{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde orgaan is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing krachtens deze verordening is vereist en die voorkomen in de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van toepassing: gedurende twaalf weken na het in werking treden van deze verordening; ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover degene die op grond van deze verordening een vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning of ontheffing heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop deze regels en besluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">AanhalingstitelDeze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene Plaatselijke Verordening 2018</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aldus besloten door de raad van de gemeente Winterswijk in zijn openbare vergadering gehouden op 25 januari 2018,de griffier, w.g.de voorzitter, w.g.TOELICHTINGALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2018 vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 januari 2018Toelichting hoofdstuk 1 : Algemene bepalingenAlgemeenHoofdstuk 1 van de verordening bevat een aantal procedurevoorschriften en een aantal algemene bepalingen. Het aantal procedurevoorschriften is beperkt. De reden hiervoor is dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) algemene regels geeft betreffende de aanvraag, de behandeling en de verlening van een vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV bevat slechts procedurevoorschriften indien: een afwijking van de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht noodzakelijk is; de regels een aanvulling vormen op de hoofdregel in de Algemene wet bestuursrecht; deze regels facultatief zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de toepassing en uitvoering van de APV worden verschillende soorten besluiten genomen, te weten: algemeen verbindende voorschriften, namelijk daar waar het bestuursorgaan op grond van de verordening de bevoegdheid heeft om nadere regels te stellen;besluiten van algemene strekking, bijvoorbeeld gebiedsaanwijzingen op basis van een APV-bepaling; beleidsregels, ter invulling van op de verordening gebaseerde beleidsvrijheid; beschikkingen, het verlenen of weigeren van vergunningen of ontheffingen die op basis van de APV verplicht zijn voordat een bepaalde activiteit kan worden ondernomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle hier genoemde besluiten zijn besluiten in de zin van de Awb. In artikel 1:3 van de Awb wordt het begrip \"besluit\" immers als volgt omschreven: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsomschrijvingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgenomen Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">A - Bevoegd gezagMet het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden (artikel 4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">B - WegUit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de wegVerschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">C - Openbare plaatsHiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel een ieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">D - Openbaar waterEen 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</p>\n<p class=\"lf-p\">E - Bebouwde komDe reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip “bebouwde kom” is aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">F - RechthebbendeHieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">G - VoertuigenDe verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al van het RVV 1990 voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">H - BouwwerkDeze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.</p>\n<p class=\"lf-p\">I - GebouwDeze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">J - VeeVoor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet. In Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee, varkens, kippen, kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden, konijnen en parelhoenders.</p>\n<p class=\"lf-p\">K - PluimveeOnder pluimvee moet worden verstaan vogels als kippen, eenden, ganzen en kalkoenen die gefokt worden voor hun vlees of eieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">L - HandelsreclameIn het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">M - GeluidsapparaatNiet elk apparaat dat geluid voortbrengt is een geluidsapparaaat; het apparaat moet ook ten doel hebben om geluid voort te brengen. Bij geluidsapparaten moet dus vooral gedacht worden aan muziekapparatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">N - SamenscholingOmdat niet elke groepsvorming als samenscholing wordt aangemerkt en het begrip samenscholing verschillend kan worden uitgelegd, is hiervan een begripsomschrijving opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BeslistermijnHet uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid Awb wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Uitgangspunt blijft altijd een redelijke termijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Awb verplicht uiteraard tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan DienstenrichtlijnOp vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio.</p>\n<p class=\"lf-p\">WaboDe tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:4) valt onder de Wabo, en ook onder bepaalde omstandigheden het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (art 2:3). De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:3). De vergunning voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingenIn literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Deze voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:7 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:3 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij het creëren van een vergunning- of ontheffingsplicht de formulering wordt gebruikt “het is verboden om … te doen zonder vergunning/ontheffing van … of in afwijking daarvan“ (conform Igr 50), dan is een bepaling als in het tweede lid niet nodig. Het handelen in strijd met een vergunnings- of ontheffingsvoorschrift is dan immers ook verboden en levert dus een overtreding op waartegen met een last onder bestuursdwang kan worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn o.g.v. artikel 2.2 van de Wabo, is noch de formulering “of in afwijking daarvan”, noch een bepaling à la artikel 1.3, tweede lid, nodig. De reden is dat artikel 2.3, aanhef en onder c, van de Wabo het handelen in strijd met een vergunningsvoorschrift al heeft verboden. In deze verorening gaat het om de artikelen 2.4 ((Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), 2.5 (Maken, veranderen van een uitweg) en 4.9 (Handelsreclame).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle andere vergunningen of ontheffingen in deze verordening is het tweede lid van artikel 1:3 wel nodig. Handelen in strijd met zo’n vergunning of ontheffing levert dan strijd op met artikel 1:3, tweede lid, jo. het vergunningsvoorschrift. Daartegen kan met bestuursdwang worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">DienstenrichtlijnArtikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:7. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6.1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingEen vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingDe in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook indien er niet exact sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:8 Awb doet het bestuursorgaan gelet op een zorgvuldige besluitvorming er goed aan de vergunninghouder te horen voordat tot intrekking of wijziging van de vergunning wordt overgegaan. Ingeval van een wijziging of intrekking die het gevolg is van een algemene beleidsbeslissing van het bestuursorgaan, is het echter vaak niet doenlijk om alle betrokkenen te horen. Wel is het dan gewenst om met vertegenwoordigers van belanghebbenden te overleggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">TermijnenArtikel 1.6 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad punt b.: uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet sprake zijn van een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad punt c: als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidOm duidelijkheid te scheppen is in het tweede lid opgenomen dat een vergunning of ontheffing in ieder geval niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend indien het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het mogelijke aantal aanvragers het anatal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige vergunningen lenen zich alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de toelichting onder artikel 1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WeigeringsgrondenMet betrekking tot vergunningen en ontheffingen stonden in de voorgaande APV’s de weigeringsgronden per artikel vermeld. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV is ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:7 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd Europese DienstenrichtlijnArtikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) staat vergunningstelsels toe, mits aan de volgende vereisten is voldaan: zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning aanvraagt; de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de richtlijn); het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt (evenredigheid) er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid). Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een strengere eis dan artikel 9;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is aangesloten bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt. Daarom is in de APV geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden beantwoord:</p>\n<p class=\"lf-p\">OverlastVanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">VerkeersveiligheidDe verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid van personen en gezondheidDeze gronden waarop grond voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ZedelijkheidHet begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’ hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningenniveau bij standplaatsenIn het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Détournement de pouvoirGemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel. Dit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">MotiveringEen weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1:3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Fictieve beschikkingMet ingang van 1 januari 2012 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing op vergunningstelsels die onder de Dienstenwet vallen. Dit betreft vergunningstelsels met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van diensten die onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn vallen Voor deze vergunningen (en ontheffingen) geldt in beginsel de lex silencio positivo hetgeen betekent dat de vergunning van rechtswege wordt verleend als niet binnen de voorgeschreven termijn van 8 weken (of eventueel na verlenging c.q. verdaging van het te nemen besluit) een besluit op de aanvraag is genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de lex silencio positivo kan alleen afgeweken worden indien sprake is van dwingende redenen van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb kan in die gevallen niet van toepassing worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dwingende redenen van algemeen belang zijn te vinden in overweging 40 van de Dienstenrichtlijn. De aldaar beschreven redenen zijn een verkorte weergave van de stand van de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Dwingende redenen van algemeen belang omvatten o.m. de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, handhaving van de maatschappelijke orde, consumentenbescherming, voorkoming van oneerlijke concurrentie, bescherming van het milieu, stedelijke en rurale ruimtelijke ordening en verkeersveiligheid. Kortom, verschillende belangen die ook bij de vergunningverlening op grond van deze verordening als toetsingscriteria worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1.8 is uitvoering aan de de Europese Dienstenrichtlijn en artikel 28 van de Dienstenwet gegegeven. In het belang van de rechtszekerheid zijn in dit artikel zowel de artikelen genoemd waarop de lex silencio positivo (en dus paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing is alsook de artikelen die om dwingende redenen van algemeen belang van de lex silencio postivo zijn uitgezonderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, dus de lex silencio positivo, niet van toepassing verklaard op: artikel 2.1, lid 4 : ontheffing verbod op samenscholing in het belang van: openbare veiligheid artikel 2.3, lid 1 : vergunning gebruik openbare weg in het belang van: openbare veiligheid, maatschappelijke orde (voorkoming overlast), verkeersveiligheid en belangen van derden; artikel 2.14, lid 1 : vergunning organiseren evenement in het belang van: openbare orde, openbare veiligheid, maatschappelijke orde (voorkomen overlast), verkeersveiligheid, bescherming milieu en belangen van derden; artikel 2.17, lid 1 : vergunning exploitatie openbare inrichting in het belang van: openbare veiligheid en maatschappelijke orde, bescherming milieu en belangen van derden artikel 2.19, lid 2 : ontheffing sluitingstijden openbare inrichtingen in het belang van: openbare veiligheid en maatschappelijke orde, bescherming milieu en belangen van derden artikel 2.25, lid 1 : vergunning exploitatie speelgelegenheid in het belang van: openbare veiligheid en maatschappelijke orde, bescherming milieu en belangen van derden artikel 3.3, lid 1 :vergunning exploitatie seksbedrijf in het belang van: openbare veiligheid en maatschappelijke orde, bescherming milieu en belangen van derden Hoofdstuk 2: OPENBARE ORDEAlgemeenIn dit hoofdstuk zijn verschillende bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg of openbare plaatsen in goede banen te kunnen geleiden. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 1: BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDENArtikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldhedenEerste lidHet begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr: \"Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het verbod van toepassing op het uitjouwen of op andere wijze lastig vallen van personen. Artikel 266 WvStr stelt het beledigen van personen strafbaar maar niet het uitjouwen of uitschelden van personen. Toch kunnen deze uitingen worden beschouwd als een verstoring van de openbare orde en zijn om die reden ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende) ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit toezichthoudende bevoegdhei krachtens artikel 6.2 van de verordening. Artikel 2:1, tweede lid bevat de bevoegdheid tot het geven van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld in artikel 6:1 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2.1 blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geweld tegen hulpverlenersDe laatste jaren is het hinderen van hulpverleners, met name brandweer en ambulancepersoneel een toenemend probleem. Hoewel het een pijnlijke constatering is dat de politie soms nodig is om mensen wier beroep het is om anderen te helpen hun werk te laten doen, biedt dit artikel wel een handvat om verwijderingsbevelen te geven en om diegenen die daaraan niet voldoen te vervolgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vechten op straatIn aanvulling op het Wetboek van Strafrecht is in artikel 2.1a een verbod op het vechten op voor het publiek toegankelijk plaatsen of voor het publiek toegankelijke gebouwen opgenomen. Met dit APV-verbod wordt beoogd om effectiever tegen vechtpartijen in de openbare ruimte en in openbare gebouwen zoals horeca-inrichtingen op te kunnen treden Het Wetboek van Strafrecht biedt weliswaar ook mogelijkheden om op te treden maar vanuit een andere invlashoek en dan moet eerst aangifte worden gedaan en dat gebeurt niet altijd. Vooral als het gaat om vechtpartijen die als een ernstige verstoring van de openbare orde kunnen worden beschouwd, wil de politie graag de mogelijkheid hebben om personen te kunnen aanhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2: BETOGINGENArtikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenDit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige activiteiten zijn ongereguleerd gebleven. In verband hiermee heeft artikel 2:2 alleen betrekking op betogingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een uitgebreide toelichting op dit artikel en de Wet Openbare Manifestaties wordt verwezen naar de toelichting in de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3: BRUIKBAARHEID VAN DE WEGArtikel 2.3 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de wegDit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit artikel kan gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden, winkeluitstallingen, terrasmeubilair, containers etc. op de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien deze bepaling betrekking heeft op een breed scala van gebruik van de weg, is in beginsel vastgehouden aan een vergunningsplicht om grip op dit gebruik te houden, vooral omdat niet elk gebruik door middel van algemene voorschriften goed gereguleerd kan worden. Veelal is de situatie ter plaatse bepalend voor wat er mogelijk is hetgeen betekent dat maatwerk geleverd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn enkele uitzonderingen op de vergunningsplicht opgenomen. Voorts is in het streven naar vermindering van administratieve lasten in het derde lid de bevoegdheid voor burgemeester en wethouders opgenomen om bepaalde gebruiksvormen van de vergunningsplicht vrij te stellen of hiervoor een meldingsplicht in te voeren, al dan niet onder het stellen van algemene voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid geeft burgemeester en wethouders de bevoegheid om bepaalde vormen van gebruik van de weg van de vergunningsplicht vrij te stellen, al dan niet onder de vaststelling van algemene voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Omgevings-)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegOp het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken) In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.7 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lidAan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidOmdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidVan de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidHet nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Ook als de Wabo niet van toepassing is, geldt dat bij niet tijdig beslissen de vergunning van rechtswege is verleend (zie artikel 1.8).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maken, veranderen van een uitwegArtikel 2.5 beoogt de aanleg van uitwegen oftewel inritten zoveel mogelijk vrij te laten, maar door het stellen van algemene voorschriften te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen of ten koste gaat van openbare parkeeruimte Uit de jurisprudentie betreffende artikel 14 van de Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, is in veel gevallen wel privaatrechtelijke toestemming en medewerking van de gemeente nodig om de weg aan te passen bijv. door het verlagen van het trottoir. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag echter niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regelsOp grond van het tweede lid kan het college nadere regels vaststellen om de algemene verbodscriteria in lid 1 van deze bepaling te verduidelijken en te concretiseren, toegespitst op bepaalde situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4 : VEILIGHEID OP DE WEGAlgemeen Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet altijd gemakkelijk te beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan verkeersbelangen indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt doorkruist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veroorzaken van gladheid Vele APV's kennen of kenden een plicht voor de eigenaar van een gebouw of terrein, gelegen binnen de bebouwde kom, om het trottoir langs dat gebouw of terrein sneeuwvrij te maken en te houden. Rond deze bepaling keert dikwijls de vraag terug van bevoegdheid tot regeling, omdat het opnemen van zo'n plicht in de APV strijd zou opleveren met de in 1930 in Geneve door de International Labour Organisation vastgestelde conventie betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, dan wel in strijd kan zijn met artikel 4 van het Verdrag van Rome Los hiervan moet ook geconstateerd worden dat een dergelijke bepaling door de overheid moeilijk te handhaven is en bovendien lang niet altijd geëffectueerd kan worden, bijv. als het gaat om braakliggende terreinen. Eigenlijk is het sneeuwruimen op trottoirs meer een onderwerp van zorg van voorlichting dan van handhaving. Om deze redenen is afgezien van opname van een 'sneeuwruimbepaling'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarentegen bevat artikel 2.6 een verbod om tijdens vriezend weer een gevaarlijke situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen van de auto op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor ter plaatse een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn artikel 427, aanhef en onder 4 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat met een geldboete van de eerste categorie wordt gestraft hij die iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijke beplanting en voorwerpen Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien JurisprudentieTuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel ontnemen. ARRS 10 12 1993, JG 94.0138.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openen straatkolken e.d. In het belang van de verkeersveiligheid en de veiligheid van personen is een verbod opgenomen om bepaalde nutsvoorzieningen te openen of onzichtbaar te maken</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Artikel 2.9 beoogt voetgangers en (brom-)fietsers te beschermen tegen verwondingen als gevolg van de te dicht op de weg aangebracht prikkeldraad, schrikdraad, etc</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor verkeer en verlichtingIn beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt De gedoogplicht op grond van artikel 2.10 is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichtingHet verwijderen of beschadigen van verkeersborden of openbare verlichting kan tot levensgevaarlijke situaties leiden. Om hiertegen op te kunnen treden is – aanvullend op het Wetboek van Strafrecht - in artikel 2.11 een verbod op dergelijke onbevoegde handelingen opgenomen Afdeling 5: DROPPINGSArtikel 2.12 DroppingsBij droppings is het niet ongebruikelijk dat de deelnemers hieraan zonder toestemming particuliere grond betreden. Vooral omdat droppings in het duister plaatsvinden leidt dit nogal eens tot verontruste telefoonmeldingen bij de politie. Ook komt het voor dat deelnemers hinder veroorzaken en/of vernielingen aan andermans eigendom aanrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om op de hoogte van plaatsvindende droppings te zijn en bij eventuele schade de organisator te kunnen achterhalen, is een kennisgevingsplicht voor droppings opgenomen. Eventueel kan de burgemeester in het belang van de openbare orde en veiligheid voorschriften opleggen. In het uiterste geval kan de burgemeester een dropping verbieden. Deze situatie doet zich voor indien de organisator de voorschriften meerdere keren niet of onvoldoende heeft nageleefd of wanneer de te houden dropping naar verwachting tot ernstige overlast of ongeregeldheden zal leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 6 : TOEZICHT OP EVENEMENTENAlgemeen Evenementen vervullen een belangrijke functie in de samenleving. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijvoorbeeld de hele gemeente, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is een vergunningstelsel in beginsel geoorloofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lidstaten mogen de toegang tot de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een vergunning tenzij: 1. de vergunning niet discriminatoir is, 2. het vergunningstelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang (noodzaakvereiste), en 3. het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn (proportionaliteitsvereiste).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij evenementen waarbij meer dan 100 personen gelijktijdig aanwezig zijn, is vooraf een vergunning noodzakelijk vanwege de openbare orde-aspecten, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook kan dan maatwerk bij de vergunningverlening en met name de hieraan te verbinden voorschriften plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van een klein evenement (≤ 100 personen), geldt in veel gevallen een vrijstelling in samenhang met algemene voorschriften (zie artikel 2.14 lid 3). Op grond van artikel 2.14 lid 2 kan de burgemeester bepaalde evenementen aanwijzen die zijn vrijgesteld of aan een meldingsplicht zijn gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze toepassing van deze bevoegheden is nader uitgewerkt in de nota Evenementenbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rol van de burgemeesterDe bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip 'toezicht' is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1. Awb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsomschrijvingIn artikel 2.13 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium ('elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak') wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen d.w.z. filmvoorstellingen die in een bioscoop plaatsvinden. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de bepalingen niet voor de op grond van artikel 160 Gemeentewet ingestelde warenmarkt waarvoor in de Marktverordening regels zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder worden kansspelen geregeld in de Wet op de kansspelen. De reguliere activiteiten in een horeca-inrichting zoals dansen en muziekoptredens zijn eveneens uitgezonderd omdat deze activiteiten inherent zijn aan de exploitatie van een horecabedrijf en hieromtrent regels worden gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betogingen, samenkomsten en vergaderingen worden geregeld in de Wet openbare manifestaties (voor zover dit soort activiteiten al als een verrichting tot vermaak kunnen worden aangemerkt). Tenslotte geldt voor droppings al een meldingsplicht ingevolge artikel 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgekeerd zijn in het tweede lid voor alle duidelijkheid enkele activiteiten opgesomd die ook als evenement in de zin van dit artikel worden beschouwd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">EvenementenLid 1Op grond van artikel 174, eerste lid van de Gemeentewet is de burgemeester het bevoegde orgaan om een evenementenvergunning te verlenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2In het tweede lid is de burgemeester de bevoegdheid toegekend om bepaalde evenementen van de vergunningsplicht vrij te stellen of hiervoor een meldingsplicht in te voeren. Hierbij moet gedacht worden aan kleine evenementen (&lt; 100 bezoekers en/of deelnemers) die door het stellen van algemene voorschriften goed geregeld kunnen worden en aldus weinig risico met betrekking tot aspecten als openbare orde, veiligheid, milieu en volksgezondheid met zich meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nota Evementenbeleid is het vorenstaande nader uitgewerkt en toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De burgemeester kan met betrekking tot evenementen die van de vergunningsplicht zijn vrijgesteld of waarvoor een meldingsplicht algemene voorschriften vaststellen. Deze voorschriften moeten wel betrekking hebben op de belangen die in artikel 1.8 worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Op grond van artikel 10 van de Wegenverkeerswet is het verboden op de weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen. Als het gaat om gemeentelijke wegen, kan het college op grond van artikel 148 van de Wegenverkeerswet van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel aan de evenementenvergunning in de APV meerdere motieven ten grondslag liggen, vervalt de APV-vergunningsplicht indien artikel 10 van de Wegenverkeerswet van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring bij evenementenDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 7: TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGENAlgemeen De exploitatievergunning is een vergunningstelsel dat niet alleen het woon- en leefklimaat beoogt te beschermen maar ook door veel gemeenten wordt ingezet om de openbare orde te handhaven en de samenleving tegen ondermijnende criminele activiteiten te beschermen. De exploitatievergunning is in samenhang met toepassing van de Wet BIBOB een effectief instrument om ondermijning tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese DienstenrichtlijnDe Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van een horecabedrijf is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, wel noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om vestiging van een openbare inrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natte en droge horecaDe reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip \"horecabedrijf\" zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, hebben een vergunning nodig ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet (de zgn. natte horeca).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:27, eerste lid van de APV wordt de term \"openbare inrichting\" gebruikt. Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik elders, en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook coffeeshops onder de model-APV te laten vallen. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone openbare inrichtingen behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond van de APV daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten aanzien van coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze inrichtingen kunnen hebben op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Campings en vakantieparkenOok de exploitatie van een camping of vakantiepark kan van invloed zijn op het woon- en leefklimaat in de omgeving. In de eerste plaats zal via het bestemmingsplan geregeld worden waar een camping of vakantiepark gevestigd kan worden maar het bestemmingsplan regelt niet de wijze waarop een dergelijk bedrijf geëxploiteerd wordt. Het Activiteitenbesluit geeft hiervoor algemene regels maar vanuit het milieu-motief. De exploitatievergunning beoogt de exploitatie te regelen vanuit het motief openbare orde. Hieronder vallen ook onoirbare praktijken op de campings c.q. vakantieparken zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bibob-toetsAls het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor de aanvrager van een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De horeca-exploitatievergunning is immers op grond van artikel 1.4 persoonsgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de APV dat als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden: \"inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt\". Dit zijn dus openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2.16 van deze APV. Dit betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbepaaldheid van de duurOp grond van het nieuwe artikel 1.6 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor de exploitatievergunning voor openbare inrichtingen tenzij de burgemeester beleidsmatig voor een bepaalde categorie inrichtingen heeft vastgesteld dat hiervoor een beperkt aantal vergunningen wordt afgegeven. Dan is sprake van een schaarse vergunning en is artikel 1.6 lid 2 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt bijvoorbeeld voor de exploitatie van coffeeshops waarvoor op grond van het vastgestelde beleid slechts één exploitatievergunning wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige wet- en regelgevingOp openbare inrichtingen zijn naast de regels van deze APV en de Drank- en Horecawet nog vele andere regels van toepassing. Van groot belang is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. In dit besluit is een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur en afvalstoffen opgenomen. Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als nieuwe horeca-inrichtingen. Hiervan kan incidenteel afgeweken worden (zie de artikelen 4.2 en 4.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn in het Activiteitenbesluit vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente bij verordening geluidsnormen kan vaststellen. Van deze mogelijkheid heeft de gemeente Winterswijk geen gebruik gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenIn plaats van de het begrip \"horecabedrijf\" wordt nu het begrip \"openbare inrichting\" gebruikt. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met \"horecabedrijf\" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde \"natte horeca\"</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde \"droge horeca\": tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops en campings en vakantieparken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Exploitatie openbare inrichtingenArtikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend Conform de model-APV van de VNG geldt deze vergunningsplicht niet voor inrichtingen die al vergunningplichtig zijn op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet en in dat kader aan een Bibob-onderzoek worden onderworpen (lid 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan de burgemeester op grond van lid 6 besluiten bepaalde soorten openbare inrichtingen van de vergunningsplicht vrij stellen. Het gaat dan om inrichtingen die in zijn algemeenheid weinig of geen overlast veroorzaken, het woon- en leefklimaat niet nadelig beïnvloeden en geen risico voor een ernstige verstoring voor de openbare orde vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidAls het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidOmdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1.7 voor de horeca ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. Het begrip openbare orde moet wel binnen de kaders van de dienstenrichtlijn worden geïnterpreteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woon- en leefsituatie in de omgevingDe exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond woon- en leefsituatie valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">MaximumstelselDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van horecabedrijven in de straat of de wijk de openbare orde of het woon- en leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleid kan worden neergelegd in een nota of een vergelijkbaar beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximum aantal te verlenen vergunningen is vermeld. In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een vergunning als daarmee het maximum wordt overschreden. Daarbij zal de burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het maken van een uitzondering op het beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidHiervoor is al aangegeven dat deze vergunningsplicht niet geldt voor inrichtingen die al vergunningplichtig zijn op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet en in dat kader ook al aan een Bibob-onderzoek worden onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zesde lid Voor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken, en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is geen vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 5 zijn met name enkele horeca-activiteiten als ondergeschikt onderdeel van een andersoortige inrichting vrijgesteld. Te denken valt aan het koffiehoekje bij de bakker, het horecagedeelte van een winkel of van een museum of zorginstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid geeft de burgemeester de bevoegheid om andersoortige openbare inrichtingen van de vergunningsplicht vrij te stellen. Hiervoor is al vermelde dat hierbij gedacht moet worden aan inrichtingen die in zijn algemeenheid weinig of geen overlast veroorzaken, het woon- en leefklimaat niet nadelig beïnvloeden en geen risico voor een ernstige verstoring voor de openbare orde vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde vergunning kunnen openen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Terrassen Volgens jurisprudentie is de burgemeester op grond van artikel 174 Gemeentewet het bevoegde bestuursorgaan om ook op een verzoek om een terrasvergunning te beslissen Aangezien de basis van een terrasvergunning is gelegen in artikel 2.3 ( gebruik van de weg in afwijking van de bestemming) en de vergunningsbevoegheid in dit artikel bij het college is neergelegd, is in artikel 2.17 bepaald dat in afwijking van artikel 2.3 de burgemeester beslist op aanvragen tot de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een terras behorende bij een horecabedrijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SluitingstijdenGrondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven vaststellen in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het beschermen van het woon en leefklimaat e.d De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horeca-werkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving, bijv. in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.). De sluitingstijden zijn dus ook van toepassing op besloten horecabedrijven c.q. horecabedrijven waar een besloten feest plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regionale afstemming / horeca-convenant Om zgn. nachtelijk horecatoerisme tussen gemeenten te voorkomen zijn regionaal afspraken over de sluitingstijden voor horecabedrijven gemaakt. Ook is in regionaal verband samen met politie en Koninklijke Horeca Nederland een horeca-convenant opgesteld dat in alle Achterhoeks gemeenten is ingevoerd. In 2017 is een nieuw convenant Veilig Uitgaan vastgsteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van dit convenant is o.m. de veiligheid in en rond de horeca te bevorderen, het woon- en leefklimaat te beschermen en het alcoholgebruik van met name door jongeren te matigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens dit horeca-convenant moeten horecabedrijven uiterlijk om 02.00 de deuren sluiten doch mag het aanwezige publiek tot 04.00 uur in de inrichting verblijven. Dit geldt uitsluitend voor deelnemers aan het horeca-convenant die door de deelname aan het convenant in aanmerking komen voor een ontheffing van de basis sluitingstijd van 02.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van deze glijdende sluitingstijd was en is een geleidelijk vertrek van het publiek waardoor de overlast voor de omgeving van horecagelegenheden minder is. Ervaringen met deze glijdende sluitingstijd hebben uitgewezen dat dit inderdaad het geval is Met de ondertekening van het horeca-convenant verklaart een horeca-ondernemer bereid te zijn extra maatregelen te willen treffen om verstoring van de openbare orde en overlast voor de omgeving te voorkomen. Deze inspanning rechtvaardigt een langere openstelling op basis van een ontheffing van de standaard sluitingstijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lidIn het eerste lid is de algemene sluitingstijd voor horecabedrijven bepaald op de periode van 02.00 tot 06.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijd kan de burgemeester een horeca-exploitant incidenteel ontheffing van de algemene sluitingstijd verlenen. Het moet dan gaan om een bijzondere omstandigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komen – zoals hiervoor reeds is opgemerkt - deelnemers aan het horeca-convenant in beginsel voor een ontheffing van de standaard sluitingstijd in aanmerking om reden dat zij verklaart hebben bereid te zijn extra maatregelen ter voorkoming van overlast en ter bevordering van een veilig uitgaansklimaat te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht evenwel blijken dat een horeca-ondernemer de afspraken van het convenant niet naleeft en zich onvoldoende inspant c.q. onvoldoende maatregelen treft om overlast en/of verstoringen van de openbare orde te voorkomen, dan kan dit voor de burgemeester aanleiding zijn om de ontheffing in te trekken. Evenzeer kan de burgemeester een ontheffing weigeren, als op basis van eerdere ervaringen weinig vertrouwen in het naleven van de afspraken van het convenant door de betreffende horeca-exploitant bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De sluitingsbepalingen van de APV gelden niet voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet milieubeheer beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen. Dit is ook niet het geval want het APV-sluitingsuur beoogt andere belangen te beschermen dan de Wet milieubeheer, namelijk de meer algemene handhaving van de openbare orde in de nachtelijke uren en het voorkomen van verstoring van de nachtrust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien op grond van de Wet milieubeheer een sluitingstijd is voorgeschreven, is het APV-sluitingsuur niet van toepassing om een doorkruising van regelgeving te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afwijkende sluitingstijdDe burgemeester kan op grond van artikel 174 van de Gemeentewet een of meer openbare inrichtingen tijdelijk afwijkende sluitingsuren opleggen of tijdelijk sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, die een meer individueel karakter heeft en een verruiming van de openingstijden mogelijk maakt, zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige inrichtingen. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel 2.19, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sluiting van openbare inrichtingenArtikel 2.21 is een soort lex specialis ten opzichte van artikel 2.20 en geeft de burgemeester de bevoegdhied om in enkele specifieke gevallen de sluiting van een openbare inrichting te bevelen. Het karakter van deze sluitingsbevoegdheid is expliciet gelegen in een aantal openbare orde motieven en de sluiting is van tijdelijke aard d.w.z. zolang deze sluiting in het belang van de openbare orde nodig wordt geacht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OrdeverstoringDeze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt. Ook is in het tweede lid het verblijf in een openbare irnichting na sluitingstijd strafbaar gesteld. Dit betekent dat niet alleen de exploitant strafbaar is maar ook de bezoeker</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.23</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in openbare inrichtingenDit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt verhandeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">JurisprudentieSluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996, 414 m.nt. FM, JG 96.0267 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient geen enkel doel. Pres. Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 8: TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDENAlgemeen In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de echte kansspelen, zoals speelcasino's en speelautomaten. De wet bevat echter geen regeling ten aanzien van spelen waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2.25 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in deze paragraaf een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1.5 van de deze verordening zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijvingen Het begrip 'speelgelegenheid' betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden evenwel beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Exploitatievergunning speelgelegenheidDe vergunningsplicht is op grond van het tweede lid niet van toepassing op kansspelen als bedoeld in de Wet op de Kansspelen doch uitsluitend op spelen waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen vergroten. Ter wille van de duidelijkheid zijn in dit tweede lid enkele categorieën speelinrichtingen met name genoemd Op grond van het bepaalde in het eerste lid onder d. kan de burgemeester soorten speelgelegenheden aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is. Hierbij moet gedacht worden aan speelgelegenheden waarvan regulering uit een oogpunt van handhaving van de openbare orde of bescherming van het woon- en leefklimaat niet noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het derde lid genoemde weigeringsgronden zijn gespecificeerd ten opzichte van de algemene weigeringsgronden als genoemd in artikel 1.7. Omdat het motief van deze bepaling is gelegen in de bescherming van de woon- en leefsituatie, is dit ook expliciet als weigeringsgrond in het derde lid opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 9 : MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEIDArtikel 2.26 Betreden gesloten woning of lokaalEerste lidDe burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, is dit in de APV geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet tweede lid van artikel 2.26 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidAangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2.24 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidVanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Plakken en kladdenEerste lidIn het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term 'bekladden' ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR Tweede lidHet aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2.27 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat 'plakken' slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.27 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2.27 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen (zie derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidIngevolge het bepaalde in het derde lid geldt het plakverbod niet voor het aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels. Evenmin geldt het verbod indien gehandeld wordt krachtens een wettelijk voorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde voortvloeiend uit artikel 10 EVRM is dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het derde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Algemeen gehanteerde norm is 1 plakbord of –zuil op 10.000 inwoners; in Winterswijk staan niettemin meer aanplakzuilen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.28</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak, en winkeldiefstal te bemoeilijken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet (HR 07 06 1977, NJ 1978, 483 - APV Wassenaar, en HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 - APV Nijmegen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geprepareerde tassenNaar aanleiding van een motie van Tweede Kamerlid De Wit heeft de Minister van Justitie de VNG gevraagd om in het model van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) een bepaling op te nemen om het op de weg of in de nabijheid van winkels bij zich te hebben of vervoeren van tassen (en kledingstukken) die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken, strafbaar te stellen Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op een openbare plaats in de nabijheid van winkels met het kennelijke doel om deze voor winkeldiefstal te gebruiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.30</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsenOp basis van artikel 2.30 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds 'straatschenderij' strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikelen 424 en 426bis WvSr. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strekking van het begrip weg uit artikel 2.30 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2.30 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden drankgebruikIn dit artikel is een verbod opgenomen om op een openbare plaats binnen de bebouwde kom of andere door de burgemeester aangewezen (openbare) plaatsen alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben Volgens jurisprudentie moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het verbod geldt voor het hele grondgebied van de gemeente, dan gaat dit verder dan het bestrijden van hinderlijk drankgebruik in een bepaald gebied en zal de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet moeten gebruiken. Daarnaast zou bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook van goedwillende personen, worden verboden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vorenstaande reden is het verbod beperkt tot openbare plaatsen binnen de bebouwde kom. Vanwege het verplaatsingseffect dat een verbod voor bepaalde aangewezen plaatsen in de bebouwde kom zal hebben, bijv. als het gaat om drankgebruik door hangjongeren fo rondzwervende personen, is het verbod van toepassing verklaard op de gehele bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbod art. 45 Drank- en Horecawet In artikel 45 van de Drank- en Horecawet is bepaald dat jongeren onder de 18 jaar op een voor publiek toegankelijke plaats geen alcoholhoudende drank aanwezig of voor consumptie gereed mogen hebben. Het motief van dit verbod is een verantwoord gebruik van alcohol. Het motief van artikel 2.31 is de openbare orde en dan vooral het voorkomen van overlast en hinderlijk gedrag in de openbare ruimte door het gebruik van alcohol. Artikel 2.31 doorkruist daarmee niet het verbod als bedoeld in artikel 45 van de Drank- en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken, of voor een evenement als bedoeld in 2.13 zonder dat hiervoor een ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet is verleend (hierbij moet gedacht worden aan besloten buurtfeestjes waarbij de drank gratis en niet bedrijfsmatig wordt verstrekt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidDe burgemeester kan in bijzondere omstandigheden ontheffing van het verbod verlenen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de beperkingen die de Drank- en Horecawet</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenDeze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord 'ruimte' gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip 'openbare plaats'. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsen van fietsen, bromfietsen en scootersHet plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselend motief: de bescherming van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2.33 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieen weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieen weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Slapen op openbare plaatsenTer voorkoming van hinder en overlast is in artikel 2.35 een verbod op het slapen op of aan de weg opgenomen. Dit artikel biedt de mogelijkheid om op te treden tegen bijv. zwervers, daklozen en dronken personen die de nacht slapend op of aan de weg willen doorbrengen Op grond van het tweede lid kan het college ontheffing van het slaapverbod verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is opgenomen dat het verbod niet geldt voor vrachtwagenchauffeurs die nog wel eens in hun cabine willen overnachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gaat om kamperen buiten (in het bestemmingsplan) aangewezen recreatieterreinen, dan is afdeling 4 van hoofdstuk 4 (Kamperen buiten kampeerterreinen) van toepassing; gaat het om een woonwagen, dan is in de meeste gevallen de Woonwagenwet van toepassing. Dit is geregeld in het vierde lid van het artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bedelarij Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen Omdat de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopende hondenAan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende motieven de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; het voorkomen van hinder voor voetgangers; het bestrijden van verontreiniging; het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de hond(en) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en katten op te vangen die ‘s nachts elders dan op het erf van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum van het bericht op te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een \"gevonden dier\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet tweede lid geeft het college de bevoegdheid om plaatsen binnen de bebouwde kom aan te wijzen waar het aanlijngebod niet geldt. Hierbij kan gedacht worden aan speciale aangewezen uitlaatplaatsen en/of speelweiden voor honden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidIn het derde lid is een ontheffingsbevoegdheid opgenomen voor situaties waarin in redelijkheid van de eigenaar of houder van de hond niet verwacht kan worden dat deze de hond aangelijnd heeft. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan honden die een schaapskudde (die zich op een openbaar terrein zoals een plantsoen of park in de bebouwde kom bevindt) bewaken of politiehonden die bij een onderzoek als speurhond worden ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verontreiniging door hondenDe ergernis over hondenpoep op trottoirs, wandelpaden, fietspaden, etc. is groot. Hondenpoep kan ook grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid Daarom is in artikel 2.35 een gebod opgenomen inhoudende dat de hondebezitter ervoor zorgt dat zijn hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op wegen en kinderspeelplaatsen binnen de bebouwde kom. Vanwege de ruime definitie van het openbare plaats geldt dit gebod ook voor vele andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarheid wordt opgeheven indien de uitwerpselen direct worden verwijderd. Ter ondersteuning van deze opruimplicht is in het derde lid bepaald dat de hondenbezitter een geschikt en doeltreffend middel bij zich dient te dragen om de uitwerpselen te verwijderen en op te ruimen. Als geschikte en doeltreffende middelen kunnen genoemd worden een schepje, een drollenknijper en een hondenpoepzakje maar ook andere opruimmiddelen zijn denkbaar. Voorwaarde is in ieder geval dat het middel naar normale maatstaven geschikt en doeltreffend moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4 is een uitzondering op de opruimplicht opgenomen voor hondenbezitters die zich vanwege een handicap door een geleidehond of sociale hulphond laten begeleiden. Deze personen zijn meestal niet in staat om de uitwerpselen van hun hond op te ruimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) van deze verbodsbepaling lastig zijn, toch zal dit verbod een preventieve werking hebben en het gedrag van onfatsoenlijke hondenbezitters (hopelijk) beïnvloeden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijke hondenDit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat in lid 2 van dit artikel een definitie is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Houden van hinderlijke of schadelijke dierenHet kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen Artikel 2.37 geeft het college de mogelijkheid de eigenaar of houder van een of meer dieren te verplichten de nodige maatregelen te treffen om hinder of schade voor de omgeving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat het verbod niet geldt indien en voor zover dit onderwerp door de Wet milieubeheer wordt geregeld. Indien op bedrijfsmatige wijze dieren worden gehouden of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, dan is de Wet milieubeheer van toepassing en zullen in dat kader voorschriften ter voorkoming van hinder en overlast van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopend vee en pluimveeDit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats In dit kader wordt ook gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaait, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 10: BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDERENAlgemeenTer bestrijding van heling is op advies van de politie een nieuwe afdeling aan dit hoofdstuk toegevoegd met betrekking tot de verkoop van gebruikte en ongeregelde goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het nieuwe artikel 2.43 worden handelaren als bedoeld in artikel 1 van de AMVB ex artikel 437, lid 1 Wetboek van Strafrecht verplicht om een zgn. Digitaal Opkopersregister (DOR) bij te houden om alle verkochte goederen te registreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze handelaren waren op grond van artikel 437 WvStr. al verplicht een registratie bij te houden van alle door hen verworven en in bezit zijnde gebruikte en ongeregelde goederen. Op grond van deze nieuwe APV-bepaling moeten deze handelaren nu ook registreren aan wie deze goederen worden verkocht of worden overgedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsomschrijvingDe bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk aanvulling vormen op het strafrechtelijk optreden door politie en justitie Het Wetboek van strafrecht bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie kan voorwerpen in beslag nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek , (brom)fiets en autohandel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de andere branches zou de burgemeester dan vrijstelling kunnen verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen registratieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HandelaarVoor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregisterDe in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lidHier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden geregistreerd expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige lid, óf te bepalen dat alleen die goederen moeten worden geregistreerd die de burgemeester heeft aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivoOp de ontheffing in het tweede lid is de lex silencio positivo van toepassing verklaard. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van StrafrechtDeze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen Onder a - ten eersteArtikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a - ten tweede en derdeAls er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren up to date houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a - ten vierdeHier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder bIn artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dBij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:44, onder d, voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar is de handelaar etc. die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 10: VUURWERK / CARBIDAlgemeenDeze afdeling geeft enkele regels omtrent het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitie consumentenvuurwerkVoor de omschrijving van het begrip 'consumentenvuurwerk' is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - indien: het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier; het aangetroffen wordt bij een particulier; het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op: vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen; vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer is; vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisselingHet Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels: een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan particulieren (artikel 2.3.2 lid 1); dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4); een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5); een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop volgende jaar (artikel 2.3.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag van consumentenvuurwerkOok voor de opslag van consumentenvuurwerk worden algemene regels gesteld in het Vuurwerkbesluit. De verkooppunten zijn inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer en worden als zodanig aangewezen in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (IVB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor deze inrichtingen geldt een vergunningsplicht krachtens de Wet milieubeheer. Deze bevoegdheid lag eerst bij het college van de gemeente, maar door de inwerkingtreding van het (nieuwe) Vuurwerkbesluit en wijziging van het IVB, is deze bevoegdheid deels overgegaan naar de provincie (afhankelijk van de hoeveelheid). Het college van Gedeputeerde Staten is tevens verantwoordelijk voor het toezicht op deze inrichtingen De artikelen 2.39 en 2.40 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.45</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsomschrijvingBij de begripsomschrijving van consumentenvuurwerk wordt verwezen naar het Vuurwerkbesluit</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.46</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik consumentenvuurwerkIn het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardencentra, winkelstraten, dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">CarbidschietenHet schieten met carbid met behulp van (melk-)bussen is vooral in het oosten van het land en ook in onze gemeente een bekend traditioneel verschijnsel rond de jaarwisseling. De laatste jaren is zelfs sprake van een toename van deze traditionele activiteit en worden de grenzen van het schieten steeds verder verlegd Vanwege de hieraan verbonden veiligheidsrisico’s voor zowel schietlustigen als het publiek en de geluidsoverlast voor mens en dier is het wenselijk om een aantal voorschriften aan het carbid schieten te verbinden. Anders dan het eigenlijke vuurwerk is het carbid schieten niet in andere wetgeving geregeld, zodat dit op basis van de gemeentelijke autonomie in de APV geregeld kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 12: DRUGSOVERLASTAlgemeenDe straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Mede als gevolg van het gevoerde coffeeshopbeleid was in Winterswijk ook sprake van straathandel in drugs. De laatste jaren is deze handel wel afgenomen maar vooral de invoering van het zgn. ingezetenencriterium voor coffeeshops (verbod op de verkoop aan niet-Nederlandse ingezetenen) bestaat het risico dat de straathandel weer toeneemt. Onderdeel van het coffeeshopbeleid is dan ook een strenge aanpak van de straathandel en illegale verkooppunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast veroorzaken deze straathandel en het optreden van drugsrunners/gidsen veel overlast voor bewoners en winkeliers en hebben deze activiteiten een negatieve invloed op het winkelklimaat. Om tegen deze overlast op te kunnen treden is in de APV een artikel opgenomen dat tot doel heeft een aantasting van de openbare orde en overlast te voorkomen.</p></div>", "next": 239674}