{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">a. deel uitmaken van provinciegrensoverschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet; b. zijn aangewezen op een als zodanig aangeduide kaart bij het beheerplan van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.31, Inhoud peilbesluit 1. Het peilbesluit bevat naast het bepaalde in het tweede lid van artikel 5.2 van de Waterwet een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het peilbesluit gaat vergezeld van een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken; b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven grond- en oppervlaktewaterstanden voor de diverse belangen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.32, Openbare voorbereiding peilbesluit Op de voorbereiding van het peilbesluit is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.33, Herziening peilbesluit 1. Een peilbesluit wordt in ieder geval herzien indien hiertoe uit de evaluatie van het beheerplan de noodzaak blijkt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien een peilbesluit betrekking heeft op een provinciegrensoverschrijdend peilvak, dan is op de herziening van het peilbesluit de regelgeving van de provincie van toepassing, waarbinnen het grootste deel van het gebied waarvoor het peilbesluit geldt is gelegen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.34, Projectprocedure voor waterstaatswerken Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen kunnen, mede op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap, paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet van toepassing verklaren op: a. projectplannen tot de aanleg of wijziging van bergingsgebieden in regionale watersystemen; b. projectplannen tot aanleg, verlegging of versterking van regionale waterkeringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1035\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.35</span><span class=\"lf-art-t\">Toezending projectplannen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Projectplannen, als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet, behoeven de goedkeuring van Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het te realiseren project in hoofdzaak is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een projectplan dat betrekking heeft op een primaire of regionale waterkering die deel uitmaakt van een dijkring die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie of provincies wordt door het dagelijks bestuur tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten van die provincie of provincies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.36, Waterakkoorden Bij de voorbereiding van het waterakkoord, bedoeld in artikel 3.7 van de Waterwet, raadpleegt het dagelijks bestuur het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 10.5, Handelingen in watersystemen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.37, Grondwaterregister 1. Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en artikel 10.38, eerste lid worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het dagelijks bestuur van de waterschappen verstrekt aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die door toepassing van artikel 10.38, derde lid worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in het vorige lid gebruik van het Landelijk Register Grondwater (LGR) zoals dat is ondergebracht bij TNO/DINO.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De in het tweede lid bedoelde gegevens, meldingen en vergunningen worden door het dagelijks bestuur binnen 3 maanden nadat deze door hen zijn ontvangen dan wel zijn verleend, verstrekt aan gedeputeerde staten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.38, Registratieplicht 1. Degene die water onttrekt aan of infiltreert als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet is verplicht: a. de onttrekking op te geven aan Gedeputeerde Staten van de provincie of de provincies, waarin de onttrekking geschiedt; b. de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden; c. telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 1 maand na die beëindiging, aan Gedeputeerde Staten van de provincie of provincies, waarin de onttrekking geschiedt, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water; d. bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a, verstrekte gegevens.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen, na overleg met het dagelijks bestuur, nadere regels stellen omtrent de wijze van meting en registratie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het algemeen bestuur van de waterschappen regelt bij verordening dat ten minste degene die meer dan 10 m3 water per uur of meer dan 5.000 m3 water per kwartaal onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam voor andere doeleinden of in kleinere hoeveelheden dan genoemd in het eerste lid, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.39, Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister 1. Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting en/of infiltratie die niet ingevolge artikel 10.38 is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in artikel 10.37, inschrijven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.40, Onttrekking van grondwater en infiltratie van water 1. Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet houden Gedeputeerde Staten in ieder geval rekening met: a. de thermische en hydrologische effecten op de omgeving; b. de (micro)biologische of chemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit; c. de wijze waarop de boring zal worden uitgevoerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet wordt door Gedeputeerde Staten niet verleend indien: a. er bij een bodemenergiesysteem geen sprake is van een energiebalans; b. er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing van het opgepompte water; c. er door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met de belangen van andere reeds verleende vergunningen en toekomstige belangen; d. bij infiltratie deze niet plaatsvindt in hetzelfde diepte als waar het grondwater wordt onttrokken; e. voor een industriële onttrekking of de aanleg van een bodemenergiesysteem de locatie van de boring is gelegen binnen een gebied als bedoeld in artikel 7.1.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 10.6, Financiële bepalingen grondwater</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.41, Instelling commissie van deskundigen Gedeputeerde Staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.14a, eerste lid, van de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.42, Procedure advies Gedeputeerde Staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.14a, eerste lid, van de Waterwet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10.43, Indienen zienswijzen 1. Gedurende 6 weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.42, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.42, derde lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 10.42, derde lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan Gedeputeerde Staten en, in geval het verzoek, bedoeld in 7.14a, eerste lid, van de Waterwet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 11</h3>\n<p class=\"lf-p\">DEEL VI, WEGEN EN WATERWEGEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 12, WEGEN EN WATERWEGEN</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 12.1, Algemene bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.1, Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wegen: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet, met inbegrip van verhardingen, bermen, glooiingen en bermsloten, met alle bijbehorende werken of op enigerlei wijze daarmee verbonden voorzieningen en begroeiingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.2, Toepassing 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op wegen in beheer bij de provincie Drenthe en tevens op situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Op de bij deze verordening behorende kaart A zijn deze wegen aangegeven.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 12.2, Bepalingen inzake instandhouding en dergelijke</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 12.3, Bescherming 1. Dit hoofdstuk kan mede strekken ter bescherming van ecologische, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve, toeristische of landschappelijke belangen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen ten behoeve van de in het eerste lid genoemde belangen nadere regels stellen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De geboden en verboden worden voor zover noodzakelijk aangegeven door middel van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.4</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.5</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.6</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 12.7, Dijken</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Provinciale Staten stellen de afmetingen vast van de dijken met een waterkerende functie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de handhaving van deze afmetingen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 12.3, Gebods- en verbodsbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.7a</span><span class=\"lf-art-t\">Waar in dit hoofdstuk sprake is van bevoegd gezag wordt hiermee bedoeld:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. indien sprake is van een toestemming voor een activiteit als bedoeld in artikel 12.9a van deze verordening: het daartoe bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen bevoegde gezag; b. in alle andere gevallen: gedeputeerde staten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.8</span><span class=\"lf-art-t\">1.    Het is verboden zodanig te handelen of na te laten:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. dat aan wegen schade wordt of kan worden toegebracht; b. dat het veilig en doelmatig gebruik of de instandhouding van wegen in de ruimste zin wordt of kan worden belemmerd of belet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.9</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden enig werk aan te brengen, te hebben of te wijzigen, beplantingen aan te brengen of te hebben binnen een dusdanige afstand uit de grens van de weg, indien daardoor het vrije zicht op de weg zodanig wordt belemmerd dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in het eerste lid genoemde verboden gelden tevens voor situaties buiten wegen waarbij het doelmatig en veilig gebruik van die wegen in het geding is.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.9a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als verbod om te handelen zonder omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden aangemerkt de verboden als bedoeld in artikel 12.9 voor zover er sprake is van: a. het aanleggen van een weg of veranderingen te brengen in de aanleg van een weg; b. het maken van een uitweg of deze te veranderen; c. het als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het in de artikelen 12.8 en 12.9 genoemde geldt niet voor handelingen ten behoeve van het provinciaal belang.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 12.4, Ontheffing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.11</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bevoegd gezag kan schriftelijk ontheffing verlenen van de in de artikelen 12.8 en 12.9 genoemde bepalingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een ontheffing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een ontheffing kan worden ingetrokken indien: a. de omstandigheden zodanig gewijzigd zijn dat de ontheffing niet meer op dezelfde wijze zou zijn verleend; b. de ontheffing gedurende een aaneengesloten periode van 2 jaar niet is gebruikt; c. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd; d. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12.12</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Met betrekking tot een aanvraag voor een omgevingsvergunning waar sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 12.9a worden Gedeputeerde Staten als adviseur aangewezen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">DEEL VII, OVERIGE BEPALINGEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 13, VERGOEDING VAN SCHADE EN KOSTEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde Staten met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van de hoofdstukken 5, 6, 7 en 9 van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De bepalingen in dit hoofdstuk betrekking hebbende op \"de waterleidingmaatschappij in wiens belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd\" zijn slechts van toepassing voor zover het verzoek om schadevergoeding betrekking heeft op bepalingen op grond van hoofdstuk 7, titel 7.3, van deze verordening.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.2</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; b. de aard en omvang van de kosten dan wel de schade; c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 13.1.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het gestelde in het eerste lid, brengen deze deskundigen advies uit inzake: a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; b. de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; e. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Alvorens een advies aan Gedeputeerde Staten uit te brengen horen de aangewezen deskundigen de aanvrager. Tevens stellen de aangewezen deskundigen de waterleidingmaatschappij in welker belang de bescherming van het beschermingsgebied is gerealiseerd in de gelegenheid haar opvattingen over de voorliggende aanvraag aan hen kenbaar te maken.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer Gedeputeerde Staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 7, titel 7.3, dient dat verzoek ten minste vergezeld te gaan van: a. indien het bestuursorgaan een verzoek om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van dat verzoek en de daarbij gevoegde stukken; b. een afschrift van de schriftelijke opvattingen die de waterleidingmaatschappij over het verzoek of het voornemen een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt aan het bestuursorgaan; c. indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 15.20, vierde lid, van de Wet milieubeheer heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; d. het ontwerp van de beschikking houdende een toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 14, HANDHAVING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een gedraging in strijd met artikel 5.3, tweede lid, 5.4, 5.10, tweede lid, 7.3, 7.4, eerste lid, 7.5, eerste lid, 7.7, 7.8, 7.9, 7.10, 7.11, 7.12, 7.13, 7.14, 7.15, 7.16, 7.17 of 9.2 is een strafbaar feit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de artikelen 10.15, 10.16, 12.8 of 12.9 wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste 2 maanden of een geldboete van de tweede categorie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.3</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen personen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in hoofdstuk 12 zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door Gedeputeerde Staten aangewezen personen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 15, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van een van de in artikel 15.3 genoemde verordeningen wordt gelijkgesteld aan een ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing op grond van de POV Drenthe, voor zover de juridische grondslag voor de ontheffing, vrijstelling, melding of aanwijzing in de POV Drenthe is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de aanvraag tot het geven van een ontheffing van het bepaalde in een verordening als bedoeld in artikel 15.3 is ingediend voor het tijdstip waarop dat artikel ten aanzien van die verordening in werking treedt, blijft die verordening op de aanvraag van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.3</span><span class=\"lf-art-t\">De volgende verordeningen worden ingetrokken:</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de Provinciale milieuverordening Drenthe;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe 1994;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>de Verordening waterhuishouding Drenthe;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>de Ontgrondingenverordening voor Drenthe 2000.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.4</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Op het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van de artikelen 10.28, 10.29, 10.41, 10.44, 10.46 en 10.51 van de Wet milieubeheer in werking zijn getreden, vervalt: a. artikel 1.1, voor zover het betreft de onderdelen o, p en q; b. artikel 5.2; c. artikel 5.17; d. bijlage II.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Op het tijdstip dat alle in het eerste lid bedoelde algemene maatregelen van bestuur in werking zijn getreden, komt artikel 14.1 als volgt te luiden:</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een gedraging in strijd met artikelen 7.3, 7.5, 7.7, 7.8, 7.9, 7.13, eerste lid, 7.14, 7.15, eerste lid, 7.18, 7.19, 7.20 of 9.2 is een strafbaar feit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip, dat voor onderdelen van de verordening verschillend kan zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kan worden aangehaald als: Provinciale Omgevingsverordening Drenthe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlagen BIJLAGE I BIJ DE POV DRENTHE Het in artikel 7.7 opgenomen verbod geldt voor de volgende categorieën van inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing van categorieën van inrichtingen die niet in grondwaterbeschermingsgebied morgen worden opgericht of in werking worden gehouden a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het winnen van aardolie, aardgas, mergel, zand, grind, kalkzandsteen, kalk, zout, steenkolen, turf of andere delfstoffen. b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het opslaan, overslaan of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen. d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het voorbereiden van recycling bestaande uit metaal- en autoshredders, puinbrekerijen en -malerijen en afvalscheidinginstallaties. e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het storten, het op- en overslaan, het composteren, het verbranden, het anderszins op of in de bodem brengen of op een andere wijze verwijderen of verwerken van afvalstoffen. f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het opslaan of storten van baggerspecie op land of op of in oppervlaktewateren. g.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het vergisten van dierlijke meststoffen en organische afvalstoffen. h.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwater­zuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen. i.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren, verfspuiten of het anderszins behandelen van (de oppervlakte) van auto's, motorfietsen of schepen. j.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan vaartuigen. k.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen. l.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor de opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks. m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het inwendig reinigen van mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers, bulkcontainers of tankschepen. n.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groothandel in vloeibare chemische producten en vloeibare brandstoffen. o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, of het aanbrengen van gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst. p.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het vervaardigen van chemische producten. q.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor schieten in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk. r.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor de bewerking van splijt- en kweekstoffen. s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen. t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater. u.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen voor het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE II BIJ DE POV DRENTHE A. Voorschriften als bedoeld in de artikelen 5.3, eerste lid, en 5.4, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1, Overzicht voorschriften voor kleine open en gesloten WKO-systemen Tabel 1, Overzicht voorschriften voor kleine open en gesloten WKO-systemenKleine WKO-systemen in groene gebieden Algemeen Open systemen Gesloten systemen Type systeem zone A1 A2 A3 A4 A5 A6 A7 O1 O2 O3 O4 O5 O6 O7 O8 G1 G2 G3 G4 Open I v v v v v v v v v v Open II v v v v v v v v v v v v v v v Gesloten I v v v v v v v v v Gesloten II v v v v v v v v v Toelichting In tabel 1 is een overzicht van voorschriften opgenomen die voor kleine open en gesloten WKO-systemen in groene gebieden van toepassing zijn. Het betreft kleine WKO-systemen die meldingsplicht zijn. Gebruik de tabel van links naar rechts.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Kies in eerste instantie het type systeem (open of gesloten) 2. Kies vervolgens de zone waar het toekomstig systeem wordt geplaatst (zone I = 0 tot 25 meter en zone II 25 tot 300 meter diep).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In kolom Algemeen (A1 t/m A7) zijn de geldende voorschriften (afhankelijk van stap 1 en 2) die van toepassing zijn aangevinkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Afhankelijk van stap 1 en 2 zijn de geldende voorschriften voor open of gesloten systemen in de laatste twee kolommen aangevinkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Een omschrijving van de van toepassing zijnde voorschriften is op de volgende pagina beschreven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Voorschrift A1 1. Het principe van eco-efficiency wordt gehanteerd: het voorkomen van/streven naar een minimale aantasting van de bodem/ecologie bij een tegelijk zo groot mogelijk energiebesparing (bijvoorbeeld een open systemen in plaats van meerdere kleinere gesloten systemen).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De eigenaar/gebruiker van een open of een gesloten WKO-systeem moet streven naar een minimale verandering van de grond- en grondwaterkwaliteit. Streef naar het behoud of verbetering van de huidige kwaliteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Op het uitvoeren van mechanische boringen in de bodem is de BRL SIKB 2101 (mechanisch boren) van toepassing en voor de algemene kwaliteitseisen voor het uitvoerende boorbedrijf is BRL SIKB 2100 van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De eigenaar/gebruiker van een toekomstige WKO-systeem moet zijn /haar ontwerp afstemmen op bestaande nabij gelegen WKO-systemen. Streef naar samenwerking en synergie waarbij het principe van eco-efficiency centraal staat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift A2 Een nieuw WKO-systeem mag een bestaand WKO-systeem niet negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift A3 Gemiddeld over elk jaar is een netto opwarming van de bodem ten gevolge van het WKO-systeem niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift A4 Het WKO-systeem moet het huis of het gebouw zowel kunnen verwarmen als koelen. Het percentage warmte dat jaarlijks aan de bodem wordt toegevoegd bedraagt minimaal 20% ten opzichte van de jaarlijkse aan de bodem onttrokken warmte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift A5 1. Voor zover dit van toepassing is op het WKO-systeem dient het volgende te worden gemeten: a. de temperaturen en de hoeveelheden warmte en koude die aan de bodem wordt toegevoegd; b. de hoeveelheid van het onttrokken en geretourneerd grondwater.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een klein gesloten WKO-systeem voor een afzonderlijke woning; b. op een klein open WKO-systemen voor een afzonderlijke woning in Zone I.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De meters die u gebruikt om te meten hoeveel water of energie u aan de bodem onttrekt of hoeveel water of energie u in de bodem infiltreert of laadt, moeten nauwkeurig zijn en juist geplaatst zijn. De meters zijn voldoende nauwkeurig als ze geijkt zijn. Een meter mag een afwijking volgens de fabrieksspecificaties hebben van maximaal 5%.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De frequentie van energiemeting of berekening is ten minste eenmaal per 15 minuten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Maandelijks dienen de water- en/of de energiehoeveelheden van het WKO-systeem te worden geregistreerd. De energiehoeveelheden dienen te worden berekend op de wijze zoals aangeven in onderdeel B van deze bijlage.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift A6 1. Voor het overhandigen van meetgegevens en registratie van voorvallen die van invloed kunnen zijn op de meting, wordt gebruik gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld meetformulier.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het meetformulier dient jaarlijks volledig en naar waarheid te worden ingevuld en door de houder te worden ondertekend, onder vermelding van de plaats en dagtekening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, indien het WKO-systeem is beëindigd, binnen 1 maand na het tijdstip van beëindiging, wordt opgave gedaan aan gedeputeerde staten over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De houder dient een kopie van het meetformulier ten minste 5 jaar beschikbaar te houden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift A7 1. Indien zich ten gevolge van het WKO-systeem een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het grondwaterbeheer zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft de houder onmiddellijke maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen of zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Tevens meldt de houder dit voorval en de daarop genomen maatregelen terstond aan gedeputeerde staten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Binnen 13 weken na beëindiging van:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een open WKO-systeem dienen de weerstandbiedende lagen te worden hersteld met bentoniet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een gesloten WKO-systeem dienen alle vloeistoffen te worden verwijderd en moet het systeem gespoeld worden met leidingwater. Aanvullend dienen de wisselaars te worden gevuld/afgedicht met bentoniet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Uiterlijk 13 weken voorafgaand aan de werkelijke beëindiging van het WKO-systeem moet de datum waarop de afdichting plaatsvindt schriftelijk aan gedeputeerde staten worden gemeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De houder dient aan gedeputeerde staten gedeputeerde staten binnen 4 weken na de definitieve buitengebruikstelling van het WKO-systeem, schriftelijk te laten weten dat het WKO-systeem is ontmanteld en uit het register kan worden verwijderd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Open systemen Voorschrift 01 De retourtemperatuur van het geïnjecteerde grondwater mag niet hoger zijn dan 25°C. Voor opvangen van pieken kan het bevoegd gezag een maximale retourtemperatuur van 30°C toegestaan, mits dit niet leidt tot overschrijding van de gemiddelde retourtemperatuur in de warme bron van 25°C op jaarbasis (jan/dec, verdisconteerd naar injectiedebieten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 02 De bronnen van een open WKO-systeem moeten zijn gelegen op het eigen terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 03 Alle effecten, met uitzondering van.de thermische effecten en hydrologische effecten, moeten zich beperken tot het eigen terrein en tot zone I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 04 De freatische grondwaterstand mag buiten het perceel niet worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 05 In het bepompt pakket is een grondwaterstandsverlaging van maximaal 10 cm op de perceelgrens toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 06 De thermische effecten moeten zich beperken tot de zone I op het eigen terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 07 Mogelijk uitvoeren alternatief of vergoeding van de rendementsverliezen bij interferentie tussen bestaand gesloten en nieuw open systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift 08 Indien de grondwaterstromingssnelheid groter is dan 25 m per jaar en gelegen in intrekgebied, is afstroming van warmte niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesloten systemen Voorschrift G1 1. Ontwerp en uitvoering van verticale bodemwarmtewisselaars conform ISSO-publicatie 73 \"ontwerp en uitvoering van verticale bodemwarmtewisselaars\" tenzij in deze verordening anders vermeld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Ontwerp en uitvoering van horizontale of andere bodemwarmtewisselaars zoveel mogelijk ook conform ISSO-publicatie 73 \"ontwerp en uitvoering van verticale bodemwarmtewisselaars\" tenzij in deze verordening anders vermeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De temperatuur van de bodemwarmtewisselaarvloeistof mag niet warmer dan 30°C of kouder dan 0°C zijn. Incidenteel is -5°C toegestaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het WKO-systeem moet zijn voorzien van een deugdelijk en functionerend lekdetectiesysteem.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift G2 De bodemwarmtewisselaar(s) moet op eigen perceel worden aangelegd en op minimaal 2,5 m vanaf de perceelsgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift G3 In een oranjegebied mag alleen leidingwater als bodemwarmtewisselaarvloeistof worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschrift G4 Indien het WKO-systeem wordt geplaatst door middel van de wegdrukmethode moet de bovenste 3 m door middel van bentoniet worden afgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">B Berekening van de energiebalans Op basis van navolgende berekening dient jaarlijks de energiebalans (Eb) van het WKO-systeem te worden berekend. Frequentie van berekening op basis van meetformulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor open systemen Met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eb Energiebalans [MWh] Ew Toegevoegde koude in winterbedrijf [MWh] Ez Toegevoegde warmte in zomerbedrijf [MWh] Vw Verpompt hoeveelheid grondwater in winterbedrijf (m3) Vz Verpompt hoeveelheid grondwater in zomerbedrijf (m3) Tkgem Gemiddelde temperatuur van het water dat uit het koude veld wordt onttrokken (ºC) Twgem Gemiddelde temperatuur van het water dat uit het warme veld wordt onttrokken (ºC) Tiw Temperatuur van het water dat in het koude veld wordt geïnjecteerd (ºC) Tiz Temperatuur van het water dat in het warme veld wordt geïnjecteerd (ºC) Voor gesloten systemen Met:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eb Energiebalans [MWh] Ew Toegevoegde koude in winterbedrijf [MWh] Ez Toegevoegde warmte in zomerbedrijf [MWh] Vw Verpompt hoeveelheid bodemwarmtewisselaarvloeistof in winterbedrijf (m3) Vz Verpompt hoeveelheid bodemwarmtewisselaarvloeistof in zomerbedrijf (m3) Tkgem Gemiddelde temp. van de bodemwarmtewisselaarvloeistof dat uit de bodem komt (ºC) Twgem Gemiddelde temp. van de bodemwarmtewisselaarvloeistof dat uit de bodem komt (ºC) Tiw Temperatuur van de bodemwarmtewisselaarvloeistof dat in de bodem gaat (ºC) Tiz Temperatuur van de bodemwarmtewisselaarvloeistof dat in de bodem gaat (ºC) BIJLAGE III BIJ DE POV DRENTHE Lijsten A en B als bedoeld in artikel 10.7, onder a en b Lijst A: Vaarwegen in beheer bij de provincie Drenthe Functionaliteit Vaarweg Beheerder CEMT/specificatie diepgang BRTN Doorvaart- hoogte obv kanaalpeil Kilometer / opmerking Noord-Willemskanaal voor zover in Drenthe Provincie Drenthe II 1,90m - kp 2,50m - kp BM 5,30 m + kp 5.40 m + kp 0,0 - 6,7 6,7 - 19,6 Drentsche Hoofdvaart Provincie Drenthe</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,55m - kp IV 2,50m - NAP BM 5,30 m + kp Geen beperking 2,4 - 43,7 43,7 - 44,2 klasse IV * Meppelerdiep voor zover in Drenthe Provincie Drenthe Va 3,25m - NAP 2,75m - NAP BM Geen beperking Geen beperking 9,2 - 10,5 * 10,5 - 11 ,2 *deels gemandateerd aan Meppel: zie Prov. Blad 27/2010 Hoogeveensche Vaart Provincie Drenthe II 2,50m - NAP 2,20m - kp BM 5,80 m + kp 5,20 m + kp 0,0 - 9,5 9,5 - 28,4 Verlengde Hoogeveensche Vaart tot aan Klazienaveen Provincie Drenthe I 1,50m - kp 1,90m - kp 1,90m - kp 1,10m - kp BM 5,10 m + kp 5,30 m + kp 5,30 m + kp 4,20 m + kp 28,4 - 51,8 51,8 - 56,5 56,5 - 60,9 60,9 - 62,0, Stieltjeskanaal Provincie Drenthe II 1,90m - kp BM 5,40 m + kp 0,0 - 12,9 Coevorden-Vechtkanaal vanaf de Coevorder Binnengracht tot de Vecht in Ovl Provincie Drenthe II 2,50m - kp 1,90m - kp BM 6,00 m + kp 6,00 m + kp 31,7 - 36,3 36,3 - 36,8 Coevorder Binnengracht (tussen Afwateringskanaal en Stieltjeskanaal) Provincie Drenthe 1,90m - kp BM 6,00 m + kp Verbindingskanaal (tussen Coevorder Binnengracht en Kan. Coevorden-Zwinderen) Provincie Drenthe II 1,90m - kp 6,00 m + kp Zijtak van het Stieltjeskanaal in Nieuw Amsterdam Provincie Drenthe</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,50m - kp 2,50 m + kp 41,0 - 43,0 Bladderswijk Provincie Drenthe I 1,90m - kp BM 4,20 m + kp 0,0 - 4,4 Oranjekanaal van Bladderswijk tot de Bargersluis Provincie Drenthe - BM Hondsrugkanaal tussen Bladderswijk en Scholtenskanaal (onderdeel van De Veenvaart) Provincie Drenthe - BM Witte Wijk Provincie Drenthe</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,50m - kp DM 5,30 m + kp 52,9 - 55,0 Afwateringskanaal in Coevorden tot einde woonbotenhaven Provincie Drenthe I 1,90m - kp 6,00 m + kp 0,0 - 1,4 Veenparkkanaal (onderdeel van De Veenvaart) Provincie Drenthe - BM Lijst B: Vaarwegen in beheer bij andere overheidsorganen, het Rijk uitgezonderd Functionaliteit Vaarweg Beheerder CEMT/specificatie diepgang BRTN Doorvaart- hoogte obv kanaalpeil Kilometer / opmerking Havenkanaal vanaf Noord-Willemskanaal tot aan de Zwaaikom Gemeente Assen II 2,50m - kp BM 5,40 m + kp De Vaart (van de Drentsche Hoofdvaart tot De Kolk) Gemeente Assen 1,50m - kp BM 3,50 m + kp Het Kanaal (van de Vaart tot het Havenkanaal) Gemeente Assen 1,50m - kp BM 3,50 m + kp Industriehaven Hoogeveen (= verlenging van de Hoogeveenschevaart) Gemeente Hoogeveen II 2,20m - kp BM 5,20 m + kp Vaarweg eindigt bij oostzijde Bekinkbrug Bargermeerkanaal van Bargersluis tot eindpunt in Emmen Gemeente Emmen I 1.90m - kp BM 4,20 m + kp Binnenhaven Coevorden (centrum) Gemeente Coevorden - BM Haven ROC (bij Nijhof-Wassink, Europark) Gemeente Coevorden II BM Haven Veenoord Gemeente Emmen I/II 1,90m - kp BM 5,30 m + kp Havens Meppel: Sethehaven en 2 havens bij De Kaap Gemeente Meppel Va 3,25m - kp Geen beperkingen Wachthaven Meppel in Staphorst / niet in Drenthe Gemeente Meppel Va 3,25m - kp Geen beperkingen Stads-Compascuumkanaal vanaf prov.grens Groningen tot Emmercompascuum (onderdeel van De Veenvaart) Waterschap Hunze en Aa's</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,50m - kp BM 3,50 m + kp Oosterdiep van Emmer-Compascuum tot Barger-Compascuum (onderdeel van De Veenvaart) Waterschap Hunze en Aa's</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,50m - kp BM 3,50 m + kp Scholtenskanaalvanaf Veenpark tot nieuw prov. kanaal (onderdeel van De Veenvaart) Waterschap Hunze en Aa's</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,50m - kp BM 3,50 m + kp Vaargeulen Zuidlaardermeer vanaf provinciegrens tot Havenkanaal Waterschap Hunze en Aa's</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,50m - kp BM Havenkanaal Zuidlaren-Zuidlaardermeer Gemeente Tynaarlo</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,50m - kp BM 3,20m + kp Grevelingskanaal in Anner- en Eexterveensche kanaal Waterschap Hunze en Aa's</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,20m - kp CM 3,20m + kp Vaargeul Leekstermeer: Leeksterhoofddiep-Munnikesloot Waterschap Noorderzijlvest</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>1,20m - kp (kp = 0.93) BM 2,40m + kp (kp = - 0.93) Toelichting op de kolom functionaliteiten zoals opgenomen in de lijsten A en B CEMT-klasse breedte (m) lengte (m) diepgang (m) strijkhoogte (m) laadverm. (kW) motorverm. (kW) boegschroef (kW) geladen leeg I 5,05 38,5 2,5 1,2 4,25 365 175 100 II 6,6 50 - 55 2,6 1,4 5,25 535 - 615 240 - 300 130 III 8,2 67 - 85 2,7 1,5 5,35 910 - 1250 490 - 640 160 - 210 IV 9,5 80 - 105 3,0 1,6 5,55 1370 - 2040 750 - 1070 250 Va 11,4 110 - 135 3,5 1,8 6,40 2900 - 3735 1375 - 1750 435 - 705 VIa 17,0 135 4,0 2,0 8,75 6000 2400 1135 Tabel 2: Kenmerken van maatgevende motorvrachtschepen BRTN-Doorvaartmaten basistoervaart in Nederland Motorbootroute Categorie Opbouwhoogte Diepgang Verbindingswater AM HWJH1): per route beoordelen met minimum 3,40 m 1,50 Ontsluitingswater BM HWJH1) : per route beoordelen met minimum 2,75 m 1,50 Ontsluitingswater met doorvaartbeperkingen CM DM 2,75 2,40 1,40 1,10</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>HWJH = \"Houden wat je hebt\"</div>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE IV BIJ DE POV DRENTHE BIJLAGE BIJ HOOFDSTUK 3 VAN DE PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING N.B.: Tussen haakjes bestuursorgaan (afkorting) en datum van vaststelling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Overzicht tot de verordening behorend kaartmateriaal</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart 1, Visie 2020 van de Omgevingsvisie (provinciale staten, 2 juni 2010, gewijzigd 10 juli 2010)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart 2, Kernkwaliteiten van de Omgevingsvisie (provinciale staten, idem)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart 5, Landbouw van de Omgevingsvisie (idem)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart 8a, Zoeklocatie grootschalige windenergie van de Omgevingsvisie (idem)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart 9, Oppervlaktewater (idem)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart 12, Overige aanduidingen (idem)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart Bestaand stedelijk gebied</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart EHS Concretisering 2010</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kaart Begrenzing Nationaal Landschap Drentsche Aa 2. Overzicht relevante beleidsstukken</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Omgevingsvisie Drenthe (provinciale staten, 2 juni 2010, gewijzigd 10 juli 2010)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Cultuurhistorisch Kompas (juni 2009)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Structuurvisie Ondergrond (ontwerp van 30 juni 2010)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Beleidsnota wAardevol Drenthe (ook: Beleidsnota aardkundige waarden, gedeputeerde staten, 6 juli 2010)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Beleidskader Co-Vergisting (gedeputeerde staten, 17 november 2006)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Nota Landschap (provinciale staten, november 1998)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Landschapsvisie Drentsche Aa (provinciale staten, mei 2004)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Brochure Onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven; handreiking voor gemeenten (VROM, 2007)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020 (Rijk en provincie Drenthe, 29 september 2009)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Bestuursovereenkomst ILG 2007-2013 (Rijk en provincie Drenthe, 18 december 2006)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Beleidsregel concretisering EHS (gedeputeerde staten, 21 januari 2008, in werking 11 december 2007)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Natuurbeheerplan Drenthe, versie 2011 (bevat Beheertypekaart) (gedeputeerde staten, 6 juli 2010)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche Aa (gedeputeerde staten 12 juni 2007)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Mid Term Review Provinciaal Meerjarenprogramma Landelijk Gebied (gedeputeerde staten, 29 juni 2010)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Nota Ruimte (vaststelling door Tweede Kamer, 17 mei 2005, Eerste Kamer, 17 januari 2006)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Spelregels van de EHS (Rijk, 29 mei 2007, bijlage geweest bij kamerbrief 29 juni 2007)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(Concept) handreiking bestaand stedelijk gebied (TU Delft, versie 26 maart 2010) 3. Overzicht wetgeving, verdere stukken waaraan wordt gerefereerd</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wet ruimtelijke ordening (ook wel afgekort tot: Wro)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wet milieubeheer (ook wel afgekort tot: Wm)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wet op de waterhuishouding</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Crisis- en Herstelwet (ook wel afgekort tot: CHW)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Grondwaterwet</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Besluit ruimtelijke ordening (ook wel afgekort tot: Bro)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(Ontwerp-)AMvB Ruimte (d.d. 29 mei 2009)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009) Toelichting ALGEMEEN Inleiding Van oudsher kende de provincie Drenthe vier provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving. Dit waren de Provinciale milieuverordening Drenthe, de Verordening waterhuishouding Drenthe, de Verordening wegen en waterwegen provincie Drenthe 1994 en de Ontgrondingenverordening voor Drenthe 2000. Bij de totstandkoming van het Provinciaal Omgevingsplan II (POP II) is besloten om de bovengenoemde verordeningen die fungeerden als uitvoeringsinstrumenten van het POP II samen te voegen in één verordening: de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (verder: POV). Deze POV is voor de eerste keer, als eerste omgevingsverordening in Nederland, vastgesteld op 7 juli 2004 en inwerking getreden op 1 februari 2005. Nadien is als gevolg van wijzigingen in beleid en wetgeving de POV al meerdere malen gewijzigd. Deze wijzigingen hadden onder andere betrekking op afvalstoffen, WKO-systemen, Ruimtelijke ordening, grondwaterbescherming en water. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar de \"Wetstechnische informatie\" die bij de POV is opgenomen. Met de vaststelling van de POV is een verdere concentratie van wetgeving bereikt die tevens heeft geleid tot een betere bereikbaarheid van deze uitvoeringsinstrumenten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deregulering Zowel bij het opstellen van de eerste versie van deze POV als ook bij de latere wijzigingen is als uitgangspunt genomen dat wij zuinig omgaan met het gebruik van regelgeving. Om dit te bereiken werken wij met duidelijke criteria waaraan de voorstellen worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft hier onder andere de volgende criteria:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>duidelijkheid/leesbaarheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bestuurslast;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>effect (toegevoegde waarde van de regeling om het gewenst effect te bereiken);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>motivatie (noodzaak provinciale regeling);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>handhaafbaarheid (maatschappelijk draagvlak, objectieve en werkbare regels);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>doeltreffende vertaling van het provinciale omgevingsbeleid in formele bepalingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Opbouw Bij het opstellen van de POV is gekozen voor een onderverdeling in Delen. Dit is een bewuste keuze geweest omdat hiermee is te herleiden vanuit welk specifiek beleidsveld de regeling afkomstig is, waarop de regeling juridisch en beleidsmatig is gebaseerd en met welk motief de regeling is opgesteld. Dit is noodzakelijk om in voorkomende gevallen de legitimiteit van de regels in de POV aan te kunnen tonen. De verschillende delen zijn wederom opgedeeld in hoofdstukken. De Provinciale Omgevingsverordening bestaat op dit moment uit 7 delen. Dit zijn de delen Algemeen, Ruimtelijke Ordening, Milieu, Natuur en landschap, Water, Wegen en Overige bepalingen. Hierna is per deel aangegeven welke onderdelen per hoofdstuk in dat deel zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel I, Algemeen Dit deel is samengesteld uit 2 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat begripsbepalingen. Het beknopte tweede hoofdstuk bevat een inspraakbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel II, Ruimtelijk Omgevingsbeleid Deel II bestaat uit 1 hoofdstuk. In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen met betrekking tot de ruimtelijke ordening. Het hoofdstuk geeft randvoorwaarden voor gemeenten bij het vaststellen van ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel III, Milieu Deel II is samengesteld uit de hoofdstukken 4 tot en met 7. Hoofdstuk 4 bevatte een regeling voor de Geluidhinderdienst Drenthe. Deze is van rechtswege komen te vervallen. In hoofdstuk 5 zijn de regels opgenomen over Warmte- en koude opslag. Hoofdstuk 6 regelt bodemsaneringen. Het gebiedenbeleid is neergelegd in hoofdstuk 7. Het bevat bepalingen ten aanzien van de stiltegebieden en de gebieden ter bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel IV, Natuur en Landschap Dit deel bevat in hoofdstuk 8 regels voor ontgrondingen en regelt in hoofdstuk 9 het vaarverbod op de Drentsche Aa ter bescherming van belangen van natuur en landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel V, Water Deel V bestaat uit hoofdstuk 10 Water. Het hoofdstuk Water bevat onder meer bepalingen ten aanzien van de beheersplannen van de waterschappen, peilbesluiten en waterakkoorden. Hoofdstuk 11 is momenteel niet ingevuld en is voor de toekomst gereserveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel VI, Wegen Dit deel bevat het hoofdstuk 12 waarin regels zijn opgenomen die betrekking hebben op wegen binnen de provincie Drenthe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel VII, Overige bepalingen Dit deel bestaat uit de hoofdstukken 13, 14 en 15. Hoofdstuk 13 regelt de vergoeding van schade en kosten met betrekking tot de hoofdstukken 6, 7 en 9. Hoofdstuk 14 bevat handhavingsbepalingen. Hoofdstuk 15 bevat de overgangs- en slotbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondslag De POV is gebaseerd op meerdere wetten met elk een eigen doel en werkingssfeer. Hieronder is per hoofdstuk (voor zover van toepassing) aangegeven waar de verordenende bevoegdheid van Provinciale Staten is neergelegd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 (Ruimtelijk Omgevingsbeleid)</h3>\n<p class=\"lf-p\">De verordening bevoegdheid voor dit onderdeel is neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening, artikel 4.1. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening mag de provincie regels opleggen aan gemeenten over hun ruimtelijke plannen. Inhoudelijk gezien vormen de regels een juridische doorvertaling van het actuele ruimtelijke beleid van de provincie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 (WKO)</h3>\n<p class=\"lf-p\">De verordenende bevoegdheid ligt bij deze regeling zowel in de Waterwet als ook de autonome bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 105 van de Provinciewet. Grofweg kan de scheiding worden gemaakt tussen open systemen (Waterwet) en gesloten systemen (Provinciewet).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 (Bodemsanering)</h3>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk kan worden verwezen naar de Wet bodembescherming.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 (Grondwaterbescherming en stilte)</h3>\n<p class=\"lf-p\">De verordenende bevoegdheid voor dit onderdeel ligt vast in de Wet milieubeheer. Artikel 1.2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat Provinciale Staten regels stellen met betrekking tot de bescherming van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning en regels ter inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 8 (Ontgrondingen)</h3>\n<p class=\"lf-p\">De verordenende bevoegdheid ligt hier in de Ontgrondingenwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 (Vaarverbod Drentsche Aa)</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is volledig gebaseerd op de autonome regelende bevoegdheid die Provinciale Staten heeft op grond van artikel 105 van de Provinciewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10 (Water)</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit hoofdstuk kan worden verwezen naar de Waterwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 12 (Wegen)</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit hoofdstuk is de bevoegdheid gebaseerd op artikel 105 van de Provinciewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL I, ALGEMEEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1, BEGRIPSBEPALINGEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inhoud van verschillende van de in de verordening gehanteerde begrippen (zoals bijvoorbeeld inspecteur) behoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat veelal de afzonderlijke wetten waarop deze verordening is gebaseerd, bepalen dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken in de verordening. Begrippen waarbij in een van de wetten geen begripsbepaling is opgenomen, zijn opgenomen in dit artikel. De begrippen genoemd in dit artikel zijn van toepassing op de gehele verordening. Daarnaast kan het zijn dat in een specifiek hoofdstuk begripsbepalingen zijn opgenomen die slechts van toepassing zijn binnen dat ene hoofdstuk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2, INSPRAAK</h3>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt de Algemene Inspraakverordening Drenthe van toepassing verklaard op het wijzigen van deze verordening. Hierdoor is het niet noodzakelijk om in deze verordening de inspraak verder uit te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL II, RUIMTELIJK OMGEVINGSBELEID</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3, RUIMTELIJK OMGEVINGSBELEID</h3>\n<p class=\"lf-p\">1, Algemeen Met dit hoofdstuk van de Provinciale Omgevingsverordening vertaalt de provincie Drenthe zijn Omgevingsvisie (deels) door naar een verordening voor zover het planologisch relevante aspecten betreft. De Omgevingsvisie als structuurvisie bindt alleen de provincie zelf. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent de provincie een scala van instrumenten toe om haar beleid daarnaast extern te laten doorwerken. Vaststelling van een verordening ex artikel 4.1 Wro is een van die instrumenten. Het is vanuit de AMVB Ruimte - of beter: wordt vanuit de AMVB Ruimte (deze is nog niet in werking getreden) - verplicht de verordening voor erin opgesomde thema's te hanteren. De AMVB Ruimte bevat geen nieuw rijksbeleid, het is een 'beleidsneutrale' vertaling van de Nota Ruimte. Drenthe wil zijn visie realiseren op een manier die recht doet aan de provinciale sturingsfilosofie. Hierin gaat de provincie uit van gelijkwaardigheid en samenwerking met haar partners 'in het veld'. Dit betekent tevens dat de provincie terughoudend omgaat met het neerleggen van provinciale ruimtelijke belangen in een verordening. De voorliggende verordening beperkt zich echter niet tot slechts hetgeen het Rijk via de AMVB Ruimte voorschrijft. Er zijn ook provinciale belangen opgenomen waarvoor geen ministeriële verplichting tot doorvertaling in een verordening bestaat. In de verordening treft u ook bepalingen aan over provinciale belangen waarover:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wij op voorhand volstrekte helderheid over ons standpunt willen geven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wij willen verankeren welke belangen in elk geval bij een afweging op gemeentelijk niveau moeten worden betrokken alvorens een gemeente een ruimtelijk plan in procedure brengt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit onze provincie voegen wij inhoudelijke voorschriften en procedurele voorschriften aan de verplicht gestelde onderwerpen vanuit de AMVB Ruimte toe. Een voorbeeld van een inhoudelijke uitspraak is het verbod op weidewinkels. Een voorbeeld van een procedureel voorschrift betreft de verplichting voor gemeenten om in regionaal verband afspraken over woningbouw te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de verordening komt aan gemeenten een belangrijke rol toe. Inhoudelijke bepalingen zijn veelal als verantwoordingsplicht ingericht en niet normstellend. Evenmin wil de provincie in details treden. Menig bepaling laat daartoe interpretatieruimte. Aan gemeenten komt dus ruimte toe om inhoudelijk - tot op zekere hoogte - een eigen invulling te geven, mits deugdelijk onderbouwd. Hetzelfde geldt voor een deel van het kaartmateriaal waaraan in deze verordening wordt gerefereerd. De kaarten voor Bestaand Stedelijk Gebied, Nationaal Landschap Drentsche Aa en die voor de Ecologische Hoofdstructuur zijn bijzonder precies. Op perceelsniveau is weergegeven of een locatie binnen de desbetreffende thematische begrenzing valt of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat deze kaarten met enige regelmaat zullen moeten worden herzien om als toetsingskader te kunnen blijven dienen. Dit geldt niet voor de andere kaarten, die uitwerking op gemeentelijk niveau behoeven. Dit geldt bijvoorbeeld voor Robuuste Systemen en Multifunctionele gebieden, maar deels ook voor de Visiekaart en kaart Kernkwaliteiten. Binnen de contouren van de Verordening en de Omgevingsvisie kan een gemeente dan eigen afwegingen maken. Gedeputeerde Staten zullen die nadrukkelijk volgen, en reageren als zij die niet dragend of onzorgvuldig achten, maar primair is eerst de gemeente aan zet. Bij procedurele regels leggen wij niet vast wát een uitkomst van een planologische overweging moet zijn, maar wel de afwegingen die daarbij betrokken moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij zij opgemerkt niet uit te sluiten valt dat, ook al onderbouwt een gemeente een plan conform de eisen, Gedeputeerde Staten de gemaakte belangenafweging niet dragend achten, in welk geval eventueel het verdere Wro-instrumentarium wordt aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie beoogt niet uitputtend te zijn in het vastleggen van provinciale belangen in een verordening. Dit betekent ook dat niet alle thema's uit de Omgevingsvisie een plek hebben gekregen. Dat geldt slechts voor die onderwerpen van provinciaal belang waarin voor vastlegging in een verordening een duidelijke meerwaarde bestaat. Het al dan niet voorkomen van een thema in de verordening vormt evenmin een indicatie voor het gewicht dat een beleidsthema heeft. De criteria leggen daarmee dan ook geen relatie. Het is dus niet uit te sluiten dat wij het formeel Wro-instrumentarium wordt aangewend voor provinciale belangen die niet zijn neergelegd in deze verordening. Dat zal in principe niet gebeuren dan nadat alle mogelijkheden om in onderling overleg met de betrokken partner(s) tot overeenstemming te komen, verbruikt zijn. Zo blijft de provinciale sturingsfilosofie uitgangspunt voor het handelen. Uitwerking van beleid voor een aantal thema's uit de Omgevingsvisie is in ontwikkeling. Het is dan een optie om binnen de geldende kaders verdere beleidsregels op te stellen. Naast het bekende 'co-vergisten' valt daarbij te denken aan windenergie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk van de verordening kent een opbouw die bestaat uit begripsbepalingen, bepalingen over ruimtelijke kwaliteit en een titel waarin we regels geven over ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor wij staan, of die wij juist afwijzen, en de rol die ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen toekomt. Het hoofdstuk kent eveneens een titel over de wijze van afdoening van verzoeken om een tegemoetkoming in schade. Enige afrondende bepalingen zijn noodzakelijk. In het hiernavolgende vindt u dit hoofdstuk van de verordening titel- en artikelsgewijs toegelicht. De uitleg van alle bepalingen, en vooral het beleid er achter, is allerminst uitputtend. Het is niet de bedoeling de Omgevingsvisie hier over te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verwijzing naar onderliggend beleid kan vaak volstaan. Waar in de verordening begrippen worden gehanteerd die niet gedefinieerd zijn in de begripsbepalingen of in de Omgevingsvisie, kan worden teruggevallen op de andere door Provinciale Staten vastgestelde beleidsdocumenten, Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening dan wel, in tweede instantie, geldende jurisprudentie. Ook de AMVB Ruimte biedt soms aanvullende inzichten, met name daar waar dit hoofdstuk hiervan een doorvertaling vormt. Mogelijk ten overvloede wijzen wij nog op de verhouding van dit hoofdstuk tot (inter)nationale wet- en regelgeving. Dit kan van belang zijn voor bijvoorbeeld de wijze waarop met kernkwaliteiten moeten worden omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet waarschijnlijk, maar wel mogelijk dat voldaan wordt aan dit hoofdstuk, maar niet aan (inter-)nationale wet-/regelgeving. Die geldt dan uiteraard onverkort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2, Toelichting Titel 3.1, Algemeen In Titel 3.1 is een vrij uitgebreide opsomming van begripsbepalingen opgenomen. Wij achten dit noodzakelijk voor een goed begrip van en het goed kunnen werken met dit hoofdstuk. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de AFLO: de Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepalingen (artikel 3.1) Naast de meer algemene begripsbepalingen zoals deze zijn opgenomen in artikel 1.1 van deze verordening was er behoefte aan het opnemen van een specifieke bepaling voor dit hoofdstuk. Concreet betekend dit dat de begripsbepalingen in dit artikel alleen van toepassing zijn voor de bepalingen in dit hoofdstuk. Daarnaast zijn de bepalingen uit artikel 1.1 onverkort op dit hoofdstuk van toepassing. In dit artikel worden met name termen gedefinieerd daar waar deze noodzakelijk zijn voor een goed begrip van dit hoofdstuk (bijvoorbeeld de SER-ladder) en daar waar ze specifiek zijn voor de Drentse situatie (bijvoorbeeld kernkwaliteiten) of noodzakelijk in het kader van een verderop opgenomen bepaling (bijvoorbeeld de definitie van lokale en regionale werklocatie, van ruimtelijk plan en van een woonvisie). Zo veel mogelijk is met de begripsomschrijvingen aangesloten bij de terminologie in de Omgevingsvisie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving Drenthe (artikelen 3.2 - 3.6) De Adviescommissie voor de Fysieke Leefomgeving Drenthe vervult al lange tijd een rol in de advisering rondom ruimtelijke plannen. Met de toevoeging van het voorliggende hoofdstuk aan de POV is het logisch om deze rol niet langer te beschrijven via een afzonderlijk reglement, maar deze op te nemen in dit hoofdstuk. Aan rol van de commissie verandert niets. De bepalingen zijn overgenomen van het huidige reglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">3, Toelichting Titel 3.2, Ruimtelijke kwaliteit Titel 3.2 handelt over de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Deze is in de Omgevingsvisie Drenthe gefundeerd op drie aspecten: kernkwaliteiten, SER ladder en milieu- en leefomgeving. Elk van de drie elementen is terug te vinden in de bepalingen van dit hoofdstuk. Hieronder worden ze afzonderlijk toegelicht. Overigens zal blijken dat deze drie - voor de provincie Drenthe - basiselementen van ruimtelijke kwaliteit ook een rol in Titel 3.3 (Bruisend Drenthe) hebben, want ruimtelijke kwaliteit willen we behouden en versterken, zeker ook wanneer nieuwe ontwikkelingen worden ontplooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernkwaliteiten (paragraaf 3.2.1) Regeling In de begripsbepalingen (artikel 3.1) zijn de kernkwaliteiten gedefinieerd. Op 'kaart 2. Kernkwaliteiten' van de Omgevingsvisie, worden de kernkwaliteiten weergegeven. Regeling en 'kaart 2. Kernkwaliteiten' zijn soms nog globaal. Voor zover dat zo is, ligt bij gemeenten de opdracht deze bij planontwikkeling te concretiseren. Hoewel dat niet uit de kaart blijkt, ligt binnen bestaand stedelijk gebied de verantwoordelijkheid voor kernkwaliteiten bij de gemeente. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor archeologie (kaart 2E) en in specifieke gevallen voor cultuurhistorie. Het provinciaal belang voor cultuurhistorie geldt alleen binnen bestaand stedelijk gebied als de kern is opgenomen op de kaart cultuurhistorie hoofdstructuur (kaart 2F). Provinciale belangen voor alle kernkwaliteiten zijn ook afzonderlijk op kaart gepresenteerd (kaarten 2A - 2F). Provinciale Staten hebben de kaart Kernkwaliteiten vastgesteld. Om praktische redenen komt aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid toe deze te wijzigen. Het is primair aan gemeenten om een ruimtelijke visie op een gebied te formuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat een gebied een 'witte vlek' is voor wat betreft aanwezigheid van kernkwaliteiten, maakt een locatie niet tot een gebied zonder ruimtelijke kwaliteit. Het is slechts de afwezigheid van kernkwaliteiten, c.q. ruimtelijke kwaliteiten van provinciaal belang, die geconstateerd kan worden. Vanuit een monitorende rol ziet de provincie erop toe dat gemeenten in de 'witte vlekken' in elk geval een basisniveau aan ruimtelijke kwaliteit bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijdragen aan behoud en ontwikkeling (hiermee wordt bedoeld: versterking) van kernkwaliteiten is wat met de regeling in dit hoofdstuk wordt beoogd. De bepalingen voor kernkwaliteiten zijn niet in beton gegoten. De regels zijn als verantwoordingsplicht ingericht. Gemeenten zullen binnen de kaders van de Omgevingsvisie de kernkwaliteiten ook moeten uitwerken naar hun ruimtelijke plannen. Ze zijn daarbij gebonden aan de kaders van het provinciaal beleid. Dat is neergelegd in de Omgevingsvisie en uitwerkingen zoals het Cultuurhistorisch Kompas en de beleidsnota Aardkundige waarden* die beiden onder andere een verbijzondering bevatten voor de beschermingsniveaus van de desbetreffende kernkwaliteiten. * Deze komt onder de naam ‘wAardevol Drenthe' in rapportvorm uit; reden waarom die naam ook wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip informatiewaarde is omschreven in de begripsbepalingen. Informatiewaarde van een kernkwaliteit speelt ingevolge de bepalingen in de verordening bij de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden. Informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin (een opgraving van) een kernkwaliteit een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden. De informatiewaarde wordt mede bepaald door de ensemblewaarde*. De informatiewaarde wordt gebaseerd op een analyse van kennislacunes en actuele vraagstellingen. In eerste instantie is bepalend de huidige stand van kennis over vergelijkbare monumenten uit dezelfde periode in de provincie. Er zijn verschillende soorten kennislacunes te onderscheiden, die gecombineerd kunnen voorkomen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>geografische kennislacunes: gebieden waarvan relatief weinig gegevens bekend zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>chronologische kennislacunes: perioden waarover we nog relatief slecht geïnformeerd zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>inhoudelijke of thematische kennislacunes: deze hebben betrekking op uiteenlopende aspecten van de geschiedenis van Nederland.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als de zeldzaamheid 'hoog' is beoordeeld, is de informatiewaarde veelal ook 'hoog'. De andere scores kunnen verschillen: ook bij veel voorkomende typen van kernkwaliteiten kunnen kennishiaten bestaan terwijl anderzijds een kernkwaliteit dat op zeldzaamheid gemiddeld scoort, kan behoren tot een categorie waarover veel informatie voorhanden is. * Ensemblewaarde is de waarde van een samenhangende hoeveelheid kernkwaliteiten (of objecten). Wanneer een onderdeel van de samenhang wegvalt, gaat mogelijk alle informatie verloren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernwaarde bedrijvigheid Naast het beleid voor kernkwaliteiten zetten wij in onze Omgevingsvisie in op de kernwaarde bedrijvigheid. Deze kernwaarde is in dit hoofdstuk afgebakend en via een verbijzonderingsbepaling op één lijn met kernkwaliteiten geplaatst. Van streven naar behoud en versterking van kernkwaliteiten kan in dit hoofdstuk dus worden afgezien als kernkwaliteiten het 'afleggen' tegenover de kernwaarde bedrijvigheid (artikel 3.8) die even zwaar weegt als kernkwaliteiten. Een dergelijke keuze moet wel zorgvuldig - en dus ook dragend - onderbouwd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ruimtelijk plan kan voor het overige geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten. Wat 'significant' (een term uit artikel 3.7) is, wordt in principe bepaald door de contouren die de Omgevingsvisie voor de omgang met kernkwaliteiten stelt. Significant is een ontwikkeling dus niet wanneer omgegaan wordt met de kernkwaliteiten conform de Omgevingsvisie en uitwerkingen als het Cultuurhistorisch Kompas. Wordt buiten het provinciaal beleid getreden, dan is in principe wél sprake van een significante aantasting. Te denken valt aan een ingreep die de samenhang van een robuust natuursysteem aantast, of een onomkeerbare ingreep in gebied met grote cultuurhistorische waarde. Wij verwachten dat een gemeente dan in overleg met Gedeputeerde Staten treedt om een gezamenlijk gedragen oplossing te vinden binnen de kaders van het provinciaal beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie schrijft in dit hoofdstuk niet rechtstreeks voor hoe kernkwaliteiten behouden en versterkt moeten worden. Het doel staat voorop en gemeente moeten daaraan een eigen invulling geven. Doorgaans is een regeling van kernkwaliteiten in de voorschriften hiervoor onontbeerlijk. Als nuancering op de basisregel gelden naast hetgeen hiervoor is gesteld over de kernwaarde bedrijvigheid de opgenomen uitzonderingsbepalingen. Deze zien onder andere op onderlinge strijdigheid van kernkwaliteiten en op de situatie waarbij kernkwaliteiten een belemmering vormen voor ontwikkeling van robuuste landbouw. Ook bij ontheffing kan afgeweken worden van artikel 3.7 in het geval sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waarbij voor compensatie wordt gezorgd (artikel 3.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontwikkelingen van zwaarwegend maatschappelijk belang kan onder andere worden gedacht aan de noodzakelijke uitbreiding van een bestaand recreatiebedrijf gericht op het waarborgen van een duurzame bedrijfseconomische grondslag met als oogpunt het bewerkstelligen van een kwalitatieve impuls van het toeristisch-recreatieve product. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een uitbreiding in de geest van het project 'Natuurlijke Recreatie'. In alle situaties moet de informatiewaarde van eventueel verloren gaande kernkwaliteiten behouden blijven als dit volgens het beleid voor de desbetreffende kernkwaliteit wenselijk en mogelijk is. Soms kan dit door documentatie, soms is een opgraving noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het veilig stellen speelt bij de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden. Tot slot wordt gewezen op de potentiële spanning tussen de regeling voor kernkwaliteiten en die voor het Nationaal Landschap Drentsche Aa en de Ecologische Hoofdstructuur (zie de toelichting op de artikelen 3.32 tot en met 3.35).</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond Bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie haalde de provincie onder een zo breed mogelijk publiek die aspecten op die volgens hen de ruimtelijke identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe vormen. Deze 'Kernkwaliteiten' zijn in paragraaf 2.4.1 van de Omgevingsvisie opgenomen. Ze vormen voor de provincie Drenthe de belangrijkste basis voor het begrip ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 4.1.1 van de Omgevingsvisie worden de kernkwaliteiten uiteengerafeld. Het gaat om stilte en duisternis, openheid van het landschap, natuur binnen de Ecologische Hoofdstructuur, diversiteit en gaafheid van landschappen, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden, sociale externe en verkeersveiligheid, leefbaarheid en een maat passend bij Drenthe. Deze kwaliteiten worden in paragraaf 4.2.1 - 4.2.4 van de Omgevingsvisie uitgewerkt. Het daar gestelde is uitgangspunt van het provinciaal handelen. De 'Kaart 2. Kernkwaliteiten' van de Omgevingsvisie is van groot belang. De provincie voelt zich verantwoordelijk voor behoud en ontwikkeling van de op deze kaart aangeduide kwaliteiten. Enige nuanceringen op de kaart moeten wel worden aangebracht, zoals hiervoor al toegelicht. Kortheidshalve wordt hier verder verwezen naar paragraaf 4.1.1 in de Omgevingsvisie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van het Cultuurhistorisch Kompas als uitwerking van de kernkwaliteiten cultuurhistorie en archeologie moet benadrukt worden. De provinciale visie op deze aspecten zijn hierin uitgewerkt. Deze visie geeft veel verdieping bovenop de Omgevingsvisie, zowel qua sturingsfilosofie op dit punt als waar het de karakteristiekbeschrijvingen betreft, en zal in de praktijk veelal als basis voor beoordeling en begeleiding van nieuwe initiatieven dienen. De erin opgenomen sturingsniveaus (respecteren, voorwaarden stellen, eisen stellen) werken door via de Omgevingsvisie. Het is de bedoeling om het Cultuurhistorisch Kompas ook zelfstandig als structuurvisie vast te stellen. Meer achtergrondinformatie over onze visie op het Drentse landschap is opgenomen in de Nota Landschap. Deze nota stamt uit 1998 en zal geactualiseerd gaan worden. In paragraaf 7.2 (Sturingsprincipes) van de Omgevingsvisie wordt toegelicht hoe het provinciebestuur behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten in de praktijk zal nastreven. Het compensatiebeginsel uit artikel 3.12 is in paragraaf 7.5 verwoord. Hieraan wordt onder andere een kwaliteitstoeslag gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De AMvB Ruimte vereist niet letterlijk een regeling op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Wel vereist de AMvB (artikel 2.5, vijfde lid) regels voor landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing buiten het bestaand stedelijk gebied. Indirect is een regeling over ruimtelijke kwaliteit onvermijdelijk bij gebruik van het instrument verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieu- en leefomgevingkwaliteit (paragraaf 3.2.2) Regeling Met de bepaling in dit hoofdstuk wordt de verantwoording van gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen met gemeentegrensoverschrijdende effecten verzekerd. Naar verwachting zal dit niet leiden tot beperkingen boven regels die op basis van landelijke regelgeving toch al gelden, maar gezien het grote belang dat wij en ook de Drentse bevolking hechten aan aspecten van milieu- en leefomgevingkwaliteit is dit in de voorliggende regeling verankerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond Aspecten van milieu- en leefomgevingkwaliteit moeten op basis van nationale regelgeving welhaast onvermijdelijk hun vertaling krijgen in gemeentelijke plannen. Dit geldt onder andere voor water, luchtkwaliteit, lichthinder, geluid, geur, bodem, externe veiligheid en buisleidingen. De provincie ziet een rol voor zichzelf weggelegd waar deze aspecten gemeentegrensoverstijgend zijn dan wel op een andere manier samenhangen met provinciale verantwoordelijkheden, zoals in paragraaf 4.1.3 van de Omgevingsvisie uiteengezet. Met de kernkwaliteiten en zorgvuldig ruimtegebruik geeft dit aspect invulling aan het Drentse begrip van ruimtelijke kwaliteit. Ook daarom kan het niet weggelaten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvuldig ruimtegebruik (paragraaf 3.2.3) Regeling In de begripsbepalingen van artikel 3.1 wordt omschreven wat de SER-ladder in het kader van dit hoofdstuk betekent. Wat artikel 3.15 daaraan toevoegt, is de situaties vastleggen waarin de SER-ladder in elk geval wordt toegepast en de situaties waarin dat bij wijze van uitzondering niet hoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond Een belangrijk uitgangspunt van het Drentse omgevingsbeleid is om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte in Drenthe. In paragraaf 4.1.2 van de Omgevingsvisie is dat principe nadrukkelijk verwoord. Het relatief bescheiden percentage bestaand stedelijk gebied in Drenthe is een van de aspecten die Drenthe maakt tot wat het is. Via dit hoofdstuk wordt daarom verankerd dat gemeenten de SER-ladder toepassen. Kort gezegd zorgt deze ervoor dat inbreiding voor uitbreiding gaat en er niet nodeloos gebouwd wordt los van bestaande bebouwingsconcentraties. De SER-ladder moet worden toegepast voor wonen, bedrijvigheid en infrastructuur. Ook de AMvB Ruimte schrijft dit overigens voor. Wij willen de SER-ladder tevens hanteren voor recreatie en toerisme en in de landbouwsector. Bij ontwikkelingen in deze sectoren gaat het vooral om het denkmodel dat gehanteerd moet worden, reden waarom in artikel 3.15 deze thema's niet expliciet worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4, Toelichting Titel 3.3, Bruisend Drenthe Waar Titel 3.2 van dit hoofdstuk zich richt op dat wat het huidige Drenthe bijzonder maakt, verwoordt Titel 3.3 randvoorwaarden die van provinciewege gelden voor nieuwe ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing bestaand stedelijk gebied (artikel 3.16) Regeling Bij de verordening is de kaart Bestaand Stedelijk Gebied vastgelegd. Door ontwikkelingen zal het nodig zijn met enige regelmaat de begrenzing aan te passen. Dat gebeurt zo vaak als nodig maar minimaal eens per vier jaren. De begrenzing heeft direct geen, maar indirect zeker wel consequenties doordat andere bepalingen uit dit hoofdstuk deze gebruiken (zie bijvoorbeeld artikel 3.15 of 3.26, derde lid). In de begripsbepalingen is een definitie van het Bestaand Stedelijk Gebied opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond De provincie moet algemene regels formuleren gericht op bundeling van nieuwe bebouwing en zorgvuldig ruimtegebruik buiten het Bestaand Stedelijk Gebied. Deze algemene regels richten zich op de inhoud van of toelichting bij bestemmingsplannen die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe bebouwing kan toestaan binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, aansluitend op het Bestaand Stedelijk Gebied, of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. De in dit artikel vastgelegde begrenzing dient primair als geografische referentie voor de uitvoering van regels met betrekking tot bouwen in landelijk gebied, de Wadden en het kustfundament. Om geen onduidelijkheid te laten ontstaan over wanneer er sprake is van regels die gelden binnen het Bestaand Stedelijk Gebied of daarbuiten, verplicht de AMvB Ruimte de provincie om het gebied geometrisch in kaart te brengen. Het Bestaand Stedelijk Gebied moet in ieder geval binnen een periode van vier jaar, gerekend vanaf de dagtekening van het desbetreffende aanwijzingsbesluit telkens worden geactualiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is het vastleggen van het bestaand stedelijk gebied in de verordening een opdracht die de provincie heeft vanuit de AMVB Ruimte. De AMVB Ruimte bevat zelf geen uitgebreid afwegingskader waarmee kan worden bepaald of een bebouwingscluster wel of niet tot het Bestaand Stedelijk Gebied moet worden gerekend. Hiervoor is in opdracht van het ministerie VROM de (concept) handreiking bestaand stedelijk gebied (26-3-2010) opgesteld door de TU Delft. De daarin neergelegde criteria voor aanwijzing van het Bestaand Stedelijk Gebied zien op een stappenplan met inhoudelijke afwegingen waarmee tot een zorgvuldige begrenzing kan worden gekomen. Dit houdt eveneens in dat niet elke bebouwing automatisch tot het stedelijk gebied wordt gerekend. Genoemde concepthandreiking blijft de provincie in de toekomst hanteren wanneer de vraag of nieuwe bebouwing tot het Bestaand Stedelijk Gebied moet worden gerekend voorligt. * Voorheen werd de terminologie ‘bestaand bebouwd gebied' gehanteerd. Deze is verlaten voor de in deze verordening gehanteerde term.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbepalingen Bruisend Drenthe (artikel 3.17) Regeling Het eerste lid van artikel 3.17 is van groot belang voor de dagelijkse praktijk. Het schetst het basisprincipe dat de bepalingen uit Titel 3.2 Ruimtelijke Kwaliteit moeten worden meegenomen wanneer ruimtelijke ontwikkelingen worden beoogd. Deze bepaling wil buiten twijfel stellen dat ruimtelijke kwaliteit bewaard en - zo mogelijk - versterkt moet worden als ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 3.17 daagt gemeenten uit om na te denken over de wijze waarop een ruimtelijk plan bijdraagt aan de in de Omgevingsvisie Drenthe gestelde thematische beleidsdoelen (hoofdstuk 4), maar ook over de wijze waarop het plan bijdraagt aan de erin geschetste gebiedsperspectieven (hoofdstuk 5). Hieronder wordt mede verstaan de bijdrage aan vitaliteit en kwaliteit van de groene ruimte, in elk geval waar het de mogelijkheden voor herbestemming van bestaande bebouwing betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond De eisen waaraan voor ruimtelijke kwaliteit moet worden voldaan, zijn bij de toelichting op Titel 3.2 reeds verwoord. Deze verwijst deels weer door naar de tekst van de structuurvisie(s), waarin de diverse kernkwaliteiten worden toegelicht. Voor meerdere kernkwaliteiten gelden beschermingsregimes die gelijken aan het gedachtegoed van het Cultuurhistorisch Kompas. Naast het voorgaande geldt dat de AMvB Ruimte (artikel 2.5, vijfde lid) vereist dat de provincie regels stelt die ertoe leiden dat nieuwe bebouwing buiten het bestaand stedelijk gebied landschappelijk verantwoord worden ingepast. Koppelbepaling 3.17 geeft aan dat vereiste mede invulling. De AMvB vereist ook een regeling voor bestaande bebouwing in de groene ruimte (artikel 2.6, AMvB Ruimte), meer in het bijzonder voor herbestemming van bestaande bebouwing aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Robuuste systemen (artikel 3.18) Regeling De bepaling voor Robuuste systemen wil bewerkstelligen dat de in de Omgevingsvisie aan een bepaald gebied toegekende hoofdfunctie als zodanig blijft functioneren en liefst versterkt wordt. De bepaling is in vrij brede bewoordingen vervat. Er ligt meer een opgave in de bepaling verscholen dan dat sprake is van directe normstelling. De bepaling sluit niet alle ontwikkelingen uit die anders zijn dan de functie van het robuuste systeem dat ter plaatse is aangeduid, zo lang de robuustheid van het systeem als zodanig maar niet in het geding komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond De Omgevingsvisie (paragraaf 3.1) hanteert vier Robuuste Systemen die elk als drager voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden. De robuuste systemen zijn het sociaaleconomisch systeem, het watersysteem, het natuursysteem en het landbouwsysteem. Binnen robuuste systemen staat de ontwikkeling van de hoofdfunctie voorop. Waar robuuste systemen samenkomen, is maatwerk nodig. Het watersysteem valt altijd samen met andere systemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Multifunctionele gebieden (artikel 3.19) Regeling De bepaling voor Multifunctionele gebieden wil bewerkstelligen dat waar blijkens de (kaart bij de) Omgevingsvisie in een bepaald gebied meerdere functies voorkomen zonder dat er één dominant is, de van oudsher bestaande en/ of dominante functie bij planontwikkeling ontzien wordt. De bepaling is in vrij brede bewoordingen vervat. Er ligt meer een opgave in de bepaling verscholen dan dat sprake is van directe normstelling. Multifunctionele gebieden zijn gedefinieerd in de begripsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond In paragraaf 3.1 en 4.4 van de Omgevingsvisie zijn de beleidsprincipes voor Multifunctionele gebieden verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergrond (artikel 3.20) Regeling In de Structuurvisie Ondergrond is uitgebreid uiteen gezet hoe de provincie Drenthe aan ambities voor de ondergrond invulling gaat geven. Drenthe is ambitieus waar het WKO en geothermische energie betreft. Wij willen gemeenten uitdagen om op dit gebied ambities te vormen en achten het in dat kader gepast om voor deze thema's een verantwoordingsplicht in dit hoofdstuk neer te leggen. Onze Structuurvisie Ondergrond is terughoudend waar het opslag van allerhande afvalstoffen in de ondergrond betreft. In zijn algemeenheid wijst de provincie dit af en in het bijzonder geldt dit voor gevaarlijk en radioactief afval. Dat is in dit hoofstuk opgenomen. Bij 'gevaarlijke afvalstoffen' gaat het om de stoffen die onder de in de Wet milieubeheer opgenomen definitie worden begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie spant zich met gemeenten in om de emissie van CO2 te reduceren, duurzame energie te ontwikkelen en te besparen op het gebruik van fossiele brandstoffen. In het vijfde lid van artikel 3.20 gaat het om ruimtelijke ontwikkelingen die aan de thans in uitvoering zijnde winning van olie en gas in de weg kunnen kan staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond De Omgevingsvisie Drenthe gaat slechts summier in op de provinciale ambities voor de ondergrond. Uit paragraaf 4.1.3 van de Omgevingsvisie blijkt wel de terughoudendheid bij opslag van afvalstoffen in de ondergrond. In de Structuurvisie Ondergrond 'Met Drenthe de diepte in' zijn deze beleidskeuzes voor de ondergrond alomvattend neergelegd. De ondergrond wordt daarbij onderscheiden naar de occupatielaag, contactlaag, de waterlaag en de diepe ondergrond. Het beleidsstuk richt zich op Warmte- en Koude Opslag (WKO), verband houdend met ruimtegebruik van de contactlaag en de waterlaag, en de diepe ondergrond (dat is vanaf 500 meter tot kilometers diep onder het aardoppervlak). Het provinciaal beleid voor de contactlaag en waterlaag is voor het overige in beleidsdocumenten als de Omgevingsvisie verwoord. De structuurvisie behelst de thema's:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>winning en opslag van energie via open of gesloten Warmte-Koude Opslag systemen (WKO);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(verbeterde) winning van gas uit huidig producerende velden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nieuwe gaswinning uit een aantal nog te exploiteren kleine gasvelden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verbeterde oliewinning uit het veld Schoonebeek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>winning van zout uit zoutkoepels;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>winning van geothermische energie in de vorm van elektriciteit en/ of warmte;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>strategische (= tijdelijke) opslag van aardgas en opslag van biogas of industriële gassen in lege gasreservoirs of zoutcavernes;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(tijdelijke) opslag van energie in de vorm van perslucht in zoutcavernes;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>permanente opslag van gasvormige of vloeibare afvalstoffen in lege gasreservoirs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>permanente opslag van gas (CO2) in diepe zoutwaterlagen (aquifers).</div>\n<p class=\"lf-p\">De in de Structuurvisie Ondergrond gemaakte beleidskeuzes zijn bijzonder helder en voor elk van de deelonderwerpen in concrete opgaven vertaald. Een aantal van de in de Structuurvisie neergelegde keuzes heeft bovendien duidelijke ruimtelijke ordening componenten. Waar dit het geval is, zijn ze in dit hoofdstuk vertaald. Ook hier blijft dit hoofdstuk dus beleidsneutraal van aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk blijft ook voor de ondergrond terughoudend in de wijze waarop regels aan ontwikkelingen worden gesteld. Een aantal thema's dat op zich ruimtelijk te vertalen is op dit moment daarom niet terug te vinden in dit hoofdstuk. Een en ander hangt ermee samen dat de provincie primair inzet op het 'zachte instrumentarium'. Een provinciaal belang is hier nadrukkelijk aanwezig zodat de provincie ter behartiging ervan eventueel op het verdere Wro-instrumentarium terugvalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Agrarische bedrijvigheid (artikel 3.21) Regeling Landbouw krijgt maximale speelruimte daar waar gebieden op de visiekaart (kaart 1, Visie 2020) als landbouwgebieden zijn aangeduid. Bepaling 3.21 staat buiten kijf. Tegelijkertijd moet deze bepaling in redelijkheid gelezen worden. Bij elke ontwikkeling die een andere is dan landbouw kan een vorm van beperkend effect worden verondersteld. Het gaat hier om effecten die het huidige functioneren en de toekomstbestendigheid van landbouwbedrijven ter plaatse aantoonbaar aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaling 3.23 over agrarische bedrijvigheid sluit nieuwvestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij uit. Het is belangrijk om te duiden dat dit óók betekent dat het opstarten van een nieuwe intensieve neventak niet mogelijk is. Uitbreiding van een bestaande intensieve neventak is wel mogelijk. Wil sprake zijn van een neventak, dan blijft de hoofdfunctie altijd bestaan uit grondgebonden agrarische bedrijvigheid. De definitie van een landschappelijk inpassingsplan vindt u in de begripsbepalingen. Deze kan niet slechts een vrijblijvend karakter hebben. Nieuwe glastuinbouw is beperkt mogelijk. 'Ondersteunend glas' is wel in principe toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde lid van artikel 3.23 gaat het om het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. In dit artikellid, onder a, wordt gerefereerd aan de hoofdfunctie. Daaronder vallen ook voorziene toekomstige ontwikkelingen. 'Niet milieubelastend' refereert aan de ruimtelijke impact. Activiteiten die vallen onder de categorieën 1 en 2 van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' vormen in ieder geval geen beletsel. Verkeersaantrekkende werking en buitenopslag spelen voor de ruimtelijke impact ook mee. Uitgangspunt is dat het gebruik niet met extra bebouwing gepaard gaat. Dit is echter niet in dit hoofdstuk neergelegd, omdat ruimte moet blijven voor lokaal maatwerk binnen de in het zesde lid van artikel 3.23 gestelde randvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Ruimte-voor-ruimte regeling maakt het onder voorwaarden mogelijk dat één compensatiewoning - nooit meer dan één - mag worden gebouwd als landschapsverstorende agrarische bedrijfsbebouwing wordt verwijderd in het landelijk gebied (inclusief kernen, lintbebouwing, etc.). Het gaat om de bebouwing die voor de vaststelling van de Omgevingsvisie (2 juni 2010) bestond. Minimaal 750 m2 aan agrarische bebouwing dient gesloopt te worden om voor de compensatieregeling in aanmerking te komen. Om maatwerk mogelijk te maken, is een afwijking van 5% toegestaan. Als bedrijfsgebouwen van meerdere agrarische percelen worden gebruikt voor het bereiken van de sloopnorm (saldering), dan geeft dat geen recht op meer woningen. Het blijft dus altijd bij één compensatiewoning per agrarisch bouwperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn er voorwaarden voor compensatiewoningen (artikel 3.24, tweede lid, onder e), waarvoor de verantwoordelijkheid primair ligt bij de gemeenten die ze gebiedsgericht moeten invullen. Het betreft de inpassing, omvang, inhoud en vormgeving van de compensatiewoning. Om tot een goede beoordeling te kunnen komen, zijn minimaal een landschappelijk inpassingsplan en een welstandsbeoordeling nodig. Voor het bepalen van de omvang en inhoud van de woning is ook van belang de omvang van de verwijderde opstallen. Hoe meer gesloopt wordt, hoe meer aanspraak een aanvrager in principe kan maken op een grotere compensatiewoning. Indien de landschappelijke inpassing op de voormalige bedrijfslocatie niet in voldoende mate mogelijk is, mag de woning elders worden gebouwd (bijvoorbeeld op een ander agrarisch perceel, een bouwlocatie in een lint of in een kleine kern). Hoe een gemeente wil omgaan met deze voorwaarden, kan deze zelf verder vormgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouw van een compensatiewoning is in beginsel uitgesloten in natuurgebieden en beekdalen (kaart 1, Omgevingsvisie Drenthe), tenzij wezenlijke kenmerken of waarden niet significant worden aangetast (artikel 3.35, eerste lid) respectievelijk de beekdalfunctie in de toekomst niet wordt belemmerd (artikel 3.36, tweede lid, onder c). Dat kan soms het geval zijn, zoals in landbouwgebieden met een natuurdoelstelling (beheersgebieden). Bij deze beoordeling moet worden meegewogen of de bedrijfswoning blijft bestaan, want daarvoor geldt de Ruimte-voor-ruimte regeling niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toepassing van deze regeling moet rekening worden gehouden met de kernkwaliteiten, want artikel 3.17, eerste lid, is onverkort van toepassing. Of dat is gebeurd, zal blijken uit het ruimtelijk plan zoals dat primair aan de orde zal komen in het Relatiebeheer tussen gemeente en provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond In de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.4) wordt uitvoerig ingegaan op het beleid voor de Robuuste Landbouw. Hetgeen in dit hoofdstuk is opgenomen, vormt een doorvertaling van de beleidskeuzes. In de paragraaf zijn ook de locaties in Emmen (Klazienaveen, het Rundedal en Erica) voor concentratie van glastuinbouw benoemd. De AMvB Ruimte (artikel 2.6, tweede lid) vereist regels voor herbestemming van bestaande bebouwing in het buitengebied (vrijkomende agrarische bedrijvigheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningbouw (artikel 3.25) Regeling Met de bepalingen voor woningbouw wil de provincie garanderen dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio hun plannen voor woningbouwontwikkeling op dit gebied onderling afstemmen en vervolgens met de provincie afspraken maken over onder andere de programmering. De basis daarvoor is de regionale woonvisie. Met 'afstemmen' wordt in principe overeenstemming bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsbepalingen van dit hoofdstuk zijn de relevante definities terug te vinden over de regio's en inhoud van de regionale woonvisie. De afstemmingsbepalingen treden per 1 juli 2012 in werking (zie ook de toelichting op artikel 3.43 voor de duiding hiervan). Conform het gestelde in de AMvB Ruimte wordt aan gemeenten de mogelijkheid gegeven om 'Rood-voor-groen' en 'Ruimte-voor-ruimte' regelingen te effectueren die buiten voornoemde afstemmingsplicht vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond In de Omgevingsvisie (paragraaf 4.3.1) is de provinciale visie op het wonen uiteen gezet. In dit hoofdstuk is vooralsnog slechts het principe neergelegd dat de provincie geen bemoeienis heeft met het gemeentelijk woonplan zelf, maar wil sturen op de regionale afstemming in een woonregio. Bundeling- en doelgroepprincipes en kwantitatieve plafonds zijn in deze verordening evenmin vastgelegd. Voor de kwantitatieve plafonds zijn bestuurlijke afspraken leidend waarmee kan worden ingespeeld op wijzigende (markt)omstandigheden waardoor bijstelling van plafonds noodzakelijk is. Het ligt in de rede om in een cyclus van twee jaar programmeringsafspraken te evalueren op actualiteit en eventuele bijstelling. Eventueel worden voor hiervoor andere Wro-instrumenten gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw binnen de kaders van de Ruimte-voor-ruimte regeling en Rood-voor-groen beleid valt buiten de provinciale woningbouwbepalingen. Voor deze verordening geldt het beleid zowel voor landgoederen als Rood-voor-groen beleid.Voornoemd beleid is geen zelfstandige grondslag voor een bouwvergunning/ omgevingsvergunning. De gemeente moet het doorvertalen naar eigen ruimtelijke plannen om er concreet gebruik van te kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijvigheid (artikel 3.26) Regeling Met de bepalingen voor bedrijvigheid wil de provincie garanderen dat gemeenten gelegen in eenzelfde stedelijk netwerk hun plannen voor regionale bedrijvigheid onderling afstemmen. Met 'afstemmen' wordt overeenstemming bedoeld. Om het voornoemde te concretiseren, zijn in de begripsbepalingen de relevante definities terug te vinden, zoals voor een regionale werklocatie. Deze afstemmingsbepalingen treden per 1 juli 2012 in werking. Dit laat overigens onverlet dat het beleid zoals neergelegd in de Omgevingsvisie onverkort van toepassing is. Zie ook de toelichting in titel 3.5.Naast bepalingen over de afstemming zijn bepalingen opgenomen die zien op lokale werklocaties, inpassing (of uitsluiting) van milieuhinderlijke bedrijvigheid, alsmede bepalingen die zien op de mogelijkheid bedrijven te vestigen of uit te breiden buiten bestaand gebied. De bepalingen voor detailhandel zijn een doorvertaling uit de AMvB Ruimte. Het beleid voor Agroparken (Omgevingsvisie, pagina 50) valt vooralsnog nadrukkelijk buiten het gestelde in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.1, onder v (lokale werklocatie) is aangegeven op welke wijze een lokale werklocatie dient te worden getypeerd. De onder 1° genoemde elementen vormen geen harde sturingscriteria. Wel dient beleidsmatig te worden gewaarborgd dan wel te worden bespoedigd dat de ontwikkeling van een lokale werklocatie zoveel mogelijk aansluit bij deze typering. De randvoorwaarden zoals gesteld onder 2° tot en met 4° van deze begripsbepaling dienen onvoorwaardelijk in acht te worden genomen en eventueel te worden geconcretiseerd binnen het desbetreffende ruimtelijke plan. Die randvoorwaarden geven op het niveau van het provinciaal belang een goede aanzet tot waarborging van de kenmerken 'kleinschalig en lokaal georiënteerd'. 'Kleinschaligheid en lokale oriëntatie' hangen vooral samen met de zwaarte van bedrijvigheid (in elk geval categorie 1 tot en met 3 van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' en op basis van gemotiveerd uitzonderingsbeleid is eventueel ook vestiging van categorie-4-bedrijven mogelijk) en de ruimtelijke impact ervan. 'Regionaal georiënteerd' is een bedrijf wanneer deze boven de criteria van een lokaal georiënteerd bedrijf uitstijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier niet om sociaaleconomische elementen die als sturingscriteria worden gebruikt, maar om criteria met betrekking tot de ruimtelijke impact, met name in termen van aard en omvang. Het gaat hier niet om bedrijven uit de agrarische sector, de sector recreatie en toerisme en functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijven, zoals loonbedrijven en grondverzetbedrijven. Wat een 'zwaarwegend' argument is, valt op voorhand niet sluitend te duiden. De term geeft wel een duidelijke gradatie aan. Hetzelfde geldt de factor werkgelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond In de Omgevingsvisie Drenthe ligt veel nadruk op de betekenis van bedrijvigheid voor de provincie Drenthe. Het is een kernwaarde, die even zwaar weegt als de kernkwaliteiten (paragraaf 2.4.1 Omgevingsvisie). Van provinciewege wordt, zo blijkt uit de Omgevingsvisie Drenthe, ingezet op een dynamische, vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie. In paragraaf 4.3.1 van de Omgevingsvisie is dit doel uitgewerkt. Een robuuste sociaaleconomische is het doel waarbij het onderscheid stedelijke en groene omgeving centraal staat. Qua regulering van de bedrijfsmatige activiteiten in dit hoofdstuk zal de provincie zich terughoudend opstellen. De regels verankeren primair de afstemming tussen gemeenten over de regionale werklocatievisie. Het is denkbaar dat gemeenten onderling niet tot een vergelijk komen over afstemming van de visie. In dat geval zal de provincie met de desbetreffende gemeente overeenstemming moeten bereiken. Voor het handelen van Gedeputeerde Staten is het 'Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020' verder uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De AMvB Ruimte (artikel 2.7 e.v.) verplicht de provincie regels op te stellen over de wijze waarop nieuwe werklocaties en uitbreiding van bestaande werklocaties tot stand kunnen komen. Deze AMvB schrijft eveneens voor dat de provincie regels oplegt over bestemmingsplannen waar het detailhandel betreft. Daaraan is in algemene termen invulling gegeven. Daarin hebben we op dit thema meer vertrouwen dan in het slaan van harde 'piketpaaltjes'. De provincie gaat er overigens van uit dat gemeenten in ruimtelijke plannen de VNG uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' toepassen. Dat betekent overigens óók dat waar een bedrijf volgens die uitgave in een bepaalde categorie valt, doch de gemeente kan onderbouwen dat die feitelijk in een lagere categorie thuishoort, de gemeente van die lagere categorie mag uitgaan. De uitgave voorziet daarin. Voor de volledigheid merken wij tot slot op dat onder 'weidewinkel' niet wordt verstaan verkoop bij de boer. Bij verkoop bij de boer moet het in hoofdzaak gaan om de verkoop van diens zelf geproduceerde producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit (artikel 3.27) Regeling Artikel 3.27 regelt een 'mobiliteitstoets'. Onder verkeersbewegingen die 'van wezenlijke invloed op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur' zijn wordt een zodanige toename van de verkeersintensiteit en/ of wijziging van de verkeerssamenstelling verstaan, dat zonder extra maatregelen of voorzieningen problemen kunnen optreden met betrekking tot de doorstroming, de (verkeers)veiligheid of de milieusituatie (luchtkwaliteit, geluidhinder). Het gaat dus om aanzienlijke verandering en niet om veranderingen die zonder problemen in de reguliere stroom van verkeersafwikkeling kunnen worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond De Nota Ruimte en de AMvB Ruimte beogen dat bedrijven en dienstverlening met omvangrijke goederenstromen of een grote verkeersaantrekkende werking terecht komen op plekken met goede verkeer en vervoersverbindingen van bij voorkeur verschillende modaliteiten. Arbeid- of bezoekersintensieve functies dienen bij voorkeur een plek te krijgen in de nabijheid van openbaar vervoerknooppunten met een goede ontsluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijfsrecreatie (artikel 3.28) Regeling Drenthe zet primair in op verbetering van de bestaande accommodaties. Nieuwvestiging is niet uitgesloten, behalve waar het kwetsbare gebieden betreft. Hiertoe behoren volgens de toelichting op de AMvB Ruimte EHS gebieden, Vogel- Habitatrichtlijngebieden, Natuurbeschermingswetgebieden en overige door de provincie aldus aangewezen gebieden. Bij het laatste gaat het in elk geval om Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 3.28 staat onder voorwaarden nieuwe verblijfsreactie binnen de Ecologische Hoofdstructuur en binnen als robuuste landbouw aangeduid gebied toe. Toepassing van het denkmodel van de SER-ladder is hierbij voorgeschreven. Dat betekent wij focussen op de kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod en op optimaal ruimtegebruik door bestaande ondernemers passend binnen de gewenste bedrijfsexploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond Verblijfsrecreatie is een drager voor de sociaaleconomische ontwikkeling van Drenthe. We zetten in op versterking, uitbreiding en vernieuwing van bestaande bedrijven in samenhang met de omgeving. Hierbij passen we de systematiek van de SER-ladder toe (paragraaf 4.3.1 Omgevingsvisie).</p>\n<p class=\"lf-p\">We zijn geen voorstander van permanente bewoning van recreatieverblijven. Alleen onder strikte voorwaarden komt bestaande permanente bewoning van recreatieverblijven voor legalisering in aanmerking. Het opnemen van bepalingen over recreatiewoningen - nieuwbouw of herbestemming, regeling naar kwetsbare gebieden - in een verordening als deze is een verplichting vanuit de AMvB Ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windenergie (artikel 3.30) Regeling Met de regeling uit het eerste lid wordt beoogd dat grootschalige windturbineparken daar tot stand komen waar ze zich het beste verhouden tot het bestaande landschap. De Omgevingsvisie Drenthe is hierover heel helder. Het tweede lid handelt over de toelaatbaarheid van kleinere installaties in bestaand stedelijk gebied. Die beoordeling is niet van provinciaal belang en wordt overgelaten aan de gemeenten, met die aantekening dat die zich positief moet verhouden tot de bestaande beplantings-/ bebouwingshoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond Uit paragraaf 4.6 van de Omgevingsvisie Drenthe blijkt dat de provincie zwaar inzet op duurzame energievoorziening en CO2-reductie. De inpassing in het landschap van - zeker - windenergie vraagt om een zorgvuldige benadering. De provincie Drenthe heeft geschikte locaties in beeld gebracht en heeft deze op de 'Zoeklocatie grootschalige windenergie' vastgelegd. De realisering van een windturbinepark is gekoppeld aan heldere voorwaarden. Hoewel niet in regels te vervatten, zet de provincie Drenthe daarbij in op organisatievormen waarbij ook bewoners zijn betrokken. Binnen de landbouwsector kan windenergie een kansrijke tweede tak blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Radioastronomie (artikel 3.31) Regeling Met de bepalingen voor de radioastronomie wil de provincie garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstellingen, liggen er beschermingszones rondom de radiotelescoop in Dwingeloo en Hooghalen en de LOFAR-radiotelescoop in Oost-Drenthe, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. In de 'storingsvrije zone' (zone I) wordt, buiten de verharde wegen Eursinge-Lhee en Hooghalen-Amen, slechts bij uitzondering gemotoriseerd verkeer en activiteiten die elektromagnetische straling opwekken toegelaten. Noodzakelijk landbouwverkeer wordt daartoe gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zone II geldt als 'overlegzone'. In principe geldt daar eveneens het uitgangspunt dat elektromagnetische straling die de waarneming middels de radiotelescopen verstoord, moet worden voorkomen. Er kan natuurlijk onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer van dergelijke verstoring sprake is. Wij verwachten daarom dat wanneer een ruimtelijk plan binnen deze zone voorziet in nieuwe bebouwings- of gebruiksmogelijkheden, er in een vroeg stadium overleg wordt gepleegd met het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) om hierover helderheid te verkrijgen en te bezien op welke wijze de ontwikkeling kan worden ingepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ruimtelijk plan dat een gebied bestrijkt dat valt binnen zone I en II (respectievelijk de binnenste en buitenste ring) van de zonering radiotelescoop en zone I en II LOFAR als aangeduid op kaart 12, \"Overige Aanduidingen\" van de Omgevingsvisie, dient te worden voorzien van een advies van ASTRON. Dit geldt eveneens voor ruimtelijke plannen die voorzien in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond In de Omgevingsvisie Drenthe is aangegeven dat veel waarde wordt gehecht aan de ontwikkeling van de radioastronomie in Drenthe. De economische spin-off van de radioastronomie voor de economie van Drenthe is groot. Wij willen de ontwikkelingen die daarmee samenhangen dan ook volop de ruimte geven en verstoringen van waarnemingen voorkomen. De bepalingen opgenomen in dit hoofdstuk moeten dat bewerkstelligen. In paragraaf 4.3.1 (pag. 34 en 35) van de Omgevingsvisie Drenthe is de provinciale visie hieromtrent uitgewerkt. Deze visie en de bepalingen in dit hoofdstuk waarborgen consistentie van het beleid omtrent de radioastronomie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nationaal Landschap Drentsche Aa (artikel 3.32) Regeling Het gehele stroomgebied van de Drentsche Aa is als Nationaal Landschap aangewezen, inclusief het Groningse deel in de gemeente Haren. De Drentse begrenzing (artikel 3.32) sluit op de Groningse aan. Doel van een Nationaal Landschap is de kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en te versterken. Uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid is behoud door ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, mits de kwaliteiten worden behouden of versterkt. Het is verder belangrijk om de verhouding van deze bepaling tot het gestelde in Titel 3.2 Ruimtelijke Kwaliteit te verhelderen. Die bepalingen zijn immers onverkort van toepassing op Titel 3.3 (artikel 3.17, eerste lid). Het gebied kenmerkt zich bovendien door aanwezigheid van veelal zeer waardevolle kernkwaliteiten. Dit kan voor regelgeving met betrekking tot het Nationaal Landschap Drentsche Aa tot verwarring leiden. De bepalingen voor Nationaal Landschap Drentsche Aa gelden bovenop de bepalingen uit Titel 3.2 en hebben - bij strijdigheid - voorrang daarop. Nationaal Landschap Drentsche Aa en Ecologische Hoofdstructuur vallen ook deels samen. Beide bepalingen gelden in dat gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kernachtig zijn in artikel 3.32 de voornaamste kenmerken van Nationaal Landschap Drentsche Aa opgesomd. Deze kernkwaliteiten zijn uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa.De opsomming komt voort uit de rijksomschrijving. Daarenboven hechten wij eraan de cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden van het gebied te benadrukken. Dit Nationaal Landschap is een gebied met een grote cultuurhistorische tijddiepte, zoals ook blijkt uit de kaart Kernkwaliteiten. De beekdalen zelf kenmerken zich door, met vaak door wallen en singels omzoomde, weiden en hooilanden. Op de hogere gronden bevinden zich de essen en dorpen, omgeven door grotere ontginningen en de vroegere woeste gronden in de vorm van bossen en heides. De agrarische geschiedenis is goed te herkennen in dit landschap door de samenhang tussen verschillende elementen. Zeer bijzonder zijn de opvallend lineair gegroepeerde grafheuvels langs prehistorische wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.33, tweede lid, wordt gerefereerd aan een 'groot openbaar belang'. Hiertoe wordt volgens de AMvB Ruimte in elk geval gerekend: de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas of de plaatsing van installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie. Dit laatste is op grond van het provinciaal beleid voor windturbines overigens niet mogelijk. Een 'openbaar' belang betreft een minder brede afbakening dan wanneer gesproken zou zijn over bijvoorbeeld een 'maatschappelijk' belang. Het eveneens genoemde compensatiebeginsel is opgenomen in paragraaf 7.5 van de Omgevingsvisie Drenthe. Compensatie moet bij vaststelling van een ruimtelijk plan 'hard' worden geregeld. Vast moet staan dat deze daadwerkelijk uitgevoerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond Sinds de vaststelling van de Nota Ruimte door de Eerste Kamer op 17 januari 2006 is de Drentsche Aa officieel een Nationaal Landschap. De AMvB Ruimte vereist dat de provincie regels stelt voor Nationale Landschappen (artikel 3.15 e.v.). Datgene wat in dit hoofdstuk is neergelegd, vormt een doorvertaling van de AMvB Ruimte en dan een minimale variant ervan. De provincie Drenthe legt de regels in principe uit conform de Nota Ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van het rijk hebben Gedeputeerde Staten het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche op 12 juni 2007 vastgesteld. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Drentsche Aa zijn vanuit het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplanplan (BIO-plan) uitgewerkt in de Landschapsvisie Drentsche Aa voor het gehele stroomgebied. Het BIO-plan blijkt in combinatie met de landschapsvisie in de praktijk een goed kader te bieden voor beoordeling van activiteiten in het gehele Drentsche Aa-gebied. Door ook de 'Integrale Kansenkaart' en het 'Plan van Aanpak Levend Bezoekersnetwerk' te gebruiken is in het Uitvoeringsprogramma de totale visie op het Drentsche Aa-gebied uitgewerkt. Genoemde plannen vormen het fundament voor uitvoering en beoordeling van plannen in het nationaal landschap en passen binnen de beleidsmatige kaders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als basisfilosofie geldt 'kwaliteit in ontwerp'. Een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie. In de aanloop naar de oprichting van het nationaal beek- en esdorpenlandschap is als een van de uitgangspunten een basisfilosofie ontwikkeld, die er op neer komt dat het behoud van het gebied gebaat is bij een verdere ontwikkeling in plaats van conservering. Het bestaande landschap is in deze filosofie het vertrekpunt voor het nieuwe. Ontwikkelingen zijn toegestaan en zelfs gewenst, maar moeten in het verlengde liggen van de ontstaansgeschiedenis en de onderliggende structuren. De kenmerken van het landschap worden versterkt in plaats van afgevlakt door een vermenging met oneigenlijke elementen. Wij verwachten ook van gemeenten dat ze opkomen voor de doelen die voor het gebied zijn gesteld. De voorliggende bepalingen kunnen daaraan bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologische Hoofdstructuur (artikel 3.34) Regeling Qua opzet van het artikel voor de Ecologische Hoofdstructuur is gekozen voor een systeem van bepalingen met motiveringsvereisten. Dat biedt betere mogelijkheden voor 'maatwerk', hetgeen in de Ecologische Hoofdstructuur (ook wel: EHS) van essentieel belang moet worden geacht. Inherent hieraan is dat de betrokkenheid van de provincie bij bescherming en realisering van de EHS in het ruimtelijk spoor niet eindigt met vaststelling van dit hoofdstuk van de verordening, maar een vervolg krijgt in de praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk om de verhouding duidelijk te maken tot het gestelde in Titel 3.2 (Ruimtelijke Kwaliteit). De bepalingen uit Titel 3.2 zijn immers onverkort van toepassing op Titel 3.3 (artikel 3.17, eerste lid). Dit kan voor wat betreft de Ecologische Hoofdstructuur tot verwarring leiden. De EHS-gebieden maken immers ook onderdeel uit van de kernkwaliteiten. De bepalingen voor de EHS gelden bovenop de bepalingen uit Titel 3.2 en hebben - bij strijdigheid - voorrang daarop. EHS en Nationaal Landschap Drentsche Aa vallen ook deels samen. Beide bepalingen gelden in die situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrenzing van de EHS is vastgelegd via artikel 3.34, eerste lid. De provincie Drenthe heeft een actuele Omgevingsvisie met als beleidsdoel een 'Robuuste Ecologische Hoofdstructuur' en een bijbehorende kaart (kaart 4 bij de Omgevingsvisie; 'Robuuste EHS 2020/2040') met globale gebiedsaanduiding. Deze kaart voldoet niet aan de wettelijk vereiste 'geometrische bepaalbaarheid'. In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van begrenzing van de EHS zoals is vastgesteld in artikel 3.34, eerste lid en op de kaart 'EHS Concretisering' is aangegeven met de aanduiding 'Provinciale EHS'. Binnen de EHS-begrenzing vallen gronden die praktisch als, bijvoorbeeld, landbouwgebied in gebruik zijn. Dit feit creëert voor de praktijk geen extra belemmeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landbouwgrond binnen de EHS kan aldus gebruikt blijven worden. De in het in het Natuurbeheerplan ('Beheertypekaart') voor deze gebieden gestelde natuurdoelen sluiten ook grotendeels bij het agrarische gebruik aan. Voor het overige deel geldt dat het geformuleerde natuurdoel agrarisch gebruik niet uitsluit. Als op grond van dit hoofdstuk aan 'wezenlijke kenmerken en waarden' moet worden getoetst, ontstaan voor bijvoorbeeld agrarisch gebruik dus geen nieuwe beperkingen, tenzij dat gebruik al in strijd is met bestaande bestemmingsplannen. Een en ander kan veranderen als een natuurbeherende instantie de gronden verwerft of de gronden onder particulier natuurbeheer komen te vallen. Praktische afspraken over het beheer blijven Gedeputeerde Staten via subsidiebeschikkingen met gebruikers maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 3.34 maakt het mogelijk de begrenzing van de EHS te wijzigen. Het vaststellen van de begrenzing van de EHS is, gelet op de betrokken belangen en (rechts)gevolgen, primair de bevoegdheid van Provinciale Staten. Om praktische redenen is - in afwijking van de AMvB Ruimte - aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid gegeven om de grenzen van de EHS te wijzigen. Gedeputeerde Staten zullen deze bevoegdheid binnen het door Provinciale Staten vastgestelde beleid voor realisering van de EHS gebruiken. Wijziging van de begrenzing anders dan daar waar op de kaart 'EHS Concretisering' gebieden als Zoekgebied 'Ecologische Verbindingszone' en 'Robuuste Verbinding' zijn aangeduid, geschiedt alleen om de EHS beter af te ronden. Dit laatste betreft in principe relatief beperkte aanpassingen van de kaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten achten zich bij herbegrenzing verder gebonden aan de opgave voor realisering van de Ecologische Hoofdstructuur. Meer specifiek gaat het om de met het Rijk afgesloten bestuursovereenkomst ILG 2007-2013 voor realisering van de Ecologische Hoofdstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.35, eerste lid, bevat de basisbepaling voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur. Nieuwe activiteiten zijn niet toegestaan voor zover deze de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS significant schaden. Op voorhand is niet uitputtend aan te geven wanneer sprake is van een 'significante' invloed. Dit is afhankelijk van het soort bedrijvigheid waar het om gaat, de plek in de EHS en de natuurwaarden ter plaatse. In de Nota Ruimte zijn voorbeelden opgesomd van ruimtelijke initiatieven die significante gevolgen kunnen hebben:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande woningbouw;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>aanleg van nieuwe infrastructuur of uitbreiding van bestaande infrastructuur;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nieuwe voorzieningen voor en omvangrijke uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ontgrondingen ten behoeve van oppervlaktedelfstofwinning;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>aanleg en bouw van afvalstort;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bouw of uitbreiding van drijvende objecten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>opstelling van windturbines;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nieuwvestiging of toevoeging van recreatieverblijven.</div>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling over 'significantie' moet van geval tot geval worden gemaakt. Wanneer beoordeling van een voorgenomen ingreep leidt tot de conclusie dat deze significante negatieve effecten heeft, maar tóch doorgang moet vinden, is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor realisatie van maatregelen om de nadelige effecten weg te nemen of te ondervangen, en waar dit niet volstaat, de dan nog resterende effecten te compenseren. Per saldo moet de EHS er beter van worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.35, eerste lid, is op gronden die als Zoekgebied 'Ecologische Verbindingszone' en 'Robuuste Verbinding' zijn aangeduid niet van toepassing. Deze gronden vallen (nog) buiten de EHS-begrenzing. Dat zal in de toekomst deels met vastgestelde plannen voor invulling van de verbindingen - deels echter wel zo zijn. Wij verwachten dat gemeenten deze wetenschap bij hun ruimtelijke planontwikkeling betrekken en daaraan zo nodig consequenties verbinden. Waar in de genoemde gebieden plannen ontstaan die uitvoering van het EHS beleid onmogelijk maken, kan de provincie zijn overige Wro-instrumentarium aanspreken. Hetzelfde geldt wanneer in gebieden rondom de EHS ruimtelijke plannen ontstaan die een significant negatieve invloed op het als EHS begrensde gebied hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.35, tweede lid, wordt gerefereerd aan een 'groot openbaar belang'. Hiertoe wordt volgens de AMvB Ruimte in elk geval gerekend: de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van aardgas of de plaatsing van installaties voor de opwekking van elektriciteit met behulp van windenergie. Dit laatste is op grond van het provinciaal beleid voor windturbines overigens niet mogelijk. Een 'openbaar' belang betreft een minder brede afbakening dan wanneer gesproken zou zijn over bijvoorbeeld een 'maatschappelijk' belang. Het eveneens genoemde compensatiebeginsel is in paragraaf 7.5 van de Omgevingsvisie Drenthe verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond In de AMvB Ruimte is bepaald dat de provincie regels moet stellen voor de Ecologische Hoofdstructuur (titel 2.10). Datgene wat hierover in dit hoofdstuk is neergelegd, is een directe doorvertaling van de AMvB Ruimte, en dan de minimale variant ervan. We leggen de regeling in principe uit conform de Nota Ruimte. Zoals mede blijkt uit de bepalingen, acht de provincie zich bij het ontwikkelen van de EHS tevens gebonden aan de 'Spelregels Ecologische Hoofdstructuur', zoals door de provincies en het Rijk gezamenlijk zijn overeengekomen. Deze spelregels, de doelen en EHS-gebieden zijn door Gedeputeerde Staten vastgelegd in een beleidsregel die per 11 december 2007 in werking is getreden. Gedeputeerde Staten blijven deze beleidsregel hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4.3.3 van de Omgevingsvisie handelt over ontwikkeling van robuuste natuur. Uiteindelijk doel voor dit thema is om gebieden met een bijzondere natuurkwaliteit onderling te verbinden tot een Ecologische Hoofdstructuur en zo biodiversiteit te behouden en waar mogelijk te herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ruimtelijke begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur zijn als uitgangspunten gehanteerd samenhang, ecologisch belang en milieukwaliteit. Het streven in onze provincie voor de langere termijn is om de EHS voldoende robuust te maken. Bij de Omgevingsvisie is daartoe kaart 4 'Robuuste EHS 2020/2040' gevoegd. De AMvB Ruimte vereist dat de EHS begrenzing 'geometrisch bepaalbaar' is. Daarvoor moet een meer gedetailleerde kaart bij deze verordening worden gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting op de AMvB Ruimte zou de begrenzing, zoals voortvloeiend uit het Provinciaal Omgevingsplan II, moeten worden aangehouden. Die kaart is niet meer actueel. De provincie Drenthe hanteert de kaart 'EHS Concretisering'. Deze kaart betreft een geactualiseerde versie van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleidsregel waarin de kaart EHS is opgenomen. De bij deze verordening gevoegde kaart correspondeert dus met de regeling die de AMvB Ruimte vereist. Niet alle gebieden die op termijn tot de EHS gaan behoren vallen op dit moment daardoor binnen de EHS-begrenzing. Actualisering van de kaart vindt jaarlijks plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk richt zich op de ruimtelijke bescherming van met name bestaande natuur en gerealiseerde nieuwe natuur. Voor deze categorieën geldt een stringent beschermingsregime en zijn ontwikkelingen alleen toegestaan door maatwerkbepalingen. Ontwikkelingen in nieuw te ontwikkelen natuur, beheers- en zoekgebied blijven mogelijk, voor zover deze geen onomkeerbare (negatieve) of anderszins significante effecten op ons beleid voor de EHS hebben. Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in de EHS is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen, omdat juist daarmee ook kansen ontstaan voor realisering en versterking van de EHS. Hiertoe zijn bij de Nota Ruimte de meerdere instrumenten ontwikkeld. De provincie Drenthe hanteert deze dienovereenkomstig. Het betreft:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>mitigeren en compenseren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>herbegrenzen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salderen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor al deze zaken geldt dat bij vaststelling van een ruimtelijk plan 'hard' geregeld moet zijn dat deze daadwerkelijk uitgevoerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Water (artikel 3.36) Regeling Het eerste en tweede lid van artikel 3.36 geven bescherming aan belangrijke beekdalen. Kapitaalintensieve functies worden daar geweerd. Als voorbeelden van kapitaalintensieve functies zijn in de Omgevingsvisie expliciet woon- en werkgebieden, glastuinbouw, intensieve veehouderij en kwekerijen genoemd. Deze opsomming is niet limitatief. Uitzonderingen op het vrijwaren van het gebied van kapitaalintensieve functies kunnen gemaakt worden in geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen en een drietal andere voorwaarden. Op voorhand is niet te benoemen of sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. De definitie beperkt zich niet tot veiligheids- en gezondheidsafwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk van de verordening dwingt via het derde lid van artikel 3.36, voor zover nodig, ruimtelijke bescherming van waterbergingsgebieden af. In de praktijk betekent dit dat een zogenaamde dubbelbestemming moet worden gehanteerd. Andere functies dan waterberging kunnen dan worden toegekend en uitgeoefend als deze aan het gebruik van het gebied voor waterberging niet in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimtelijke bescherming van het functioneren van een grondwaterwingebied (artikel 3.36, vierde lid) maakt minimaal het overnemen van de begrenzing van deze bescherming in het betreffende ruimtelijk plan nodig. Meer specifiek gaat het om gebieden die in Hoofdstuk 7 van deze verordening zijn aangewezen als Waterwingebied, Grondwaterbeschermingsgebied, Verbodszones diepe boringen en Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa en als zodanig op de bij deze verordening behorende kaart zijn aangeduid. Wij verwachten van gemeenten dat ze in een ruimtelijk plan aangeven in hoeverre het plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor grondwaterbeschermingsgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ontwikkeling van een grondgebonden landbouwbedrijf (zonder kapitaalintensieve tweede tak) worden geen beperkingen opgelegd. Ook kunnen nieuwe grondgebonden landbouwbedrijven opgericht worden, waarbij het voor de hand ligt niet in de laagste delen van het beekdal te bouwen en bij de hoogteligging van de bedrijfsgebouwen rekening te houden met mogelijke wateroverlast. Het waterschap heeft hierin een adviserende rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond De provincie streeft naar een robuust watersysteem dat voldoende schoon grond- en oppervlaktewater biedt voor waterafhankelijke functies. Het watersysteem moet in staat zijn om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, waardoor wateroverlast en watertekort tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Ook moet het watersysteem voldoen aan de kwaliteitseisen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW). Onderdelen van ons waterbeleid lenen zich voor dit hoofdstuk van deze verordening. Het gaat dan om bescherming van de beekdalen ('Nee tenzij beleid'), het afdwingen van bescherming voor waterbergingsgebieden en bescherming van grondwaterwinningsgebieden. In hoofdstuk 4.3.2 en hoofdstuk 6 van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op de provinciale beleidsvoornemens op dit vlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5, Toelichting Titel 3.4, Tegemoetkoming in schade De provincie Drenthe kan gebruikmaken van het instrument inpassingsplan (3.26 Wro), projectbesluit (3.27 Wro) en artikel 3.41 Wro. Dergelijke besluiten kunnen volgens artikel 6.6 Wro leiden tot verzoeken om tegemoetkoming in schade zoals bedoeld in afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het tot dergelijke aanvragen komt, dient de provincie te beschikken over regels die werkwijze en afhandeling van zo'n verzoek conform wettelijke vereisten bewerkstelligen. Titel 3.4 voorziet in die bepalingen. De Titel is opgezet conform gebruiken die in den lande voor wat betreft afhandeling om verzoeken tot tegemoetkoming in schade gebruikelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afdeling 6.1 Wro is bepaald dat degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een provinciaal inpassingsplan, projectbesluit of door toepassing van artikel 3.41 Wro om een tegemoetkoming in die schade kan vragen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Een verzoek om tegemoetkoming in schade moet worden ingediend bij en wordt afgedaan door Gedeputeerde Staten (artikel 6.6, juncto artikel 6.1 Wro).</p>\n<p class=\"lf-p\">6, Toelichting Titel 3.5, Slotbepalingen Voor het functioneren van dit hoofdstuk zijn enige afrondende bepalingen nodig. Algemene bepalingen zijn nodig rondom de mogelijkheid een ontheffing op grond van dit hoofdstuk uit de verordening te vragen. De AFLO heeft bij een beslissing over een aanvraag om ontheffing een adviserende rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwerkingtreding van dit hoofdstuk gebeurt voor twee bepalingen met vertraging. Dit heeft ermee te maken dat gemeenten tijd nodig hebben om aan de voor woningbouw en realisering van regionale werklocaties vereiste regionale afstemming invulling te geven. Tot dat moment blijft het mogelijk om geldende, met de provincie afgestemde, woonplannen en werklocatievisies plannen uit te voeren, tenzij duidelijk is dat een plan binnen een regio bestuurlijke discussie kan opleveren. Een en ander laat onverlet dat het provinciaal beleid op dit punt met vaststelling van de Omgevingsvisie in werking is getreden en in materiële zin dus van toepassing is.</p></div>", "next": 239530}