{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wegenverkeerswet, de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.8</span><span class=\"lf-art-t\">A Barbecueën</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om te barbecueën in gebieden die door het college zijn aangewezen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Groen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare groenvoorzieningen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is in voor publiek toegankelijke groenvoorzieningen verboden zich te bevinden buiten de wegen als bedoeld in artikel 1.1.9 onder a, paden of andere voor gebruik aangewezen plaatsen zoals lig- of speelweiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als het college in het belang van de instandhouding van een voor publiek toegankelijke groenvoorziening deze of een gedeelte daarvan heeft aangewezen is het verboden zich daarin te bevinden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het is in voor publiek toegankelijke groenvoorzieningen verboden met een voertuig te rijden of een voertuig te laten stilstaan buiten de wegen en paden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het is verboden schade toe te brengen aan voor publiek toegankelijke groenvoorzieningen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Het college kan van de verboden in het eerste, tweede en derde lid ontheffing verlenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding iepziekte</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Als zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkever is de rechthebbende, als hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen een termijn van tien werkdagen: de iepen te vellen; de iepen met inbegrip van het resterende stamdeel direct en ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen of de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te versnipperen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden gevelde niet-ontbaste iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren tenzij het gaat om versnipperd iepenhout.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Doen van natuurlijke behoefte</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden op of aan de weg buiten een urinoir of andere toiletgelegenheid datgene te verrichten waarvoor een toiletgelegenheid is bestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het is verboden een urinoir of andere toiletgelegenheid te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor deze is bestemd.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Dieren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond zich niet van uitwerpselen ontdoet als deze zich op of aan de weg bevindt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid geldt niet: op door het college aangewezen plaatsen of als de eigenaar of houder van een hond ervoor zorgt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De eigenaar of houder van een hond die zich met de hond op of aan de weg bevindt heeft een doeltreffend hulpmiddel bij zich dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Het college stelt de eisen vast waaraan een doeltreffend hulpmiddel voldoet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De eigenaar of houder van een hond die zich met de hond op of aan de weg bevindt, laat dit hulpmiddel op eerste vordering zien aan een toezichthouder.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanlijngebod</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is de eigenaar of houder verboden zich met een hond op of aan de weg te bevinden als deze niet is aangelijnd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het eerste lid niet geldt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het verbod geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen voor honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze uit te laten op een voor publiek toegankelijke kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke of hinderlijke honden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze uit te laten op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd als het college aan hem heeft bekendgemaakt dat het de hond gevaarlijk of hinderlijk acht en in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk acht dat deze kort is aangelijnd of anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf als het college aan hem heeft bekendgemaakt dat het de hond gevaarlijk of hinderlijk acht en in verband met het gedrag van de hond noodzakelijk acht dat deze kort is aangelijnd en een muilkorf draagt.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Duiven</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden op of aan de weg duivenvoer te verkopen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het verbod is niet van toepassing op door het college ingestelde markten gedurende de voor die markten aangewezen dagen en uren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De Marktverordening en de Verordening op de staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten zijn niet van toepassing als een ontheffing is verleend.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier voorkomt dat dit voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Voeren van dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om dieren te voeren in gebieden die door het college zijn aangewezen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Handhaving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.6 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of met een geldboete van de tweede categorie:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.8, 1.9, 2.2 eerste lid, 2.2 tweede lid, 2.2 derde lid, 2.2a, 2.3, 2.4, 2.5 eerste lid, 2.7 eerste lid, 2.7 tweede lid, 2.8 tweede lid, 2.9 eerste lid, 2.9 tweede lid, 2.10 vierde lid, 2.10 vijfde lid, 2.10 zesde lid, 2,12 eerste lid, 2,12 tweede lid, 2,12 vierde lid, 2.13 eerste lid, 2.15 vierde lid, 2.16 eerste lid, 2.17 eerste lid, 2.17 tweede lid, 2.17 vijfde lid, 2.17A eerste lid, 2.18 eerste lid, 2.18 tweede lid, 2.19 eerste lid, 2.19 tweede lid, 2.20 eerste lid, 2.21, 2.22 eerste lid, 2.23 eerste lid, 2.25 eerste lid, 2.25 tweede lid, 2.26 derde lid, 2.26 vierde lid, 2.27 eerste lid, 2.27 tweede lid, 2.31 eerste lid, 2.36 tweede lid, 2.39 tweede lid, 2.40 eerste lid, 2.41 zevende lid, 2.44 vierde lid, 2.45 tweede lid, 2.47 eerste lid, 2.48, 2.49 eerste lid, 2.49 tweede lid, 2.50 eerste lid, 2.50 tweede lid, 2.50 derde lid, 2.51 eerste lid, 2.51 vierde lid, 2.52 eerste lid, 2.53 eerste lid, 3.4, 3.5, 3.8 eerste lid, 3.12, 3.13, 3.14 eerste lid, 3.16 tweede lid, 3.18, 3.19 eerste lid, 3.20, 3.21, 3.26, 3.27 eerste lid, 3.27 tweede lid, 3.30 eerste tot en met zevende lid, 3.34 eerste lid, 3.34 tweede lid, 3.38 tweede lid, 3.40 eerste lid, 3.45 derde lid, 3.47, 3.50, 3.51, 3.53 eerste lid, 3.54, 3.59 tweede lid, 3.60 eerste lid, 3.60 tweede lid, 3.60 derde lid, 3.64, 4.2 eerste lid, 4.3 eerste lid, 4.5 vierde lid, 4.6, 4.7 eerste lid, 4.9 eerste lid, 4.10 tweede lid, 4.11 eerste lid, 4.12 eerste lid, 4.13 eerste lid, 4.14 eerste lid, 4.16 eerste lid, 4.17 eerste lid, 4.17 vierde lid, 4.17 zesde lid, 4.18, 4.19 eerste lid, 4.20 eerste lid, 4.21 eerste lid, 4.21 tweede lid, 4.22 eerste lid, 4.23 eerste lid, 4.24 eerste lid, 4.25 eerste lid, 4.26, 4.27, 5.2 eerste lid, 5.3 eerste lid, 5.3 tweede lid, 5.3 derde lid, 5.4 eerste lid, 5.5 eerste lid, 5.7 eerste lid, 5.7 tweede lid, 5.7 derde lid, 5.8 eerste lid, artikel 5.8A, 5.9 eerste lid, 5.9 tweede lid, 5.9 derde lid, 5.9 vierde lid, 5.10, 5.11, 5.12 eerste lid, 5.12 vijfde lid, 5.13 eerste lid, 5.13 tweede lid, 5.14, 5.15 eerste lid, 5.16 eerste lid, 5.17, artikel 5.18.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aangewezen personen of categorieën van personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid geldt niet voor zover het binnentreden nodig is in verband met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van het bepaalde in de artikelen 2.28, 2.29 en 2.30.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene Plaatselijke Verordening 1994 wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Vergunningen, ontheffingen en andere besluiten op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 blijven ook na de inwerkingtreding van deze verordening gelden, hetzij tot het einde van hun looptijd, hetzij tot het tijdstip dat zij met toepassing van deze verordening worden gewijzigd of ingetrokken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Op aanvragen om een vergunning, ontheffing of een ander besluit op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 7.1 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels, aanwijzingsbesluiten, mandaatbesluiten en delegatiebesluiten, als de rechtsgrond waarop die besluiten zijn gebaseerd ook is opgenomen in deze verordening.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op 1 november 2008.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Algemene inleiding De Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) is de opvolger van de APV 1994, vastgesteld op 30 november 1994 (Gemeenteblad 1994, afd. 3, volgnr. 140) en nadien vele malen gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de talloze aanpassingen van de APV ten koste zijn gegaan van de samenhang, de logica en de bruikbaarheid van de verordening is een grote herziening nodig geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nieuwe verordening is aangepast aan relevante jurisprudentie, in juridisch-technisch en taalkundig opzicht gemoderniseerd en vereenvoudigd door het schrappen van onnodige regels. Tegelijk is het nodig gebleken om voor een aantal onderwerpen nieuwe regels in te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de leesbaarheid en de toegankelijkheid van de verordening te vergroten. De indeling en systematiek van de verordening zijn ingrijpend gewijzigd om deze doelstellingen te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indeling en systematiek Gekozen is voor een indeling waarin samenhangende onderwerpen zo veel mogelijk bij elkaar zijn gebracht. Hoewel bij iedere keuze kanttekeningen zijn te plaatsen komen de gemaakte keuzes de logica en bruikbaarheid van de verordening ten goede.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening begint met een hoofdstuk met algemene bepalingen gevolgd door vier inhoudelijke hoofdstukken die elk een inhoudelijk hoofdthema behandelen, namelijk orde en veiligheid, exploitatie van bedrijven, gebruik van de openbare ruimte en milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening besluit met een hoofdstuk over handhaving en met een hoofdstuk slotbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening heeft een gelaagde opbouw. Het eerste hoofdstuk bevat bepalingen van algemene strekking die gelden voor de hele verordening: de daarin opgenomen begrips-omschrijvingen zijn dus van toepassing op alle andere plaatsen waar ze voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is ook het geval met de andere bepalingen zoals bijvoorbeeld over het indienen van een vergunning, de algemene weigerings- en intrekkingsgronden en de toonplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die gelaagdheid wordt gecontinueerd in de thematische hoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaande aan de inhoudelijke bepalingen in de verschillende thematische hoofd-stukken zijn bepalingen opgenomen waarin begripsomschrijvingen staan die alleen in dat hoofdstuk van toepassing zijn. Daarnaast komt het in een enkel geval voor dat in een afzonderlijk artikel een begripsomschrijving is opgenomen die alleen in dat artikel voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder bevat bijvoorbeeld het derde hoofdstuk een aantal bepalingen van algemene aard over vergunningen voor het exploiteren van bedrijven zoals een algemene weigerings-grond. Bij de verschillende paragrafen worden vervolgens nog bijzondere weigerings-gronden genoemd die alleen van toepassing zijn voor het in die paragraaf behandelde onderwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het gebruik van de APV is het dus zaak om naast het toepassen van een bepaald artikel ook de algemene bepalingen aan het begin van het hoofdstuk én van hoofdstuk 1 er op na te slaan omdat algemene en bijzondere bepalingen elkaar aanvullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen worden numeriek aangeduid: artikel 4.2, eerste lid bijvoorbeeld betekent hoofdstuk 4, artikel 2, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reikwijdte en inhoud De APV behoort tot de belangrijkste verordeningen in Amsterdam. Dat wordt niet alleen bepaald door de relatief grote omvang en het grote aantal verschillende onderwerpen die er in worden geregeld maar ook door het belang van die onderwerpen voor de orde en veiligheid in de stad, de zedelijkheid, het woon- en leefklimaat, het toezicht op de voor publiek toegankelijke gebouwen, het gebruik van de openbare ruimte en voor de leefomgeving in het algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV regelt de onderwerpen die tot het gemeentelijke publieke domein kunnen worden gerekend voor zover deze niet nader zijn uitgewerkt in bijzondere verordeningen zoals de Marktverordening, de Afvalstoffenverordening en de Verordening op het binnenwater. De APV is daarmee bij uitstek een verordening die de gemeenteraad op basis van artikel 149 Gemeentewet in het belang van de gemeente kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grootste deel van de bepalingen in de APV berust op de autonome bevoegdheid van artikel 149 Gemeentewet. Een beperkt aantal bepalingen vloeit voort uit medebewinds-taken, verplicht of facultatief. Voorbeelden zijn onder andere de artikelen ter regulering van prostitutie (hoofdstuk 2), ter voorkoming van ongewenste mededinging door bedrijven die niet in de eerste plaats op de exploitatie van een horecabedrijf zijn gericht (zie hoofdstuk 3) en bepalingen in aanvulling op het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (zie hoofdstuk 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV wordt op een aantal plaatsen verwezen naar hogere regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het opnemen van afbakeningsbepalingen is aangegeven dat de betreffende APV-bepaling alleen beoogt dat te regelen wat niet reeds in hogere regelgeving is geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening naar andere gemeentelijke regelgeving is niet aangegeven omdat er van wordt uitgegaan dat bijzondere regelgeving in het algemeen prevaleert boven algemene regelgeving (“lex specialis prerogat lex generalis”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toedelen bevoegdheden De Gemeentewet bevat de basis voor het toedelen van bevoegdheden aan gemeente-lijke bestuursorganen. Voor uitvoerende taken zijn dat het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De burgemeester heeft op grond van de wet bijzondere bevoegdheden als het gaat om openbare orde en veiligheid en het toezicht op voor publiek toegankelijke gebouwen (artikelen 172 en 174 Gemeentewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeestersbevoegdheden komen met name in het tweede en derde hoofdstuk aan de orde. Daarbij is er consequent voor gezorgd om bevoegdheden bij de burge-meester te leggen zodra het gaat om de taken die tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheden vormen voor een groot deel ook de bepalingen die zijn opgenomen op de A-lijst van de Verordening op de stadsdelen, bepalingen waarvan de uitvoering niet is gedelegeerd aan de stadsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak Bestuursorganen hebben op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuurs-recht bevoegdheden om met bestuurlijke maatregelen handhavend op te treden tegen geconstateerde overtredingen van de regels zoals het intrekken van een vergunning, het opleggen van een dwangsom en het toepassen van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve de keuze voor een bestuursrechtelijke aanpak is het ook mogelijk om in geval van overtreding van het bij of krachtens de APV gestelde te opteren voor een strafrechte-lijke aanpak. Het zesde hoofdstuk geeft aan welke overtredingen tot strafrechtelijke vervolging kunnen leiden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden niet alleen voor dit ene hoofdstuk, maar voor de gehele APV; ze regelen namelijk onderwerpen die op meerdere terreinen relevant (kunnen) zijn. Hoofdstuk 1 is dus het algemene deel van de APV, terwijl de andere hoofdstukken de meer specifieke onderwerpen betreffen en daarmee het bijzondere deel van de APV vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voordeel van het opnemen van een algemeen deel is dat het overbodig wordt om in de afzonderlijke hoofdstukken steeds dezelfde artikelen te herhalen. Bovendien is op deze manier de uniformiteit van de regels beter gewaarborgd. Het betekent echter wel dat het nodig kan zijn om heen-en-weer te bladeren tussen hoofdstuk 1 en de andere hoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het grootste deel van hoofdstuk 1 heeft betrekking op vergunningen en ontheffingen. Er zijn regels opgenomen die zich richten tot de bevoegde bestuursorganen en regels die zich richten tot de Amsterdamse burgers. Het gaat om: begripsomschrijvingen, (procedurele) regels voor het indienen en behandelen van een aanvraag, een algemene beslistermijn, een algemene weigeringgrond, een bevoegdheid om voorschriften en beperkingen op te leggen, algemene gronden om te wijzigen of in te trekken, de toonplicht voor de houder van een vergunning of ontheffing, de niet-overdraagbaarheid van een vergunning of ontheffing en een algemene verplichting voor burgers om mededelingen aan het bevoegde gezag schriftelijk te doen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijvingen zijn mede bepalend voor de reikwijdte van een verordening. Ze zijn nodig als een bepaald woord een specifieke betekenisinhoud dient te krijgen, die niet hetzelfde is als de betekenis die men in het normale spraakgebruik geeft aan het woord.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV zijn op verschillende plekken begripsomschrijvingen terug te vinden. Dat is in hoofdstuk 1, aan het begin van elk ander hoofdstuk en een enkele keer in een specifiek artikel. De plek waar de begripsomschrijving staat vermeld bepaalt de geldigheid ervan. De definities uit hoofdstuk 1 gelden voor de hele APV, zij hebben overal dezelfde betekenis. De definities in de andere hoofdstukken gelden alleen voor het hoofdstuk waarin ze zijn opgenomen. De definities in de specifieke artikelen gelden uitsluitend voor het artikel waarin ze staan vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om ze eenvoudig terug te kunnen vinden staan de begripsomschrijvingen steeds op alfabet gerangschikt. Soms is er een bestaande definitie uit een andere regeling gebruikt. Dan wordt daar niet naar verwezen, maar is de tekst van die regeling, geheel of gedeeltelijk, overgenomen. Dat is ten behoeve van de leesbaarheid van de APV en met het oog op de samenhang met andere regelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw: de definitie is (gedeeltelijk) ontleend aan de Woningwet en moet in samenhang met de definitie van bouwwerk worden gelezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water: de definitie is ontleend aan de Verordening op de Haven en het Binnenwater. De term “openbaar” heeft geen bijzondere juridische betekenis. Het gaat om water dat feitelijk voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende: het eerste deel van de definitie knoopt aan bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Het gaat om een ruime omschrijving. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de eigenaar, maar ook de huurder van een pand rechthebbende. Daarnaast is ook de persoon die de feitelijke macht uitoefent over een zaak onder de definitie van rechthebbende gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame: reclame is in het algemeen iedere vorm van aanprijzing van een dienst, activiteit, een goed of een naam. Vanwege de toevoeging “commercieel belang” valt het openbaren van gedachten en gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet niet onder deze definitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stadsdeel: de Verordening op de stadsdelen geeft een opsomming van de Amsterdamse stadsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaartuig: de definitie is ontleend aan de omschrijving van schip uit de Verordening op de Haven en het Binnenwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voertuig: de definitie is (deels) ontleend aan het Reglement verkeersregels en verkeerstekens en bestaat feitelijk uit een opsomming van mogelijke voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg: deze definitie geeft een ruime omschrijving van wat onder weg moet worden verstaan en valt uiteen in een aantal delen. In alle onderdelen gaat het om wegen en plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Onderdeel a betreft de weg in de zin van de Wegenverkeerswet, namelijk de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met toebehoren, aangevuld met voor publiek toegankelijke parkeerterreinen en parkeergebouwen. Onderdeel b betreft diverse plaatsen, zoals parken en pleinen, maar ook ijsvlakten, aanlegplaatsen en stegen. De zinsnede “al dan niet met enige beperking” in de onderdelen a en b geeft aan dat ook als er voorwaarden zijn gesteld voor de toegankelijkheid (bijvoorbeeld het betalen van entreegeld) er nog steeds sprake is van een weg, zolang de plek voor publiek toegankelijk is. Ook een steeg die vanwege de openbare orde is afgesloten, maar toegankelijk blijft voor bewoners en hun bezoekers, blijft voor publiek toegankelijk en valt daarmee onder de definitie van weg. Hetzelfde geldt voor een park dat ’s nachts is afgesloten of een gedeeltelijk toegankelijk plantsoen. De onderdelen c en d betreffen gedeelten van gebouwen die tot de openbare ruimte horen. Door deze onderdelen zijn verschillende APV-bepalingen ook van toepassing in galerijen van flatgebouwen, portieken van woningen, winkelgalerijen en winkelcentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal APV-bepalingen wordt de term “op of aan de weg gebruikt”. Als dat het geval is geldt de betreffende bepaling ook op plaatsen die strikt genomen geen weg zijn zoals gedefinieerd in artikel 1.1, maar zich wel in de nabijheid daarvan bevinden. Een bepaling kan dan ook gelden op een privé-terrein, omdat er een duidelijke relatie is met of een uitstraling naar de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaak: dit is een ruime definitie die aansluit bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Dat betekent dat alle mogelijke voorwerpen onder het begrip zaak kunnen vallen. De term “zaak” wordt bijvoorbeeld gehanteerd wanneer het niet goed mogelijk is om een concrete opsomming te geven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Algemene bepalingen over vergunningen en ontheffingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de APV kunnen het college en de burgemeester voor verschillende activiteiten een vergunning of ontheffing verlenen. De precieze uitwerking van die bevoegdheid staat niet in hoofdstuk 1, maar is terug te vinden in de andere hoofdstukken. Paragraaf 2 bevat wel de regels die standaard gelden bij het aanvragen van en het beslissen over vergunningen en ontheffingen. Dit betekent dat op verschillende plaatsen in de APV (en daarnaast ook in andere regelingen, zoals bijvoorbeeld de Algemene wet bestuursrecht) relevante bepalingen kunnen staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een vergunning wordt in een individueel geval een handeling toegestaan die anders verboden zou zijn. Het instrument vergunning wordt met name gebruikt voor het reguleren van activiteiten waarbij het nodig is om verschillende belangen tegen elkaar af te wegen en de activiteiten van geval tot geval te kunnen beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een ontheffing wordt in een individueel geval een uitzondering gemaakt op een algemeen geldend gebod of verbod. Het instrument ontheffing wordt gebruikt voor activiteiten die normaal gesproken verboden zijn en ook verboden moeten blijven, maar die in uitzonderingsgevallen toegestaan kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verschillende artikelen wordt niet expliciet de burgemeester of het college genoemd, maar wordt gesproken over “het bevoegde bestuursorgaan”. In dat geval geldt de betreffende bepaling zowel voor de burgemeester als voor het college (en in geval van mandaat of delegatie: de voorzitter van het dagelijks bestuur of het dagelijks bestuur van het stadsdeel).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een bestuursorgaan dat bevoegd is om op een aanvraag te beslissen kan een formulier vaststellen voor het indienen van een aanvraag en het verstrekken van gegevens. Deze bevoegdheid volgt niet uit de APV, maar uit een andere regeling, namelijk artikel 4:4 Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">APV regelt het vervolg op deze bevoegdheid. Dit artikel geldt voor de aanvrager van een vergunning of ontheffing en verplicht deze om, wanneer dat is vastgesteld, een aanvraagformulier te gebruiken Als een aanvrager desondanks géén gebruik maakt van het vastgestelde aanvraagformulier, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten om de aanvraag buiten behandeling te laten (4:5 Awb). Dat betekent dat de aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Behandeling van een aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvrager is verplicht om leges te betalen. Het heffen van leges is geregeld in legesverordeningen. Afhankelijk van het onderwerp van de aanvraag is de toepasselijke legesverordening door de gemeenteraad of door een stadsdeelraad vastgesteld. Vandaar het gebruik van de term “vigerende Legesverordening”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om reden van efficiency moet de verschuldigde leges worden voldaan voordat met de behandeling van de aanvraag wordt begonnen. Wanneer een aanvrager niet de verschuldigde leges betaalt, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten om de aanvraag buiten behandeling te laten (4:5 Awb). Dat betekent dat de aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is de algemeen geldende beslistermijn gesteld op 8 weken. De dag van ontvangst van de aanvraag is de dag waarop de beslistermijn begint te lopen. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze termijn van 8 weken kunnen worden afgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor bepaalde soorten besluiten een langere beslistermijn nodig is of als er juist kan worden volstaan met een kortere termijn, dan wordt dat geregeld in de afzonderlijke hoofdstukken. Als dus in een ander hoofdstuk een afwijkende beslistermijn staat vermeld, dan heeft die bepaling voorrang boven artikel 1.4 eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan in een concreet geval niet in staat is om binnen de algemene termijn van acht weken te beslissen, dan kan het de beslistermijn verlengen (“verdagen”). Daarvoor geldt een maximumtermijn van opnieuw acht weken. De Algemene wet bestuursrecht regelt dat het bestuursorgaan de aanvrager schriftelijk op de hoogte brengt van een verlenging. Een reden om de beslistermijn te verlengen kan bijvoorbeeld zijn de complexiteit van de aanvraag of de noodzaak om advies in te winnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lidstaten van de Europese Unie hebben in december 2006 Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn) vastgesteld. De Dienstenrichtlijn beoogt onnodige drempels voor het vrije verkeer van diensten en de vrije vestiging van dienstverrichters weg te nemen. De Dienstenrichtlijn wordt door middel van de Dienstenwet geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De Dienstenwet bevat een aantal normen waaraan vergunningstelsels moeten voldoen die de vestiging van een dienstverrichter regelen of eisen stellen aan een dienstverrichter en die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. Eén van die normen betreft de introductie van de lex silencio positivo, de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Deze wordt geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze paragraaf dient van toepassing te worden verklaard op vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen, wanneer er geen dwingende redenen van algemeen belang zijn die zich daartegen verzetten. De lex silencio houdt in dat wanneer niet binnen de wettelijke termijn een beslissing op een aanvraag om een vergunning is genomen, deze vergunning van rechtswege wordt geacht te zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een groot deel van de vergunningstelsels die de APV bevat, geldt dat er dwingende redenen van algemeen belang in het spel zijn die aan de toepassing van de lex silencio positivo in de weg staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid geeft een opsomming van de vergunningen waarvoor deze dwingende redenen niet gelden en waarop dus de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid wordt tot uitdrukking gebracht dat deze dwingende redenen voor de overige vergunningstelsels in de APV wel aanwezig worden geacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5 bevat twee algemene gronden voor het bevoegde bestuursorgaan om een vergunning of ontheffing te weigeren. Naast deze algemene redenen zijn in de afzonderlijke hoofdstukken ook nog specifieke gronden opgenomen. Beide soorten gronden, algemeen of specifiek, kunnen leiden tot het weigeren van een vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel in het eerste als in het tweede lid wordt de term “kan” gebruikt. Hiermee is aangegeven dat het bestuursorgaan de bevoegdheid, niet de verplichting heeft om te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond die het eerste lid noemt is het belang (of de belangen) in verband waarmee het vereiste van een vergunning of ontheffing is gesteld. Dat kan uiteenlopen van het belang van de openbare orde tot het belang van de volksgezondheid. Om welk belang het in een concreet geval precies gaat, is terug te vinden in de afzonderlijke hoofdstukken. Zowel uit de tekst van de artikelen als uit de bijbehorende toelichting blijkt welk(e) belang(en) het desbetreffende hoofdstuk beoogt te behartigen. Als het verlenen van een vergunning of ontheffing niet bijdraagt aan de bescherming van dat belang, kan het bestuursorgaan om die reden de vergunning of ontheffing weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond van het tweede lid heeft te maken met een verwachte discrepantie tussen aanvraag en werkelijkheid. Er kunnen verschillende redenen zijn -de aanvrager heeft onjuiste gegevens overgelegd bijvoorbeeld- op grond waarvan het bestuursorgaan het niet waarschijnlijk acht dat de aanvraag in overeenstemming is met de feitelijke toestand. In zo’n geval moet het bestuursorgaan de bevoegdheid hebben om het gevraagde te weigeren. Of aan de aanvrager een verwijt te maken valt, is daarbij niet van doorslaggevend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet al bij het indienen van de aanvraag maar pas later blijkt dat de feitelijke situatie niet is zoals de aanvraag vermeldt, dan kan de vergunning of ontheffing worden ingetrokken (zie artikel 1.7 APV).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing te verlenen, hoort tegelijk de bevoegdheid om hieraan voorschriften (verplichtingen die de houder moet naleven) of beperkingen (begrenzingen in tijd, plaats of anderszins) te verbinden. Het eerste lid van artikel 1.6 maakt deze bevoegdheid expliciet. De bevoegdheid is niet ongelimiteerd: voorschriften en beperkingen moeten dienen ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing in het leven is geroepen. Om welk belang het precies gaat en hoeveel ruimte het bevoegde bestuursorgaan heeft, blijkt weer uit de afzonderlijke hoofdstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingen worden doorgaans in de vergunning of ontheffing opgenomen. In sommige gevallen formuleert de APV zelf al voorschriften en beperkingen, zie bijvoorbeeld de openingstijden voor horecabedrijven in hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen zonder verplichte vergunning of ontheffing is verboden. Handelen met vergunning of ontheffing, maar in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen is eveneens verboden. Het tweede lid van artikel 1.6 regelt dat het niet-naleven van een voorschrift of een beperking een zelfstandige overtreding van de APV oplevert. Als reactie op deze overtreding zijn verschillende bestuursrechtelijke handhavinginstrumenten beschikbaar, zoals het intrekken van de vergunning of ontheffing. Strafrechtelijke handhaving is -via de strafbepalingen van hoofdstuk 6 APV- eveneens mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene gronden voor wijziging of intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing te wijzigen of in te trekken. Het gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het bestuursorgaan heeft in elk concreet geval de mogelijkheid om af te wegen of intrekking of wijziging een passende en noodzakelijke maatregel is. Verder is expliciet opgenomen dat gedeeltelijke (bijvoorbeeld tijdelijke) intrekking of wijziging mogelijk is. Ook voor artikel 1.7 geldt: hier zijn algemene gronden opgenomen, die van toepassing zijn naast de specifieke gronden die in de afzonderlijke hoofdstukken staan. Beide soorten gronden, algemeen of specifiek, kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van een vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a (onjuiste gegevens): dit is vooral aan de orde als het bestuursorgaan een andere beslissing zou hebben genomen op de aanvraag als destijds wel de juiste gegevens bekend waren geweest. Het gaat dus om onjuistheden of onvolledigheden die van meer dan ondergeschikte aard zijn. Of er met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt is niet van doorslaggevend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b (veranderde wetgeving e.d.): regelgeving, beleid en omstandigheden kunnen veranderen. In sommige situaties moet dat invloed kunnen hebben op bestaande vergunningen of ontheffingen. Bijvoorbeeld als de bescherming van het algemene belang zwaarder weegt dan het belang van de houder bij een ongewijzigde beschikking. Deze grond kan ook worden gebruikt wanneer een vergunning – in strijd met de APV- privaatrechtelijk is overgedragen aan een ander, terwijl hij bijvoorbeeld een persoons- of een adresgebonden karakter heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c (niet nakomen van voorschriften of beperkingen): voorschriften en beperkingen worden niet voor niets aan een beschikking verbonden, maar dienen een (algemeen) belang. Het is dus van belang dat zij worden nageleefd. Niet-naleving levert een overtreding van de APV op en kan ertoe leiden dat het bestuursorgaan de vergunning of ontheffing wijzigt of intrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d (de beschikking wordt niet gebruikt): wanneer de houder een vergunning of ontheffing niet gebruikt, is het aannemelijk dat hij geen belang (meer) heeft bij het in stand laten van deze beschikking. Als het bestuursorgaan niet langer rekening wil blijven houden met een ongebruikte vergunning, kan het de vergunning intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder e (op verzoek van de houder): intrekking of wijziging vanwege een van de andere gronden van artikel 1.7 zal doorgaans ambtshalve of op verzoek van een derde zijn. Deze grond daarentegen regelt dat het bestuursorgaan kan wijzigen of intrekken op verzoek van de houder, bijvoorbeeld bij een faillissement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f (beschikking is in strijd met de wet): deze grond is opgenomen omdat het bestuursorgaan de mogelijkheid moet hebben om fouten te herstellen. Hierbij kan de vraag aan de orde komen of de houder op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat een fout is gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Toonplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt een algemene toonplicht. De toonplicht houdt tegelijk een draag- of aanwezigheidsplicht in. Tonen op eerste vordering (dat wil zeggen direct zodra erom wordt gevraagd) is immers alleen mogelijk wanneer de beschikking binnen handbereik is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden om te voorzien in deze plicht is het ondersteunen van het toezicht en de handhaving. Zonder inzage in de vergunning of ontheffing is de controle op de naleving niet goed mogelijk. Het niet-voldoen aan de toonplicht vormt een zelfstandige overtreding van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.8 richt zich tot de houder van een vergunning of ontheffing. Daarnaast kan ook een ander, bijvoorbeeld de leidinggevende van een bedrijf, een toonplicht hebben. Dat volgt dan uit de afzonderlijke hoofdstukken. Deze toonplichten bestaan naast elkaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Overdraagbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning of ontheffing kan een vermogensrecht vertegenwoordigen en economische waarde hebben. Het is echter onwenselijk dat de houder van een vergunning of ontheffing deze kan overdoen aan een ander. Artikel 1.9 regelt daarom dat vergunningen en ontheffingen niet overdraagbaar zijn. Handelen in strijd met deze bepaling is een overtreding van de APV en kan daarnaast leiden tot intrekking van de beschikking. Aanvullend hierop is in de afzonderlijke hoofdstukken voor sommige vergunningen geregeld dat zij ook bedrijfs- of adresgebonden zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Schriftelijke mededeling</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is bedoeld om algemene (administratieve) verplichtingen in onder te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Schriftelijke mededeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen regelt de APV dat burgers verplicht zijn om een voornemen, een activiteit of een handeling te melden. Wat er precies moet worden gemeld en aan wie er moet worden gemeld, is beschreven in de afzonderlijke hoofdstukken. Dit artikel regelt uitsluitend dat die melding schriftelijk moet gebeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zinsnede “krachtens deze verordening” verwijst naar de situatie waarin niet de APV zelf, maar een voorschrift bij een besluit op grond van de APV een meldingsplicht bevat. Ook die melding moet dus schriftelijk gebeuren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Experimenteerbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.11biedt het college en de burgemeester de mogelijkheid om te experimenteren met het tijdelijk afwijken van bepalingen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het doel van een dergelijk experiment is om gegevens te verzamelen op basis waarvan kan worden bepaald of het afwijken van een bepaling in de APV aan het gewenste doel beantwoordt. Kan ordening van de leefomgeving op een andere en betere wijze plaatsvinden dan de wijze waarvoor in de APV is gekozen? Proefondervindelijk kan gedurende een afgebakende periode en in een afgebakend gebied worden vastgesteld of het op een andere wijze regelen van een situatie effectiever is (lid 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat de raad de bevoegdheid om bij experiment af te wijken van de APV delegeert aan het college of de burgemeester, ieder voor zover het een hem gegeven bevoegdheid betreft. Voordat met een experiment wordt gestart heeft het college de verwachting dat de alternatieve wijze van ordening doeltreffend is. Het college of burgemeester maakt daartoe een afweging tussen het afwijken van de algemeen geldende bepaling en het beoogde voordeel van het experiment. Is er een reële verwachting dat de beoogde - grotendeels positieve - gevolgen zullen intreden?</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen waarvan afgeweken kan worden zijn limitatief opgesomd. Het betreft artikelen waarvan de verwachting is dat een experiment ruimte kan bieden aan verplichtingen van burgers of ondernemers die nu als zwaar of knellend worden ervaren. Het betreft voornamelijk bepalingen waarin een vergunningsplicht wordt voorgeschreven voor het gebruik van de openbare ruimte. Ook kan een experiment gericht zijn op het bieden van ruimte aan innovatieve ideeën. Met een experiment kan relatief snel worden ingespeeld op een veranderde situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overgrote deel van bepalingen over de openbare orde, overlast en veiligheid, preventie, manifestaties, optochten, voetbalwedstrijden, vuurwerk en explosieven en hinder is uitgesloten van de experimenteerbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkenheid van de raad wordt vormgegeven door een voorhangprocedure: elk concept-experimenteerbesluit zal naar de raad worden gezonden waarna de raad gedurende vier weken wensen en bedenkingen kenbaar kan maken. Indien het college van burgemeester en wethouders in het definitieve besluit van de wensen en bedenkingen van de gemeenteraad afwijkt, wordt dit gemotiveerd aan de gemeenteraad meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kaders waarbinnen het experiment moet plaatsvinden zijn gegeven in het vierde lid. In het besluit tot experimenteren moet opgenomen worden van welke bepaling(en) in de APV wordt afgeweken, alsmede het doel van het experiment. In het besluit beschrijft het college of de burgemeester onder welke voorwaarden ruimte wordt geboden aan het experiment. Zo kan bijvoorbeeld een vergunningplicht tijdelijk worden vervangen door een meldplicht. Wat de meldplicht behelst en waar de melding kan worden gedaan, wordt dan in het besluit opgenomen. Ook kan bepaald worden dat een verplichting tijdelijk niet geldt, mits de burger of ondernemer zich aan bepaalde voorwaarden houdt. Die voorwaarden zullen opgenomen worden in het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het experiment kent een einddatum en is dus tijdelijk van aard. De maximale duur van een experiment is één jaar. Naast een beperkte duur dient ook het gebied waarbinnen het experiment plaatsvindt te zijn afgebakend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al naar gelang het soort bepaling waarmee wordt geëxperimenteerd, kan in het besluit worden opgenomen op welke wijze opgetreden zal worden indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, bijvoorbeeld de mogelijkheid om het experiment tussentijds te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen is een experiment tijdelijk van aard, er moet ook zicht zijn op het vervolg. Na afloop van het experiment moet worden bepaald of permanente afwijking van de APV-bepaling(en) zinvol is. Het experiment wordt om die reden geëvalueerd. Op basis van de evaluatie wordt vastgesteld of het experiment is geslaagd in die zin dat de afwijking de nieuwe regel wordt. Als daartoe wordt besloten, kan het experiment met maximaal een jaar worden verlengd in afwachting van de nieuwe situatie. Het kan immers ongewenst en inefficiënt zijn om voor het terrein waarop het experiment betrekking heeft gedurende beperkte tijd het oude regime weer te laten gelden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2. Orde en veiligheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het hoofdstuk is ingedeeld in zes paragrafen: begripsomschrijvingen (1), openbare orde, overlast en veiligheid (2), hinderlijk gedrag (3), preventie (4), openbare manifestaties, optochten, voetbalwedstrijden en evenementen (5) en uitoefenen beroep op de weg (6).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenschappelijke noemer in deze paragrafen is de gemeentelijke verantwoorde-lijkheid voor de openbare orde en veiligheid zoals die in de Gemeentewet is verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip openbare orde wordt in de literatuur niet eenduidig gedefinieerd. De bepalingen in dit hoofdstuk beogen over het algemeen de maatschappelijke rust en orde te helpen bewaren, gewelddadigheden tegen de persoonlijke levenssfeer te voorkomen en strafbare feiten te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoofdstuk bevat een ruim scala aan normen, in gradaties variërend van een absoluut verbod om bepaald gedrag te vertonen, dit ter voorkoming van ernstige overlast en hinder, tot een verbod op gedragingen die tot overlast kunnen leiden tenzij ze door middel van een vergunning of ontheffing en daaraan te verbinden voorschriften kunnen worden gereguleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de bijzondere rol die de Gemeentewet toekent aan de burgemeester als het gaat om handhaving van de openbare orde en om toezicht op voor publiek toegankelijke plaatsen en vermakelijkheden, zijn de bevoegdheden die in het hoofdstuk worden toegekend bijvoorbeeld voor het aanwijzen van gebieden waar bepaald gedrag is verboden consequent aan de burgemeester toebedeeld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Begripsomschrijvingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 eerste lid Evenement De omschrijving van het begrip evenement is ruim gehouden vanwege de grote variatie in evenementen. Niet alleen buurtfeesten, straatfestivals, kermissen en concerten in de open lucht vallen er onder maar ook bijzondere huldigingen, herdenkingen, sportwedstrijden en grote spektakels met een nationale uitstraling zoals de Uitmarkt en Sail.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal elders geregelde activiteiten in de openbare ruimte wordt van het begrip uitgezonderd, zoals manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties, optochten en voetbalwedstrijden en markten, waarvoor een vergunningstelsel is opgenomen in de Marktverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op sommige evenementen maakt het aanbieden en verkopen van waren vanuit kramen en stallen deel van de gebeurtenissen uit. Dit kan de vraag oproepen of het geheel als een markt of een evenement moet worden vergund.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Marktverordening geldt als ondergrens voor het instellen van een markt dat daarop door ten minste zeven vergunninghouders staanplaats wordt ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgezien daarvan bevat de Marktverordening noch de APV criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald onder welke regeling de activiteiten vallen. Deze keuze is op voorhand ook niet eenvoudig te maken: de overgang van een evenement naar een markt en andersom is immers vaak vloeiend en niet goed af te bakenen. Het bevoegde orgaan moet dan ook per geval beoordelen of een gebeurtenis als markt of als evenement moet worden vergund.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen ligt een aanwijzing als markt meer voor de hand als het gaat om een periodiek terugkerende gebeurtenis waarbij de commerciële handel in waren dominant is ten opzichte van de andere gebeurtenissen (bijvoorbeeld een kerstmarkt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelt de verkoop van waren daarentegen een ondergeschikte of ondersteunende rol, dan verdient het verlenen van een evenementenvergunning de voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is bijvoorbeeld het geval bij braderieën waarbij het niet zozeer gaat om de reguliere uitoefening van straathandel maar om het verkopen op straat door winkeliers van waren uit hun eigen assortiment meestal in combinatie met andere activiteiten die er op gericht zijn de aandacht van het winkelend publiek te vestigen op de aantrekkelijkheid van een bepaalde winkelstraat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip evenement als bedoeld in het eerste lid vallen niet de voor publiek toegankelijke gebeurtenissen in gebouwen; hiervoor is een aparte vergunningplicht in artikel 2.47 opgenomen. Die geldt ook voor overdekte markten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsomschrijving is er rekening mee gehouden dat evenementen ook op het water kunnen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het begrip evenement is tenslotte het element \"met een openbaar of besloten karakter\" toegevoegd. Hiermee wordt buiten twijfel gesteld dat ook voor het publiek toegankelijke gebeurtenissen met een besloten karakter die op of aan de weg plaatsvinden (bijvoorbeeld het houden van een feest voor uitsluitend genodigden) onder de vergunningplicht vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 tweede lid Evenemententerrein Het hanteren van het begrip evenemententerrein maakt het mogelijk tot een duidelijke begrenzing te komen van de plaats waar het evenement zich afspeelt en daarmee tot een duidelijk juridische afbakening van op het terrein geldende regels, voorschriften en bevoegdheden. Al naar gelang de omstandigheden kan het evenemententerrein nader worden bepaald of kunnen de grenzen daarvan ruimer worden getrokken, bijvoorbeeld door voorzieningen voor toeschouwers erbij te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 vierde lid Samenscholing Onder samenscholing wordt verstaan het groepsgewijs bijeenkomen van mensen die een dreigende houding aannemen, kwade bedoelingen hebben of bedreigend op anderen overkomen. Het is afhankelijk van de concrete situatie en de feiten en omstandigheden of dit het geval is. Als er kennelijk kwade bedoelingen in het spel zijn kan er dus sprake zijn van een samenscholing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 vijfde lid Handelaar Bij algemene maatregel van bestuur van 6 januari 1992 (Staatsblad 1992, 36) zijn de handelaren aangewezen die ingevolge artikel 437, eerste lid Wetboek van Strafrecht aantekening moeten houden van door hen verworven en voorhanden gehouden zaken. Het gaat hierbij om opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Openbare orde, overlast en veiligheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing, ongeregeldheden, ordeverstoring en samenkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2 strekt tot bescherming van de openbare orde en verbiedt ordeverstoringen, zowel individueel als collectief, op de weg en in voor het publiek toegankelijke gebouwen en vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een voor het publiek toegankelijk gebouw wordt elke gebouwde ruimte verstaan die in principe voor iedereen toegankelijk is, zoals een winkel, een postkantoor of een stationshal. Daarnaast vallen onder dit begrip ook gebouwen die met enige beperkingen openstaan. Hierbij valt te denken aan gebouwen die toegankelijk zijn voor personen die in het bezit zijn van een toegangs- of plaatsbewijs (bijvoorbeeld musea, theaters, perrons van metrostations) of voor personen die een bepaalde leeftijd hebben bereikt (bijvoorbeeld een speelautomatenhal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid verbiedt het onnodig opdringen. Hoewel de intentie onschuldig van aard kan zijn, bijvoorbeeld bij optochten en andere evenementen, kan hierdoor toch de openbare orde en veiligheid in gevaar komen. Verder zijn verboden het lastig vallen van personen en vechten, zowel individueel als collectief. Niet alleen individuele handelingen kunnen de orde en veiligheid bedreigen, maar ook het in en vanuit een groep lastig vallen van anderen, bijvoorbeeld door hangjongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid en in andere bepalingen van hoofdstuk 2 wordt het begrip “zaak” gebruikt. Met deze aan het privaatrecht ontleende term wordt elk stoffelijk voorwerp bedoeld, ongeacht de vorm, dat naar rellen en dergelijke wordt meegebracht om de orde te verstoren, zoals stenen, stokken en vloeistoffen. De bepaling geldt ook in of bij voetbalstadions. Het verbod richt zich niet alleen op meegenomen voorwerpen maar ook op bijvoorbeeld stenen die ter plaatse zijn opgeraapt om mee te gooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is voor gevallen van (dreigende) wanordelijkheden de plicht opgenomen zich te verwijderen als een politieambtenaar daartoe een bevel geeft. De politie heeft op grond van de Politiewet tot taak zo nodig met onmiddellijke maatregelen het leven in de openbare ruimte in ordelijke banen te leiden en direct te zorgen voor de veiligheid van personen of zaken. Die taak houdt ook de bevoegdheid in om in concrete gevallen de daarvoor benodigde bevelen te geven. Artikel 2.2 is een nadere concretisering daarvan op lokaal niveau. De bevoegdheid is in dit geval aan een bepaald doel gebonden. De politieambtenaar verricht de beoordeling die nodig is voor toepassing van de strafbepaling; de rechterlijke toetsing vindt plaats als vervolging wordt ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenscholingen of samenkomsten kunnen (mede) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. In het vierde lid zijn daarom uitgezonderd de samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is. De burgemeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat dienaangaande strafbepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt beoogd verschillende vormen van straatintimidatie te verbieden. Het artikel strekt tot bescherming van de openbare orde en het voorkomen van overlast en heeft zowel betrekking op gedragingen van een individu, als van een groep. Het artikel vormt een aanvulling op hetgeen hieromtrent in het Wetboek van Strafrecht al strafbaar is gesteld (bijvoorbeeld art. 266 Sr). Het motief van deze strafrechtelijke regels is vooral gelegen in de bescherming van iemands eer en goede naam en de persoonlijke integriteit. Het motief van deze APV-bepaling is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit onderzoek is gebleken dat steeds meer groepen, waaronder vrouwen, in toenemende mate met uiteenlopende vormen van straatintimidatie worden geconfronteerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitschelden of uitjouwen, intimiderende of aanstootgevende gebaren, geluiden en gedragingen. Deze vormen van straatintimidatie zijn met name hinderlijk voor de slachtoffers zelf, maar brengen eveneens gevoelens van onveiligheid voor omstanders met zich mee. Het gevolg van dit soort gedragingen in de openbare ruimte kan zijn dat bepaalde plekken worden gemeden. Daarmee hebben deze gedragingen dus een effect op de bewegingsvrijheid van personen. Ook kan het ertoe leiden dat mensen hun gedrag aanpassen door bijvoorbeeld hun kledingstijl te wijzigen. Behalve dat deze gedragingen een effect hebben op de bewegingsvrijheid, wordt daarmee ook hinder en overlast veroorzaakt en de rust in het openbare leven verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt het tegelijkertijd mogelijk om op te treden tegen het uitjouwen of lastigvallen van opsporingsambtenaren. Uit onderzoek onder opsporingsambtenaren is namelijk gebleken dat deze groep bij de uitoefening van hun taak in toenemende mate worden uitgejouwd of anderszins lastig gevallen. Ook deze gedragingen hebben een negatief effect op de openbare orde. Gezagdragers hebben immers als taak de openbare orde te handhaven. Indien zij worden gehinderd in dit werk, heeft dit automatisch een negatief effect op de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overtreding van het Wetboek van Strafrecht kan uitsluitend diegene tot wie het gedrag zich primair richt, aangifte doen. Om uiteenlopende redenen doen deze slachtoffers dat lang niet altijd. De bepalingen in het Wetboek van Strafrecht bieden dus geen sluitend systeem om de negatieve effecten van deze gedragingen tegen te gaan. Door een bepaling in de APV op te nemen is het mogelijk om op te treden tegen dit soort ongewenst gedrag, ook al heeft het slachtoffer daarvan geen aangifte gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen van zaken bij samenkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld bij de jaarlijkse 4 mei-herdenking moeten op bepaalde plaatsen fietsen en andere voorwerpen kunnen worden verwijderd om de samenkomst goed te laten verlopen. Artikel 2.3 geeft hiervoor de juridische grondslag. Op grond van artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de uitvoering van (bepalingen van) verordeningen die betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, en op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. De aanwijzingsbevoegdheid komt hem daarom toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van afzettingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.4 verbiedt het betreden van (tijdelijke) afzettingen die om verschillende redenen kunnen zijn geplaatst. De bepaling noemt specifiek openbare orde en veiligheid en verkeersbelangen en daarnaast kunnen andere algemene belangen een reden zijn om een afzetting te plaatsen. Zo valt niet alleen te denken aan het bestrijden van ongeregeldheden, maar ook aan een evenement of een staatsbezoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Messen en andere voorwerpen als steekwapen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze bepaling kan de burgemeester gebieden aanwijzen, waarin het voorhanden hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, verboden is. Een gebiedsaanwijzing voor het messenverbod gaat overigens vaak samen met de aanwijzing van een gebied als overlastgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet wapens en munitie is gericht op de bescherming van de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit tegen wapengeweld, terwijl artikel 2.5 ziet op de bescherming van de openbare orde tegen aantasting daarvan. Vanuit dat motief mag men in een aangewezen gebied geen enkel mes of ander voorwerp dat als steekwapen kan worden gebruikt, op of aan de weg bij zich hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor messen en andere zaken waarvan het dragen al door de Wet wapens en munitie verboden is, en evenmin voor andere voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet direct als steekwapen gebruikt kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing veiligheidsrisicogebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling strekt tot uitvoering van artikel 151b Gemeentewet, op grond waarvan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid krijgt om bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied aan te wijzen als veiligheidsrisico­gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester brengt een gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de gemeenteraad en de officier van justitie. In een veiligheidsrisicogebied kan de politie op last van de officier van justitie wapen- en munitiecontroles uitvoeren op verpakkingen van goederen, op vervoermiddelen en aan de kleding van personen. De officier van justitie vermeldt in het bevel op grond van welke feiten en omstandigheden hij van zijn bevoegdheid gebruik wil maken. Het bevel is maximaal twaalf uur van kracht. Kenmerkend voor het fouilleren in een veiligheidsrisicogebied is dat er ten aanzien van de te controleren personen geen sprake hoeft te zijn van concrete verdenking van wapenbezit, of van het plegen van een strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester trekt de aanwijzing in als de verstoring van de openbare orde of de vrees voor de veiligheid van personen in het gebied niet meer aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Openlijk gebruik en handel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verboden van artikel 2.7 hebben een ander motief dan de Opiumwet, namelijk de bescherming van de openbare orde (het tegengaan van overlast en hinder die met het gebruik van harddrugs op voor publiek toegankelijke plaatsen gepaard gaan), en kunnen daarom bestaan naast deze wet. Overigens verbiedt de Opiumwet het openlijk gebruik van harddrugs als zodanig niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 2.7 beoogt het gebruik en het openlijk voorhanden hebben van harddrugs op straat en in voor het publiek toegankelijke gebouwen tegen te gaan. Het is een ervaringsfeit dat harddrugsgebruik ernstige overlast veroorzaakt, criminaliteit in de hand werkt en sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid oproept bij anderen die van de openbare ruimte gebruik maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet kan de burgemeester en de onder zijn gezag staande politie overtredingen van wettelijke voorschriften die op de openbare orde betrekking hebben, beletten en beëindigen. Artikel 2.7 is zo’n voorschrift, en geeft dus een directe grondslag om tegen het openlijk gebruik van harddrugs op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het bezit van voorwerpen en stoffen die als hulpmiddel dienen voor het gebruik van harddrugs vallen onder het verbod, zoals injectiespuiten, lepeltjes, aluminiumfolie of citroensap. Dit is gedaan om de bepaling uitvoerbaar te maken met het oog op de gewenste overlastbestrijding; het gaat niet om (de opsporing van) de voorwerpen als zodanig. Het moet voorts gaan om het openlijk voorhanden hebben van hulpmiddelen; een voorwerp dat opgeborgen wordt meegevoerd, valt niet onder het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid richt zich tegen de overlast die wordt veroorzaakt door het op bepaalde plaatsen aanbieden van harddrugs, softdrugs, nepdrugs, kalmeringsmiddelen, stimulerende middelen (bijvoorbeeld Viagra) en dergelijke. Ook de telkens terugkerende kopers moeten worden geweerd; immers niet alleen het aanbod, maar ook de vraag werkt de hardnekkigheid van het verschijnsel in de hand. Het dient aannemelijk te zijn dat een persoon zich ophoudt op straat met het doel drugs te kopen of verkopen. Dit kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het bij zich hebben van de bedoelde middelen, het hoorbaar aanbieden van drugs, ruzies tussen aanbieders en afnemers et cetera.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing overlastgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan de burgemeester een gebied aanwijzen als overlastgebied. Dat gebeurt als naar zijn oordeel de openbare orde in het gebied ernstig in gevaar is. De reden hiervoor kan zijn het gebruik van of de handel in harddrugs, maar ook andere omstandigheden kunnen tot aanwijzing van een overlastgebied leiden. Er dient in ieder geval sprake te zijn van een structurele overlastsituatie, die de openbare orde ter plaatse ernstig verstoort of bedreigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtsgevolgen van de aanwijzing worden geregeld in het tweede lid van artikel 2.8 en verder in de artikelen 2.9 en 2.9A. In het aanwijzingsbesluit geeft de burgemeester aan welk regime van verblijfsverboden in dat betreffende overlastgebied van toepassing is. In één overlastgebied kunnen meerdere regimes gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het tweede lid is het verboden zich in een overlastgebied in een groep van meer dan vier personen op te houden, als de openbare orde hierdoor in gevaar wordt gebracht. Dit laatste dient op basis van feitelijke omstandigheden te worden vastgesteld. De samenstelling of het gedrag van de groep kan daarbij een rol spelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.9 kan de burgemeester verblijfsverboden opleggen. Het eerste lid somt de gedragingen op die ertoe kunnen leiden dat iemand tijdelijk de toegang tot een overlastgebied wordt ontzegd. Het gaat uitdrukkelijk om gedragingen met een ordeverstorend en/of overlast gevend karakter, zoals het openlijk gebruiken van en het handelen in harddrugs, het voorhanden hebben van wapens, het plegen van geweldsdelicten, straatprostitutie, bedelen, hinderlijk gedrag in of bij gebouwen, vernieling, hinderlijk drankgebruik en zakkenrollerij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die in een overlastgebied één van de in het eerste lid genoemde bepalingen overtreedt, kan een bevel krijgen zich voor de duur van 24 uur uit het desbetreffende gebied te verwijderen. Het bevel wordt door de politie in mandaat namens de burgemeester gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die binnen een aaneengesloten tijdvak van een jaar tweemaal een 24-uursbevel heeft gekregen, komt in aanmerking voor een verblijfsverbod voor de duur van één maand. De bevoegdheid tot het opleggen van bevelen die langer duren dan 24 uur is niet gemandateerd vanwege de zwaarte van de maatregel. Bij het tweede 24-uursbevel reikt de politie een schriftelijke waarschuwing uit, waarin wordt toegelicht hoe een verblijfsverbod uiteindelijk kan oplopen tot drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die binnen een jaar na een gegeven éénmaandbevel opnieuw een van de in het eerste lid genoemde overtredingen begaat, krijgt een verblijfsverbod van drie maanden voor het desbetreffende overlastgebied. Degene die binnen een jaar na dit bevel weer een overtreding begaat, komt in aanmerking voor een verblijfsverbod van drie maanden. Degene die binnen een jaar daarna een volgende overtreding begaat, komt opnieuw in aanmerking voor een verblijfsverbod van drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het systeem van de APV gaat dus uit van twee stappen. Stap één is de constatering dat in een bepaald gebied de openbare orde zodanig is verstoord, dat de aanwijzing als overlastgebied nodig is. Hierdoor geldt in het gebied een bijzonder regime. Aan personen die in het aangewezen gebied de in het artikel genoemde ordeverstorende feiten plegen, kan vervolgens tijdelijk - oplopend van 24 uur tot drie maanden - de toegang tot het gebied worden ontzegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">A Verblijfsverbod dealers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het regime van artikel 2.9, kan de burgemeester op grond van artikel 2.9A een verblijfsverbod opleggen voor de duur van drie maanden aan personen (dealers) die zich schuldig maken aan de handel in drugs of daarop gelijkende waar. Hieronder vallen dus ook slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden voor een afwijkend regime is drieledig. Primair wordt beoogd een einde te maken aan de ernstige verstoring van de openbare orde die met het dealen zelf gepaard gaat. Daarnaast wordt beoogd “de loop uit het gebied” te halen. Door dealers voor langere tijd uit overlastgebieden te weren worden deze gebieden minder aantrekkelijk voor gebruikers, zodat ook de daaraan gerelateerde overlast afneemt. Tot slot is van belang dat de huidige systematiek van verblijfsverboden voor dealers vaak niet effectief is, omdat strafrechtelijk optreden de bestuurlijke maatregel doorkruist. Hierdoor wordt aan dealers veelal geen 24uurs verblijfsverbod opgelegd en wordt er derhalve geen dossier opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan alleen van de bevoegdheid van artikel 2.9A gebruik maken ten aanzien van personen die tevens antecedenten hebben op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. Het kan daarbij gaan om veroordelingen, maar ook om politiemutaties. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze maatregel niet kan worden ingezet bij zogenaamde first-offenders. Het verblijfsverbod kan worden opgelegd indien wordt geconstateerd dat iemand zich schuldig maakt aan handel in drugs of daarop gelijkende waar, dan wel indien aannemelijk is dat iemand zich op straat ophoudt met het doel de hiervoor genoemde gedraging te plegen. Dit kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, het enkele vermoeden dat iemand drugs of daarop gelijkende waar verkoopt of te koop aanbiedt is derhalve niet voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van artikel 2.9A voorziet in een recidivebepaling. Degene die binnen een jaar na een gegeven drie maanden-bevel opnieuw de in het eerste lid genoemde overtreding begaat, krijgt een verblijfsverbod van zes maanden voor het desbetreffende overlastgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">B Verblijfsverbod uitgaansgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan de burgemeester voor het publiek toegankelijke gelegenheden sluiten als daar wordt gehandeld in strijd met de Wet op de kansspelen, (vuur)wapens aanwezig zijn, gestolen goederen worden verhandeld, of andere feiten plaatsvinden die tot het oordeel leiden dat het open blijven van de gelegenheid ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. In de opsomming van feiten die tot een sluiting kunnen leiden ontbreken de handel en de aanwezigheid van harddrugs. Om daartegen te kunnen optreden is in artikel 13b van de Opiumwet een afzonderlijke grondslag voor het toepassen van bestuursdwang opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van art. 2.10 is het niet relevant of de exploitant van de inrichting betrokken is bij de tot sluiting redengevende feiten, of dat hem daarvan anderszins een verwijt kan worden gemaakt. De sluiting beoogt geen straf op te leggen, maar is gericht op het herstel van de openbare orde die in gevaar wordt gebracht door feiten en omstandigheden die in de inrichting plaatsvinden. De schuldvraag is daarbij in principe niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als de voortzetting van de sluiting niet langer nodig is. De burgemeester beoordeelt of dat het geval is. Van belang hierbij is onder meer de bereidheid en de bekwaamheid van de exploitant om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van het gebeurde te voorkomen, bij voorbeeld door herinrichting van het bedrijf, verscherping van het toelatingsbeleid of het aannemen van (ander) personeel. Tijdens de sluiting is het de rechthebbende niet toegestaan om de ruimte zonder toestemming van de burgemeester te (laten) betreden. Dit verbod is van overeenkomstige toepassing op de sluiting van openbare gelegenheden en woningen krachtens de Opiumwet en de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting verkoopinrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid biedt de mogelijkheid om winkels te sluiten die aan verslaafden hulpmiddelen voor harddrugsgebruik verkopen, zoals mesjes, basepijpen, lepeltjes, zilverfolie en weegschaaltjes. Dergelijke verkooppunten werken overlast in de hand, zowel in de directe omgeving van het bedrijf als elders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingstermijn is bepaald op maximaal vier weken. Dit moet in beginsel voldoende zijn om de loop van verslaafden naar de zaak te doorbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid formuleert uitzonderingen op de sluitingsbevoegdheid. Voorzieningen waar met instemming van de overheid in het kader van hulpverlening of aids-bestrijding voorwerpen voor harddrugsgebruik worden verkocht of verstrekt, bijvoorbeeld via spuitverkoopautomaten, zijn toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Werven van klanten voor prostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke overheid heeft een taak ten aanzien van het reguleren van prostitutie. In de APV gebeurt dat, afhankelijk van de verschijningsvorm van de prostitutie, in hoofdstuk 2 en in hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prostitutie is het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten (zie artikel 3.1, tweede lid onder j). Het gaat dus niet alleen om het daadwerkelijk verrichten van seksuele handelingen maar ook om dat wat daaraan vooraf gaat, namelijk het zich daartoe beschikbaar stellen. Ook het werven van klanten valt hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.12 richt zich tot de prostituee en geeft een aantal verbodsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van artikel 2.12 verbiedt, kort gezegd, straatprostitutie. Overigens geldt dit zogenaamde tippelverbod niet uitsluitend voor de openbare weg, maar ook in voor het publiek toegankelijke gebouwen. Dit is om te voorkomen dat prostituees klanten werven in bijvoorbeeld het Centraal Station. Het algemene uitgangspunt is dat straatprostitutie is verboden, tenzij het plaatsvindt op door het college aangewezen wegen (zie hiervoor verder artikel 2.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid betreft, kort gezegd, raamprostitutie. Het algemene uitgangspunt is dat raamprostitutie is verboden, tenzij het plaatsvindt in een raamprostitutiebedrijf, waarvan de exploitant bovendien beschikt over een vergunning op grond van hoofdstuk 3. Deze uitzondering op het verbod van raamprostitutie is terug te vinden in het derde lid van artikel 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot bevat het vierde lid een verbodsbepaling met als doel hinderlijk of aanstootgevend gedrag te voorkomen. Ook deze bepaling richt zich primair tot de prostituee, maar via bijvoorbeeld de verplichting van artikel 3.32 derde lid kan ook de exploitant van een prostitutiebedrijf op de naleving van dit verbod worden aangesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Verbodsbepalingen prostituanten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.13 richt zich niet tot de prostituees, maar tot hun (potentiële) klanten en is daarmee complementair aan artikel 2.12. Kort gezegd verbiedt artikel 2.12 de prostituee om diensten aan te bieden, terwijl 2.13 de klant verbiedt om in te gaan op een aanbod. Dit betekent dat handhavend kan worden opgetreden tegen zowel de prostituee als tegen de klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van 2.13 formuleert een aantal gedragingen die worden beschouwd als het ingaan op een aanbod van een prostituee. Dit is geen uitputtende opsomming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is uiteraard niet van toepassing in een prostitutiebedrijf, waarvan de exploitant beschikt over een vergunning op grond van hoofdstuk 3.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing tippelzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling maakt het mogelijk om op sommige plaatsen straatprostitutie toe te staan. Dat gebeurt aan de hand van een gebiedsaanwijzing (aanwijzing als tippelzone) en is een bevoegdheid van het college. Bij het aanwijzen van een gebied als tippelzone stelt het college ook tijden vast. Op grond van de omstandigheden ter plaatse wordt beoordeeld of aanwijzing als tippelzone kan gebeuren. Daarbij zijn niet alleen de openbare orde en het woon- en leefklimaat relevant, maar ook de verkeersveiligheid bijvoorbeeld. Op grond van het tweede lid is het college eveneens bevoegd om te regelen dat een beperkt aantal prostituees op de aangewezen tippelzone werkzaam mag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze tippelzone mogen uiteraard geen minderjarige prostituees werkzaam zijn, noch prostituees die niet beschikken over een geldige verblijfstitel en die geen arbeid mogen verrichten in Nederland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Handhaving tippelzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de bepalingen van de Politiewet zijn politieambtenaren bevoegd om in het kader van de handhaving een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan zo’n bevel gehoor te geven is geregeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.15 eerste lid geeft hier nog een aanvulling op. Deze bevoegdheden in samenhang maken dat politieambtenaren zowel op als buiten de tippelzone een verwijderingsbevel kunnen geven, aan zowel prostituees als aan andere personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en het derde lid regelen de bevoegdheid voor de burgemeester om een verblijfsverbod op te leggen. Dit houdt in dat het een persoon gedurende een bepaalde periode verboden wordt om zich op de tippelzone te bevinden. Het tweede lid van artikel 2.15 regelt dat deze periode niet langer kan zijn dan drie maanden. Een verblijfsverbod kan pas worden gegeven wanneer iemand al tenminste eenmaal een verwijderingsbevel van een politieambtenaar heeft gekregen. Het derde lid betreft eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in een concreet geval moeten worden gemaakt. De burgemeester heeft hierbij beoordelingsvrijheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Ondersteuning prostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van artikel 2.16 is primair gericht tot anderen dan de prostituee. Het tweede lid geeft aan welke gedragingen in ieder geval als ondersteunen worden beschouwd. De opsomming is echter niet uitputtend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">A Aanwijzing als gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor bepaalde bedrijvigheid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A geeft de burgemeester de bevoegdheid om gebieden, straten of gebouwen aan te wijzen waar het verboden is om zonder exploitatievergunning de bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die worden aangewezen in hetzelfde besluit waarmee een gebied, een straat of een gebouw wordt aangewezen De burgemeester heeft op deze manier een instrument in handen om meer controle uit te oefenen op bepaalde bedrijfsmatige activiteiten en de ondernemers die deze uitvoeren, als uit rapportages van de politie en/of analyses van onderzoeksinstellingen blijkt dat deze activiteiten een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de bedrijven, dat de openbare orde en de veiligheid als gevolg van de activiteiten worden bedreigd of als op andere wijze niet te tolereren ondermijning wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien deze bevoegdheid ingrijpt in de mogelijkheid om vrij een bedrijf te kunnen vestigen en tevens de rechtszekerheid dient te worden gewaarborgd voor ondernemers die al voor de aanwijzing een bedrijf ter plaatse exploiteren zal toepassing van deze bevoegdheid alleen mogelijk zijn als dit naar het oordeel van de burgemeester noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing van de bedrijfsmatige activiteiten is verder in die zin beperkt, dat de aanwijzing geen betrekking zal hebben op bedrijfsmatige activiteiten waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van de APV, zoals voor horeca- en prostitutiebedrijven tenzij het om activiteiten gaat die van die vergunningplicht zijn vrijgesteld. Voor de aanwijzing van een gebied, straat of gebouw bestaan geen beperkingen. Indien daartoe de noodzaak aanwezig wordt geacht kan de burgemeester dus ook de hele gemeente aanwijzen als een gebied waarvoor een vergunningplicht geldt. Daarmee kan de bevoegdheid ook voor bepaalde branches worden gebruikt. De burgemeester vraagt de dagelijks besturen van de stadsdelen om advies vóór hij tot een aanwijzing overgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de redenen die tot aanwijzing hebben geleid niet langer spelen kan de burgemeester het aanwijzingsbesluit weer intrekken. Daarmee komt de vergunningplicht en de verleende vergunningen te vervallen. Het verbod om zonder vergunning in een aangewezen gebied, straat of gebouw de bij dat besluit aangewezen bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen is opgenomen in artikel 3.64.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Hinderlijk gedrag</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gebruik van drank of softdrugs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de in het tweede lid opgenomen regeling voor het instellen van een alcoholverbod op daartoe aangewezen plaatsen, bestaat behoefte aan een bepaling die zich richt tegen hinderlijk drankgebruik in het algemeen in de openbare ruimte. Op grond van het eerste lid kan dan ook worden opgetreden tegen drankgerelateerde overlast die niet tot bepaalde plaatsen beperkt is, of waarvoor het instellen van een absoluut verbod op het gebruik en bezit van alcohol vooralsnog een te zwaar middel is. Hierbij kan worden gedacht aan gevallen van hinder door op straat drinkende toeristen, aan geluidsoverlast door overmatig drankgebruik op pleziervaartuigen, of aan overlast door overloopeffecten uit gebieden waar een alcoholverbod van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kunnen wegen en weggedeelten worden aangewezen waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen, of aangebroken flessen en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Deze bepaling richt zich op de aanpak van problemen op plaatsen waar groepen alcoholverslaafden, zwervers, hangjongeren et cetera structureel met alcoholgebruik samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, lastig vallen en intimideren van voorbijgangers, onderlinge ruzies en vechtpartijen, vervuiling van de omgeving, wildplassen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een in het aangewezen gebied gelegen terras van een horecabedrijf geldt het alcoholverbod uiteraard niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met toepassing van het vierde lid kunnen incidentele uitzonderingen op het alcoholverbod worden gemaakt, bijvoorbeeld voor het houden van een evenement in een park waar dit verbod normaliter van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het zesde lid heeft de burgemeester de bevoegdheidom gebieden aan te wijzen waarin het verboden of aan beperkingen onderworpen is voor detailhandel en slijterijen om alcohol te verkopen gedurende een door de burgemeester vastgestelde periode van tijdelijke aard. De bevoegdheid geldt niet ten aanzien van horecagelegenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verleden zijn afspraken gemaakt met de branche om de alcoholverkoop gedurende bepaalde evenementen te verminderen. Deze afspraken om slechts een beperkt aantal eenheden alcohol per persoon te verkopen (en niet per sixpack), konden echter niet dwingend worden opgelegd. Daarbij golden de afspraken niet voor de kleinere, niet-georganiseerde winkels. Dat leidde tot de scheve situatie dat in supermarkten slechts een beperkt aantal eenheden verkocht werd, terwijl kleinere winkels wel sixpacks bleven verkopen. Met deze nieuwe bevoegdheid wordt onder andere beoogd om in situaties waarin dergelijke afspraken met de branche worden gemaakt, gelijke omstandigheden te scheppen (level playing field). Daarnaast kan overmatig alcoholgebruik grote invloed hebben op (het gevoel van on)veiligheid. Om deze reden is het van belang dat de burgemeester voortaan de mogelijkheid heeft beperkingen op te leggen aan de gehele detailhandel en alle slijterijen in een bepaald gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid om beperkingen te stellen aan de verkoop in een bepaald gebied (denk aan het verbod op de verkoop van sixpacks) is bedoeld voor uitzonderingssituaties en zal slechts gelden voor een beperkte periode, bijvoorbeeld voor (een gedeelte van) de duur van een risicovol evenement. Voor gebruik van deze bevoegdheid kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een zeer risicovolle voetbalwedstrijd. De beperkingen gelden alleen voor een beperkt gebied, bijvoorbeeld het gebied waar het evenement plaatsvindt of de supporters zich ophouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de mogelijkheid alcoholverkoop tijdelijk geheel te verbieden (voor waar het detailhandel en slijterijen betreft) zal slechts in zeer extreme situaties gebruik worden gemaakt, met name in die gevallen waarin het praktisch onmogelijk is om afspraken te maken of beperkingen te handhaven. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer op heel korte termijn - bijvoorbeeld met behulp van social media - een gevaarlijke situatie dreigt te ontstaan in de openbare ruimte (bijvoorbeeld door illegale evenementen of samenkomsten die uit de hand dreigen te lopen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester zal kortom zeer terughoudend van beide bevoegdheden gebruik moeten maken, gelet op het vergaande karakter van de maatregel en het belang van ondernemers om hun zaak te exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede zij nogmaals opgemerkt dat de bevoegdheden dus niet zien op een beperking van de verkoop van alcohol door de horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid is gebaseerd op artikel 25a, eerste lid, en 25c van de Drank- en Horecawet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">A Groepsfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om gebieden of wegen aan te wijzen waarop het verboden is zich te bevinden met een groepsfiets. Een belangrijke doelstelling van deze bepaling is het voorkomen van hinderlijk gedrag en geluidsoverlast door personen op een groepsfiets. Daarnaast levert deze bepaling een instrument om verkeershinder te kunnen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van de groepsfiets is zo geformuleerd dat niet alleen de bierfiets als groepsfiets wordt aangemerkt, maar dat ook andere fietsen waar men met vier of meer personen op kan rijden onder het verbod vallen. Deze ruime formulering maakt het mogelijk varianten op de bierfiets te weren, waarbij bijvoorbeeld geen alcohol op de fiets wordt geconsumeerd, maar waarbij per groepsfiets van café naar café wordt getrokken. Deelname van de omvangrijke en vaak trage groepsfietsen aan het verkeer en het groepsgedrag op dergelijke fietsen leiden op drukke locaties en smalle wegen snel tot hinder. De aanduiding tegen betaling is opgenomen om te voorkomen dat onbedoeld fietsen van particulieren, zoals bijvoorbeeld meerpersoons kindertandems, onder het verbod vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overtreding van het verbod kunnen zowel de bestuurder als de exploitant van de groepsfiets worden aangesproken als overtreder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in of bij gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van artikel 2.18 kan worden ingezet tegen degenen die zich zonder redelijk doel of anderszins hinderlijk ophouden bij of in voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van gebouwen, en andere voor het publiek toegankelijke voorzieningen, zoals haltehuisjes, portieken en parkeergarages.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog daargelaten of dit gepaard gaat met concreet overlastgevend gedrag in de vorm van bijvoorbeeld schreeuwen, uitschelden, bedreigen of de doorgang versperren, roept het doelloos rondhangen van personen of groepen in voor het publiek bestemde ruimten dikwijls sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid op, waardoor een normaal gebruik van deze ruimten wordt belemmerd. Een verbod op dit gedrag is daarom op zijn plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging “zonder redelijk doel” beoogt uit te sluiten dat bijvoorbeeld een glazenwasser onder de verbodsbepaling zou vallen. Door gebruik van het woord “kennelijk” kan zo nodig tegen hinderlijk gedrag in publieksruimten worden opgetreden zonder dat daarover door belanghebbenden is geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met termen als “doelloos” en “hinderlijk” is artikel 2.18 een strafbepaling met tamelijk open normen. Hoewel het uit oogpunt van rechtszekerheid gewenst is om voorschriften zo specifiek mogelijk te formuleren, is het in sommige situaties echter onvermijdelijk dat gewerkt wordt met regels die een algemene typering van het verboden gedrag inhouden, omdat er een zo grote variëteit is aan gedragingen die de delictsomschrijving kunnen vervullen, dat het praktisch niet mogelijk is om deze concreet op te sommen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel2.18</span><span class=\"lf-art-t\">AHinder in en om de woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid. Deze bepaling kan gebruikt worden als omwonenden ernstige hinder ondervinden door gedrag van gebruikers van een woning. Bij ernstige hinder is sprake van dusdanige hinder dat omwonenden herhaaldelijk in hun woongenot worden aangetast. Het gaat dan bijvoorbeeld om geluidsoverlast waardoor bewoners meermaals onvoldoende nachtrust hebben, intimiderende of agressieve gedragingen van omwonenden of ernstige vervuiling van een woning waardoor omwonenden last hebben van stank. Het gaat om gevallen waarbij, naar het oordeel van de burgemeester, niet van omwonenden verwacht kan worden dat zij de hinder dulden of zelf oplossen, of waarbij het initiatief van omwonenden tot een oplossing te komen niet tot einde van de hinder heeft geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in Amsterdam veel mensen op een kleine oppervlakte wonen is enige mate van hinder van omwonenden onontkoombaar. Zo kan een bewoner er last van hebben als andere omwonenden hard op de gemeenschappelijke trap lopen, jonge kinderen hebben die vroeg wakker zijn, overdag een instrument bespelen, kinderen die buiten spelen of een aantal keer per jaar een barbecue houden in de gemeenschappelijke binnentuin. Voor dergelijke gevallen is deze bepaling niet bedoeld. Bij reguliere burenconflicten, conflicten die passen bij het dicht bij elkaar wonen van veel mensen, is het aan de bewoners om daarvoor een oplossing te vinden. In die gevallen is sprake van een normaal maatschappelijk risico: enige mate van hinder is, hoe vervelend dat ook kan zijn voor de betrokkenen, onvoldoende aanleiding voor de overheid om op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zal alleen van deze bepaling gebruik gemaakt worden indien er geen redelijke andere oplossing voorhanden is, zoals optreden door de verhuurder of VVE of minnelijk overleg tussen de gebruiker, de omwonenden en/of de gemeente. Het is aan het oordeel van de burgemeester of de hinder ernstig en aannemelijk is en of er een andere redelijke oplossing voorhanden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebruiker is de persoon die (hoe kortdurend ook) woonachtig is in de woning. Het artikel is gebaseerd op artikel 151d van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid. In dit lid zijn de categorieën gedragingen opgenomen die in ieder geval worden opgevat als ernstig hinderlijk gedrag, waarmee de bepaling voldoende kenbaar en voorzienbaar is. Bij vervuiling in en om de woning wordt dan bijvoorbeeld gedacht aan het niet verwijderen van afval of het in ernstige mate niet schoonhouden van de woning. Bij intimiderende uitingen of gedragingen wordt bijvoorbeeld gedacht aan schreeuwen en schelden, bedreigen met geweld, het bevuilen van een woning of het met regelmaat binnenkijken van andermans woning. Van gevaarzettend gedrag is sprake indien door gedragingen van gebruikers een gevaarlijke situatie bestaat, bijvoorbeeld brandgevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid. In dit lid is de bevoegdheid van de burgemeester weergegeven om een last onder bestuursdwang op te leggen. Doorgaans zal de last in de vorm van een last onder dwangsom worden opgelegd (zie artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht). De last kan worden opgelegd aan de gebruiker van de woning (dat wil zeggen de veroorzaker van het hinderlijk gedrag) of (in het geval van kortdurende verhuur) aan de (ver)huurder of eigenaar van de woning. In het tweede geval wordt gedoeld op vakantieverhuur, waarbij het aanspreken van de gebruiker niet zinvol is omdat deze binnen korte tijd vertrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een last onder bestuursdwang of dwangsom kan niet verder gaan dan het bewerkstelligen van het doel: de beëindiging van de hinder. Een last onder bestuursdwang kan bijvoorbeeld inhouden: het verbod om gedurende de nacht piano te spelen, het gebod om geen vuilnis in de gemeenschappelijke gang te laten staan of het verbod om bezoek te ontvangen in de woning. Per geval zal bij een last onder dwangsom het bedrag worden vastgesteld. De dwangsom kan bij een volgende overtreding worden geïnd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid. Een last onder bestuursdwang wordt enkel opgelegd indien de hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere geschikte wijzen zijn bijvoorbeeld: gesprekken met bewoners, handhaving of beëindiging van de huurovereenkomst, maatregelen die kunnen worden opgelegd door een VVE zoals een boete of ontzegging of het inschakelen van bijvoorbeeld het Meldpunt Zorg en Woonoverlast. Dat betekent dat de maatregel vooral uitkomst zal bieden bij koopwoningen of in gevallen waarin de andere maatregelen niet tot een oplossing hebben geleid of niet waarschijnlijk tot een oplossing zullen leiden. Het is aan het oordeel van de burgemeester om te bepalen of een andere oplossing redelijkerwijs voorhanden is. Met deze bepaling is het ook mogelijk een tijdelijk huisverbod op te leggen (gelijk aan een huisverbod in de Wet tijdelijk huisverbod). Met het opleggen van een huisverbod kan voor rust tussen de omwonenden worden gezorgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Spelen om geld op de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.19 beoogt de negatieve verschijnselen te bestrijden die in het algemeen gepaard gaan met het spelen om geld op of aan de weg: voorbijgangers worden gehinderd in hun bewegingsvrijheid, de toegankelijkheid van winkels en woningen wordt belemmerd, ruzies of vechtpartijen worden in de hand gewerkt. Ook kan het spelen om geld criminele vormen aannemen (zoals met \"balletje-balletje\" het geval kan zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling richt zich niet alleen tegen de spelers maar ook tegen degenen die de verboden activiteiten ondersteunen door bijvoorbeeld op de uitkijk te staan en voor de komst van de politie te waarschuwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan de burgemeester aan personen die het speelverbod herhaaldelijk overtreden een bevel tot verwijdering van maximaal twee weken uit een daartoe aangewezen gebied geven. Conform de handelwijze die wordt gevolgd bij het opleggen van verblijfsverboden in overlastgebieden kan de burgemeester ook hier op grond van politierapporten een verblijfsontzegging opleggen, mits uit deze rapporten voldoende overtuigend blijkt dat het speelverbod binnen een jaar twee keer is overtreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">Slapen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel verbiedt – behoudens ontheffing - het gebruik van de weg als slaapplaats, of het gebruik van tenten, voertuigen, vaartuigen et cetera op of aan de weg of het openbaar water om te slapen of te overnachten. De centrale doelstellingen van het verbod zijn het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het slaapverbod strekt zich ook uit tot vaartuigen, zodat kan worden opgetreden tegen het gebruik van pleziervaartuigen als slaapplaats door drugsverslaafden, zwervers et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid worden woonboten van het verbod uitgezonderd. Door het intrekken van de Wet op de openluchtrecreatie per 1 januari 2008 gelden, afgezien van artikel 2.20, verder geen wettelijke beperkingen meer voor het kamperen buiten kampeerterreinen in de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bedelarij is niet strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Omdat bedelen echter wel tot ernstige overlast kan leiden, bijvoorbeeld omdat opdringerig of agressief om geld wordt gevraagd of omdat bedelarij zelfs kan uitmonden in straatroof, bevat artikel 2.21 een verbod om te bedelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.22</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare fietsverkoop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt normvervaging en verloedering van het straatbeeld door de verkoop en heling van gestolen fietsen tegen te gaan. Op grond van deze bepaling is het niet mogelijk fietsen op of aan de openbare weg voor de verkoop aan te bieden of om ze te kopen. Het verbod richt zich zowel tot de verkoper als de koper.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedrijfsmatige handel in fietsen is in het tweede lid van het verbod uitgezonderd. Onder “bedrijfsmatig” wordt verstaan hetgeen het normale spraakgebruik daaronder verstaat, te weten de handel in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit vindt doorgaans plaats op een markt of in een winkel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanpak van grootschalige, bedrijfsmatige handel in gestolen fietsen moet worden teruggegrepen op het Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is de APV-bepaling niet geschreven. Deze beoogt incidentele, niet-bedrijfsmatige, (ver)koop van gestolen fietsen tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de formulering van het derde lid is gedacht aan bijvoorbeeld Koninginnedag. Het moet dan mogelijk zijn dat particulieren op de vrijmarkt fietsen (ver)kopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzingsbevoegdheid komt vanwege het verband met de openbare orde aan de burgemeester toe.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.23</span><span class=\"lf-art-t\">Veerponten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt de orde op veerponten. Een vergelijkbare regeling is opgenomen in artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000, die werkingskracht krijgt als tot aanbesteding van het veervervoer zou worden overgegaan (artikel 7 Besluit personenvervoer 2000). In dat geval treedt de APV-bepaling terug. Het tweede lid voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast artikel 2.23 kan ongewenst gedrag van passagiers (bijvoorbeeld roken) worden verboden in een huishoudelijk reglement voor de veerponten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Preventie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.24</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.24 strekt tot uitvoering van artikel 151c Gemeentewet, dat het mogelijk maakt om bij verordening de burgemeester de bevoegdheid te geven op openbare plaatsen cameratoezicht uit te oefenen. De burgemeester wijst de plaatsen aan waar het toezicht wordt uitgeoefend en bepaalt, na overleg met de officier van justitie, de plaatsingsduur van de camera’s en de periode waarin de beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling ziet op cameratoezicht in het belang van de openbare orde, waaronder wordt begrepen het voorkomen van strafbare feiten die nadelige invloed hebben op de orde en rust in de samenleving. Onder omstandigheden kunnen de opgenomen beelden ook worden gebruikt voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling heeft een exclusief karakter, dat wil zeggen dat alleen op de in de Gemeentewet omschreven wijze vaste of mobiele camera’s voor een bepaalde duur kunnen worden ingezet in het belang van de openbare orde. Andere vormen van cameratoezicht die ter handhaving van de openbare orde worden uitgeoefend, zoals kortstondig of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen of grootschalige ordeverstoringen, vallen niet onder deze regeling. De bevoegdheid hiervoor kan worden ontleend aan artikel 2 Politiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt evenmin voor situaties waarin camera’s voor bewakingsdoeleinden ter beveiliging van bijvoorbeeld panden en terreinen in de openbare ruimte zijn geplaatst. Hierop ziet artikel 2.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip openbare plaats is ontleend aan de Wet openbare manifestaties, die hieronder verstaat een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Dat een plaats openstaat voor het publiek houdt in dat in principe iedereen vrij is om daar te komen, te verblijven en te gaan, zonder dat het verblijf door de rechthebbende aan een bepaald doel is gebonden, of dat voor het betreden van de plaats beperkingen gelden in de vorm van een meldingsplicht, een voorafgaand verlof of een toegangsbewijs. Openbare plaatsen zijn in de eerste plaats de weg en de plaatsen die een daarmee vergelijkbare functie vervullen, zoals plantsoenen, parken en bijvoorbeeld de voor iedereen vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages en winkelgalerijen. Stadions, warenhuizen, postkantoren, kerken en gemeentehuizen zijn daarentegen geen openbare plaatsen in de zin van de WOM. Zie in dit verband ook de toelichting bij de artikelen 2.32 en 2.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verordening kunnen ook andere dan openbare plaatsen, mits zij voor een ieder toegankelijk zijn, worden aangewezen voor het uitoefenen van cameratoezicht (bijvoorbeeld park-and-rideterreinen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.25</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming van de privacy</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling beschermt op verschillende manieren de privésfeer van burgers. Het eerste lid gaat een te ruim gebruik van bewakingsapparatuur tegen. Op basis hiervan kan bijvoorbeeld worden gevraagd om een afschermkap aan te brengen op bewakingsapparatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid dient ook ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het verbiedt het begluren van personen vanaf de weg. Het vormt daarmee een aanvulling op artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (stalking), dat het inbreuk maken op de levenssfeer van een ander (om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te jagen) strafbaar stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.26</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In samenhang met artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht heeft artikel 2.26 primair tot doel om met behulp van de in het nachtregister opgenomen gegevens de opsporing en aanhouding van door de politie gezochte personen te vergemakkelijken. Daarnaast beoogt de regeling mogelijk te maken dat statistische gegevens worden verzameld over het toeristische en recreatieve bezoek aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid regelt in aanvulling op artikel 438 Wetboek van Strafecht dat de exploitant van een inrichting een doorlopend register moet bijhouden, dat is ingericht volgens een door de burgemeester vastgesteld model.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid ondersteunt de exploitant van de inrichting bij het nakomen van zijn verplichting, door van de bezoeker te verlangen dat hij onmiddellijk bij aankomst opgave doet van een aantal gegevens. Hierbij worden meer gegevens gevraagd dan in artikel 438 Wetboek van Strafrecht zijn opgesomd, namelijk ook de geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit van betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht van de exploitant om de politie inzage in het nachtregister te geven volgt uit artikel 5:20 in samenhang met artikel 5:17 Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan een toezichthouder bevoegd is om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.27</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid beoogt het plegen van misdrijven, zoals diefstal met braak, te bemoeilijken. Het geeft de politie een extra mogelijkheid verdachte personen aan te spreken en de meegevoerde bagage te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een verbod om tassen en dergelijke bij zich te hebben die zijn geprepareerd voor het plegen van diefstal. Het voorschrift verhoogt de drempel om van dergelijke voorwerpen gebruik te maken en kan zodoende een preventief effect hebben bij de bestrijding van winkeldiefstal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reikwijdte van de bepaling beperkt zich tot de openbare weg; in de winkels zelf kan het dragen van tassen en dergelijke door het stellen van huisregels worden verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het derde lid van art. 2.27 geldt het verbod op het bezit van inbrekerswerktuigen of een geprepareerde tas niet als niet onmiddellijk aannemelijk is dat de aangetroffen voorwerpen voor criminele doeleinden bestemd zijn. Dit betekent dat de politie geen inzet pleegt op bijvoorbeeld personen die beroepshalve gereedschap of werktuigen bij zich hebben die bij een inbraak kunnen worden gebruikt (timmerlieden, glazenwassers e.d.) of op bijvoorbeeld dragers van een met etenswaren gevulde diepvriestas die op weg zijn van een winkel naar huis. Zij vallen niet onder de werking van het verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.28</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2.28 tot en met 2.30 sluiten nauw aan bij de bepalingen inzake helingbestrijding in het Wetboek van Strafrecht. Bij gemeentelijke verordening kunnen –in medebewind- aanvullende regels over dit onderwerp worden gesteld. De handelaar die deze regels overtreedt is ingevolge artikel 437ter, eerste lid Wetboek van Strafrecht, strafbaar met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de derde categorie. Er is voorzien in dezelfde straf voor degene die van opkopen zijn beroep of gewoonte maakt zonder daarvan vooraf de burgemeester of een door hem aangewezen ambtenaar op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het al bij formele wet is geregeld, kan de APV geen eisen stellen met betrekking tot het inkoopregister. Dat kan wel ten aanzien van het verkoopregister. De regels over het verkoopregister vormen een nuttig aanvullend instrument voor de bestrijding van heling. Controle van registerplichten heeft een preventieve werking, vergemakkelijkt de opsporing van gestolen goederen en de aanpak van helers, en levert informatie op over de vragers en de aanbieders op de markt voor ongeregelde goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1 geeft een omschrijving van het begrip handelaar. Handelaren in antiek en curiosa zijn tevens handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, zodat zij niet afzonderlijk vermeld hoeven te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omschrijving van ongeregelde goederen is ontleend aan artikel 437, vierde lid, Wetboek van Strafrecht. Het gaat om goederen die buiten de reguliere kanalen om worden verhandeld. Hiervan is sprake bij het verwerven van of overdragen aan willekeurige onbekenden, dus anders dan van of aan de gevestigde, in de branche geordende leveranciers of handelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het register moet doorlopend zijn, dat wil zeggen: chronologisch bijgehouden met uitsluiting van de mogelijkheid latere inschrijvingen tussen te voegen. Evenmin mag het register onregelmatigheden en gapingen vertonen. De vermelding van de opgesomde gegevens dient ertoe de opsporing van ontvreemde goederen te vergemakkelijken. Elke niet-inschrijving levert een strafbaar feit op. De burgemeester kan een model voor het verkoopregister vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.29</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de handelaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van deze verplichtingen is, zoals onder 2.28 al is uiteengezet, strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. De handelaar meldt de uitoefening van zijn bedrijf bij de burgemeester of een door hem aangewezen ambtenaar. Dit kan bijvoorbeeld de chef zijn van het politiedistrict waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Deze kan uiteraard de melding door de in het district werkzame ambtenaren laten opnemen en verwerken. Verstrekt worden gegevens als het woon- en ondernemingsadres en een pasfoto van de handelaar. De ervaring heeft geleerd dat dit voor de helingbestrijding van groot belang is. Het vierde lid draagt de handelaar op om de politie direct in kennis te stellen van een redelijk vermoeden, dat een hen aangeboden goed van misdrijf afkomstig is. De handelaar moet hierin het initiatief nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.30</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt de opsporing van gestolen goederen mogelijk te maken en te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is de bewaartermijn van een opgekocht goed op drie dagen gesteld om de handel niet al te zeer te belemmeren. Niettemin kan het in bepaalde gevallen nodig blijken om deze termijn te verlengen, zodat beter kan worden achterhaald of bij een handelaar aangetroffen zaken van misdrijf afkomstig zijn. Daarom is in het tweede lid de bevoegdheid gegeven om de bewaartermijn tot maximaal veertien dagen te verlengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-231-188\"><span class=\"lf-art-num\">Art 2.31</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.31 wordt het de exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar in dat bedrijf welke zaak dan ook verwerft, voorhanden heeft of op enige wijze overdraagt. Vanwege de geadresseerden van het verbod (de exploitant en de leidinggevende) strekt artikel 2.31 niet ter uitvoering van de artikelen 437 en 437ter Wetboek van Strafecht. Het berust dus op de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad en de strafbaarstelling is geregeld in artikel 6.1 APV.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Manifestaties, optochten, voetbalwedstrijden en evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.32</span><span class=\"lf-art-t\">Openbare manifestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Wet openbare manifestaties (WOM) is van toepassing op activiteiten die vallen onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 van de Grondwet, namelijk betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, voor zover die worden gehouden op openbare plaatsen. De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen, dat wil zeggen uitingen van meer dan twee personen. De WOM kent bepaalde bevoegdheden toe aan de gemeenteraad en de burgemeester namelijk het hanteren van een kennisgevingstelsel, het geven van aanwijzingen, en - in het uiterste geval - het beëindigen van een manifestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2.32 en 2.33 geven nadere invulling aan het doen van een kennisgeving van een voorgenomen openbare manifestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM aan de burgemeester uitsluitend repressieve bevoegdheden toe. Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist. De gedachte hierachter is dat voor manifestaties op niet-openbare plaatsen een terughoudende opstelling vooraf van de overheid op haar plaats is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WOM definieert wat een openbare plaats is: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Dat wil zeggen dat een ieder in beginsel vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan. Op een zodanige plaats is het verblijf niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden. Op grond hiervan kunnen bij voorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als openbare plaatsen worden aangemerkt, maar wel openbare wegen, pleinen, speelweiden, parken, en de voor ieder vrij toegankelijke gedeelten van bijvoorbeeld overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen en vliegvelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn allerlei activiteiten op of aan de weg die geen manifestaties zijn in de zin van de WOM. Deze worden aangeduid met de verzamelterm \"evenementen\". Het gaat daarbij om activiteiten die erop gericht zijn publiek aan te trekken of die feitelijk tot allerlei samenkomsten op of aan de weg leiden, zie de artikelen 2.40 en volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van de in het tweede lid opgenomen verplichting is strafbaar gesteld in de WOM. Op grond van die wet kan de burgemeester onder omstandigheden de manifestatie verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is van de kennisgevingsplicht uitgezonderd een manifestatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de WOM. Het gaat hierbij om regelmatige samenkomsten op vooraf bepaalbare tijdstippen van kerkgenootschappen en dergelijke, waarbij met een eenmalige kennisgeving kan worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid heft de genoemde verplichting -en dus de strafbaarstelling- op, als naar het oordeel van de burgemeester van bijzondere omstandigheden sprake is, bijvoorbeeld bij een spontane publieke samenkomst naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Wel geldt dan de verplichting onverwijld mondeling kennis te geven van de manifestatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke manifestatie is als een betoging op te vatten, omdat volgens de jurisprudentie van een betoging sprake is, wanneer een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep erop uit is een mening uit te dragen. Bij deelneming van twee personen kan al sprake zijn van een collectieve uiting. Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het element van de meningsuiting moet voorop staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het uitdragen van de mening op de achtergrond raakt en dwangmiddelen jegens de overheid of derden domineren, bij voorbeeld bij blokkades van wegen, is grondwettelijke bescherming niet aan de orde: demonstreren mag, blokkeren mag niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV is geen verbodsbepaling voor manifestaties opgenomen. Een demonstratie of betoging kan slechts op grond van de WOM door de burgemeester worden verboden. Volgens jurisprudentie is er bij voorbeeld reden voor een verbod wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen. De enkele omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt of tegendemonstraties uitlokt biedt dus onvoldoende basis voor een verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbod kan ook worden gegeven als de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan of de vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen in strijd met het verbod is strafbaar ingevolge artikel 11 van de WOM.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.33</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving manifestatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kennisgeving bevat ten minste de in het eerste lid genoemde gegevens. Onder omstandigheden kan het nodig zijn dat nog andere gegevens moeten worden overgelegd. Het bewijs van kennisgeving vormt voor de organisator het bewijs dat hij aan zijn wettelijke verplichting heeft voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.34</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving optocht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Optochten zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten en parades kunnen doorgaans niet worden gezien als een middel tot het uiten van een mening, gedachten of gevoelens, en vallen als zodanig niet onder de bescherming van de Grondwet, het EVRM en de Wet openbare manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn in artikel 2.34 voor het melden van een optocht heeft tot doel de politie en het bestuur voldoende tijd te geven om de route en andere relevante aspecten te toetsen en, waar nodig, in overleg met de organisator, maatregelen te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de Wet openbare manifestaties niet van toepassing is bevatten de artikelen 2.35 en 2.36 de mogelijkheid om voorschriften te stellen aan de te houden optocht of om de optocht te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het houden van een optocht zonder dat daartoe een kennisgeving is gedaan, in strijd met gestelde voorschriften dan wel met een opgelegd verbod om de optocht te houden, betekent een overtreding van de APV en is als zodanig strafbaar gesteld in artikel 6.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.37</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving voetbalwedstrijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde overwegingen als bij optochten gelden mutatis mutandis ook voor het verplicht vooraf in kennis stellen van een te houden wedstrijd in het betaald voetbal, voor het verbinden van voorschriften daaraan en voor het opleggen van een verbod om de wedstrijd te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het tweede lid van artikel 2.37 opgenomen afwijkende termijn is bedoeld om in te kunnen spelen op bijvoorbeeld onvoorziene afwijkingen in het speelschema of het houden van een vooraf niet geplande wedstrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de mogelijkheid om een verbod als bedoeld in artikel 2.39 op te leggen kan bijvoor-beeld gebruik worden gemaakt als de veiligheid van de toeschouwers niet voldoende kan worden gegarandeerd door onvoldoende politiecapaciteit of omdat voor ernstige wanordelijkheden tussen rivaliserende supportersgroepen of relschoppers moet worden gevreesd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.40</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen, van groot tot klein, vervullen een belangrijke functie in de stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beoordelen of een voorgenomen evenement doorgang kan vinden moet met veel verschillende belangen rekening worden gehouden. Gekozen is voor een vergunningstelsel omdat in dat kader het noodzakelijke vooroverleg, de benodigde advisering van betrokken diensten, de onderlinge afstemming van wensen en voorschriften en mogelijke belangen van derden het best gestalte kunnen krijgen. Door aan de vergunning voorschriften te verbinden kunnen al deze belangen worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel legt de vergunningplicht voor evenementen vast (zie voor uitzonderingen de artikelen 2.41 en 2.42) evenals de termijn die voor het indienen van een aanvraag in acht moet worden genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 174</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeentewet kent het toezicht op evenementen exclusief aan de burgemeester toe, vandaar dat de burgemeester het vergunningverlenende orgaan is</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een evenement wordt doorgaans georganiseerd. De vergunning wordt daarom aangevraagd door en verleend aan de organiserende (rechts)persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juist omdat voor evenementen ter voorbereiding vaak een periode van advisering en overleg nodig is tussen ambtelijke diensten en de organisator is voor het indienen van een aanvraag een termijn van ten minste acht weken voor de aanvang vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dient de organisator de aanvraag te laat in, dan loopt hij het risico dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht stelt regels ter zake. De burgemeester kan voor eenvoudige evenementen van de gestelde termijn afwijken. Ook kan hij voor bijzondere evenementen een afzonderlijke aanvraagtermijn vaststellen. Dat is van belang voor (periodieke) grootschalige evenementen zoals de Uitmarkt, Koningsdag, Gay Pride, de marathon van Amsterdam en Sail.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-241-190\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 2.41</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplicht eendaagse evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kleinschalige evenementen vallen niet onder de vergunningplicht van artikel 2.40 mits wordt voldaan aan de in het eerste lid genoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld is om de vergunningplicht niet te hanteren voor kleine evenementen die van weinig of geen invloed zijn op de omgeving, in beginsel vrijwel altijd worden toegestaan en waarvoor standaardvoorschriften kunnen gelden. De administratieve lasten voor de organisator worden hiermee gereduceerd evenals de bestuurlijke lasten voor het stadsdeel dat de evenementenvergunning namens de burgemeester verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder a: ‘op enig moment’ impliceert dat het denkbaar is dat er, gerekend over de hele duur van het evenement, in totaal meer dan 100 bezoekers zijn geweest mits deze maar niet allemaal op hetzelfde moment aanwezig zijn; onder ‘bezoekers’ worden ook ‘deelnemers’ verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder b: als een evenement plaatsvindt op zondag vóór 13.00 uur is volgens de Zondagswet een ontheffing van de burgemeester nodig; ingeval bij het evenement zoals de wet dat formuleert ‘zonder strikte noodzaak gerucht wordt verwekt dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is’ is ook ná 13.00 uur ontheffing vereist; dit laatste zal geen rol spelen bij evenementen waarbij met een kennisgeving kan worden volstaan omdat in dat geval geen versterkte muziek ten gehore mag worden gebracht die een dergelijk bereik heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder c: zodra de rijbaan wordt afgezet voor een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig; bij een klein evenement dat niet wordt gehouden in een drukke straat zal dit in het algemeen weinig problemen geven; vindt het evenement plaats op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor passanten; als richtlijn wordt hierbij 1.50m aangehouden.0 Eerste lid onder d: 75 dB(C) is de maximale geluidsnorm bij niet op muziek gerichte vergunningplichtige evenementen. Een gevelbelasting van 75 dB(C) wordt als acceptabel beschouwd omdat hiermee, rekening houdend met een gemiddelde gevelisolatie van 20 dB(A), de verstaanbaarheid binnen in de woningen niet in het geding is. Eventuele toch nog ervaren hinder in woningen wordt voor evenementen als acceptabel beschouwd, gezien het kortstondige en incidentele karakter ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder e: bedoeld worden objecten zoals een kleine partytent, waaronder wordt verstaan een aan één of meer zijden open tent met een maximaal vloeroppervlak van 10 m², een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen en dergelijke; om de kleinschaligheid van het evenement te waarborgen is het maximaal toegestane aantal voorwerpen op twee gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder f: als dergelijke zaken wel te koop worden aangeboden is hiervoor toestemming nodig op grond van de Drank- en Horecawet respectievelijk de Marktverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder g: onder ‘commercieel’ wordt in dit verband verstaan het maken van reclame die is bedoeld om het evenement onder de aandacht te brengen van anderen dan buurtbewoners, verenigingsleden et cetera en die is gericht op het aantrekken van belangstellenden van buiten; dat laatste geeft het evenement een commercieel karakter en daarvoor blijft een vergunning verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in de praktijk niet altijd gemakkelijk om aan te geven wanneer sprake is van buurtgebonden of verenigingsgebonden en wanneer niet meer. Relatief gemakkelijk is aan te geven wanneer dat wel het geval is: zo zal een barbecue zich meestal tot de eigen straat beperken en zal een klein buurtfestival waarschijnlijk een iets grotere radius hebben terwijl een roeiwedstrijd met name door leden van de roeivereniging en hun aanhang zal worden bezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de bepaling vallen eveneens kleinschalige evenementen met een besloten karakter waarvan het voor buitenstaanders duidelijk en zichtbaar moet zijn dat het evenement alleen toegankelijk is voor genodigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder h: als er bij een evenement dieren worden gebruikt die geen onderdeel uitmaken van de dagelijkse bedrijfsvoering (zoals bijvoorbeeld bij kinderboerderijen, kennels en maneges) dan moet kunnen worden vastgesteld of er wordt voldaan aan de voorschriften voor dierenwelzijn uit de Wet Dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid benadrukt het belang dat de burgemeester tijdig in kennis wordt gesteld van het voornemen om een klein evenement te organiseren. Het betrokken stadsdeel en de hulpdiensten zijn op die manier op de hoogte waar en wanneer er iets in de openbare ruimte wordt georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een termijn van minstens twee weken wordt hiervoor voldoende geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijkende termijn voor een evenement op het openbare water (derde lid) wordt ingegeven door de noodzaak om het scheepvaartverkeer door middel van de scheepvaartberichten ruimschoots van te voren op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften die de burgemeester kan stellen in verband met een ordelijke en veilig verloop van een evenement of ter voorkoming van hinder en overlast voor derden kunnen zowel algemene voorschriften zijn die betrekking hebben op alle kleine evenementen als specifieke voorschriften die zijn toegesneden op bepaalde categorieën evenementen zoals barbecues of buurtfestivals.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nodig kan het evenement in het belang van openbare orde, gezondheid en veilig-heid of in geval van uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte worden verboden (vijfde lid). Samenloop met gelijktijdige andere gebeurtenissen in de openbare ruimte of slechte ervaringen met een eerder evenement worden hier als voorbeeld genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het zesde lid bedoelde beperkingen kunnen zowel gelden voor gebieden of straten waarin slechts beperkt of helemaal geen evenementen mogen plaatsvinden als voor bepaalde periodes in het jaar waarvoor dit het geval is. Deze beperkingen worden per stadsdeel vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelen in strijd met het verbod als bedoeld in het zevende lid is een overtreding van de APV en is als zodanig strafbaar gesteld in artikel 6.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.42</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzondering vergunningplicht op evenemententerrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzien is in de mogelijkheid om geschikte locaties aan te wijzen waar de vergunningplicht eveneens wordt vervangen door een kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van een aangewezen plaats kunnen ook algemene regels worden vastgesteld. Omdat iedere plek zijn eigen specifieke lokale omstandigheden kent zijn hiervoor geen stadsbreed geldende regels opgesteld; de aanwijzing van bijvoorbeeld het Amstelveld verschilt nu eenmaal van een terrein in het Flevopark.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwel altijd zal maatwerk nodig zijn: aantal bezoekers, aard van de evenementen, geluidbelasting, het gewenste aantal keren per maand of per seizoen et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">De te maken keuzes hierbij zullen per stadsdeel kunnen verschillen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.43</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming van weigeringsgronden geeft aan welke belangen door de evene­mentenvergunningplicht worden gediend. Bij de vergunningverlening kan een integrale afweging van de bij het evenement betrokken belangen plaatsvinden. Daarbij kan het beslag dat het evenement legt op de inzet van hulpdiensten worden meegewogen. Naarmate het evenement een meer commercieel karakter krijgt is het minder vanzelfsprekend dat voor het evenement (gratis) overheidsdiensten worden verleend, zoals het reinigen van de weg na afloop. Bij evenementen die een meer algemeen belang vertegenwoordigen, zoals herdenkingen, kan de afweging anders liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonodig kan een hierop afgestemd beleid worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht geldt ook voor evenementen op het water. Om elk misverstand uit te sluiten is de belemmering van het scheepvaartverkeer als een zelfstandige weigeringsgrond opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.44</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de in artikel 2.43 genoemde belangen kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in het algemeen mogelijk om -hetzij als voorwaarde voor het verkrijgen van een vergunning hetzij als vergunningvoorschrift- financiële voorwaarden aan een vergunning te verbinden, mits deze het belang dienen waarvoor de vergunningeis geldt en de wet geen andere methoden voorschrijft om het beoogde resultaat te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat een borgsom kan worden verlangd om de nakoming van de vergunningvoorschriften te verzekeren. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn voor het herstel van de eventuele schade die het evenement aan openbare voorzieningen heeft veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.45</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.45 worden zoveel mogelijk andere gemeentelijke vergunningplichten die van toepassing zijn op het evenement en het evenemententerrein bij de aanvraag betrokken. De organisator ontvangt één geïntegreerde vergunning voor het hele evenement. Het woord vergunningen moet in dit verband ruim worden opgevat, ook ontheffingen en andere toestemmingen vallen hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voorwerpen op de weg zoals podia met de daarbij behorende voorschriften wordt aldus in de evenementenvergunning geregeld evenals bijvoorbeeld het (tijdelijk) innemen van een staanplaats op het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanpak leidt tot een vergaande vereenvoudiging van procedures. Het belang van de organisator wordt hiermee gediend: zijn aanvraag wordt in haar geheel behandeld. Ook is gebleken dat organisatoren behoefte kunnen hebben aan meer armslag om tot de gewenste invulling van het evenement te komen, bijvoorbeeld door het maken van afspraken met derden. Daardoor kan hij in bepaalde gevallen meer inkomsten genereren ten behoeve van de organisatie. Dit heeft voor de gemeente het voordeel dat in redelijkheid meer eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van de door de organisator te treffen voorzieningen, bijvoorbeeld met betrekking tot het schoonhouden en schoonmaken van het evenemententerrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het evenemententerrein zijn activiteiten van anderen dan die van de evenementvergunninghouder verboden, ook al zouden zij op grond van een vergunning ingevolge de APV of een andere gemeentelijke verordening mogen worden uitgeoefend. Het kan immers zijn dat die activiteiten strijdig zijn met de opzet, de aard of de organisatie van het evenement. Als dat niet het geval is, kunnen die activiteiten alleen worden uitgeoefend als zij in de vergunning worden vermeld en de betrokkenen zich jegens de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en beperkingen in de evenementenvergunning na te leven. In dat geval is voor hen geen afzonderlijke vergunning vereist.</p></div>", "next": 239746}