{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van de houder van de zwemlocatie kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze plicht houdt in ieder geval in dat: de veiligheid en de hygiëne van gebruikers van de zwemlocatie wordt gewaarborgd; alle adequate maatregelen worden genomen om verdrinking en verwonding van of letsel bij gebruikers van de zwemlocatie te voorkomen; en alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van: in zijn algemeenheid verslechtering of achteruitgang van de zwemwaterkwaliteit; en ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-31012\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.10.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijke regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.205(beheer en onderhoud zwemlocatie) De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor adequaat beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid en hygiëne van gebruikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.206(toezicht op veiligheid gebruikers van een zwemlocatie) De houder van een zwemlocatie waarvan de toegang afgesloten kan worden voor gebruikers en die entree heft aan de gebruikers van de zwemlocatie, houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de gebruikers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.207(onderzoek naar omstandigheden met negatieve effecten) De houder van een zwemlocatie voert dagelijks, of zo frequent als mogelijk, onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.208(informeren: onverwachte situaties) Gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam worden onverwijld geïnformeerd door de houder van een zwemlocatie over onverwachte situaties met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van gebruikers van de zwemlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.209(redelijke maatregelen ten behoeve van de zwemwaterkwaliteit) 1.De houder van een zwemlocatie treft op basis van het zwemwaterprofiel de maatregelen ter verbetering en behoud van de zwemwaterkwaliteit die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder van een zwemlocatie neemt maatregelen om de zwemwaterkwaliteitsklasse van de zwemlocatie op ten minste “aanvaardbaar” te houden, als bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.210(zwemwaterbeheersmaatregelen bij zwemwaterverontreinigingen) 1.De houder van een zwemlocatie treft passende zwemwaterbeheersmaatregelen als: uit het jaarlijkse onderzoek naar de veiligheid, bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt dat de veiligheid en hygiëne niet voldoen aan de eisen; of door monitoring van de beheerder van het oppervlaktewater of door inspectie van de omgevingsdienst wordt vastgesteld dat op de zwemlocatie sprake is van zwemwaterverontreinigingen door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is van toepassing vanaf het moment dat de houder van een zwemlocatie door gedeputeerde staten in kennis is gesteld over de resultaten van de monitoring of de inspectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.211(nadere aanduiding en afbakening zwemzone) 1.De houder van een zwemlocatie informeert gebruikers van de zwemlocatie: waar de grens ligt tussen het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden, en het overige water; en waar zich mogelijk gevaren voordoen voor zwemmers en baders binnen het deel van het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor een afbakening van de zwemzone zodat bezoekers in deze zone niet in aanraking komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.212(inrichting zwemwater) 1.De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat de stranden langs het zwemwater schoon en egaal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat het talud van het zwemwater, bedoeld in artikel 3.211, eerste lid, onder a, een helling heeft van maximaal 20% tot het punt waar het zwemwater een diepte heeft van 1,50 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.213(springvoorzieningen) 1.De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat er alleen springvoorzieningen zijn waar het zwemwater dieper is dan 1,40 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een springvoorziening bestaat alleen uit startblokken als het zwemwater, bedoeld in artikel 3.211, eerste lid, onder a, een diepte heeft tussen 1,40 en 2,00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een springvoorziening is aan de zijkanten van leuningen voorzien als het loopvlak zich op een hoogte van meer dan 1 meter boven het waterspiegel of het perron bevindt. De leuningen lopen door tot ten minste 0,50 meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van het bassin bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.214(maatregelen voorkomen letsel en verwonding) De houder van een zwemlocatie treft adequate maatregelen ter voorkoming van risico’s voor de veiligheid en gezondheid van gebruikers als gevolg van het gebruik van voorzieningen of vanwege obstakels op de zwemlocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.215(sanitaire voorzieningen) 1.De houder van een zwemlocatie maakt toiletbezoek van gebruikers van de zwemlocatie mogelijk, als er regelmatig meer dan 25 gebruikers zijn. In dat geval zorgt de houder van de zwemlocatie ervoor dat er minimaal één toilet per 150 gebruikers aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat een op een zwemlocatie aanwezige sanitaire voorziening schoon, werkend en goed onderhouden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat gebruikers: zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen en uitsteeksels van de aanwezige sanitaire voorzieningen; en niet in of op de aanwezige sanitaire voorzieningen kunnen uitglijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3102\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Badwaterbassins</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-31021\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.10.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.216(activiteiten) Paragraaf 3.10.2.2 bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 15.6, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en gaat over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin en de activiteiten in afdeling 15.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-31022\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.10.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijke regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.217(afwijkende termijn melding artikel 15.13 Bal - badwaterbassins waarin het water wordt gedesinfecteerd) In afwijking van het bepaalde in artikel 15.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin waarin het water wordt gedesinfecteerd’, bedoeld in artikel 15.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.218(afwijkende termijn melding artikel 15.31 Bal - zwemvijvers) In afwijking van het bepaalde in artikel 15.31 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een zwemvijver’, bedoeld in artikel 15.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.219(afwijkende termijn melding artikel 15.47 Bal - badwaterbassins voor eenmalig gebruik) In afwijking van het bepaalde in artikel 15.47 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin voor eenmalig gebruik’, bedoeld in artikel 15.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.220(afwijkende termijn melding artikel 15.50 Bal - overige badwaterbassins) In afwijking van het bepaalde in artikel 15.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een overig badwaterbassin’, bedoeld in artikel 15.49 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.221(logboek registratie sluiting en heropening badwaterbassin) 1.Dit artikel is van toepassing op de sluiting en heropening van een badwaterbassin als bedoeld in artikel 15.26, artikel 15.42 en artikel 15.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De sluiting en de heropening van een badwaterbassin als bedoeld in het vorige lid worden geregistreerd in een logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het logboek bevat in ieder geval een registratie van: de aanleiding; de resultaten van de meting die tot sluiting van het badwaterbassin heeft geleid; de geconstateerde risico’s voor de veiligheid van de gebruikers en de kwaliteit van het water; de resultaten van de meting die tot heropening van het badwaterbassin heeft geleid; de beoogde maatregelen ter voorkoming van herhaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Degene die de activiteit verricht is verantwoordelijk voor het bijhouden van het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3.11 Ontgrondingen op land en in regionale wateren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3111\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.222(activiteiten) Deze afdeling gaat over ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 16 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3112\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijke regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.223(aanwijzing vergunningvrij geval Maasvlakte) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het ontgronden voor het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van havens en daarin gelegen kunstwerken binnen de locatie maasvlakte waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.12 Ruimtelijk voorbeschermingsregels (met het oog op het in de toekomst voldoen aan instructieregels)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3121\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.224(activiteiten) Deze afdeling gaat over activiteiten waarvoor regels als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet noodzakelijk zijn aanvullend op bepalingen in afdeling 7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.225(oogmerken) Deze afdeling is gericht op het voorkomen dat locaties minder geschikt worden voor een krachtens de bepalingen in afdeling 7.3 te verwezenlijken doel, zolang geen omgevingsplan in werking is getreden overeenkomstig die bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3122\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijke regels geitenhouderij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.226(verbod geitenhouderij) 1.Het is verboden om: een geitenhouderij te vestigen als hoofdtak of als neventak; en nieuwe bebouwing op te richten of bestaande bebouwing in gebruik te nemen ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod geldt voor een locatie totdat voor die locatie een onherroepelijk omgevingsplan is of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit onherroepelijk is geworden in overeenstemming is met artikel 7.59 eerste lid, onder k.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3.14 Lozen van drain-, spoel- of drainagewater bij het telen van gewassen in kassen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3141\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.14.1</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van drain-, spoel- of drainagewater door leden Waterzuiveringscoöperatie Westland</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-31411\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.14.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.232 (toepassingsbereik) 1. Paragraaf 3.14.1 gaat over het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van het telen van gewassen in kassen als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het lozen van: drainwater of spoelwater van filters bij substraatteelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.76 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebondenteelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Paragraaf 3.14.1 is van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid als: degene die de activiteit verricht lid is van de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Waterzuiveringscoöperatie Westland; en bij of krachtens overeenkomst tussen die coöperatie en de beheerder van het zuiveringtechnisch werk AWZI Nieuwe Waterweg is overeengekomen om voor diegene die de activiteit verricht ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van gewasbeschermingsmiddelen uit het afvalwater te verwijderen door middel van dat zuiveringtechnisch werk en de daartoe benodigde voorzieningen aan dat zuiveringtechnisch werk.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-31412\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.14.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijke regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.233 (water: uitstel zuiveringsrendement gewasbeschermingsmiddelen AWZI Nieuwe Waterweg) 1. De artikelen 4.791d, eerste lid, en 4.791k, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in artikel 3.232 tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 augustus 2024 als het te lozen drainwater, spoelwater of drainagewater op 1 januari 2024 wordt of werd geloosd op het openbaar vuilwaterriool van waaruit dat water wordt gebracht op het zuiveringtechnisch werk AWZI Nieuwe Waterweg; of 1 januari 2027 als het te lozen drainwater, spoelwater of drainagewater op 1 januari 2024 wordt of werd geloosd op het openbaar vuilwaterriool van waaruit dat water wordt gebracht op het zuiveringtechnisch werk AWZI De Groote Lucht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De datum 1 januari 2027 bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is 1 januari 2025 als de beheerder van het zuiveringtechnisch werk AWZI Nieuwe Waterweg aan de in artikel 3.232, tweede lid, onder a, genoemde coöperatie niet schriftelijk heeft laten weten dat uiterlijk op 1 januari 2027 ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van gewasbeschermingsmiddelen uit dat water kunnen worden verwijderd door middel van het zuiveringtechnisch werk AWZI Nieuwe Waterweg.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Dit artikel is niet van toepassing als de in artikel 3.232, tweede lid, onder b, bedoelde benodigde voorzieningen aan het zuiveringtechnisch werk AWZI Nieuwe Waterweg zijn gerealiseerd en ingezet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.234 (water: geen uitstel zuiveringsrendement gewasbeschermingsmiddelen) Artikel 3.233 is niet van toepassing als degene die de activiteit als bedoeld in artikel 3.232 verricht op 31 december 2020 al tenminste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen verwijderde alvorens het drainwater, spoelwater of drainagewater in het openbaar vuilwaterriool te lozen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3142\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.14.2</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen van drain-, spoel- of drainagewater door niet-leden Waterzuiveringscoöperatie Westland</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-31421\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.14.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.235 (toepassingsbereik) 1. Paragraaf 3.14.2 gaat over het lozen in een vuilwaterriool van afvalwater afkomstig van het telen van gewassen in kassen als bedoeld in artikel 3.205 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het lozen van: drainwater of spoelwater van filters bij substraatteelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.76 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of drainagewater of spoelwater van filters bij grondgebondenteelt in een kas, bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Paragraaf 3.14.2 is van toepassing op een activiteit als bedoeld in het eerste lid waarop paragraaf 3.14.1 niet van toepassing is, voor zover het te lozen afvalwater wordt geloosd op een openbaar vuilwaterriool of een andere zuiveringsvoorziening van waaruit het wordt gebracht op het zuiveringtechnisch werk AWZI Nieuwe Waterweg dat ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen afkomstig van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water verwijdert.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-31422\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.14.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijke regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.236 (water: verwijdering gewasbeschermingsmiddelen AWZI Nieuwe Waterweg) De artikelen 4.791d, tweede lid, en 4.791k, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in artikel 3.235.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-3143\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3.14.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overig</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel3.237 (water: vervaldatum maatwerkregels) De regels in deze afdeling vervallen per 1 januari 2027.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK4ONDERHOUDSPLICHTEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling4.1 Provinciale vaarwegen Artikel4.1(onderhoudsplicht werken en voorwerpen provinciale vaarwegen) Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan de provinciale vaarweg, overeenkomstig afdeling 3.7, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij in deze verordening anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel4.2(onderhoudsplicht oevers) 1.De onderhoudsplichtige van de oever langs een provinciale vaarweg moet, onverminderd het bepaalde in de onderhoudslegger van het bevoegde waterschap, deze stevig en passend in de omgeving houden, zodat deze in goede staat is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Over de omvang en inhoud van de onderhoudsplicht en over de inspectie van de oever zijn de regels in bijlage V van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling4.2 Provinciale wegen Artikel4.3(onderhoudsplicht werken en voorwerpen provinciale wegen) Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan de provinciale weg, overeenkomstig afdeling 3.8, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij in deze verordening anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK5OMGEVINGSWAARDEN Afdeling5.1 Veiligheid regionale waterkeringen Artikel5.1(omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen) Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.2(toepassingsbereik veiligheid per regionale waterkering) De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden voor de locaties, bedoeld in artikel 2.13 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.3(omgevingswaarden veiligheid per regionale waterkering) Voor de in artikel 2.13 aangewezen locaties, geldt de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstand waarop de regionale waterkering, of een deel daarvan, moet zijn berekend, bedoeld in bijlage II (norm opgenomen bij het geo-informatieobject).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.4(termijn en aard omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen) 1.Aan de omgevingswaarden voor veiligheid van regionale waterkeringen wordt bij de verbetering van een regionale waterkering uiterlijk voldaan met ingang van het tijdstip zoals aangegeven in bijlage VI, onder A.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn bij de aanleg en verbetering van regionale waterkeringen resultaatsverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn bij het uitvoeren van beheer en onderhoud aan regionale waterkeringen inspanningsverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.5(verzoek tot aanpassing termijn) 1.Het waterschapsbestuur kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van het tijdstip, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid kan voor gevallen waarin: het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is; door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of ondanks de verrichte handelingen daarvoor niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling5.2 Kans op overstroming regionale wateren Artikel5.6(omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming) 1.Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover van toepassing, gelden voor de toepassing van het eerste lid de regels zoals opgenomen in bijlage VI, onder B1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.7(toepassingsbereik gemiddelde kans op overstroming per gebied) 1. De omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.6, gelden voor de gebieden die zijn aangewezen in artikel 5.8 en 5.9.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De omgevingswaarden gelden op het niveau van een peilgebied.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.8(omgevingswaarden kans op overstroming binnen de bebouwde kom) Binnen de bebouwde kom, geldt voor locaties waaraan in het omgevingsplan de hierna genoemde functies zijn toegedeeld, een gemiddelde kans op overstroming van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1/100 per jaar voor locaties met de functie hoofdinfrastructuur, spoorwegen of bebouwing, met uitzondering van glastuinbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/50 per jaar voor locaties met de functie glastuinbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/10 per jaar voor locaties met overige functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.9(omgevingswaarden kans op overstroming buiten de bebouwde kom) 1.Buiten de bebouwde kom, geldt voor locaties waaraan in het omgevingsplan de hierna genoemde functies zijn toegedeeld, een gemiddelde kans op overstroming van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1/100 per jaar voor locaties met de functie hoofdinfrastructuur of spoorwegen;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/50 per jaar voor locaties met de functie glastuinbouw of hoogwaardige land- en tuinbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/25 per jaar voor locaties met de functie akkerbouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">1/10 per jaar voor locaties met de functie grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor bebouwing buiten de bebouwde kom geldt de omgevingswaarde van het omringend landgebruik, genoemd in het eerste lid, aanhef, onder b, c of d.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, geldt voor bebouwing buiten de bebouwde kom de omgevingswaarde van het omringend landgebruik, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor de toepassing van het eerste lid, is wat betreft het landgebruik de functie van de locatie zoals vastgelegd in het omgevingsplan bepalend. Als een omgevingsplan onvoldoende duidelijkheid verschaft, dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen University &amp; Research.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.10(termijn en aard omgevingswaarde kans op overstroming regionale wateren) 1.Aan de omgevingswaarden wordt voldaan met ingang van 1 januari 2028.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid geldt voor het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en het Waterschap Rivierenland de termijn waarop moet worden voldaan aan de omgevingswaarden, opgenomen in bijlage VI, onder B2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9, zijn inspanningsverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5.11(uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden kans op overstroming regionale wateren) 1. Voor zover het waterschapsbestuur voor een gebied binnen een peilgebied op aanvraag een peil toestaat dat afwijkt van het peil vastgesteld in een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de Omgevingswet, geldt een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 5.8 of 5.9 niet voor het gebied met het afwijkende peil.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In overige gevallen, waarin het niet doelmatig is om aan de omgevingswaarden te voldoen, kan het waterschapsbestuur gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken te bepalen dat wordt afgeweken van de in de artikelen 5.8 en 5.9 opgenomen omgevingswaarde.</div>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK6TOEDELING VAN SPECIFIEKE TAKEN</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6.1 Beheer van watersystemen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel6.1(regionale wateren in beheer) In deze verordening is met het beheer van regionale wateren bedoeld: het beheer van watersystemen dat op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet bij provinciale verordening is opgedragen aan waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel6.2(beheer grondwaterkwaliteit Rotterdams havengebied) 1.In afwijking van artikel 6.1 berust het beheer van watersystemen met betrekking tot het grondwaterlichaam gelegen in of onder het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam voor zover dat betrekking heeft op de grondwaterkwaliteit in relatie tot het beheer van historische verontreinigingen in het grondwater, bij het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De geometrische begrenzing van het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling6.2 Beheer van vaarwegen Artikel6.3(vaarwegbeheer provinciale vaarwegen) Het beheer van provinciale vaarwegen, bedoeld in bijlage VII, onder A1, berust bij gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel6.4(toedeling vaarwegbeheer aan anderen) Het beheer van regionale vaarwegen en bruggen en sluizen bedoeld in bijlage VII, onder A2, berust bij het waterschap of een gemeente bedoeld in bijlage VII, onder A2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK7INSTRUCTIEREGELS Afdeling7.1 Uitoefening van een specifieke taak of bevoegdheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-711\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bebording stiltegebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.1(bebording stiltegebieden) 1.Gedeputeerde staten dragen zorg voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van stiltegebieden door het plaatsen van borden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De borden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot stiltegebieden toegang geven of daaraan grenzen, op of nabij de grens van het stiltegebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het model van het bord, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage VIII, onder A1.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanduiding van een stiltegebied als bedoeld in het eerste lid, kan in aanvulling op de bebording, bedoeld in het derde lid, ook plaatsvinden op een andere wijze die in bijlage VIII, onder A2 is aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-712\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bebording grondwaterbeschermingsgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.2(bebording grondwaterbeschermingsgebieden) 1.Het drinkwaterbedrijf draagt zorg voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van in ieder geval waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones door het plaatsten borden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het drinkwaterbedrijf kan ook zorg dragen voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van boringsvrije zones en gebieden voor aanvullende strategische voorraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De borden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot waterwingebieden of grondwaterbeschermingszones toegang geven of daaraan grenzen, op of nabij de grens van die gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het model van het bord, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage VIII, onder B1.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In afwijking van het tweede lid, vindt voor gevallen aangegeven in bijlage VIII, onder B2 de aanduiding van boringsvrije zones en gebieden voor aanvullende strategische voorraden plaats op de daarbij aangegeven wijze van aanduiding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-713\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beheer van watersystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.3(maatregelen bij (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen) 1.Als het waterschapsbestuur naar aanleiding van de monitoring van de omgevingswaarde veiligheid van de regionale waterkeringen, bedoeld in paragraaf 13.1, vaststelt dat het aannemelijk is dat voor een regionale waterkering niet wordt voldaan of niet zal worden voldaan aan de omgevingswaarde neemt het waterschapsbestuur de nodige maatregelen, al dan niet als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Omgevingswet, ter verbetering van de regionale waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij het verbeteren van een regionale waterkering strekt de methode bedoeld artikel 13.1, eerste lid, onder a, tot aanbeveling van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd artikel 5.5 zijn de verbetermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, er op gericht te bevorderen dat de regionale waterkering binnen een zo kort mogelijke periode aan de daarvoor geldende omgevingswaarde voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Zonodig treft het waterschapsbestuur de nodige voorzorgs- of andere beschermende maatregelen, anders dan als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Omgevingswet, om de risico’s die verband houden met de (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde voor die regionale waterkering te beheersen gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.4(legger) 1.De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, bevat, in aanvulling op het eerste en derde lid van dat artikel, in ieder geval: het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen; de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer bij het waterschap; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering in beheer bij het waterschap; een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden die in beheer zijn bij het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan het eerste lid, onder d, is voldaan met ingang van het tijdstip opgenomen in bijlage VIII, onder C1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op bergingsgebieden in beheer bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, het Waterschap Rivierenland of het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is niet van toepassing: het bepaalde in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet, voor zover het de vorm en constructie betreft; en het bepaalde in het eerste lid, aanhef, onder b en d.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op secundaire wateren in beheer bij het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is het eerste lid, aanhef en onder b, niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.5(aanwijzing regionale wateren peilbesluit) 1.Het waterschapsbestuur stelt één of meer peilbesluiten als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Peilbesluiten moeten actueel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.6(rangorde van waterschaarste regionale wateren) 1.Dit artikel geldt alleen voor Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: het verwerken van industrieel proceswater; de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: de waterkwaliteit in stedelijk gebied; beroepsvaart; akkerbouw; beregening sportvelden; grasland; recreatievaart; natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het tweede en derde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.7(regionaal waterprogramma) Het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam neemt bij de uitoefening van het beheer van de grondwaterkwaliteit in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, het regionaal waterprogramma en het waterbeheerprogramma in acht voor zover dat uitvoering geeft aan de Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-714\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vaarwegbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.8(vaarwegprofielen) Voor het deel van de provinciale vaarwegen, bedoeld in artikel 2.4, en regionale vaarwegen als bedoeld in artikel 2.5, dat vrij beschikbaar is voor de afwikkeling van scheepvaartverkeer draagt de beheerder van de vaarweg zorg voor de gewenste noodzakelijke minimale breedte, diepte en vrije doorvaarthoogte van de dwarsdoorsnede, bedoeld in bijlage VIII, onder D1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-715\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Wegbeheer door gemeente of waterschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.9(samenwerking met andere wegbeheerders) 1.De aansluiting van een openbare weg in beheer bij een gemeente of een waterschap op een provinciale weg, vereist de voorafgaande toestemming van gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De toestemming kan worden onthouden wegens strijd met de in artikel 1.4 bedoelde belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De toestemming kan afhankelijk worden gesteld van medewerking aan de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wegenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op het niet tijdig beslissen op de aanvraag om het geven van toestemming als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7.2 Programma's</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-721\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Waterbeheerprogramma</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.10(inhoud waterbeheerprogramma) 1.Het waterbeheerprogramma, bedoeld in artikel 3.7 van de Omgevingswet, bevat in aanvulling op artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenminste: een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; een beschrijving van het beheer van het watersysteem gericht op de daaraan toegekende functies en doelstellingen; een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren of de geconstateerde knelpunten op te lossen; een raming van de kosten van de gedurende de programmaperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de programmaperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de vaststelling van het waterbeheerprogramma betrekt de waterbeheerder in ieder geval: de aan het programma ten grondslag liggende afwegingen en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken; een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder c; een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming als bedoeld in artikel 5.6 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.10a (gevaarlijke stoffen) Bij het vaststellen van maatregelen ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn in een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 4.3, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de verontreinigende stoffen genoemd in Bijlage III, onder Aa, als gevaarlijk beschouwd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de grondwaterrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.11(omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen) Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.12(omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming) Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7.3 Omgevingsplannen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-731\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.13(toepassingsbereik) Deze afdeling is van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.14(aanpassingstermijn omgevingsplan) 1.Op het moment dat een omgevingsplan of een onderdeel wordt vastgesteld en uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van een bepaling in afdeling 7.3 voldoet een omgevingsplan of onderdeel aan die bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing, voor zover bij een bepaling in afdeling 7.3 een andere termijn is genoemd, waarop het omgevingsplan aan die bepaling moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op artikel 7.43 en artikel 7.3.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.15(eerbiedigende werking) 1.Bij de vaststelling van een onderdeel van een omgevingsplan kan een bepaling in afdeling 7.3, buiten toepassing blijven voor zover deze betrekking heeft op een locatie waar: een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegelaten in het omgevingsplan en rechtmatig wordt verricht; een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegestaan op grond van een onherroepelijk verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of een activiteit die in strijd is met die bepaling en is toegelaten in het omgevingsplan, niet wordt verricht en waarvoor geldt dat onverkorte toepassing van die bepaling onevenredig zou zijn met het oog op zwaarwegende belangen van toelaten van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 7.62.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-732\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Externe veiligheid (omgevingsveiligheid)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7321\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Risicogebieden externe veiligheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.16(opname risicogebieden externe veiligheid) De locaties risicogebied externe veiligheid Botlek-Vondelingenplaat, risicogebied externe veiligheid Europoort en Landtong, risicogebied externe veiligheid Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2, risicogebied externe veiligheid Zeehavens Dordrecht, risicogebied externe veiligheid Eemhaven en Distripark Albrandswaard en risicogebied externe veiligheid Waalhaven, waarvan de geometrische begrenzing in bijlage II is vastgelegd, worden als risicogebieden externe veiligheid opgenomen in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.17(waarborgen ruimte risicogebieden externe veiligheid) Bij het al dan niet toewijzen van een reservering van ruimte voor een aandachtsgebied in het omgevingsplan rond de risicogebieden externe veiligheid, genoemd in artikel 7.16, wordt de ruimte van activiteiten waarvoor het risicogebied externe veiligheid is gereserveerd in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7322\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Groepsrisicobenadering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.18(groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) 1.In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan: mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied; alternatieven met een lager groepsrisico; waardering van al bestaande bescherming, waaronder: in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen; andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden; mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder: binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron; aanvullende risicocommunicatie; beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied; treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving; aanvullende bouwmaatregelen; mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen; door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid; de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, zijn betrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7323\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.19(aanwijzing en geometrische begrenzing veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas) De veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas zijn de locaties binnen 25 meter van de rijksvaarwegen Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.20(waarborgen veiligheid oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas) 1.Een omgevingsplan voor locaties binnen veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas laat nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten alleen toe als voor de effecten van een plasbrand vergelijkbare veiligheid wordt gegarandeerd als buiten de veiligheidszone en hierover advies is gevraagd van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op: havengebonden nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten binnen de uitzondering veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas risicogebieden externe veiligheid, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg en de haven; incidentele kleinschalige voorzieningen voor dagrecreatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7324\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-Basisnet transportroutes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes) De niet-Basisnet transportroutes zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico) 1. Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aan het tweede lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan, in aanvulling op § 7.3.2.2: binnen een effectgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; de locaties waar beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties worden toegelaten, in ieder geval waarborgt: dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties tegen de effecten van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen op de transportroute; of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. dat de onderbouwing van het groepsrisico in het effectgebied berust op een advies van de veiligheidsregio met betrekking tot maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid om de veiligheid van bestaande en te ontwikkelen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties te optimaliseren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-733a\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.3a</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendijks bouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Artikel7.23(aanwijzing en geometrische begrenzing buitendijks gebied) [vervallen] Artikel7.24(bouwen binnen het buitendijks gebied) [vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-734\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Waterkeringen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.25(geen belemmeringen voor regionale waterkeringen) 1.In het omgevingsplan worden aan de regionale waterkeringen, bedoeld in artikel 2.13, de functie “regionale waterkering” toebedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het omgevingsplan worden aan locaties van beperkingengebieden ter bescherming van regionale waterkeringen in beheer bij het waterschap, de functie “beperkingengebied met betrekking tot een waterkering” toebedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, en de bij waterschapsverordening aangewezen en geometrisch begrensde beperkingengebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een regionale waterkering of een beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering als bedoeld in het eerste en het tweede lid wordt bij het toelaten van activiteiten of ruimtelijke ontwikkelingen in het omgevingsplan gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of versterking van de regionale waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.26(profiel van vrije ruimte) Het omgevingsplan neemt een in een waterschapsverordening vastgesteld profiel van vrije ruimte ten behoeve van een toekomstige versterking of uitbreiding van een waterkering in beheer bij het waterschap, in acht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-735\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Grondwaterkwaliteit</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7351\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.27(toepassingsbereik) 1.Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw, zijnde: een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw op een locatie in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.28(definitie grondwatergevoelige locatie) Als grondwatergevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving; de locatie waarop een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder b, is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, onder b, grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, voor zover de tuin of het terrein daarmee samenhang heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.29(voorafgaand onderzoek) 1.Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.30(verontreiniging van grondwater) Onder verontreiniging van grondwater wordt verstaan een overschrijding van: de voorkeurswaarde in bijlage III, onder Aa1, voor zover de verontreiniging in staat is een grondwaterafhankelijk natuurgebied als bedoeld in artikel 2.13 of een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden; of de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering in bijlage III, onder Aa1 voor overige gebieden of locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.31(risicobeoordeling grondwaterkwaliteit) 1.Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 alleen is toegelaten als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 is verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: zich niet (langer) bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld in artikel 7.29, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; of zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: het gevolg is van een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141d of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.32(sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging) 1.Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.132 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c. een grondwatersanering overeenkomstig de regels in paragraaf 3.4.3 als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.1134 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.33(omgevingsvergunning bouwen op een grondwatergevoelige locatie) 1.Als in een omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die er toe strekken dat de omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsplan bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29 tweede lid; als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a wordt verricht; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.34(melding bouwactiviteit) 1.Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; de dagtekening; en het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29, tweede lid; als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a, wordt verricht; als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.35(ingebruikname na maatregelen bij een significante grondwaterverontreiniging) Een omgevingsplan bepaalt dat bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7352\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.36(toepassingsbereik) 1.Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze paragraaf is niet van toepassing op het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.37(saneringsaanpak: niet afdekken tenzij) 1.Een omgevingsplan bepaalt dat het saneren van de bodem in verband met een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, niet wordt uitgevoerd met de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsplan kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat de saneringsaanpak afdekken is toegestaan als: de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.38(afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift andere saneringsaanpak: vermindering of voorkomen van inbreng) Het omgevingsplan bepaalt dat een maatwerkvoorschrift waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt toegestaan, alleen kan worden gesteld als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39(gegevens en bescheiden: voor het begin van de bronaanpak) Het omgevingsplan bepaalt dat bij het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van de voor het begin van de activiteit verstrekte gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39a(gegevens en bescheiden: bij beëindiging van de bronaanpak) Het omgevingsplan bepaalt dat na het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan gedeputeerde staten wordt verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7353\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Lozen op of in de bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39b(verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater) 1.Een omgevingsplan bepaalt dat het lozen op of in de bodem verboden is als daarbij verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is of op grond van de waterschapsverordening regels zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39c(afbakening mogelijkheid maatwerk) Het omgevingsplan bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift van het verbod, bedoeld in artikel 7.39b, eerste lid, alleen kan worden afgeweken als de lozing voldoet aan de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de kaderrichtlijn water, op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39d(lozen van grondwater op of in de bodem) 1.Dit artikel is van toepassing op het op of in de bodem lozen van grondwater afkomstig van een: een bodemsanering of grondwatersanering; een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, dan wel ten minste vier weken voor dat de activiteit wijzigt, gegevens en bescheiden worden verstrekt over: de aard en omvang van de lozing; en de verwachte datum van het begin van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid, bepaalt het omgevingsplan dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem afkomstig van het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt als: het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of het lozen plaatsvindt bij wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem, bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden zijn: de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster; of de concentraties waaronder gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van grondwater is uit te sluiten als het gaat om de verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die niet in bijlage XIX, onder A, van dat besluit zijn aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7354\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39e(toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755 is verricht, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39f(grondwater: mitigerende maatregelen) Een omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.39e verricht, in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7355\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.39g(beoordelingsregels milieubelastende activiteit gevolgen voor watersystemen) 1.Een omgevingsplan bepaalt dat een omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die gevolgen kan hebben voor watersystemen, alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het omgevingsplan bepaalt dat bij de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-736\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">LiB-5 contour Schiphol</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.40(aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden binnen LiB-5 contour Schiphol) 1.Het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het gebied binnen de bebouwingscontour van de streekplannen uit 2003 binnen LiB-5 contour Schiphol, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.41(LiB-5 contour Schiphol) 1.Een omgevingsplan voor het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol laat nieuwe woningen alleen toe binnen het bestaand stads- en dorpsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan in onderstaande gevallen voorzien in nieuwe woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied als het betreft: woningbouw binnen het gebied binnen bebouwingscontour van de streekplannen uit 2003 binnen de LiB-5 contour Schiphol; de toevoeging van ten hoogste enkele woningen in aanwezige lintbebouwing; de toevoeging van greenportwoningen en compensatiewoningen; de toevoeging van ten hoogste enkele woningen volgens het principe ruimte voor ruimte, waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door de sloop van overtollige bebouwing en kassen; het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoningen; of bedrijfswoningen, voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor zover een omgevingsplan nieuwe woningen toelaat in het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol, wordt in de motivering rekenschap gegeven van het feit dat op deze locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de deze locatie nieuwe woningen toe te laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-736a\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.6a</span><span class=\"lf-art-t\">Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.41a (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: de risico’s van klimaatverandering; de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; het versterken van de biodiversiteit; en het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.41b (risico’s van klimaatverandering) 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-737\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Ruimtelijke kwaliteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.42(aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën) 1.Gebieden met beschermingscategorie 1 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gebieden met beschermingscategorie 2 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gebieden met beschermingscategorie 3 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het gebied met beschermingscategorie 1, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de gebiedstypen natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, en kroonjuweel cultureel erfgoed en beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het gebied met beschermingscategorie 3, bedoeld in het derde lid, bestaat uit het gebiedstype buitengebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43(definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43a(borgen ruimtelijke kwaliteit) 1.Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: de beschermingscategorie en het gebiedstype; het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43b(aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie) 1.Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43l, 7.43m of 7.43n.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43c(randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1.Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43d(motivering locatiekeuze bij aanpassen en transformeren) 1.Voor zover een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat deze een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van de locatie en de effecten van de ontwikkeling daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is alleen van toepassing als: er sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen of transformeren; of één of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in bijlage IX, onder A, in het geding zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43e(randvoorwaarden bij aanpassen en transformeren) Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij een ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; wegnemen van verharding; toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij: aanvullende maatregelen worden getroffen binnen de locatie van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten de locatie worden betrokken in de motivering; als aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43f(uitzonderingen transformaties) Transformatie is mogelijk in beschermingscategorieën 1 en 2, als bedoeld in artikel 7.42, eerste en tweede lid, voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46. De voorwaarden, bedoeld in 7.43c, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43g(compensatie weidevogelgebieden of karakteristieke landschapselementen) Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.43a, een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten over de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43h(gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied) 1.Een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43i(gebiedstype: beschermingscategorie 2 recreatiegebied) Een omgevingsplan voor een recreatiegebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 7.43e, voor zover: de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied; de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren; de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43j(gebiedstype: beschermingscategorie 2 belangrijk weidevogelgebied) 1.Een omgevingsplan voor een belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen, bedoeld artikel 7.43e, geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor; de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43k(gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers) 1.Een omgevingsplan voor locaties binnen Groene Buffers als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43l(gebiedstype: beschermingscategorie 1 natuurnetwerk Nederland) Een omgevingsplan voor een locatie binnen natuurnetwerk Nederland als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling niet in strijd is met de regels in paragraaf 7.3.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43m(gebiedstype: beschermingscategorie 1 graslanden bollenstreek) 1.Een omgevingsplan voor locaties binnen beschermde graslanden in de Bollenstreek als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de ruimtelijke kwaliteit van de graslanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: het open en structurerende karakter van de graslanden; het ecologische belang en de kwetsbaarheid van de graslanden; het belang van de graslanden voor weidevogels; de historische context van de graslanden als strandvlakten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.43n(gebiedstype: beschermingscategorie 1 kroonjuwelen cultureel erfgoed) 1.Een omgevingsplan voor locaties binnen kroonjuwelen cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde heeft voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de herkenbaarheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed; de historische context van het kroonjuweel cultureel erfgoed; de uniciteit van het kroonjuweel cultureel erfgoed; de kwetsbaarheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed; de gaafheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed; de samenhang van de kwaliteiten van het cultureel erfgoed; de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel, als bedoeld in bijlage IX, onder A.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-738\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Stedelijke ontwikkelingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.44(afgestemde regionale behoefte) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt, houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45(ladder voor duurzame verstedelijking) 1.Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45a(voldoende sociale huurwoningen) [vervallen] Artikel7.45b(dichtheid en verscheidenheid woningbouw) 1.Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45c(bereikbaarheid) Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45ca (kansen voor biodiversiteit) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45d(aanwijzing en geometrische begrenzing stationsomgevingen) Stationsomgevingen zijn locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45e(parkeernorm stationsomgevingen) 1.Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving als bedoeld in artikel 7.45d, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45f(parkeernorm sociale huur) 1.Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45g(permanente bewoning recreatiewoningen) Een omgevingsplan voor een verblijfsrecreatiepark met een omvang van 12 of meer recreatiewoningen, sluit permanente bewoning of functiewijziging naar wonen uit, met uitzondering van de verblijfsrecreatieparken die zijn opgenomen in bijlage IX, onder Aa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik) Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.45i (huisvesting arbeidsmigranten) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in de tijdelijke of permanente huisvesting van arbeidsmigranten houdt rekening met ten minste de normenset voor huisvesting van arbeidsmigranten van het register van de Stichting Normering Flexwonen of een eventuele opvolger daarvan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een omgevingsplan dat voorziet in tijdelijke of permanente huisvesting van arbeidsmigranten betrekt bij het toelaten daarvan de Wet goed verhuurderschap met het oogmerk om misstanden en uitbuiting ten aanzien van de woonsituatie van arbeidsmigranten te voorkomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een omgevingsplan dat nieuwe bedrijfsmatige activiteiten toelaat die naar verwachting zullen leiden tot een aanzienlijke toename van de werkgelegenheid, brengt de extra huisvestingsbehoefte van werknemers in beeld en op welke wijze hierin zal worden voorzien.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.46(aanwijzing en geometrische begrenzing grote buitenstedelijke bouwlocaties) Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn de locaties benoemd in bijlage IX, onder B, en waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.47(grote buitenstedelijke bouwlocaties) Een omgevingsplan voorziet alleen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling groter dan 3 hectare die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien op een grote buitenstedelijke bouwlocatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-738a\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.8a</span><span class=\"lf-art-t\">Wonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.47a (voldoende sociale huurwoningen) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op: welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente; het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel; en het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als over het aandeel sociale huurwoningen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering, bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.47b (voldoende betaalbare woningbouw) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als over het aandeel betaalbare woningbouw regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.47c (overgangsrecht)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7.3.8a is niet van toepassing als:</h3>\n<p class=\"lf-p\">een omgevingsplan in ontwerp is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze paragraaf; of ten behoeve van de nieuwe stedelijke ontwikkeling een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.13 van de Omgevingswet is aangegaan vóór 14 maart 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-739\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Detailhandel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.48(detailhandel) 1.Een omgevingsplan voorziet alleen in detailhandel in gebieden: binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: de ontwikkeling is in overeenstemming met het in bijlage IX, onder C, beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te consolideren centra, te herpositioneren centra, te optimaliseren centra en de overige centra; aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat; voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de andere centra, is ook met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.49(uitzonderingen detailhandel) 1.In afwijking van artikel 7.48 kan een omgevingsplan voorzien in de volgende detailhandel: detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; detailhandel in volumineuze goederen; meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, evenals detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II; tuincentra; bouwmarkten; kleinschalige detailhandel: in de vorm van een gemakswinkel; bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, evenals andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; ondergeschikte detailhandel: in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdactiviteit; bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt; afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; kringloopwinkels; supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het omgevingsplan kan toevoeging of uitbreiding van detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a en f, alleen mogelijk maken als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Ook met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het eerste lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het eerste lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten: ten hoogste 20% van het netto-verkoopvloeroppervlakte met een maximum van 500 m2 wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7310\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Kantoren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.50(aanwijzing en geometrische begrenzing kantorengebieden) 1.Kantorengebieden categorie 1 zijn de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Kantorengebieden categorie 2 zijn de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Kantorengebieden categorie 3 zijn de bijzondere locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.51(kantoren) 1.Een omgevingsplan kan voorzien in kantoren op een locatie: binnen de kantorengebieden categorie 1; binnen de kantorengebieden categorie 2, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op die locatie; binnen de kantorengebieden categorie 3, mits passend in het profiel van deze locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op: kantoren die in overeenstemming zijn met de regionale behoefte aan kantoren waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten heeft ingestemd; kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto-vloeroppervlakte van 1.000 m² per vestiging, voor zover geen cluster van meer dan vijf kantoren ontstaat; gemeentehuizen en -kantoren; bedrijfsgebonden kantoren met een bruto-vloeroppervlakte dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto-vloeroppervlakte van het bedrijf; en functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7311\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.51a(begripsbepalingen) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: bedrijventerrein: locaties in een omgevingsplan waaraan de functie bedrijf of bedrijventerrein is toegedeeld en activiteiten kunnen worden verricht als: handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie, met uitzondering van locaties waaraan exclusief functies zijn toegedeeld voor: kantoren, detailhandel, maatschappelijke doeleinden of jachthavens, horeca, logies en overige leisure, met een bruto omvang van meer dan 1 hectare, uitgezonderd solitaire bedrijven, niet zijnde een betoncentrale, asfaltcentrale of puinbreker, buiten bestaand stads- en dorpsgebied; watergebonden bedrijventerrein: bedrijventerrein of deel daarvan dat aan vaarwater ligt met een vaarklasse van II of hoger met een: haven, kade, drijvende laad- en losinstallatie of scheepshelling of -dok, beperkt tot de aan de laad- en losvoorziening liggende kavel; compensatie van feitelijk gebruik bedrijventerrein: compensatie van de manier waarop het kavel op dat moment wordt gebruikt, waarbij met name wordt gekeken naar een in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid of geur, of milieucategorie, watergebondenheid en vierkante meter bruto vloeroppervlak, hetgeen kan afwijken van de toegedeelde functie in het omgevingsplan; compensatie van toegedeelde functies bedrijventerrein: compensatie van dat wat mogelijk is in het een omgevingsplan, waarbij het gaat om de oppervlakte in hectares en de in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid of geur of milieucategorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.51b(aanwijzing en geometrische begrenzing (watergebonden) bedrijventerreinen en grote ruimtevragers) 1.Bedrijventerreinen zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Watergebonden bedrijventerreinen zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Clusters voor grote ruimtevragers zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Bedrijventerreinen, niet te transformeren, zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.51c(toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een locatie van een bedrijventerrein of een watergebonden bedrijventerrein voor zover is voldaan aan de begripsbepaling voor bedrijventerrein of watergebonden bedrijventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.52(bedrijven) 1.Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 7.51c laat bedrijven toe met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, vastgelegd in een hoogst mogelijke geluidruimte zone en geurruimte zone of vergelijkbare milieuzonering, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan of ontwikkelingen als bedoeld in artikel 7.47.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Voor zover het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein waar ruimte kan worden geboden aan bedrijven die passen binnen geluidruimte zone 2 of geurruimte zone 2 of milieucategorie 3, wordt het toelaten van bedrijven uitgesloten die passen in geluidruimte zone 1 en geurruimte zone 1 of milieucategorie 1 en 2.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het tweede lid kunnen bedrijven die passen in geluidruimtezone 1 en geurruimte zone 1 of milieucategorie 1 en 2, worden toegelaten als dat nodig is voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein als bedoeld in artikel 7.51c laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het vierde lid en dat gehele of gedeeltelijke wijziging naar andere activiteiten dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de motivering op welke wijze binnen de regio compensatie van de toegedeelde functies van bedrijventerrein zal plaatsvinden of al heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Compensatie van bedrijventerreinen als bedoeld in het zesde lid is nodig bij: een bedrijventerrein met een in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur van een geluidruimtezone 2 en een geurruimte zone 2, of milieucategorie 3, en een oppervlakte van meer dan 1 hectare; een bedrijventerrein met de hoogst mogelijke in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur, of milieucategorie 4 of hoger; een geluidgezoneerd bedrijventerrein; en een watergebonden bedrijventerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Het zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur, of de verlaging van de milieucategorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Compensatie als bedoeld in het zesde en zevende lid, kan achterwege blijven, als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven. Hierbij wordt rekening gehouden met zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Compensatie van het feitelijke gebruik en vierkante meters voor vierkante meters is mogelijk, mits het gaat om locaties die zijn opgenomen in een regionale bedrijventerreinenvisie die de instemming heeft van gedeputeerde staten en wordt voldaan aan de in die visie vastgelegde evenwichtige balans in vraag en aanbod.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>In afwijking van het zesde tot en met tiende lid zijn nieuwe woningen of transformatie naar woningbouw uitgesloten op bedrijventerreinen die zijn aangewezen als ‘bedrijventerrein, niet te transformeren’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.52a(grote ruimtevragers) 1.Een omgevingsplan laat grote ruimtevragers alleen toe op clusters voor grote ruimtevragers als bedoeld in artikel 7.51a, derde lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een grote ruimtevrager toelaten op een locatie buiten een cluster voor grote ruimtevragers, als die locatie met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geschikter is. Bij de locatiekeuze wordt in ieder geval rekening gehouden met ruimtelijke kwaliteit en efficiënt gebruik van de bestaande infrastructuur, energie, water en ruimte.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsplan dat grote ruimtevragers toelaat houdt rekening met ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheidseffecten, duurzaamheid en de economische en maatschappelijke toegevoegde waarde van de ontwikkeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7312\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Glastuinbouwgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.53(aanwijzing en geometrische begrenzing glastuinbouwgebied) 1.Het glastuinbouwgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het glastuinbouwgebied Westland-Oostland is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het glastuinbouwgebied Glasparel en Knibbelweg Oost is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het glastuinbouwgebied Tinte is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het maatwerkgebied glastuinbouw is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.54(glastuinbouwgebied) 1.Een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied als bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, evenals de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het omgevingsplan kan de begrenzing van de locaties, bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, in beperkte mate worden aangepast aansluitend aan de randen van het glastuinbouwgebied, alsmede langs de linten waar reeds afwijkende functies aanwezig zijn, rekening houdend met de lokale omstandigheden en bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang van de locaties en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten toelaten voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de huisvestingslocatie als: er geen herstructureringsplannen aanwezig zijn; en de glastuinbouwfunctie wordt hersteld, als binnen 15 jaar blijkens een herstructureringsplan voor de locatie het teeltareaal weer in gebruik zal worden genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In aanvulling op het derde en vierde lid, houdt het omgevingsplan voor de huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten rekening met de volgende voorwaarden: er is sprake van een goed woon- en leefklimaat; de huisvesting is zo mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg; de locatie is goed ontsloten vanaf de openbare weg; en de locatie ligt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Westland-Oostland, bij uitzondering een bedrijf toelaten dat behoort tot de keten glastuinbouw en dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten, voor zover aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Glasparel en Knibbelweg Oost, ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de keten glastuinbouw voor zover de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt met toepassing van efficiënt en meervoudig grondgebruik door een combinatie met glastuinbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Tinte, voortzetting van het huidige gemengde agrarische grondgebruik mogelijk maken in een deel van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het maatwerkgebied glastuinbouw, transformatie naar andere functies mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Een omgevingsplan dat voorziet in het toevoegen of uitbreiden van glastuinbouw met een oppervlakte van ten minste vijf hectare aan aaneengesloten percelen, bevat in de motivering een verantwoording waarin de behoefte aan het gebruik van nieuwe locaties voor glastuinbouw als gevolg van de vervangings- en uitbreidingsvraag wordt onderbouwd. Ook wordt onderbouwd waarom in deze behoefte niet kan worden voorzien door herstructurering of intensivering van elders in de betrokken regio gelegen bestaande glastuinbouwgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan als de behoefte aan het gebruik van nieuwe locaties voor glastuinbouw nog niet is aangetoond, zoals bedoeld in het achtste lid, voortzetting van het huidige grondgebruik mogelijk maken totdat er alsnog behoefte ontstaat aan ontwikkeling voor glastuinbouw. De mogelijkheden voor ontwikkeling voor glastuinbouw mogen daarbij niet significant worden beperkt, tenzij het een ontwikkeling betreft die past binnen het huidige agrarische grondgebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7313\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Boom- en sierteeltgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.55(aanwijzing en geometrische begrenzing boomsierteeltgebied) 1.Het boom- en sierteeltgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein is de locatie voor boom- en sierteelt pot- en containerteelt, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het boom- en sierteeltgebied - maatwerk is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.56(boom- en sierteeltgebied) 1.Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied en boom- en sierteeltgebied PCT-terrein, bedoeld in artikel 7.55, eerste en tweede lid, laat alleen bedrijven toe die zich bezighouden met boom- en sierteelt en de daarbij behorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in artikel 7.55, eerste lid, kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot 70 procent van de beteelbare oppervlakte per bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven, tot de helft van de beteelbare oppervlakte per bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein kan naast de vestiging van boom- en sierteeltbedrijven in beperkte mate voorzien in de vestiging van bedrijven en andere functies die een directe binding hebben met de boom- en sierteelt en noodzakelijk zijn voor het functioneren van de boom- en sierteelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.In afwijking van het eerste lid, kan het omgevingsplan beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>In het omgevingsplan kan de begrenzing van het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten toelaten voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de huisvestingslocatie als: er geen herstructureringsplannen aanwezig zijn; en de boom- en sierteeltfunctie daarna wordt hersteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>In aanvulling op het zevende en achtste, houdt het omgevingsplan voor de huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten rekening met de volgende voorwaarden: er is sprake van een goed woon- en leefklimaat; de huisvesting is zo mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg; de locatie is goed ontsloten vanaf de openbare weg; en de locatie ligt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de boom- en sierteelt voor zover het een locatie betreft met boom- en sierteeltgebied - maatwerk, bedoeld in artikel 7.55, derde lid.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7314\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.14</span><span class=\"lf-art-t\">Bollenteeltgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.57(aanwijzing en geometrische begrenzing bollenteeltgebied) 1.Het bollenteeltgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het compensatiegebied bollenteelt is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.58(bollenteeltgebied) 1.Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, evenals de daarbij behorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan voorzien in kassen: bij een volwaardig bollenteeltbedrijf tot ten hoogste 3.000 m2 per bedrijf; bij een bestaand volwaardig gemengd bollenteelt- en glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf; bij een bestaand volwaardig stekbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid, onder a, kan het omgevingsplan voorzien in kassen tot meer dan 3.000 m2 bij een volwaardig bollenteeltbedrijf, mits: tegenover de uitbreiding van de bestaande kassen in gelijke mate de duurzame sanering staat van kassen elders binnen het bollenteeltgebied; de ruimtelijke kwaliteit binnen het bollenteeltgebied per saldo wordt verbeterd; en de te saneren kassen zijn opgericht voor 1 januari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in greenportwoningen en compensatiewoningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in uitbreiding van bestaande handels- en exportbedrijven op locaties binnen het bollenteeltgebied, mits: dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering; verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële mogelijkheid is; en de ruimtelijke kwaliteit niet significant wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.In afwijking van het eerste lid, kan het omgevingsplan beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten toelaten voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de huisvestingslocatie als: er geen herstructureringsplannen aanwezig zijn; en de bollenteeltfunctie daarna wordt hersteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>In aanvulling op het zevende en achtste lid, houdt het omgevingsplan voor de huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten rekening met de volgende voorwaarden: er is sprake van een goed woon- en leefklimaat; de huisvesting is zo mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg; de locatie is goed ontsloten vanaf de openbare weg; en de locatie ligt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen.</div>\n<p class=\"lf-p\">10.Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat in een gebied dat in het voorgaande omgevingsplan is aangewezen voor bollenteelt, voorziet in compensatie van bollenteeltgebied door een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Voor zover ten behoeve van de compensatie van bollenteeltgebied, bedoeld in het vorige lid graslanden worden gebruikt, dan wordt daarvoor het compensatiegebied bollenteelt gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7315\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.15</span><span class=\"lf-art-t\">Agrarische bedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.59(agrarische bedrijven) 1.Een omgevingsplan voor agrarisch gebied neemt de volgende voorwaarden in acht: agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare; in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd; het toevoegen of uitbreiden van agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven; bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten; kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 7.54, 7.56 en 7.58, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlakte van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlakte van 300 m2 per bedrijf; toevoegen of uitbreiden van boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 7.56, wordt uitgesloten; het vestigen of uitbreiden van intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten; verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten; uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare; uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang; het vestigen of uitbreiden van geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid, onder e, kan een omgevingsplan voorzien in een oppervlakte van meer dan 2 hectare kassen bij een bestaand volwaardig glastuinbouwbedrijf en meer dan 300 m2 kassen bij een volwaardig boom- en sierteeltbedrijf, mits: tegenover de uitbreiding van de bestaande oppervlakte van de kassen staat: in gelijke mate duurzame sanering van bestaande kassen elders buiten het glastuinbouwgebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; of een combinatie van ten minste 50% duurzame sanering van bestaande kassen en ruimtelijke maatregelen als bedoeld in artikel 6.9, derde lid; de ruimtelijke kwaliteit in beide gebieden per saldo wordt verbeterd; de uitbreidingslocatie niet is gelegen binnen een gebied met beschermingscategorie 1 of 2, als bedoeld in artikel 7.42; de kassen op de saneringslocatie zijn opgericht voor 1 januari 2014; gebleken is dat verplaatsing van het uit te breiden bedrijf naar een glastuinbouwgebied als bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, geen reële mogelijkheid is; en de belangen van andere functies in de omgeving van de uitbreidingslocatie niet in onevenredige mate worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een omgevingsplan voor agrarisch gebied kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt: het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare; de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7316\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.16</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurnetwerk Nederland</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.60(wezenlijke kenmerken en waarden) 1.De wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden aangewezen als natuurnetwerk Nederland zijn de wezenlijke kenmerken en waarden in bijlage IX, onder D en voor Natura 2000-gebieden de kenmerken en waarden die voor deze gebieden zijn omschreven in een beheerplan als bedoeld in artikel 3.8, derde lid en artikel 3.9, derde lid, van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor een Natura 2000-gebied behoren in ieder geval tot de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied, de in het aanwijzingsbesluit beschreven kenmerken en waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.61(activiteiten met mogelijk (significante) nadelige gevolgen) Een omgevingsplan voor het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, laat daarbinnen geen activiteiten toe die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperken, of die leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.62(ontwikkelen prioritaire nieuwe natuur) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op prioritaire nieuwe natuur, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onder b, bevat het omgevingsplan alleen functies die de natuurfunctie rechtstreeks mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.63(ontwikkelen Buijtenland van Rhoon) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op Buijtenland van Rhoon, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onder c, bevat het omgevingsplan regels die hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie mogelijk maken met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid, voor zover deze bijdraagt aan hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie en met behoud van landschappelijke elementen en cultureel erfgoed, en ook leidingen voor telecommunicatie of het transport van gassen, vloeistoffen of elektriciteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7317\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.17</span><span class=\"lf-art-t\">Werelderfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.64(aanwijzing en geometrische begrenzing van werelderfgoed) 1.Werelderfgoed Hollandse Waterlinies is de locatie bekend als de vroegere verdedigingslinies van Holland en bestaat onder andere uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie, die van Muiden naar Woudrichem loopt en eindigt bij Werkendam en die is gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant, bedoeld in artikel 7.3, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en waarvan de geometrische begrenzing van het Zuid-Hollandse deel is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes, onderverdeeld in Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes Kernzone 1, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes Kernzone 2 en Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes Bufferzone, is de locatie bekend als een serie van archeologische monumenten van de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot in Remagen over de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland en de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts als bedoeld in artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en waarvan de geometrische begrenzing van het Zuid-Hollandse deel is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.65(kernkwaliteiten werelderfgoed) In aanvulling op artikel 7.4, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn kernkwaliteiten van de werelderfgoederen Nieuwe Hollandse Waterlinie en Neder-Germaanse Limes de in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed in bijlage IX, onder E, beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.66(geen aantasting kernkwaliteiten werelderfgoederen) Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op de werelderfgoederen Hollandse Waterlinies of Neder-Germaanse Limes, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die de kernkwaliteiten, bedoeld in artikel 7.65, aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.67(aanwijzing en geometrische begrenzing van gebieden binnen de Neder-Germaanse Limes) 1.Het gebied Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 1, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het gebied Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het gebied Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het gebied Neder-Germaanse Limes verwachtingszone, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.67a(motivering behoud en versterking kernkwaliteiten) Een motivering van een omgevingsplan voor een locatie binnen Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 1, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone en Werelderfgoed Hollandse waterlinies bevat: een beschrijving van de wijze waarop de kernkwaliteiten van het werelderfgoed worden behouden of versterkt; en een beschrijving van de wijze waarop de cultuurhistorische waarde wordt behouden of versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.68(bescherming archeologische waarden binnen de Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2) 1.Een omgevingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2 bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij de grond dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast; het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of de grond al eerder is geroerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.68a (bescherming archeologische waarden binnen de Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone) 1.Een omgevingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij de grond voor een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast; het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of de grond al eerder is geroerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.68bbescherming archeologische waarden binnen de Neder-Germaanse Limes verwachtingszone) 1.Een omgevingsplan voor Neder-Germaanse Limes verwachtingszone bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij activiteiten waarbij de grond voor een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, en de voorwaarde dat gehandeld wordt in overeenstemming met de uitkomsten van dat onderzoek, tenzij: het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of de grond al eerder is geroerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7318\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.18</span><span class=\"lf-art-t\">Archeologie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.69(aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met bekende archeologische waarden) Gebieden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.70(bescherming bekende archeologische waarden) 1.Een omgevingsplan voor een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij de grond voor een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast; het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of de grond al eerder is geroerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, toelaten als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-7319\"><span class=\"lf-art-num\">§ 7.3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Traditionele windmolens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.71(aanwijzing en geometrische begrenzing molenbiotopen) 1.Molenbiotopen zijn de locaties rondom traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bijzondere molenbiotopen zijn de locaties binnen de molenbiotopen van incomplete, heropgebouwde of verplaatste traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel7.72(bescherming molenbiotoop) 1.Een omgevingsplan voor een molenbiotoop als bedoeld artikel 7.71, eerste en tweede lid, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en neemt de volgende waarden in acht: binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen bebouwing of beplanting toegelaten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wieken; binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken;</p></div>", "next": 239862}