{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op die manier dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van of van een gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen, waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fietsen of bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling2Collecteren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven en huis- aan huis acties te houden als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt het college in nadere regels vast in welke gevallen het verbod niet van toepassing is zie bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling3Venten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen in het kader van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel r; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op: zondagen; maandag t/m zaterdag tussen 17.00 en 09.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijheid van meningsuiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling4Standplaatsen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals bijvoorbeeld een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een: jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; evenement als bedoeld in artikel 2:12.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de standplaatsvergunning en Weigeringsgronden zie bijlage.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 5:17, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling5Snuffelmarkten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:20</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen Afdeling6Openbaar water Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt verstaan onder: aanlegsteiger: voorziening waaraan schepen kunnen afmeren en ligplaats kunnen nemen; afmeren: het vastleggen van een schip aan wal; ankeren: het vastleggen van een vaartuig aan de bodem van het vaarwater; bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten; dag: de periode tussen 00:00 uur en 24:00 uur; haven: een tot duurzame exploitatie bestemde accommodatie te land en/of te water, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt geboden tot het ter plaatse al of niet onder toezicht gedurende langere tijd achterlaten van een vaartuig, ongeacht of met die exploitatie al of niet winst wordt beoogd; klein schip: een vaartuig, zijnde een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt, waartoe als lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder boegspriet, de papegaaistok en het trim vlak, dit met uitzondering van: een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te assisteren, te duwen of om langs de zijkant vastgemaakt mee te voeren; een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren; een veerpont, een visserschip en een duwbak. ligplaats: een gedeelte van het openbaar water dat ingevolge deze verordening door een schip met bijbehorende voorzieningen mag worden ingenomen; oever: overgang tussen land en het openbaar water; openbaar water: water zoals omschreven in artikel 1:1, aanhef, onder j. passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot: vervoer van personen, of; om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen; passantenplaats: een ligplaats uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen; pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter; rietkraag: rand van riet langs de oever; rondvaartboten/feestboten: een passagiersvaartuig, zoals gedefinieerd in onderdeel i, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot het vervoer van personen, of om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen; scheepswerf: een bedrijf waar schepen worden gebouwd, verbouwd, gerepareerd of geassembleerd. schip: elk vaartuig of watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;</p>\n<p class=\"lf-p\">snelle motorboot: een klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller kan varen dan 20 kilometer per uur; surfoever: een veelal door borden of andere merktekens aangeduide plaats op de oever waar door surfers pleegt te worden aangeland; tijdelijke ligplaats: het innemen van een ligplaats korter dan 3 achtereenvolgende dagen; werkstrook: strook in en/of langs het water, waarbinnen werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, die onlosmakelijk verbonden zijn met de vestiging en/of uitvoering van bedrijfsactiviteiten zoals deze zijn toegelaten op een daarvoor bestemde scheepswerf; zwemgelegenheid in oppervlaktewater: locatie in oppervlaktewater, niet zijnde een zweminrichting, waar door een aanmerkelijk aantal personen in elkaars nabijheid pleegt te worden gezwommen; zweminrichting: een voor het publiek toegankelijke plaats die is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, bouwwerken en uitrustingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder oevers zijn mede begrepen de oeverbeschermingen en de daarvan deel uitmakende beplantingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (Tijdelijke) ligplaats</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats pleziervaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een pleziervaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een pleziervaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een pleziervaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel5:25(Tijdelijke) ligplaats buiten de havens 1.Het is verboden met een vaartuig buiten de havens langer dan 3 achtereenvolgende dagen op dezelfde locatie een ligplaats in te nemen of, als het vaartuig is verplaatst, binnen 3 dagen weer dezelfde ligplaats in te nemen. Onder een dag wordt verstaan de tijd tussen 00:00 uur en 24:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten aanzien van het genoemde in het eerste lid geldt dat als het vaartuig wordt verplaatst naar een plaats gelegen binnen een afstand van 500 meter hemelsbreed gemeten van een eerder ingenomen verboden ligplaats, het vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn blijven liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet: voor bedrijfsvaartuigen die direct of indirect betrokken zijn bij ontgronding of bij de inrichting van de wateren; op de bestemde werkstroken ten behoeve van de scheepsbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het is verboden met een vaartuig buiten de havens: aan de oever een (tijdelijke) ligplaats in te nemen; met een vaartuig een (tijdelijke) ligplaats in te nemen in de voor de oever gelegen rietkraag; in de rietkraag of oever te ankeren; een vaartuig te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten leggen aan de oever anders dan op de daarvoor door het college aangewezen of bestemde plaatsen die ter plaatse nader zijn aangeduid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen (tijdelijke) ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een (tijdelijke) ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne of het aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een (tijdelijke) ligplaats op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement en de Waterwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen (tijdelijke) ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een (tijdelijke) ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met artikel 5:26, tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats buiten de havens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats/verbod tot ankeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare orde en veiligheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, of de provinciale omgevingsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor onmiddellijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verstoren goede orde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op het openbaar water de goede orde te verstoren, onder meer door: het veroorzaken van geluidhinder, in welke vorm ook; op enigerlei wijze de rust te verstoren tussen 22.00 uur 's avonds en 07.00 uur ’s morgens; het verontreinigen van het terrein, het water, de gebou¬wen, de stei¬gers en andere werken door vuilnis, olie, chemicaliën, bilgewater, etc.; het gebruik van een boordtoilet of het anderszins storten van fecaliën en bijkomend afvalwater in openbaar water; het onvoorzichtig omgaan met vuur, daaronder begrepen het aan te water liggende vaartuigen uitvoeren van werkzaamheden, waarbij hoge temperatu¬ren ontstaan, alsmede het onvoor¬zichtig omgaan met benzine, gas of andere ontvlambare stoffen; het laten proefdraaien van boordmotoren met ingeschakelde schroef.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is voorts verboden: aan steigers of palen te spijkeren of enige andere voorziening te maken waarvoor geen toestemming is verleend door het college; aanpassingen aan de waterbodem en/of puinbestortingen te maken; aanlegtouwen etc. over het loopvlak van de steigers of voet¬paden te bevestigen; oevergroen te snoeien en/of te maaien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passagiersvaartuigen en waterscooters</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Afmeren passagiersvaartuigen (o.a. rondvaartboten, feestboten en riviercruises)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden met een passagiersvaartuig af te meren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod in het eerste lid geldt niet: voor het afmeren aan de aanlegsteigers binnen de kernen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stevensweert, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Thorn, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wessem, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening. en een daartoe strekkende vergunning is verleend door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Waterscooters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een oever en het openbaar water een waterscooter, die zich in een kennelijk voor onmiddellijk gebruik geschikte en beoogde staat bevindt, bij zich te hebben anders dan op daartoe door of namens de Minister, ingevolge het Binnenvaartpolitiereglement, of door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig verbod</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:38</span><span class=\"lf-art-t\">Overig verbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen twintig meter van een in gebruik zijnde zweminrichting, zwemgelegenheid of surfoever te ankeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passantenhavens</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:39</span><span class=\"lf-art-t\">Bestemming passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De binnen de gemeente als zodanig aangeduide passantenhavens zijn uitsluitend bestemd voor: pleziervaartuigen met een maximale lengte van 15 meter, en; een maximale diepgang van 1.80 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden met andere vaartuigen een ligplaats in te nemen in de passantenhavens.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het is verboden een ligplaats in te nemen op de volgens aanduiding voor anderen gereserveerde gedeelten van de steigers in de passantenhavens.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod genoemd in het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht. In de passantenhaven Maasbracht betreft de maximale lengte voor pleziervaartuigen 20 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:40</span><span class=\"lf-art-t\">Tijden van verblijf passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden langer dan 3 achtereenvolgende dagen een ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen en nadat deze periode is verstreken, binnen 12 uren opnieuw ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een ligplaats in te nemen, vaartuigen te verplaatsen of de passantenhaven te verlaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:41</span><span class=\"lf-art-t\">Afmeren passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De schipper op een vaartuig moet ervoor te zorgen, dat het vaartuig op deugdelijke wijze is afgemeerd, op een manier dat het vrij van andere vaartuigen, steigers of palen blijft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:42</span><span class=\"lf-art-t\">Liggeld passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor het verblijf met een vaartuig in de passantenhaven tussen 18.00 en 07.00 uur is liggeld verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van het liggeld en de wijze van inning wordt door het college vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.43</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiksregels passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de passantenhaven te zwemmen, te spelevaren, te hengelen of te surfen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van 22.00 uur tot de volgende ochtend 7.00 uur moet de nachtrustperiode in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook daarbuiten is geluidhinder of anderszins hinderlijk gedrag verboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:44</span><span class=\"lf-art-t\">Milieuhygiëne en veiligheid passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is niet toegestaan roerende zaken op de kaden te plaatsen en deze kaden anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verwijderen of achterlaten van afval, vuilnis en het lozen van de inhoud van vuilwatertanks, chemische toiletten etc. is op de locatie van de passantenhaven verboden. Gebruik moet worden gemaakt van elders door derden ter beschikking gestelde voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien als gevolg van een ongeval, lekkage of anderszins benzine, andere ontvlambare of verontreinigde stoffen overboord gaan of anderszins in het water of op de oever terechtkomen, is de schipper op een vaartuig verplicht dit onmiddellijk aan de beheerder van de passantenhaven of bij diens afwezigheid aan de politie te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het gebruik van een direct op het water lozend toilet is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het vaartuig dient te zijn uitgerust met een goed functionerende brandblusser.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:45</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod onderhoudswerkzaamheden passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in de passantenhaven zonder ontheffing van het college belangrijke reparaties of groot onderhoud aan vaartuigen te verrichten of te laten verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:46</span><span class=\"lf-art-t\">Ordebepaling passantenhavens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op een vaartuig is zolang het vaartuig in de passantenhaven verblijft, verplicht alle aanwijzingen op te volgen van de beheerder en toezichthoudende ambtenaren van de gemeente Maasgouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:47</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:48</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:49</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden en terreinen; binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het opgenomen verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8Vuurverbod</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:50</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of anderszins vuur stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sint Maartensvuren, mits wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in de Nadere regels evenementen en de voorschriften zoals opgenomen in de verleende ontheffing op grond van artikel 10.2 en 10.63 Wet Milieubeheer zie bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling9Verstrooiing van as</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:51</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder incidentele as verstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:52</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele as verstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan voor een bepaalde periode verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:53</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele as verstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Sanctiebepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:5, vijfde lid juncto eerste lid en 2:6, tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de politieambtenaren werkzaam binnen het grondgebied van de gemeente Maasgouw; buitengewoon opsporingsambtenaren, faunabeheerders en wildbeheerseenheden, die werkzaam zijn binnen de politie eenheid Limburg en/of deel uitmaken van het BOA netwerk van de politie eenheid Limburg; opsporingsambtenaren en handhavers in dienst van het Servicecentrum MER, afdeling Omgevingsdienst, team Toezicht, ieder voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd; ingehuurde opsporingsambtenaren die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles voeren; ambtenaren van de provincie Limburg belast met het toezicht op handhaving van de openbare ruimte en/of milieuwetgeving in opdracht van de gemeente Maasgouw; medewerkers van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles uitvoeren; ambtenaren van de waterschappen die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles uitvoeren; de Groene Brigade van de provincie Limburg voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde, veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2017 wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van artikel 2:54a, eerste tot en met derde lid, treedt de Algemene plaatselijke verordening per 1 januari 2021 in werking. Artikel 2:54a, eerste tot en met derde lid, treedt in werking de dag na bekendmaking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 15 december 2020.De raad van de gemeente Maasgouw,De griffier,G.H. BakkesDe burgemeester,S.H.M. StrousToelichting op de Algemene plaatselijke verordening 2020 Maasgouw In deze toelichting wordt gesproken over de Algemene plaatselijke verordening (hierna APV) gevolgd door het jaartal waarop de desbetreffende APV is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verschillende termen worden gebruikt om een onderscheid te kunnen maken tussen de oude APV’s en de (gewijzigde) APV 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze gewijzigde APV een aantal zaken aangepast, toegevoegd of verwijderd om de APV te actualiseren. Het betreft onder andere het volgende: het vervangen van vervallen verwijzingen zoals bijv. de drank- en horecawet door de Alcoholwet; het schrappen of vervallen van de term Outlaw Motor gang en het artikel over lachgas; er is een vergunningplicht opgenomen voor het maken of veranderen van een uitweg en het exploiteren van een jachthaven; er is een verplichting opgenomen voor het voeren van een digitaal nachtregister; er is een verplichting opgenomen voor het voeren van een digitaal opkoopregister (DOR); hoofdstuk 3, seksinrichtingen, sekswinkels en straatprostitutie is aangepast; in het artikel over het verbod op het plaatsen van kampeermiddelen buiten kampeerterreinen is nu duidelijk omschreven onder welke voorwaarden er van het verbod afgeweken kan worden; het artikel over het parkeren van grote voertuigen is geactualiseerd; het artikel “messenverbod” en het artikel “sluitingsbevoegdheid voor publiek openstaande bedrijfspanden” is toegevoegd;</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-1-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de definitie beperkingengebiedactiviteit toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Het is daarom praktischer de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Omgevingswet. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Omgevingswet brengt hierin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Deze omschrijving verwijst naar bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats \"open staat\" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’. De term ‘aan de weg’ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Als het gaat om stations die nog een doorloopfunctie hebben, of waarin bijvoorbeeld winkels aanwezig zijn, dan zijn deze (doorgangen in) stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame Onder reclame valt ook indirecte reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om reclame die niet de directe doelstelling heeft om reclame te maken, maar die wel dat effect heeft. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het maken van reclame middels graffiti op een muur zichtbaar vanaf de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat reclame niet alleen betrekking heeft op handelsreclame, is ook een definitie van het begrip “ideële reclame” opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-2-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de APV 2017 is de beslistermijn, conform het advies van de VNG vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan Artikel 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingswet Het derde lid is in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Omgevingswet een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-4-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften, voorwaarden en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het artikel is in een eerdere APV de definitie voorwaarden toegevoegd. Voorwaarden zijn namelijk niet hetzelfde als voorschriften en beperkingen. Zo kan een voorwaarde zijn dat alleen van de toestemming gebruik mag worden gemaakt als zich een bepaalde omstandigheid voordoet. Door de toevoeging worden de mogelijkheden van het bevoegd bestuursorgaan vergroot.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-5-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde intrekking, schorsing en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking, wijziging of schorsing wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-7-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt b.: uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt c: als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, moet beargumenteerd worden waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Vergunnings- of ontheffingsstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning of ontheffing. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is er daarom voor gekozen om in artikel 1:8 algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid biedt een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude artikel 1:9, Lex Silencio Positivo (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen), vervallen In een eerdere APV is al besloten om in dit artikel niet meer vast te leggen voor welke vergunningen of ontheffingen, die onder de Europese Dienstenrichtlijn vallen, wel of geen Lex Silencio Positivo (LSP) geldt. In plaats daarvan is dit per artikel apart aangegeven. Daarom is het oude artikel 1:9 van de APV in 2010 geschrapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de komst van de omgevingswet vervalt de ‘lex silencio positivo’ voor omgevingsvergunningen. Voor vergunningen die geen omgevingsvergunningen zijn, zoals APV vergunningen kan de lex silencio nog wel van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vast te stellen of het noodzakelijk is om in een verordening uitdrukkelijk te bepalen dat de lex silencio positivo (LSP) van toepassing is of juist niet, moet eerst gekeken worden welke hogere regeling op de geregelde materie van toepassing is, en als dat het geval is, of daaruit reeds de toepasselijkheid van de LSP voortvloeit (hoger recht gaat immers vóór). Er zijn dan twee mogelijkheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de LSP reeds op grond van hoger recht (bijv. artikel 28 van de Dienstenwet) van toepassing is, kan het wenselijk zijn dit uit te zonderen om ‘dwingende redenen van algemeen belang’, hetgeen in de toelichting gemotiveerd moet worden. Zie verder, v.w.b. de Dienstenwet, ook het factsheet over de LSP van Europa Decentraal: https://europadecentraal.nl/wp-content/uploads/2013/01/factsheet-lsp.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de LSP niet reeds op grond van het hogere recht van toepassing is, kan het wenselijk zijn bij verordening te bepalen dat deze van toepassing is.Als het niet nodig is om de LSP uitdrukkelijk uit te zonderen overeenkomstig stap 1 of als het niet wenselijk is de LSP van toepassing te verklaren overeenkomstig stap 2, hoeft er niets geregeld te worden. In het geval stap 1 of stap 2 wel van toepassing zijn is bij het betreffende artikel aangegeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Openbare orde</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een analyse van de aanpak van de jongerenoverlast in Heel in het najaar van 2013 is gebleken dat het onderdeel ‘samenscholing’ in het oude artikel van de Apv 2013 suggereerde dat altijd sprake was van een samenscholingsverbod. Praktisch gezien heeft deze omschrijving geen consequenties voor de samenleving. Op grond van jurisprudentie is de definitie van een samenscholing dat er een dreigende ordeverstoring van een groep op straat moet uitgaan. Het simpelweg met een groep mensen op de openbare weg staan, waarvan bijvoorbeeld jongeren worden beschuldigd, is geen samenscholing. Dit betekent dus dat het opleggen van een samenscholingsverbod goed moet worden gemotiveerd. Dit kan het beste worden gerealiseerd door de burgemeester de mogelijkheid te geven om onder bepaalde voorwaarden een samenscholingsverbod in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het bovenstaande is daarom gekozen voor de formulering in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Het zesde lid is in de gewijzigde Apv vervallen. In het zesde lid was eerder een bepaling toegevoegd m.b.t. de aanpak van OMG (Outlaw motor gang).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het in de APV opgenomen ‘colorverbod’ onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het recht op vrijheid van meningsuiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof zegt hierover: ”De wijze waarop je je kleedt, valt onder de vrijheid van meningsuiting” (Artikel 7 van de Nederlandse Grondwet). Het is niet toegestaan dat een lagere overheid daar inbreuk op maakt. Daarom is de term OMG en alle artikelen die zien op een ‘colorverbod’ uit de APV gehaald worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het zevende lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-2-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Gebiedsontzeggingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is geen limitatieve lijst meer opgenomen van strafbare feiten waarvoor een gebiedsontzegging kan worden opgelegd. In de Apv 2020 is opgenomen dat een gebiedsontzegging kan worden opgelegd vanwege het verrichten van strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen. Door deze ruimere formulering heeft de burgemeester meer mogelijkheden om een gebiedsontzegging op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is in de gewijzigde APV 2020 ook toegevoegd dat de burgemeester naast de gebiedsontzegging kan bevelen zich zodanig buiten dat gebied te gedragen dat het effect daarvan ook in dit gebied direct merkbaar zijn. Door deze toevoeging wordt voorkomen dat iemand buiten het gebied dingen doet die merkbaar zijn binnen dit gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gewijzigde APV 2020 zijn er enkele juridisch technische en redactionele wijzigingen doorgevoerd, op advies van de VNG. (zoals bevel wordt besluit tot opleggen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Deze definitie is in artikel 1:1 overgenomen (zie toelichting aldaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is deze bepaling is in de vorm van een verbodsbepaling gegoten. Op deze manier kan de burgemeester optreden als de kennisgeving niet wordt gedaan. En de burgemeester kan de betoging eventueel verbieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:4 is dat uitgewerkt in een verbod met een ontheffingsmogelijkheid. De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op of aan de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2:6 APV 2013 was het verboden voorwerpen op of aan de weg te plaatsen in strijd met de publieke functie van de weg, een weggedeelte of een andere openbare plaats. Van dit verbod kon door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend. Dit betekende bijvoorbeeld dat een burger die een container plaatste in verband met bouwwerkzaamheden, een ontheffing moest aanvragen. Aan deze ontheffing werden vervolgens voorschriften verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de burger, ondernemer en de ambtelijke organisatie te ontlasten is deze ontheffingplicht vervangen door nadere regels. In de “nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen Maasgouw 2020” is vervolgens geregeld waaraan moet worden voldaan. Door gebruik te maken van deze nadere regels vervalt dus de ontheffingplicht. Voor gevallen waarbij het risico voor de openbare veiligheid groot is blijft wel nog een ontheffingplicht bestaan. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van een hijskraan op de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het aanleggen of veranderen van een weg is de Omgevingswet van toepassing als de activiteit verboden is in het Omgevingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in de Omgevingswet van toepassing zijn op deze vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingswet is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van deze APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in het Omgevingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Omgevingswet niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aan artikel 2:6 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:6 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In de gewijzigde APV 2020 is er een vergunningplicht opgenomen voor het maken of veranderen van een uitweg. In een eerdere APV was er sprake van een meldingsplicht. Veel gemeenten ondervonden problemen met alleen een meldingsplicht waarna de VNG in de modelverordening de vergunningsplicht mede heeft opgenomen. In de praktijk bleek namelijk dat met enkel een meldingsplicht weinig invloed kan worden uitgeoefend op het maken van een uitweg. Onder het motto: ”Ik heb het gemeld dus het zal wel goed zijn” wordt er vaak al gestart met werkzaamheden. Terwijl het niet de bedoeling is dat inwoners zelf de uitweg gaan aanleggen. Dit is namelijk een taak van een door de gemeente aangewezen aannemer. Dit maakt het houden van grip op de uitvoering van de werkzaamheden lastig. Door een vergunningsplicht in te stellen kan de gemeente enerzijds overzicht houden op de aan te leggen uitwegen en kunnen er voorwaarden worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden. Ook de VNG heeft inmiddels de optie tot een vergunningplicht in de modelverordening opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Door van lid 3 een ‘kan’ bepaling te maken, heeft het college meer beoordelingsvrijheid in het wel of niet vergunnen van de realisatie van een uitweg. Hierdoor kan er maatwerk geleverd worden terwijl dit voorheen met een “zal” bepaling niet van toepassing was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-8-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens deze bepaling is het verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie ARRS 10-12-1993, JG 94.0138. Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel ontnemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen en natuurterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Evenementen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:12 en 2:13 Evenementen Geen vergunningplicht voor het organiseren van een A- evenement In de APV 2013 was opgenomen dat het verboden was om een evenement te organiseren zonder vergunning van de burgemeester. In de APV 2017 is de vergunningplicht voor een A- evenement vervallen. Voor het organiseren van een B –en een C evenement geldt wel nog een vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegdheid nadere regels In de gewijzigde APV 2020 zijn in artikel 2:13 lid 2, 3 en 4 de bevoegdheden aangepast. Nadere regels kunnen worden beschouwd als algemeen verbindende voorschriften. In dat geval worden ze dus door het college vastgesteld, en niet door de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan wel voorschriften aan een vergunning verbinden of beleidsregels vaststellen. Dit vloeit voort uit Artikel 174 Gemeentewet derde lid. Zie ook een uitspraak hierover: ABRvS 13-12-1999, ECLI:NL:RVS:1999:AP5740 Conform de Handreiking van het Limburg Evenementenorgaan worden drie klassen evenementen onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">A-evenement: regulier eenvoudig evenement. Binnen de gemeente Maasgouw zijn optochten, rommel – en speelgoedmarkten, carnavalsactiviteiten, activiteiten Koningsdag, Kerstmarkten, Sint Maarten feesten, dorps - en koningsschieten, jaarmarkten, wielertoertochten, openluchtconcerten alsmede straat- en buurtfeesten hier voorbeelden van. Op te merken valt dat bij deze evenementen verschillende risicogradaties van toepassing kunnen zijn. Het aantal te verwachten bezoekers en de risico’s bij A-evenementen kunnen divers zijn. Zo kan het om een evenement gaan met een paar honderd bezoekers, maar ook om een paar duizend bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en met een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt naast lokaal publiek ook publiek vanuit de regio verwacht. De voorjaarsmarkt in Maasbracht, de Luikse markt in Linne, en de bondschuttersfeesten zijn hier voorbeelden van.</p>\n<p class=\"lf-p\">C-evenement: risico en grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van een C – evenement in Maasgouw zijn het Koninginnedagfeest en het Oud Limburg Schuttersfeest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier risicopotentie evenement wat in het meld- en aanvraagformulier evenementen van de gemeente Maasgouw is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te komen tot een lastenvermindering en om de kwaliteit van de regels te verbeteren is de vergunningplicht voor een A – evenement in een eerdere APV al vervallen. Daarvoor in de plaats gelden de “Nadere regels evenementen Maasgouw 2020”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandveiligheidsaspecten bij een evenement Artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels worden gesteld over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen en basishulpverlening op die plaatsen. Deze AMvB heet het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (hierna: het Besluit). Door het Besluit gelden per 1 januari 2018 landelijke regels voor de brandveiligheid van ‘overige plaatsen’. Bij het Besluit gaat het bijvoorbeeld om tenten op evenemententerreinen, (kampeer)terreinen, tribunes, podia, varende objecten, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit brandveilig gebruik kan worden volstaan met een melding. Uiteraard moet hierbij wel worden voldaan aan de gestelde regels in het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige aanvragen Ondanks het feit dat bij een A–evenement kan worden volstaan met een melding, blijft een organisator van een A-evenement verantwoordelijk voor het aanvragen van de overige benodigde vergunningen, ontheffingen en besluiten. Als bijvoorbeeld een weg moet worden afgesloten, dan moet door het college een verkeersmaatregel worden genomen. En als bij het evenement alcoholhoudende dranken worden verstrekt, is een ontheffing op grond van de Alcoholwet vereist. Dit betreft vergunningplichten op grond van nationale wetgeving. De gemeente heeft geen invloed op de vergunningplicht. Deze vergunningvoorschriften kunnen daardoor niet in nadere regels worden ondergebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-13-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:13</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Negende lid In de praktijk komt het voor dat activiteiten bij een A-evenement worden georganiseerd waarvoor geen voorschriften zijn opgenomen in de “Nadere regels evenementen”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan: het plaatsen en in gebruik hebben van hijswerktuigen ten behoeve van een parachutetent; het plaatsen en in gebruik hebben van een mobiele kogelvanger voor schietactiviteiten in een dorpskern; overige constructies, zoals plaatsen meibomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de openbare orde en veiligheid te waarborgen is daarom in de Apv, in het artikel evenementenvergunning, opgenomen dat in bepaalde gevallen voorschriften aan een melding kunnen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meld en indieningstermijnen In de APV 2020 is opgenomen dat een melding 8 weken voor de aanvang van een A- evenement moet worden ingediend. Deze termijn wordt redelijk geacht om de melding goed te kunnen beoordelen. Voor de B- en C- evenementen geldt dat een uiterste indieningstermijn van acht weken voor bepaalde aanvragen voor een evenementenvergunning te kort is. Voor de reguliere evenementen is deze termijn voldoende, maar met name voor de grootschaligere evenementen met een gemiddeld of hoog risico is de termijn te kort. Er wordt aangesloten bij de eerde vermelde klasse-indeling van evenementen conform het regionale evenementenbeleid van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Hierbij wordt de uiterste indieningstermijn bij C –evenementen op 26 weken gesteld en bij B evenementen op 14 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering van het begrip evenement In artikel 2:12, eerste lid, aanhef, onderdeel d is opgenomen dat onder een evenement niet valt het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen. Hieronder valt het dansen in discotheken en muziekcafés t/m categorie 2 (conform de lijst in de Handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG, versie 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verruiming van het begrip evenement Op grond van de Apv 2016 vielen bepaalde activiteiten niet onder het begrip evenement, waardoor er geen voorschriften konden worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan het houden van een vechtsportgala of een dance –en/of houseparty binnen een inrichting. In de Apv 2020 is daarom het begrip evenement verruimd en is in artikel 2:12, derde lid Apv 2020 opgenomen dat de burgemeester in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden kan aanmerken als een evenement.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:14 en artikel 2:15 Exploitatievergunning In de gewijzigde APV 2020 is de bevoegdheid in artikel 2:15 lid 6, 7 en 8 aangepast. Zie voor verdere uitleg ook de toelichting “bevoegdheid nadere regels” bij artikel 2:12 en 2:13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning biedt het college de mogelijkheid om regels te stellen ten behoeve van de woon- en leefsituatie in de omgeving van een horecaonderneming. In een exploitatievergunning worden criteria opgenomen om nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Bij strijdigheid met deze criteria kan de vergunning worden geweigerd of worden ingetrokken. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerwaarde van de exploitatievergunning Op een exploitatievergunning(aanvraag) kan net als op een Alcoholwetvergunning(aanvraag) de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: wet Bibob) worden toegepast. Op grond van de wet Bibob kan een onderzoek worden ingesteld naar de integriteit van een ondernemer. In grote lijnen werkt dit als volgt. Als op grond van het vergunningonderzoek twijfels bestaan over de integriteit van een ondernemer wordt aan de aanvrager een Bibob-formulier toegestuurd. Als op grond van dit ingevuld formulier twijfels blijven bestaan over de integriteit van de ondernemer kan het Regionale Expertise en Informatie Centrum (RIEC) worden ingeschakeld. Het RIEC is een gespecialiseerde organisatie die nadere gegevens opvraagt en controleert bij een Bibob-onderzoek. Op grond van dit onderzoek kan het RIEC adviseren om een nader onderzoek te laten instellen door bureau Bibob. Op basis van dit onderzoek kan worden geadviseerd om de vergunning niet te verlenen of in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een Alcoholwetvergunning wordt alleen verleend voor horecaondernemingen waar bedrijfsmatig alcohol wordt verstrekt voor gebruik ter plaatste. Een exploitatievergunning kan ook worden verleend voor horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt. Dit noemt men ook wel de “droge horeca”. Denk aan cafetaria ‘s, thee- en koffiehuizen, ijssalons, shoarmazaken, zonnestudio’s, clubhuizen van bijvoorbeeld motorclubs en shisha-lounges (bars waar een waterpijp kan worden gerookt).</p>\n<p class=\"lf-p\">De meerwaarde van de exploitatievergunning is dat de Wet Bibob ook kan worden toegepast bij horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de exploitatievergunningplicht is om te voorkomen dat de gemeente (onbedoeld) criminele activiteiten faciliteert en hierbij (onbedoeld) een klimaat creëert waarbij Maasgouw onveiliger wordt en hierdoor de leefbaarheid in negatieve zin beïnvloedt. In het kader van de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde misdaad is de exploitatievergunning een geschikt middel om deze problematiek tegen te gaan en aan te pakken. Daarnaast kan het niet hanteren van de exploitatievergunningplicht een aanzuigende werking hebben. Het risico bestaat namelijk dat criminele organisaties zich juist in Maasgouw vestigen omdat daar de exploitatievergunningplicht niet bestaat. Dit is dan ook één van de redenen waarom steeds meer gemeenten in de provincie Limburg ervoor kiezen om het exploitatievergunningstelsel te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging van het begrip coffeeshop en verankering van het nul beleid Ter verduidelijking is bij de begripsomschrijvingen in artikel 2:14 Apv 2020 de definitie coffeeshop toegevoegd. Verder is in artikel 2:14 Apv 2020 opgenomen dat bij het verlenen van een exploitatievergunning voor een coffeeshop een nul beleid van toepassing is. Dit betekent dat er binnen de gemeente Maasgouw geen coffeeshop mag worden gevestigd. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het coffeeshopbeleid van de gemeente Maasgouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoegen van het begrip “waterpijp café” in de APV 2020 Het begrip “waterpijpcafé” wordt ook wel “shisha- lounge” genoemd. Onder een waterpijpcafé/sisha-lounge wordt verstaan café waar men waterpijp kan roken, thee en andere drankjes kan nuttigen. Door dit begrip toe te voegen is een “waterpijpcafé” altijd aan een exploitatievergunning onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoegen/afmelden leidinggevende via melding In afdeling 7 van de APV Maasgouw 2020 zijn artikelen toegevoegd die het mogelijk maken om via een melding een leidinggevende op de vergunning bij of af te laten schrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij is aansluiting gezocht bij de systematiek van de Alcoholwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Alcoholwet is het namelijk ook mogelijk om via een melding een leidinggevende op de vergunning toe te voegen of te verwijderen. De melding wordt gezien als een aanvraag, waardoor een antecenten- en integriteitsonderzoek altijd mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regels terrassen Voor het exploiteren van een terras hoeft geen aparte terrasvergunning te worden verleend. Als een nieuw terras wordt geëxploiteerd of als de bestaande situatie van een terras wijzigt, dan is er alleen een (wijziging van een) exploitatievergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder gelden er naast de exploitatievergunningplicht nadere regels voor terrassen. De exploitant van een terras moet voldoen aan deze nadere regels. Dit zorgt voor duidelijkheid en eenduidigheid. De nadere regels kunnen niet worden “aangetast” door het opleggen van vergunningvoorschriften die afwijken van deze nadere regels. Wat in de nadere regels is voorgeschreven, valt buiten het bereik van de exploitatievergunning. De nadere regels hebben betrekking op de verkeersveiligheid, de openbare orde en veiligheid bij het exploiteren van terrassen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-16-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:16</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de APV 2013 was de mogelijkheid opgenomen dat de burgemeester een ontheffing kon verlenen van het sluitingsuur van een horecaonderneming. In de praktijk kwam het er op neer dat bij elke afwijking van het sluitingsuur een ontheffing moest worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:16, derde en vierde lid APV 2020 is opgenomen in welke gevallen een ruimere sluitingstijd geldt. Tijdens de kermis en Koningsnacht wordt bijvoorbeeld een ruimere sluitingstijd gehanteerd. Ook wordt de horecaondernemers, via een meldplicht, de mogelijkheid geboden om vijf keer per jaar één uur langer open te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van het opnemen van de sluitingstijden en het meldsysteem in de Apv 2020, hoeft geen ontheffing meer te worden verleend door de burgemeester. artikel 2:17 Afwijken sluitingstijd Naast het genoemde onder artikel 2:16 behoudt de burgemeester om de openbare orde en veiligheid te waarborgen op grond van artikel 2:17 wel de bevoegdheid om voor één of meer openbare inrichtingen een andere sluitingstijd vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-18-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedragingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder a Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:18. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-19-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span><span class=\"lf-art-t\">Handel binnen openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een verbod van heling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:19 sluit aan op het in artikel 14 Alcoholwet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2:19 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-20-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip \"openbare inrichting\" als omschreven in artikel 2:14 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4A Toezicht op campings en recreatieparken en jachthavens Gemeenten hebben de laatste jaren een grote rol gekregen in het tegengaan van 'ondermijnende criminaliteit'. Van de lokale overheid wordt verwacht dat deze zich 'weerbaar' opstelt tegen dit soort ongewenste ontwikkelingen. De rol van de gemeente komt daarbij met name tot uiting in het gebruik van bestuurlijke instrumenten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het invoeren van een vergunningplicht voor bepaalde activiteiten (zoals we momenteel onder meer een horeca-exploitatievergunning kennen). De eisen die aan een vergunning gesteld kunnen worden, zoals bijvoorbeeld een procedure op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (verder Wet Bibob), kunnen een preventieve werking hebben. Daarnaast biedt het verplicht stellen van bepaalde vergunningen extra mogelijkheden om onwenselijke activiteiten via toezicht en handhaving tegen te gaan. Door het opnemen van deze norm, worden ook campings, recreatieparken en jachthavens binnen onze gemeente verplicht om in het bezit te zijn van de benodigde exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Campings en recreatieparken De vergunningplicht (inclusief Bibobtoets) zal, naast de handhaving van permanente bewoning op de recreatieparken binnen onze gemeente, mede bijdragen aan de revitalisering van de recreatiesector binnen de gemeente Maasgouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jachthavens Onder jachthavens genoemd in deze afdeling wordt verstaan: Havens met inbegrip van de daarbij behorende grond, zijnde een accommodatie die gelegenheid biedt voor de exploitatie van zomerligplaatsen en ligplaatsen voor passanten met recreatievaartuigen, waar overwegend de gelegenheid wordt geboden voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van recreatievoertuigen, eventueel in combinatie met reparatie van recreatievaartuigen, exploitatie van winterstalling voor recreatievaartuigen en verkoop van motorbrandstoffen en andere benodigdheden voor recreatievaartuigen”</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds vaker blijkt dat jachthavens zich lenen voor ondermijnende criminaliteit, omdat jachthavens logistieke knooppunten vormen die zich uitstekend lenen voor de aan- en afvoer van (illegale) goederen, waaronder de aan- en afvoer van bijvoorbeeld verdovende middelen, mensensmokkel en illegale afvaltransporten. Ook zijn jachthavens een broedplaats voor ondermijning, doordat de anonimiteit in het gebied makkelijk gewaarborgd kan worden en er makkelijk anoniem geld witgewassen kan worden met de aankoop en/of het gebruik van boten en jachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door een vergunningplicht in te stellen en voorwaarde te verbinden aan de vergunning kan er meer zicht en grip komen op de exploitatie van een jachthaven en biedt, net zoals is toegelicht bij de campings en recreatieparken, het verplicht stellen van bepaalde vergunningen extra mogelijkheden om onwenselijke activiteiten via toezicht en handhaving tegen te gaan en zo de openbare orde en het leefklimaat te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningsplicht draagt tevens bij aan het project Maasplassengebied.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Alcoholwet</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-22-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Schenktijden paracommerciële rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Hieronder vallen voornamelijk de dorpshuizen c.q. gemeenschapshuizen. Omdat er binnen de gemeente veel gemeenschapshuizen zijn waarbij de horeca op grond van een reguliere vergunning (B.V. of eenmanszaak) wordt geëxploiteerd is het voor verenigingen die van deze accommodaties gebruik maken mogelijk langer dan één uur na afloop van de verenigingsactiviteit in deze inrichting te verblijven. Een maximaal verblijf van één uur na afloop van de verenigingsactiviteit wordt als zeer kort ervaren. In de praktijk zien wij dat met name muziekverenigingen, buurtverenigingen, bejaardenverenigingen, vrouwenverenigingen gebruik maken van deze accommodaties. De verruiming tot twee uur na afloop verenigingsactiviteit komt tegemoet aan de wens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Bij de tijden van zaterdag (16:00 uur tot 00:00 uur) en zondag (10:00 uur tot 00.00 uur) is rekening gehouden met het feit dat vrijwel alle sportverenigingen hun jeugdwedstrijden op zaterdag hebben. Op zondag spelen de senioren hun wedstrijden, vaak verspreid over de hele ochtend en middag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de eindtijd van 00.00 uur is rekening gehouden met het grote aantal tennisverenigingen die volgens hun statuten activiteiten hebben tot 23.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 van de Alcoholwet bevat onder meer de verplichting bij gemeentelijke verordening regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Door dit artikel wordt voorkomen dat (veelal gesubsidieerde) paracommerciële instellingen op onaanvaardbare wijze concurreren met de reguliere horeca door bijeenkomsten van persoonlijke aard te houden. Met dit artikel in deze verordening wordt aan de verplichting om dit bij gemeentelijke verordening te regelen voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op bijeenkomsten waarbij alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen. Voor zover die bijeenkomsten ook een zakelijk karakter hebben dat direct verband houdt met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging of kampioensreceptie, vallen deze niet onder het bereik van deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn worden onder ander bedrijfsfeesten, personeelsfeesten, koffietafels etc. bedoeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Stellen van voorschriften en beperken vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 25a, tweede lid onder b, Alcoholwet biedt de gemeente de mogelijk om de burgemeester bij in de verordening te stellen regels voorschriften aan een vergunning te verbinden en de vergunning te beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de gewijzigde Alcoholwet is de burgemeester verantwoordelijk voor het toezicht en handhaving. Om deze verantwoordelijkheid goed uit te kunnen oefenen is in de verordening aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voorschriften aan de vergunning te verbinden en om de vergunning te kunnen beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:26 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de burgemeester toch nog de bevoegdheid te geven om een nachtregister te vorderen is dit ook nog in de Apv 2017 geregeld. Verder is artikel 2:25 zodanig geformuleerd zodat naast een inrichting zoals bedoeld in artikel 2:25 Apv 2017, ook de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf verplicht is om een nachtregister bij te houden. Op deze manier kan bijvoorbeeld de verplichting van het bijhouden van het nachtregister ook worden opgelegd aan een vereniging van eigenaren op een recreatiepark. In de gewijzigde APV 2020 is opgenomen dat de registratie op een door de burgemeester voorgeschreven wijze dient plaats te vinden. Hierdoor staat de mogelijkheid open om regels te stellen aan het nachtregister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de Apv komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het Wetboek van Strafrecht bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april 1979, NJ 1979, 442. Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension. De sinds 25 mei 2018 geldende AVG heeft, net als de daarvoor geldende Wbp, als uitgangspunt dat er niet meer wordt uitgevraagd dan nodig. Er worden alleen de gegevens uitgevraagd die artikel 438 van het WvSr noemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 6A Huisvesting arbeidsmigranten Wet goed verhuurderschap Op 1 juli 2023 is de Wet goed verhuurderschap in werking getreden. Het doel van deze wet is het voorkomen en tegengaan van ongewenste verhuurpraktijken bij alle groepen huurders, waaronder arbeidsmigranten. Daarnaast is per 1 juli 2024 met de komst van de Wet betaalbare huur, Wet vaste huurcontracten en Wet maximering huurprijsverhoging geliberaliseerde huurovereenkomsten een instrumentarium beschikbaar gekomen om huurders verder te beschermen en ongewenste verhuurpraktijken tegen te gaan. De VNG geeft in haar geactualiseerde versie van de handreiking “Goed verhuurderschap” (van juli 2024) het volgende aan met betrekking tot de samenloop tussen de exploitatievergunning in de Apv en de verhuurvergunning voor arbeidsmigranten: “Indien de voorschriften in de exploitatievergunning niet (uitsluitend) betrekking hebben op de relatie tussen verhuurder en arbeidsmigrant, en dus worden gesteld met een ander doel (zoals het voorkomen dat er overlast is voor omwonenden, of de openbare orde), heeft de gemeente de bevoegdheid tot het stellen van die regels bij Apv. Een en ander ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet.” “Het is voor een gemeente nadrukkelijk niet noodzakelijk om een verhuurvergunning in te voeren als zij randvoorwaarden wil instellen omtrent het beheer van de woon- en verblijfsruimten. Gemeenten kunnen in de Apv via een exploitatievergunning randvoorwaarden op het gebeid van beheer instellen. Deze regels dienen dan niet toe te zien op ‘verhuurdersgedrag’.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn echter ook geluiden te horen dat deze bepalingen niet naast elkaar kunnen blijven bestaan. Dat zou inhouden dat van de bepaling in de Apv van rechtswege geen gebruik meer gemaakt kan worden per 1 juli 2024. De regels die nu in de Apv zijn opgenomen kunnen dan opgenomen worden in een gemeentelijke verhuurderverordening. Omdat er op dit moment nog geen (nieuwe) gemeentelijke verhuurderverordening is vastgesteld is er voor gekozen om afdeling 6A en afdeling 6B van Hoofdstuk 2 bij de wijziging van de Apv in 2024 te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Afdeling 6A is in de Apv 2020 een exploitatievergunning voor de huisvestingsvoorziening van arbeidsmigranten opgenomen. Deze vergunningplicht is opgenomen om veilige, kwalitatief goede huisvesting van arbeidsmigranten te stimuleren en overlast te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Maasgouw wordt een deel van de werkgelegenheid ingevuld door buitenlandse werknemers, zogenaamde arbeidsmigranten. De huisvesting van arbeidsmigranten is van groot economisch belang, met name voor agrariërs en (delen van) het bedrijfsleven. De gemeente wil dat iedere inwoner van de gemeente gedegen en verantwoord wordt gehuisvest. Dat geldt dus ook voor arbeidsmigranten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijkertijd wil de gemeente ook dat de omgeving zo min mogelijk hinder ondervindt van het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten, de woningvoorraad voor starters beschermen en belastingen voor arbeidsmigranten kunnen innen omdat zij immers ook gebruik maken van de lokale voorzieningen. De Omgevingswet is niet toereikend om problematiek rondom de huisvesting van arbeidsmigranten aan te pakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de definitiebepaling is opgenomen dat onder shortstay-arbeidsmigranten tevens wordt verstaan tijdelijke Nederlandse arbeidskrachten. Hiermee is beoogd om Nederlandse arbeiders, die tijdelijk in de regio werkzaam zijn, legaal te laten verblijven in een huisvesting voor (buitenlandse) arbeidsmigranten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 6B Toezicht op kamerverhuur Zie ook de toelichting van artikel 6A in verband met de komst van de ‘Wet goed verhuurderschap’ Naast de huisvesting van de arbeidsmigranten wil de gemeente Maasgouw ook grip krijgen op kamerverhuur. Door de invoering van de exploitatieplicht vallen deze ook onder de reikwijdte van de Wet Bibob en kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden, waardoor indien nodig de vergunning (tijdelijk) kan worden ingetrokken. Hierdoor kan de gemeente beter grip krijgen op het weren van malafide huisjesmelkers. Deze groep wordt namelijk in verband gebracht met mensenhandel en/of arbeidsuitbuiting.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30a-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30a</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Speelautomatenhallen Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening wordt gehouden met de woon en leefsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het zou hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30b-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30b</span><span class=\"lf-art-t\">Kansspelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een uitwerking van artikel 30c, tweede lid, van de Wok. Hierin staat dat bij gemeentelijke verordening het aantal kansspelautomaten wordt vastgesteld waarvoor per hoog- en laagdrempelige inrichting een aanwezigheidsvergunning wordt verleend. Voor hoogdrempelige inrichtingen kan dat voor maximaal twee kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kansspelautomaten zijn speelautomaten, die geen behendigheidsautomaat (zoals een flipperkast) zijn, maar gokkasten waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie CBb 11-04-2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF7697. Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een laagdrempelige activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 17-07-2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE7540. Sportkantine niet per definitie laagdrempelig.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 15-02-2002, ECLI:NL:CBB:2002:AD9977. Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In café geen kansspelautomaten toegestaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de Apv te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:31 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:31 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de termen ‘bekrassen en bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Een voorwaarde die aan de mogelijke beperking vanuit het tweede lid moet worden gesteld is wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen voor het aanbrengen van meningsuitingen en niet commerciële bekendmakingen. Krachtens het tweede lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor krachtens het derde lid nadere regels stellen. Als de gemeente nalaat in voldoende plakplaatsen te voorzien, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of -zuil op de 10.000 inwoners (ABRvS 05-06-2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3657).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer geprepareerde voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van winkels. Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2 opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan plegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-35-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:35</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden over bermen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:10 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:36 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling in de Apv vormt hierop een aanvulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:36 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1:1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:36 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-37-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een verbod opgenomen om in de genoemde locaties en een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Alcoholwet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel heeft het college op basis van de oude APV in 2011 gebieden aangewezen waar het verboden is op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Om het voor de burgers makkelijker en overzichtelijker te maken, maar ook vanwege efficiency redenen, zijn in de Apv de destijds aangewezen locaties opgenomen. Voor het college geldt ook nog de mogelijkheid om nieuwe gebieden aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang gebied Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg en op openbare plaatsen, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstoring openbare orde Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedrag bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:36 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38a-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38a</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragsaanwijzing (woonoverlast)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Artikel 151d van de Gemeentewet regelt dat de raad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In deze APV is het artikel hierop aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet ter zake van overtreding van het door de raad bij verordening gestelde voorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ultimum remedium Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid is geformuleerd als een zorgplichtbepaling. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Als last onder bestuursdwang of dwangsom kan de burgemeester gedragsaanwijzingen opleggen aan de overtreder. Het tweede lid schrijft ook voor dat de burgemeester in beleidsregels vastlegt hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester in ieder geval toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. In het artikel is niet expliciet bepaald dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen, omdat dit reeds volgt uit artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen. De burgemeester kan in beleidsregels vastleggen hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. De last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de Apv voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het orde verstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of orde verstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen van fietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden, terwijl de eigenaar heeft aangegeven dat dit niet wordt gewenst, of waardoor de toegang tot het gebouw wordt gehinderd, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:40 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Bespieden van personen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is facultatief omdat deze zeer weinig wordt toegepast en, zoals de toelichting hieronder al aangeeft, is gericht op excessieve situaties. Anders dan bij het delict belaging (“stalking”) uit artikel 285b WvS is geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen . Dit artikel is daar dus een aanvulling op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let wel: nu dit artikel in de Apv is opgenomen, kan de gemeente er ook op aangesproken worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijven honden en loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:47 had eerst geen uitzonderingsbepaling. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie is in het vierde lid een voorziening getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is in het eerste lid, aanhef, onderdeel c de mogelijkheid opgenomen om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd. Verder zijn locaties opgenomen die voorheen in een uitvoeringsbesluit stonden. Zie voor een verdere toelichting de onderstaande paragraaf (Aangewezen locaties van oude aanwijzingsbesluit opgenomen in artikel 2:42).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangewezen locaties in oude aanwijzingsbesluit opgenomen in artikel 2:42 Op grond van de oude APV heeft het college op 3 maart 2009 plaatsen aangewezen waar het de eigenaar of houder van een hond verboden was binnen en buiten de bebouwde kom een hond te laten verblijven of te laten lopen zonder dat de hond is aangelijnd. Om het voor de burgers makkelijker en overzichtelijker te maken, maar ook vanwege efficiency redenen, zijn in artikel 2:42 Apv de destijds aangewezen locaties opgenomen. Het oude aanwijzingsbesluit is daarom door het college ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, betreft dit een bevoegdheid van de burgemeester.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden op eigen terrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander, is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel is geregeld in artikel 2:44 Apv 2020. Deze regeling voorkomt niet dat mensen worden geconfronteerd met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Om hier aan tegemoet te komen is artikel 2:44a Apv 2020 opgenomen. In dit artikel is geregeld dat het de eigenaar of de houder van een hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als in de bepaling genoemde voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. Dit artikel is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen op de Omgevingswet, waarin regels worden gegeven ter bescherming van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-46-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:46</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend vee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:42.</p></div>", "next": 239741}