{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">3.Voorafgaand aan de vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente een loonwaardemeting uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Deze derde neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-642\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling loonwaarde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente maakt bij het vaststellen van de loonwaarde gebruik van een inzichtelijke loonwaardemethodiek die in elk geval voldoet aan de volgende criteria: de loonwaarde wordt berekend op basis van gegevens die zijn verkregen van de werkgever en de werknemer zelf; en het instrument genereert een goed leesbare rapportage waarin ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen: onderbouwing van de loonwaarde; begeleidingsbehoefte van de werknemer; inzicht in inzetbaarheid op taken; aanvullingen gedaan door de loonwaardespecialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze derde neemt daarbij de in de in het eerste lid genoemde methode in acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De gemeente verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De gemeente stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De gemeente neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7.Inkomen Paragraaf7.1Individuele inkomenstoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Indienen verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek als bedoeld in artikel 36, lid 1 van de Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Langdurig laag inkomen en vermogen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 36, lid 1 Participatiewet als zijn inkomen gedurende de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) niet hoger was dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm en zijn vermogen gedurende deze periode niet hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Onder inkomen wordt verstaan, inkomen zoals bedoeld in de Participatiewet en inkomen uit algemene bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid kan de individuele inkomenstoeslag ook worden verstrekt indien er sprake is van een incidentele overschrijding van de inkomensgrens van maximaal € 150,00 gedurende maximaal 2 maanden en/of er sprake is van een marginale overschrijding van de inkomensgrens met enkele eurocenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte individuele inkomenstoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: € 402,00 voor een alleenstaande; € 510,00 voor een alleenstaande ouder; € 571,00 voor gehuwden;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) bepalend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf7.2Studietoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Indienen verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, lid 1 Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner kan eenmaal per studiejaar in aanmerking komen voor een studietoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de studietoeslag is afhankelijk van de leeftijd van de inwoner en komt overeen met het op dat moment geldende bedrag wat de rijksoverheid hanteert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Betaling individuele studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf7.3Afstemming, verlaging en weigering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Horen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voordat een verlaging van de (bijstands)uitkering wordt opgelegd of de uitkering blijvend of tijdelijk wordt geweigerd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn mening in een gesprek naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn mening naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de gemeente het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; belanghebbende er voor kiest zijn mening schriftelijk naar voren te brengen; of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van verlaging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging betrekking heeft op het niet nakomen van een arbeidsverplichting en die verplichting inmiddels weer volledig wordt nagekomen; of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De gemeente kan (gedeeltelijk) afzien van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-733\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het besluit tot het opleggen of het afzien van het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering of het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt door toezending van een besluit aan de belanghebbende(n) bekend gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de (bijstands)uitkering wordt verlaagd; en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het besluit tot het afzien van een verlaging van de (bijstands)uitkering als bedoeld in artikel 7.3.2 worden in ieder geval vermeld: de reden op grond waarvan normaalgesproken een verlaging zou zijn opgelegd; de duur van de verlaging die normaalgesproken zou zijn opgelegd; het bedrag of percentage waarmee normaalgesproken de (bijstands)uitkering zou zijn verlaagd; en de bijzondere reden waarom daar in dit geval van af wordt gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In het besluit tot het (gedeeltelijk) blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt in ieder geval vermeld waarom de uitkering tijdelijk of blijvend wordt geweigerd en waarom de gemeente niet vindt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-734\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ingangsdatum en periode van een verlaging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verlaging wordt toegepast op de (bijstands)uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende hoogte van de (bijstands)uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de (bijstands)uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als een verlaging niet of niet geheel kan worden opgelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de (bijstands)uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog beoordeeld op grond van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als de belanghebbende binnen de termijn als bedoeld in artikel 7.3.2, eerste lid, sub c, opnieuw een (bijstands)uitkering ontvangt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-735\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Berekeningsgrondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verlaging wordt berekend over: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet verminderd met de in aanmerking te nemen middelen; of de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet; of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij toepassing van het tweede lid, sub a, wordt de verlaging berekend over de toepasselijke bijstandsnorm of grondslag van de uitkering inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij toepassing van het tweede lid, sub b, wordt de verlaging berekend over de verleende bijzondere bijstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-736\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Consequenties schenden geüniformeerde verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende één maand. Deze verlaging wordt in één keer verrekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-737\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Niet geüniformeerde verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55, 56a, tweede lid en 57 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; het niet meewerken aan het in naam van de inwoner door de gemeente verrichten van betalingen van huur, gas water en stroom en de verplichte zorgverzekering uit de toegekende bijstand, zoals bepaald in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet. tweede categorie: het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. derde categorie: het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsverplichting uit artikel 17, tweede lid van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen of het meewerken aan een onderzoek hiernaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet of onvoldoende meewerken aan het verrichten van rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. derde categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet of onvoldoende meewerken aan een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. vierde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet of onvoldoende nalaten van hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-738\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Consequenties schenden niet geüniformeerde verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de 7.3.7, wordt vastgesteld op:</p>\n<p class=\"lf-p\">10% gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;</p>\n<p class=\"lf-p\">30% gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-739\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Consequenties tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het netto benadelingsbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verlaging wordt vastgesteld op:</p>\n<p class=\"lf-p\">30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de (bijstands)uitkering van de eerste volledige kalendermaand na toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In aanvulling op het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. om niet als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand middelen tot zijn beschikking had waarmee in het levensonderhoud kon worden voorzien als belanghebbende deze middelen niet bovenmatig had besteed. Onder bovenmatig wordt verstaan meer uitgeven dan vaste lasten en redelijkerwijs op grond van NIBUD-normen aan levensonderhoud kan worden besteed en als blijkt dat belanghebbende geen inspanningen heeft verricht de lasten op een lager niveau te brengen teneinde een beroep op bijstand te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Consequenties zeer ernstige misdragingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet kan een verlaging worden opgelegd van:</p>\n<p class=\"lf-p\">60% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Consequenties niet nakomen van overige verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een belanghebbende een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:</p>\n<p class=\"lf-p\">20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</p>\n<p class=\"lf-p\">20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">40% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van gedragingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Is sprake van een geüniformeerde gedraging dan gaat deze voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze paragraaf tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Recidive</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende twee maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een niet-geüniformeerde gedraging als bedoeld in deze paragraaf opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee toepassing is gegeven aan het tweede lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt het verlagingspercentage, in aanvulling op het tweede lid, verdubbeld tot maximaal 100 %.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als bij een gedraging in verband met dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging dan wordt deze gedraging in het kader van de recidivebeoordeling gezien als een gedraging waarvoor een verlaging is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8.Toezicht en bestrijding van misbruik Paragraaf8.1Maatschappelijke ondersteuning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht rechtmatigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De op grond van artikel 6.1 van de Wmo 2015 aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Wmo 2015 aan de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-812\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving rechtmatigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo 2015 en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Wmo 2015 wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van de zorgaanbieder teruggeëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf8.2Jeugdhulp</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-821\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inlichtingenplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De inwoner of zijn ouders doen aan de gemeente op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot toekenning van een individuele voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet als zich een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid van de Jeugdwet voordoet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-822\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht rechtmatigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gelet op artikel 2.9, aanhef en onder d van de Jeugdwet wijst de gemeente een toezichthouder aan zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De toezichthouder wordt belast met het toezicht op de Jeugdwet ter voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet aan de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-823\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving rechtmatigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Jeugdwet wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De gemeente kan een eerdere beslissing tot het toekennen van een individuele voorziening herzien of intrekken als: de inwoner of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de inwoner of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; de inwoner of zijn ouders niet (langer) voldoen aan de voorwaarden voor de individuele voorziening; of de inwoner of zijn ouders de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor deze bestemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaanbieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner of zijn ouders waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner of zijn ouders worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf8.3Werk en inkomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-831\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht rechtmatigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De op grond van artikel 76a van de Participatiewet, artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ aan de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-832\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving rechtmatigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand en uitkeringen, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ en verantwoord dit jaarlijks aan de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9.Sociaal Medische Indicatie Paragraaf9.1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-911\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen uit hoofdstuk 2 van deze verordening zijn niet van toepassing op dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-912\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: kind: jeugdige tot en met einde basisschool die als ingezetene op hetzelfde woonadres als de ouders is ingeschreven in de Basisregistratie Personen; kinderopvang: dagopvang of buitenschoolse opvang op grond van de wet geleverd door een kindercentrum of gastouderbureau dat geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang; kinderopvangtoeslag: de vergoeding van het Rijk in de kosten van kinderopvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de wet; maximum uurtarief: het jaarlijks door de Belastingdienst vastgestelde landelijk maximum uurtarief per opvangsoort; ouders: degene(n) die juridisch of feitelijk verantwoordelijk is (zijn) voor de dagelijkse zorg van het kind, waaronder worden begrepen ouders, pleegouders en voogden; sociaal-medisch adviseur: een jeugdarts van het CJG; sociaal-medische gronden: lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke beperking of een sociaal en/of psychisch probleem van de ouders waardoor zij onvoldoende voor het kind kunnen zorgen en als de ontwikkelingskansen van het kind hierdoor onder druk staan; sociaal medische indicatie: een schriftelijk advies van een daartoe door de gemeente aangewezen deskundige dat de noodzaak van kinderopvang gemotiveerd omschrijft; tegemoetkoming: bijdrage in de kosten van kinderopvang op basis van sociaal-medische gronden; voorliggende voorziening: elke mogelijkheid om in kinderopvang te voorzien waarvan door de aanvragende ouder gebruik kan worden gemaakt, waaronder een andere financiële tegemoetkoming (zoals onder andere via de aanvullende ziektekostenverzekering, een voorziening op grond van de wet of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) of adequate kinderopvang in de informele sfeer; wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-913\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelstelling en doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het doel van deze regeling is om ouders tijdelijk te ontlasten dan wel de ontwikkeling van kinderen te bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze regeling is van toepassing op ouders: met een aantoonbare lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke beperking of een sociaal en/of psychisch probleem; die volgens de Basisregistratie Personen woonachtig zijn in de gemeente Lansingerland; die beschikken over een Nederlandse nationaliteit of een rechtmatig verblijf in Nederland hebben; die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst; en van wie is vastgesteld dat een of meer van de beperkingen, als genoemd onder a, opvang van het kind of de kinderen tot de middelbare school leeftijd, noodzakelijk maken of ten aanzien van wie is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind of de kinderen noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-914\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak op een tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente kan aan de ouder als bedoeld in artikel 9.1.3 met inachtneming van deze verordening een tegemoetkoming verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de bepaling van de noodzaak, zoals bedoeld in artikel 9.1.3, lid 2, onder e, houdt de gemeente rekening met de mogelijke inzet van passende voorliggende voorzieningen voor opvang van het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf9.2Aanvraagprocedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-921\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening van de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een tegemoetkoming wordt op een door de gemeente beschikbaar gesteld formulier ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-922\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Advies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente vraagt voor de beoordeling van de aanvraag advies over de noodzaak, duur en de omvang van de kinderopvang aan een sociaal-medisch adviseur met voldoende adequate deskundigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf9.3Verlening van de tegemoetkoming</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-931\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De gemeente neemt binnen de wettelijke termijn van 8 weken een besluit op de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De termijn zoals genoemd in lid 1 kan met 6 weken worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-932\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijzingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente wijst een aanvraag voor een tegemoetkoming af als: de ouder niet behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 9.1.3; de kinderopvang niet noodzakelijk is; de kinderopvang naar verwachting van de gemeente niet zal plaatsvinden; de ouder aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-933\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ingangsdatum, omvang en duur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang op grond van de indicatie daadwerkelijk start.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tegemoetkoming wordt verleend voor maximaal 6 dagdelen per week voor dagopvang en drie dagdelen per week voor buitenschoolse opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De gemeente verleent de tegemoetkoming voor maximaal 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Verlenging is slechts mogelijk als uit onderzoek blijkt dat er voor de situatie geen andere oplossing is en er een nieuw advies is afgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-934\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Eigen bijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ouders zijn een eigen bijdrage verschuldigd overeenkomstig de methodiek van de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Er is geen eigen bijdrage verschuldigd wanneer de ouders een netto inkomen hebben dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-935\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte tegemoetkoming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming wordt aangesloten bij het geldende maximum uurtarief van de Belastingdienst zoals opgenomen in het Besluit kinderopvangtoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ouders met een netto inkomen dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet komen in aanmerking voor een vergoeding van ten hoogste € 11,50 per uur voor een kindercentrum en € 10 per uur voor een gastouderbureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De tegemoetkoming wordt in de vorm van maandelijkse termijnen uitbetaald aan het kindercentrum of aan het gastouderbureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf9.4Verplichtingen van de ouder</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-941\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inlichtingenplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ouders doen aan de gemeente op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn of kunnen zijn op de aanspraak op de tegemoetkoming of de hoogte daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf9.5Overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-951\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan het recht op de tegemoetkoming herzien of intrekken als: het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 9.4.1 heeft geleid tot een ten onrechte of te hoog verstrekte tegemoetkoming; of anderszins een tegemoetkoming teveel is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-952\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente een besluit tot herziening of intrekking als bedoeld in artikel 9.5.1 heeft genomen, kan de gemeente de ten onrechte of te veel verstrekte tegemoetkoming terugvorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10.Slotbepalingen Paragraaf10.1Uitwerking en evaluatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1011\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan de gemeente nadere regels vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf10.2Rechtskracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1021\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt op 1 januari 2023 in werking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1022\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken oude verordeningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022, zoals vastgesteld op 24 november 2022 (T22.04042), wordt met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1023\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten die op grond van de oude verordening zijn genomen, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening die hiervoor zijn geldigheid behoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de in deze verordening en de oude verordening opgenomen tarieven geldt dat het op het moment van aanvraag geldende tarief wordt gehanteerd. Indien een Pgb wordt toegekend dan is het oude tarief, indien dit hoger ligt dan het tarief op grond van deze verordening, voor maximaal 6 maanden van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een inwoner behoudt zijn recht op een lopende voorziening, welke is verstrekt op grond van de oude verordening, totdat de gemeente een nieuw besluit heeft genomen. De gemeente neemt hierbij een redelijke overgangstermijn van zes maanden in acht, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De artikelen 4:15a t/m 4:15e van de oude verordening, inzake de blijverslening, behouden hun geldigheid voor lopende leningen voor zolang de looptijd die lopende lening nog niet is verstreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1024\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein” of “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in de openbare raadsvergadering van 4 november 2022De griffier, Eveline Hamelink – van Rens Bijlage Richtlijn gebruikelijke zorg Kinderen van 0 tot ongeveer 3 jaar Hebben 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben volledige overname van zelfzorg nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben voortdurend begeleiding en toezicht nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar Hebben overdag voortdurend begeleiding en toezicht en overname van zelfzorg nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben ’s nachts soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 3 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind met ernstige meervoudige beperkingen (EMB). Kinderen met een EMB hebben een ernstige verstandelijke beperking met een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief en een ernstige motorische beperking. Meestal is ook sprake van zintuiglijke problemen (waaronder prikkel-verwerkingsstoornissen) en/of somatische aandoeningen (zoals epilepsie, reflux, slikproblemen, luchtweginfecties et cetera).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar Hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig; het toezicht kan op enige afstand plaatsvinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn in toenemende mate zelfstandig in de zelfzorg en motoriek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben overdag op geplande en soms op ongeplande momenten hulp bij of enige overname van zelfzorg nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 5 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind dat intensief toezicht (maar geen actieve observatie) nodig heeft in verband met blijvende ernstige ontwikkelingsachterstand in combinatie met (geobjectiveerde) ernstige gedragsproblemen. Of als er een blijvende noodzaak is om de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) volledig over te nemen, in combinatie met blijvende beperkingen in de sociale redzaamheid en cognitief functioneren. Of als er sprake is van een blijvend laag cognitief ontwikkelingsperspectief, in combinatie met beperkingen op meerdere terreinen, zoals bewegen en verplaatsen, ADL, gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen vanaf 8 tot ongeveer 12 jaar Hebben geen 24 uur per dag zorg in de nabijheid meer nodig ter voorkoming van ernstig nadeel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn in toenemende mate zelfstandig in zelfzorg en motoriek, maar hebben nog wel ondersteuning nodig bij persoonlijke verzorging. Verder kan toezicht kan in toenemende mate op afstand. Bijvoorbeeld bij buitenspelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen vanaf 12 tot ongeveer 18 jaar Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen. Zij kunnen in toenemende mate alleen gelaten worden. Vaak eerst een tot enkele uren en hoe verder zij zich ontwikkelen hoe langer dat kan. Verder kunnen zij met beperkt toezicht hun zelfzorg uitvoeren. Wel hebben zij bij gebruik van medicatie toezicht, stimulans en controle nodig;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Verordening Sociaal Domein 2023 gemeente Lansingerland</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1.1. Definities</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen wetgever</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om verwarring te voorkomen wordt in deze verordening in beginsel dezelfde betekenis aan begrippen toegekend als in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Omdat deze verordening regels stelt voor het gehele sociale domein en de wetgever niet in alle wetten dezelfde uniforme begrippen hanteert laat deze bepaling wel een afwijking van deze hoofdregel toe; waar dat blijkt uit deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1.2 Toepassingsbereik</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Sociaal Domein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermd wonen en maatschappelijke opvang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden verstrekt door de gemeente Rotterdam. Onder de Wmo 2007 betrof dit een door de gemeente Rotterdam uitgevoerde centrumtaak. In regioverband zijn afspraken gemaakt op grond waarvan deze taken ook onder de Wmo 2015 worden uitgevoerd door de gemeente Rotterdam. Dit past binnen de in artikel 2.6.1, eerste lid van de Wmo 2015 gegeven opdracht om samen te werken als dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Wmo 2015 aangewezen is. Met het oog op de uitvoerbaarheid en rechtseenheid in de regio wordt dit uitgevoerd conform de door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde verordening. Dit artikel vormt hiervoor de juridische basis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Strijd met de wet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtenreglement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. Toegang</h3>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende domeinwetten (Wmo 2015, Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs) binnen het sociaal domein waar deze verordening op toeziet kennen verschillende procedures voor het krijgen van toegang tot onder-steuning voor inwoners met een ondersteuningsvraag. Uitgangspunt van de decentralisaties is echter dat gemeenten ondersteuningsvragen integraal en in samenhang bekijken. Dit levert een (juridisch) spannings-veld op. Met dit toegangshoofdstuk wordt zo goed mogelijk invulling gegeven aan de integrale toegang vanuit de gemeentelijke visie zonder in conflict te komen met hogere wetgeving.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.1 Melding</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-211-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek tot ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van de toegang is dat alle inwoners met een ondersteuningsvraag zich rechtstreeks melden bij de gemeente/een aanvraag doen bij de gemeente. Omdat een melding/aanvraag voor een algemene (bijstands)uitkering in het kader van de Pw, de IOAW en IOAZ normaalgesproken eerst via het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (UWV) loopt, zijn hierover door de gemeente afwijkende afspraken gemaakt met het UWV (artikel 30c, lid 6 SUWI).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste contact kan per post, via internet, door te bellen of aan een loket plaatsvinden. Het verzoek kan door of namens de inwoner worden gedaan. Dit betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden als daar gelet op de ondersteuningsvraag geen bezwaren tegen bestaan. Deze derde moet wel bevoegd zijn om de inwoner te vertegenwoordigen. Die vertegen-woordigingsbevoegdheid kan voortvloeien uit de wet (bijvoorbeeld een bewindvoerder) of blijken uit een door de inwoner ondertekende schriftelijke machtiging. Als de vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbreekt dan kan de melding wel aanleiding geven om contact te zoeken met een inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft met een aantal lokale organisaties afspraken gemaakt over de toegang. Op dit moment zijn dat Stichting Welzijn Lansingerland, Kwadraad en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). De actuele toegangspartijen zijn te vinden op de website van de gemeente. Zij mogen namens de gemeente het eerste onderzoek verrichten in het kader van de Wmo 2015 (Stichting Welzijn Lansingerland en Kwadraad) en de Jw (CJG). Zij werken hierbij op dezelfde manier als de gemeente, maar de toegang via deze partijen wordt door inwoners vaak als laagdrempeliger ervaren. Mocht het onderzoek van één van deze toegangspartijen tot een aanvraag leiden dan besluit de gemeente hier wel zelf over en maakt zij hierbij gebruik van de onderzoeksresultaten van de aangewezen toegangspartij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het afgeven van een indicatie voor jeugdhulp is in de Jw geregeld dat dit niet uitsluitend een bevoegd-heid van de gemeente betreft. Uit artikel 2.6, lid 1, aanhef en onder e Jw volgt dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Uit artikel 3.5, lid 1 Jw volgt dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. De gemeente kan dit niet afwijkend regelen en daarom zijn deze uitzonderingen ook hier vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-212-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevestiging en afspraak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit het eerste contact met een inwoner moet blijken of er sprake is van een informatieve vraag of dat een onderzoek nodig is om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. In dat laatste geval bevestigt de gemeente of de toegangspartij de ontvangst van de melding schriftelijk, zodat de inwoner weet dat zijn onder-steuningsvraag is ontvangen en in behandeling is genomen. Vervolgens wordt er door de gemeente of de toegangspartij een afspraak gemaakt voor een gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente, of de toegangspartij namens de gemeente, is verplicht om de inwoner te wijzen op de mogelijkheden om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 2.3.3, lid 3 Wmo 2015) en het indienen van een persoonlijk plan (artikel 2.3.2, lid 2 Wmo 2015) of een familiegroep-splan (artikel 4.1.2 Jw). Op dit moment wordt de onafhankelijke cliëntondersteuning verzorgt door Stichting MEE, maar als dit een andere organisatie wordt dan is dit terug te vinden op de website van de gemeente. Een inwoner kan uiteraard ook zelf iemand meenemen naar het gesprek die hem goed kan ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld een vriend of familielid zijn die zelf geen eigen belang heeft bij de uitkomst van het gesprek (een gewaarborgde derde). Een (beoogd) zorgverlener kan deze rol vanwege zijn eigen (financiële) belang bijvoorbeeld niet vervullen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.2 Onderzoek</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbereiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een zorgvuldige dossiervorming maakt de gemeente of de toegangspartij een dossier aan in het eigen systeem. Op die manier kan informatie, mocht dat nodig zijn, altijd teruggevonden worden. Voor een goed, inhoudelijk gesprek is het belangrijk dat de inwoner ook alvast zoveel mogelijk noodzakelijke en relevante informatie aanlevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een van de leidende principes van de gemeentelijke visie is dat de gemeente uitgaat van de inzet van de eigen kracht van inwoners. Hierbij past om ook al in een vroeg stadium te vragen aan de inwoner wat hij zelf al heeft geprobeerd. Dit stimuleert de inwoner om zelf na te denken over mogelijke oplossingen die hij zelf kan realiseren zonder een beroep te hoeven doen op de gemeente. Hiermee wordt ook voorkomen dat in het gesprek mogelijke oplossingen naar voren worden gebracht die voor de inwoner niet bleken te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de melding kan de gemeente of de toegangspartij vragen om alvast bepaalde stukken toe te sturen. Op basis van de informatie uit deze stukken kan het gesprek alvast worden voorbereid, waar-door er tijdens het gesprek gerichtere vragen kunnen worden gesteld. Uiteraard biedt de gemeente of de toegangs-partij een redelijke termijn waarbinnen deze gegevens kunnen worden aangeleverd. Deze termijn is afhankelijk van de gegevens die gevraagd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft, anders dan de toegangspartijen, de wettelijke bevoegdheid om gebruik te maken van bepaalde informatiesystemen om gegevens over de inwoner te verkrijgen. Deze bevoegdheden zijn afhankelijk van de ondersteuningsvraag die de inwoner bij de melding heeft doorgegeven. Op basis van deze informatie kunnen tijdens het gesprek gerichtere vragen worden gesteld en kan sneller worden door-gedrongen tot de kern van de hulpvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-222-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inlichtingenplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente of de toegangspartij moet de identiteit van de inwoner met een ondersteuningsvraag zorgvuldig vast kunnen stellen. In dit artikel is dan ook een identificatieplicht opgenomen. Het vaststellen van de identiteit van de inwoner gebeurt door middel van het overleggen van een geldig identiteitsbewijs door de inwoner. Volgens de Wmo 2015 moet het gaan om een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht (artikel 2.3.4, lid 1 Wmo 2015). De Jw stelt geen eisen aan de identificatie, maar spreekt slecht van identificerende gegevens (artikel 10.4, lid 3 Jw), zodat een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht eveneens toereikend is. De Pw, IOAW, IOAZ en Wgs vereisen een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht (artikel 17, lid 3 Pw, artikel 13, lid 3 IOAW, artikel 13, lid 3 IOAZ en artikel 7, lid 1 Wgs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de ondersteuningsvraag van de inwoner te kunnen onderzoeken is het noodzakelijk dat de inwoner of zijn vertegenwoordiger de gemeente of de toegangspartij alle relevante informatie verstrekt die nodig is voor een zorgvuldig besluit. Deze inlichtingen- en medewerkingsplicht is ook terug te vinden in verschil-lende domeinwetten en de Algemene wet bestuursrecht (artikel 2.3.2, lid 7 Wmo 2015, artikel 17, lid 1 Pw, artikel 13, lid 1 IOAW en artikel 6 Wgs en artikel 4:2, lid 2 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-223-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek feiten en af te wegen belangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald hoe het onderzoek is opgebouwd en wat daarbij van de gemeente of de toegangs-partij en van de inwoner gevraagd wordt. Tijdens het gesprek wordt zorgvuldig onderzoek gedaan naar de situatie van de inwoner. Het gesprek kan ook meerdere gesprekken omvatten en vindt afhankelijk van de situatie telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats. Een eerste gesprek zal, in verband met de identificatieplicht (artikel 2.2.2), altijd in persoon plaats moeten vinden. Complexe situaties zijn vaak niet in één gesprek te doorgronden. Die situaties vragen om een dieper onderzoek naar ‘de vraag achter de vraag’. Soms is er ook aanvullend onderzoek nodig voordat het gesprek kan worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente of de toegangspartij voert haar gesprek op basis van de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Zij maakt hierbij gebruik van de kennis en ervaring dat een ondersteuningsvraag op één domein vaak samenhangt met een ondersteuningsvraag op een ander domein en dat een duurzame oplossing alleen mogelijk is met een integrale benadering. Dit is ook in jurisprudentie op het gebied van re-integratie erkend (CRvB 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2660). De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek alle voor het nemen van een besluit over de ondersteuningsvraag van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. De gemeente of de toegangspartij volgt hierbij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot een zorgvuldig onderzoek (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het gesprek is ook specifieke aandacht voor de mantelzorger(s). Dit past binnen de gemeentelijke visie waarin de mantelzorger een belangrijke plaats inneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inwoner of het gezin waartoe de inwoner behoort zelf een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft opgesteld dan wordt dit uiteraard betrokken bij het gesprek. Dit volgt ook uit de Wmo (artikel 2.3.2, lid 5 Wmo 2015). Het feit dat de inwoner zelf een plan heeft betekent echter niet dat de gemeente of de toegangspartij geen onderzoek meer hoeft te doen naar de situatie van de inwoner. De gemeente of de toegangspartij kan op basis van het onderzoek ook tot andere mogelijke oplossingen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat het nodig is om specifieke deskundigheid in te schakelen om een goed zicht te krijgen op de ondersteuningsvraag van de inwoner dan schakelt de gemeente een deskundige/adviseur in. Meestal is dit een arts, maar het is ook mogelijk dat er bijvoorbeeld een ergotherapeut of een andere deskundige wordt ingezet. In complexe situaties kan er ook een team van deskundigen worden ingezet. De inwoner wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij. In het tweede lid, onder b, onder 4 , blijkt het onderzoek naar de eigen kracht van de ouders en jeugdige. Zo kijkt de gemeente of de eigen kracht toereikend is. Zo niet, dan kijkt de gemeente of het sociaal netwerk de ondersteuning/hulp kan bieden of een overige of individuele voorziening ingezet kan worden. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht, kijkt de gemeente naar belemmerende factoren zoals beperkte taalvaardigheid, armoede of psychische problematiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-224-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverstrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.3.2, lid 6 Wmo 2015 moet de gemeente de inwoner wijzen op de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgeboden budget. Ook in het kader van de Jw is dit zorgvuldig. De inwoner mag van de gemeente of de toegangspartij verwachten dat hij goed wordt geïnformeerd over deze mogelijk-heid, zodat hij een weloverwogen keuze kan maken bij een eventuele aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage in de kosten maakt deel uit van het onderzoek in het kader van de Wmo 2015 (artikel 2.3.2, lid 4 aanhef en onder g Wmo 2015). Om de inwoner in de gelegenheid te stellen een goede keuze te maken en te voorkomen dat hij achteraf verrast wordt door een opgelegde bijdrage in de kosten is het belangrijk de inwoner hier tijdig over te informeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-225-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Het ondersteuningsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het zorgen voor een goede verslaglegging van het gesprek en het vastleggen van de resultaten van het onderzoek vormt de kern van een zorgvuldig opgebouwd dossier en daarmee een zorgvuldige procedure. De invulling van het verslag is door de wetgever vrij gelaten. In Lansingerland is gekozen voor een onder-steuningsplan dat is gebaseerd op de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Het onder-steuningsplan kan gezien worden als een verslag omdat hierin een inventarisatie van alle knelpunten, gewenste resultaten en oplossingen is opgenomen. Het betreft een zakelijke weergave van wat de inwoner heeft verteld en wat uit het eventuele aanvullende onderzoek is gebleken. Het geeft een goed en logisch opgebouwd beeld van de belemmeringen/beperkingen die de inwoner ervaart in zijn dagelijks leven en de mogelijke oplossingen. Het ondersteuningsplan is een integraal plan waarin rekening gehouden wordt met het totale pakket aan voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat in het ondersteuningsplan geen zaken worden weggelaten. De gemeente moet zich namelijk achteraf over het onderzoek kunnen verantwoorden bij de rechter. Dan moet aangetoond worden dat alle relevante aspecten zijn onderzocht en meegewogen. In het ondersteuningsplan kunnen dus geen zaken worden weggelaten omdat deze naar de inschatting van de gemeente of de toegangspartij niet van belang zijn voor de ondersteuningsvraag terwijl de inwoner deze wel bewust heeft aangedragen. Om als basis te kunnen dienen voor de inzet of afwijzing van een individuele voorziening moet er sprake zijn van een begrijpelijk geheel. In sommige gevallen kan er ook voor gekozen worden om aanvullend een los en uitvoeriger gespreksverslag op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het ondersteuningsplan is er ruimte voor de inwoner om ook op een later moment in het onderzoek zijn eigen inbreng (aanvullend) naar voren te brengen. Het ondersteuningsplan biedt hierdoor een goede basis voor besluitvorming en voldoet hiermee aan de uitgangspunten van het plegen van wederhoor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-226-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Gegevensdeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente gaat zorgvuldig om met de gegevens van de inwoner die zij in het kader van het onderzoek ontvangt. Hierbij worden de regels die betrekking hebben op de bescherming van de persoonlijke levens-sfeer van de inwoner (Algemene Verordening Gegevensbescherming) gerespecteerd. De verzameling en de eventueel noodzakelijke uitwisseling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving (T19.10353). De toegangsmedewerker bepaalt of het uitvragen, uitwisselen en vastleggen (verwerken) van gegevens doelmatig is, in proportie is en of er een alternatief is. Er moet sprake zijn van een gerechtvaardigd (legitiem) doel en de verwerking moet voldoen aan de principes van “subsidiariteit” (minst ingrijpende maatregel), “proportionaliteit” (de maatregel is in verhouding tot het doel) en “doelmatigheid” (de maatregel is geschikt om het doel te bereiken). Indien mogelijk wordt hierbij zoveel mogelijk rekening gehouden met de mening van de inwoner over de (voorgenomen) verwerking van zijn gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er tijdens het onderzoek kennis wordt genomen van (signalen van) een strafbaar feit/fraude dan wordt die informatie gedeeld met de relevante interne en/of externe instanties. De bevoegdheid om hiertoe over te gaan en aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar vloeit voort uit artikel 161 Sv. Ambtenaren zijn op grond van artikel 162 Sv bovendien verplicht om aangifte te doen bij de officier van justitie of een hulpofficier als zij in de uitoefening van hun werkzaamheden kennis krijgen van een misdrijf. De Participatiewet bevat hiertoe ook nog een specifieke verplichting (artikel 66 Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een eventuele controle achteraf mogelijk te maken wordt door de toegangsmedewerker een intern rapport opgemaakt over de (voorgenomen) gegevensverwerking. Hierin legt de toegangsmedewerker zijn argumentatie vast.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.3 Aanvraag</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.1 De aanvraag voor een individuele voorziening Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. Een aanvraag moet de naam en het adres van de aanvrager, een dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd bevatten (artikel 4:2, lid 1 Awb). Om aanvragen op een efficiënte manier af te kunnen handelen is het belangrijk dat de inwoner hiervoor gebruik maakt van een door de gemeente voor-geschreven en beschikbaar gesteld formulier (artikel 4:4 Awb). Op het moment dat de inwoner daar geen gebruik van heeft gemaakt dan krijgt de inwoner de kans om dit verzuim te herstellen (artikel 4:5 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in de verschillende domeinwetten verschillende voorwaarden zijn gesteld voor het doen van een aanvraag, bevat dit artikel ook een aantal uitzonderingen op de mogelijkheid om direct een aanvraag in te kunnen dienen. In de Wmo 2015 is geregeld dat gedurende de onderzoekstermijn van zes weken eerst het onderzoek moet worden afgewacht (artikel 2.3.2, lid 9). De Pw bevat voor jongeren een verplichte zoektermijn van 4 weken, waarbij alleen voor vreemdelingen een afwijkende regeling is opgenomen (artikel 41, lid 4 en 8 Pw). Met deze bepaling in de verordening wordt de begunstigende mogelijkheid aan jongeren geboden om in zeer bijzondere situaties, waarbij bijvoorbeeld sprake is van een dreigende uithuiszetting, toch al een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening op het gebied van inkomen op basis waarvan de gemeente een voorschot zou kunnen verstrekken (Kamerstukken II 2010-11, 32 815, nr. 7, p. 13 en 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel is er een mogelijkheid gecreëerd om een getekend ondersteuningsplan als aanvraag in behandeling te nemen. Dit voorkomt dat de inwoner, naast het indienen van het getekende onder-steuningsplan, ook nog een ingevuld en getekend aanvraagformulier in moet dienen. Als voorwaarde is wel opgenomen dat het gesprek niet langer dan drie maanden geleden heeft plaatsgevonden. Dit is om te voorkomen dat de gegevens te zeer verouderd zijn. Omdat het ondersteuningsplan niet alle informatie bevat die nodig is om een aanvraag voor individuele voorziening te beoordelen met betrekking tot werk, inkomen of schulden, is het volledig invullen van een voorgeschreven aanvraagformulier voor deze domeinen wel altijd vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 4; artikel 4a Wgs is in dit artikel bepaald dat het, in afwijking van artikel 4:1 Awb en hetgeen hierover in de verordening is bepaald, ook mogelijk is om de aanvraag mondeling in te dienen tijdens het gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3.2 De beoordeling van de aanvraag Dit artikel regelt de zorgvuldige beoordeling van een aanvraag voor een individuele voorziening. Het artikel volgt het hiervoor in de jurisprudentie ontwikkelde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). Indien het noodzakelijk is om een deskundige in te schakelen dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2.4 besluit</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling uit de Awb waarin is bepaald dat een beschikking dient te worden afgegeven binnen een redelijke termijn van maximaal acht weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 4:13 Awb) is onverkort van toepassing op de Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs. In de Wgs is wel bepaald dat hierover nog een expliciete bepaling in de verordening opgenomen moet worden (artikel 4a, lid 3 Wgs), waaraan met dit artikel wordt voldaan. In de Wmo 2015 is een afwijkende termijn van maximaal twee weken geregeld (artikel 2.3.5, lid 2 Wmo 2015). Dit is echter gekoppeld aan een onderzoekstermijn van maximaal zes weken na de melding (artikel 2.3.2, lid 1 Wmo 2015), waardoor de totale termijn eveneens maximaal acht weken bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4:15 Awb kan de beslistermijn worden opgeschort indien voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening noodzakelijke gegevens ontbreken in afwachting van de toezending van die gegevens door de inwoner. Opschorting is ook mogelijk met instemming van de inwoner, indien de vertraging aan de inwoner te wijten is of in overmacht situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Dit kan bijvoorbeeld in complexe situaties waarbij het voor een zorgvuldig onderzoek nodig is om meer tijd te nemen om tot een besluit te komen. Bijvoorbeeld als een advies van een deskundige van belang is om de meest passende ondersteuning te kunnen inzetten, maar dit advies niet zo snel kan worden gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-242-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Motivering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bekendmaking van het besluit door de gemeente vindt plaats door schriftelijke toezending daarvan (artikel 1:3, eerste lid; artikel 3:41 Awb). In dit besluit worden ook redenen van de gemeente voor het besluit genoemd (afdeling 3.7 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-243-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking procedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De termijnen genoemd in artikel 2.4.1 zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na het melden van een ondersteuningsvraag binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt (spoedprocedure). Het onderzoek volgt dan achteraf. De tijd waarbinnen de voorziening daadwerkelijk wordt ingezet is mede afhankelijk van de beschikbaarheid van een aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp is ook toegankelijk na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts (artikel 2.6, lid 1 aanhef en onder e Jw). Hetzelfde geldt voor de jeugdreclassering (artikel 2.4 Jw), waarbij de gecertificeerde instelling na overleg met de gemeente bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (artikel 3.5, lid 1 Jw). In die gevallen geldt de in dit hoofdstuk genoemde toegangsprocedure niet en draagt de gemeente er zorg voor dat de extern afgegeven indicatie wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In situaties waarin de inwoner recent nog is gesproken en zijn situatie bij de gemeente bekend is, is het niet altijd nodig om een geheel nieuw onderzoek te starten conform dit hoofdstuk. In die situaties is het wel van belang om de inwoner te vragen of er nog iets in zijn situatie is gewijzigd, waardoor er misschien toch meer onderzoek nodig is. Als dit niet het geval is dan kan de aanvraag direct worden beoordeeld. Ook vanuit efficiëntie overwegingen kan de gemeente besluiten om in bepaalde (eenvoudige) aanvraagsituaties geen brede uitvraag te doen, maar direct tot het beoordelen van de aanvraag op basis van het ingediende aanvraagformulier en de daarbij gevoegde stukken over te gaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3. Adviesraad Sociaal Domein</h3>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente over het gevoerde en te voeren beleid op het gebied van het gemeentelijke sociaal domein door inwoners. Hieronder vallen de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatie-wet, IOAW, IOAZ en het leerlingenvervoer. Om de samenhang en de integraliteit binnen het sociaal domein ook in de inspraak en medezeggenschap te waarborgen, en omdat het niet mogelijk is alle inwoners persoonlijk bij het beleid te betrekken, wordt met dit hoofdstuk één adviesraad in het leven geroepen die zich buigt over alle beleidsterreinen binnen het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.10 van de Jeugdwet, artikel 47 van de Participatiewet, artikel 42 van de IOAW en artikel 42 van de IOAZ; in combinatie met artikel 150 van de Gemeentewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.1 Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Adviesraad Sociaal Domein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Taken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De taken van de adviesraad op het terrein van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW en IOAZ vloeien voort uit deze wetten. Zij worden hier enkel uitgewerkt. Vanuit de integrale benadering van het sociaal domein is deze taakstelling uitgebreid naar overige wet- en regel-geving waarover het college een advies vraagt. Daarbij kan gedacht worden aan de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, maar ook aan bijvoorbeeld gemeentelijke minimaregelingen en het leerlingen-vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviesraad heeft een duidelijke adviserende taak met betrekking tot het gemeentelijke beleid en de gemeentelijke regelgeving. De adviesraad houdt zich niet bezig met individuele zaken van inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het regelen van haar eigen praktisch functioneren en om daarvoor regels op te stellen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.2 Leden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-321-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling adviesraad</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om de actieve betrokkenheid van alle doelgroepen en hun vertegenwoordigers binnen het sociaal domein goed tot zijn recht te kunnen laten komen, is het van belang dat de adviesraad een goede afspiegeling is van de verschillende doelgroepen en/of hun vertegenwoordigers. Het gaat hierbij in elk geval om de doel-groepen genoemd in artikel 1.2.1 van de Wmo 2015, artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet, artikel 7, eerst lid van de Participatiewet, artikel 2 van de IOAW en artikel 2 van de IOAZ. Zij weten door hun ervaring immers als geen andere welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. De inspraak is echter niet beperkt tot deze doelgroepen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Iedereen kan immers op enig moment aangewezen raken op ondersteuning. Belangrijk is dat men zich betrokken voelt bij het sociaal domein en zich hiervoor in wil zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de onafhankelijkheid van de adviesraad te waarborgen is het van belang dat de leden geen belangen van organisaties vertegenwoordigen in de adviesraad. Inwoners kunnen lid zijn van de adviesraad vanwege het feit dat zij deel uitmaken van één of meerdere doelgroepen, hier een nauwe verwantschap mee hebben of gewoon interesse hebben in het sociaal domein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Benoeming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het werven en selecteren van nieuwe leden. Deze worden vervolgens gemotiveerd voor benoeming voorgedragen aan de gemeente. De gemeente besluit over de benoeming en kan een voorgedragen lid gemotiveerd weigeren. De voorzitter wordt door de gemeente in de functie van voorzitter benoemd. De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het aanwijzen van een penningmeester en secretaris uit de door de gemeente in de adviesraad benoemde leden. Leden worden in principe voor een periode van vier jaar benoemd en kunnen slechts eenmaal herbenoemd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aftreden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.3 Werkwijze</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-331-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Openbaarheid vergaderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-332-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Advisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een effectieve advisering is het belangrijk dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken en dat er een goede verhouding is tussen de adviesraad en het ambtelijk apparaat. Dit artikel bevat hiervoor de basis. Het artikel regelt ook de terugkoppeling vanuit de gemeente naar aanleiding van door de adviesraad uitgebrachte adviezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-333-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Geheimhouding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.3.2 is het uitgangspunt geformuleerd dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken. Dit vraagt dat er vertrouwelijk met informatie wordt omgegaan. Dit artikel regelt daarom de geheimhouding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-334-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Budget en faciliteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een effectieve vervulling van de taken is het van belang dat de adviesraad wordt gefaciliteerd. Niet alleen voor vergaderruimte, maar ook voor kantoormiddelen en deskundigheidsbevordering. De gemeente zorgt voor een adequate ondersteuning. De adviesraad verantwoord de inzet van deze (financiële) ondersteuning in haar jaarverslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-335-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. Maatschappelijke ondersteuning</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.1 Procedure</h3>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op maatschappelijke ondersteuning die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar anderen als dat van belang is voor het beoordelen van de melding. Het gaat dan om het netwerk van de inwoner en specifiek om huisgenoten. Het niet meewerken aan dit onderzoek door huisgenoten heeft ook gevolgen voor de besluitvorming door de gemeente en daarom worden zij expliciet benoemd in dit artikel. Indien de inwoner een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/leverancier van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-414-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-415-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking procedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.2 Kwaliteit en veiligheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">Maatschappelijke ondersteuning is vaak bedoeld voor (zeer) kwetsbare inwoners. Ter bescherming van deze groep, maar ook om te voorkomen dat geld dat bedoeld is voor het effectief bieden van maatschap-pelijke ondersteuning wordt misbruikt voor andere doeleinden, is het van belang om heldere eisen met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van maatschappelijke ondersteuning te stellen. In deze paragraaf worden dan ook een aantal (basis)eisen verankerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroeps-krachten daaronder begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij het uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen opgenomen. Deze kunnen op grond van het tweede lid verder worden uitgewerkt in beleid. Deze kwaliteitseisen beperken zich niet tot de door de gemeente zelf gecontracteerde aanbieders, maar gelden ook voor aanbieders die een inwoner vanuit een pgb in wil huren. Het is namelijk van groot belang dat alle ondersteuningsverleners die vanuit de Wmo 2015 ondersteuning verlenen voldoende zijn toegerust om die ondersteuning te bieden en dat dit blijkt uit objectieve (toetsbare) maatstaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid benoemd het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek dat de gemeente op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de Wmo 2015 verplicht is uit te voeren. Ook worden de andere methoden genoemd waarmee de gemeente er op toeziet dat de maatschappelijke ondersteuning voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid wordt aanvullend verwezen naar de kwaliteitseisen van GGD Haaglanden voor de voor-zieningen begeleiding, dagbesteding en hulp bij het huishouden. Deze organisatie voert mede namens de gemeente Lansingerland toezicht uit op de mate waarin aanbieders voldoen aan de kwaliteitseisen. Vanuit het oogpunt van samenhang in de regio wordt er gekozen voor een verwijzing naar deze criteria. De criteria zijn terug te vinden via de website van de GGD-Haaglanden (https://www.ggdhaaglanden.nl/inspecties/toezicht-wmo.htm#:~:text=GGD%20Haaglanden%20houdt%20toezicht%20op,de%20basis%20van%20het%20toezicht).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidseisen maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij alle voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning is het belangrijk dat deze veilig en inwoner gericht worden verstrekt. Dit betekent dat ondersteuningsverleners, of zij nou professionals, vrijwilligers of vanuit een pgb gefinancierde informele ondersteuningsverleners zijn; moeten beschikken over de juiste deskundigheid en vaardigheden. Als dat aan de orde is; moeten zij uiteraard ook voldoen aan geldende wettelijke eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een minimale basisveiligheid in te bouwen wordt van ondersteuningsverleners een VOG gevraagd. Ook wordt gekeken of de ondersteuningsverlener wel over de juiste opleidingspapieren beschikt die gelet op de beperkingen van de inwoner en de te verlenen ondersteuning nodig zijn. Welke papieren/diploma’s dit zijn zal per situatie verschillen en is daarom in dit artikel niet verder uitgewerkt. Wel is vastgelegd dat dit in beleid en contracten nader moet worden uitgewerkt. Voor professionals is een extra verzekeringseis opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ZIN-aanbieders wordt dit contractueel afgesproken en kan hier vanuit toezicht op gecontroleerd worden. Bij Pgb-aanbieders wordt dit gecontroleerd door de gemeente en vormt het een onderdeel van de screening van het Pgb-plan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-423-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid Wmo 2015). Om er voor te zorgen dat deze aanbieders een reële prijs betaald krijgen voor hun diensten, moeten er bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voor-ziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die de gemeente door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-424-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsregeling calamiteiten en geweld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de door de gemeente aangewezen toezichthouder bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder ‘calamiteit’ wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot schadelijke gevolgen heeft geleid voor een inwoner. Onder ‘geweldsincident’ wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam of ontucht en lichamelijk en geestelijk geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door de gemeente een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in dit artikel benoemde toezicht is door de gemeente regionaal geregeld via de GGD Haaglanden. Het staat los van het in hoofdstuk 8 geregelde rechtmatigheidstoezicht ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen, al zijn er uiteraard wel raakvlakken en wordt er onderling samengewerkt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.3 Voorwaarden maatwerkvoorziening</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-431-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikbare maatwerkvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan, afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte(n) van de inwoner, verschillende maatwerk-voorzieningen verstrekken op grond van de Wmo 2015. In dit artikel is een globaal overzicht opgenomen van de verschillende (groepen van) maatwerkvoorzieningen die beschikbaar zijn. Hoewel de Wmo 2015 hier niet toe verplicht geeft de verordening hiermee wel een globaal beeld van de ondersteunings-mogelijkheden die de gemeente haar inwoners kan bieden. Hiermee wordt duidelijkheid geboden aan de inwoners.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-432-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgangspunten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.1.3 , tweede lid, sub a van de Wmo 2015 is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria de gemeente vaststelt of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. De gemeente moet aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en het navolgende artikel 4.3.3 is deze verplichting uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: hierin is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat nogmaals uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2: bepaalt dat de gemeente bij het kiezen van de voorziening kiest voor de goedkoopst passende voorziening. De voorziening die wordt verstrekt hoeft niet de goedkoopste voorziening te zijn. De gemeente onderzoekt in de eerste plaats welke voorzieningen het meest passend zijn en daarna welke het goedkoopst. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip passend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Het toekennen van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het volledig aanpassen van een woning valt ook onder deze bepaling. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Ter verduidelijking een voorbeeld: als een rolstoel de meest passende voorziening voor een inwoner is, heeft die inwoner soms aanvullende wensen omtrent kleur of uitvoering. Deze aanvullende wensen maken de voorziening niet passender of doel-matiger, maar brengen meestal extra kosten met zich mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze extra kosten komen in dat geval voor rekening van de inwoner. Een maatwerkvoorziening is ook niet bedoelt om een inwoner in een gunstigere positie te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: regelt dat een maatwerkvoorziening niet anti-revaliderend mag werken. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Wmo 2015 om de zelfredzaamheid te versterken. Hierbij kan gedacht worden aan het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening omdat die een effectieve behandeling in de weg staat. Dit is bijvoorbeeld het geval als een beperking door een medische- of psychologische behandeling weggenomen zou kunnen worden en het verstrekken van de maatwerkvoorziening de noodzaak tot het ondergaan van deze behandeling wegneemt en daarmee de beperking en de afhankelijkheid van de inwoner in stand zou houden of zelfs vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4: begrenst het voorzieningenniveau dat de gemeente biedt tot een niveau waarmee de inwoner volgens de gemeente een aanvaardbaar niveau van maatschappelijke participatie kan realiseren. Met deze bepaling wordt benadrukt dat de gemeente niet in elke wens/behoefte van een inwoner voorziet, maar ook beoordeeld in hoeverre het noodzakelijk is om daarin te voorzien (vgl. CRvB 21 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2644) en of de inwoner niet al voldoende mogelijkheden heeft om deel te nemen aan de samenleving. Wat in een individuele situatie leidt tot een aanvaardbaar niveau van participatie is een kwestie van maatwerk, waarvoor in beleidsregels nadere criteria kunnen worden uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5: spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-433-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat weigeringsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Deze jurisprudentie staat ook wel bekend als de “essentialia jurisprudentie” (CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133 en CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen. Door het opnemen van heldere weigeringsgronden kan de inwoner zelf zijn rechtspositie bepalen. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid sub a van de Wmo 2015, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub a: spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub b: Een maatwerkvoorziening zal pas ingezet worden als de ondersteuning niet op een andere manier kan worden gerealiseerd. Naast de eigen kracht van de inwoner zelf is ook de beoordeling of er gebruikelijke hulp van huisgenoten verwacht mag worden een belangrijke overweging om wel of niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Daarbij mag van een partner ook veel meer verwacht worden (bijv. CRvB 14 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:823), dan van een huisgenoot met wie de inwoner een minder nauwe relatie heeft. De mogelijkheden om een beroep te kunnen doen op mantelzorg en het netwerk van de inwoner zijn eveneens van belang bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en sluiten aan bij de gemeentelijke visie van samenredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub c: Het is van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Als voor het opheffen van een beperking of het bereiken van een gewenst resultaat een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toegekend. Het voorrang geven aan het doen van een beroep op een dergelijke voorliggende voorziening sluit ook aan bij het uitgangspunt dat inwoners eerst hun eigen mogelijkheden benutten. Het gaat om de vraag of de inwoner aanspraak heeft op de voorziening. Het is niet nodig dat de inwoner daadwerkelijk over de voorziening beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub d: Van inwoners wordt verwacht dat als zij schade lijden, zij er, als dat mogelijk is, ook voor zorgen dat ze die schade verhalen op de veroorzaker. Daarmee kunnen zij voorkomen dat ze een beroep moeten doen op de Wmo 2015. De eigen verantwoordelijkheid speelt immers een grote rol (CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776). Omdat er zich situaties kunnen voordoen waarin het niet wenselijk is dat een inwoner op deze grond een maatwerkvoorziening wordt onthouden, bevat deze bepaling wel een redelijkheidstoets. In bijzondere situaties kan de gemeente, hoewel er een derde verantwoordelijk is voor de situatie en die aangesproken kan/had kunnen worden, toch een (eventueel tijdelijke) maatwerk-voorziening verstrekken. In dat geval zal wel vast moeten komen te staan dat de inwoner zijn situatie niet zelf kan verbeteren en dat er voor het verstrekken van de voorziening een dringende noodzaak bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub e: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Uit artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015 volgt dat er geen maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt voor zover de gemeente van oordeel is dat de beperkingen met een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden verminderd of weggenomen. In de Memorie van Toelichting wordt dit begrip nader toegelicht: ‘Een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat uit zaken, diensten die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een beperking zijn ontworpen en niet aanzienlijk duurder zijn dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Memorie van Toelichting noemt als voorbeeld een situatie waarin een inwoner al geruime tijd diensten (zoals huishoudelijke hulp) betrekt van een derde, waarmee de beperkingen op het gebied van zelfred-zaamheid of participatie al zijn verminderd of weggenomen; waardoor er geen voorziening hoeft te worden verstrekt (Kamerstukken II 2018-19, 35 093, nr. 3, p. 15). De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 de criteria voor een algemeen gebruikelijke voorziening verder uitgewerkt. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel onder de Wmo 2015 kan als algemeen gebruikelijk worden aan-gemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoners tot zelfredzaam-heid of participatie in staat is, en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimum-niveau (ECLI:NL:CRVB:2019:3535).</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2024 heeft de CRvB geoordeeld dat de gemeente bij de vierde voorwaarde ook moet beoordelen of de dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten (ECLI:NL:CRVB:2024:1364 en ECLI:NL:CRVB:2024:1362).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub f: Doelt op de situatie dat de inwoner een voorziening aanvraagt nadat deze door de inwoner zelf gerealiseerd of aangekocht is. Omdat de gemeente dan geen mogelijkheden meer heeft de voor-ziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, of op een andere manier invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat de gemeente als goedkoopst passende voorziening beschouwt. Ook wordt voorkomen dat de gemeente nog ver nadat de voorziening is gerealiseerd een beoordeling zou moeten maken van de situatie van toen, terwijl het probleem al is opgelost en er feitelijk op het moment van de melding geen probleem is dat de gemeente nog zou moeten compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub g: Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als verstrekking daarvan op het moment van de aanvraag (medisch) noodzakelijk is om een participatiedoel dat past binnen de Wmo 2015 te bereiken. Het is niet bedoeld om te voorzien in wensen of in mogelijk toekomstige behoeften. De noodzaak van de ondersteuning zal in beginsel ook langdurig van aard moeten zijn. De Wmo 2015 is niet bedoeld voor situaties waarin iemand tijdelijk is aangewezen op een voorziening. Voor tijdelijke voorzieningen, bijvoorbeeld revalidatiehulpmiddelen kan een beroep worden gedaan op Zorgverzekering. Deze hulp-middelen kunnen gedurende 2 x 3 maanden worden geleend en nadien zo nodig worden gehuurd. Dit is geregeld in artikel 2.12. juncto 2.6 e Regeling Zorgverzekering. Voor huishoudelijke hulp geldt een uitzondering (Kamerstukken II 2005-06, 30 131, nr. C, p. 45-46), welke in deze bepaling ook is over-genomen voor begeleiding omdat dit eveneens een dienst betreft. Wat tijdelijk is zal per situatie verschillen en zal meestal ook afhankelijk zijn van medische prognoses.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub h: De gemeente verstrekt vanuit de Wmo 2015 ook subsidies aan diverse organisaties binnen de gemeente Lansingerland. Deze organisaties bieden vrij toegankelijke, laagdrempelige voorzieningen aan voor de inwoners. Voordat er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt wordt door de gemeente eerst beoordeeld of het doel ook met de inzet van een dergelijke voorziening bereikt kan worden. Dit volgt ook uit artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1, sub i: Van de inwoner wordt verwacht dat hij op een verantwoorde wijze omgaat met een door de gemeente of een ander overheidsorgaan verstrekte voorziening die hem in staat stelt tot participatie en/of zelfredzaamheid. Dit past bij de prominente rol die de eigen verantwoordelijkheid inneemt in de Wmo 2015. Op het moment dat er een passende voorziening is geboden en er zich geen wijziging heeft voor-gedaan in de situatie (bijv. toegenomen beperkingen waardoor de voorziening niet langer passend is), maar de inwoner door eigen toedoen of nalaten niet meer beschikt over die voorziening, dan is het niet logisch dat de gemeente opnieuw een voorziening verstrekt. Deze bepaling ziet uitdrukkelijk alleen toe op situaties waarin de inwoner, door bijvoorbeeld roekeloosheid of onoplettendheid, een verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 sub j: Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij een verhuizing of de aanschaf van voor-zieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Zo mag bijvoorbeeld van iemand met een (progressieve) loopbeperking verwacht worden dat hij niet verhuist naar een woning met een trap waardoor hij (op termijn) geen gebruik kan maken van de woning zonder een voorziening. Doet hij dat wel, dan kan de gemeente een voorziening om die reden afwijzen. Het was immers voorzienbaar dat de keuze tot een beroep op de Wmo 2015 zou leiden. De verantwoordelijkheid van de inwoner om een voorzienbaar beroep op de Wmo 2015 te voorkomen gaat overigens niet zo ver dat van de inwoner gevraagd mag worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 sub k: De inwoner moet op grond van de artikel 2.3.2, lid 7 en artikel 2.3.8 Wmo 2015 meewerken aan het onderzoek van de gemeente dat nodig is om vast te stellen of er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en hoe die maatwerkvoorziening(en) eruit moet(en) zien. Op het moment dat een inwoner niet aan dit onderzoek meewerkt dan kan de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet worden bepaald en vormt dit een grond om de aanvraag af te wijzen (bijv. CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:567 en CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:224). Ook in situaties waarin huisgenoten niet meewerken aan een onderzoek, terwijl dit noodzakelijk is om vast te stellen in hoeverre zij gebruikelijke hulp kunnen bieden aan de inwoner, bestaat er aanleiding om de aanvraag om een maatwerkvoorziening af te wijzen (bijv. CRvB 25 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090).</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening betreffen. Een woonvoorziening is vaak een woning gebonden voorziening, die niet verplaatst kan worden, bijvoorbeeld bij een verhuizing. De afwijzingsgronden zijn bedoeld om onnodige kosten te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, sub a: Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandig-heid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om een woning die in slechte staat verkeert of waar gebruik is gemaakt van verkeerde bouwmaterialen te renoveren. Ook tot het plaatsen van een voorziening in een woning die in slechte staat verkeert zal niet worden overgegaan omdat die voorziening alleen niet voldoende zal zijn om (langdurig) veilige woon-situatie te realiseren. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om ervoor te zorgen dat de aan te passen woning (eerst) in een goede staat verkeert, zodat een eventuele maatwerkvoor-ziening die gericht is op het zoveel mogelijk wegnemen van een beperking ook duurzaam effectief kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, sub b: De gemeente treft alleen een maatwerkvoorziening in of aan een woning waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een inwoner twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel de ene als de andere ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering op het aanpassen van een woning die niet de hoofdverblijfplaats betreft vormt het bezoekbaar maken van een woning voor een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft. Onder het bezoekbaar maken valt onder andere het aanpassen van de entree van de woning en als dat nodig is het zorgen voor een toiletvoorziening (waarbij de voorkeur uitgaat naar een gehuurde- in plaats van een nagelvaste voorziening). Het kan ook gaan om het logeerbaar maken van de woning door het thuis laten staan van de Wmo-hulpmiddelen. Zie ook onderstaande uitleg over wat er onder de Wmo-hulp-middelen valt. Het gaat bij logeerbaar maken dus uitdrukkelijk niet om aanpassingen aan de slaapruimte en natte cel gecreëerd zouden moeten worden om te kunnen logeren. Aan dit bezoekbaar of logeerbaar maken van een woning zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet het bezoeken van of logeren in de woning frequent en over een langere periode plaats zullen vinden en voor minimaal 18 dagen per jaar zijn, zodat de kosten in verhouding staan tot het aantal bezoeken. Ook zal de persoonlijke verzorging in de te bezoeken woning georganiseerd moeten zijn en moet het aanpassen van de woning bouwtechnisch eenvoudig mogelijk zijn. Het bezoekbaar maken van een woning isverplicht op grond van de Wmo 2015. Het logeerbaar maken van een woning is niet verplicht, maar de gemeente is wel bevoegd om dit op grond van de Wmo 2015 mogelijk te maken, met deze uitzondering is voldaan aan de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Wmo-hulpmiddelen voor logeerbaar maken geldt het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft uitsluitend hulpmiddelen die op basis van de Wmo 2015 thuis reeds zijn verstrekt (verkregen in natura of met een pgb) op het moment van de verhuizing en niet redelijkerwijs vanuit de zorginstelling zijn mee te nemen in geval van thuis logeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het al dan niet kunnen meenemen van hulpmiddelen beoordeelt de zorginstelling in overleg met de cliënt(vertegenwoordiger), waarbij de woonsituatie thuis wordt meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een traplift is geen hulpmiddel, maar een woningaanpassing. Ook daarvan kan het echter nodig zijn dat deze aanwezig blijft in de thuissituatie in verband met het logeren. Een traplift valt daarmee in dit geval onder de Wmo-hulpmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden niet op twee plekken verstrekt en vallen daarmee niet onder deze landelijke afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen thuis op een later moment door hulpmiddelen met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoner is zelf verantwoordelijk om binnen 5 werkdagen na verhuizing naar een Wlz-zorginstelling te melden bij de gemeente bij het Wmo-loket dat de inwoner wenst gebruik te maken van het logeerbaar maken van de woning en het laten staan van Wmo-hulpmiddelen. Conform de landelijke afspraken hierover met VNG, Ieder(in), Firevanned en VWS dient de inwoner zelf de overzichtslijst te verstrekken met de Wmo-hulpmiddelen die thuis moeten blijven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laten staan van deze hulpmiddelen leidt niet tot extra eigen betalingen voor de cliënt (vertegenwoordiger).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande bepalingen zijn aan van toepassingen in de Wlz-zorginstellingen die gevestigd zijn in de gemeente Lansingerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, sub c: Met deze bepaling wordt het aanpassen van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimten en/of woonruimten waar slechts tijdelijk wordt verbleven en/of woonruimten waarvoor de inwoner geen recht van permanente bewoning heeft; uitgesloten. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar verantwoordelijkheid. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing in de vorm van een verhuiskostenvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, sub d: Met deze beperking wordt invulling gegeven aan het individuele karakter van de maatwerk-voorziening, waarbij de toegang voor de inwoner wel wordt gewaarborgd. Het volledig aanpassen van collectieve ruimten sluit niet aan bij het individuele karakter van de maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, sub e: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belang-rijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden is ook van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2, sub f: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Ook als men een goede reden heeft om te verhuizen mag van de (toekomstige) inwoner verwacht worden dat hij zoekt naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte(re) woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt niet alleen het feitelijke verhuizen bedoeld, maar ook alle onomkeerbare handelingen die hieraan normaal gesproken voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Van de (toekomstige) inwoner wordt verwacht dat hij vooraf contact zoekt met de gemeente en om toestemming vraagt voor de verhuizing om in aanmerking te kunnen komen voor een eventueel noodzakelijke woningaanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 regelt het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer. Met deze bepaling worden de keuzemogelijkheden van de inwoner voor een oplossing voor een vervoersprobleem beperkt om het systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer betaalbaar en daarmee in stand te kunnen houden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-441-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan een maatwerkvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook veilig is voor de inwoner en zijn omgeving. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst, zoals huishoudelijke hulp en begeleiding, moet ook het zorgplan als bedoeld in artikel 4.4.8 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-442-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Pgb plan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner zien dat hij er bewust voor kiest om de maatwerkvoorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb. Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoor-delijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen. Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb (a) en een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c). Ook wordt van de inwoner verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze leverancier/ondersteuningsverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d). Hiernaast zal de inwoner aan moeten geven welke kostprijs de beoogde leverancier/ondersteunings-verlener hanteert © en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorgovereenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen ondersteuning. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de leverancier/ ondersteuningsverlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de ondersteuningsverlener/leverancier weet wat hij moet doen (h). Ook wordt van de inwoner, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 4.4.8 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de leverancier/ondersteuningsverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen. Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-443-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner als door een derde namens de inwoner (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren. Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/ondersteuningsverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavings-problematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren. Een fraude-verleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG ©. Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2: Op het moment dat de inwoner zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner doet. Deze derde kan een wettelijk vertegen-woordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (curator of mentor), of iemand die door de inwoner zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b). Hij zal dit met de inwoner moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner (d).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: Om te voorkomen dat Pgb verzoeken waarbij de inwoner zelf niet in staat is om het beheer op zich te nemen langdurig blijven liggen, omdat de inwoner niet in staat is om een geschikte beheerder in zijn netwerk aan te wijzen, bevat het derde lid een beperking met betrekking tot het opnieuw aandragen van een andere Pgb-beheerder. Op het moment dat de inwoner er niet in slaagt om een geschikte beheerder aan te dragen wordt het verzoek om een Pgb afgewezen. De inwoner krijgt dan de maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-444-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgangspunten vaststellen Pgb budget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de uitgangspunten bij het vaststellen van het Pgb budget toegelicht. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1: De hoogte van het pgb voor een dienst is afhankelijk van het aantal uren of dagdelen dat nood-zakelijk is voor het bereiken van het gewenste resultaat en van de professionaliteit en de relatie tussen de inwoner en degene die de ondersteuning biedt. Voor professionele inzet, waarbij de ondersteunings-verlener ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de inwoner, zoals een vriend of familielid, is het tarief maximaal de hoogte van het tarief voor zorg in natura. Dit wordt het formele tarief genoemd. Voor onder-steuning door iemand die dit niet doet in het kader van een hulpverlenend beroep of iemand uit het eigen sociale netwerk, ligt het tarief lager. Dit wordt het informele tarief genoemd (a). Het Pgb is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen (b) en bedraagt nooit meer dan de kostprijs die de gemeente op basis van de gemaakte contractuele afspraken met de zorg in natura aanbieders verschuldigd zou zijn. Op het moment dat de inwoner de noodzakelijk geachte ondersteuning volgens de pro-forma nota goedkoper weet in te kopen dan de maximale kostprijs op basis van het zorg in natura tarief dan hanteert de gemeente bij het berekenen van het Pgb budget dit lagere tarief (c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2: geeft aan dat als er een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een hulpmiddel, er een aanvullend bedrag wordt verstrekt voor het onderhoud en de verzekering van het hulpmiddel. Dit bedrag is bedoeld voor het onderhoud gedurende de gehele looptijd van de verstrekking. Deze is maximaal gelijk aan de levensduur van het hulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-445-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte Pgb budget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de hoogte van het Pgb bij een aantal specifieke voorzieningen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in augustus 2023 twee uitspraken gedaan die gevolgen hebben voor de hoogte van het Pgb-uurtarief waarmee een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingehuurd (ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en ECLI:NL:CRVB:2023:1580).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van die uitspraken moet de gemeente in de verordening uitgaan van de volgende tarieven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b hulp bij huishouden: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven voor de overige voorzieningen zijn geïndexeerd met het consumenten prijs index (CPI).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-446-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Niet in het tarief</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning. Eventuele kosten die verbonden zijn aan het beheren van het Pgb, als gevolg van de vrijwillige keuze voor een Pgb, komen voor rekening van de inwoner zelf. Het Pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-447-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-448-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van de inwoner en zijn ondersteuningsverlener die een dienst levert (huishoudelijke hulp of begeleiding), wordt verwacht dat zij een zorgplan opstellen en dit actueel houden. Dit zorgplan moet ook binnen drie maanden (dezelfde termijn als waarbinnen het Pgb op grond van artikel 4.4.7 moet worden aangewend) aan de gemeente worden toegezonden. Het is de bedoeling dat dit zorgplan ook wordt bijgehouden, zodat dit bij een eventueel heronderzoek of bij een verzoek om verlenging van de indicatie kan worden bekeken om te zien hoe de ondersteuning is verlopen en wat het resultaat daarvan is geweest.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-449-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4410-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Opschorting betaling uit het pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.5 Bijdrage in de kosten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-451-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In samenwerking met het Zorgkantoor verstrekt de gemeente verschillende voorzieningen op grond van de Wmo 2015 aan inwoners bij Laurens Huize Sint Petrus. Huishoudelijke ondersteuning, in de vorm van een algemene voorziening, vormt hiervan een onderdeel. Laurens ontvangt per 1 januari 2024 een subsidie om deze ondersteuning te leveren. Hierdoor zijn de bewoners van Huize Sint Petrus geen eigen bijdrage meer verschuldigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-452-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.1.4a, lid 1 Wmo 2015 bestaat de bevoegdheid om in de verordening te regelen dat er een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening. De gemeente vraagt in principe aan iedere inwoner een bijdrage in de kosten als zij gebruik maken van maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de wetswijziging abonnementstarief wet maatschappelijke ondersteuning betalen vanaf 1 januari 2020 alle cliënten die gebruik maken van één of meer maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van het collectief vervoer, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periode bijdrage zoals genoemd in artikel 2.1.4, lid 3 en 2.1.4a, lid 4 van de Wmo 2015. Hierbij is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verplicht de gemeenteraad bij verordening de eigen bijdrage voor een vervoersvoorziening vast te stellen. De raad bepaalt dan ook hoe hoog dit tarief is, maar deze is niet hoger dan het tarief voor openbaar vervoer. De tarieven voor het collectief vraagafhankelijk vervoer worden jaarlijks geïndexeerd door de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. De gemeente past deze indexatie pas een jaar later toe. Zo worden voor het jaar 2024 de geïndexeerde tarieven van 2023 aangehouden. Voor 2025 worden de geïndexeerde tarieven van 2024 aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4: worden een aantal uitzondering op de verschuldigdheid van de eigen bijdrage opgesomd. Een aantal van deze uitzonderingen zijn, door de in lid 2 genoemde verwijzing naar hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, al gedekt. Voor de volledigheid zijn deze uitzonderingen hier wel benoemd. a: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder a Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 1.1.2 Wmo 2015 moet onder echtgenoot mede worden verstaan de geregistreerde partner en diegene die geen bloedverwant is in de eerste graad en met wie en gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Als de gehuwden/geregistreerd partners duurzaam gescheiden leven worden zij niet als gehuwd aangemerkt. b: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder b Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. c: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder f Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. d: Vloeit grotendeels voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder e Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 waarin is bepaald dat geen bijdrage in de kosten is verschuldigd bij een maatwerkvoorziening voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, tenzij het een woningaanpassing betreft en op grond van artikel 2.1.5 Wmo 2015 is bepaald dat daarvoor door de ouders van de minderjarige een bijdrage in de kosten is verschuldigd. Voor dit laatste is niet gekozen. De reden daarvoor is dat hierdoor een geen afweging nodig is of in een individuele situatie van het heffen van een bijdrage in de kosten van de ouders moet worden afgezien, als bedoeld in artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder c Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit zorgt voor een gelijke behandeling van alle minderjarige inwoners (en hun ouders) die een beroep moeten doen op een maatwerkvoorziening. Als de maatwerkvoorziening na het achttiende levensjaar nog doorloopt is vanaf het bereiken van die leeftijd wel een bijdrage in de kosten verschuldigd. e: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder d Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. f: Betreft een gemeentelijke keuze om (een deel van) deze financiële vergoeding niet weer via een bijdrage in de kosten terug te halen bij de inwoner. g: Betreft een gemeentelijke keuze. h: Betreft een gemeentelijke keuze die valt in het verlengde van artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. i en j: Betreft een keuze van de gemeente om geen eigen bijdrage van de inwoner te vragen als hij langer dan één kalendermaand in een tijdelijke instelling is opgenomen of wanneer de aanbieder de maatwerk-voorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 5 en 6: is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.6 Waardering en ondersteuning van mantelzorgers</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-461-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Waardering mantelzorgers en artikel 4.6.2 Ondersteuning mantelzorgers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen betreffen een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een periodieke blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Dit krijgt invulling door mantelzorgers te ondersteunen in de vorm van emotionele steun, deskundigheidsbevordering en respijtzorg om overbelasting te voorkomen. De mantelzorger zelf hoeft niet in de gemeente te wonen om hiervoor in aanmerking te komen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.7 Klachten en medezeggenschap</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-471-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoner is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015).</p></div>", "next": 239412}