{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Als het bevoegd gezag een vermoeden heeft van een mobiele stof boven de interventiewaarde en een initiatiefnemer kiest ervoor om geen grondwateronderzoek uit te voeren omdat het graafwerk beperkt blijft tot de grondlaag boven de grondwaterspiegel, dan gaat het bevoegd gezag uit van een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde en moet de grond worden afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een initiatiefnemer kan via een maatwerkvoorschrift een verzoek indienen om hiervan te mogen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als afvoer niet doelmatig is en er uit milieuhygiënisch oogpunt geen winst te behalen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen grond met PFAS terugplaatsen Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg ds bij PFOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitsborging uitvoering Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren, wordt het graven uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Alleen die ondernemingen mogen de MBA graven &gt; I verrichten. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning, afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieukundige begeleiding Om de gezondheid en de kwaliteit van de bodem te beschermen en om afvalstoffen doelmatig te beheren, wordt de activiteit begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 (persoonsgebonden certificaat) als: een deel van de verontreinigde grond niet wordt teruggebracht in het ontgravingsprofiel, maar zal worden afgevoerd15Omdat het praktisch gezien bijna nooit mogelijk is om alle grond weer terug te brengen in het profiel van ontgraving wordt hiervoor een ondergrens gehanteerd van 25 m3. Dit wil zeggen dat kan worden afgezien van milieukundige begeleiding als ten hoogste 25 m3 verontreinigde grond niet kan worden teruggeplaatst en van de locatie moet worden afgevoerd (zie art. 4.1233 lid a Bal).; op de locatie al een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag; of sprake is van meerdere partijen (kwaliteitsklassen) die gescheiden moeten worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de MBA graven &gt; I is alleen milieukundige processturing nodig. De borging van de kwaliteit van de uitvoering richt zich op werkzaamheden rondom de grond- en eventueel de afvalstromen, zoals op de graafwerkzaamheden in een aangebrachte afdeklaag die het gevolg is van een eerdere sanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL 6000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit evaluatieverslag is onderdeel van de gegevens en bescheiden die de initiatiefnemer aan het einde van de activiteit aan het bevoegd gezag overlegt. Bijzondere omstandigheden tijdens het graven, zoals het onverwacht aantreffen van een afwijkende verontreiniging, worden vermeld in het evaluatieverslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldplicht en informatieplicht Voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, geldt naast een meldplicht ook een informatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien uit het vooronderzoek geen verdenking op een puntbron naar voren komt, kan ervan worden uitgegaan dat binnen BKK-zone 4 een sterke (diffuse) verontreiniging aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldplicht vier weken voor graafwerk met afvoer van grond De MBA graven &gt; I moet ten minste 4 weken voor het begin ervan worden gemeld aan het bevoegd gezag. Als niet tijdig wordt gemeld is de activiteit verboden. De termijn van 4 weken is noodzakelijk voor het bevoegd gezag om de onderzoeksrapporten te beoordelen en, wanneer nodig, maatwerkvoorschriften te stellen. Als de initiatiefnemer verzoekt om een maatwerkvoorschrift, dan is de beslistermijn 8 weken. Bij de melding worden de volgende gegevens overlegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene gegevens op grond van art. 2.17 Bal (aanduiding activiteit, gegevens initiatiefnemer, adres activiteit en datum);</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaand onderzoek (zie hoofdstuk 2);</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgravingslocatie (kaart en dwarsprofiel);</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoeveelheden te ontgraven grond (inclusief kwaliteitsklassen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldplicht één week voor graafwerk met alleen tijdelijke uitname Voor het tijdelijk uitnemen van grond geldt een meldtermijn van 1 week. Het betreft hier een kortdurende activiteit waarbij de grond alleen tijdelijk wordt uitgenomen en zonder te zijn bewerkt wordt teruggeplaatst in hetzelfde ontgravingsprofiel16Hier is een verschil met tijdelijke uitname van grond met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en waarbij het ontgraven bodemvolume meer is dan 25 m3. In die gevallen mag de grond op of nabij het ontgravingsprofiel worden teruggeplaatst..</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen meldplicht bij spoedreparaties ondergrondse infrastructuur De meldingsplicht is niet van toepassing als er wordt gegraven vanwege een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen bij lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Onder infrastructuur verstaan we eigenlijk alles waarbij een spoedoperatie met graafwerkzaamheden aan de orde kan zijn, in het bijzonder drinkwater, energie en telecommunicatie. Ook het riool of een buisleiding voor transport van stoffen kan hiertoe behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoeveelheid te ontgraven grond moet in verhouding staan tot de spoedreparatie. Ook mogen de graafwerkzaamheden niet omvangrijker zijn dan noodzakelijk voor de spoedoperatie. Het kan voorkomen dat er in eerste instantie met een beroep op deze uitzondering een noodoplossing wordt gecreëerd, waarna enkele weken later met inachtneming van de normale voorschriften een reparatie of oplossing voor de lange termijn wordt uitgevoerd. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij spoedreparaties van vitale ondergrondse infrastructuur moet na afloop van de werkzaamheden zo snel mogelijk informatie verstrekt worden over de begrenzing, de datum en de aanleiding/het doel van de werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplichten In aanvulling op de meldplicht worden ten minste 4 weken (in geval van tijdelijke uitname 1 week) voor start van de activiteit ook de volgende gegevens ingediend bij het bevoegd gezag:</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrenzing van de locatie (is ook onderdeel van de melding);</p>\n<p class=\"lf-p\">Datum start graafwerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwachte duur van het graafwerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding/doel van het graafwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste 1 week voor de start van de activiteit moeten de volgende gegevens ingediend worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">NAW-gegevens van degene die gaat saneren (aannemer);</p>\n<p class=\"lf-p\">NAW-gegevens van natuurlijk persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen Wijzigingen moeten meteen gemeld worden als ze bekend zijn. Als de wijziging niet wordt doorgegeven, betekent dat dat er geen melding is gedaan en dat de milieubelastende activiteit niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen die betrekking hebben op de meldingsplicht van de MBA Graven &gt; I worden ten minste 1 week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht verstrekt. Wijzigingen van de MBA Graven &gt; I die betrekking hebben op de informatieplicht die samenhangt met meldingsplicht moeten onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte begindatum van de activiteit worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens na afloop (evaluatieverslag) Ten hoogste 1 week na afloop van de MBA graven &gt; I worden evaluatiegegevens ingediend over de ontgraving (kaart en dwarsprofiel), eventuele resultaten MKB, bestemming van de grond en eventuele bijzonderheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4Kleinschalig graven Wettelijk kader:</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor ‘Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’ en de regels voor ‘Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit’ zijn te vinden in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan zijn regels opgenomen voor grondverzet kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (het zogeheten Kleinschalig graven). Hiervoor golden regels onder de Wet bodembescherming. Het gaat om zeer beperkt graafwerk voor bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inspectieput voor funderingsonderzoek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Herstelwerkzaamheden aan kabels en leidingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van een lichtmast;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van een huisaansluiting (water, gas, elektra);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ingraven van een vuilwaterput;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het graven van een boomplantgat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het graven in de bodem omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, het tijdelijk opslaan van grond en het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor kleinschalig graven zijn niet van toepassing op het graven in de waterbodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering voor zeer klein graafwerk (&lt; 1 m3), zonder afvoer en voor (reguliere) tuinwerkzaamheden in eigen tuin zonder afvoer Bij zeer kleine graafwerkjes zonder afvoer van grond is het de vraag of de inspanning van een (vereenvoudigd) vooronderzoek opweegt tegen de impact/risico’s van het graafwerk op de omgeving. Dit geldt ook bij (reguliere) tuinwerkzaamheden zonder afvoer in de eigen tuin tot een maximum van 25 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbuiten gaat het om graafwerk van minder dan 1 m3, zonder afvoer van grond, zoals bijvoorbeeld voor het herstelwerk van het trottoir, het plaatsen van straatmeubilair, onderhoud/schoffelen van plantsoenen et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Graafwerkzaamheden die vallen onder deze uitzonderingen zijn vrijgesteld van de regels voor kleinschalig graven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsbereik Het kleinschalig graven bestaat in het omgevingsplan uit twee afzonderlijke activiteiten (vergelijkbaar als in het Bal):</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit beneden of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (afgekort: Kleinschalig graven ≤ I). Hieronder vallen locaties of gebieden waar de bodem niet of slechts licht is verontreinigd of diffuus is verontreinigd beneden de interventiewaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (afgekort: Kleinschalig graven &gt; I). Hieronder vallen de volgende locaties of gebieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit de bodemkwaliteitskaart of uit bodemonderzoek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige of voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is (de zogenaamde ‘ernst - geen spoed’ locaties).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer na het (vereenvoudigd) vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van (een verdenking van) een puntbron en er geen beschikking ernst - geen spoed is afgegeven is de BKK-zone (zie de zonekaart in Bijlage 3A) bepalend voor het te volgen traject:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven ≤ I, BKK-zone 1, 2, 3 of 1A;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven &gt; I), BKK-zone 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer na het vooronderzoek blijkt dat er wél sprake is van een locatie waarop een beschikking ernst - geen spoed rust, wordt het regime voor kleinschalig graven &gt;I gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van (een verdenking van) een puntbron, het graafwerk vindt plaats in een niet-gezoneerd gebied of in de openbare weg, dan wordt een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek bepaalt welk regime wordt gevolgd. Alternatief is dat de initiatiefnemer uitgaat van ‘worst case’ en werkt volgens het kader kleinschalig graven &gt; I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het traject staat weergegeven in Figuur 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 3.2Schematisch overzicht Kleinschalig graven Invulling van de wettelijke zorgplicht bij asbest in de bodem bij kleinschalig graven Wanneer tijdens de uitvoering onverwacht visueel asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, worden veiligheidsmaatregelen genomen om vermenging naar andere bodemlagen en verspreiding naar de omgeving te voorkomen. Bij de tijdelijke opslag van mogelijk asbesthoudende grond dienen maatregelen te worden genomen om verwaaiing en verstuiving te voorkomen. Stukken asbestverdacht materiaal worden via ‘handpicking’ verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven &gt; I, wat geldt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt altijd (minimaal) een vereenvoudigd vooronderzoek gedaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij graafwerk binnen de gemeente Uithoorn in BKK-zone 4, in de openbare weg, als sprake is van een beschikte locatie ernst - geen spoed en bij graafwerk waarbij een afdeklaag/leeflaag doorgraven kan worden gelden de regels voor kleinschalig graven &gt; I (dity betekent onder andere een informatieplicht bij afvoer en bij (ont)graven dieper dan de afdeklaag), tenzij verkennend bodemonderzoek uitwijst dat de locatie ≤ I verontreinigd is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is alleen sprake van een informatieplicht wanneer grond wordt afgevoerd en/of wanneer dieper dan de afdeklaag wordt gegraven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn regels opgenomen over tijdelijke opslag van vrijkomende grond;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond met een mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde of een PFAS-verontreiniging boven 59 µg/kg (PFOS en overige PFAS) of 60 µg/kg (PFOA of mengsel van PFAS) wordt niet teruggeplaatst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is milieukundige begeleiding aanwezig wanneer een afdeklaag wordt doorgraven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten leeflagen/afdeklagen is BRL 6000 of 7000 niet verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke uitname Voor tijdelijke uitname gelden dezelfde regels als bij MBA Graven &gt;I in het Bal, behalve dat er bij kleinschalig graven &gt;I geen meld- of informatieplicht bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieukundige begeleiding tijdens doorgraven van de afdeklaag (kleinschalig graven &gt; I) Milieukundige begeleiding conform BRL 6000 is alleen nodig als er op de locatie sprake is van een afdeklaag17Hieronder vallen zowel afdeklagen die onder het overgangsrecht vallen (evaluatieverslag of nazorgplan Wbb) en nieuwe afdeklagen die zijn aangebracht onder de MBA Saneren volgens het Bal. in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag en de ontgraving dieper gaat dan deze laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL 6000. Volgens de BRL SIKB 6000 is het doorgaans niet noodzakelijk dat er voortdurend een milieukundige aanwezig is. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het doorgraven van de afdeklaag dient de aannemer volgens de BRL 7000 te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet terugplaatsen van grond verontreinigd met mobiele stoffen Omdat bij kleinschalig graven &gt; I geen regels in de bruidsschat zijn meegegeven voor terugplaatsen van grond na tijdelijke uitname kan het gebeuren dat grond die verontreinigd is met mobiele verontreinigingen wordt teruggeplaatst in het ontgravingsprofiel. In het omgevingsplan is daarom opgenomen dat het niet is toegestaan om vrijkomende grond, die verontreinigd is met mobiele verontreinigingen tot boven de interventiewaarden zonder meer terug te plaatsen in het ontgravingsprofiel. De verontreinigingen in deze grond zijn dezelfde stoffen die in het grondwater voorkomen tot boven de signaleringsparameters.18De signaleringsparameters (zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving) zijn gelijk aan de interventiewaarden grondwater onder de Wbb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet terugplaatsen geldt voor vrijkomende grond, verontreinigd met mobiele stoffen die zich boven, onder of zowel boven als onder de grondwaterspiegel bevinden; die zich hebben verspreid naar het grondwater; die kunnen uitdampen naar een afgesloten ruimte van een gebouw waarin mensen verblijven; uit een drijflaag (bijvoorbeeld minerale olie).</p>\n<p class=\"lf-p\">In zo’n situatie moet vrijkomende grond worden beschouwd als een afvalstof die niet opnieuw gebruikt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook niet toegestaan om een drijflaag (bijvoorbeeld minerale olie) terug te plaatsen. Deze moet binnen het kader van deze regels altijd worden afgevoerd. Als er geen verkennend bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd, is het lastig om dit vast te stellen. Daarom geldt deze eis als er visueel olie waarneembaar is of als door eerder uitgevoerd (voor)onderzoek is gebleken dat sprake is van grond die is verontreinigd met mobiele stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een initiatiefnemer kan via een maatwerkvoorschrift een verzoek indienen om van de eis tot afvoeren te mogen afwijken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als afvoer niet doelmatig is en er uit milieuhygiënisch oogpunt geen winst te behalen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen grond met PFAS terugplaatsen na tijdelijke uitname Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg ds bij PFOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht kleinschalig graven &gt; I bij afvoer en/of bij (ont)graven dieper dan de afdeklaag Voor kleinschalig graven (&lt; 25 m3) in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, waarbij tevens grond wordt afgevoerd en/of waarbij dieper dan de afdeklaag wordt gegraven, geldt een informatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste een week voor het begin van de activiteit (als er sprake is van afvoer en/of (ont)graven dieper dan de afdeklaag) worden ter informatie de volgende gegevens en bescheiden bij het bevoegd gezag ingediend:</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht;</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachte datum van het begin van de activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwachte duur van de activiteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemonderzoek in de vorm van een (vereenvoudigd) vooronderzoek en aanduiding BKK-zone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een wijziging van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens onverwijld aan het bevoegd gezag verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht bij kleinschalig graven &gt;I in geval van spoedreparaties ondergrondse infrastructuur Wanneer het kleinschalig graven in de bodem in verband staat met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur en sprake is van afvoer van grond en/of dieper is gegraven dan de afdeklaag, geldt een informatieplicht achteraf in de volgende situaties: Bij graafwerk in zone 4, op beschikte locaties ernst – geen spoed en in de openbare weg (waarbij de bodemkwaliteit niet bekend is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer geen informatieplicht?</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatieplicht geldt niet als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond, niet zijnde graafwerk onder een afdeklaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven ≤ I, wat geldt er?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt altijd (minimaal) een vereenvoudigd vooronderzoek uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij graafwerk binnen de gemeente Uithoorn in zone 1, 2, 3 en 1A gelden de regels voor kleinschalig graven ≤ I, behalve als in het vvo een puntbron of verdenking daarop wordt aangetroffen en als het daaropvolgende verkennend bodemonderzoek uitwijst dat de locatie &gt; I verontreinigd is (in dat geval worden de regels voor graafwerk &gt; I gevolgd);</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond met een PFAS-verontreiniging boven 59 µg/kg (PFOS en overige PFAS) of 60 µg/kg (PFOA of mengsel van PFAS) wordt niet teruggeplaatst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er gelden alleen regels bij tijdelijke opslag van vrijkomende grond en de zorgplicht in het omgevingsplan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen sprake van een informatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke uitname In de regeling Kleinschalig graven in de bruidsschat waren geen regels opgenomen over terugplaatsen van grond na tijdelijke uitname. Er wordt in het omgevingsplan in de regeling voor kleinschalig graven ≤ I aangesloten bij de regels die gelden voor de MBA Graven ≤ I in het Bal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen grond met PFAS terugplaatsen na tijdelijke uitname Als het vooronderzoek daar aanleiding toe geeft, wordt bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Grond met een verontreiniging met PFAS wordt na het tijdelijk uitnemen niet teruggebracht in de bodem als een of meer van de volgende waarden worden overschreden, waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg ds bij PFOS;</p>\n<p class=\"lf-p\">60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of 59 µg/kg ds bij overige PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht bij kleinschalig graven ≤ I in geval van spoedreparaties ondergrondse infrastructuur Wanneer het kleinschalig graven in de bodem in verband staat met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur en sprake is van afvoer van grond en/of dieper is gegraven dan de afdeklaag, geldt een informatieplicht achteraf in de volgende situaties: Bij graafwerk in zone 4, op beschikte locaties ernst – geen spoed en in de openbare weg (waarbij de bodemkwaliteit niet bekend is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke opslag na kleinschalig graven Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de regeling Kleinschalig graven in de bruidsschat zijn regels opgenomen over tijdelijke opslag (maximaal 8 weken). Er wordt in het omgevingsplan in de regeling voor kleinschalig graven aangesloten bij de regels die gelden voor de MBA Graven ≤ I in het Bal.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5Termijnen voor meldplicht en/of informatieplicht bij graafwerkzaamheden In Tabel 3.1a en 3.1b staan de termijnen met betrekking tot de meldings- en/of informatieplicht van de MBA Graven en Kleinschalig graven bij elkaar. Zie voor een beschrijving van wat de meldplicht en/of informatieplicht inhoudt (wat stuur je mee met de melding, waarover informeer je?) de paragrafen 3.2 tot en met 3.4 van dit beleidskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kleinschalig graven (&lt; 25 m3) in bodem met een kwaliteit beneden of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit geldt geen informatie- of meldplicht. Hiervoor geldt de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verplicht om tijdens de uitvoering van de activiteit de ingediende gegevens die voortvloeien uit de informatieplicht of melding op de locatie beschikbaar te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3.1aRegels met betrekking tot melden en/of informeren bij de MBA Graven in de bodem (&gt; 25 m3) Kwaliteit bodem ≤ interventiewaarde Kwaliteit bodem &gt; interventiewaarde Meldplicht geen 4 weken voor start bij grondafvoer 1 week bij alleen tijdelijke uitname niet bij spoedreparaties Informatieplicht 1 week, deze informatieplicht geldt alleen indien grond wordt afgevoerd niet bij spoedreparaties (wel informatie- plicht achteraf) 4 weken voor start bij grondafvoer 1 week bij alleen tijdelijke uitname 1 week gegevens aannemer/MKB niet bij spoedreparaties (wel informatieplicht achteraf) Evaluatieverslag geen Ten hoogste 1 week na afloop Kwaliteitsborging geen BRL 6000 / BRL 7000, aannemer en onderneming/natuurlijk persoon MKB erkend Tabel 3.1bRegels met betrekking tot informeren bij kleinschalig graven in de bodem (≤ 25 m3) Kwaliteit bodem ≤ interventiewaarde Kwaliteit bodem &gt; interventiewaarde Meldplicht geen geen Informatieplicht geen 1 week graven onder leeflaag/afdeklaag niet bij tijdelijke uitname (niet zijnde graafwerk onder een leeflaag/afdeklaag) niet bij spoedreparaties (wel informatieplicht achteraf) Evaluatieverslag geen - Kwaliteitsborging geen Werken volgens BRL 6000 / BRL 7000 bij graafwerk door leeflaag/afdeklaag 3.6Graven tot onder de grondwaterstand De MBA graven in de bodem maakt geen onderscheid tussen graven boven en onder de grondwaterstand. Ook bij een verontreiniging in het grondwater kan gebruik worden gemaakt van de MBA’s graven in de bodem onder of boven de interventiewaarde bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan gebeuren dat het graven in de bodem van invloed is op aanwezige grondwaterverontreiniging, bijvoorbeeld als de grondwaterstand verlaagd moet worden. Een dergelijke onttrekking is een wateractiviteit waarvoor aparte regels gelden. Dit valt buiten het beleidskader voor bodem en zelfs buiten het kader van het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dieper gegraven wordt dan het grondwaterniveau, kan sprake zijn van graven ‘in den natte’ (zonder geforceerde bemaling) of van graven ‘in den droge’ (met geforceerde bemaling / open put bemaling al dan niet met drains of onttrekkingsfilters). Als sprake is van graven ‘in den natte’ zullen ook in geval van (de nabijheid van) een grondwaterverontreiniging, de gevolgen voor het grondwater meestal beperkt zijn. Als sprake is van graven ‘in den droge’ en dus sprake is van bemaling om de grondwaterstand te verlagen, kunnen de effecten op een eventueel aanwezige grondwaterverontreiniging wel groter zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij graven in bodem verontreinigd &gt; I (vaste bodem) is sprake van een erkenningsplicht voor de uitvoering (BRL 7000) en milieukundige begeleiding, onderdeel processturing (BRL 6000). Onderdeel van deze protocollen is een zorgvuldige omgang met het grondwater. Dat zorgt voor een extra kwaliteitsborging op het zorgvuldig graven en de omgang met het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7Graven in droge oevergebieden De MBA graven (in het Bal en in het omgevingsplan voor kleinschalig graven) strekt zich niet uit tot graven in de waterbodem. Deze activiteit beperkt zich tot de landbodem. Onder waterbodem verstaan we de bodem van een oppervlaktewaterlichaam. Een oppervlaktewaterlichaam is onder de Omgevingswet omschreven als een “samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna”. Het beheer van de waterkwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam ligt bij het Rijk of het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het grensvlak van waterbodem en landbodem kan sprake zijn van droge oevergebieden. Dit zijn buitendijkse gebieden die niet of nauwelijks invloed ondergaan van het water. In het Bal (artikel 22.127) wordt aangegeven dat voor deze droge oevergebieden de regels voor de MBA graven in de bodem wel gelden. Onder de Omgevingswet ligt de verantwoordelijkheid voor deze gebieden niet meer op bij het Rijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het ontgraven van een grensoverschrijdende verontreiniging land/waterbodem onder de Omgevingswet zijn twee aanpakken mogelijk: Voor de landbodem en droge oevergebieden gelden de MBA Graven en MBA Saneren. Voor de aanpak van de waterbodem geldt overgangsrecht Waterwet. Waterschappen kunnen regels opnemen in de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8Graven onder een leeflaag Het komt regelmatig voor dat op, in of tot onder een aangebrachte leeflaag gegraven wordt, vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen. Het nazorgplan onder de Wbb, de nazorgbepaling na BUS-sanering en de regels in het omgevingsplan over nazorg bevatten maatregelen die nodig zijn om de leeflaag in stand te houden, te onderhouden en te herstellen. Bij werkzaamheden onder de leeflaag (dus waarbij de leeflaag doorgraven wordt) geldt een meld- of informatieplicht volgens de MBA Graven of de regels voor Kleinschalig graven in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als het onder het overgangsrecht vallende nazorgplan een specifieke regeling heeft voor graven onder de leeflaag of verhardingslaag dan valt dit graafwerk onder het overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle andere gevallen valt nieuw graafwerk niet onder het overgangsrecht en gelden de regels van de MBA Graven of de regels voor kleinschalig graven in het omgevingsplan. Dit geldt ook als er in het nazorgplan of de nazorgparagraaf staat dat er dan gemeld moet worden volgens de Wet bodembescherming. Dit beschrijft namelijk alleen de toen geldende wettelijke verplichtingen en voegt geen nieuwe verplichting toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9Grond met puin of ander bodemvreemd materiaal Grond met veel puin of ander bodemvreemd materiaal Een laag die bestaat uit meer dan 50 procent (gewicht) aan bodemvreemd materiaal, wordt niet gezien als grond, maar als puin of afval. Als dit materiaal vrijkomt moet het worden afgevoerd als afvalstof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude ondergrondse huisbrandolietanks Een ondergrondse huisbrandolietank (mits groter dan 250 liter) valt onder paragraaf 4.97 Bal (Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks). Artikel 4.999 Bal geeft in het tweede lid aan dat een afgekeurde ondergrondse tank binnen acht weken na de afkeuring verwijderd moet worden. Het derde lid zegt dat wanneer verwijdering door de ligging technisch niet mogelijk is (lees redelijkerwijs niet kan worden verlangd) de tank dan onklaar mag worden gemaakt. Wanneer de tank is afgekeurd en er wordt geen nieuwe tank geplaatst dan is de activiteit beëindigd en moet er volgens artikel 4.985 Bal een eindonderzoek bodem uitgevoerd worden. Indien er een verontreiniging is ontstaan moet de bodem gesaneerd worden, volgens paragraaf 5.2.1 Bal Eindonderzoek bodem. Als er wel een nieuwe tank wordt geplaatst en het bevoegd gezag heeft reden om aan te nemen dat er een verontreiniging is ontstaan door de oude tank dan kan het herstel van de bodemkwaliteit op grond van de zorgplicht van het Bal artikel 2.11 verplicht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10Lozen van grondwater bij graven Het lozen van grondwater bij graven kan aan de orde zijn bij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek voorafgaand aan graven in de bodem;</p>\n<p class=\"lf-p\">Graven in de bodem;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van grondwater bij onderzoek voorafgaand aan graven in de bodem Bij een onderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal in combinatie met de milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120 Bal ) of kleinschalig graven (geregeld in omgevingsplan) kan grondwater vrijkomen. Dit afvalwater moet, volgens artikel 5.7f Bal, worden geloosd op het vuilwaterriool, tenzij via een maatwerkvoorschrift een andere lozingsroute is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van grondwater bij graven in de bodem Over graven in de bodem zijn regels gesteld in de paragrafen 4.119 en 4.120 Bal en in het omgevingsplan (kleinschalig graven). Bij deze activiteiten kan grondwater vrijkomen bij bemaling. Door bemaling kan men ‘droog’ ontgraven. Bemaling van het grondwater wordt ook wel ontwatering of onttrekking van grondwater genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bal stelt geen regels aan het lozen bij graven, behalve als het gaat om lozen op rijkswateren of de Noordzee. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het lozen op rijkswateren bij saneren van de bodem of het grondwater. Zie verder paragraaf 4.7 van dit beleidskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is het lozen bij graven geregeld in het omgevingsplan of de waterschapsverordening. Het valt dan onder de noemer ontwatering. Zie hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van grondwater bij ontwatering Het lozen van grondwater dat is vrijgekomen bij graven, valt onder de regels voor ontwatering in het omgevingsplan. Het afvalwater mag worden geloosd op of in de bodem of in een riool. Het afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als lozen in een schoonwaterriool, op of in de bodem of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Er gelden emissiegrenswaarden. Om te bepalen of emissiegrenswaarden overschreden worden, moeten de grondwatermonsters volgens voorgeschreven protocollen geanalyseerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l. Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u. De praktijk is dat - als lozen op het vuilwaterriool is toegestaan (dit wordt getoetst naar aanleiding van de ingediende gegevens voorafgaand aan het lozen) - pas bij lozen langer dan 12 weken een maatwerkvoorschrift moet worden aangevraagd voor de langere termijn van lozen. Deze praktijk wordt voortgezet onder de Omgevingswet en vastgelegd in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt bij het lozen op een riool een zandvanger (bezinkinstallatie) gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen van bij graven vrijgekomen grondwater op een regionaal oppervlaktewater, valt onder de regels voor lozen bij ontwatering in de waterschapsverordening. Er geldt een emissiewaarde voor onopgeloste stoffen van 50 mg/l, gemeten in een steekmonster. Om te bepalen of emissiegrenswaarden overschreden worden, moeten de grondwatermonsters volgens voorgeschreven protocollen geanalyseerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen van bij graven vrijgekomen grondwater op rijkswateren is toegelicht onder het kopje ‘Lozen van grondwater bij graven in de bodem’ (hierboven) met een verwijzing naar het kopje ‘Lozen van grondwater bij saneren van de bodem of het grondwater’ (paragraaf 4.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Als er afvalwater vrijkomt bij de milieubelastende activiteit graven, bepaalt de lozingsroute wie bevoegd gezag is voor deze lozing. Er zijn 4 lozingsroutes. Tabel 3.2 laat zien wie bevoegd gezag is voor welke lozingsroute.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3.2Lozingsroutes na graven of saneren Lozingsroute op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Soort activiteit Regels in Rijkswateren en Noordzee Waterbeheerder (Rijkswaterstaat) Wateractiviteit Besluit activiteiten leefomgeving (Hoofdstukken 6 en 7 Bal) Regionale wateren Waterbeheerder (Waterschap) Wateractiviteit Waterschapsverordening Riool Gemeente Milieubelastende activiteit Omgevingsplan Op of in de bodem (ook bij lozing &gt; 10 m diep) Gemeente Milieubelastende activiteit Omgevingsplan Als een bepaalde (andere) lozingsroute gewenst is, is het aan het bevoegd gezag om hier regels over op te stellen. Hierbij sluit het bevoegd gezag aan bij de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater zoals vastgelegd in de Wet milieubeheer. Ook stemt het bevoegd gezag van deze lozingsroute zo nodig af met andere bestuursorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht Voor het lozen bij graven geldt in het omgevingsplan en de waterschapsverordening een informatieplicht. Ten minste vier weken van te voren worden aan het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard en omvang van de lozing; en De verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens tenminste vier weken vantevoren verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen informatieplicht voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering als het lozen minder dan 48 uur duurt. Duurt het lozen langer dan 48 uur, maar niet langer dan 8 weken dan worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldingsplicht Voor het lozen op rijkswater geldt een meldingsplicht (in combinatie met een informatieplicht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet als de lozing minder dan 48 uur duurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.11Lokale invulling MBA’s graven en kleinschalig graven De gemeente Uithoorn heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om maatwerkregels op de rijksregels uit het Bal vast te stellen voor enkele onderwerpen. De regels voor kleinschalig graven uit de bruidsschat zijn omgezet naar regels in het omgevingsplan. Ook is bestaand beleid omgezet naar beleid en beleidsregels onder de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lokale invulling voor de MBA’s Graven en kleinschalig graven wordt weergegeven in onderstaand kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hieronder genoemde regels worden in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidingsbesluit dat gelijk in werking treedt met de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkregels in omgevingsplan op rijksregels uit het Bal Artikel waarop de maatwerk-regel betrekking heeft Overkoepelend graven in de bodem (paragraaf 4.119 en 4.120 Bal) Tijdens de uitvoering van de activiteit zijn de gegevens die zijn ingediend vanwege de informatie- of meldingsplicht beschikbaar op locatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.119 en 4.120 Bal</h3>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van een bodemonderzoek worden, niet alleen in PDF-format, maar ook in XML-format (SIKB0101) aangeleverd, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1221 en 4.1229 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal (voorafgaand bodemonderzoek) Grond met een verontreiniging met PFAS wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie):</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1222a lid 1 Bal 4.1230a lid 1 Bal Graven ≤ I (Bal) Bij graafwerk in de openbare weg en waarbij via vooronderzoek geen puntbron of verdenking hierop naar voren is gekomen, wordt een verkennend bodemonderzoek (conform NEN5740) uitgevoerd waaruit blijkt of sprake is van een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde en de MBA Graven ≤ I moet worden gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1221 Bal in samenhang met paragraaf 5.2.2 Bal De resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek worden een week vantevoren ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1221 lid 1 Bal Verschillende grondsoorten worden gescheiden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1222 Bal Graven &gt; I (Bal) Bij graafwerk in BKK-zone 4 wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1229 Bal in samenhang met paragraaf 5.2.2 Bal Bij graafwerk in de openbare weg en waarbij via vooronderzoek geen puntbron of verdenking hierop naar voren is gekomen wordt een verkennend bodemonderzoek (conform NEN5740) uitgevoerd waaruit blijkt of sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde en de MBA Graven &gt; I moet worden gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1229 Bal in samenhang met paragraaf 5.2.2 Bal Er wordt een hekwerk om de ontgravingslocatie en de depots aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.11 Bal in samenhang met paragraaf 4.120 Bal In aanvulling op het Bal worden ook grondsoorten gescheiden gehouden als het licht verontreinigde grond betreft. Voor matig en sterk verontreinigde grond staat dit al in het Bal.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1230 lid 2 onder a Bal Mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd. Grond uit een drijflaag wordt ook altijd afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1230a Bal Regels in omgevingsplan m.b.t. Kleinschalig graven ≤ 25 m3 Artikel in omgevingsplan ntb Overkoepelend De regeling Kleinschalig graven is niet van toepassing op zeer klein graafwerk (≤ 1 m3) zonder afvoer en voor graafwerk uitgevoerd in tuinen bij woningen ten behoeve van tuinonderhoud ≤ 25 m3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een voorafgaand bodemonderzoek conform paragraaf 5.2.2 Bal gedaan voorafgaand aan kleinschalig graven (spoedreparaties vitale ondergrondse infrastructuur uitgezonderd). Vaak kan worden volstaan met een vereenvoudigd vooronderzoek. Op basis hiervan gelden er regels voor kleinschalig graven ≤ I of kleinschalig graven &gt; I. Bij graafwerk in zone 1, 2, 3 en 1A gelden de regels voor kleinschalig graven ≤ I, behalve bij het aantreffen van een puntbron of verdenking en als het daaropvolgend verkennend bodemonderzoek uitwijst dat de locatie &gt; I verontreinigd is. Bij aantreffen van een puntbron of verdenking mag de initiatiefnemer ervoor kiezen om in plaats van het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 uit te gaan van ‘worst case’ en zich te houden aan de regels van kleinschalig graven &gt; I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij graafwerk in zone 4 gelden de regels voor kleinschalig graven &gt; I, behalve als verkennend bodemonderzoek uitwijst dat de locatie ≤ I verontreinigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kleinschalig graafwerk in de openbare weg moet verkennend onderzoek plaatsvinden. Hier mag de initiatiefnemer ook kiezen voor ‘worst-case’, onderzoek mag achterwege blijven, maar dan gelden de regels voor kleinschalig graven &gt; I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen en verschillende grondsoorten worden zoveel mogelijk gescheiden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond met een verontreiniging met PFAS wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie):</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van een spoedreparatie aan vitale ondergrondse infrastructuur in BKK-zone 4, de openbare weg en op beschikte locaties ernst-geen spoed wordt beperkte informatie verstrekt over de graafwerkzaamheden wanneer sprake is van afvoer van grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijgekomen grond mag maximaal 8 weken na beëindiging van het graven worden opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven ≤ I Grond mag na tijdelijk uitnemen op of nabij het ontgravingsprofiel worden teruggebracht (behalve als er een andere bewerking heeft plaatsgevonden dan zeven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalig graven &gt; I De informatieplicht geldt niet alleen bij afvoer van grond, maar ook bij het dieper graven dan een afdeklaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vereist voorafgaand bodemonderzoek wordt ook ingediend. Indien sprake is van een verkennend onderzoek wordt dit tevens in XML-format ingediend voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens over de milieukundig begeleider worden ingediend (in geval van dieper graven dan de afdeklaag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de uitvoering van de activiteit zijn de ingediende gegevens voortvloeiend uit de informatieplicht beschikbaar op locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond mag na tijdelijk uitnemen in het ontgravingsprofiel worden teruggebracht (behalve als er een andere bewerking heeft plaatsgevonden dan zeven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiele verontreiniging boven de interventiewaarde wordt niet teruggeplaatst na tijdelijk uitnemen maar afgevoerd. Grond uit een drijflaag wordt ook altijd afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een hekwerk om de ontgravingslocatie en de depots aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgplicht omgevingsplan in samenhang met paragraaf kleinschalig graven &gt; I Het graven wordt uitgevoerd volgens BRL SIKB 7000 bij dieper graven dan de leeflaag. (Tevens is dan milieukundige begeleiding volgens BRL SIKB 6000 vereist.) Beleidsregels Artikel waarop de beleids-regel betrekking heeft Bodemonderzoeken zijn in principe 5 jaar geldig, een ouder onderzoek wordt toegestaan als men kan aantonen dat er in de tussentijd geen verontreiniging is toegevoegd, of bodemrapporten kan overleggen waaruit blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie (bij mobiele stoffen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1221 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal 4.1229 Bal in samenhang met par 5.2.2. Bal 4Milieubelastende activiteit saneren van de bodem Wettelijk kader:</p>\n<p class=\"lf-p\">De milieubelastende activiteit ‘Saneren van de bodem’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.23 (artikelen 3.48h en i); de algemene regels onder paragraaf 4.121 (artikelen 4.1235 tot en met 4.1246) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1Wat is saneren (conform Bal)?</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteit saneren van de bodem komt in Nederland regelmatig voor, bijvoorbeeld een locatie wordt ontwikkeld, waarbij tegelijk de bodemkwaliteit wordt verbeterd. Een verplichte sanering kan aan de orde zijn bij de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bijvoorbeeld een woning met tuin, of bij het realiseren van andere bodemgevoelige gebruiksvormen, zoals een kinderspeelplaats of moestuin. Het kan ook gaan om een vrijwillige sanering, bijvoorbeeld bij de aankoop of verkoop van een terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is volgens het Bal sprake van de milieubelastende activiteit saneren van de bodem als het oogmerk saneren van de bodem is. Dit is bijvoorbeeld het geval als de ‘waarde toelaatbare kwaliteit bodem bij bouwen’ wordt overschreden. Het doel van de activiteit is gericht op het wegnemen of beperken van (blootstelling aan) historische verontreiniging (ontstaan vóór 1987)19Bij verontreiniging die is ontstaan vanaf 1 januari 1987 is het uitgangspunt dat deze volledig wordt verwijderd (op grond van zorgplicht, of als maatregel bij ongewoon voorval, of in het kader van de herstelplicht na eindonderzoek bodem bij beëindiging van bedrijf of installatie)..</p>\n<p class=\"lf-p\">Het saneren van de bodem kan binnen de standaardregels uit het Bal op twee manieren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beperken of ongedaan maken van de blootstelling aan de verontreiniging van de bodem door de contactmogelijkheden met de verontreiniging te voorkomen zodat de bodem op de locatie geschikt is voor het toekomstig gebruik. Dit kan gerealiseerd worden door een afdeklaag20Bij vluchtige stoffen moeten tevens maatregelen tegen uitdamping worden genomen (dampdichte laag, ventilatie, et cetera). (verhardingslaag, of laag grond of baggerspecie van 1 meter dik) aan te brengen; het beperken of ongedaan maken van de verontreiniging van de bodem, doordat de verontreiniging daadwerkelijk wordt verwijderd. Dit kan gerealiseerd worden door middel van ontgraving en afvoer van de grond (tot kwaliteit van de functieklasse21Via maatwerk kunnen andere terugsaneerwaarden van toepassing zijn, bijvoorbeeld voor lood indien sprake is van wonen met tuin. Zie paragraaf 4.5 onder kopje ‘Te realiseren bodemkwaliteit’ en paragraaf 4.9 ‘Lokale invulling’.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschil tussen saneren en graven Het oogmerk saneren van de bodem dient om het onderscheid te verduidelijken tussen enerzijds ‘zuiver’ saneren (met een saneringsdoelstelling), waarbij het voornemen van de initiatiefnemer is gericht op een schonere bodem (bijvoorbeeld door het afgraven van verontreinigde bodem) om risico’s voor de mens weg te nemen, en anderzijds tijdelijk uitnemen van grond tijdens de milieubelastende activiteit graven, waarbij overtollige verontreinigde grond (uit projectmatig oogpunt) wordt afgevoerd. Deze activiteiten kunnen ook samen voorkomen, bijvoorbeeld de MBA’s saneren en graven bij bouwen; bij het aanbrengen van een afdeklaag geldt ook de MBA Toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een verschil in systematiek ten opzichte van het voormalige Besluit uniforme saneringen (BUS). Onder BUS waren tijdelijk uitnemen (projectmatig graven in sterk verontreinigde bodem) en sanering door ontgraven twee afzonderlijke saneringsaanpakken, terwijl in het Bal de eisen van de MBA saneren (door middel van afgraven) en de eisen van de MBA graven cumulatief van toepassing kunnen zijn. Beide activiteiten kunnen tegelijkertijd gemeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer is sanering verplicht?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bal kent geen zelfstandige saneringsplicht. Een saneringsplicht kan zijn opgenomen in het omgevingsplan of sanering kan vrijwillig plaatsvinden. Saneren onder het Bal zal daarom meestal plaatsvinden op een natuurlijk moment, bijvoorbeeld als sprake is van een herontwikkeling op een verontreinigde locatie. Aan een herontwikkeling kunnen eisen worden gesteld aan de kwaliteit en eventuele sanering van de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is in ieder geval een verplichting tot saneren of het treffen van andere beschermende maatregelen bij nieuwbouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie22Of bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk (als bedoeld in bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving) groter dan 50 m2. als de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden in een bodemvolume van meer dan 25 m3 (volumecriterium geldt niet voor asbest). In dat geval wordt de binnenplanse omgevingsvergunning bouwen alleen verleend als aannemelijk is dat sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Dit staat in het omgevingsplan, waarin de binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken is opgenomen. Zie verder hoofdstuk 8 van dit beleidskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige sanering van statische locaties In het oudstedelijk gebied liggen veel locaties waarvoor binnen afzienbare termijn geen plannen voor stedelijke ontwikkeling of functiewijziging bestaan, de zogenaamde ‘statische locaties,’ met de bodemfunctie wonen, waarvan de tuinen verontreinigd zijn met zware metalen en PAK. Bodemonderzoek kan uitwijzen of er in de tuinen sprake is van onaanvaardbare risico’s. Het gaat bij deze risico’s meestal om de stoffen lood, kwik of PAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht bodemonderzoek en het actueel gebruik (met name tuinen en kinderspeelplaatsen) onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid aan het licht brengen, dan is het van belang om deze risico’s te vermijden of weg te nemen. Als het gaat om diffuus lood in de toplaag en het is voorlopig niet mogelijk om te saneren, dan zijn gebruiksadviezen een middel om risico’s tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen en te voorkomen dat jonge kinderen grond binnen krijgen (zoals een zandbak, groente telen in bakken, handen wassen, et cetera).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is bekend dat in oudstedelijk gebied de bodem doorgaans verontreinigd is met zware metalen en PAK. Er kunnen echter ook andere verontreinigingen in de bodem zitten. Voor zover deze verontreinigingen ‘bij toeval’ worden ontdekt (ze waren nog niet eerder bekend), bijvoorbeeld door klachten, dan kan sprake zijn van een toevalsvondst. Het gaat hierbij om verontreiniging die (waarschijnlijk) onaanvaardbare gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Meer informatie over de toevalsvondst staat in paragraaf 10.2. Tijdelijke maatregelen kunnen dan nodig zijn om de risico’s weg te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op statische locaties is het aan de eigenaar/bewoner om de bodemverontreiniging een keer aan te pakken, bijvoorbeeld op een natuurlijk moment als er werkzaamheden (zoals een bouwplan) aan de orde zijn. Op dat moment wordt de locatie dynamisch. Zie verder in hoofdstuk 8 of 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke saneringen vallen niet onder de MBA saneren conform Bal?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn saneringen die niet onder de MBA Saneren volgens het Bal vallen. Dit betreft een grondwater- of waterbodemsanering, maar ook de sanering van een nieuw geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwatersanering De sanerende maatregelen, die hoofdzakelijk zijn gericht op het saneren van het grondwater om de grondwaterkwaliteit te verbeteren, vallen niet onder de activiteit saneren in het Bal. Het uitvoeren van een grondwatersanering is een activiteit waarvan de regulering is overgelaten aan de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingsverordening 2022 van de provincie Noord-Holland [Lit. 17] is geen saneringsplicht opgenomen voor het grondwater. Wel zijn er informatieplichten opgenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bevoegd gezag bij het signaleren van een nog onbekende grondwaterverontreiniging met een volume van meer dan 6000 m3; en Voor de initiatiefnemer als bij sanering van een historische bodemverontreiniging de grondwaterverontreiniging groter blijkt te zijn dan 6000 m3 en dit nog niet bekend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting bij de omgevingsverordening staat hierover het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op een zogenoemde toevalsvondst die zich mogelijk onaanvaardbaar kan verspreiden in het grondwater. Afgelopen decennia zijn deze verontreinigingen in principe allemaal in beeld gebracht. Als criterium hiervoor is een volume van 6.000 m3 als indicatiewaarde gebruikt. Leidraad daarbij vormde de 'Circulaire Bodemsanering 2013' (Staatscourant nr. 16675).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een toevalsvondst wordt gedaan, moeten Gedeputeerde Staten in overleg met de betreffende gemeente bepalen of, op welke wijze, wanneer en door wie maatregelen moeten worden getroffen. Als een maatregel moet worden getroffen zal deze worden opgenomen in het regionaal waterprogramma dat de provincie vaststelt. Gemeenten zullen naar verwachting grondwaterproblemen die ontstaan vanuit de bodem, veelal als eerste signaleren. Als dat zich voordoet, moeten zij op grond van dit artikel de provincie direct informeren. Dit is een concretisering van het bepaalde in artikel 2.2 van de Omgevingswet. Het artikel vormt een aanvulling op afdeling 19.2a van de Omgevingswet (Toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem). Die afdeling is van toepassing als bij een toevalsvondst onmiddellijk tijdelijke beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om onaanvaardbare risico's voor de gezondheid als gevolg van directe of indirecte blootstelling aan verontreiniging op of in de bodem te voorkomen of te beperken. Het artikel heeft een ruimer toepassingsbereik omdat het ziet op de toevalsvondst van grondwaterverontreinigingen met een mogelijk onaanvaardbaar verspreidingsrisico. De strekking is daarentegen minder ruim dan die van afdeling 19.2a van de Omgevingswet, omdat het alleen een informatieplicht oplegt aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de toevalsvondst is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft betrekking op historische bodemverontreinigingen, waarover in het verleden een saneringsbesluit is genomen. Het gaat hier onder meer om gevallen van ernstige verontreiniging, waarvan sanering niet spoedeisend was. In dit soort gevallen vindt sanering pas plaats als een nieuwe ontwikkeling, zoals bouwactiviteit of herinrichting, daartoe aanleiding geeft. Als bij het saneren blijkt dat zich een mogelijk onaanvaardbaar verspreidingsrisico voordoet, moet degene die saneert terstond Gedeputeerde Staten informeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit bovenstaande toelichting kan worden afgeleid dat er bij deze informatieplichten – behalve een minimaal volume van 6000m3 – ook sprake moet zijn van een overschrijding van de signaleringsparameters grondwater als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze signaleringsparameters komen overeen met de interventiewaarden voor grondwater onder de Wet bodembescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbodemsanering Sanerende maatregelen die zijn gericht op een verontreiniging in de waterbodem vallen niet onder de activiteit saneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie over de aanpak van verontreinigde waterbodems staat op de website van iplo.nl: Verontreiniging waterbodem en oever - Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor de MBA saneren van de bodem gelden wel voor voormalige droge oevergebieden. Het begrip ‘droge oevergebieden’ komt niet terug onder de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe verontreinigingen Bij zogenaamde nieuwe verontreinigingen (veroorzaakt na 1986) is het uitgangspunt dat volledige verwijdering (tot de norm die mag worden toegepast) zo spoedig mogelijk plaatsvindt. Het kader voor sanering van nieuwe verontreinigingen wordt gevormd door de zorgplicht, het ongewoon voorval en de herstelplicht bij bedrijfsbeëindiging (aan de hand van een eindsituatie-onderzoek bodemkwaliteit). Er kunnen situaties zijn waarin (onmiddellijke) volledige verwijdering niet helemaal haalbaar of redelijk is. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het afwegingskader in de Handreiking ‘redelijkerwijs’ en ‘het natuurlijk moment’ bij de zorgplicht bodem d.d. 12 juni 2020 [Lit. 18].</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2Meldplicht en informatieplicht 4 weken van tevoren Het is verboden de activiteit saneren van de bodem te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag controleert het meldingsformulier en bijbehorende rapporten en documenten. De controle wordt niet gevolgd door een formeel besluit (beschikking) in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bevoegd gezag kan eventueel een maatwerkvoorschrift vaststellen in afwijking van of in aanvulling op de regels van het Bal. Een maatwerkvoorschrift is wel een beschikking op grond van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding wordt gedaan door de initiatiefnemer (opdrachtgever). De initiatiefnemer kan de eigenaar of erfpachter zijn van het terrein waar de bodemsanering plaatsvindt. De melding kan ook worden gedaan door een gemachtigde namens de eigenaar of erfpachter. In de praktijk van sanering is het gebruikelijk dat de informatie door de opdrachtgever, de milieukundig begeleider of de uitvoerder wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding bevat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoeken; binnen de gemeente Uithoorn volstaat in BKK-zones 1 en 2 in de meeste gevallen een vooronderzoek, in BKK-zones 3, 4 en 1A is dit naast een vooronderzoek ook altijd een verkennend onderzoek conform de NEN574023Als sprake is van de saneringsaanpak ‘afdekken’ waarbij alleen de stofgroepen metalen, overige anorganische stoffen, PAK, organochloorbestrijdingsmiddelen, minerale olie en asbest aan de orde zijn, kan een nader onderzoek achterwege blijven.;</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze voor een van de saneringsaanpakken, afdekken of verwijderen, of een combinatie hiervan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de saneringsaanpak “afdekken” een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval: het type afdeklaag; de situering van de afdeklaag aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel; als grond wordt herschikt: de hoeveelheid grond die ten hoogste wordt afgevoerd of herschikt in m3; als grond wordt herschikt: de situering van de herschikte grond op een kaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de saneringsaanpak “verwijderen” een omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder in ieder geval: gegevens over de ontgraving aangeduid op een kaart en op een dwarsprofiel; het bodemvolume waarin de werkzaamheden plaatsvinden; de hoeveelheid af te voeren grond per kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) in m3; een aanduiding van de waarde voor de terugsaneerwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bodem is verontreinigd met vluchtige stoffen: een omschrijving van de maatregelen om uitdamping van vluchtige stoffen tegen te gaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag in het kader van de informatieplicht ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht (aangeduid op een kaart); en De verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de informatieplicht kan gelijktijdig worden voldaan met de meldingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3Informatieplicht één week van tevoren Ten minste een week voor het begin van de activiteit worden aan het bevoegd gezag de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De naam en het adres van degene die de werkzaamheden gaat verrichten; en De naam en het adres van de onderneming die de milieukundige begeleiding gaat verrichten; en De naam van de natuurlijke persoon die de milieukundige begeleiding gaat verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van deze gegevens kan het bevoegd gezag controleren of de uitvoering van de sanering en de milieukundige begeleiding worden gedaan door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit. Het saneren van de bodem wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Voor het milieukundig begeleiden moeten zowel de onderneming als de milieukundig begeleider een erkenning voor BRL SIKB 6000 bezitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4Melden van wijzigingen De initiatiefnemer blijft zowel voorafgaand als tijdens de uitvoering van de bodemsanering verantwoordelijk voor de actualiteitswaarde van de melding. De initiatiefnemer is verplicht om wijzigingen op de melding opnieuw te melden ten minste een week voor het begin van de (gewijzigde) activiteit. Dat kan bijvoorbeeld gaan om het wijzigen van de saneringsaanpak. Als de wijziging niet wordt gemeld is de uitvoering van de MBA op de gewijzigde manier niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na een week mag de activiteit in overeenstemming met de gemelde wijzigingen worden uitgevoerd. Die periode geeft het bevoegd gezag voldoende mogelijkheid om te controleren of de wijziging van de melding in overeenstemming is met de algemene regels van het Bal en van toepassing zijnde maatwerkregels uit het omgevingsplan. Een risicogestuurde handhaving is dan mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zich tijdens de sanering onvoorziene omstandigheden voordoen die leiden tot een wijziging van de in de melding verstrekte gegevens, moeten deze wijzigingen aan het bevoegd gezag worden gemeld. In die situatie is het niet altijd mogelijk om een week te wachten voordat de activiteit kan worden voortgezet en kan in overleg met het bevoegd gezag de activiteit eerder worden voortgezet. Bijvoorbeeld als tijdens de sanering uit de controlemonsters blijkt dat de verontreiniging omvangrijker is, waardoor de maximale hoeveelheid te ontgraven grond groter wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke wijziging van een melding doorgegeven moet worden, hangt af van de soort wijziging en de mate van afwijking. Niet alle details hoeven gemeld te worden, maar in het algemeen moet een afwijking van meer dan 10 procent van het volume, de diepte of de omvang (maaiveldcontour) van de ontgraving doorgegeven worden. Bij twijfel over de noodzaak om een bepaalde afwijking door te geven, is het raadzaam af te stemmen met het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval dienen alle wijzigingen bijgehouden te worden door de milieukundig begeleider en na de uitvoering verwerkt te worden in het evaluatieverslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5Standaardaanpakken Het Bal kent twee standaardaanpakken om de bodem geschikt te maken voor de (toekomstige) functie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardaanpak afdekken van de verontreiniging De saneringsaanpak afdekken is het aanbrengen van een afdeklaag die voorkomt dat mensen worden blootgesteld aan verontreiniging op of in de bodem bij het dagelijks gebruik van de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afdeklaag bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag; of Een laag grond of baggerspecie met een minimale dikte van 1,0 meter en met een kwaliteit in overeenstemming met de toepassingseis voor de locatie. Dit wordt ook wel aangeduid als leeflaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duurzaam aaneengesloten verhardingslaag Aan een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag wordt in ieder geval voldaan als de verhardingslaag bestaat uit beton, asfalt, asfaltbeton, stelconplaten of bestrating met klinkers of tegels. Hiermee wordt de verontreiniging zodanig geïsoleerd, dat er geen blootstelling aan de verontreinigingen mogelijk is. Bij verhardingsconstructies met stelconplaten of bestrating met klinkers of tegels moeten het aaneengesloten oppervlakten van deze materialen zijn om te kunnen spreken van een duurzame afdeklaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeflaag Bij het aanbrengen van een leeflaag wordt standaard een minimale dikte van 1,0 meter voorgeschreven. Een dikte van minder dan 1,0 meter kan, als daar steekhoudende argumenten voor zijn, in een maatwerkvoorschrift worden toegestaan. Zo kan bijvoorbeeld in laaggelegen polders, waar het grondwater reikt tot enkele decimeters onder het bestaande maaiveld, in een maatwerkvoorschrift een minimumdikte van 0,50 meter worden toegestaan. Het is vanuit milieuhygiënisch oogpunt natuurlijk altijd toegestaan om een dikkere laag dan de standaarddikte aan te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder paragraaf 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitseis voor de leeflaag en aanvulgrond in de contactzone is gelijkgetrokken met de toepassingseis voor de locatie, die volgt uit de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie (zie Tabel 4.1 en tevens Tabel 6.1 in hoofdstuk 6 van dit beleidskader).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de leeflaag, tussen de grond in de leeflaag en de onderliggende verontreinigde bodem, wordt als regel een signaallaag aangebracht, om te waarschuwen voor de verontreiniging die zich onder de leeflaag bevindt. Aan de aard van de signaallaag zijn geen specifieke eisen gesteld. Er moet echter wel naar gestreefd worden om deze signaallaag met natuurlijke materialen (zo min mogelijk plastics) aan te leggen, bijvoorbeeld met wit zand. Als de leeflaag visueel sterk afwijkt van de onderliggende bodem is een signaallaag overbodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in principe niet toegestaan om bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt na 1986) te kiezen voor de saneringsaanpak afdekken. Het uitgangspunt is immers om een nieuwe verontreiniging zoveel mogelijk te verwijderen. Met een maatwerkvoorschrift kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als de eigenaar van de locatie niet de veroorzaker is (bijvoorbeeld bij dumping van drugsafval).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een melding van de kwaliteit van de grond die wordt gebruikt als afdeklaag of aanvulgrond, vindt plaats bij de MBA toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herschikken bij saneren Onder herschikken wordt verstaan het verplaatsen van verontreinigde grond van het ene deel van de saneringslocatie naar een ander deel van diezelfde saneringslocatie. Er kan bijvoorbeeld op de ene plaats grond wordt weggegraven (bijvoorbeeld voor de aanleg van een leeflaag), terwijl op een andere plaats binnen de locatie juist weer ruimte is om onder de afdeklaag grond kwijt te kunnen. Herschikken is alleen toegestaan op dat deel van de locatie waar een afdeklaag wordt aangebracht, om te voorkomen dat bij toekomstig gebruik contactmogelijkheden ontstaan met de verontreinigde grond die is herschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herschikken mag niet leiden tot vermindering van de bodemkwaliteit. Het stand-still-beginsel24Het stand-still-beginsel houdt in dat de bodemkwaliteit als gevolg van menselijk handelen niet mag verslechteren. geldt bij saneren op stofniveau, behalve voor stoffen binnen de oudstedelijke ophooglaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond verontreinigd met mobiele stoffen25Een stof is mobiel als uit grondwateronderzoek blijkt dat de signaleringsparameters, zoals bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden overschreden. boven de interventiewaarde mag niet worden herschikt onder een afdeklaag. Tevens mag grond verontreinigd met PFAS niet worden herschikt onder een afdeklaag als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie):</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herschikken mag niet leiden tot verontreiniging van de leeflaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaardaanpak verwijderen van de verontreiniging Verwijderen van de verontreiniging van de bodem vindt plaats door het ontgraven van verontreinigde grond, al dan niet met het onttrekken van grondwater voor het verlagen van de grondwaterstand ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te realiseren bodemkwaliteit Ontgraving vindt plaats tot het concentratieniveau voor stoffen in de bodem, dat met de sanering moet worden gerealiseerd. Als bijvoorbeeld alleen zink boven het concentratieniveau zit, vindt alleen voor zink afgraving plaats tot het juiste kwaliteitsniveau. De te realiseren concentratieniveaus vloeien voort uit de terugsaneerwaarden. Deze komen overeen met de toepassingseisen voor grond die van elders wordt aangevoerd (zie Tabel 6.1 van dit beleidskader), maar staan ter volledigheid ook genoemd in Tabel 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteit die met de sanering wordt gerealiseerd, is dus per gebied verschillend en wordt bepaald door de zone waarin de locatie ligt en de bodemfunctieklasse die aan het gebied is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Combinaties van verwijderen en afdekken Het staat de initiatiefnemer vrij om te kiezen welke standaardaanpak hij toepast, behalve op locaties waar de saneringsaanpak verwijderen is voorgeschreven met het oog op verwijderen van mobiele bronnen in de vaste bodem. Een combinatie van beide saneringsaanpakken is ook mogelijk (op het ene terreindeel de verontreiniging verwijderen, op het andere deel afdekken met bijvoorbeeld een leeflaag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4.1 Terugsaneerwaarden binnen de gemeente Uithoorn Bodemfunctieklasse Landbouw/natuur Wonen Industrie Nadere aanduiding BKK-zone Landbouw, natuur, moestuinen/ volkstuinen Woningen met tuin School/kinderdagverblijf met buitenruimte Overige woonfuncties (o.a. winkels) Bebouwing (o.a. woning zonder tuin, bedrijfsgebouw) 1 Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur 2 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Wonen 3 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Industrie 4 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Industrie 1A* Industrie Openbare weg Nader te bepalen Niet gezoneerde gebieden Nader te bepalen (onderzoek en dubbele toets) Gebiedsspecifiek beleid, terugsaneerwaarden gelijk aan toepassingseisen, zie voor uitleg paragraaf 6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Saneringsaanpak bij vluchtige stoffen in de bodem bij bouwen bodemgevoelig gebouw Vluchtige stoffen zijn bijvoorbeeld vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen) en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, die zowel in de vaste bodem als in het grondwater kunnen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit het bodemonderzoek bij de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw blijkt dat sprake is van vluchtige stoffen &gt; Interventiewaarde, dan moet gekozen worden voor de saneringsaanpak verwijderen. De initiatiefnemer kan met een berekening (module ConCrit, ontwikkeld door het RIVM voor bepaling van de risico’s bij gevoelig gebruik van de bodem zoals wonen met tuin: RisicotoolboxBodem.nl) aantonen dat de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL-waarde, in μg per m3 lucht zoals opgenomen bijlage XIIIb van het Bkl) niet wordt overschreden. Als dit het geval is, dan kan de initiatiefnemer met een maatwerkvoorschrift toestemming vragen om van de saneringsaanpak verwijderen te mogen afzien. Wordt de TCL-waarde echter overschreden, dan is bronverwijdering verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien verwijdering (redelijkerwijs) niet (geheel) mogelijk is, bijvoorbeeld door fysieke beletsels in de bodem of wanneer de verontreiniging op grote diepte zit, kan het nodig zijn om maatregelen te nemen om risico’s te voorkomen, die het gevolg zijn van blootstelling aan uitdamping van vluchtige stoffen of verbindingen vanuit de vaste bodem en het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van maatregelen die kunnen worden getroffen om risico’s als gevolg van blootstelling te voorkomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbrengen van voldoende ventilatievoorzieningen in het gebouw; of Aanbrengen van een dampdichte laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze maatregelen worden vastgelegd in een maatwerkvoorschrift, dat bij het Kadaster wordt geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter controle worden binnenluchtmetingen uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek naar de binnenluchtkwaliteit worden getoetst aan de TCL-waarde, De resultaten van het binnenluchtonderzoek zijn onderdeel van het evaluatieverslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6Afwijken van de standaardaanpak Het is mogelijk om een verzoek in te dienen om af te wijken van de standaardsaneringsaanpak en de bijbehorende standaard terugsaneerwaarden. In ieder geval mag er geen sprake zijn van een ‘onaanvaardbaar gezondheidsrisico’. Dit wordt onderbouwd door een toetsing met de risicotoolboxbodem (RisicotoolboxBodem.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het toetsingskader van de gemeente Uithoorn bij afwijkingen van de standaardterugsaneerwaarden staat meer in paragraaf 8.3 ‘Waarde toelaatbare kwaliteit bodem’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een initiatiefnemer kan het bevoegd gezag verzoeken de afwijkende saneringsaanpak toe te staan. De juiste vorm voor dit verzoek is een maatwerkverzoek (voor bijvoorbeeld een afwijkende techniek of een andere leeflaagdikte dan de standaarddikte van 1,0 meter) of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (voor bijvoorbeeld een andere terugsaneerwaarde). Een dergelijk verzoek zal vaak samengaan met het voornemen een ‘bodemgevoelige locatie’ te realiseren (zie paragraaf 8.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan ook op eigen initiatief (ambtshalve) een maatwerkvoorschrift opleggen als daar een noodzaak voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een initiatiefnemer een verzoek doet voor een maatwerkvoorschrift, dan geldt hiervoor een beslistermijn van acht weken. Als het bevoegd gezag besluit om ambtshalve een maatwerkvoorschrift op te leggen, zal dit in principe binnen de termijn van vier weken gebeuren. Hiervan kan worden afgeweken als er bijvoorbeeld een maatwerkvoorschrift wordt opgelegd ter nadere invulling van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afwijken van een standaardsaneringsaanpak zal altijd leiden tot een vorm van registratie/nazorg/gebruiksbeperking. Als een tuin bijvoorbeeld niet of minder wordt gesaneerd omdat deze niet als moestuin wordt gebruikt, zal dit leiden tot een gebruiksbeperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In situ-saneringen Het is mogelijk een andere saneringstechniek te kiezen dan de standaard-aanpakken verwijderen van een verontreiniging door middel van ontgraving of het aanbrengen van een afdeklaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In-situ saneringen kunnen worden uitgevoerd na een positief besluit op een verzoek om een maatwerkvoorschrift bij een melding van een voorgenomen sanering onder paragraaf 4.121 van het Bal of als onderdeel van een grondwatersanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Lozen van grondwater bij saneren Het lozen van grondwater bij saneren kan aan de orde zijn bij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek voorafgaand aan saneren van de bodem;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Saneren van de bodem of het grondwater;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek voorafgaand aan saneren van de bodem Bij een onderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal in combinatie met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem (paragraaf 4.121 Bal) kan grondwater vrijkomen. Lozing van dit afvalwater is geregeld in artikel 5.7f Bal: op het vuilwaterriool, tenzij via een maatwerkvoorschrift een andere lozingsroute is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering Grondwater dat vrijkomt bij onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering mag op grond van het omgevingsplan onder voorwaarden op of in de bodem of op het schoonwaterriool worden geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater dat vrijkomt bij onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering mag op grond van de waterschapsverordening onder voorwaarden op het regionale oppervlaktewater worden geloosd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder onder het kopje ‘Lozen van grondwater bij saneren van de bodem of het grondwater’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lozen op rijkswater of de Noordzee is geregeld in de hoofdstukken 6 en 7 Bal. Het is verboden om grondwater dat vrijkomt bij onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering op rijkswater of de Noordzee te lozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lozen van grondwater bij saneren van de bodem of het grondwater Saneren van de bodem is geregeld in paragraaf 4.121 Bal. Grondwatersanering is van deze activiteit uitgezonderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij saneren van de bodem kan grondwater vrijkomen bij bemaling. Het Bal bevat de verplichting om de lozingsroute aan te geven in de melding voor het saneren van de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bal bevat regels over lozen bij saneren op rijkswateren (hoofdstuk 6) of de Noordzee (hoofdstuk 7). Verder is het lozen bij saneren van de bodem geregeld in het omgevingsplan of de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een grondwatersanering kan ook grondwater vrijkomen. Door de provincie Noord-Holland zijn geen regels gesteld over grondwatersanering of het lozen daarbij. Het lozen bij een grondwatersanering is geregeld in het omgevingsplan of de waterschapsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater dat vrijkomt bij het bemalen vanwege saneren van de bodem of een grondwatersanering (inclusief onderzoek voorafgaand aan grondwatersanering) mag op grond van het omgevingsplan op of in de bodem of het schoonwaterriool worden geloosd, mits aan bepaalde emissiewaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden zoals bedoeld in bijlage XIX van het Bkl, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen op een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan, gemeten in een steekmonster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt bij het lozen op een riool een zandvanger (bezinkinstallatie) gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater dat vrijkomt bij het bemalen vanwege de activiteit saneren van de bodem of een grondwatersanering (inclusief onderzoek voorafgaand aan grondwatersanering) mag op grond van de waterschapsverordening worden geloosd op een regionaal oppervlaktewater, mits aan bepaalde emissiewaarden wordt voldaan. De emissiewaarden verschillen voor een aangewezen of niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwater dat vrijkomt bij het bemalen vanwege de activiteit saneren van de bodem of een grondwatersanering (inclusief onderzoek voorafgaand aan grondwatersanering) mag op grond van paragraaf 6.2.7.5 en paragraaf 7.2.7.5 van het Bal worden geloosd op rijkswateren of de Noordzee, mits aan bepaalde emissiewaarden wordt voldaan. Dezelfde regels gelden voor lozen op rijkswateren of de Noordzee bij graven in de bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Als er afvalwater vrijkomt bij de milieubelastende activiteit saneren, bepaalt de lozingsroute wie bevoegd gezag is voor deze lozing. Er zijn 4 lozingsroutes. Tabel 4.2 laat zien wie bevoegd gezag is voor welke lozingsroute.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4.2Lozingsroutes na onttrekking van grondwater bij saneren Lozingsroute op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Soort activiteit Regels in Rijkswateren en Noordzee Waterbeheerder (Rijkswaterstaat) Wateractiviteit Besluit activiteiten leefomgeving (Hoofdstukken 6 en 7 Bal) Regionale wateren Waterbeheerder (Waterschap) Wateractiviteit Waterschapsverordening Riool Gemeente Milieubelastende activiteit Omgevingsplan Op of in de bodem (ook bij lozing &gt; 10 m diep) Gemeente Milieubelastende activiteit Omgevingsplan Als een bepaalde (andere) lozingsroute gewenst is, is het aan het bevoegd gezag om hier regels over op te stellen. Hierbij sluit het bevoegd gezag aan bij de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater. Ook stemt het bevoegd gezag van deze lozingsroute zo nodig af met andere bestuursorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatieplicht Voor het lozen bij saneren geldt in het omgevingsplan en de waterschapsverordening een informatieplicht. Ten minste vier weken van tevoren worden aan het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard en omvang van de lozing; en De verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders of aan het dagelijks bestuur van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meldingsplicht Voor het lozen op rijkswater geldt een meldingsplicht (in combinatie met een informatieplicht).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8Informeren achteraf (evaluatieverslag) Na afloop van het verwijderen van de verontreiniging beschrijft de milieukundig begeleider het eindresultaat van de sanering en controleert hij of het resultaat van de sanering overeenkomt met de gestelde saneringsdoelstelling. Hieronder vallen onder andere de controlebemonstering van putbodems en putwanden (bij saneringsaanpak verwijderen) en het vaststellen of de leeflaag voldoende dik is (bij saneringsaanpak afdekken). Wanneer bijvoorbeeld blijkt dat de kwaliteit van de putbodem of putwanden voor de te saneren parameters niet overeenkomen met het te bereiken niveau, wordt aanvullend gesaneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten hoogste vier weken na het beëindigen van de milieubelastende activiteit saneren wordt aan het bevoegd gezag een evaluatieverslag verstrekt volgens BRL 6000, dat in ieder geval de volgende gegevens bevat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het saneren van de bodem; en De resultaten van de milieukundige begeleiding, bestaande uit het onderdeel verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanwezigheid van verontreinigingen met vluchtige stoffen in de bodem wordt ook een onderzoek overlegd dat aantoont dat de kwaliteit van de binnenlucht in een bodemgevoelig gebouw met de genomen maatregelen tegen uitdampen voldoet aan de Toxicologische Toelaatbare Concentratie in Lucht (TCL) in microgram per kubieke meter lucht zoals opgenomen in bijlage XIIIb van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit onderzoek voldoet aan RIVM- rapport 711701048/2007, Richtlijn voor luchtmetingen voor de risicobeoordeling van bodemverontreiniging [Lit. 20].</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van gebruiksbeperkingen of nazorg worden ook gegevens en bescheiden verstrekt over:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de gezondheid; en Een voorstel voor de nazorgmaatregelen als bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.2 van het Bkl, zoals het in stand houden en onderhouden van een afdeklaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag hoeft niet op het evaluatieverslag te reageren. Mocht echter uit het evaluatieverslag blijken dat niet (geheel) volgens het Bal en/of maatwerkregels/voorschriften gesaneerd is, dan kan het bevoegd gezag handhavend optreden op grond van de inhoudelijke artikelen uit het Bal of op grond van het omgevingsplan en/of de maatwerkvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het evaluatieverslag is met name van belang als de sanering plaatsvindt in samenhang met bouwen en er enige tijd zit tussen de afronding van de sanering en de start van het bouwen (bijvoorbeeld bij bedrijfsbeëindiging en doorverkoop).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goedkeuring op een evaluatieverslag zoals onder de Wet bodembescherming gebruikelijk was, past echter niet in de systematiek van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Uithoorn heeft ervoor gekozen om de melder te informeren dat, afgaande op de gegevens van het evaluatieverslag, aan de saneringsplicht is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9Lokale invulling bij MBA saneren van de bodem De gemeente Uithoorn heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om maatwerkregels op de rijksregels uit het Bal op te stellen voor enkele onderwerpen. Ook is al bestaand beleid omgezet naar beleid en beleidsregels onder de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lokale invulling voor de MBA Saneren wordt weergegeven in onderstaand kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hieronder genoemde regels worden in het omgevingsplan opgenomen via een voorbereidingsbesluit dat gelijk in werking treedt met de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkregels in omgevingsplan op rijksregels uit het Bal Artikel waarop de maatwerkregel betrekking heeft Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is de saneringsaanpak verwijderen verplicht bij verontreiniging met vluchtige stoffen boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem ter plaatse van het gebouw, behalve als dit redelijkerwijs niet kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1240 in samenhang met 4.1242 Bal Het is niet toegestaan grond verontreinigd met mobiele stoffen boven de interventiewaarde en/of een drijflaag te herschikken onder de afdeklaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1241 lid 5 Bal Het is niet toegestaan om grond verontreinigd met PFAS te herschikken onder een afdeklaag als een of meer van de volgende waarden worden overschreden (zonder bodemtypecorrectie):</p>\n<p class=\"lf-p\">59 µg/kg bij PFOS of overige PFAS; of 60 µg/kg bij PFOA of een mengsel van PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1241 lid 5 Bal De kwaliteitseis voor de leeflaag en aanvulgrond in de contactzone hangt af van de toepassingseis voor de locatie, die volgt uit de regels voor de MBA Toepassen van grond en baggerspecie (dubbele toets op kwaliteit ontvangende bodem en de functie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gebiedsspecifieke beleid in het tijdelijk deel van het omgevingsplan op de locatie van toepassing is, geldt de gebiedsspecifieke waarde als terugsaneerwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1242 lid 2 Bal Beleidsregels Artikel waarop de beleidsregel betrekking heeft Herschikken mag niet leiden tot vermindering van de bodemkwaliteit. Het stand-still beginsel geldt bij saneren op stofniveau, behalve voor stoffen binnen de oudstedelijke ophooglaag. Stand-still betekent ook dat geen sterke verontreiniging op een niet-sterk verontreinigde onderlaag mag worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1241 lid 5 Bal 4.10Nazorg na saneren van de bodem Ook onder de Omgevingswet is het belangrijk dat leeflagen of verhardingslagen die als saneringsmaatregel zijn aangebracht in stand worden gehouden en dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door een bedoelde of onbedoelde handeling, kan het resultaat van een bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling aan de verontreinigde bodem kan ontstaan. Nazorgmaatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of als deze een te geringe dikte heeft gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het omgevingsplan is bepaald, dat de eigenaar of erfpachter verplicht is om de volgende maatregelen in stand te houden, te onderhouden of te vervangen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afdeklaag die is aangebracht op grond van artikel 4.1241 van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift;</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregelen die de bron niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren, in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorgverplichtingen en gebruiksbeperkingen die reeds golden voor ingang van de Omgevingswet (op basis van het voormalige Besluit uniforme saneringen (BUS) en de Wet bodembescherming) vallen onder het overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen na saneren op grond van het Bal worden met een maatwerkvoorschrift vastgelegd. Dit kunnen bijvoorbeeld maatregelen tegen uitdamping zijn, de uitvoering van een grondwatermonitoring, het plaatsen van een damwand of het aanbrengen van een afdeklaag. Het maatwerkvoorschrift is een beperkingenbesluit dat wordt geregistreerd op grond van de Wkpb in de basisregistratie kadaster (BRK).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de omgevingsvergunning voor bouwen worden geen nazorgmaatregelen of gebruiksbeperkingen opgenomen. Het maatwerkvoorschrift na afloop van de sanering (nadat het evaluatieverslag van de MBA Saneren is ingediend) voorziet in de maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen worden met een zorgcontour geregistreerd in het bodeminformatiesysteem (BIS Nazca).</p>\n<p class=\"lf-p\">5Milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie Wettelijk kader:</p>\n<p class=\"lf-p\">De milieubelastende activiteit (bedrijfstakoverstijgend) ‘Opslaan van grond of baggerspecie’ is te vinden onder paragraaf 3.2.24 (artikelen 3.48j, k en l); de inhoudelijke regels van ‘Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en scheiden van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie’ zijn te vinden onder paragraaf 4.122 (artikelen 4.1247 tot en met 4.1256) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1Opslaan van grond of baggerspecie Dit hoofdstuk behandelt het opslaan van grond en baggerspecie op een andere locatie dan op de locatie waar deze grond en baggerspecie ontgraven is. Opslag van grond en baggerspecie komt in Nederland regelmatig voor. Binnen iedere gemeente bevinden zich meerdere opslaglocaties zoals grondbanken, loonwerkbedrijven, hoveniers, gemeentelijke milieustraten en baggerdepots. Het ‘opslaan’ is per definitie tijdelijk: opslaan op landbodem maximaal drie jaar en opslaan in een oppervlaktewaterlichaam maximaal tien jaar. Deze opslag is in afwachting van een ander doel, zoals vervoeren, toepassen of verwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de MBA opslaan van grond of baggerspecie wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in voorraad hebben van grond of baggerspecie om later te vervoeren, toe te passen of te verwerken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laden, lossen en het overladen van het ene naar het andere transportmiddel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zeven of samenvoegen van grond bij het opslaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van baggerspecie bij het opslaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opslaan van baggerspecie vindt rijping plaats en zakken de vaste delen uit, waardoor boven de baggerspecie water komt te staan. Dit wordt ook wel passief ontwateren genoemd en is onderdeel van het opslaan, en valt dus ook onder de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat valt niet onder de MBA opslaan van grond of baggerspecie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opslaan van grond op de graaflocatie (maximaal 8 weken), dit valt onder de MBA Graven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opslaan van bagger op de baggerlocatie (weilanddepot), dit valt onder de MBA Toepassen van grond of baggerspecie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het op of in de bodem brengen van grond of baggerspecie om het daar te laten. Dit is geen opslag maar valt onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Storten op een stortplaats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of in de bodem brengen buiten een stortplaats;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen van grond of baggerspecie in andere gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor baggerspecie betekent dit dat alleen het opslaan in doorgangsdepots onder de MBA opslaan valt. In andere gevallen is sprake van toepassen (via weilanddepot) of storten.</p>\n<p class=\"lf-p\">MBA’s grondbank en grondreinigingsbedrijf Als er sprake is van meerdere partijen ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie, dan is tevens sprake van de MBA grondbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van het bewerken van grond of baggerspecie, anders dan zeven, samenvoegen en mechanisch ontwateren, dan is tevens sprake van de MBA grondreinigingsbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De MBA’s grondbank en grondreinigingsbedrijf zijn aangewezen in paragraaf 3.5.8 van het Bal. In sommige gevallen kunnen dit complexe bedrijven zijn als bedoeld in paragraaf 3.3 Bal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén set regels voor het opslaan van grond of baggerspecie De regels voor tijdelijke opslag waren opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit, de regels voor opslag binnen inrichtingen werden geregeld in het Activiteitenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor in de plaats komt één set regels die geldt voor alle activiteiten die onder deze MBA opslaan van grond of baggerspecie vallen: opslaan bij werken (langer dan 8 weken), bij grondbanken, bij gemeentewerven en onderhoudssteunpunten van provincie of Rijkswaterstaat, maar ook bij bedrijven in de grond-, weg- en waterbouw en bij opslag- en transportbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de MBA opslaan van grond of baggerspecie gelden de volgende algemene regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslaan van grond of baggerspecie, die zonder bewerking herbruikbaar is: paragraaf 4.122 Bal (zie paragraaf 5.2); en Ontvangen van afvalstoffen paragraaf 4.50 Bal (tenzij de activiteit vergunningplichtig is).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van grond of baggerspecie die zonder bewerking herbruikbaar is Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan, zeven en samenvoegen van niet-verontreinigde grond of grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie en het opslaan zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van niet, licht en matig verontreinigde baggerspecie. Deze grond of baggerspecie is herbruikbaar zonder dat deze verder bewerkt hoeft te worden. Het storten van deze grond en baggerspecie is verboden. Het opslaan van deze grond of baggerspecie, dat vooraf gaat aan een nuttige toepassing (ook indien er sprake is van een afvalstof) is daarom in het Bal gereguleerd met algemene regels (paragraaf 4.122 Bal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een overzicht van de regels het schema Tabel 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 5.1 Regels voor opslaan van grond en baggerspecie Grond en baggerspecie zonder bewerking herbruikbaar Grond (matig) en baggerspecie sterk verontreinigd Kwaliteitsklasse grond Landbouw/natuur Wonen Industrie Matig verontreinigd Sterk verontreinigd Kwaliteitsklasse baggerspecie Algemeen toepasbaar Licht verontreinigd Matig verontreinigd Sterk verontreinigd Herbruikbaar zonder bewerking Ja Nee Vergunningplicht bij opslaan Nee, wel melding (tenzij uitzondering voor natuurlijk persoon) Ja Algemene regels</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.122 Bal</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.50 Bal (tenzij activiteit vergunningplichtig)</h3>\n<p class=\"lf-p\">Nee, voorschriften stellen in vergunning Meldplicht Ten minste vier weken vóór de start van de (niet vergunningplichtige) activiteit wordt een melding aan het bevoegd gezag gedaan onder overlegging van gegevens:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitsklasse grond/baggerspecie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Of partijen worden samengevoegd en zo ja, tot een partij van &gt; 25 m3 of niet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitsklassen van de samen te voegen partijen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als afvalwater wordt geloosd: lozingsroutes en debiet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een wijziging, dus wanneer de activiteit op een andere manier wordt verricht dan in overeenstemming met de gegevens die bij de melding zijn gevoegd, moet er opnieuw een melding worden gedaan. De termijn van vier weken gaat dan opnieuw lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij eenmalige opslag van één partij grond of baggerspecie geldt een termijn van 1 week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt geen meldplicht als het opslaan vergunningplichtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Administratie van partijen grond of baggerspecie (art. 4.1249 Bal) Er wordt een administratie bijgehouden van de opgeslagen partijen. Per partij wordt geregistreerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">De herkomst;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitsklasse, zoals bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitsverklaringen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaats van opslag;</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoeveelheid; en De aanvangsdatum van de opslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindonderzoek (art. 4.1250 Bal) Na het opslaan is een eindonderzoek bodem verplicht als het gaat om het opslaan van Grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie; of Baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer kan ervoor kiezen om bij het eenmalig opslaan van één partij grond of baggerspecie van tevoren de bodemkwaliteit te onderzoeken. Als de grond ter plaatse van de opslag ook toegepast zou mogen worden (dus schoon of schoner is dan de onderliggende bodem) dan is een verontreiniging niet aannemelijk en kan het eindsituatieonderzoek achterwege blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen bij lozing op oppervlaktewaterlichaam (art. 4.1251 tot en met 4.1253 Bal) Het afvalwater dat vrijkomt bij het opslaan van licht of matig verontreinigde baggerspecie wordt verplicht geloosd op het oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er gelden bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam emissiegrenswaarden voor onopgeloste stoffen (100 mg/l) en voor chemisch zuurstofgebruik (200 mg/l). Daarnaast zijn er bepaalde meetmethoden voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Termijn van opslaan Om afvalstoffen doelmatig te kunnen beheren, wordt een partij grond of baggerspecie niet langer dan drie jaar opgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als grond of baggerspecie langer dan drie jaar wordt opgeslagen, zouden volgens Europees recht de eisen voor het storten van afvalstoffen gaan gelden. Omdat het storten van deze kwaliteit grond of baggerspecie verboden is, is gekozen voor een verbod op het langer opslaan. Dit betekent dat een partij grond of baggerspecie binnen drie jaar een nuttige toepassing moet krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bijzondere situatie kan zich voordoen als de grond of baggerspecie in opslag ligt voor toepassing in een concreet werk, maar de uitvoering van dit werk door overmacht vertraagd wordt. Zolang de nuttige toepassing van de grond of baggerspecie in een specifiek werk geborgd blijft, is het mogelijk om met maatwerk toe te staan dat de grond langer opgeslagen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3Opslaan van matig en sterk verontreinigde grond en sterk verontreinigde baggerspecie Voor het opslaan van matig en sterk verontreinigde grond en sterk verontreinigde baggerspecie, en voor samenhangende bewerkingen hiervan, geldt een vergunningplicht. Ook het opslaan van grond of baggerspecie met onbekende kwaliteit valt onder de vergunningplicht. De vergunningplicht geldt voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag grond van kwaliteitsklasse matig of sterk verontreinigd (gehalte &gt; maximale waarde industrie);</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag baggerspecie van kwaliteitsklasse sterk verontreinigd (gehalte &gt; interventiewaarde);</p>\n<p class=\"lf-p\">Opslag grond of baggerspecie zonder milieuverklaring bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4Bodembeschermende voorzieningen bij opslaan baggerspecie Om verontreiniging van de bodem met bodembedreigende stoffen te voorkomen, wordt baggerspecie van de kwaliteitsklasse licht verontreinigd of matig verontreinigd opgeslagen in een met folie beklede grondput volledig omringd door een dijklichaam. Deze bodembeschermende voorziening is nodig, omdat tijdens de rijping van de baggerspecie allerlei componenten naar de ondergrond kunnen uitlogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodembeschermende voorziening kan achterwege blijven als de baggerspecie op de plaats van opslag ook toegepast zou mogen worden (of zou mogen worden verspreid in geval van weilanddepots), want dan is er sprake van een functionele toepassing van baggerspecie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5Samenvoegen van partijen Samenvoegen van partijen grond of baggerspecie kan effect hebben op de milieuhygiënische kwaliteit van de grond of baggerspecie. Daarom zijn er regels aan samenvoegen gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschillende partijen grond of baggerspecie mogen zonder erkenning bodemkwaliteit worden samengevoegd tot een partij van maximaal 25 m3. Deze hoeveelheid is gebaseerd op de omvang van een grote container of vrachtwagen. Door een volumegrens te stellen kunnen bijvoorbeeld gemeentewerven kleine hoeveelheden grond van particulieren zonder erkenning innemen, waarna deze kleine hoeveelheid vervolgens kan worden aangeboden aan een organisatie die deze kleine partijen mag samenvoegen tot grotere partijen. Voor het samenvoegen van partijen grond of baggerspecie van of tot meer dan 25 m3 heeft deze organisatie een erkenning bodemkwaliteit conform BRL 9335 of BRL 7500 nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het samenvoegen van zogenaamd ‘primair materiaal’ gelden minder strenge regels: samenvoegen is toegestaan als het gaat om grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur of baggerspecie van de kwaliteitsklasse algemeen toepasbaar als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit (gewijzigd) en de partijen grond of de partijen baggerspecie zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring, overeenkomstig BRL 9313 of BRL 9321. Het gaat hierbij om zand uit dynamische wingebieden (primaire winning uit zee) en industriezand en (gebroken) industriegrind (industriële winning). Een uitzondering op de erkenningsplicht is gerechtvaardigd, omdat er aan het samenvoegen van partijen schoon primair gewonnen materiaal milieuhygiënisch weinig risico’s zitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen maatwerkregels mogelijk op de erkenningsplicht voor het samenvoegen van partijen. De erkenningsplicht heeft namelijk zijn grondslag in hoofdstuk 11a Wet milieubeheer en dat hoofdstuk kent geen grondslag voor maatwerkregels. Er zijn evenmin maatwerkregels mogelijk op de voorwaarden dat de partijen van vergelijkbare kwaliteitsklasse moeten zijn. Als je met maatwerk zou toestaan dat partijen van verschillende kwaliteitsklasse gezamenlijk opgeslagen mogen worden, dan handel je in strijd met inhoudelijke bepalingen van de BRL 9335 en onderliggend protocol 9335-1 en dat is op grond van art 18 Besluit bodemkwaliteit niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6Opslaan van grond als voorbelasting (overhoogte) Bij grote infrastructurele werken en het bouwrijp maken van terreinen wordt vaak een extra laag grond (overhoogte) opgebracht om de zetting te versnellen (als voorbelasting). Indien nodig wordt deze laag na de zetting- en klinkperiode verwijderd, maar meestal blijft een deel van de grond definitief liggen. De grond die vrijkomt uit de overhoogte kan, gezien de tijdelijke functionele toepassing (of tijdelijke opslag), opnieuw worden toegepast aan de hand van de originele milieuverklaring bodemkwaliteit. Maar hiervoor gelden de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omwille van een goed toezicht op grondstromen mag de partij alleen eenmalig worden verplaatst van de tijdelijke naar de definitieve locatie; dus niet van tijdelijke opslag naar een volgende tijdelijke opslag. Als de grond meer dan 1 keer naar een andere locatie wordt verplaatst vervalt de originele milieuverklaring bodemkwaliteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale duur van de tijdelijke opslag/tijdelijke functionele toepassing voorafgaand aan de verplaatsing is 3 jaar en alleen op landbodem;</p>\n<p class=\"lf-p\">De originele leverbonnen en milieuverklaringen bodemkwaliteit zijn aanwezig;</p>\n<p class=\"lf-p\">De partij is ‘terugneembaar’ opgeslagen (geen vermenging met onderliggende bodem);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van de kwaliteitsklasse is toegestaan op de locatie waar deze partij is opgeslagen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen van verschillende kwaliteitsklassen zijn gescheiden opgeslagen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitsklasse van de partij is niet beïnvloed door de omgeving: tijdens de opslag zijn fysieke maatregelen genomen om bijmenging (van andere partijen grond of afvalstoffen) door derden te voorkomen, bijvoorbeeld met een hekwerk of sloot;</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijke opslag/tijdelijke functionele toepassing wordt gemeld volgens het Bal (MBA Opslaan);</p>\n<p class=\"lf-p\">De (gedeeltelijke) definitieve toepassing wordt als afzonderlijke melding ingediend volgens het Bal (MBA Toepassen);</p>\n<p class=\"lf-p\">De levering van de eerste tijdelijke functionele toepassing/opslaglocatie naar de definitieve toepassingslocatie wordt met begeleidingsbonnen uitgevoerd. Op de bonnen staan de oorspronkelijke partijgegevens (herkomst, omvang, kwaliteitsklasse en de oorspronkelijke milieuverklaring bodemkwaliteit), de opslaglocatie en de bestemmingslocatie met naam en toenaam beschreven;</p>\n<p class=\"lf-p\">De registratie van deze werkwijze blijft 5 jaar beschikbaar voor controle door het bevoegd gezag;</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer/eigenaar van de grond is verantwoordelijk voor de onderbouwing dat aan alle voorwaarden is voldaan (bij indiening, tijdens en achteraf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan wordt een partijkeuring uitgevoerd voordat deze grond elders kan worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie Wettelijk kader:</p>\n<p class=\"lf-p\">De milieubelastende activiteit ‘Toepassen van grond en baggerspecie’ (bedrijfstakoverstijgend) is te vinden onder paragraaf 3.2.26 (artikelen 3.48o, p en q); de algemene regels onder paragraaf 4.124 (artikelen 4.1265 tot en met 4.1280) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).</p>\n<p class=\"lf-p\">De instructieregels over het aanwijzen van een bodembeheergebied en het indelen van de landbodem in bodemfunctieklassen staan omschreven in paragraaf 5.1.4.5.3 (artikelen 5.89o en 5.89p) van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van grond of baggerspecie wordt gezien als een milieubelastende activiteit. De basisregels van het Rijk gaan uit van een functionele toepassing en een functionele hoeveelheid. Zonder functionele toepassing en hoeveelheid is sprake van een afvalstof en gelden andere regels. De grond/baggerspecie hoeft niet terugneembaar te worden toegepast, maar gaat deel uitmaken van de bodem waarop deze wordt toegepast. Bij een grootschalige toepassing (zie paragraaf 6.9) ligt dit anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder deze activiteit vallen niet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van grond of baggerspecie als die is verwerkt in een product dat als meststof op grond van hoofdstuk III van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet mag worden verhandeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie (MBA Graven);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder dezelfde omstandigheden en zonder te zijn bewerkt terugbrengen van baggerspecie op of in de bodem na het tijdelijk uitnemen daarvan (MBA Graven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemvreemd materiaal Ook het door de Regio Amstelland en Meerlanden (waartoe de gemeente Uithoorn behoort) verlaagd percentage aan bodemvreemd materiaal dat in grond aanwezig mag zijn is onderdeel van het gebiedsspecifieke toetsingskader en is automatisch opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het toepassen van grond/baggerspecie wordt een beperking gesteld aan de hoeveelheid bodemvreemd materiaal. Toe te passen grond/baggerspecie mag niet meer dan 5 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal bevatten voor zover het steenachtig materiaal of hout26Het betreft hier hout in een vorm die niet van nature voorkomt in de bodem. betreft (bakstenen, puin enzovoort). Overige bodemvreemde materialen (dus anders dan steenachtig materiaal of hout), zoals bijvoorbeeld plastic en piepschuim, mag alleen sporadisch voorkomen als dat al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was en voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevraagd dat deze materialen uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1Generiek kader in Bal met mogelijkheid voor maatwerk In het Bal is het generieke kader het uitgangspunt, met mogelijkheid om af te wijken via maatwerkregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De generieke toepassingseisen voor een ‘standaardtoepassing’ staan in artikel 4.1272 Bal. Deze eisen bevatten een zogenaamde dubbele toets (zie paragraaf 6.3), waarbij de kwaliteit van de ontvangende bodem en de functieklasse waarin de locatie is ingedeeld bepalend zijn. Ten behoeve van de dubbele toets is een bodemfunctiekaart verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn generieke toepassingseisen opgenomen voor grootschalig toepassen, toepassen in een diepe plas en verspreiden van baggerspecie. Hierbij gelden dezelfde randvoorwaarden bij het versoepelen van de toepassingseisen als bij een standaardtoepassing. Ook zijn kwaliteitseisen voor tarragrond opgenomen in het Bal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsspecifiek beleid als maatwerkregel Het gebiedsspecifieke toetsingskader dat al onderdeel is van de Nota bodembeheer Regio Amstelland en Meerlanden 2019 is automatisch onderdeel van het “tijdelijk deel omgevingsplan”. Dit toetsingskader wordt uiteindelijk als maatwerkregel opgenomen in het omgevingsplan. In de overgangsfase tot 2032 wordt dit kader dus nog steeds gebruikt bij het afleiden van toepassingseisen. In feite fungeert het gebiedsspecifieke beleid op grond van artikel 44 Bbk (oud) als maatwerkregel Bal op artikel 4.1272 Bal, al heeft het nog niet de juiste juridische vorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4.1273 Bal zijn de randvoorwaarden genoemd bij het versoepelen van de generieke toepassingseisen. Een voorwaarde bij een versoepeling van de kwaliteitseisen in het Bal is - net als onder het Bbk - het aanwijzen van een bodembeheergebied (zie paragraaf 6.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2De bodemfunctiekaart De gemeente Uithoorn heeft volgens een verplichting onder het oude Besluit bodemkwaliteit (art 55 Bbk, oud) reeds een bodemfunctiekaart vastgesteld. Via overgangsrecht komt deze kaart in het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan terecht. Bij de indeling in bodemfunctieklassen (landbouw/natuur, wonen en industrie) wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toebedeeld (art. 5.89p Bkl).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemfunctiekaart is relevant bij het toepassen van grond als sprake is van het generieke kader van art. 4.1272 Bal. De indeling van de landbodem in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie is niet op het niveau van percelen gebeurd (enkele uitzonderingen daargelaten), maar op het niveau van een groter gebied of deelzone. Voor die toedeling in klassen is meestal het huidige dominante bodemgebruik in een gebied als maatgevend genomen. In een aantal gebieden wordt echter zowel gewoond als gewerkt, zonder dat een van die functies sterk overheerst. In zulke gevallen is de meest gevoelige bodemfunctieklasse bepalend, in dit geval wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De landbouw- en natuurgebieden (inclusief moes- en volkstuinen) zijn vanwege hun gevoeligheid voor bodemverontreiniging ingedeeld in de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. Parken, recreatiegebieden en sportparken vallen onder de bodemfunctieklasse wonen, behalve als ze ecologisch waardevol zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote infrastructuur27Onder “infrastructuur” wordt in dit verband de openbare weg bedoeld, volgens de Wegenverkeerswet (art. 1 lid b): alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten., zoals rijkswegen, provinciale- en hoofdverkeerswegen, spoorwegen en rangeerterreinen zijn, inclusief hun bermen, ingedeeld onder de bodemfunctieklasse industrie. Minder forse infrastructuur (gemeentelijke wegen, inclusief bermen, stoepen, fietspaden) is vanwege het beperkte detailniveau van de kaart niet apart ingetekend, maar valt eveneens onder de bodemfunctieklasse industrie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemfunctiekaart is te vinden in Bijlage 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3De dubbele toets Het principe van de ‘dubbele toets’ blijft bestaan onder de Omgevingswet (artikel 4.1272 Bal). De kwaliteitseisen die aan toe te passen grond worden gesteld, hebben betrekking op twee uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van grond of baggerspecie mag niet leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de bodemkwaliteitskaartzone en;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van grond of baggerspecie is in overeenstemming met de kwaliteitseisen die gelden voor de bodemfunctieklasse waarin de locatie is ingedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer geen maatwerkregels voor toepassingseisen gelden, voldoet de kwaliteit van de grond of baggerspecie die wordt toegepast aan de strengste van beide eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemfunctieklassen hebben alleen betrekking op de landbodem. Voor de waterbodem zijn geen bodemfunctieklassen vastgesteld en wordt alleen met kwaliteitsklassen gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4Aanwijzen bodembeheergebied Als via maatwerk de generieke kwaliteitseisen in het Bal zijn versoepeld, dan is als voorwaarde gesteld dat het toe te passen materiaal afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied (herkomstgebied) en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente zorgt er voor dat op de schaal van het bodembeheergebied een goed resultaat wordt behaald uit een oogpunt van het zuinig gebruik van grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen (principe van ‘standstill’ op gebiedsniveau).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uithoorn heeft het eigen beheergebied uitgebreid met de buurgemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel. Deze gemeenten hebben hetzelfde gedaan. De genoemde gemeenten accepteren elkaars bodemkwaliteitskaart als milieuverklaring bodemkwaliteit bij grondverzet. Via het overgangsrecht blijft dit beheergebied ook onder de Omgevingswet in stand. Uiteindelijk (2032) wordt in het omgevingsplan de geometrische begrenzing van het aangewezen bodembeheergebied (herkomstgebied) vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bodembeheergebied betreft zowel de land- als de waterbodem: baggerspecie (afkomstig van de waterbodem) mag volgens de regels die gelden binnen het beheergebied worden verspreid of toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5Toepassingseisen en kwaliteitseisen in Uithoorn In zone 1 geldt de generieke kwaliteitseis Landbouw/natuur voor toepassen van grond en (gerijpte) baggerspecie. In de overige zones is sprake van gebiedsspecifiek beleid op het niveau van de kwaliteitsklasse (dus niet per stof), met daarnaast aanscherping van de eisen voor lood voor bepaalde gevoelige functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indeling van de bodemkwaliteitskaart (BKK) wordt gebruikt om de toepassingseisen per BKK-zone weer te geven. Het grondgebied van de gemeente Uithoorn beslaat een deel van de regionale bodemkwaliteitskaart Regio Amstelland en Meerlanden en bevat de zones 1, 2, 3, 4 en 1A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toetsingskader staat weergegeven in Tabel 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele belangrijke conclusies uit Tabel 6.1 zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">In zone 1 en op de bodemfuncties natuur, landbouw en moestuinen/volkstuinen (ongeacht de zone) mag alleen grond worden toegepast van de klasse landbouw/natuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op locaties die zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen, waarbij sprake is van een woning met tuin of een kinderspeelplaats, mag toe te passen grond in de tuin of op het onverharde deel van de kinderspeelplaats maximaal 100 mg/kg (zonder bodemtypecorrectie) aan lood bevatten (voor de overige parameters geldt klasse wonen);28Deze loodnorm komt voort uit de Toetsingsregel Landbouw/natuur (Regeling bodemkwaliteit 2021 (art. 7.8, 5e lid)). Volgens die regel behoudt grond de formele kwaliteitsklasse Landbouw/natuur als hoogstens 2 stoffen verhoogde gehalten laten zien (bij meting van 7-15 stoffen). De verhoging mag in dat geval maximaal 2x de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur (voor lood is dat 50 mg/kg) voor die stof bedragen. Het maximum voor lood is in dit geval dus 2 x 50 = 100 mg/kg grond. Zie ook Bijlage 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op locaties die zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen in de BKK-zones 2 tot en met 4, waarbij sprake is van andere woonfuncties dan bovenstaand, mag grond worden toegepast van maximaal klasse wonen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties die zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse industrie in de BKK-zones 3 en 4 mogen grond ontvangen van de kwaliteitsklasse industrie. Hieronder valt ook ‘bebouwing’. Wanneer sprake is van een woonfunctie zonder tuin mag hier ook grond van klasse industrie worden toegepast indien deze grond afkomstig is uit het eigen beheergebied, ook al staat deze functie op de bodemfunctiekaart aangeduid als ‘wonen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebiedsspecifieke toepassingseis in zone 1A geldt alleen voor gebiedseigen grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.1 Toepassingseisen en kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag (kwaliteitsklassen) voor grond en bagger binnen de gemeente Uithoorn Bodemfunctieklasse Landbouw/natuur Wonen Industrie Nadere aanduiding BKK-zone Landbouw, natuur, moestuinen/ volkstuinen Wonen met tuin Kinderspeelplaatsen Groen met natuurwaarden Overige woonfuncties Ander groen, bebouwing (o.a. wonen zonder tuin29 Wanneer sprake is van een woonfunctie zonder tuin (vallend onder bebouwing) in de BKK-zones 3 en 4 mag hier ook grond van klasse industrie worden toegepast indien deze grond afkomstig is uit het eigen beheergebied, ook al staat deze functie op de bodemfunctiekaart aangeduid als ‘wonen.’), infrastructuur en industrie 1 Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur 2 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Wonen 3 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Industrie 4 Landbouw/natuur Wonen (lood max 100 mg/kg) Wonen Industrie 1A* Industrie Openbare weg Nader te bepalen Gebiedsspecifiek beleid, zie onderaan deze paragraaf In aanvulling op de in Tabel 6.1 genoemde toepassingseisen gelden er in Uithoorn specifieke toepassingseisen voor asbest en PFAS-houdende grond als invulling van de zorgplicht (zie voor PFAS paragraaf 6.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitseisen asbesthoudende grond Asbest wordt normaliter in grond en bouwstoffen toegestaan tot 100 mg/kg droge stof30De interventiewaarde bedraagt 100 mg asbest per kg droge stof. Dit is een gewogen norm waarbij het gehalte serpentijnasbest (ook chrysotiel of witte asbest) en tienmaal het gehalte amfiboolasbest (overige asbestsoorten) worden opgeteld. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen hechtgebonden asbest en niet-hechtgebonden asbest.. Maar op plekken waar kwetsbare groepen veelvuldig contact met grond hebben, zoals op kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen, mag asbest analytisch niet aantoonbaar in de grond voorkomen. Er mag ook geen asbest zichtbaar zijn, want het kan voorkomen dat er volgens een analyserapport 0 mg/kg asbest is aangetoond, maar dat er toch een fragment plaatmateriaal in de grond aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepassen van asbesthoudende grond met meer dan 100 mg/kg droge stof is nergens toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels gelden binnen de gehele gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen (gerijpte) baggerspecie op landbodem Gerijpte baggerspecie wordt beschouwd als grond, waarvoor de regels van het Bal gelden. Voor hergebruik van gerijpte baggerspecie geldt dan ook hetzelfde beleid als voor de toepassing van grond. Bij het bepalen van de kwaliteit wordt extra aandacht besteed aan het vooronderzoek en daarbij ook aan aspecten zoals overstorten en asbestbeschoeiingen op de plaats van herkomst. Dit om te voorkomen dat verschillende kwaliteiten gerijpte baggerspecie worden gemengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Uithoorn streeft ernaar om de eigen baggerspecie zo veel mogelijk binnen de gemeente toe te passen, bij voorkeur in het gebied waar de ontgraving heeft plaatsgevonden. Dit om extra milieubelasting door transport te voorkomen. Maar het is denkbaar dat vrijgekomen baggerspecie niet direct weer kan worden toegepast. Als directe toepassing niet mogelijk is, dan gaat de eerste voorkeur uit naar tijdelijke opslag op een depot binnen het werk, de tweede voorkeur is opslag op een doorgangsdepot binnen het gebied en de laatste voorkeur is opslag elders. Niet toepasbare baggerspecie wordt, met de vereiste transportdocumenten, naar een erkende afvalverwerker afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen van grond in ecologisch waardevolle gebieden Het veengebied in de regio is gevoelig voor bodemdaling door veenoxidatie (als gevolg van onderbemaling). Dit heeft een hoge CO2-uitstoot tot gevolg en doet de biodiversiteit afnemen. Het ophogen van de veenpolders om deze bodemdaling te compenseren, zal de polder verder doen inklinken en de biodiversiteit nog meer doen afnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij werkzaamheden (graven, bouwen, toepassen) is een omgevingsvergunning nodig (voorheen aanlegvergunning). Als er grond wordt toegepast is tevens een melding conform de MBA Toepassen noodzakelijk. Hierbij is het uitvoeren van grondwerken verboden, tenzij sprake is van regulier onderhoud. Regulier onderhoud is in dit kader gedefinieerd als grondwerk dat niet leidt tot wijziging van het oorspronkelijk reliëf, respectievelijk bodemprofiel en dat maximaal de maaivelddaling ongedaan maakt die ontstaat door natuurlijke of bedrijfsmatige processen. Er moet aangetoond worden dat er geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de natuurwaarden in het veenweidegebied. Ophogen mag niet leiden tot bodemdaling en inbreng van gebiedsvreemde ecologie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ophogen is alleen toegestaan met gebiedseigen grond, dus niet met zand of zware klei. Het is immers naar ecologische maatstaven niet gewenst om een zware grondsoort toe te passen in een veenweidegebied. Er mogen geen grotere hoeveelheden worden toegepast dan nodig (art. 4.1269 en 4.1270 Bal). Zie ook paragraaf 10.4 van dit beleidskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsspecifiek beleid in zone 1A Enkele deelgebieden in bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden zijn aangewezen als gebieden waar bij het toepassen van grond alleen naar de (toekomstige) functie wordt gekeken en niet naar de kwaliteit van de ontvangende bodem. Hierdoor kan de plaatselijke bodemkwaliteit dus iets verslechteren, waarbij er geen risico is voor het beoogde gebruik. Er is binnen de regio geen kwaliteitsvermindering, omdat de grond binnen de regio blijft. Er vindt hierdoor alleen verslechtering op de toepassingslocatie plaats, die wordt gecompenseerd door een verbetering van de bodemkwaliteit op de ontgravingslocatie. Dit betekent dat er geen grond van buiten de regio mag worden toegepast die niet voldoet aan de kwaliteit van de ontvangende bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft de volgende (toekomstige) bedrijventerreinen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gemeente Uithoorn gaat het om zone 1A (slechts een deel van de zone valt binnen de gemeentegrens):</p>\n<p class=\"lf-p\">GreenPark Aalsmeer (bedrijven (logistiek) en sierteelt);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijventerrein Hornmeer (Aalsmeer);</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijventerrein De Loeten (Amstelveen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Flora Holland Zuid (Uithoorn);</p>\n<p class=\"lf-p\">Herontwikkelingsgebied (bedrijven) “Tussen Poelweg en Noorddammerweg” (Uithoorn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen deze zone mag grond van binnen de regio worden toegepast tot maximaal kwaliteit Industrie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6Toepassen van PFAS-houdende grond Landelijk Handelingskader Voor het toepassen van PFAS-houdende grond in de regio Noordzeekanaalgebied wordt aangesloten bij het landelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie [Lit. 25].</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toepassen van grond of baggerspecie en tot het moment waarop PFAS in de regelgeving verankerd is, moet zowel rekening worden gehouden met de regels voor genormeerde stoffen (in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit) als de aanbevelingen van het Handelingskader voor PFAS. De verhouding is als volgt: het Handelingskader vormt een advies over de invulling van de zorgplichten, dat staat naast de bestaande regelgeving voor genormeerde stoffen. Dit betekent dat de toetsingsregels uit de Regeling bodemkwaliteit niet automatisch ook op PFAS van toepassing zijn. Zo wordt bijvoorbeeld de indeling van de bodem, grond of baggerspecie in een kwaliteitsklasse alleen gebaseerd op genormeerde stoffen. Een indeling van een partij grond of baggerspecie in een bepaalde kwaliteitsklasse geeft normaliter duidelijkheid over de toepassingsmogelijkheden. Aanvullend daarop moet de partij op de aanwezigheid van PFAS en daarbij passende toepassingsmogelijkheden worden beoordeeld in het licht van de zorgplichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop gaat het Handelingskader in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indeling van de ontvangende bodem in een bodemkwaliteitsklasse wordt bepaald op basis van de kwaliteit van genormeerde stoffen. De toepassingseisen van de stoffen uit het standaard stoffenpakket, aangeduid met een bodemkwaliteitsklasse (landbouw/natuur, wonen of industrie, zie paragraaf 6.5 van dit beleidskader) bepalen ook de toepassingseis van PFAS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer grond ook op PFAS is onderzocht en de uitkomst is een PFAS-gehalte hoger dan de waarde van 1,4 µg/kg (PFOS of overige PFAS)/1,9 µg/kg (PFOA), moet worden bepaald of toepassing op basis van het PFAS-gehalte én op basis van de genormeerde stoffen nog steeds is toegestaan. Ligt het gehalte aan PFAS lager dan 1,4/1,9 µg/kg dan heeft PFAS geen invloed op de toepasbaarheid van de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reguliere bodemkwaliteitskaart (met de bodemkwaliteitsklassen die daarop gedefinieerd zijn) kan worden gebruikt als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit voor de ontvangende bodem bij het toepassen van grond. Een indeling van de ontvangende bodem in een bodemkwaliteitsklasse wordt bepaald op basis van de genormeerde stoffen, het gehalte aan PFAS kan dit niet beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een partij grond met een gehalte aan PFOS (of overige PFAS) hoger dan 1,4 en tot maximaal 3 µg/kg of een gehalte aan PFOA hoger dan 1,9 en tot maximaal 7 µg/kg mag worden toegepast binnen een zone met als toepassingseis kwaliteitsklasse wonen of industrie op basis van de genormeerde stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond staan weergegeven in Tabel 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitskaart PFOS/PFOA In februari 2020 heeft de OD NZKG in samenwerking met de gemeenten, waterschappen en de provincie Noord Holland een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFOS en PFOA opgesteld, de ACN-kaart (Achtergrondconcentratienorm-kaart). Deze kaart geeft de gemiddelde kwaliteit weer. Van deze kaart is een ontgravingskaart afgeleid (op basis van de 80-percentielwaarde, de P80) met één bodemkwaliteitsklasse, namelijk de klasse ‘Niet ingedeeld-PFOS/PFOA – Vrij Toepasbaar’. De berekende gehalten in zowel de ACN-kaart als de ontgravingskaart liggen onder de 1 µg/kg en voldoen hiermee aan de achtergrondwaarden in het landelijk Handelingskader van 1,4 µg/kg voor PFOS en overige PFAS en 1,9 µg/kg voor PFOA.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitvoeringspraktijk wordt dus alleen gebruik gemaakt van de ontgravingskaart, want voor de kwaliteit van de ontvangende bodem wordt, zoals hierboven aangegeven, alleen gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart voor de genormeerde stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien voor de ontgravingskaart identieke bodemkwaliteitszones gelden én de te ontgraven bodemkwaliteit op basis van de P80 (voor beide stoffen en beide lagen) voldoet aan dezelfde bodemkwaliteitsklasse, is toepassing binnen het beheergebied vanuit de op de ontgravingskaart aangeduide percelen mogelijk. De bodemkwaliteitskaart PFOS/PFOA dient binnen de regio Noordzeekanaalgebied als grondslag voor de milieuverklaring bodemkwaliteit bij de ontgraving en toepassing van PFOS/PFOA-houdende grond uit de regio en (gerijpte) baggerspecie binnen de gemeentegrenzen.</p></div>", "next": 239952}