{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid) kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zedelijkheid (openbare orde) Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een 'zedelijkheidsaspecť hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen, omdat het om 'vestiging' gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningenniveau bij standplaatsen (openbare orde) In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het is nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de Dienstenrichtlijn niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOODFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip \"samenscholing\" is ontleend aan artikel 186 van het Wetboek van strafrecht: \"Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maansen of geldboedte van de tweede categorie.'' Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid in het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende) ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de APV bevat de bevoegdheid tot het geven van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via artikel 6:1 van de APV. In artikel 6:1 van de APV worden op overtreding van de artikelen in de APV een straf van een hechtenis van ten hoogste drie maanden en een boete van de tweede categorie gesteld. Overtreding van artikel 2:1, tweede lid, valt hier ook onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 van de APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. De hieronder aangehaald uitspraken hebben daarop geen betrekking. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Optochten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openabre manifestaties (Wom).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wom wordt in het eerste lid \"openbare plaats\" gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 Wom volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 Wom kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 Wom bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 Wom de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare en andere dan openbare plaatsen Artikel 1, eerste lid, Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen ''dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats ''open staat'' betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats''.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen \"openbare plaatsen\". Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip \"openbare plaats\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. \"De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt\", aldus de memorie van toelichting (Kamerstukken Z/1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatiepiassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip \"openbare plaats\" ook een aantal \"besloten plaatsen\" als bedoeld in artikel 6, tweede lid. Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken Z/1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Betoging Het begrip betoging behoeft enige toelichting. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als: een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memorie van toelichting bij de Wom geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (Kamerstukken ii 1986/87, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen \"menigte\" nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (Kamerstukken il 1975/76, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip \"betoging\" meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen (Kamerstukken /Z1976/77, 13872, nr. 7, p. 33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso's, is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a Wom (Kamerstukken I11985/86, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo'n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke bevoegdheden Los van zijn bevoegdheden krachtens de Wom, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet.. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijl&lt; plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Daarnaast kan de burgemeester naar aanleiding van de kennisgeving op grond van artikel 5 van de Wom voorschriften of beperkingen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo'n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken Vijfde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een al te strikt vasthouden aan de kennisgevingstermijn verhoudt zich slecht tot de grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde betogingsvrijheid. De burgemeester kan daarom in bijzondere omstandigheden – bijvoorbeeld bij spontane manifestaties – afwijken van de kennisgevingstermijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Polderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Van deze in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er \"geen gebruik van enige betekenis\" overblijft. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondwet luidt als volgt: 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. 2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending. 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden. 4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame. De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is lettertijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Feest, muziek en wedstrijd e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Vertoningen op openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Muziek maken kan een evenement zijn, zie artikel 2:24. Echter het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde geldt voor straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid van de Grondwet. Het begrip \"openbaren van gedachten of gevoelens\" moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid. Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid. Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6 (Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen) is dat uitgewerkt in een verbod met een ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd. Op grond van het derde lid kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling in de Algemene wet bestuursrecht biedt ook de mogelijkheid de Lex Silencio Positivo actief van toepassing te verklaren. In dit artikel wordt dit gedaan voor straatartiesten. Doorgaans wordt het optreden als straatartiest niet als een hinderlijke activiteit ervaren. Er is derhalve geen dwingende reden van algemeen belang aanwezig die deze activiteiten in de weg kunnen zitten. Paragraaf 4.1.3.3. wordt van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10a</span><span class=\"lf-art-t\">Straatreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204 m.nt. W.F. Prins).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:13</span><span class=\"lf-art-t\">Veroorzaken van gladheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen ofte snoeien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:16</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare straatkolken e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ziet er op toe dat te allen tijde gebruik van de openbare nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij calamiteiten snel kan worden opgetreden. Tevens kan met deze bepaling vandalistisch gedrag worden bestreden. Het verbod geldt - vanzelfsprekend - niet voor degene die handelingen verricht aan de nutsvoorzieningen in opdracht van de beheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:17</span><span class=\"lf-art-t\">Kelderingangen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen en natuurterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span><span class=\"lf-art-t\">Vallende voorwerpen (vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken, verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 2:23 gelt voor alle in de gemeente aanwezige voor het publiek toegankelijke ijsvlakten. Het is daarbij niet relevant onder wiens beheer (provincie, waterschap, gemeente) de desbetreffende ijsvlakte valt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In artikel 2:24 is gekozen voor de zogenaamde negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (\"namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak\") wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoop- en theatervoorstellingen. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de bepalingen niet voor warenmarkten. Indien het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h g van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening. Uitgebreide informatie over markten is te vinden in de Marktverordening gemeente Zuidplas.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor evenementen in openbare inrichtingen is geen evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund op grond van artikel 2:28, en voor zover die evenementen tot de toegestane exploitatievorm behoren. Een en ander doet niets af aan de voorschriften ten aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en in hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze APV. Deze voorschriften blijven onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9 (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportwedstrijden worden niet als een evenement aangemerkt, tenzij het gaat om free fight, vale tudo, cage fight, kickboksen, MMA en al hun vergelijkbare varianten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Herdinkingsplechtigheid Gezien het feit een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze expliciet als evenement genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Braderie Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet Optochten Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso's enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, vallen niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wom van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feest, muziek Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningsplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een \"besloten\" karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeester en wethouders kan bij feesten die aan te merken zijn als evenementen en waarvoor geen dus vergunning vereist is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten en het daar vigerende bestemmingplan dit gebruik niet toelaat. Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en verkeersoverlast. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een optreden van een bekende band) zijn vergunningplichtig. Wanneer een feest al dan niet besloten \"op of aan de weg\" plaats vindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25. Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de APV geven het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de APV in de vergunning worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wedstrijd op of aan de weg Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel 2:24, tweede lid, onder d. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: a. voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; b. voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente. Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd: het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade; het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de vergunning op te nemen. Als de organisator deze voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog verboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 en wordt hier in voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994, dan is artikel 2:25 niet van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:25. Op grond van de artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld \"vossenjachten\", droppings e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een al te strikt vasthouden aan de voorwaarden uit het derde lid voor een klein evenement kan bij geringe afwijkingen van het bepaalde in lid 3 onder a en onder e en bij het ontbreken van een vermoeden van een mogelijke verstoring van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en/of milieu leiden tot een onnodige administratieve last voor de burger. In dergelijke gevallen kan de burgemeester het evenement evenwel aanmerken als klein evenement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijvoorbeeld de hele gemeente, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt. Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden. In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid tot en met het derde lid Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rol van de burgemeester De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip \"toezicht\" is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1. Awb. Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen. Wanneer de burgemeester voornemens is een evenement te verbieden, is het zaak dat dit van een goede motivering is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansprakelijkheid Voorop staat dat de vergunninghouder of organisator zelf, of degene die bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich vervolgens verwenzenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ 1972, 278) Is van overeenkomstige toepassing op de houder van de evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder. Een dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal voorwaarden: a. de voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling. b. de voorschriften moeten redelijkenwijs nodig zijn in verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8. c. de voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de burgemeester aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt en zich niet hoeft te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004, inzake Rockbitch, LJN-nr A08495. Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De aan de vergunning te verbinden voorschriften gesteld in het zesde lid kunnen onder meer betrekking hebben op de plaats, het tijdstip en de \"inrichting\" van het evenement, het maximaal toe te laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator zelf te nemen maatregelen ter waarborging van openbare orde en veiligheid, de verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven, het activiteitenprogramma, het veiligheidsplan, een inzetschema met betrekking tot het aantal verkeersregelaars en hekken- en bordenplan, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de \"inrichting\" wordt bedoeld de indeling van het evenemententerreinen de opstelling van de diverse voorzieningen ten behoeve van het evenement, zoals toiletten, (drang)hekken, podia en tribunes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen en bestemmingsplan Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren. Dus is strijd met het bestemmingsplan geen weigeringsgrond in de zin van de APV. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft echter met betrekking tot het houden van terugkerende, meerdaagse evenementen geoordeeld dat bij evenementen die naar omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie hebben die in strijd is met het bestemmingsplan, handhavend moet worden opgetreden. Een uitzondering vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval niet regelmatig worden herhaald. Artikel 17 WRO, bedoeld als planologische vrijstelling voor tijdelijke activiteiten, kan hierop worden toegepast. Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen planologische vrijstelling vereist. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning vereist op grond van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, brandveiligheid enz. Het is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen op het water Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water voor de openbare weg groot zijn moet de vergunningverlener bij de waterbeheerder advies inwinnen over de voorwaarden waaronder een evenement nautisch gezien verantwoord doorgang kan vinden. Er dient bijvoorbeeld nagegaan te worden of afsluiting van waterwegen nodig zijn of dat er borden geplaatst moeten worden. Het is ook verstandig om bij het waterschap na te gaan of er in de Waterschapswet bepalingen zijn opgenomen inzake het houden van evenementen op het water. De vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de waterpolitie over de openbare orde en veiligheid. Voor partyboten moet de organisator in ieder geval een evenementenvergunning aanvragen bij de gemeente waar het schip aanlegt om de passagiers aan boord te laten gaan en tevens een vergunning bij de gemeente waar het schip eindigt om de passagiers van boord te laten. Voorts ook overal waar het schip tussentijds aanlegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen en vuurwerk Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een vergunning aanvragen. Op grond van het Vuurwerkbesluit stelt de provincie onder meer regels over de opslag van het vuunwerk en de afstand bij het afsteken tot het publiek. De politie stemt met de ontbrander de vervoersroute af. De provincie neemt contact op met de gemeente voor de door de burgemeester af te geven verklaring van geen bezwaar. De burgemeester kan hier aanvullende regels stellen in het kader van de openbare orde en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lasershows Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door spectaculaire lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige lasers produceren teksten of figuren in de lucht of op wolken. Deze lasershows zijn spectaculair om te zien maar kunnen ook tot op grote afstand invloed hebben op vliegtuigoperaties. Dit laatste is niet zonder risico's. Voor het geven van een vergunning voor een lasershow moet daarom goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie Luchtvaart worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden. Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen stoelt op artikel 174 van de Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het begrip ‘toezicht’ is ruimer dan alleen de handhaving van de openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig afdeling 10.1.1. van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Evenementen en (enige)overlast zijn niet van elkaar los te koppelen. Vormen van overlast zijn ondere: grote aantallen publiek, geluid, wegafsluitingen, vuil etc. Met name gaat het hier om overlast voor omwonenden rond het evenement. Er kunnen plaatsen zijn in de gemeente Zuidpias waar dermate veel evenementenvergunningen voor worden aangevraagd, dat de overlast voor omwonenden te veel wordt. Deze bepaling geeft de burgemeester de mogelijkheid om deze plaatsen aan te wijzen en op deze plaats het aantal evenementen te beperken, tevens kan de burgemeester de tijden waarop deze evenementen plaats vinden beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het daarvoor geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Negende lid De Lex Silencio Positivo (LSP) is niet van toepassing bij het vergunningstelsel voor grote evenementen. Motivatie: Er zijn dwingende redenen van algemeen belang (art. 40 Dienstenrichtlijn) om van invoering van rechtswege vergunningverlening bij grote evenementen af te zien. Het is van belang om na overleg met onder meer politie- en brandweervoorwaarden in een vergunning vast te kunnen leggen, waar een goede belangenafweging bij gemaakt moet worden. Het verhoogde risico voor de veiligheid, de openbare orde en de volksgezondheid nopen daarom tot gebruik van het voorbehoud via artikel 40 van de Dienstenrichtlijn. Het advies van de VNG werkgroep wordt hiermee opgevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Klein evenement Algemeen Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een straatfeest of feest op eigen terrein in de openbare ruimte en dansbijeenkomsten is in het kader van de vermindering van administratieve lasten de termijn voor het doen van een melding gesteld op twee weken voorafgaand aan het evenement. Het blijft verboden om zonder melding zo'n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding de barbecue en of straatfeest wordt georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden en mogen niet langer duren dan één dag. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid, maar tegelijkertijd ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evenement kan met een melding worden afgedaan, indien aan alle in het artikel genoemde vereisten (cumulatief) wordt voldaan. De toestemming is verleend indien de organisator een ontvangstbevestiging van zijn melding kan tonen en na ontvangt van het formulier geen tegenbericht is verzonden. Met deze ontvangstbevestiging wordt aangetoond dat de melding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan het klein evenement geen doorgang vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat een klein evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch ook een ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet is verleend. Indien de organisator dat wenst, dient hij die apart aan te vragen. Met specifieke termijnen voor verkrijging van een dergelijke ontheffing dient rekening te worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder a en b Het aantal personen dat aanwezig is wordt op 150 personen gesteld. Bij grotere groepen is het verstandig om middels een vergunning te reguleren. Met meer dan 150 personen bestaat er namelijk grote kans dat de openbare orde wordt verstoord. De tijd gedurende welke het evenement plaatsvindt wordt gesteld tussen 09:00 uur en 23:00 uur. Binnen deze tijden vindt het dagelijks leven van de gemiddelde burger plaats en is de kans op veroorzaking van overlast klein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder c Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan. De gemeenteraad dient wel de afweging te maken tussen de sociale cohesie van de buurt en de overlast die het geluid kan hebben voor de overige buurtbewoners. Er is voor gekozen dat het voor 09:00 uur en na 23.00 uur stil moet zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder d Zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad of parkeergelegenheid wordt afgezet voor een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig, genomen door het college. Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel 168 van de Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het evenement plaats vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 cm aangehouden. Het gaat vooral om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Met betrekking tot de hoofdroute van de brandweer is het belangrijk dat er een lijst wordt opgesteld met: doorgaande wegen, wegen en terreinen met een bijzondere bestemming (markt), evenemententerreinen en routes van de operationele diensten (brandweer, ambulance etc.) .Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn onder andere parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder e Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers geen hinder van ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder f Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25b</span><span class=\"lf-art-t\">Meerjarige evenementenvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan categorieën aanwijzen waarvoor een meerjarige vergunning kan worden verleend. Belangrijk hierbij is het effect van het evenement op de openbare orde. Evenementen die veel openbare orde risico's met zich mee kunnen brengen komen minder snel in aanmerking voor een meerjarige vergunning, omdat het van belang is om elk jaar opnieuw naar het effect van het evenement op de openbare orde op dat moment te kijken. Evenementen die ook op het grondgebied van een andere gemeente plaatsvinden komen ook niet in aanmerking voor een meerjarige vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moet duidelijk zijn dat het een evenement betreft dat jaarlijks terugkeert, dit blijkt uit het feit dat het evenement in de twee voorgaande jaren heeft plaatsgevonden. Tevens is van belang dat het evenement jaarlijks in dezelfde periode plaatsvindt en op dezelfde tijden. Zo is namelijk duidelijk dat de omstandigheden waarin het evenement plaatsvindt onveranderd zijn ten opzicht van het vorige jaar. Hierbij kan gedacht worden aan de jaarlijkse carnavals optocht, kerstmarkt, de tentweek in de zomer, de motorcross op Hemelvaartsdag, of het Oogstfeest. Indien er wijzigingen zijn ten opzichte van het evenement van het voorgaande jaar, zal dat via de melding kenbaar moeten worden gemaakt. Wijzigingen in het evenement zorgen ervoor dat er nieuwe adviezen opgevraagd moeten worden bij de hulpdiensten en dat er opnieuw moet worden overwogen of het evenement kan plaatsvinden. Indien er wijzigingen zijn wordt de melding gezien als een aanvraag voor een nieuwe vergunning. De melding dient, net zoals de aanvraag voor een vergunning, dertien weken voorafgaand aan het evenement ter beoordeling aan de burgemeester te worden voorgelegd. Zodat er voldoende tijd is om de melding, bij veranderende omstandigheden, te behandelen als een aanvraag. De meerjarige vergunning heeft alleen betrekking op de evenementenvergunning en niet op de beschikkingen met betrekking tot geluid, artikel 35 Drank- en horecawet, verkeer en reclame, deze moeten elk jaar worden aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op openbare inrichtingen zijn, naast de regels van de Drank- en Horecawet, nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer. Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. Wet op de kansspelen. Opiumwet, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet. Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit besluit is een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur en afvalstoffen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. De exploitatievergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplan Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden meegewogen. In het bestemmingsplan worden horecafuncties positief bestemd, waarbij een zestal categorieën wordt gehanteerd. Indien de gevraagde vergunning betrekking heeft op de exploitatie of vestiging van een openbare inrichting in strijd met het bestemmingsplan weigert de burgemeester de vergunning.. Maar de burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot tijdelijke of algehele sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar voor) verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Droge horeca De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip \"horecabedrijf' zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, dienen een vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet te hebben. Die vergunningplichtige bedrijven worden aangeduid als \"natte horeca\".</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:27, eerste lid,van de APV wordt de term \"openbare inrichting\" gebruikt. Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van niet-alcoholische dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik elders, en het verstrekken van rookwaar. Derhalve vallen ook coffeeshops onder de reikwijdte van de APV. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone openbare inrichtingen behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over coffeeshops opgenomen. Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt, is er geen vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bibob-toets en VOG Als het gaat om ondememingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid van de Drank- en Horecawet (DHw) jo. artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHw geldt, zoals hierboven vermeld, niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. Op grond van de vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor leidinggevenden van deze bedrijven een verklaring omtrent het gedrag te vragen en een Bibobonderzoek te doen. Dit is van belang omdat de horeca-exploitatievergunning persoonsgebonden is. Wie de leidinggevende is, is een belang van openbare orde. Immers deze leidinggevende dient ervoor te zorgen dat overlast wordt voorkomen. Artikel 4 van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de APV dat als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden: \"inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang aisof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekť.Dit zijn dus openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2:27,van de APV. Dit betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de plaats van de term \"horecabedrijf' wordt nu de term \"openbare inrichting\" gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met de term \"horecabedrijf' alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse (natte horeca). De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt (droge horeca).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatie openbare inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van dit artikel wordt het exploiteren van een openbare inrichting zonder exploitatievergunning expliciet strafbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 1:6 vloeit voort dat de vergunning uitsluitend wordt verleend aan de exploitant. De exploitant is de vergunninghouder. De exploitatievergunning heeft een persoonsgebonden karakter, dat wil zeggen dat de exploitatievergunning niet overdraagbaar is. Dit betekent dat bij een eventuele overname de rechtsopvolger van de vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van zijn vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode dat de vergunningaanvraag behandeld wordt, moet de inrichting gesloten zijn, tenzij uiteraard de vertrekkende exploitant de exploitatie pas beëindigt nadat op de nieuwe aanvraag is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 1:7 geldt de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het omgevingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het omgevingsplan. Strijd met het omgevingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie betreffende strijd met het bestemmingsplan (voor invoering Omgevingswet) is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt dit mee dat de burgemeester in een beoordeling treedt van het geldende omgevingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende omgevingsplan onverlet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat omschreven in het vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid van dit artikel worden een aantal categorieën openbare inrichtingen uitgezonderd van de vergunningplicht. Voor die categorieën, waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is een exploitatievergunning niet noodzakelijk. Tot deze categorie behoren winkels in de zin van de Winkeltijdenwet die als nevenactiviteit een openbare inrichting exploiteren (onder a), openbare inrichtingen in een zorginstelling of museum (onder b), openbare inrichting die niet in een winkel zijn gevestigd, maar wat betreft de exploitatievorm en openingstijden aansluiten vergelijkbaar zijn een winkel (onder c), openbare inrichtingen die zich bevinden in een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant (onder d) en een Bed&amp;Breakfast van een beperkte omvang (onder e).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">A Terrassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste, tweede en derde lid Artikel 2:29 voorziet in een sluitingsregeling. Daarin is onderscheid gemaakt tussen de sluitingstijden op werkdagen en de sluitingstijden gedurende het weekeinde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingstijd van de openbare inrichtingen is gewijzigd van 02.00 uur naar 03.00 uur op de zaterdag en zondag. Tevens is bepaald dat na 2.00 uur geen nieuwe bezoekers toegelaten mogen worden en dat na 2.00 uur niet meer geschonken mag worden aan de in de openbare inrichting aanwezige bezoekers. Onder schenken wordt ook verstaan het aanbieden van welke consumpties dan ook. Dit houdt ook in dat consumpties niet om niet aangeboden mogen worden. Door de openbare inrichting van 2.00 uur tot 3.00 uur nog niet te sluiten worden de aanwezige bezoekers in de gelegenheid gesteld om hun consumptie te nuttigen en vervolgens de openbare inrichting te verlaten. Hierdoor wordt er een gefaseerd vertrek gecreëerd van de bezoekers uit de openbare inrichting. Op deze manier wordt de overlast van vertrekkend publiek en de daarmee eventueel gepaard gaande strafbare feiten teruggedrongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of op een beperking. Het derde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te regelen met een voorschrift bij de exploitatievergunning of door middel van een ontheffing indien voor de exploitatie van de openbare inrichting geen vergunning vereist is. Een vergunningvoorschrift moet strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Het vierde lid bepaalt de openingstijden voor de openbare inrichtingen die op grond van artikel 2:28, eerste lid, onder a en c, zijn uitgezonderd van de exploitatievergunningplicht. De bepaling waarborgt dat de openingstijden gelijk zijn aan de openingstijden van winkelvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer of onder de werking van het Activiteitenbesluit. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Wet milieubeheer beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere belangen die onder het begrip \"bescherming van het milieu\" vallen, tegengaan die wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de. Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Op grond van artikel 2:30, eerste lid de burgmeester voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk afwijkende sluitingsuren opleggen of de openbare inrichting tijdelijk sluiten. De exploitant van een openbare inrichting kan zelf ook verzoeken om tijdelijk andere sluitingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding voor tijdelijke afwijking sluitingstijden of sluiting, moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2:29, tweede lid, die een individueel karakter heeft, zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige openbare inrichtingen. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel 2:29, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid tot sluiting verschaft de burgemeester de mogelijkheid een inrichting (tijdelijk) te sluiten, zonder dat hij vooraf dient over te gaan tot een tijdelijk of voor onbepaalde tijd bedoelde intrekking van de exploitatievergunning. In een dergelijke situatie zouden dan theoretisch twee beroepsprocedures in dezelfde zaak naast elkaar kunnen worden aangespannen, hetgeen zo mogelijk vermeden dient te worden. Bovendien kan het zo zijn dat de burgemeester het om redenen van openbare orde nodig oordeelt dat een bepaalde inrichting te sluiten, zonder dat dit hoeft te leiden tot (tijdelijke) intrekking van de exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet \"Damocles\" (artikel 13b van de Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, stelt het tweede lid buiten twijfel dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedragingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft onder a een (algemeen) verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in algemeenheid tot bezoekers richt. Het verbod onder b richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een verbod van heling. Met de term 'gebruikte of ongeregelde goederen' worden dezelfde goederen bedoeld als in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed verhandeld wordt. In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank- en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bepaling is geschrapt en verplaatst artikel 2:31, onder a.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip \"horecabedrijf' als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Algemene toelichting De Drank- en Horecawet ordent de distributie van alcoholhoudende drank. De wet bestaat sinds 1964. Kern van de wet is dat alcoholgebruik kan leiden tot gezondheidsschade, overlast en ongevallen. Daarom is een gemeentelijke vergunning vereist voor het schenken van alcoholhoudende drank in de horeca en de verkoop van sterke drank in slijterijen. Voor de detailhandelsverkoop van zwakalcoholhoudende drank is geen vergunning vereist. Destijds achtte de wetgever dat niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Drank- en Horecawet stelt voor het verkrijgen van een vergunning enkele eisen: leidinggevenden dienen te voldoen aan leeftijdseisen (21 jaar of ouder), zedelijkheidseisen (geen crimineel verleden) en eisen ten aanzien van kennis en inzicht in verantwoord verstrekken (meestal Verklaring Sociale Hygiëne). Ook de inrichting zelf moet aan enkele basiseisen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het alcoholgebruik onder jongeren zoveel mogelijk te helpen voorkomen, kent de Drank- en Horecawet al vanouds leeftijdsgrenzen. Aan jongeren onder de 18 jaar mag geen zwakalcoholhoudende drank (gedistilleerd met minder dan 15% alcohol, wijn en bier) worden verkocht. De leeftijdsgrens voor sterke drank (gedistilleerd met 15% alcohol of meer) ligt eveneens bij 18 jaar. Alle verstrekkers van alcohol (barkeepers, slijters, caissières en dergelijke) dienen de leeftijd van jongeren vooraf vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2013 is het toezicht op de naleving van vrijwel alle bepalingen van de Dranken Horecawet overgegaan van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit naar de gemeente. Het uitgangspunt hierbij is dat gemeenten het toezicht efficiënter in kunnen zetten en vaker toezicht kunnen uitoefenen. De burgemeester is het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad heeft meer mogelijkheden gekregen om op lokaal niveau beter invulling te geven aan het alcoholbeleid, met name om (overmatig) alcoholgebruik onder jongeren tegen te gaan. De bestaande gemeentelijke bevoegdheid om leeftijdsgrenzen voor de horeca vast te stellen wordt uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen een minimum toelatingsleeftijd tot alle horecalokaliteiten en terrassen vaststellen en deze koppelen aan tijdsruimten. Daarnaast heeft de gemeenteraad de mogelijkheid gekregen extreme prijsacties in supermarkten en in de horeca in een verordening te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gewijzigde Drank- en Horecawet is opgenomen dat jongeren onder de 18 jaar strafbaar zijn als ze alcohol aanwezig of voor consumptie gereed hebben op voor het publiek toegankelijke plaatsen. Deze landelijke strafbepaling heeft een drieledig doel. Ten eerste is het een beschermingsmaatregel, waarmee het alcoholgebruik onder jongeren onder de 18 jaar wordt tegengegaan. Ten tweede is het een ordemaatregel, waarmee overlastgevende drinkende jeugd op straat kan worden aangepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten derde is de bepaling een antwoord op het veel voorkomende fenomeen dat een oudere persoon alcohol koopt en deze in de horeca of op straat doorgeeft aan een jongere onder de leeftijdsgrens. Het verbod geldt niet voor het aanwezig hebben van alcoholhoudende dranken in supermarkten, slijterijen en dergelijke. Daar is er immers geen indirecte verstrekking en/of consumptie ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geldt wel voor het aanwezig hebben (of voor consumptie gereed hebben) van alcoholhoudende drank in horeca-inrichtingen, inclusief de paracommerciële inrichtingen. Het verkopen en schenken van alcohol aan jongeren onder de 18 jaar kan als gevolg van de wijziging van de Drank- en Horecawet harder worden aangepakt. Supermarkten en andere detailhandelaren die binnen een jaar drie keer betrapt worden op het verkopen van alcohol aan jongeren onder de leeftijdsgrens kan het tijdelijk worden verboden om alcoholhoudende drank te verkopen. De burgemeester kan een alcoholverkoopverbod van één tot twaalf weken opleggen. De horeca- en slijterijvergunning kan al na een overtreding worden geschorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratieve lasten voor horeca- en slijtersbedrijven worden fors verminderd. Zo hoeft een ondernemer een nieuwe leidinggevende nog slechts bij de gemeente te melden en hoeft er in zo'n geval ook geen nieuwe vergunning meer te worden aangevraagd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoeft geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34b</span><span class=\"lf-art-t\">Schenktijden paracommerciële rechtspersonen, privé-bijeenkomsten en bijeenkomsten derden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:34b is gebaseerd op artikel 4 (derde lid onder a) van de Drank- en Horecawet. Dit artikel behandelt de schenktijden voor paracommerciële rechtspersonen. Met het reguleren van de schenktijden van de paracommerciële horeca wordt bewerkstelligd dat het verstrekken van alcoholhoudende drank een nevenactiviteit van de vereniging blijft naast de primaire activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV is ervoor gekozen om per categorie van paracommerciële rechtspersoon andere schenktijden op te nemen. Dit omdat na inspraak is gebleken dat één gelijke schenktijd voor alle paracommerciële rechtspersonen niet aansluit bij de verschillende activiteiten van de verschillende paracommerciële rechtspersonen. Tot welke categorie en rechtspersoon behoort wordt bepaald aan de hand van het statutaire doel. Eerste lid Voor de in het eerste lid genoemde paracommerciële rechtspersonen is gekozen om vanaf 12.00 uur tot 00.30 uur de mogelijkheid te bieden alcohol te schenken, maar alleen tijdens activiteiten die verband houden met het statutaire doel van de rechtspersoon. Met deze regel worden de schenktijden beperkt ten opzichte van de schenktijden van de commerciële horeca. Tevens wordt de verenigingen nog wel de mogelijkheid geboden om rond hun activiteiten de bar open te hebben en zo de sporters de gelegenheid te geven om naast de sport ook de sociale banden te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen wat verstaan wordt onder activiteiten wordt gekeken naar het doel zoals omschreven in de statuten. Als het doel sport is dan wordt onder activiteiten uiteraard alleen sportactiviteiten verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In dit lid wordt er voor gekozen om voor paracommerciële rechtspersonen die zich richten op jeugdwerk andere schenktijden te stellen. Deze schenktijden zijn zeer beperkend ten opzicht van de commerciële horeca. Het moet hier gaan om rechtspersonen die het doel hebben om de jeugd van de straat te houden en hun verantwoorde en vormende activiteiten aanbied. Het is van belang ter voorkoming van openbare orde problemen en overlast deze jongeren een onderkomen te bieden waar ze in contact kunnen komen met cultuur, informatie en verantwoord amusement. Echter in het kader van alcoholmatiging onder jongeren is ervoor gekozen om alleen het schenken van zwakalcoholhoudende drank toe te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Dit lid heeft betrekking op de alcoholverstrekking door paracommerciële rechtspersonen tijdens gelegenheden die niet direct verbonden zijn aan de hoofdactiviteit van de paracommerciële rechtspersoon zelf, zoals bruiloften en partijen, maar ook vergaderingen van bijvoorbeeld politieke partijen of goede doelen organisaties. Artikel 4 van de Drank- en Horecawet bevat onder meer de verplichting ter voorkoming van oneerlijke mededinging bij gemeentelijke verordening regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Deze regels moeten onder meer betrekking hebben op in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard (artikel 4, derde lid onder b, van de wet) en op in de inrichting te houden bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn (artikel 4, derde lid onder c, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV is er voor gekozen de alcoholverstrekking door paracommerciële rechtspersonen tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard pas te verbieden als het tot oneerlijke mededinging leidt. Gezien de lichtere eisen die de Drank- en Horecawet en andere wetten aan paracommerciële rechtspersonen stellen, is het niet wenselijk dat deze rechtspersonen dit als concurrentievoordeel jegens de reguliere horeca kunnen gebruiken. Door dit artikel wordt voorkomen dat (veelal gesubsidieerde) paracommerciële instellingen te veel concurreren met de reguliere horeca. Maar er wordt wel enige vrijheid geboden op dit gebied. Met name omdat in deze tijden van bezuinigingen de subsidies minder zijn geworden en de paracommerciële rechtspersonen ook veel al afhankelijk zijn van de barinkomsten. En tot op heden er geen signalen zijn dat er sprake is van oneerlijke mededinging in de gemeente Zuidplas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oneerlijke mededinging Oneerlijke mededinging is een verzamelbegrip. Het omvat het gehele complex van handelingen die strekken tot afzetbevordering of dienstuitbreiding van een onderneming, die in het normale handelsverkeer ontoelaatbaar worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan op verschillende manieren voorkomen: wanneer paracommerciële rechtspersonen door subsidies, het gebruik van vrijwilligers en belastingvrijstellingen buiten hun hoofddoelstelling om horecadiensten verlenen aan het publiek; wanneer horecadiensten worden ontwikkeld op locaties die in strijd met het bestemmingsplan zijn De regel in het derde lid ziet alleen op bijeenkomsten waarbij alcohol wordt verstrekt. Bij bijeenkomsten waarbij de paracommerciële rechtspersonen geen alcohol verstrekken speelt het concurrentievoordeel dat ontstaat als gevolg van de lichtere eisen die de wet aan deze rechtspersonen stelt immers veel minder een rol. Vanzelfsprekend zal de paracommerciële rechtspersoon bij het houden van dergelijke bijeenkomsten wel aan de overige regelgeving, zoals het bestemmingsplan en huurovereenkomst moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Hier is opgenomen dat de burgemeester op aanvraag van een paracommerciële rechtspersoon ontheffing verleent (let wel niet op aanvraag ontheffing kan verlenen) van de in het derde lid gestelde verboden indien de paracommerciële rechtspersoon kan aantonen dat in een straal van 10 km rond de paracommerciële inrichting geen commercieel horecabedrijf in staat en bereid is om de in dat artikel bedoelde bijeenkomsten te organiseren. Het is dus aan de paracommerciële rechtspersoon om te bewijzen dat de reguliere horeca in de wijde omgeving dat soort bijeenkomsten niet organiseert. De 10/15-kilometergrens is een criterium dat de meeste gemeenten de afgelopen jaren hebben gebruikt bij de uitvoering van de Drank- en Horecawet, ter weging van de plaatselijke en regionale omstandigheden. Deze wegingsplicht vervalt echter bij de inwerkingtreding van de nieuwe Drank- en Horecawet. Gebruik van dat criterium onder de 'oude' Drank- en Horecawet is destijds door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toegestaan (4 juli 2007, LJN: BA8746,200609363Z1), maar niet verplicht (22 juli 2009, LJN: BE9859,20087420Z1ZHR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In dit lid is bepaald dat de ontheffing, ook al is die madatoir, niet stilzwijgend wordt verleend indien de burgemeester te laat of niet reageert op een aanvraag om een ontheffing. De lex silencio positivo is derhalve niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34c</span><span class=\"lf-art-t\">Schenktijden voor commerciële kantines</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt de verstrekking van alcoholhoudende dranken door commerciële kantines bij sportclubs, jongerenorganisaties, buurthuizen en dergelijke beperkt. Het artikel legt deze horecabedrijven dezelfde schenktijden op als de 'echte' paracommerciële horeca. De grondslag van deze beperkingen is artikel 25a van de Drank- en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Zuidpias is een aantal multifunctionele accommodaties. In deze gebouwen zijn vaak sportclubs gevestigd. In deze gebouwen is echter vaak maar één kantine aanwezig die op de volgende manieren wordt uitgebaat: - er wordt een B.V. opgericht, waarbij het/de besturen van de vereniging(en) of stichting(en) de enige aandeelhouder is/zijn; - de kantine wordt verpacht aan een ondernemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide alternatieven worden soms ook gekozen door besturen van verenigingen of stichtingen vanwege andere redenen, zoals bijvoorbeeld bij een gebrek aan geïnstrueerde barvrijwilligers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Formeel gaat het bij toepassing van deze alternatieven niet meer om een paracommerciële inrichting, maar om een commerciële inrichting. Er zal dan ook een gewone horecavergunning aangevraagd en verstrekt moeten worden, met alle wettelijke verplichtingen die daarbij horen. In de praktijk blijft de gemeente Zuidplas echter vaak gewoon subsidie geven en maakt men gebruik van barvrijwilligers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voordeel van dit artikel is dat de klassieke kantine en de commerciële kantine deels dezelfde beperkingen opgelegd krijgen. Beide soorten kantines worden regelmatig door veel jongeren bezocht. Bovendien is het onwenselijk dat een bestuur van een vereniging of stichting door het kiezen voor een andere rechtsvorm van de kantine-exploitatie of door verpachting opeens tot later in de avond mag schenken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34d</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Eerste lid In het eerste lid gaat het om ontheffingen van de verboden zoals genoemd in artikel 2:34b, lid 1, 2 en 3 en 2:34c van deze verordening. Het betreft het verbod om bepaalde tijden alcoholhoudende drank te schenk in een paracommerciële inrichting zoals bedoeld in artikel 2:34b en het verbod om op bepaalde tijden alcoholhoudende drank te schenken in 'commerciële kantines' (zie voor dat begrip de toelichting bij artikel 2:34c van deze verordening). De burgemeester kan ontheffing verlenen. Aan deze ontheffing kan de burgemeester voorschriften en beperkingen verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing wordt slechts verleend voor activiteiten die worden uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Bij de beoordeling of de ontheffing verteend wordt, zal de burgemeester meewegen in hoeverre er sprake is van oneerlijke mededinging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt hierbij aan een tennistoernooi in de avonduren of een kampioenswedstrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid is bepaald dat de lex silencio positivo ook bij deze facultatieve ontheffingen niet van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34e</span><span class=\"lf-art-t\">Prijsacties horeca</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 25d van de Drank- en Horecawet biedt gemeenten de mogelijkheid prijsacties, zoals happy hours, gedeeltelijk te beperken. Happy hours zijn doorgaans afgebakende tijden (enkele uren of een dag in de week) waarop alcohol tegen een gereduceerd tarief wordt aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregel kan - zo bepaalt de Drank- en Horecawet - alleen betrekking hebben op het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd. Met dit artikel worden bijvoorbeeld ook prijsacties als '2 drankjes voor de prijs van 1' verboden. Ook kunnen er bepaalde arrangementen mee tegengaan worden, zoals een avond onbeperkt drinken voor 15,- althans als het onbeperkt dnnken gedurende een avond normaal gesproken voor meer dan 25,- wordt aangeboden en er in het kader van een actie tijdelijk een prijs van 15-, wordt gevraagd. De zogenaamde ladies nights (avonden waarop vrouwen gratis mogen drinken) worden met dit artikel ook verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artilkel 2:34e van deze afdeling opgenomen verbod heeft uitsluitend betrekking op prijsacties in horecalokaliteiten en op terrassen en geldt dus niet voor goedkoop schenken op andere plaatsen, bijvoorbeeld met een artikel 35-ontheffing tijdens bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard (evenementen). Het gaat bij dit verbod ook uitdrukkelijk om de korting op de prijs die normaal daar in die horecalokaliteit of op dat terras wordt gevraagd. Dat is in de horeca na te gaan door de actieprijs te vergelijken met de prijs die wordt vermeld op de (op grond van het Besluit prijsaanduiding producten) verplichte prijslijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod is opgenomen om te voorkomen dat er in een kortere periode heel veel alcohol gedronken wordt wat kan leiden tot gezondheidsproblemen bij jongeren, maar ook tot openbare orde problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbod op prijsacties in de horeca geldt voor alle kopers, dus ook voor meerderjarigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34f</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende vragen aan paracommerciële rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in 1995 de Regeling aanvraaggegevens en formulieren Drank- en Horecawet gepubliceerd. Deze regeling is in 2000 aangepast. Bij deze regeling horen (als bijlagen) formulieren waarmee de verschillende Drank- en Horecawetvergunningen moeten worden aangevraagd. De verplichtte gebruiken Drank- en Horecawetformulieren zijn in het kader van de nieuwe wijziging van de Drank- en Horecawet aangepast. Er worden ook digitale aanvraagformulieren ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 26 van de Drank- en Horecawet geeft sinds de meest recente wijziging duidelijker dan voorheen aan dat gemeenten voor het stellen van extra vragen, ter uitvoering van artikel 4 van de Drank- en Horecawet, bij verordening zelf een formulier kunnen vaststellen. Door te verlangen dat dit bij verordening geschiedt, heeft de wetgever aan willen geven dat de gemeenteraad een uitspraak moet doen over de aard en omvang van de aanvullende vragen die aan paracommerciële rechtspersonen gesteld kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt extra gevraagd naar het doel en doelgroep van de paracommerciële rechtspersoon zodat kan worden vastgesteld tot welke categorie zoals genoemd in artikel 2:34b , de paracommerciële rechtspersoon behoort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34g</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften aan vergunningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is opgenomen dat de burgemeester bevoegd is voorschriften te verbinden aan vergunningen om het horecabedrijf uit te oefenen. Bepaald wordt wel dat de voorschriften die de burgemeester stelt zijn: ter bescherming van de volksgezondheid, en/of in het belang van de openbare orde, en/of ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Drank- en Horecawet (waarin onder meer leeftijdsgrenzen worden gesteld voor de verstrekking van alcoholhoudende dranken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 25a van de Drank- en Horecawet biedt gemeenten de mogelijkheid in een verordening op te nemen dat de burgemeester, volgens bij die verordening te stellen regels, vooraf - dat wil zeggen bij de afgifte van de vergunning - voorschriften aan een vergunning kan verbinden of de vergunning kan beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Dit kan worden bepaald voor horecavergunningen en voor slijterijvergunningen. Deze gemeentelijke bevoegdheid was voorheen opgenomen in artikel 23 van de Drank- en Horecawet, zij het dat toen aan het college van burgemeester en wethouders dat mandaat gegeven kon worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt de burgemeester voor wat betreft de horecabedrijven uitsluitend de bevoegdheid gegeven de alcoholverstrekking aan voorschriften te verbinden. Hij krijgt niet de bevoegdheid de verstrekking te beperken tot zwak-alcoholhoudende drank. Omdat er bewust is gekozen om geen onderscheid te maken in deze verordening tussen zwakalcolhoudende- en sterke drank. Er is voor gekozen om de ondernemer ook eigen verantwoordelijkheid te geven. De ondernemer moet zelf bewust omgaan met schenken van alcohol en het verstrekken van zwakalcoholhoudende- dan wel sterke drank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor reeds vermeld beperkt de gemeenteraad verder de bevoegdheid van de burgemeester door te bepalen dat hij slechts voorschriften kan verbinden vanwege drie specifiek genoemde redenen (bescherming volksgezondheid, openbare orde belang, naleving leeftijdsbepalingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van voorschriften die de burgemeester kan verbinden aan de vergunning voor een horecabedrijf zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de volksgezondheid een gevarieerde drankenkaart verplicht stellen; dit houdt in dat er - naast alcoholhoudende dranken - voldoende betaalbare niet-alcoholhoudende alternatieven moeten worden aangeboden (fris, water, thee, koffie);] het niet schenken tijdens jeugdactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de openbare orde eisen stellen ten aanzien van het maximaal aantal bezoekers. Voor de veiligheid kan het aantal bezoekers dat tegelijkertijd in de inrichting aanwezig mag zijn worden gemaximeerd. Het aantal bezoekers maximeren is bovendien ter bescherming van de volksgezondheid. Uit onderzoek blijkt dat hoe meer mensen er in een zaak zijn en hoe minder makkelijk men even kan zitten, des te meer er wordt gedronken (Hughes, 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Drank- en Horecawet - verlangen dat polsbandjessystemen worden toegepast.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>eisen stellen aan het aantal entrees en het aantal portiers.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van voorschriften die de burgemeester kan verbinden aan de vergunning voor een slijtersbedrijf zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de volksgezondheid Eisen stellen ten aanzien van reclame buiten de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld het verbieden van losse reclameborden en andere staande reclame-uitingen buiten de inrichting als die slijterij ligt binnen een straal van 200 meter van een school met veel leerlingen onder de 18 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de openbare orde Eisen stellen ten aanzien van het maximaal aantal klanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de veiligheid kan het aantal klanten dat tegelijkertijd in de inrichting aanwezig mag zijn worden gemaximeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Drank en Horecawet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen dat er toeganscontrole is op bepaalde tijdstippen. Bijvoorbeeld zaterdag aan het einde van de middag meot bij de deur op leeftijd worden gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen dat effectieve leeftijdscontrole wordt toegepast. Bijvoorbeeld verlangen dat controlesystemen worden ingezet die bewezen vrijwel sluitend zijn, zoals het systeem met leeftijdscontrole op afstand.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 9: TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip \"inrichting\" als omschreven in artikel 2:35 sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf- en kampeerinnchtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de innchting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te verstrekken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip \"speelgelegenheid\" als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino's en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Kansspelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen of sprake is van een hoog- of laagdrempelige inrichting dient te worden beoordeeld of sprake is van een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Over wat wordt beschouwd als een zelfstandige activiteit is veel jurisprudentie. Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen, zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval bekeken moeten worden, gerelateerd aan de jurisprudentie. Voor samengestelde inrichtingen geldt het volgende: Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, dient te worden bekeken of de laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg bereikt kunnen worden via de horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan is de horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan kansspelautomaten te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen is bepaald dat een inrichting laagdrempelig is, indien deze niet hoogdrempelig is. In artikel 30c, tweede lid van de Wet op de kansspelen is bepaald dat bij verordening wordt aangegeven hoeveel kansspelautomaten kunnen worden opgesteld, met dien verstande dat voor een hoogdrempelige inrichting het aantal kansspelautomaten op twee wordt bepaald. In laagdrempelige inrichtingen mogen geen kansspelautomaten worden opgesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsmatige activiteiten kunnen gebruikt worden als een dekmantel voor malafide activiteiten of gebruikt worden om ondermijnende activiteiten te ontplooien. Zij bedreigen niet alleen de lokale, regionale of landelijke markt, maar zorgen voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Werd voorheen criminaliteit vooral repressief binnen het strafrecht aangepakt, inmiddels is gebleken dat een integrale aanpak tussen verschillende partners vaak meer oplevert. Bestuurlijke instrumenten als een vergunningplicht kunnen worden gebruikt om malafide ondernemers te weren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de burgemeester de bevoegdheid te geven om gebouwen, straten, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aan een vergunningplicht te onderwerpen kan een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad is op grond van zijn autonome verordenende bevoegdheid bevoegd om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van de economische ordening, maar primair het belang van openbare orde en veiligheid. Het tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat maakt hier onderdeel van uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor het tegengaan van malafide ondernemers. Door het invoeren van een vergunningplicht kan de gemeente het ondernemerschap reguleren, controleren en handhaven. Bovendien gaat er een preventieve werking vanuit. Malafide ondernemers worden door de vergunningplicht geweerd. Pandeigenaren worden bovendien gestimuleerd om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het instrument van een vergunningplicht is niet ongebruikelijk binnen de gemeente. Binnen de APV bestaat er al een vergunningplicht voor onder andere de horeca en seksinrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuwe vergunningplicht kan leiden tot een toename van administratieve lasten. Bedrijven die voorheen geen vergunning nodig hadden, moeten nu wel een vergunning aanvragen. Hiervoor moeten gegevens worden aangeleverd en leges worden betaald. De toename van de administratieve lasten is te rechtvaardigen, omdat de vergunningplicht slechts wordt ingezet als de burgemeester een daartoe goed gemotiveerd aanwijzingsbesluit neemt. Bovendien hebben bonafide ondernemers er baat bij dat malafide ondernemers geweerd worden. Deze laatste groep zorgt voor oneerlijke concurrentie en een slecht imago voor de branche.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade</h3>\n<p class=\"lf-p\">artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Eerste en tweede en lid Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet en artikel 13b van de Opiumwet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, dan wel een gebouw, open erf of terrein te sluiten, indien door gedragingen in de woning, het lokaal, het gebouw, op het erf of het terrein de openbare orde rond de woning, het lokaal, het gebouw, het erf of het terrein wordt verstoord. Het doel van een dergelijke sluiting is om de rust in de omgeving te herstellen. Hierbij is het niet wenselijk dat de woning, het lokaal, het gebouw, het erf of het terrein alsnog wordt betreden. Aangezien in de Gemeentewet en de Opiumwet niet de rechtsgevolgen van de sluiting worden geregeld, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Dit artikel omvat een dergelijk verbod. In de gevallen waarin de woning etc. niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken, is deze strafbepaling opgesteld die het verbiedt om een gesloten pand te betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning, het gebouw of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term ''bekladden'' ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om menigsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid van meningsuiting Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat \"plakken\" slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen plakken of doen aanbrengen Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin uitgebreid dat nu ook het \"doen\" plakken of het op andere wijze \"doen\" aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder \"doen\" aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen. Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van de burgerlijke rechter.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel 2:42 opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te bekrassen, te plakken of te kladden of op andere verboden wijze aan te brengen of doen aanbrengen. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, van het EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het WvSv en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opsporingsambtenaar en het OM hebben de mogelijkheid om aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om een ontheffing voor personen die om wat voor reden dan ook noodzakelijkerwijs in een plantsoen moeten zijn en voor wie dat normaliter verboden is. Voor het in opdracht van de overheid verrichten van werkzaamheden in plantsoenen geldt het verbod niet (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:46</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden over bermen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in de publieke ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt \"straatschenderij\" strafbaar, tenwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip publieke ruimte in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drank- en drugsgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid maakt het mogelijk op te treden tegen personen die zich op een openbare plaats - al dan niet in combinatie met drugs - te goed doen aan diverse soorten alcoholica en vervolgens passanten lastig vallen of andere met alcohol samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, onderlinge ruzie maken en vechten, vervuiling van de omgeving, wildplassen, etc. Dit verbod maakt het mogelijk overlastverschijnselen te bestrijden die niet tot bepaalde plaatsen beperkt zijn of waarvoor het instellen van een totaal verbod op het gebruik of bezit van alcohol (tweede lid) als een te zwaar middel moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de \"voorfase\" - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid In het tweede lid is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gerdrag op of aan de weg).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord \"ruimte\" gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip \"weg\". Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede \"zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze\" in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50b</span><span class=\"lf-art-t\">Messen en andere voorwerpen als steekwapen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Het artikel is een aanvulling op de Wet wapens en munitie (Wwm) en verbiedt het bij zich hebben van andere dan in de Wwm aangeduide messen of van voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, maar waarbij nog geen sprake is van een situatie waarin, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze voorwerpen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Hierdoor kan aantasting van de openbare orde preventief worden voorkomen en wordt de veiligheid bevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wwm verbiedt het dragen (= bij zich hebben) van wapens, waaronder nader aangeduide messen of voorwerpen die als wapen kunnen dienen als wel sprake is van bovengenoemde situatie. Voor de toepassing van de Wwm bepaalt de context dus of een voorwerp een wapen is of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1993, volgt dat het in het belang van de openbare orde en veiligheid mogelijk is om een bepaling in de APV op te nemen die ziet op een ‘messenverbod’. Deze bepaling mag niet zien op wapens of voorwerpen die zijn genoemd in artikel 2 van de Wet wapens en munitie (Wwm).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Op grond van dit lid kan het college openbare plaatsen of daaraan grenzende voor publiek toegankelijke gebouwen of daarbij behorende erven aanwijzen waar het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid waarborgt dat messen en voorwerpen die zijn ingepakt, bijvoorbeeld omdat deze in een winkel zijn aangeschaft en nog in de verpakking zitten, niet onder het verbod vallen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid, maar aanschaf van bijvoorbeeld een keukenmes moet mogelijk blijven. Het moet dan wel zodanig zijn verpakt dat het niet onmiddellijk kan worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Dit lid regelt de voorrang van de Wwm. Het verbod geldt niet voor het dragen van messen of voorwerpen die als steekwapen gebruikt kunnen worden, dat onder het bereik van artikel 2 van de Wwm valt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voertuigen is in verschillende wettelijke voorschriften geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51a</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast door het foutief stallen van fietsen of bromfietsen in de openbare ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Vooropstaat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of beëindiging van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het RW 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">Bespieden van personen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gericht op excessieve situaties. In die gevallen biedt het strafrecht al het handvat om op te treden. Het artikel voegt dus weinig toe aan het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig. Deze bepaling moet gezien worden als aanvulling op de sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het Wetboek van Strafrecht inzake stalking, artikel 285b. In dit artikel is het inbreuk maken op eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span><span class=\"lf-art-t\">Bewakingsapparatuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:55</span><span class=\"lf-art-t\">Nodeloos alarmeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:56</span><span class=\"lf-art-t\">Alarminstalaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: - de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; - het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - het voorkomen van hinder voor voetgangers; - het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); - het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. Voor deze categorie in het derde lid een voorziening getroffen. Op grond van het tweede lid, kan het college een hondenuitlaatplaats aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden en katten op te vangen die 's nachts elders dan op het erf van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt in twee opzichten beperkt: de hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is; geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste staan; de bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en de door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een \"gevonden dier\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het geheel niet regelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Eigenaren en houders van honden zijn daarom verplicht er zorg voor te dragen dat hun hond zich niet van zijn uitwerpselen ontdoet op een openbare plaats. De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handhaving van deze bepaling (betrapping op heterdaad) is in de praktijk lastig. Daarom zijn de bepalingen in lid 4 tot en met lid 6 toegevoegd. De houder of eigenaar van een hond is verplicht bij het uitlaten van de hond een hulpmiddel bij te zich te hebben voor het opruimen van de uitwerpselen. Om discussie tussen de toezichthouder en de (mogelijke) overtreder te voorkomen, heeft het college nauwkeurig omschreven wat voor hulpmiddel dit moet zijn: een plasticzakje of een schepje. De eigenaar of houder dient het hulpmiddel op verzoek van een aangewezen toezichthouder te laten zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die zich vanwege hun handicap door een geleidehond of sociale hulphond laten begeleiden zijn uitgezonderd van de verplichting als bedoeld in de leden 1, 4 en 5 van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4></div>", "next": 239802}