{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De leverancier dient garantie te verstrekken op de conservering van nieuw aan te leveren onderdelen. De garantie betreft de onderdelen die aan het “normaal“ milieu worden blootgesteld. Onder “normaal” milieu worden de omstandigheden bedoeld die om en nabij gemeente Den Helder gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.1.2.1 Gevelarmaturen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.3, 4.3.1 en 4.3.1.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.2.1-1 De lichtverdeling van gevelarmaturen dient asymmetrisch te zijn, naar de straatzijde gericht. De uitstralingshoek aan de gevelzijde mag niet meer bedragen dan 20º met de verticaal gemeten van het midden van de armatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2.1-2 De plaats van de armatuur dient met een hoogwerker bereikbaar te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2.1-3 Een gevelarmatuur moet trillingsvrij bevestigd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.1.2.2 Onderdoorgangen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.3, 4.3.1 en 4.3.1.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.2.2-1 De beschermingsklasse is minimaal IP 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2.2-2 De armaturen moeten voorzien zijn van een antidiefstal sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2.2-3 Het oppervlak van de slagvaste lichtkappen moet ingespoten kunnen worden met een speciale vettige coating waarop graffiti en stickers slecht hechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2.2-4 Uitgangspunt bij het toepassen van een armatuur in onderdoorgangen is dat het indien mogelijk een inbouwmodel moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.1.3 Bekabeling Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.3 en 4.3.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Den helder heeft voor een kleine 80% eigen net en maakt voor de overige 20% gebruik van het gereguleerde net van de netbeheerder. Ook wel het combi-net genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voedingskabels Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting 3.1.3-1 Alle nieuwe lichtmasten worden aangesloten op het eigen net van gemeente Den Helder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eigen net van gemeente Den Helder beslaat een 400 km kabel, 350 voedingskasten en 300 koppel/doordeel kasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-2 Als er geen eigen kabel van gemeente Den Helder in de nabijheid is dan zal er een nieuwe voedingskabel moeten worden gelegd vanaf een OV kast of nieuw te plaatsen voedingskast waar een aansluiting van de netbeheerder in kan worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hoofdstuk 4.3.1.4 Voeding- en verdeelkasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-3 Bij elk ontwerp moet rekening gehouden worden met dat gemeente Den Helder uiteindelijk al zijn kabelnet in eigen beheer wilt hebben en dat we standaard nieuw kabelnet uitvoeren als een 3 fase nul aarde aansluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voedingsnet Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-4 Eigen voedings- en verdeelkasten 25A, aangesloten op het gereguleerde voedingsnet van de regionale netbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-5 Eigen voedings- en verdeelkasten 10A (onderverdeelkast), aangesloten op een afgaande groep uit de voedings- en verdeelkasten 3.1.3-6 Eigen gevel voedings- en verdeelkastjes, aangesloten op het gereguleerde voedingsnet van Liander of op het eigen voedingsnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-7 Afgaande groepen, de eigen voedingskabels vanuit de eigen voedings- en verdeelkasten of verdeelkasten en vanuit de eigen gevel-voedings- en verdeelkastjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-8 Aansluitkastjes, zekeringkastje voor een of meerdere lichtpunten (bv overspanningen) waarop de eigen voedingskabel wordt aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-9 Aardpulsen, de aardweerstanden die worden aangebracht voor aarding van de eigen voedingskast, eigen verdeelkast, eigen voedingskabel of object.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-10 Bij de aanleg van een eigen voedingsnet voor openbare verlichting is de aanwezigheid van elektrisch vermogen geen hoofdcriterium maar een ontwerponderdeel. Voor de te plaatsen lichtpunten wordt vooraf gekozen voor een aansluitwijze. Indien langs het te verlichten traject geen eigen voedingskabel voor openbare verlichting (OVL) aanwezig is, wordt voor de lichtpunten een aparte OVL kabel aangelegd. Vanaf een leveringspunt, van het energiebedrijf wordt het OVL-net, het eigen voedingsnet, op het laagspanningsnet aangesloten. Het leveringspunt bestaat meestal uit een aansluitkast, een voedings- en verdeelkast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen, normen, voorschriften en richtlijnen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-11 Het ontwerp van de gehele installatie eigen voedingsnet dient te voldoen aan de NEN 1010.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-12 De voedings- en verdeelkast moet voldoen aan de NEN 1010 en overige eisen zoals vermeld hoofdstuk 4.3.1.4 Voedings- en verdeelkasten 3.1.3-13 De aansluiting van een lichtpunt komt door een aftakmof, een gietmof, in de voedingskabel tot stand. Om redenen kan gekozen worden om de aansluiting van meerdere lichtpunten door te lussen. Dit is mogelijk bij toepassing van een voedingskabel zonder hulpader(s) tot en met 10mm² voor de zekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwerp van leidingwerk Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-14 Spanningsverlies tussen de voedings- en verdeelkast en het verste lichtpunt mag bij normaal bedrijf niet meer afwijken dan 5%, uitgaande van de ideaalsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-15 De arbeidsfactor cosinus phi (cos ) van het systeem moet minimaal 0,9 zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-16 Als netspanning tussen fase en nul dient een waarde te worden aangehouden van 230V.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-17 Als netspanning tussen de drie fasen dient een belaste waarde te worden aangehouden van 400Volt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-18 Afgaande groepen dienen bij het ontwerp gelijk te worden belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-19 De uitgangspunten en functionele eisen voor de ordening van ondergrondse netten dient de WIOR te worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-20 Het door alle belanghebbende te volgen proces om tot een dwarsprofiel te komen is beschreven in de WIOR. Binnen dit proces worden niet alleen de te nemen stappen, maar ook de verantwoordelijkheden omschreven. Deze richtlijn dient te worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveiliging Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-21 Aardingsvoorzieningen moeten zodanig zijn dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>hun weerstand blijvend voldoende laag is:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>zij bestand zijn tegen thermische en mechanische belasting door aardfoutstromen en aardlekstromen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>zij bestand zijn tegen uitwendige invloeden of zijn voorzien van een aanvullende bescherming.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-22 Bij foutieve bedrijfsvoering dient het afschakelgedrag van de installatie volgens de NEN 1010 eisen plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-23 Lichtmasten moeten selectief beveiligd zijn ten opzichte van hun elektrische voeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-24 Het eigen voedingsnet dient zelf voorzien te zijn van een laagohmige veiligheidsaarding (TT-Stelsel).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-25 Lichtmasten dienen voorzien te zijn van een nul verbinding met aarde in de mast en in de aansluitmof (TN-CS-Stelsel).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-26 De aardverspreidingsweerstand dient te worden berekend met de volgende formule Ra= 25/I-nom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voedingskabels Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-27 In gemeente Den Helder passen we de volgende kabels toe:</p>\n<p class=\"lf-p\">EO-YMeKaszh OV 4x2,5 mm2 EO-YMeKaszh OV 4x6 mm2 EO-YMeKaszh OV 4x10 mm2 3.1.3-28 In de grond gelegde kabels moeten van het type EO-YMeKaszh OV met groene strepen in de langs richting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-29 De voedingskabels dienen een minimale aderdoorsnede van 6mm² te hebben en moeten minimaal 4 aderig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-30 Als een uitbreiding van het OV-net op een bestaand 3-aderige voedingskabel moet worden aangesloten, dan moet de uitbreiding op die kabel 4-aderig zijn. Bijzondere aandacht moet geschonken worden aan de afschakeltijden van de beveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-31 Eindstrengen van voedingskabels waarop uitbreiding van het aantal lichtmasten niet mogelijk is, mogen indien de voorschriften dit toelaten ook een aderdoorsnede hebben van 2,5 mm².</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-32 Aftakkingen en verbindingen moeten fysiek bereikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluitleidingen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-33 Aansluitleidingen moeten een minimale aderdoorsnede hebben van 2,5 mm².</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-34 Aansluitleidingen moeten 4 aderig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-35 Bij elke lichtmast moet minimaal 1,5 meter kabel op rol worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-36 In de nieuwe kabels zijn de volgende aderkleuren van toepassing:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bruin = fase Zwart = fase Grijs = fase Blauw = Nul 3.1.3-37 Bij bestaande kabels dient er contact met de beheerder van de Openbare Verlichting opgenomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-38 Aansluitsnoeren in lichtmasten moeten bestand zijn tegen zwavelzuurdampen, verontreinigd condenswater en zijn voorzien van soepele aders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-39 De aderdoorsnede van aansluitsnoer moet minimaal 1,5 mm² zijn en voorzien zijn van minimaal 3 aders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aarding Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-40 De aardpuls van de voedingskast moet een aardverspreidingsweerstand hebben conform het gestelde in de NEN 1010 laatste druk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-41 De doorsnede van de in de kast ingevoerde aardedraad is minimaal 25 mm2 en aangesloten op een aardverdeelblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-42 Deuren en afsluitbare deksels moeten zijn geaard d.m.v. een aardlits die onlosmakelijk is verbonden met de kast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-43 De maximale lengten van in de grond gelegde kabels, gerekend vanaf het voedingspunt, zijn vast gelegd in de NEN 1010 laatste druk. Voedingskabels moeten, gezien vanaf de voedingskast, om de 300 meter te zijn voorzien van een veiligheidsaarding die is aangesloten op de aardlitze van de voedingskabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-44 De lichtmasten moeten doormiddel van de aardlits in de grondkabel via het aardcontact van de lichtmast aansluit set aan de lichtmast worden verbonden met een RVS bout M6 met RVS sluitring.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-45 De armaturen moeten via het aansluitsnoer in de lichtmast set op het daarvoor bestemde contact worden geaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-46 In de kabelmoffen en lichtmast aansluitsets zijn verbindingen tussen nuladers en aarde-aders niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-47 Als aardelektroden mogen worden toegepast aardstaven, draad of aardbuizen vervaardigd uit staal of koper. De afmetingen dienen gekozen te zijn conform tabel 54A uit de laatste uitgave van de NEN 1010 3.1.3-48 Alle aardverbindingen monteren conform de laatste uitgave van de NEN 1010. De aardelektrode dient dusdanig aangebracht te worden dat uitgesloten wordt dat een sterke toename van de weerstand optreedt als gevolg van uitdroging of bevriezing van de omringende grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opleverdocumenten Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-49 Meetrapport aardverspreidingsweerstand: Van iedere in het werk aangebrachte aardelektrode dient een rapport met de gemeten aardverspreidingsweerstanden aangeleverd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-50 Rapportage stromen in afgaande groepen. Bij opname van het werk dient van iedere nieuwe of gewijzigde eindgroep de belastingstroom van de nieuwe situatie gemeten te zijn en in een rapportage te worden aangeboden aan de beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-51 Rapportage afschakeltijden. Bij opname van het werk dient van iedere nieuwe of gewijzigde eindgroep de afschakeltijd van het beveiligingstoestel in de nieuwe situatie gemeten te zijn en in een rapportage te worden aangeboden aan de beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-52 Materiaal documentatie. Van alle geleverde materialen moet een volledige technische documentatie bij de opname worden aangeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabelmontage Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-53 Verbindingen en aftakkingen van in de grond gelegde kabels moeten worden gemaakt met kunststofgietmoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-54 Verbindingen en aftakkingen van in de grond gelegde kabels moeten worden gemaakt door gekwalificeerde monteurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-55 De moffen moeten zijn gemaakt conform de aanwijzingen van de leverancier.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-56 De gemaakte moffen moeten een garantieperiode hebben van 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-57 Bij de montage van een aftakmoffen moet worden voorkomen dat de aardlitze in de voedingskabel wordt onderbroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-58 Te verlaten aansluitleidingen moeten worden verwijderd op 0,2 meter vanaf de aftakmof van de voedingskabel op een eindmof worden gelegd. Bij aansluitmoffen die demontabel zijn moet er een spuitmof gemonteerd worden. Krimpdoppen zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-59 Bij tijdelijke eindmoffen dient men de aardlitze buiten de mof te houden i.v.m. mogelijke uitbreiding/zoeken locatie Graven sleuf Algemeen Code Omschrijving eis/uitgangspunt Raakvlakken 3.1.3-60 De grondroerder i.c. opdrachtnemer neemt bij de voorbereiding en uitvoering van graafwerkzaamheden alle voor hem geldende voorschriften uit de laatste versie van de \"Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten\" (WION) in acht. Naast genoemde wettelijke voorschriften moet de grondroerder zijn werkzaamheden uitvoeren conform de richtlijnen voor een zorgvuldig graafproces genaamd \"Graafschade voorkomen aan kabels en leidingen\", uitgegeven door het CROW. De kosten voor het doen van een Klik-online melding en de terugmelding van as-built gegevens zijn voor rekening van de opdrachtnemer. De opdrachtnemer zal het te volgen tracé in overleg met de beheerder uitzetten en na zijn goedkeuring ontgraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen 3.1.3-61 Kabels moeten volgens de “Voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen profiel van de gemeente Den Helder” gelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-62 Kabels moeten gelegd worden volgens de normen ontleend aan de “Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her-) straatwerkzaamheden” (een uitgave van het overlegorgaan nutsbedrijven en de VNG) of het “Helders Profiel” naar oordeel van de beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-63 Toegangen naar woningen en bedrijven dienen altijd toegankelijk te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-64 Verlaten kabels dienen verwijderd te worden. In uitzonderlijke gevallen, in overleg met de beheerder van de Openbare Verlichting, kan hiervan afgeweken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelbuizen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-65 Mantelbuizen moeten volgens de “Voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen profiel van de gemeente Den Helder” gelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-66 De lengte van de mantelbuizen moet zodanig zijn dat deze aan weerszijde, bij elementverharding 0,5 meter en bij asfaltverharding 1.00m, buiten de verharding steekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-67 Verlaten mantelbuizen dienen verwijderd te worden. In uitzonderlijke gevallen, in overleg met de beheerder van de Openbare Verlichting, kan hiervan afgeweken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-68 Alle nieuw aangebrachte of verlaten mantelbuizen moeten aan de einden worden afgedicht met de daarvoor aangewezen middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-69 De PVC mantelbuizen moeten een buitendiameter hebben van minimaal 40 mm voor een aansluitkabel en 110 mm voor een voedingskabel. De kwaliteit van de buizen dient conform DIN 8061 en DIN 8062 en ISO-R161-1960 te zijn, Stijfheidsklasse SN 8 Ultra-3. De kleur dient grijs te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-70 Loze mantelbuizen dienen d.m.v. afsluitdop aan beide kanten te worden afgesloten en er dient een trekkoord in aangebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gestuurde boringen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.3-71 De gestuurde boringen dienen te allen tijde om een mantelbuis in de grond aan te brengen waarin de kabels worden aangebracht. De mantelbuizen moeten zijn berekend op de zwaarst mogelijke voertuigen die ter plaatse kunnen komen met in achtneming van de te verwachten gronddruk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-72 Gestuurde boringen moeten worden toegepast indien het kabeltracé een kruising maakt met gefundeerde en/of gesloten verhardingen, boomwortels van beschermde boomlocaties en bij kruising van waterwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-73 De HDPE buis moet een diameter hebben van 110mm. De kwaliteit van de buizen dient conform de DIN 8074 en DIN 16874 te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-74 De minimale gronddekking gemeten vanaf de onderzijde van de wegfundatie tot de bovenzijde van het boorgat bedraagt minimaal 1,5 meter. Indien geen gegevens van de dikte van de fundering laag bekend zijn mag worden aangenomen dat deze 0,5 meter dik is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-75 Voorafgaande aan de uitvoering van de boring dient door de opdrachtnemer een KLIC-aanvraag plaats te vinden (WION).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-76 De uitkomende grond/slurry dient te worden afgevoerd volgens de daartoe behorende regels/normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-77 Bij het kruisen van vaarwegen zijn meestal meerdere partijen betrokken. Indien een waterkruising noodzakelijk is zal de opdrachtgever alle betrokken instanties benaderen en informatie inwinnen met betrekking tot de diverse verantwoordelijkheden. De eisen m.b.t. het aanlegniveau, in- en uittredepunten, afstandseisen, boordrukspoeling en grondonderzoek zullen worden vastgesteld en aan de opdrachtnemer ter beschikking gesteld. Gestuurde boringen onder waterwegen mogen slechts op aangeven en met goedkeuring van de beheerder worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegpersing Code Omschrijving eis/uitgangspunt Raakvlakken 3.1.3-78 Wegpersingen mogen slechts toegepast worden na overleg en met goedkeuring van de beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegen Aanvullen, verdichten en verharding herstellen Code Omschrijving eis/uitgangspunt Raakvlakken 3.1.3-79 De grond waarmee de sleuven worden gedicht, moet vrij zijn van materialen die ondergrondse voorzieningen kunnen beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-80 De ontgravingen dienen aangevuld en verdicht te worden zoals vermeld in “Voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen profiel van de gemeente Den Helder”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-81 Met puin verontreinigde grond moet op kosten van de aannemer worden afgevoerd naar een regionale stortplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-82 Schade aan ondergrondse nutsvoorzieningen en aan boomwortels moet worden voorkomen. Voor alle schade die tijdens of als gevolg van de werkzaamheden worden veroorzaakt, wordt de aannemer aansprakelijk gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groen 3.1.3-83 Aan het einde van iedere werkdag moeten de ontgravingen zodanig dichtgemaakt zijn dat dit geen gevaar op kan leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3-84 Losliggende materialen dienen aan het einde van iedere werkdag opgeruimd te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3.85 Het Bouwstoffenbesluit moet bij het roeren van de grond nageleefd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.1.4 Voeding- en verdeelkasten Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.3 en 4.3.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen algemeen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-1 De voedings- en verdeelkasten moeten voldoen aan de Laagspanningsrichtlijn 2006/95/EG 3.1.4-2 De voedings- en verdeelkasten moeten voldoen aan de EMC richtlijn 2004/108/EG 3.1.4-3 De voedings- en verdeelkasten moeten voldoen aan de NEN 1010:2007+C1:2008 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-4 De voedings- en verdeelkasten moeten voldoen aan de Nederlandse Praktijk Richtlijn, NPR 5310 – De praktijkrichtlijn bij de NEN 1010:2007+C1:2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-5 De uitvoering van de voedings- en verdeelkasten dient zodanig te zijn dat wordt voldaan aan de NEN-EN 50110-1 (Bedrijfsvoering van elektrische installaties). De Europese norm op het terrein van bedrijfsvoering van zowel de elektrische hoog- als laagspanningsinstallaties. De aanvullende voorschriften zijn opgenomen in de NEN-EN 50110-2. De norm NEN 3140 is een Nederlandse aanvulling op de 50110-1 voor de bedrijfsvoering van laagspanningsinstallaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relevante onderwerpen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bevoegdheden van personen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bedieningshandelingen en werkzaamheden in elektrische installaties.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Inspecties.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-6 De voedings- en verdeelkasten en hun componenten moeten voldoen aan de NEN-EN–IEC 60529 Degrees of protection provided by enclosures (IP Code) 3.1.4-7 De voedings- en verdeelkasten en hun componenten moeten voldoen aan de NEN-EN-IEC 60439-5:2006 Laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen - Deel 5: Bijzondere eisen voor inrichtingen bestemd voor voedings- en verdeelkasten in openbare netwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-8 Tekeningen van de Voedings- en verdeelkasten en het voedingsnet moeten voldoen aan de NEN 5152 Technische tekeningen - Elektrotechnische symbolen. Op alle tekeningen moeten in de rechteronderhoek de volgende gegevens duidelijk worden vermeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Naam en adres Opdrachtgever.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Naam en adres van gebouw/object waar de OV verdeelkast is gebouwd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Soort installatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Schaal waarop de tekening is vervaardigd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Eventuele wijzigingen met de datum van wijziging en het volgnummer met een omschrijving van de aard der wijziging.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Leverancier blijft aansprakelijk voor eventuele fouten in de tekeningen, die bij controle door de Opdrachtgever niet zijn opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-9 De voedings- en verdeelkasten en alle overige elektronische componenten binnen het eigen voedingsnet moeten voorzien zijn van een CE-markering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-10 Op de voedings- en verdeelkasten en componenten is de RoHS (Restrictions of the use of certain Hazardous Substances = beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-11 De voedings- en verdeelkasten en hun componenten dienen te voldoen aan EcoDesign. Belangrijk zijn o.a. de volgende punten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Energieverbruik omlaag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Levensduur en betrouwbaarheid omhoog.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Milieuonvriendelijke stoffen vermijden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Hergebruik van stoffen verbeteren.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-12 De toe te passen producten dienen te voldoen aan de geldende kwaliteit- en milieunormen. Daarnaast voldoen de producten en diensten aan de Nederlandse Arbo-weten regelgeving, Nederlandse Milieuwet- en regelgeving, de wet- en regelgeving op het gebied van brandveiligheid en de relevante actuele aanvulling op deze wet- en regelgevingen. Eventuele wet- en regelgeving over Arbo-, milieu en brandveiligheid dient ook te worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-13 De voedings- en verdeelkast dient met een auto bereikbaar te zijn en bij het maximaal openen van de kastdeur voldoende werkruimte te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-14 De uitwendige afmetingen van de voedings- en verdeelkast dienen zich zo goed mogelijk tot elkaar te verhouden als: 6,0(L):2,5(B):9,5(H).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-15 De maximale hoogte (H) mag niet meer bedragen dan 130 cm 3.1.4-16 De minimale hoogte (H) dient tenminste 90 cm te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-17 De leverancier / producent dient een bij de OV verdeelkast behorende fundatie te leveren en in de prijs op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-18 De leverancier / producent dient het definitieve ontwerp van de OV verdeelkast en de kastfundering met details van de bevestigingspunten en benodigde kabelinvoeren ter goedkeuring in te dienen bij de opdrachtgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Constructie Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-19 De constructie van de voedings- en verdeelkast dient onderhoudsarm te zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De voedings- en verdeelkast dient uit niet meer componenten te bestaan dan strikt nodig.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het aantal verschillende type componenten dient tot een minimum te zijn beperkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het aantal bewegende delen en het aantal slijtageplaatsen dient zo veel mogelijk te zijn beperkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De opbouw van de voedings- en verdeelkast dient modulair te zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De functionele en materiële opbouw van de voedings- en verdeelkast dient zo eenvoudig mogelijk te zijn en goed te zijn doorzien.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De componenten moeten gemakkelijk uitwisselbaar zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Componenten die preventieve en/of correctieve onderhoudsacties vergen, dienen goed bereikbaar en toegankelijk te zijn gemaakt zonder dat het verwijderen van nabijgelegen componenten voor het plegen van onderhoud noodzakelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zo nodig dienen belemmerende componenten gemakkelijk te kunnen worden verwijderd zonder daarbij de fabrieksafstelling te wijzigen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Afmetingen en vormen van toegangsopeningen dienen aangepast te zijn aan de te verwijderen componenten (inclusief ruimte voor het vasthouden).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Alle schroef en boutverbindingen, dienen te worden geborgd, zodat ze niet vanzelf los kunnen raken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De voedings- en verdeelkast dient afdoende te zijn beschermd tegen mechanische, chemische en thermische omgevingsbelastingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Thermische belasting t.g.v. geleiding, straling, of convectie mag niet tot verstoring van de werking en/of schade van de installatie kunnen leiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De voedings- en verdeelkast dient te worden voorzien van een anti-graffiti-coating of anti-aanplaklak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De toegepaste coating moet eenvoudig kunnen worden gereinigd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De voedings- en verdeelkast dient vandalismebestendig te zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-20 Kabels dienen door middel van een waterdichte wartelverbinding aan de onderzijde van de voedings- en verdeelkasten te worden ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-21 De aansluiting van kabels dient demontabel in de voedings- en verdeelkasten tot stand te worden gebracht. De aansluiting dient op eenvoudige wijze of met behulp van eenvoudig gereedschap te kunnen worden losgenomen of vastgezet. Bouten, moeren en overige bevestigingsmiddelen voor het aansluiten van de kabels maken deel uit van de levering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-22 Alle kabels zijn in de voedings- en verdeelkasten gefixeerd d.m.v. een trekontlasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-23 Ten behoeve van het openen en sluiten van de compartimenten dient de voedings- en verdeelkast voorzien te zijn van een vandalismebestendig sluitsysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-24 Condensvorming in de voedings- en verdeelkasten dient te worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-25 De bevestiging van voedings- en verdeelkasten op de fundatie dient tot stand te komen zonder schade aan de laklaag te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-26 De fundatie van een voedings- en verdeelkast dient zodanig te zijn geconstrueerd dat bij een gemiddelde gronddichtheid voor Amsterdam verzakking gedurende de levensduur is uitgesloten. De toe te passen gemiddelde gronddichtheid dient actueel te zijn ter akkoord te zijn aangeboden aan DIVV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-27 Bij regulier onderhoud dient de kwaliteit van de afwerking, de maatvoering en de samenbouw van de voedings- en verdeelkasten behouden te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-28 Indien voedings- en verdeelkasten zijn voorzien van een openslaande deur dan dient deze minimaal 120º open te kunnen. Deuren moeten zijn voorzien van aardlitze en een voorziening om de deur in openstaande stand te fixeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-29 De toe te passen materialen dienen te voldoen aan slagvastheid en schokbestendigheid code IK 10. Conform IEC EN 50102 (Beschermingsgraden van omhulsels van elektrisch materieel tegen uitwendige mechanische stoten) Elektronisch Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-30 Voor het voeden van lichtmasten hebben bestaande voedings- en verdeelkasten doorgaans 6 krachtgroepen. De groepen met in elke fase een 25 A beveiliging zijn voorzien van een beveiligingselement van 10 A. De nieuwe voedings- en verdeelkasten dienen standaard ook met 6 krachtgroepen te worden geleverd. (5 groepen, 1 reserve groep). De groepen dienen te worden voorzien van smeltveiligheden of (intelligente) installatie automaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorkeur hebben goed leverbare “standaard” intelligente installatieautomaten met de mogelijkheid van bijvoorbeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Slimme netbeveiliging (ongevoelig voor inschakelpieken, door toepassing waarvan besparingen op kabeldoorsnede kan worden gerealiseerd).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Real time diagnosefuncties (meetwaarden, beveiligingsparameters, onderhoudsgegevens).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Integratie in een (draadloos) data netwerk voor toekomstige bewaking op afstand.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Modulaire opbouw.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moeten de nieuwe voedings- en verdeelkasten voldoende groot zijn om te kunnen worden uitgebreid met extra voorzieningen als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee extra groepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Apparatuur voor telemetrie (bijvoorbeeld: GSM/GPRS modem).</p>\n<p class=\"lf-p\">Apparatuur t.b.v. het schakelen (ISU). en de hierbij behorende overige componenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het verdeelsysteem te kunnen uitbreiden met twee extra groepen dient de oppervlakte van de montageplaat 25% te worden overgedimensioneerd. Daarnaast moet op de montageplaat een extra ruimte van 40 x 30 cm worden gereserveerd voor het later kunnen aanbrengen van apparatuur. In verband met de ontwikkeling van alternatieven communicatie methoden dienen de voedings- en verdeelkasten te worden voorzien van een IP interface waarmee schakelsignalen kunnen worden doorgegeven aan de ISU. Bij uitrol van het nieuwe communicatiesysteem dient via standaard ICP _IP te kunnen worden gecommuniceerd met de voedings- en verdeelkast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-31 Voor de inkomende voedingskabel van de regionale netbeheerder (VMVK 4 x 10mm2 of YoVmVk-Kas max 25 mm2) dient de voedings- en verdeelkast aan de onderzijde te worden voorzien van een wartel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-32 De voedingskabel wordt aangesloten op een 63A 3-fase patroonhouder voorzien van een patroon van 25A of op een beveiligingselement van 63A waarvan de beveiliging is ingesteld op 25 A.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-33 Voor de voeding van de ISU moet één afgeschermde 3 fase groep met 6A beveiliging te worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-34 De voedings- en verdeelkast moet zijn voorzien van één 4-polige 35A hoofdschakelaar. De hoofdschakelaar uitvoeren als lastscheider.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-35 Voor het schakelen van de voedingsspanning naar de groepen moet de voedings- en verdeelkast van één 4 polige magneetschakelaar 35A zijn voorzien (afhankelijk van het toe te passen stelsel en de verklaring van de netbeheerder voor de aan te leveren aarding één 3 polige magneetschakelaar 35A) 3.1.4-36 Voor het aansluiten van de ISU en de magneetschakelaar één stuks klemmenstrook van 10 etageklemmen met tussenschot aanbrengen. De ISU’ s worden toegeleverd en dienen door de leverancier van de OV-voedings- en verdeelkast te worden ingebouwd. Het testen van de ISU’ s geschiedt door derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-37 In de binnenkomende voeding achter de hoofdschakelaar naar de groepen drie stuks stroomomvormer fabricaat Faget, type EM223 0-60mA 0-20mA of gelijkwaardig aanbrengen.(één per fase). Met optioneel stroom meetwaarde omvormers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-38 In de voedings- en verdeelkast moet een bedieningsschakelaar aanwezig zijn voor het handmatig schakelen van de magneetschakelaar 3.1.4-39 De voedings- en verdeelkast moet zijn voorzien van 6 krachtgroepen, waarvan 1 reserve, met 25A beveiligingselement waarvan de beveiliging is ingesteld op 10 A.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-40 In de voedings- en verdeelkast moet het aansluiten van uitgaande kabels naar de lichtmasten tot stand komen door installatieklemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-41 De voedings- en verdeelkast dient te zijn voorzien van een aparte groep voor binnenverlichting met PL 9 Watt lamp met deurschakelaar, service wandcontactdoos.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-42 Onderdelen moeten in compartimenten zijn gemonteerd. De compartimenten moeten op een watervaste hechthouten plaat in de voedings- en verdeelkast zijn gemonteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-43 Op de montageplaat moet één 35mm2 aardklem aanwezig zijn voor aansluiting van een aardelektrode 25 mm2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-44 In het compartiment met klemmenstrook voor aansluiting van de installatie op de voedingskabels moet één aardrail zijn aangebracht voor aansluiten van de aardschermen van de voedingskabels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Technisch Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-45 De voedings- en verdeelkast heeft de volgende minimum specificaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingangsspanning : 400/230V (+/- 5 % ) 50 Hz Nominale stroom van het verdeelsysteem : Ten minste gelijk aan de nominale stroom van de aansluiting hoofdschakelaar van de kast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectiviteit : Beveiliging instellen op nominale stroombelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingsgraad kast : Ten minste IP 55b Beschermingsgraad componenten : Ten minste IP 23 Maximale omgevingstemperatuur : 40 °C Minimale omgevingstemperatuur : - 20 °C Maximale Luchtvochtigheid : 95% 3.1.4-46 Voor onderhoud en om schade spanningsloos te kunnen herstellen zijn afgaande groepen vrij schakelbaar. Bij werkzaamheden aan een spanningsvrij gemaakte groep moeten andere groepen ongestoord kunnen blijven functioneren. De voedings- en verdeelkast dient te zijn beveiligd tegen kortsluiting en overbelasting. Een kortsluiting in de gesloten voedings- en verdeelkast, mag buiten de verdeler geen letsel of schade kunnen veroorzaken. Als door kortsluiting schade ontstaat moet de schade beperkt blijven tot het desbetreffende compartiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-47 Plaatselijke bediening is mogelijk, onafhankelijk van de beschikbaarheid van het ISU signaal. Bedieningshandelingen voor bedrijfsvoering moeten kunnen worden gedaan door iemand met VOP-bevoegdheid. Inschakelen van de inkomende voeding moet zijn te blokkeren door bijv. hangslotvergrendeling. Om veilig te kunnen werken moet het ISU signaal naar de magneet schakelaars kunnen worden geblokkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikersvriendelijke signalering en bediening wordt bereikt door:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Coderen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het gebruik van single line diagrammen van het hoofdstroomcircuit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Overzichtelijke signalerings- en bedieningsfuncties.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De status van de groepen (ingeschakeld, uitgeschakeld, getript) is af te lezen van de beveiligingselementen in de voedings- en verdeelkast.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-48 Door middel van visuele inspectie en met behulp van standaard meetinstrumenten (universeelmeter, duspol, Ampère tang etc.) moet het volgende zijn vast te stellen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De statussen ingeschakeld, uitgeschakeld, getript, etc.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Spanning op inkomende / uitgaande groepen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Totaalstroom uitgaande groepen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Onbalans tussen de fasen van de afgaande groepen 3.1.4-49 Uit oogpunt van veiligheid, bediening en onderhoud is het ontwerp van de voedings- en verdeelkast ergonomisch verantwoord. De elektrische veiligheid van de voedings- en verdeelkast is zodanig dat bedieningshandelingen voor bedrijfsvoering zonder gevaar voor letsel of schade kunnen worden uitgevoerd. De al dan niet geopende voedings- en verdeelkast met de hierin gemonteerde componenten, dient aanrakingsveilig te zijn. Metingen moeten, zonder gevaar van kortsluiting of het gevaar in aanraking te komen met spanningvoerende delen, kunnen worden uitgevoerd. De onderlinge scheiding in de voedings- en verdeelkast moet zodanig zijn, dat zekeringen of installatieautomaten of andere beveiliging door iemand met VOP-bevoegdheid kunnen worden vervangen. Onderhoudswerkzaamheden dienen altijd in spanningsloze toestand te kunnen worden uitgevoerd. Het veilig werken aan verdeelgroepen moet mogelijk zijn, terwijl het verdeelsysteem onder spanning blijft.</div>\n<p class=\"lf-p\">In verband met het veilig kunnen uitvoeren van (onderhouds)werkzaamheden is onderstaande compartimentering vereist.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bijvoorbeeld patroonhouders voor hoofdzekeringen inkomende voeding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Hoofdschakelaar inkomende voeding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Groep voor voeding ISU, magneetschakelaar, stroomomvormers, handbediening en service WCD.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zes krachtgroepen (1 reserve) met hun beveiliging.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Leeg compartiment voorzien van kabelinvoeren met trekontlasting voor kabels.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Installatiekast met klemmenstrook voor het aansluiten van de installatie op de afgaande voeding voedingskabels.</div>\n<p class=\"lf-p\">De compartimenten, tenminste IP 55 bestaan uit kunststof kasten met doorzichtige kunststof deksels.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-50 Gedurende de levenscyclus van de voedings- en verdeelkast dienen onderdelen, als de hoofdschakelaar en installatieautomaten of netbeveiliging vervangen te kunnen worden door een ander fabrikaat of type zonder dat hiervoor de constructie in de kast hoeft te worden gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-51 Om apparatuur /onderdelen van de voedings- en verdeelkast eenvoudig en snel te kunnen vervangen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zijn compartimenten modulair van opbouw en bij voorkeur uitgevoerd met gestandaardiseerde stekerverbindingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zijn waar mogelijk snelsluitingen gebruikt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Is het aantal los te nemen verbindingen zo klein mogelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Is het aantal typen verbindingen zo klein mogelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Kan het los nemen van verbindingen door één man gebeuren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Kost het los nemen van verbindingen weinig tijd en vereist het bij voorkeur geen speciaal gereedschap.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een voedings- en verdeelkast dient zo geconstrueerd te zijn dat bij een gemiddeld werktempo, een component binnen 5 minuten na het bereiken van de kast is te vervangen en de kast weer is afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-52 Voor een op een later tijdstip aan te brengen voorziening dienen extra kabels in de voedings- en verdeelkast te kunnen worden ingevoerd. De kabels moeten met voldoende overlengte kunnen worden ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-53 Voedings- en verdeelkasten dienen voorzien te zijn van een of meerdere afsluitbare deuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-54 De leverancier dient deursloten te leveren en aan te brengen in toegangsdeuren van de voedings- en verdeelkasten. De sloten dienen “halve profielcilinders GS” van het fabricaat NEMEF, type “KM” te zijn. De sloten zijn beveiligd/gecertificeerd op basis van “naamsbescherming” en zijn in principe door iedere dealer/tussenpersoon te bestellen bij NEMEF op vertoning van het certificaat. De leverancier van de voedings- en verdeelkasten dient van de cilinders een voorraad aan te houden (in verband met schades, bijvoorbeeld door vandalisme).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-55 Bevestigingsmiddelen zoals o.a. bouten, ringen en moeren zijn van RVS, minimaal klasse A2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-56 Voedings- en verdeelkasten dienen te worden geleverd inclusief opgebrachte nummering en resopal tekstplaat met tekst: Gemeente Amsterdam DIVV. De nummering wordt bij afroep kenbaar gemaakt. De toe te passen cijfers aanbrengen op resopal tekstplaat wit, zwart, wit, inclusief bevestiging geschikt voor de levensduur van de voedings- en verdeelkasten. Cijfergrootte: 50mm breed en 70mm hoog. Resopal tekstplaat bovenaan op kastfront aanbrengen. Alle cijfercombinaties worden zonder punt aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conservering Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-57 Voor alle metalen delen die in kleur moeten worden uitgevoerd, geldt: Het gekozen systeem (poedercoating, het basismateriaal, de voorbehandeling plus twee lagen poederlak) moet optimale hechting, kleurechtheid en weersbestendigheid gedurende de levensduur van de garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-58 Duurzaamheidklasse “hoog” conform ISO 12944 (levensduur &gt; 15 jaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-59 Corrosieklasse is minimaal C4-hoog 3.1.4-60 Het conserveringssysteem dient te bestaan uit een poedercoating bestaande uit Qualicoat klasse 1 producten (TGIC-vrij).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-61 Minimaal 2 lagen, per laag minimaal 60 micrometer droge laagdikte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-62 De standaard kleur voor voedings- en verdeelkasten is RAL 7038. Incidenteel worden ook ander RAL kleuren toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-63 De toegepaste RAL kleuren hebben een glansgraad van 80-90%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud en reiniging Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-64 De voedings- en verdeelkasten dienen zo te zijn ingericht dat onderhoud gemakkelijk is uit te voeren. Het regulier onderhoud van de voedings- en verdeelkasten zal 3 x in de 10 jaar plaats vinden. Onderhoud wordt uitgevoerd op locatie door derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder dit onderhoud wordt verstaan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Reiniging buitenzijde met reinigingsmiddel en zachte borstel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Visuele inspectie componenten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Onderhoud van bewegende delen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Uitvoeren van kleine reparaties.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Meten aardverspreidingsweerstand en de aardcircuitweerstand.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Functietest.</div>\n<p class=\"lf-p\">De voedings- en verdeelkasten dienen hiervoor geschikt te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levensduur Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-65 De voedings- en verdeelkasten moeten gedurende een periode van 20 jaar probleemloos functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-66 De toe te passen componenten in de OV kast hebben een te verwachten levensduur van ten minste 10 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-67 Tot 20 jaar na aflevering heeft de leverancier alle reservedelen binnen 24 uur beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-68 Bij regulier onderhoud moet de onder 3.6.1 vereiste IP-waarde over een periode van 20 jaar kunnen worden gehaald. Dit betekent dat afdichtingmaterialen moeten worden toegepast die gedurende 20 jaar hun functie behouden en de voedings- en verdeelkasten tenminste 20 jaar vormvast blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-69 Alle toegepaste materialen dienen corrosiebestendig te zijn, of hebben een corrosiebestendige oppervlaktebehandeling ondergaan die de corrosiebestendigheid gedurende de levensduur van de voedings- en verdeelkasten garandeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-70 Contactcorrosie mag niet optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-71 Alle bevestigingsmaterialen, die bij onderhoud of reparatie worden gedemonteerd, dienen gedurende de levensduur demontabel te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-72 Alle toegepaste materialen moeten gedurende de levensduur UV-stabiel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieu en duurzaamheid Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-73 In het ontwerp dient aantoonbaar rekening te worden gehouden met de beheer- en onderhoudskosten door optimalisatie van energiebesparing en duurzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-74 De voedings- en verdeelkasten dienen inclusief bevestigingsmaterialen en deur te worden vervaardigd uit recyclebaar kunststof of uit metaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-75 Er dienen geen milieubelastende coatings te worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-76 De voedings- en verdeelkasten voldoen aan de eisen die de EU-richtlijnen en -wetgeving op het gebied van de beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-77 De door de leverancier aan te bieden producten en diensten voldoen aan de geldende kwaliteit- en milieunormen. Daarnaast voldoen de producten en diensten aan de Nederlandse Arbo-wet- en -regelgeving, Nederlandse Milieuwet- en -regelgeving, de wet- en -regelgeving op het gebied van brandveiligheid en de relevante actuele aanvulling op deze wet- en regelgevingen. Eventuele wet- en regelgeving omtrent Arbo-, milieu en brandveiligheid dient ook te worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-78 De leverancier dient alle producten, indien van toepassing, in milieuvriendelijke materialen verpakt aan te leveren. Dat wil zeggen: dat er zo min mogelijk gebruik is gemaakt van schadelijke stoffen, zware metalen en fossiele brandstoffen, bij voorkeur bestaand gerecycled materiaal. De leverancier is verplicht verpakkingsmaterialen retour te nemen op het moment van levering, zonder additionele kosten in rekening te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-79 De leverancier zoekt actief naar duurzame oplossingen en adviseert de Opdrachtgever daar gevraagd en ongevraagd over.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-80 Het gebruik van duurzame, recyclebare en minder milieubelastende materialen dient te voldoen aan de ‘Nederlandse Emissie Richtlijnen’ (NER) en aan de Eural (Europese Afvalstoffenlijst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Garanties Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-81 De leeftijd van de door de leverancier geleverde producten en/of onderdelen dient te worden vastgesteld aan de hand van een duurzaam aangebrachte codering voorzien van leveranciersnaam, leveringsjaar en -kwartaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-82 De leverancier dient de goede werking en uitvoering van de door haar geleverde producten en onderdelen te garanderen. Alle geleverde producten worden door haar af fabriek gecontroleerd op juiste uitvoering en werking en als bewijs daarvan voorzien van een controlesticker. Deze sticker moet goed zichtbaar aan de binnenzijde van de armatuur zijn aangebracht en voorzien zijn van een controledatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-83 De leverancier dient garantie te verstrekken op de conservering van nieuw aan te leveren onderdelen. De garantie betreft de onderdelen die aan het “normaal“ milieu worden blootgesteld. Onder “normaal” milieu worden de omstandigheden bedoeld die om en nabij Amsterdam gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voedingskabels Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-84 Het eigen voedingsnet dient een herkenbare voedingskabel te hebben zodat het onderscheid tussen de OVL kabel en de overige kabels in de grond direct te maken is. Voor de openbare verlichting is een standaard kabelkleur genormaliseerd. Deze kleurstelling bestaat uit een grijze mantel met groene strepen. In een OVL kabel worden gietmoffen toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen algemeen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-85 Voedingskabel moet halogeenvrij zijn volgens NEN-EN 50267 3.1.4-86 Voedingskabel moet voldoen aan de IEC 60754 3.1.4-87 Voedingskabel moet voldoen aan de KEMA norm K-162 3.1.4-88 Voedingskabel is geschikt voor toepassing in de openbare verlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-89 Voedingskabel heeft KEMA-KEUR Eisen gebruik Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-90 De minimuminstallatie temperatuur bedraagt minimaal -20°C FE 3.1.4-91 De gebruikstemperatuur bedraagt bij vaste aanleg minimaal -20°C en max. +40°C omgevingstemperatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen elektronisch De elektronische eisen moeten worden nageleefd om er een veilig en werkbaar object van te maken. Het moet voldoen aan de geldende eisen zodat een daar toe gekwalificeerd persoon er veilig aan kan werken. De elektrische eisen zijn er tevens op gericht om duurzame en verantwoorde producten toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-92 De voedingskabel moet minimaal 1kV kunnen verdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-93 De voedingskabel is geschikt voor een maximale continue geleidertemperatuur van 90 °C en tijdelijk overbelastbaar tot 130 °C 3.1.4-94 Een drieaderige voedingskabel heeft de aderkleuren: bruin, zwart en blauw.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-95 Een vieraderige voedingskabel heeft de aderkleuren: bruin, zwart, grijs en blauw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen constructie Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-96 De geleiders zijn van blank rond koper en zijn rond.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-97 De aderisolatie is van gevulcaniseerd polythyleen (XLPE).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-98 De binnen- en buitenmantel is van Polyetheen (PE).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-99 De omvlechtinis van gegalvaniseerde staaldraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-100 De voedingskabel is voorzien van een aardlitze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen levensduur De totale kosten voor de openbare verlichting zijn aanzienlijk, daar waar een langere levensduur mogelijk is, levert dat een besparing op in het onderhouden en het vervangen van onderdelen van het voedingsnet. Onderstaande eisen zijn er dan ook op gericht om de levensduur zoveel mogelijk te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-101 De te verwachten levensduur van de voedingskabel bedraagt minimaal 40 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-102 De voedingskabel dient te worden vervaardigd uit recyclebare materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-103 De voedingskabel voldoet aan de eisen die de EU-richtlijnen en -wetgeving op het gebied van de beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-104 De te leveren voedingskabel voldoet aan de geldende kwaliteit- en milieunormen. Daarnaast voldoen de producten en diensten aan de Nederlandse Arbowet, Nederlandse Milieuwet en de wet- en –regelgeving op het gebied van brandveiligheid en de relevante actuele aanvulling op deze wet- en regelgevingen. Eventuele wet- en regelgeving omtrent Arbo-, milieu en brandveiligheid dient ook te worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-105 De leverancier dient alle producten, indien van toepassing, in milieuvriendelijke materialen verpakt aan te leveren. Dat wil zeggen: dat er zo min mogelijk gebruik is gemaakt van schadelijke stoffen, zware metalen en fossiele brandstoffen, bij voorkeur bestaand gerecycled materiaal. Leverancier is verplicht verpakkingsmaterialen retour te nemen op het moment van een levering, zonder additionele kosten in rekening te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-106 Het gebruik van duurzame, recyclebare en minder milieubelastende materialen dient te voldoen aan de Nederlandse Emissie Richtlijnen (NER) en aan de Eural (Europese Afvalstoffenlijst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluitkastjes Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-107 Zowel de netbeheerder van het gereguleerde voedingsnet als de gemeente Den Helder, als netbeheerder van het eigen voedingsnet passen de volgende aansluitkastjes toe:</p>\n<p class=\"lf-p\">Faget LS 94 of gelijkwaardig voor lichtpunthoogten kleiner dan 8m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Faget LS104 of gelijkwaardig voor lichtpunthoogten vanaf 8m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Faget LS100 of gelijkwaardig voor alle lichtpunthoogten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-108 Het aansluitkastje wordt direct achter het toegangsdeurtje tot mast aan een RVS montagerail (C-rail) met 2 hittebestendige glijmoeren M6 bevestigd. In een gevel voedings- en verdeelkastje is dit doorgaans op een watervaste hechtplaat. Het aansluitkastje dient volledig te zijn afgeschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-109 Het aansluitkastje dient te zijn voorzien van een trekontlasing voor voedingskabel en het aansluitsnoer voor het armatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-110 Het aansluitkastje dient geschikt te zijn voor een of meerdere zekeringen E27 DII.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-111 Het aansluitkastje dient te zijn voorzien van een automatische aarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-112 Het aansluitkastje dient te zijn voorzien van KEMA en CE-keurmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardelektroden Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.4-113 De aardelektrode dient een aardverspreidingsweerstand te hebben van Ra=25/I nominaal 3.1.4-114 Indien de kabellengte dusdanig is dat de weerstandwaarde in de aarddraad boven het niveau uitstijgt zal de kabel moeten worden aangesloten op een ter plaatse, of aan het eind van de kabel, aan te brengen aardelektrode.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4-115 Aardelektroden moeten bij inbedrijfname zijn gecontroleerd op een voldoende weerstandwaarde 4.3.2 Verkeersregelinstallaties (VRI) Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.3 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende bronnen, richtlijnen en wet- en regelgeving zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling Verkeerslichten NEN 1010 NEN 3140 De \"Standaard algemene, administratieve en technische besteksbepalingen voor verkeersregelinstallaties\" (Eisen Verkeersregelinstallaties 1997) Voor kabels en leidingen zie Bijlage 6 - Handboek Kabels en Leidingen 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 3.2-1 Rekening houden met voorzieningen voor mindervaliden Voor slechtzienden akoestisch signaal en trillende knop. Installaties dienen hier op te zijn voorbereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2-2 Bij voetganger en fietsoversteekplaatsen wachttijdvoorspellers toepassen 3.2-3 Geleiding naar drukknopvoorzieningen dient gewaarborgd te zijn Met name voor mindervaliden 3.2-4 Nieuwe installatie dienen te zijn voorzien van dataregistratie Aangesloten bij een verkeerscentrale via een online ontsluiting 3.2-5 Altijd detectielussen toepassen in het wegdek Voorkeur is vooraf inzagen onder de deklaag. Let op revisie 3.2-6 Belijning conform wettelijke regelgeving 3.2-7 Voetgangers en fietsoverstekken bepalen conform oversteekwijzer van de CROW 3.2-8 Revisie van installatie, kabels en leidingen, detectielussen dient aangeleverd te worden aan de beheerder van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2-9 Waar nodig kabels beschermen d.m.v. beschermflappen of mantelbuizen Schade aan kabels dient voorkomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2-10 Rekening houden met voorzieningen voor hulpdiensten en busverbindingen KAR systeem alleen toepassen op grote kruisingen 4.3.3 Marktkasten Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.3 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 3.3-1 Voor een schoon straatbeeld dienen er ondergrondse putkasten toegepast te worden met zo nodig een centraal geplaatste moederkast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nieuwe aanleg, de leverancier Putkasten toepassen o.g.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3-2 Installatie moet voldoen aan NEN normen 1010 en 3140.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3-3 Beheer op afstand moet mogelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aan-/uitzetten en het uitlezen van het energieverbruik dient per putkast mogelijk te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3-4 Ontwerp nieuwe installatie altijd in overleg met team openbare ruimte van de gemeente, vakgroep technische installaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3-5 Bij nieuwe installaties rekening met doelgroep/gebruikers en te leveren vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3-6 Bij nieuwe installaties rekening houden met activatie via code of pas.</p>\n<p class=\"lf-p\">De installaties dienen hierop voorbereid te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3-7 Locaties marktkasten zijn op te vragen bij de vakgroep technische installaties van team openbare ruimte van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3-8 Afdekking putkast in overleg met vakgroep technische installaties van team openbare ruimte van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.4 Laadpalen De eisen met betrekking tot laadpalen zijn te vinden in hoofdstuk 4.5.7 Laadpalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4Riolering De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken (zie ook bijlage 7 Programma van Eisen Rioolgemalen november 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende bronnen, richtlijnen en wet- en regelgeving zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidraad riolering Rioned Het vigerende GRP GWSW (Gegevens Woordenboek Stedelijk Waterbeheer) Keur HHNK Standaard RAW-bepalingen Kwalibo Relevante NEN-normen Algemene eisen en randvoorwaarden riolering Beleidsuitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4-1 Gemeente Den Helder gaat ervan uit dat bij nieuwbouw en/of renovatie zo veel als mogelijk gestreefd wordt naar de aanleg van een gescheiden stelsel. Gemengde stelsels (voor het inzamelen en gecombineerd afvoeren van huishoudelijk afvalwater en regenwater) worden niet meer aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-2 Bij het DT-riool (Drainage Transportriool) geldt, zo veel mogelijk draineren in de bodem en daarna op het oppervlaktewater lozen. Als een perceel aan het oppervlaktewater grenst,is deze verplicht op het oppervlaktewater te lozen en zij krijgen geen hemelwater aansluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In situaties waarbij sprake is van milieutechnische vervuiling (overslagterreinen/ brandstofdepots ev.) kan de gemeente een andere oplossing eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-3 Bij nieuwbouw of renovatie wordt er in stegen en brandgangen op gemeentegrond een DT-riool aangelegd met daarop kolken aangesloten. De afstand van kolk naar kolk is maximaal 50 m. De steeg moet minimaal 1,50 m zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-4 In het vrijverval riool moet bij ieder begin- en knikpunt een inspectieput geplaatst worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare ruimte Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4-5 Omdat werkzaamheden aan het rioleringsstelsel veel impact hebben in de openbare ruimte dient nagegaan te worden of de werkzaamheden integraal uitgevoerd kunnen worden. Dit teneinde de overlast voor de omwonenden zo veel als mogelijk te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden riool dus gelijktijdig met vervanging van de wegverharding, openbare verlichtng, groen en andere onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-6 Let in de voorbereidingsfase op kabels &amp; leidingen, archeologische sites/vondsten en andere ondergrondse infrastructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan in een later stadium veel problemen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-7 Openbare percelen waarin gemeentelijke riolen liggen worden in principe niet uitgegeven voor verkoop of verhuur. Bij eventuele verkoop en/of verhuur dient het aanwezige riool verplaatst te worden naar een locatie die wel bereikbaar blijft. De kosten voor het verplaatsen en/of aanpassen van het betreffende riool zijn ten laste van de perceelkoper.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.e.a. in overleg met de rioolbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-8 Niet werken binnen de kwetsbare boomzone – 1,5 meter buiten de kroonprojectie. Tijdens werkzaamheden worden bomen en de wortels niet beschadigd. Zie verder onder “bomen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten ontwerp Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4-9 Ten behoeve van de aanleg van de riolering dient het stelselkeuze, ontwerp en de bijbehorende berekening(en), in overleg en ter goedkeuring van de rioolbeheerder, gemaakt te worden. De berekening geeft naast de gegevens voor het aan te brengen stelsel, ook de gevolgen weer voor het betreffende bemalingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-10 Bij het ontwerp en berekening uitgaan van de “Kennisbank Stedelijk Water” uitgegeven door de stichting RIONED.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-11 De DWA-rioolstrengen dienen boven de Ø 600 mm (inw.) in beton uitgevoerd. Diameters tot en met Ø 600 mm moeten uitgevoerd worden in PVC of GVK.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-12 Bij het kruisen van leidingen, objecten en waterpartijen zijn geen zinkers toegestaan. Het hemelwater mag bij uitzondering zinkeren, hiervoor is toestemming nodig van de rioolbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-13 Per bemalingsgebied dient één of meerdere voorziening(en) te zijn aangebracht om ervoor te zorgen dat vuilwater niet op straat, of in een gebouw terecht kan komen. In principe zal dat hemelwater altijd naar het oppervlaktewater gaan. Voor huishoudelijk afvalwater (DWA) dient dit middels een nooduitlaat of drempel naar het RWA-stelsel. De hoogte van een nooduitlaat of drempel min. -0,20 m NAP dit i.v.m. fluctuaties in de boezem.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-14 Industrieel afvalwater en/of WKO :</p>\n<p class=\"lf-p\">In de industrie wordt op veel verschillende manieren gebruik gemaakt van water. De door de industrie afgenomen hoeveelheid drinkwater verschilt dan ook aanzienlijk per type bedrijf en de samenstelling van het afvalwater is vaak zeer specifiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is niet verplicht industrieel afvalwater in te zamelen en te transporteren.Dit gaat dan om de bescherming van de doelmatige werking van de riolering én de doelmatige werking van de zuivering technische werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijven / industrieën dienen zelf voor afvoer van het Industrieel,- bedrijfsafvalwater te zorgen. In uiterste geval kan de gemeente Den Helder een oplossing bieden om het afvalwater te mogen lozen op het gemeentelijk stelsel. Dit mag alleen als de lozer voldoet aan bepaalde voorwaarden (aansluitvergunning + eisen). Ook het lozen van periodiek proceswater uit o.a. een WKO (Warmte Koude Opslag) is vergunningsplichting. Periodiek lozingen van proceswater (WKO) zijn in de meeste gevallen zodanig dat de bestaande rioolgemalen de aanvoer niet tijdig kunnen verwerken. Oplossingen voor het lozen van WKO in deze zijn o.a.: • afvoer middels een buffer en/of</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>lozen in nachtelijke uren, tussen 22:00 en 06:00 De capaciteit (debiet) van het lozen wordt bepaald door de afmeting van het achterliggende gemaal en stelsel.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.4-15 In DWA-stelsels/ gemengd-stelsel moet het bodemverhang van het riool zo groot worden dat zoveel als mogelijk sedimentafzetting wordt voorkomen. Voor DWA-stelsels geldt een minimaal bodemverhang van 1:750 en een maximaal bodemverhang van 1:250.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-16 De minimale diameter van een DWA- of HWA rioolleiding is in verband met inspectie en onderhoud gehouden op Ø 250 mm. Huisaansluitingen uitvoeren in Ø 125 mm en bij een verzamel huisaansluiting(flats) Ø 160 mm. Verzamelhuisaansluitingen op een inspectieput aansluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-17 De afstand van de inspectieputten mag niet groter zijn dan 80 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-18 De standleiding op het hoofdriool uitvoeren in Ø 160 mm. Met de mogelijkheid om door te spuiten via een T-stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-19 Riolering zodanig diep leggen dat deze, gerekend ten opzichte van de bovenkant buis, minimaal een dekking hebben van 1,25m. ten opzichte van het maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4-20 Het streven is om zo min mogelijk gemalen toe te passen; liever een bemalingsgebied vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1 Droogweerafvoer (DWA) Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.1-1 De droogweerafvoer (DWA) wordt onderverdeeld in huishoudelijk afvalwater, industrieel afvalwater en “vreemd” water. Onder de laatste term wordt onder meer infiltrerend grondwater verstaan, dit komt voor bij oude gescheurde of lekke buizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1-2 Huishoudelijk afvalwater Bij het ontwerpen van rioolstelsels rekening te houden met een afvoer van huishoudelijk afvalwater gelijk aan 12 l/(inw.h). Hierbij wordt aangenomen dat de totale hoeveelheid huishoudelijk afvalwater van 120 l/(inw.dag) in 10 h wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor speciale gebouwen als kazernes, scholen, ziekenhuizen, sportcomplexen en dergelijke is het nodig het piekdebiet van het in het gebouw geloosde afvalwater te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijke douches in scholen of sportinstellingen en klimaatregelingsinstallaties lozen permanent gedurende een relatief korte tijd. Bij het berekenen van de afvoerleidingen wordt dan uitgegaan van een debiet gelijk aan de som van de lozingsdebieten van alle aangesloten toestellen. Met andere woorden: bepaal aan de hand van aangesloten toestellen het debiet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1-3 Lekwater:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oudere rioolstelsels zijn in veel gevallen niet zo waterdicht als ze wel behoren te zijn, wat kan leiden tot de in- of exfiltratie van water. Ook kunnen op sommige plaatsen overkluisde watergangen en drainage of bronnering deel uitmaken van de riolering, waardoor een extra debiet wordt aangevoerd. Bij het dimensioneren van een rioolstelsel of het uitvoeren van een controleberekening moet hier in voorkomende gevallen terdege rekening mee worden gehouden. Het gevolg is dat op jaarbasis vaak ongeveer 30% van het ingezamelde rioolwater afkomstig is van infiltrerend grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ontwerpen van rioolstelsels onder de grondwaterspiegel wordt daarom rekening gehouden met een infiltratie van ca. 0,2 m3 / km riool / per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialen DWA Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.1-4 PVC: buizen en hulpstukken dienen te voldoen aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ultra-3 buis, SN-8, BRL 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ultra-3 knevelinlaat, BRL 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">PVC, SN-8 (klasse 34), BRL 52200 met wijzigingsbladen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moffen en hulpstukken uitvoeren met een vaste rubber afdichtingsmanchet of indien noodzakelijk met een tokrolring.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1-5 GVK: (glasvezelversterkte kunststof), NEN 14692-4:2003.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1-6 Kunststofbuizen voor gemengde en DWA-riolen en – huisaansluitingen uitvoeren in de kleur bruin.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1-7 Moffen en hulpstukken uitvoeren met een vaste rubber afdichtingmanchet of indien noodzakelijk met een tokrolring.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2 Regenwaterafvoer (RWA) Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.2-1 Ten gevolge van de klimaatverandering worden de grondwaterfluctuaties veel groter. Met een Drainage Transport riool (DT) worden de hoogste en laagste pieken van de grondwaterstand als het ware afgevlakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de herfst en winter is de grondwaterstand vaak hoog, het DT riool functioneert dan als drain waardoor de hoge grondwaterstand sneller zakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierdoor zullen er minder problemen optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij neerslag dient zo veel mogelijk regenwater in de ondergrond te infiltreren. Het aanleg van een “wadi” kan hier bij helpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De DT-riool leidingen altjd vlak en onder het waterspiegel aanleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2-2 Hydraulische berekeningen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hemelwaterstelsel moet worden gedimensioneerd met bui 08 uit de Kennisbank Stedelijk Water, tijdens deze bui moet de waking minimaal 0,20 m bedragen, Verder wordt het stelsel op eventuele knelpunten getoetst aan de hand van zwaardere controlebuien (bui 09 en bui 10 uit de Kennisbank Stedelijk Water).</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialen RWA Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.2-3 DT-riool met omhulling, rechte gesleufde buismet een ringstijfheidsklasse: SN 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dubbelwandig: inw. glad / uitw. geribbeld en gesleufd Sleufbreedte: 5,0-7,0 mm Sleuflengte: 150 mm Aantal sleuven in omtrek: 4 Gesleufd oppervlak: 205920 mm² Bergend volume: 581 ltr/m¹ Kleur: groen (RAL 6024) Omhulling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal: polypropyleen vezels O90 waarde (EN ISO 12956): 700 μm Fixatie drainagedoek met band en netkous Verbinding buizen d.m.v. aangevormde mof met rubbermanchet, uitwendig geribd Mof voorzien van gesculpte inloop Leveranties DT-Buis met KOMO -certificaat (BRL 52250) Rondom het DT-riool 40 cm drainzand aanbrengen met een gemiddelde korrelgroote van &gt; 250 μm Diameter DT-riool max. Ø 600 4.4.2-4 Als er alleen een DWA riool of een dichte HWA aangelegd word, is het wenselijk om een drainageleiding mee te geleggen. Dit moet dan een dubbelwandige PE-STRABUSIL-buizen zijn, type TS, toepassen. Inwendig glad, waarvan 61 % van de omtrek is geperforeerd. Minimale inwendige diameter 150 mm. De buizen omhullen met polypropyleen-vezels type 700 µm 4.4.2-5 Verbindingen in PE-STRABUSIL-buizen uitvoeren met moffen met klikverbinding. De omhulling met behulp van tape zanddicht aansluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2-6 De RWA riolen en kolkleidingen, alsmede regenwaterleidingen voor percelen uitvoeren in de kleur grijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3Kolken Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.3-1 Kolken dienen te zijn voorzien van een achter-aansluiting rond 125 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-2 Kolken dienen te zijn voorzien van een zandvang van minimaal 25 liter en stankslot.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-3 De kolk dient te passen bij de toegepaste of aanwezige kantopsluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-4 Kolken toepassen in de volgende samenstelling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Highline PVC 315 onderbak ZW met gietijzeren kop, tweedelig In de binnenstad kolken toepassen met vergrendelbare deksel toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-5 Maximaal 2 kolken op 1 standpijp aansluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-6 Bij wegen per zijde van de weg kolken plaatsen, maximaal op 20 meter h.o.h. plaatsen in de rechtstand. In bochten h.o.h 18 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-7 Bij grotere verhardingsoppervlakken zoals pleinen maximaal 150 m2 verhard oppervlak aansluiten op 1 kolk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-8 Kolken niet tegen een verkeersdrempel aan plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-9 Geen kolken voor inritten plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-10 Kolken in bermen naast verharding dienen te worden voorzien van 1,0 m2 straatwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3-11 Het reinigen van een kolk moet op een dusdanige wijze uitgevoerd worden dat er geen schade aan de kolk en of appendages ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4 Lijngoten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.4-1 Vanuit beheer oogpunt zijn lijngoten niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al er wel lijngoten toegepast dienen te worden dan dienen deze onderhouden te kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4-2 Bij lange lijngoten om de 20 meter een aansluiting maken op het riool.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4-3 Lijngoten dienen gesteld te worden in een zandcement stabilisatie en te zijn voorzien van een steunrug aan beide zijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet op het zand stellen. Dit gaat verzakken. Let ook op de verwerkingsvoorschriften van de leverancier 4.4.4-4 Lijngoten dienen te zijn uitgevoerd in beton gietijzer combinatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen kunststof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4-5 Boomwortel ingroei dient voorkomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4-6 Keuze type lijngoot dient te zijn afgestemd met de rioolbeheerder van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lijngoot dient toegankelijk te zijn voor een zuigbuis van 130 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4-7 De lijngoot dient afgestemd te zijn met de verkeerklassen en type weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.5Stelselkeuze Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.5-1 Bij nieuwbouw en renovatie wordt gescheiden riolering aangelegd. Afhankelijk van de lokale situatie wordt bij renovatie toegestaan dat dakvlakken worden aangesloten op het vuilwater riool. Wel krijgen de percelen twee gescheiden aansluitpunten. Te zijner tijd zal het gescheiden aanbieden verplicht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.5-2 Bij het ontwerp van een nieuwe (inbrei)locatie of vervanging dient het gehele bemalingsgebied opnieuw doorgerekend te worden. Bij deze berekening dient expliciet gelet te worden op aanwezige leidingdiameters, de stroomsnelheid (&gt;= 0,7 m/s vrij-vervalleidingen) en aanwezige pompcapaciteiten (Q/H - kromme). Ook de aanwezige overstortlocatie(s) dienen gecontroleerd te worden. Bij het (her)berekenen van een stelsel (bemalingsgebied) dient uitgegaan van de eerder beschreven ontwerppunten in ontwerp en inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassingen aan het bestaande stelsel, ten gevolge van een locatieontwikkeling, komen in eerste instantie ten laste van deze nieuwe locatieontwikkeling. Dit geldt ook voor mogelijke aanpassingen aan gemalen en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6Overstorten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.6-1 Overstorten zoveel mogelijk situeren aan groot en goed doorspoeld water. Mits dat geen nadelige gevolgen heeft voor de risico’s op wateroverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6-2 Contact en vergunning traject dient te zijn afgestemd met de waterkwaliteitsbeheerder (HHNK).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6-3 Overstorten die op oppervlaktewater lozen altijd voorzien van uitstroomvoorziening (met vuilrooster alleen in HWA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstroomvoorziening dient aan te sluiten op de plaatselijk situatie zoals talud e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstroomvoorziening dient aan te sluiten op de plaatselijk situatie zoals talud e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6-4 De overstortvoorziening dient te zijn voorzien van een overstortmuur met een minimale hoogte van 0,30 m ten opzichte van het hoogste gemiddelde oppervlaktewaterpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6-5 Overstorten dienen hydraulisch berekend te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de name breedte en lengte van de overstortmuur dient berekend te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6-6 Indien de valhoogte meer dan 1,5 m is dient er op de uitstroomvoorziening een valbeveiliging geplaatst te worden in de vorm van een hekwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conformeren aan vigerend bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7Wadi’s Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.7-1 De primaire functie van een wadi is bergen en vervolgens infiltreren In specifeke situaties kan een drainerende werking gekozen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7-2 De secundaire functie van een wadi is de zuiverende functie van (regen)water Afstomend (verharde) oppervlakken voeren hiermee niet direct af op oppervlakte water 4.4.7-3 Ontwerp van een klimaat adaptieve wadi met inheemse beplanting ter bevordering van biodiversiteit, beperken hitestress, verbeteren luchtkwaliteit en wateropname (waterberging) door de planten zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bijlage met inheemse beplantng is nog in ontwikkeling 4.4.7-4 In wadi’s bij voorkeur geen verblijfs- en/of speelvoorzieningen realiseren Als gevolg van (regen)waterafvoer raakt de toplaag verontreinigt met bacteriën en virussen, welke maag en darmklachten kunnen veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7-5 Een wadi is zo aangelegd dat de maximale ledigingstijd 24 uur bedraagt, aangetoond middels de K-waarde k-waarde toplaag tussen 0,5 – 1,5 m/dag 4.4.7-6 Talud uitvoeren in ten minste 1:3, met een maximale waterstand van 0,30 m Max. waterstand in verband met verdrinkingsgevaar van (kleine) kinderen 4.4.7-7 Een wadi dient een overstortvoorziening te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorkeur de overstort aansluiten op oppervlakte water, daarna op HWA leiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4-8 Wadi dient voor onderhoud en schouwen bereikbaar te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaar voor onderhoudsmaterieel 4.4.7-9 De definitieve afwerking van wadi’s na het bouwrijp maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de bouwfase tijdelijke voorzieningen voor opvang hemelwateren beperken inzet zwaar materieel 4.4.7-10 Ontwerp van de wadi ter acceptatie voorleggen aan de vakgroep riolering en groen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een berekening, situatie &amp; profiel tekeningen en onderhoudsmaatregelen zijn minimaal vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7-11 Na aanleg controle van de infiltratie capaciteit en ter acceptatie voorleggen aan de vakgroep riolering en -groen van de gemeente Validatie of het gerealiseerde voldoet aan de uitgangspunten van het ontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8Rioolstelsel Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.8-1 Onder op staal gefundeerde riolen moet tenminste 0,30 m zand aanwezig zijn indien daaronder een niet draagkrachtige laag aanwezig is. Als deze laag zand wordt aangebracht tijdens de uitvoering van het werk moet de norm voor de geprognosticeerde restzetting zoals hiervoor bedoeld met 0,10 m worden verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-2 Het ontwerp moet passen in de bestaande situatie (b.o.b’s etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-3 Overstort- en uitstroombakken standzeker aanleggen door middel van paalfunderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-4 Indien mogelijk dienen er een of meerdere kolken aangesloten te worden op de eind put t.b.v. doorstroming in de buis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen toepassen in een beginput op het hoogste punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-5 De sleuf aanvullingen aanbrengen in lagen van maximaal 0,30 m en per laag verdichten. De bij de ontgraving gescheiden gehouden grondsoorten terugzetten in de volgorde waarin ze uit de sleuf zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-6 Op het riool, aan de bovenzijde, en eventueel in de inspectieputten voldoende inlaten maken ten behoeve van huis- en kolkaansluitingen. Per 25 m riool minimaal één extra opzetter aanbrengen ten opzichte van het berekende benodigde aantal. De standleiding van deze inlaten minimaal een diameter van 160 mm geven. Per opzetter mag niet meer dan één vuilwater-huisaansluiting of twee kolkleidingen worden aangesloten. Extra inlaten op een betonnen riool dienen direct op een put te worden aangesloten. Extra inlaten op een kunststofriool dienen met minimaal 50 cm tussenruimte te worden uitgevoerd. Huisaansluitingen onder asfalt dienen direct op de put te worden aangesloten d.m.v. een nevenriool, liggend buiten de asfaltverharding, welke direct op een inspectieput aansluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-7 Eventuele aansluiting(en) van een persleiding op het gemeentelijk vrij-vervalriool dienen in overleg en onder toezicht van de rioolbeheerder worden uitgevoerd. De aansluiting(en) dienen zodanig gemaakt dat de lozing van het rioolwater uit de persleiding altijd onder water plaats vindt. Dit om het vrijkomen van H2S te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-8 De ontgravingen droog maken en droog houden tot de uitgevoerde rioolwerken zijn geïnspecteerd en goedgekeurd door de opzichter. Bij toepassing van bronnering de daarvoor benodigde vergunningen verzorgen en de werken melden aan daarvoor in aanmerking komende instanties (o.a. Hoogheemraadschap (melding lozing bronbemaling), gemeente Den Helder afdeling TOR; Belastingdienst; Provincie (Provinciale grondwaterverordening)).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-9 De hoogte van de inspectieputten zodanig kiezen dat daarop een putrand met deksel kan worden geplaatst met een door middel van steens metselwerk op te vullen stelmogelijkheid van circa 0,40 m. De putten opmetselen met eerste soort waalformaat (miskleurige) metselklinkers. Het metselwerk geheel berapen en vertinnen. De inspectieputdeksel moet geheel op het metselwerk rusten. De binnenwerkse maat van de opmetseling moet gelijk zijn aan de binnenwerkse maat van de putrand. Voor het op hoogte brengen van de putrand mogen betonnen stelringen worden gebruikt, maximale dikte 0,10 m en voor de bovenste ring maximaal 0,05 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-10 Inspectieputten dienen altijd toegankelijk zijn voor camera-inspecties. Dus niet in parkeervakken of in een bosschage.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8-11 Bij reconstructies dienen de oude (vervallen) voorzieningen zoveel als mogelijk en in overleg met de rioolbeheerder, uit de ondergrond verwijderd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Riolen, nieuw en/of bestaand, gelegen in de openbare ruimte hebben ruimte nodig voor onderhoud c.q. vervanging. De benodigde ruimte voor het vervangen of onderhoud gaat in principe uit van een open ontgraving waarbij het talud 1:1 is (45°).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9Uitvoering Kunststof inspectieputten en doorspuitputten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.9-1 Polyetheen put met een vlakke bodem en stroomprofiel met bankets, minimale diameter 800 mm, voor drainputen 600 mm, met verbeterd stroomprofiel, putmanchet DN600 met mogelijkheid van opvang van 300 mm zetting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-2 Betonnen afdekplaat 900 x 900 mm, dik 200 mm, opening met middellijn 635 mm met bijpassende rubberring en gietijzeren rand en deksel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-3 Klasse: zwaar verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-4 Drainageleiding(en) aansluiten op HWA i.c.m. doorspuitput.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betonbuizen Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.9-5 Beton: de buizen en hulpstukken van ongewapend, gewapend en staalvezelbeton dienen te voldoen aan de NEN-EN 1916.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-6 Betonbuizen voorzien van een recht of verjongd spie-eind. Verbinding door middel van bijbehorende glijring van styreenbutadieenrubber (SBR). Karakteristieke sterkteklasse C45/55, Milieuklasse XA3. Cementsoort: Hoog sulfaatbestendig. Het geheel (buis en glijverbinding) moet waterdicht zijn en geschikt voor transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-7 Rioolbuizen met diameter 600 en hoger toepassen met gewapende betonnen buis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betonnen inspectieputten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.9-8 Betonnen inspectieputten met minimaal een inwendige diameter of breedte van 0,80 m. Putten voor vuilwater voorzien van een stroomprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-9 De geprefabriceerde betonnen inspectieputten dienen te bestaan uit een onderbak en een bovenstuk met mangat en eventueel met een tussenstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderbak met constructief stroomprofiel (C45/55) en eventueel constructieve hoekverdraaiing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horizontale afdichting door middel van een geïntegreerd hoogwaardig rubber profiel (glijverbinding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakteristieke sterkteklasse C45/55, Milieuklasse XA3. Cementsoort: Hoog sulfaatbestendig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hijsvoorziening door middel van minimaal 4 stuks universele kogelkop-hijsankers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspectieput dient in zijn geheel waterdicht te zijn en geschikt voor transport van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-10 De buizen en putten KOMO-KIWA keuren. Een kopie van het keuringsrapport afgeven aan de projectleider van de gemeente Den Helder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-11 In de putten de benodigde moffen instorten. Op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen tevens de nodige moffen voor huis- en kolkaansluitingen aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Putranden en deksels Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.9-12 Geheel gietijzeren rand met bijbehorend deksel / kneveldeksel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Afm. gij rand onder: 735 x 735 mm Afm. gij rand boven: 610 x 610 mm Afm. gij deksel: Ø 520 mm 4.4.9-13 ‘Gij’rand met deksel hoog 175 mm en geschikt voor zwaar verkeer. (D-400 kN), Rammelvrij massief Gij deksel op rubber oplegging (SBR rubber).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen van self-level put in asfalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9-14 De toe te passen putrand voorzien van de opschriften VW, RW of DR (VW voor gemengde stelsels). De putrand van een rioolgemaal voorzien van opschrift RG.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.10 Rioolgemalen Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.10-1 Pompputten conform LIOR (PvE) gemalen gemeente Den Helder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Bijlage 7 – Programma van eisen rioolgemalen november 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11 Huis- en kolkaansluitingen Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.11-1 De binnen-onderkant van de huis- en kolkaansluitingen bij de aansluiting op het riool niet dieper leggen dan 0,20 m. boven het polderpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijken van deze maatvoering mag alleen in overleg met en na toestemming van de beheerder rioleringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-2 Huis- en kolkenaansluitingen maximaal 45 graden-bochten gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met reiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-3 De minimale dekking op de huis of kolkaansluitingen, voor zover gelegen in de toekomstige gemeentegrond is 0,50 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-4 Ter plaatse van de gevel alsmede nabij de eigendomsgrens (in toekomstige gemeentegrond) moet de DWA-huisaansluiting voorzien zijn van een ontstoppingsstuk waarbij de 1e 50 cm de scheiding is tussen particulier en gemeentelijk riool als de gevel de erfgrens is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-5 Huis- of kolkaansluitingen op een gemeenteriool moeten door of onder toezicht van de opzichter worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-6 Niet-gefundeerd riool aansluiten op gefundeerd riool of rioolput met twee keer 1 meter buizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-7 Houdt op een buis bij niet fabrieksmatige aangebrachte inlaten een minimale afstand van 1,0 m aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-8 Een inlaat aanbrengen op “12 uur”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-9 Zetting zo veel mogelijk opvangen d.m.v. inlaten met zettingsmogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-10 Standpijpen minimaal uitvoeren in rond Ø 160 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-11 Perceelaansluitingen uitvoeren in PVC.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-12 Diameters:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een huisaansluiting heeft een maximale diameter van 200 Riolering kleiner dan 200 worden gezien als huisaansluiting a. Huisaansluiting woning: minimaal Ø 125 mm b. Huisaansluiting appartementencomplex + DWA bedrijven: minimaal Ø160 mm c. Kolkaansluiting tot max. 2 kolken: Ø125 mm 4.4.11-13 Voor iedere huisaansluiting dient er een controleput geplaatst te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.11-14 HWA en DWA dient tot de erfgrens gescheiden aangeboden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.12Oplevering Tekeningen en kleurcode Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.12-1 Bij iedere aanpassing aan het rioolstelsel, zowel bij herstel, aanpassing of nieuwbouw, dient een revisietekening aangeleverd te worden. Op deze revisietekening(en) dient de nieuwe situatie in ‘het veld’ getrouw weergegeven te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de duidelijkheid van de tekening te verbeteren dient de ondergrond op de tekening in grijs te zijn weergegeven. De riolering dient vervolgens in kleur op deze ondergrond ingetekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen kleuren zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergrond:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grijs Gemengd stelsel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht Groen Vuilwaterstelsel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bruin Hemelwaterstelsel en DIT-riool:</p>\n<p class=\"lf-p\">Donker Blauw HWA - Kolk- en huisaansluitingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht Blauw Persleiding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Donker Groen Drainage:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oranje Bestaande stelsel (aansluitingen):</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwart Vol geschuimde en/of weesleidingen: Paars De kleur van de tekst, putten, kolken en andere onderdelen komt overeen met de kleur van het leidingtype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opleveringsinspectie en overdracht Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.12-2 Tijdens de uitvoering dienen van het nieuwe rioolstelsel, camera-inspecties geleverd te worden. Dit dient uitgevoerd te worden zodra een gedeelte van het stelsel is aangelegd en de sleuf is gevuld en verdicht. Deze camera-inspectie dient vervolgens zo spoedigst mogelijk door de aannemer aan de opdrachtgever, ter controle, ter beschikking te worden gesteld. De rioolbeheer geeft na 5 werkdagen een go/no go.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele gebreken dienen per omgaande hersteld te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.12-3 Bij de overdracht van werken dienen tevens de volgende stukken aangeleverd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorspronkelijk bestek en tekeningen, aangevuld met nota van inlichtingen(analoog);</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledige nieuwe camera-inspectie van het gehele werk. Dit tenzij de inspecties tijdens de uitvoering geen gebreken aan het licht brachten. De inspecties dienen conform het laatst geldende SUF- format aangeleverd te worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Revisietekeningen van het rioolwerk, conform hoofdstuk 7.1 in .REV (Kikker / Brutis) en/of Autocad .DWG;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens / keuringsnormen van de toegepaste materialen in PDF;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportages van de werk- en bouwplaats besprekingen in PDF;</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Riolering Omschrijving Uitleg Afvalwater Verontreinigd water dat wordt geloosd door huishoudens, bedrijven en instellingen Gemaal buitengebied Rioolgemaal toegepast in gebieden waar een vrij verval riool niet mogelijk is en economisch niet rendabel Gemengd stelsel Rioleringsstelsel waarbij het afvalwater en regenwater door het zelfde buizenstelsel worden ingezameld Gescheiden stelsel Rioleringsstelsel waarbij afvalwater en regenwater door afzonderlijke buizenstelsels worden ingezameld. Het afvalwater wordt afgevoerd naar een RWZI. Het regenwater rechtstrees afgevoerd op het oppervlaktewater DT-riool Is een hemelwatertranssportriool met drainerende eigenschappen Kruisingsputten Betreft een put waarbij een leiding met een andere afvalstroom door de put heen gaat. In een kruisingsput kruisen twee leidingen elkaar die geen verbinding met elkaar hebben Overstort is een kunstwerk met als doel het afvoeren van pieken in overtollig rioolwater vanuit de riolering naar het oppervlaktewater Rioolgemaal Een gemaal in een vrij vervalstelsel om het water te transporteren naar een ander stelsel of persleiding 4.5 Straatmeubilair De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene eisen en randvoorwaarden wegen en verhardingen Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5-1 Gelijke oplossingen voor gelijke plekken binnen de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5-2 Uniformiteit in de buitengebieden voor alle elementen, de kernen mogen hun eigen identiteit uitstralen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5-3 Geen uitloogbare materialen toepassen 5-4 Straatmeubilair dient uniform, onderhoudsvriendelijk en duurzaam te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp van het straatmeubilair dient van hoge kwaliteit te zijn. Dat houdt in: grote mate van uniformering over de wijk, goed te onderhouden, ingetogen ontwerp, met een hoge duurzaamheid van het materiaal. Met een ingetogen ontwerp wordt bedoeld terughoudend en trendongevoelig in kleur, materiaal en vormgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">5-5 Bebording en straatmeubilair wordt alleen geplaatst of vervangen als dit functioneel is. Indien de functie voor straatmeubilair is vervallen of komt te vervallen dienen de objecten verwijderd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5-6 Zoveel mogelijk integreren van straatmeubilair binnen de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Straatmeubilair aanbrengen passend bij de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">5-7 Zorg voor een goede aansluiting van straatmeubilair op de bestrating zodat onkruidgroei wordt tegengegaan en dat rondom de plaatsing machinaal kan worden geveegd en gemaaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1 Verkeersmeubilair Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.1-1 Verkeersmeubilair dient zoveel mogelijk bevestigd te worden op aanwezig straatmeubilair of lichtmasten, zonder dat dit effect heeft op de levensduur van beide objecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1-2 Bevestigingsmiddelen zijn vervaardigd van aluminium. Bijbehorende schroefmaterialen zijn vervaardigd uit RVS.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1-3 Verkeersmeubilair bevestigen aan civiele kunstwerken is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1-4 Verkeersmeubilair dient het zicht van weggebruikers niet te belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1-5 Het ontwerp moet zodanig zijn, dat het gebruik van anti-parkeermaatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.1 Verkeersborden Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.1.1-1 Alle te leveren verkeersborden voldoen aan relevante vigerende Europese en nationale wet- en regelgeving (bijvoorbeeld RVV 1990, NEN 3381, NEN-EN 12899-1, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-2 Alle verkeersborden worden uitgevoerd met retro-reflecterende folie van minimaal reflectieklasse III.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-3 Alle verkeersborden dienen van aluminium te zijn en voorzien van een dubbel omgezette rand (DOR).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-4 Alle verkeersborden dienen uitgevoerd te worden met de juiste maatvoeringsklasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-5 Kleurstelling DOR passend bij de kleurstelling van het beeldvlak. Het is toegestaan dat de DOR aan de achterkant van het verkeersbord dezelfde kleur heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-6 De achterzijde van het verkeersbord, exclusief de DOR is voorzien van een poedercoating in de kleur grijs conform het RVV 1990.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-7 Verkeersborden dienen volgens de uitvoeringsvoorschriften van het BABW inzake verkeerstekens te worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regels ten aanzien van afstanden, hoogtes, aantallen, toepassing 5.1.1-8 Integreer de plaatsing van verkeersborden in het inrichtingsplan door het opstellen van een bebordingsplan. Het plaatsen van bebording vindt plaats door middel van een bebordingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met name bij herinrichtingen, nieuwe wijken etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-9 Verkeerstekens bij voorkeur zonaal toepassen Bv. Parkeerverbodszone / snelheidszone 5.1.1-10 Bewegwijzering wordt daar geplaatst, waar dat uit verkeerstechnisch oogpunt en in het algemeen belang noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1-11 Plaatsing conform de geldende verkeerswetgeving (RVV).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.2 Verkeerspalen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.1.2-1 In geval van ijzeren palen zijn deze thermisch verzinkt volgens NEN 1461 5.1.2-2 Zowel ijzeren als aluminium palen zijn van de bovenzijde van de paal dient afgedicht(gelast) of afdichtbaar(dop) te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.2-3 De palen zijn voorzien (losse of vaste) buisankers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.3 Straatnaamborden Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.1.3-1 Voor straatnaamborden worden de landelijke normen gevolgd (NEN 1772, 1956).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-2 Straatnaamborden zijn gelakt in RAL5017 en voorzien van Klasse 3 folie conform Ultimate Signing 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-3 Straten dienen te zijn voorzien van straatnaamborden nabij de overgang tussen verschillende straten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-4 Straatnaamborden dienen goed zichtbaar te zijn vanaf de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-5 Straatnaamborden moeten voldoen aan NEN-1772+C1:2014nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-6 De onderkant van het straatnaambord hangt minimaal op 2,20m hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-7 Straatnaamborden worden alleen bij hoge uitzondering aan de gevel gehangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-8 Keuzeschema straatnaambord zijstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere uitwerking (Bij vlaggende straatnaamborden voor zijstraten die niet aan de eis (50cm uit as) kunnen voldoen, is bestaand verkeersmeubilair in de zijstraat het eerste alternatief. Deze moet wel binnen 10 meter van de kruising staan. Als dat niet mogelijk is, kan de straatnaambord tegendraads vlaggend worden geplaatst.) 5.1.3-9 Straatnaamborden worden geplaatst bij alle voetpaden, fietspaden en wegen waar een adres aan gesitueerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3-10 Huisnummering bij straatnaamborden wordt terughoudend geplaatst. Alleen als de nummering van de straat niet logisch of vanaf eigen erf niet goed kan worden vormgegeven, kan er worden overwogen om de straatnaamborden te voorzien van nummering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2 Afschermvoorzieningen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.2-1 Afschermvoorzieningen op rijbaan of fietspad dienen voorzien te zijn van goede reflectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2.1 Palen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.2.1-1 Uitneembare palen in voetgangersgebieden waar verkeer kan komen dienen van thermisch verzinkt staal te zijn en rood /wit gecoat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.1-2 Vaste en uitneembare palen in fietspaden dienen van meebuigend kunststof te zijn uitgevoerd in de kleuren rood/wit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.1-3 Bij uitneembare palen dient in overleg met de gemeente het type sleutel te zijn bepaald Wijkbeheer/Handhaving: te bepalen 5.2.1-4 Palen worden zeer terughoudend geplaatst, tenzij strikt noodzakelijk i.v.m. veiligheid en beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Palen worden zo min mogelijk toegepast om gedrag te regelen (bv. Anti-parkeerpalen of anti-inrijpalen). Voorbeelden waar wel palen worden toegepast is op hoeken van straten (bescherming gevels) of afzetting van voetgangersgebieden 5.2.1-5 Doorgang voor fietsers bij palen zo breed mogelijk. Voorkeur van 1,60 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere uitwerking vereist. Toepassing van palen in fietspaden bij verschillende breedtes 5.2.1-6 Inleidende ribbelmarkering bij fietspalen noodzakelijk 5.2.1-7 Het plaatsen van bermblokken, bloembakken en varkensruggen wordt zeer terughoudend toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2.2 Hekken Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.2.2-1 Hekken worden zeer terughoudend geplaatst. Alleen daar toepassen waar dat uit oogpunt van beheer of (verkeers)veiligheid strikt noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bv. afsluitingen van stegen in verband met veiligheid; hekwerken bij b.v. uitgangen van scholen; als brugleuning en walafscheiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.2-2 Plaats verharding onder hekwerken in verband met beheer en onderhoud (bv. Maaiproblemen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3 ABRI’s Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.3-1 Maatvoering van bushaltes volgens de richtlijnen van de provincie zoals genoemd in de Haltetoegankelijkheid, Provincie Noord-Holland en volgens CROW publicatie 233.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3-2 Bushaltes niet combineren met andere voorzieningen (bv. Ophaalpunten afvalbakken) 5.3-3 Bushaltes vormgeven zoals is vastgelegd in het aanbestedingscontract.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.4 Fietsvoorzieningen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.4.1 Fietsparkeervoorzieningen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.4 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.4.1-1 Het “nietje” is het standaard rek (voor de binnenstad), uitgezonderd plekken waar de fietsparkeerdruk zeer hoog is. Daar wordt de tulp toegepast. Nietjes en tulp mogen nooit door elkaar op een locatie worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.1-2 Plaats fietsklemmen conform richtlijnen ASVV en houd onder andere rekening met een vrij doorloop- en uitrijruimte achter de fietsen 5.4.1-3 Nietjes worden standaard op onderlinge afstand van 90 centimeter geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van een fietsparkeervoorziening mag de doorgang van voetgangers en mindervaliden niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.1-4 Geen onbehandeld zink. Bestand tegen vernieling door fietsdiefstal en corrosiebestendig 4.5.4.2 Fietssluizen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.4 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.4.2-1 Fietssluizen worden zeer terughoudend geplaatst. Alleen daar toepassen waar dat uit oogpunt van beheer of (verkeers)veiligheid strikt noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.2-2 Fietssluizen moeten conform de richtlijn ‘voetpaden voor iedereen’ worden geplaatst, zodat de toegankelijkheid wordt geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.5 Banken Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.5-1 Plaats banken afwisselend in zon, schaduw en beschutting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5-2 Zorg voor een verhard looppad naar bankjes 5.5-3 Plaats geen banken onder beplanting in verband met regen en algenaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5-4 Geen tropisch hardhout of hout zonder FSC keurmerk toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5-5 Zithoogte tussen de 0,43 en 0,47 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5-6 Leg verharding onder de bank aan in verband met onderhoud, dus geen banken op het gras plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.6 Afvalinzameling Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.6-1 Geen afvalinzamelingslocaties waarbij de toegang tot straatpotten, afsluiters, brandkranen etc. belemmerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-2 Geen afvalinzamelingslocaties waarbij de hoofdroute voor het verkeer volledig geblokkeerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-3 Hulpdiensten mogen nooit belemmerd worden doordat er een lediging van afval plaatsvindt. uitzonderingen dienen in kaart gebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-4 De locatie mag niet belemmerend zijn voor de doorgang van weggebruikers. zoals rolstoelgebruikers, kinderwagens, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-5 De locatie mag niet belemmerend zijn voor de doorgang van fietsers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing bij fietsstroken moet voorkomen worden. Indien er sprake is van een fietssuggestiestrook geldt dit niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-6 De locatie moet altijd bereikbaar zijn voor mindervaliden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar nodig dienen maatregelen genomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-7 De afstand tussen het hart van de inzamelvoorziening en de voorgevel van een gebouw dient tenminste 6 meter te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-8 De afstand tussen de inzamelvoorziening en een blinde zijgevel van een gebouw dient tenminste 3 meter te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij dat door de fysieke omstandigheden ter plekke niet mogelijk is; in dat geval geldt een minimale afstand van 1 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-9 Tussen de inzamelvoorziening en de groenvoorziening moet een strook van 60 cm verharding worden aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-10 Het rijden over de inzamelvoorziening door motorvoertuigen dient voorkomen te worden door middel van een belemmering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-11 Binnen een straal van 1 meter van de inzamelvoorziening mag geen gelegenheid zijn tot het parkeren van motorvoertuigen of andere voertuigen die een belemmering kunnen vormen voor het legen van de inzamelvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling van een geschikte containerlocatie dient het opofferen van parkeerplaatsen zoveel mogelijk voorkomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6-12 Er mogen geen hoge objecten zoals bomen, lichtmasten en dergelijke aanwezig zijn die een belemmering kunnen vormen voor het legen van de inzamelvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.6.1 Onder- en bovengrondse containers Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.5 en 4.5.6 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.6.1-1 Ondergrondse-/bovengrondse containers worden gebruikt voor gescheiden inzamelen van rest en afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Papier, GFT, plastic, glas, textiel 5.6.1-2 De betonnen onderbak van ondergrondse containers zijn van de gemeente. De technische installatie is van de inzamelaar HVC.</p>\n<p class=\"lf-p\">HVC zamelt het afval in tot 2030. De technische installatie wordt bepaald door HVC. Zie Bijlage 5 – Type ondergrondse container voor het meest gebruikte type.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-3 De locatie van ondergrondse containers (2,5 meter x 2,5 meter) dient vrij te zijn van kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de eerste inventarisatie van mogelijke locaties voor ondergrondse restafvalcontainers-op-afstand, zal voor de aanwezigheid van kabels en leidingen gebruik worden gemaakt van de KLIC-kaarten van de ondergrond. Wanneer de locaties definitief zijn bepaald, kan - indien er twijfel bestaat - door middel van proefsleuven de daadwerkelijke situatie ter plaatse met betrekking tot kabels en leidingen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-4 Hulpdiensten mogen nooit belemmerd worden doordat er een lediging van een container plaatsvindt. uitzonderingen dienen in kaart gebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-5 De dichtheid waarin de ondergrondse restafvalcontainers-op-afstand zullen worden geplaatst is 1 container op maximaal 125 huishoudens.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-6 Het streven is dat de afstand van een woning naar de dichtstbijzijnde inzamelvoorziening voor restafval maximaal 250 meter is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand is bij gestapelde bouw gemeten vanaf de centrale entree tot de inzamelvoorziening en bij laagbouw vanaf de dichtstbijzijnde erfgrens tot de inzamelvoorziening. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de daadwerkelijke looproute. In bijzondere situaties kan worden afgeweken van de hiervoor genoemde normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-7 Bij plaatsing van containers worden bomen en groen ontzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bomen geldt dat er niet gegraven mag worden binnen de kroonprojectie met daarbij een minimale graafafstand vanaf de stam van 2,5 m. Hiermee wordt onherstelbare schade voorkomen en kunnen we ook in de toekomst voldoende stabiliteit voor de boom garanderen 5.6.1-8 Bestrating aan de rijzijde van ondergrondse containers dient in dikke tegels of betonstraatstenen uitgevoerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 cm tegels, dubbelklinkers, betonstraatstenen. Overwegen of de fundering ook verbeterd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-9 De inzamelvoorziening moet zodanig gelegen zijn dat het inzamelvoertuig altijd in voorwaartse richting kan aan- en wegrijden. bij een doodlopende weg moet het eind zijn voorzien van een draaipunt ten behoeve van het inzamelvoertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-10 De inzamelvoorziening mag geen belemmering vormen voor de verkeersveiligheid ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzamelvoorziening niet in een scherpe of onoverzichtelijke bocht plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzamelvoorziening is niet op of direct bij een kruising gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties afstemmen met de verkeerskundigen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-11 De inzamelvoorziening moet zodanig gelegen zijn dat het inzamelvoertuig niet over geparkeerde voertuigen manoeuvreert (kraant).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-12 De afstand van de zijkant van het inzamelvoertuig tot het hart van de container mag maximaal 5 meter zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1-13 De betonnen onderbak van ondergrondse containers zijn van de gemeente. De technische installatie is van de inzamelaar HVC.</p>\n<p class=\"lf-p\">HVC zamelt het afval in tot 2030. De technische installatie wordt bepaald door HVC. Zie Bijlage 5 – Type ondergrondse container voor het meest gebruikte type.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.7 Laadpalen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.7-1 De locatie van de laadpaal ligt binnen een afstand van 25 meter van een laagspannings-netwerkkabel 5.7-2 De locatie is zo gekozen dat binnen een straal van 250 meter voorzien wordt in een mogelijke toekomstige vraag naar openbare laadinfrastructuur 5.7-3 De locatie ligt in de buurt van een publiekstrekkende voorziening waarvan het aannemelijk is dat deze bezocht wordt door een relatief hoog aandeel gebruikers van elektrische voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast streven naar een dekkend netwerk 5.7-4 De locatie staat bij voorkeur tegen een blinde gevel en aan de straatzijde van gebouwen 5.7-5 De laadpaal staat niet in de nabijheid van andere objecten zoals bomen, containers en straatmeubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7-6 De locatie is zo gekozen dat bewoners in de nabijheid geen hinder ondervinden van de ledverlichting in de laadpaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7-7 De primaire functie van de aangrenzende weg en het trottoir blijft behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8-8 De locatie is goed zichtbaar en makkelijk vindbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8-9 Er is voldoende looproute rondom de laadpaal (minimaal 90cm) 4.5.8 Reclameobjecten (MUPI’s en A0) Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.5 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 5.8-1 De reclamevitrine in de abri bedoeld voor het dragen van reclameboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8-2 Vaststelling van locaties voor reclame-objecten (binnen A0, ABRI en MUPI) wordt binnen de aanbestedingscontracten vastgesteld 5.8-3 Verder dienen deze objecten te voldoen aan de plaatsings- en kwaliteitscriteria 5.8-4 Wildplakborden en voorzieningen worden niet meer toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Kabels en leidingen De technische voorwaarden met betrekking tot kabels en leidingen zijn te vinden in Handboek Kabels en Leidingen (zie ook Bijlage 6 – Handboek Kabels en Leidingen 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Sport en spelen De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene eisen en randvoorwaarden sport en spelen Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 7-1 Er dienen duurzame materialen toepast te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duurzaamheid in slijtvastheid en milieueffecten. Materialen van hout moeten zijn voorzien van een FSC keurmerk en mogen niet zijn voorzien van giftige stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7-2 Bij alle onderdelen van sport en spelen dienen duurzame materialen toegepast te worden waarbij minimaal onderhoud per jaar benodigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7-3 Kwaliteit en uitvoering dient altijd in overleg afgestemd te zijn met Team openbare ruimte van de gemeente Den Helder.</p>\n<p class=\"lf-p\">7-4 Geen giftige beplanting toepassen bij sport en speellocaties binnen een straal 25m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt voor alle sport en speelvoorzieningen inclusief sportcomplexen, Cruyff Courts etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groen 7-5 Bij de toepassing van materialen mogen er geen uitloging en schadelijke stoffen vrij komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7-6 Rekening houden met toegankelijkheid mensen met beperking (rolstoeltoegankelijk, visueel beperkte mensen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt voor alle sport en speelvoorzieningen inclusief sportcomplexen, Cruyff Courts etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">7-7 Sport en speelvoorzieningen afstemmen op inrichting van de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.1 Sportcomplexen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.7 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 7.1-1 Uitvoering sportcomplexen en sportvelden conform richtlijnen NOC*NSF en Handboek Sportaccommodaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.1.1 Cruyff Courts Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.7 en 4.7.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 7.1.1-1 Cruyff Court dienen aangelegd te worden conform de vastgestelde richtlijnen en leveranciers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2 Sport –en speelvoorzieningen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.7 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 7.2-1 Speelplekken dienen goed (veilig) bereikbaar te zijn voor de doelgroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de actieradius van doelgroep, kan die doelgroep het onder normale omstandigheden bereiken, en kan de doelgroep het (verkeers-)veilig bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-2 Speelplekken dienen aan te sluiten op de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met name kleurstelling, materiaalgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-3 De locatie van speelplekken en voorzieningen mogen bij normaal gebruik geen overmatig overlast veroorzaken voor de buurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld overmatig geluidsoverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-4 Conflicterende belangen (honden/verkeer/etc. &lt;-&gt; spelen) dienen beperkt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-5 Er dient een diversiteit in aanbod te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik, uitstraling, leeftijd, type spelen, functionaliteit etc. Voorkeur voor toestellen die uitnodigen tot bewegen (bijv. fietstoestel waar met trapbeweging een fontein gaat spuiten, een windmolentje gaat draaien of een lampje gaat branden. Geen geluiden!).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-6 Omgeving in combinatie met speelvoorzieningen moet te beheren zijn. De speelvoorziening dient bereikbaar te zijn voor het benodigde materieel voor het onderhoud en beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-7 Kwaliteit en uitvoering in overleg met Team Openbare Ruimte van de gemeente Den Helder.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-8 Er dient ruimte te zijn voor informele objecten in het straatbeeld(de straat is de speelplaats).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals aanleidingen in straatwerk. Hinkelbaan, knikkerpot, betonblokken etc. (niet zijnde een speelplek of toestel).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-9 Bij speelplekken langs een rijweg dient afgewogen te worden of deze afgeschermd dient te worden doormiddel van een hekwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegen of een speelplek op deze locatie wel wenselijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-10 Bij het toepassen van speel -en sport toestellen dient rekening gehouden te worden met de privacy van omwonenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen hoge toestellen direct naast een schutting.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-11 Sport en speelvoorzieningen afstemmen op inrichting van de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2-12 Er mogen geen zandbakken worden aangelegd/ontworpen in de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zijn te kostbaar nemen te veel onderhoud met zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.1 Ondergronden Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.7 en 4.7.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 7.2.1-1 De ondergrond bij sport- en speelvoorzieningen dient een minimale levensduur te hebben van een gemiddeld speeltoestel (&gt;10 jaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-2 Bij de situering van speeltoestellen (en de daarbij behorende ondergronden) in de buurt van bomen rekening houden met de normen uit het Normenboek bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groen 7.2.1-3 Uitgangspunt bij sport- en speelvoorzieningen binnen woonwijken is het toepassen van een vaste ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij parken en plantsoenen kan hier in overleg met de beheerder van afgeweken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-4 Zo min mogelijk losse ondergronden (zand, grind, schors, e.d.) toepassen in verband met vervuiling (scherpe voorwerpen, uitwerpselen).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-5 Ondergronden dienen te voldoen aan de wettelijk verplichte valdemping.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-6 Geen losse ondergronden in woonbuurten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-7 Ondergronden dienen ten minste een levensduur te hebben van 10 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-8 Ondergronden dienen duurzaam in onderhoud te zijn waarbij minimaal onderhoud per jaar nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-9 Bij de toepassen van ondergronden dienen duurzame materialen te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekening houden met circulaire economie, minimale ecologische footprint.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-10 De toegepaste ondergrond dient onderhouden te kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterdoorlatende ondergronden bij sportkooien moeten periodiek gereinigd en doorlaatbaar gehouden worden. Gras om en onder toestellen moet gemaaid kunnen worden. Hiervoor (gangbaar) benodigde machines moeten op normale wijze plek kunnen bereiken en werk kunnen uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-11 Ondergronden dienen te voldoen aan de Europese standaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-12 Ondergronden dienen qua kleur en materiaal te zijn afgestemd op de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In natuurlijke omgeving ook eerder gebruik maken van natuurlijke (natuurlijk aandoende) materialen. In ieder geval zorgen voor een harmoniërende kleur (geen felle kleuren).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1-13 Bij kunstgras in gras dient een maairand toegevoegd te worden van steen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rand ongeveer 30 cm breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.2 Hekwerken Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.7 en 4.7.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 7.2.2-1 Hekwerken terughoudend toepassen. Alleen toepassen als de situatie daartoe dwingt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor veiligheid (waarbij gebruikers niet zomaar de straat op kunnen rennen), het tegen gaan van misbruik en vandalisme, of tegen overlast (ballenvangers).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.2-2 Hekwerken mogen niet beklimbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.2-3 De hoogte dient afgestemd te zijn op het beoogde doel van het hekwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.2-4 Speelterrein of toestellen dienen onderhouden te kunnen worden. De toegang dient geregeld te zijn d.m.v. poort of toegangshek.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.2-5 Hekwerken dienen duurzaam te zijn met een minimale levensduur van 10 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.3 Sportkooien Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.7 en 4.7.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 7.2.3-1 Voor ondergronden zie hoofdstuk 4.7.2.1 Ondergronden 7.2.3-2 Er dienen geluidsarme afschermingen te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.4 Sport -en speeltoestellen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.7 en 4.7.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 7.2.4-1 Voor ondergronden zie hoofdstuk 4.7.2.1 Ondergronden 7.2.4-2 Speeltoestellen dienen gecertificeerd te zijn volgens Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4-3 Sporttoestellen dienen een minimale levensduur te hebben van 10 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4-4 Sporttoestellen dienen te voldoen aan de Europese standaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4-5 Geen toestellen onder de kroonprojectie van bomen indien daarmee de beklimbaarheid van bomen ontstaat via het toestel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4-6 Bij beklimbare bomen geen obstakels (toestellen) onder de kroonprojectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4-7 Direct na plaatsing van een toestel de logboek gegevens (dat is inclusief technische beschrijving!) aanleveren/digitaal beschikbaar stellen bij/aan betreffende toezichthouder gemeente of databeheerder Team Openbare Ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4-8 Glijbanen niet richten op het zuiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ter voorkoming van het heet worden van het glijoppervlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4-9 Bij voorkeur geen houten speeltoestellen toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7.2.5 Natuurlijk spelen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.7 en 4.7.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 7.2.5-1 Natuurlijk spelen moet de gebruiker uitdagen om de natuurlijke omgeving te gebruiken als speelaanleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedenk goed wat het inlevingsvermogen kan zijn bij het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.5-2 Ondergrond bij natuurlijk spelen uitsluitend van natuurlijke materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder hoofdstuk 4.7.2.1 Ondergronden 4.8 Civiele kunstwerken De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene eisen en randvoorwaarden civiele kunstwerken Code Eis Toelichting / verwijzing 8-1 Voor bruggen, viaducten, tunnels en duikers dient een kunstwerknummer te worden aangevraagd bij de gemeente Den Helder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan weerszijde van het kunstwerk dient een plaatje te worden aangebracht met het kunstwerknummer. Wit met zwarte letters 8-2 Kunstwerken dienen duurzaam, vandalismebestendig en onderhoudsarm te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-3 De classificatie van de weg en het gebruik dient te zijn afgestemd op het kunstwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-4 Het wegprofiel, met obstakelvrije ruimte over en onder het kunstwerk dient te zijn doorgezet in dezelfde maatvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-5 De vormgeving, het kwaliteitsniveau en de constructiewijze van het kunstwerk dienen in overeenstemming te zijn met het karakter en de functies van de omgeving waarin het kunstwerk wordt geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemmen met stedenbouwkundige van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-6 Zichtbaar beton en metselwerk dient behandeld te zijn met antigraffiti-middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-7 Vrije doorgang onder kunstwerken zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Doorvaarthoogte vaarroutes minimaal 1,50 m</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Drijvend vuil minimaal 0,30 m</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Maaiboot minimaal 1,25 m</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Voetganger minimaal 2,50 m</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Schaatsers minimaal 1,40 m</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Fietsers minimaal 2,50 m</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wegverkeer minimaal 4,25 (lokale wegen)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wegverkeer minimaal 4,60 m (doorstroom wegen Doorvaarthoogte dienen ook te voldoen aan de eisen van het HHNK.</div>\n<p class=\"lf-p\">8-8 Innovatieve materialen van hout zijn bespreekbaar ter vervanging van tropisch hardhout.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorkeur geen tropisch hardhout toepassen. Wanneer er geen alternatieven zijn dan ten minste hout uit productiebossen toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-9 Toe te passen materialen mogen niet uitlogen in de ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-10 Bij toepassingen van staal dient het staal thermisch verzinkt te zijn met poedercoating Thermisch verzinken volgens NEN normeringen Voorbehandeling elektrostatische laag poedercoating, minimaal 60 micrometer Elektrostatische laag poedercoating (polyester-TGIC minimaal 60 micrometer) 8-11 Gebruik thermisch verzinkt staal met verfsysteem Conform NPR 8-12 Gebruik bij niet thermisch verzinkt staal met verfsysteem Conform Standaard RAW bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwerpfase Code Eis Toelichting / verwijzing 8-13 Constructies dienen inspecteerbaar te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-14 Er dienen ontwerp- en constructieberekeningen gemaakt worden 8-15 Gehele constructie waterdicht en afwaterend ontwerpen, inclusief aan te brengen voegconstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-16 Ontwerpen en berekeningen dienen vooraf bij de beheerder civieltechnische kunstwerken ter goedkeuring aangeboden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-17 Beschoeiing onder en rondom het kunstwerk dient ten minste zo lang mee te gaan als de levensduur van het kunstwerk zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-18 Zowel in lengte- als dwarsprofiel afwaterend construeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-19 Hemelwater afkomstig van de constructie dient zodanig afgevoerd te worden dat geen aantasting of vervuiling van het object plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-20 De volgens levensduur voor materialen toepassen. a. Betonbruggen en viaducten 60 jaar. b. Staalconstructies vaste bruggen 100 jaar. c. Staalconstructies beweegbare bruggen 100 jaar. d. Stenen bruggen &gt; 100 jaar. e. Houten bruggen &gt; 25 jaar. f. Bruggen en steigers kunststofdek 60 jaar. g. Vernieuwen houten dek 25 jaar (druk bereden) 30 jaar (nominaal). h. Vernieuwen anti sliplaag vaste bruggen 5 jaar (druk) 25 jaar (nominaal). i. Vernieuwen anti sliplaag houtendek 8-10 jaar (druk) 10-15 jaar (weinig). j. Vernieuwen anti sliplaag kunststofdek 8 jaar (druk) 10-13 jaar (weinig). k. Vernieuwen anti sliplaag stalendek 15 jaar (druk) 20 jaar (weinig). l. Rijweg overgangen 10 jaar. m. Geluidsschermen 60 jaar. n. Onderhoudsvrije periode 15 jaar. (Groot onderhoud) 8-21 Vooraf moeten vergunningen en/of ontheffingen geregeld worden voor de aanleg van het kunstwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud Code Eis Toelichting / verwijzing 8-22 Kunstwerken dienen 1 keer per 5 jaar geïnspecteerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Constructies en kwaliteit conform geldende richtlijnen 8-23 Leuningen dienen voldoen aan de geldende richtlijnen Conservering Code Eis Toelichting / verwijzing 8-24 Verfsysteem conform geldende ARBO- en milieuwetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-25 Reinigingsmethode reiniging met heet water onder hogedruk dient mogelijk te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8-26 Geen invloed van UV belasting (geen verkleuring van het systeem).</p>\n<p class=\"lf-p\">8-27 Stalen onderdelen dienen thermisch verzinkt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.1 Bruggen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.8 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 8.1-1 Opleggingen van landhoofden en tussensteunpunten mogen niet in de grond zijn verwerkt Dit i.v.m. rotten van het hout 8.1-2 Houten (fiets en wandel) bruggen zo lang mogelijk in stand houden 8.1-3 Nieuwe bruggen in hardhout uitvoeren FSC keurmerk. Geen kunststof. Dragende delen kunnen in staal worden uitgevoerd 8.1-4 Houten bruggen niet schilderen 8.1-5 Schilderwerk van stalen onderdelen van bruggen dient onderhouden te zijn 8.1-6 Fiets- en voetpaden over een brug dienen te zijn voorzien van gekleurde slijtlagen, resp. rood en grijs 4.8.2 Duikers &gt;1000 mm Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.8 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 8.2-1 Zorg dat tenminste 30% of 0,25 m van de duiker boven water ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2-2 Zorg dat het onderhoudsmaterieel bij de waterkant kan komen indien de duikers niet doorvaarbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de duikers niet vanaf het water te onderhouden zijn, plaats dan bomen en andere objecten 10 m van elkaar af. Zodat een kraan er tussen door kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2-3 Bekijk of een vuilrooster noodzakelijk is. Pas alleen roosters met verticale spijlen toe, opdat de duiker met een hark kan worden schoongemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2-4 Zorg dat bij duikers in de bebouwde kom eventueel kabels en leidingen over de duiker heen kunnen worden geplaatst 8.2-5 Bij duikerlengtes &gt;15 m een tussenput toepassen 4.8.2.1 Doorvaarbare duikers Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.8 en 4.8.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 8.2.1-1 Pas doorvaarbare duikers toe in de hoofdwatergangen in verband met beheer vanaf het water.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.3 Tunnels en viaducten Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.8 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 8.3-1 Hemelwater in eventuele onderdoorgang, bergen in kelder met zandvang en via pomp en leidingstelsel afvoeren 8.3-2 Alle tunnels en onderdoorgangen dienen te zijn voorzien van stootplaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3-3 Toepassen van brandwerende en brandvertragende plafonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3-4 Vanuit alle verkeersruimten goed zicht op voet- en fietspaden in de tunnel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3-5 Verlichting; functioneel en effectief volgens BPR en NEN normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleur wit licht, kleurherkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3-6 Bevorderen reinheid: het ontwerp ontmoedigt rommel in hoeken, graffiti, hangjeugd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3-7 Geen terugvallende nissen in de tunnelwanden Deuren dienen gelijk met de wanden te worden uitgevoerd 8.3-8 Het ontwerp dient vandalisme bestendig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8.4 Remming- en geleidewerken Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.8 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 8.4-1 De ontwerpeisen in “Richtlijnen vaarwegen RVW 2005” zijn van toepassing 8.4-2 Opbouw in secties zodanig dat bij schade een sectie eenvoudig vervangen kan worden 4.9 Water en oevers De LIOR is top-down samengesteld. Dit houdt in dat op hoofdstukniveau eisen en randvoorwaarden worden omgeschreven die gelden voor de onderliggende deelhoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9-1 Toe te passen materialen moeten duurzaam zijn Lange levensduur, FSC, duurzame voetprint.</p>\n<p class=\"lf-p\">9-2 Materialen mogen niet uitlogen of verkleuren door weersinvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.1 Oeverbescherming Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.9 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.1.1 Kademuren Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.9 en 4.9.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.1.1-1 Kademuren moeten constructief voldoen aan alle wet en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inclusief alle benodigde vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.1.2 Beschoeiing Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.9 en 4.9.1 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.1.2-1 Beschoeiing alleen plaatsen wanneer er geen talud van ten minste 1:2 gerealiseerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorkeur talud 1:3 zonder beschoeiing 9.1.2-2 Beschoeiing dient vervangen te worden wanneer er geen grondkerende functie meer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.2-3 Beschoeiing maximaal 30 cm boven het water plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders wordt het een damwand of keermuur die verankert moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.2-4 Houten beschoeiing met planken voorzien van een geotextiel. De constructie moet aantoonbaar gronddicht zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kunststof profielen hoeft dit vaak niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.2 Baggerwerk en waterbodems Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.9 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.2-1 Watergangen dienen ten minste een diepte te hebben conform het Leggerprofiel van HHNK. Tot maximaal een diepte tot de vaste bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2-2 Een vijver of waterpartij dient ten minste 80 cm diep te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.2.1 Rietoevers Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.9 en 4.9.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing Raakvlakken 9.2.1-1 Rekening dient gehouden te worden met doorzicht en zichtpunten van en naar het water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groen 9.2.1-2 Op ongewenste locaties geen rietkragen tot ontwikkeling laten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.1-3 Natuurlijk ontwikkeling heeft de voorkeur boven aanplanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar dit gewenst is rietkragen spontaan laten ontwikkelen 9.2.1-4 Riet alleen actief aanplanten als het nodig is voor de oeverbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties met steile oevers en hoeken om erosie tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.1-5 Bedekking houtige opslag in de rietoever dient minder dan 5% te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verspreid mogen er boom en struikvormers voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.2.2 Bloemrijke oevers Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.9 en 4.9.2 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.2.2-1 Natuurlijke ontwikkeling van vegetatie heeft de voorkeur boven aanplanten of inzaaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is een zo schraal mogelijke bodem.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.2-2 Bij inzaaien alleen mengsels met gebiedseigen soorten toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg met de groenadviseur Team Openbare Ruimte 9.2.2-3 Bedekking houtige opslag in de rietoever dient minder dan 5% te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verspreid mogen er boom en struikvormers voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.3 Kleine duikers &lt;1000 mm Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.9 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.3-1 Pas bij niet doorvaarbare duikers een minimale inwendige diameter toe van 600 mm. Pas een grotere diameter toe indien voor de afvoercapaciteit van de sloot dit noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dammen in greppels mag hiervan afgeweken worden met een minimale inwendige diameter van &gt;200mm. Bij duikers in het stedelijke of agrarisch watersysteem dienen deze te voldoen aan de eisen van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3-2 Binnen bovenkant van de duiker tenminste 30% of 0,25 m boven water.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3-3 Pas in ecologische verbindingszones duikers toe i.c.m. fauna-passerende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3-4 Bekijk of een vuilrooster noodzakelijk is. Pas alleen roosters met verticale spijlen toe, opdat de duiker met een hark kan worden schoongemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3-5 Zorg dat bij duikers in de bebouwde kom eventueel kabels en leidingen over de duiker heen kunnen worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenminste 80 cm dekking op de duiker t.b.v. K&amp;L 9.3-6 Bij knikken in de duiker en bij lengten groter dan 15m inspectieputten plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3-7 Geen hemelwaterriolen aansluiten op duikers 9.3-8 Een duiker dient te allen tijde bereikbaar te zijn voor onderhoudsvoertuigen vanaf het land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is onderhoud vanaf het land en niet vanaf het water.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3-9 Betonnen duiker ø 800 mm lengte maximaal 15 m Bij langere lengtes tussenput plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3-10 Duikers in hoofdwatersystemen, afmetingen vaststellen in overleg met hoogheemraadschap 4.9.4 Voorzieningen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.9 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.4-1 Voorzieningen dienen te allen tijde bereikbaar te zijn voor onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4-2 Bevestigingsmiddelen verzinkt aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4-3 Bevestigingsmiddelen en stalen onderdelen dienen thermisch verzinkt te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4-4 Geen uitlogende materialen toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.4.1 Vis- en kanosteigers Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.9 en 4.9.4 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.4.1-1 Uitvoeren in kunststof. KLP of gelijkwaardig Duurzame materialen toepassen met minimale levensduur van 60 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.1-2 Indien de (vis)steiger rolstoeltoegankelijk is dan een leuning aanbrengen van 45 cm hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgang voetpad steiger naadloos en vlak uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.1-3 Tussen de steiger en de wal een beschoeiing aanbrengen met een levensduur minimaal dezelfde als de steiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitspoeling dient voorkomen te worden 9.4.1-2 Aanleghoogte maximaal 30cm boven gemiddelde waterpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.1-4 Een radkeerder en een aanlegring aan de waterzijde van de steiger aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.1-3 Breedte steiger minimaal 1,0 m. Bij een hoogteverschil met de wal breder uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9.4.2 Aanlegsteigers Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.9 en 4.9.4 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.4.2-1 Tussen de steiger en de wal een beschoeiing aanbrengen met een levensduur minimaal dezelfde als de steiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.2-2 Rekening houden met de eisen van de vaarwegbeheerder 4.9.4.3 Stuwen Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.9 en 4.9.4 zijn ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Code Eis Toelichting / verwijzing 9.4.3-1 Achter- en onderloopsheid dient voorkomen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.3-2 Duurzame materialen toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hardhout (FSC) of kunststof 9.4.3-3 Altijd in overleg met HHNK gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afmetingen en bediening e.d. afstemmen met HHNK 9.4.3-4 Wanneer mogelijk een stuw combineren met een duiker 4.9.5 Flora- en faunamaatregelen</p></div>", "next": 239803}