van de Waterschapsverordening kan delegeren aan het dagelijks bestuur in de waterschapsverordening zelf of in een apart Delegatiebesluit. Er is voor gekozen om een apart delegatiebesluit vast te stellen. Het Delegatiebesluit Waterschapsverordening staat toe dat het dagelijks bestuur de Waterschapsverordening kan wijzigen voor zover het concreet benoemde bestuursbevoegdheden betreft. De wettelijke bepalingen met de betrekking tot de voorbereiding en vaststelling van een wijziging van de Waterschapsverordening blijven overigens onverkort de bevoegdheid van het algemeen bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding tot de onderhoudslegger De huidige keur bevat in hoofdstuk 3 algemene onderhoudsverplichtingen voor waterstaatswerken. In de onderhoudslegger zijn de onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen van de waterstaatswerken genoemd. De onderhoudslegger is gebaseerd op artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. Op grond van artikel 2.2 van het Omgevingsbesluit mogen deze onderhoudsplichten niet in waterschapsverordening opgenomen worden. Bij invoering van de waterschapsverordening zullen deze onderdelen van de keur daarom niet vervallen, maar op basis van de Waterschapswet blijven bestaan (als “onderhoudskeur”). Bij de voorgenomen actualisatie van de onderhoudslegger, zal deze onderhoudskeur te zijner tijd worden vervangen door een vast te stellen gemoderniseerde “onderhoudsverordening” met onderhoudslegger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding tot projectbesluit, vergunning eigen dienst en vrijstelling Onder de Waterwet is voor de aanleg of wijziging van waterstaatswerken door het waterschap een projectplan vereist. In de Omgevingswet wordt het projectplan vervangen door een projectbesluit, dat voor het waterschap verplicht is voor de aanleg en wijziging van primaire waterkeringen. Voor de andere gevallen van aanleg en wijziging van waterstaatswerken door het waterschap, waarvoor nu nog een projectplan geldt, laat de Omgevingswet de keuze aan het waterschap om deze categorie vrij te laten, een projectbesluit of een vergunning eigen dienst voor te schrijven. Het geheel vrijlaten van deze categorie sluit niet aan bij de actuele praktijk en daarmee ook niet bij de gekozen basisvariant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorschrijven van een projectbesluit in de waterschapsverordening voor deze categorie levert het bezwaar op, dat hiervoor dan telkens de goedkeuring van gedeputeerde staten is vereist. De introductie van de vergunning eigen dienst voor deze aanvullende categorie komt nog het dichtst bij de nu geldende situatie. Gekozen is om in de waterschapsverordening deze optie in de regels te verwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het uitvoeren van beheer en onderhoud geldt op grond van de waterschapsverordening geen vergunningvereiste voor burger en waterschap. Ook onder de huidige keur gold geen vergunningvereiste. Hier verandert dus niets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdlijnen van de inhoud Indeling De waterschapsverordening bestaat uit vijf hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen over begrippen, toepassingsbereik en enkele algemene onderwerpen die relevant zijn voor de gehele waterschapsverordening zoals de specifieke zorgplicht. Deze zorgplicht geldt altijd, dus ook naast bijvoorbeeld een meldplicht of vergunningplicht. De hoofdstukken 2 tot en met 4 zijn gewijd aan regels over activiteiten. Daarbij is de aard van de activiteiten bepalend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 gaat over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk, vanwege de kwaliteit van het water.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 bevat regels over activiteiten die de werking, de samenhang en de kwaliteit raken van het watersysteem als zodanig (systeemactiviteiten). Dit betreft de aanleg of wijziging van waterstaatswerken, het verbinden van oppervlaktewaterlichamen, afwijkingen van het peil, kwel en grootschalige verharding van grondoppervlak. Ook bevat dit hoofdstuk regels over grote lozingen op of onttrekkingen uit oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 gaat over wateronttrekkingsactiviteiten met betrekking tot grondwater of oppervlaktewater en infiltreren.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 bevat overgangsbepalingen en regelt de inwerkingtreding van de waterschapsverordening.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De bijlagen bij de waterschapsverordening bevatten de begripsbepalingen (Bijlage 1 ), de benoeming, aanwijzing en begrenzing van de werkingsgebieden (Bijlage 2 ), de aangewezen oppervlaktewaterlichamen (Bijlage 3 ), het begroeibaar oppervlak dat relevant is voor de activiteit maaien in een oppervlaktewaterlichaam (Bijlage 4 ) en het overgangsrecht voor de aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden bij waterstaatswerken waar een dergelijk gebied nog niet is vastgesteld (Bijlage 5 ). Bijlagen vormen een integraal onderdeel van de juridische tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijkste wijzigingen De inhoudelijke veranderingen komen met name voort uit de decentralisatie van regelgeving over lozingen van Rijk naar de waterschappen. Bovendien wordt ten opzichte van de huidige keur gebruik gemaakt van moderne inzichten over wetgeving. Dat houdt in dat historisch ontstane verschillen worden opgeheven, gebruik wordt gemaakt van nieuwe technieken en eenvoudigere en betere regels worden geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal lozingen die nu nog door het Rijk zijn gereguleerd, wordt opgenomen in de waterschapsverordening. Het gaat om bepaalde lozingen op het oppervlaktewater, op afvalwaterzuiveringen en op afvalwatertransportsystemen. De Rijksregels maken onderscheid tussen grotere en kleinere ontvangende oppervlaktewateren. Voor de grotere, zoals de meren en plassen, gelden iets lichtere eisen. De waterkwaliteit hiervan valt echter onder de directe werking van de Kaderrichtlijn Water. Tegelijk vinden in de praktijk weinig lozingen plaats op deze wateren. Daarom worden de wat strengere eisen voor de kleine wateren in de waterschapsverordening van toepassing voor het gehele gebied van Waterschap Zuiderzeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht Hoofdstuk 5 regelt onder andere het overgangsrecht voor watervergunningen, die voor inwerkingtreding van deze keur zijn verleend. Ondanks dat het een beleidsneutrale omzetting betreft is er wel voor gekozen om overgangsregels op te stellen, zodat duidelijkheid en rechtszekerheid wordt geboden. Daarnaast bevat hoofdstuk 5 bepalingen over het intrekken van de Keur Zuiderzeeland 2017, de inwerkingtreding en de citeertitel van deze waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overgangsrecht is geregeld in hoofdstuk 4 van de Invoeringswet Omgevingswet. In artikelen 4.1, 4.3, 4.4, 4.5, 4.13 en 4.14 is voorzien in de overgang van lopende procedures en wat de consequenties zijn van het vervallen van vergunningenplichten of het ontstaan van nieuwe vergunningplichten. Werken die overeenkomstig de huidige regels zijn gerealiseerd mogen op grond van het overgangsrecht in de waterschapsverordening in stand blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid In de Keur Zuiderzeeland 2017 was het nodig om verschillende informatiesystemen te gebruiken voordat duidelijk wordt welke regels van toepassing zijn. Zo is nu informatie uit diverse leggers nodig, maar ook informatie uit peilbesluiten en uit de algemene regels. Bij de invoering van de Omgevingswet wordt het landelijk Digitaal Stelsel Omgevingswet geïntroduceerd. Dit stelsel integreert de verschillende waterschapsverordeningen van alle overheden met een digitale kaart. Ook maakt dit stelsel het aanvragen van vergunningen en het doen van meldingen mogelijk. Om het voor de gebruiker eenvoudiger te maken, worden vragen gesteld en worden de werkingsgebieden getoond, waardoor hij de juiste regels voor zijn gewenste activiteit kan vinden. Dit zorgt ervoor dat de regels gemakkelijker kenbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarstelling Strafbaarstelling van de overtreding van regels uit de waterschapsverordening is op centraal niveau al geregeld in de Wet op de economische delicten. Het is dus niet meer mogelijk in de waterschapsverordening strafbaarstellingen en strafmaten op te nemen voor de niet-naleving van de regels van de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van dit artikel wordt verwezen naar de begripsbepalingen in Bijlage 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid van dit artikel worden de begripsbepalingen uit de Omgevingswet en de algemene maatregelen van bestuur van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. De begrippen van de Omgevingswet gelden van rechtswege, maar de begrippen uit de algemene maatregelen van bestuur en de Omgevingsregeling gelden niet van rechtswege. Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat de waterschapsverordening zoveel mogelijk aansluit bij het Omgevingswetstelsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om in het DSO de regels goed weer te kunnen geven moet aangegeven zijn op welk gebied de regels van toepassing zijn. Daarom wordt in de waterschapsverordening gewerkt met werkingsgebieden. Dit is het gebied waarop de regels van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft duidelijk aan dat de waterschapsverordening bedoeld is voor het beheergebied van het waterschap. Per activiteit is bepaald welk toepassingsbereik geldt. Deze bepaling fungeert als vangnet voor alle regels waarvoor niet een specifieker toepassingsbereik is opgenomen. Er zijn waterstaatswerken in het beheergebied waarvan de beschermingszone doorloopt in het beheergebied van een ander waterschap.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet zijn hier herhaald. Dit zijn de doelen waarvoor de regels in de waterschapsverordening zijn opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is de normadressaat in zijn algemeenheid voor de gehele waterschapsverordening geregeld. Daar waar de normadressaat voor een specifiek geval afwijkt is dat in de betreffende regels bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normadressaat is degene tot wie de regels zijn gericht. Degene die de activiteit verricht of degene die eigenaar of overige zakelijk gerechtigde van de grond is, kan aangesproken worden op het nakomen van verplichtingen, die ingevolge de waterschapsverordening op diegene rusten. Iedereen is hierbij hoofdelijk verantwoordelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing en begrenzing werkingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een essentieel begrip binnen het nieuwe stelsel is het begrip werkingsgebied. Een werkingsgebied is onderdeel van de regels in de waterschapsverordening. Die regels bestaan uit juridische regeltekst en werkingsgebieden. Het betreft hier een (ruimtelijk) gebied waarop een juridische regel betrekking heeft. Dit betekent dat specifieke regels alleen gelden binnen de grenzen van een bepaald gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling biedt de juridische grondslag voor de digitale kaarten in het DSO met de ligging van bijvoorbeeld waterstaatswerken en bijbehorende zones (de werkingsgebieden). Hierdoor wordt het in het DSO mogelijk om te zien voor welk gebied een regel geldt en welke regels er op een bepaalde plek gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel worden ook de beperkingengebieden met betrekking tot waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Een beperkingengebied is namelijk ook een werkingsgebied. Een beperkingengebied is een bij of krachtens de Omgevingswet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. In deze gebieden gelden regels op het moment dat iemand hier een activiteit wil uitvoeren. De kaarten waarop de beperkingengebieden staan zijn als Bijlage 2 bij de waterschapsverordening gevoegd. Per activiteit is aangegeven welk beperkingengebied geldt. Voor het geheel van de waterschapsverordening geldt dat het beperkingengebied het beheergebied van het waterschap is, zoals bepaald is in Artikel 1.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere uitwerking beperkingengebied waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een beperkingengebied is een gebied dat bij of krachtens de Omgevingswet is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Het zijn feitelijk de gebieden rondom waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Waterschappen kunnen voor alle typen waterstaatswerken beperkingengebieden aanwijzen. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat het geheel aan (beschermings)zones bij een waterstaatswerk was onder de Keur Zuiderzeeland 2017.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere uitwerking werkingsgebieden waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beperkingengebieden en werkingsgebieden, genoemd in Artikel 1.6 , eerste Lid, omvatten verschillende soorten waterkeringen. Er zijn primaire, regionale en overige waterkeringen. De regionale waterkering Kadoelersluis-Blokzijl en de overige waterkering Kadoelersluis-Blokzijl vallen echter onder hetzelfde regime als primaire waterkeringen. Daarom zijn voor de toepassing van deze verordening die twee waterkeringen opgenomen in de werkingsgebieden met betrekking tot primaire waterkeringen. Dit is gedaan ter vereenvoudiging van de juridische regels in deze waterschapsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is de algemene zorgplicht met betrekking tot het waterschap opgenomen. Bij de activiteiten zelf (in de hoofdstukken 2 tot en met 4) is indien nodig een specifieke zorgplicht bij de activiteit opgenomen. De specifieke zorgplicht van de activiteit is een nadere uitwerking. Zowel de algemene als de specifieke zorgplicht is voor de desbetreffende activiteit van toepassing. De algemene zorgplicht geldt altijd, eventueel aangevuld met de specifieke zorgplicht. De zorgplicht is een basisregel die als uitgangspunt geldt, deze wordt in acht genomen bij elke activiteit die uitgevoerd wordt. Deze zorgplicht geldt voor een ieder en een ieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht kan het bestuur bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen inzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid in aanvulling op en in afwijking van de algemene regels in de waterschapsverordening maatwerkvoorschriften (lid 1) en vergunningvoorschriften (lid 2) te stellen. Het betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de zorgplicht, over de algemene regels over ongewone voorvallen en over de algemene regels die in deze waterschapsverordening zijn gesteld. Bij maatwerkvoorschrift kan de verplichting opgelegd worden metingen uit te voeren en gegevens te registreren en deze ter beschikking te stellen aan het dagelijks bestuur, maar een maatwerkvoorschrift kan ook uit andere verplichtingen of bevoegdheden bestaan. De keuze om maatwerkvoorschriften generiek mogelijk te maken sluit aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is noodzakelijk dat het waterschap kan inspelen op lokale omstandigheden of bijzondere gevallen, maar ook op technische ontwikkelingen en innovaties. Deze generieke bevoegdheid om maatwerkvoorschriften op te kunnen stellen voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot vergunningvoorschriften is de mogelijkheid tot aanvulling op en afwijking van de algemene regels beperkt tot de zorgplicht, de algemene regels over ongewone voorvallen en de algemene regels in Hoofdstuk 4. In hoofdstuk 4 komen namelijk algemene regels voor die ook gelden in geval van een vergunningplicht. De mogelijkheid om met een vergunningvoorschrift af te wijken van algemene regels moet op grond van artikel 4.5, tweede lid, van de Omgevingswet in de waterschapsverordening worden geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozingsactiviteiten De bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor lozingsactiviteiten is de opvolger van onder meer de maatwerkbevoegdheden ter uitwerking van de zorgplichten van artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens, en de specifieke maatwerkbevoegdheden die in diverse artikelen van die besluiten waren opgenomen. Met het verruimen van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen, wordt overigens niet beoogd dat het bevoegd gezag vaker dan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruik zal maken van die bevoegdheid. Maatwerk blijft een uitzondering; de algemene regels in dit hoofdstuk voldoen in de meeste gevallen. Maar als lokale omstandigheden of een bijzondere bedrijfsvoering maatwerk nodig maken, dan kan daarin wel worden voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterstaatswerken en grondwater De bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor beperkingengebiedactiviteiten, onttrekkingsactiviteiten en andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het watersysteem is de opvolger van de maatwerkbevoegdheid in artikel 4.25, eerste lid, van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, zoals die voor inwerkingtreding van deze waterschapsverordening gold. De bevoegdheid is verruimd ten opzichte van die in de Keur, zodat voorzien kan worden in maatwerk als lokale omstandigheden of een bijzondere bedrijfsvoering dat nodig maken. In voorkomende gevallen kunnen de algemene regels te streng zijn of te soepel. In die gevallen kan het dagelijks bestuur een maatwerkvoorschrift stellen in afwijking van of in aanvulling op de algemene regels, al naar gelang de omstandigheden van het geval en de betrokken waterhuishoudkundige belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Ongewoon voorval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ongewoon voorval is een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Als dit gebeurt dient het waterschap hiervan direct op de hoogte gebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: Dit artikel haakt aan bij afdeling 19.1 van de Omgevingswet. In dit lid wordt uitvoering gegeven aan het verplicht stellen van het treffen van maatregelen die redelijkerwijs van de veroorzaker kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen van dat voorval te voorkomen. Doordat onder ‘voorkomen’ onder andere verstaan wordt ‘het zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken’ van de nadelige gevolgen, is de veroorzaker van het voorval verplicht om zo spoedig mogelijk de maatregelen te treffen die in dat tijdsbestek van diegene verlangd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 bepaalt dat het bevoegd gezag onverwijld over een ongewoon voorval moet worden geïnformeerd. Om de gepaste mate van spoed uit te drukken is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Uit onderdeel d volgt dat ook informatie moet worden verstrekt over de maatregelen die worden genomen om de nadelige gevolgen van het ongewone voorval te beperken. Voor het ‘voorkomen van de nadelige gevolgen van ongewone voorvallen’ is aangesloten bij de uitleg die daarover wordt gegeven in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot verbod bij calamiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden regels gesteld in geval zich calamiteiten voordoen. Het dagelijks bestuur kan dan bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of (grond)water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels. Een dergelijke afwijking is tijdelijk, er is geen vergunning nodig en er gelden ook geen algemene regels. De Omgevingswet (afdeling 19.4) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.24 van de Omgevingswet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur de rangorde wordt vastgesteld van maatschappelijke en ecologische behoeften, die bij watertekorten of dreigende watertekorten bepalend is voor de verdeling van het beschikbare oppervlaktewater. Deze rangorde wordt de verdringingsreeks genoemd. De rangorde bij watertekorten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot absoluut verbod voor kwetsbare oppervlaktewaterlichamen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een voortzetting van artikel 4.21, eerste lid, van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017. Het dagelijks bestuur kan voor bepaalde kwetsbare oppervlaktewaterlichamen en gebieden een algeheel verbod instellen inzake waterverplaatsingen door menselijk handelen. Het absolute verbod om grondwater te onttrekken in bepaalde gebieden is opgenomen bij de activiteiten in Hoofdstuk 4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegdheid tot absoluut verbod verrichten handelingen waterstaatswerken, beschermingszones of beschermd buitendijks gebied Dit artikel is een voortzetting van artikel 4.4 van de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017. Dit artikel biedt de mogelijkheid aan het dagelijks bestuur om regels vast te stellen. Het gaat dan om de handelingen in Hoofdstuk 3 die regels kunnen inhouden een vrijstelling van de vergunningplicht of juist een algeheel verbod op het verrichten van die handelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.14</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In Lid 1 is bepaald dat gewoon beheer en onderhoud door het waterschap is uitgezonderd van de vergunningplichten en meld- en informatieplichten in de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 bepaalt dat er geen vergunningplicht geldt voor onderhoudsplichtigen tot het uitvoeren van gewoon onderhoud. Evenmin geldt een vergunningplicht voor recreatief medegebruik van een oppervlaktewater voor locaties vanaf 25 meter van de in- en uitstroomopening van een hevel, inlaat, bemalingsinstallatie of een uitstroompunt van een afvalwaterzuiveringsinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 regelt dat er op de vrijstelling van vergunningplicht een uitzondering bestaat. Dat is bij de aanleg of wijziging van waterstaatswerken. In dat geval is een wijziging van de legger noodzakelijk en kan niet meer worden gesproken van onderhoud van het waterstaatswerk. Van onderhoud is immers alleen sprake als het waterstaatswerk in overeenstemming wordt gebracht met de normatieve afmetingen in de legger. Het bestuur kan in deze gevallen een projectbesluit vaststellen als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet of een vergunning aanvragen op grond van de waterschapsverordening. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor de waterstaatswerken biedt dan rechtsbescherming voor belanghebbenden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.15</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingsregel omgevingsvergunning voor wateractiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Bal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Inhoudelijk zijn deze leden een voortzetting van de regel die voorheen in artikel 6.1a van het Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten die betrekking hebben op een waterstaatswerk opgenomen in de hoofdstukken 2 tot en met 4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Normadressaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat degene die de activiteit verricht, moet voldoen aan de regels over activiteiten van dit hoofdstuk. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van die activiteit. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en ervoor zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit hoofdstuk, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteiten houden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Uitwerking zorgplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk. Het artikel bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot de zorgplicht van Artikel 1.8 behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen over lozingsactiviteiten in Afdeling 2.2. De specifieke zorgplicht treedt dus (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. De specifieke zorgplicht geldt ook voor lozingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van Paragraaf 2.2.20 is vereist. Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het Besluit activiteiten leefomgeving. De specifieke zorgplicht fungeert zoals een basisnorm voor alle lozingsactiviteiten die onder de reikwijdte van dit hoofdstuk vallen. De algemene regels van paragraaf 2.2.1 en verder en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete lozingsactiviteit. Die algemene regels en vergunningvoorschriften moeten steeds passen binnen de doelen van Artikel 1.3, de zorgplicht in Artikel 1.8 en de uitwerking daarvan die in dit artikel is opgenomen. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitwerking van de zorgplicht in combinatie met Artikel 1.8 is de opvolger van de zorgplichten die in artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens waren opgenomen.</p></div>", "next": 239444}