{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs2.1 Permanente gebouwen en niet-permanente gebouwenDe omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw permanent gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting tenminste zes jaren noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw niet-permanent gebouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor de huisvesting tenminste twee jaren en korter dan zes jaren noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bijbehorende aantal vierkante meter wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>uitbreiding permanent gebouw, dan wel</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>uitbreiding permanent gebouw ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel •uitbreiding niet-permanent gebouw, dan wel</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>ingebruikneming, dan wel</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>medegebruik wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m² bruto-vloeroppervlakte bedragen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van het speellokaal 90 m² bvo.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Overige voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in m² bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 GymnastiekruimtenDe omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 School voor voortgezet onderwijs3.1 Permanente gebouwenDe omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw permanent gebouw, dan wel vervangende nieuwbouw permanent gebouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste zes jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijk lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Niet-permanente gebouwenDe omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw niet-permanent gebouw, dan wel vervangende nieuwbouw niet-permanent gebouw, wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste twee jaar doch korter dan zes jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste twee jaar doch korter dan zes jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m² bruto vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals opgenomen in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste twee jaar en korter dan zes jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijk lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de voorziening huur sportterrein wordt bepaald aan de hand van het lesrooster.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Overige voorzieningenDe omvang van de voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening eerste aanschaf van leer en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing, waarbij algemene en specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 GymnastiekruimtenDe omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym): 322.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen1 School voor basisonderwijs– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto; minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m² netto. voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van 84 m² voor een speellokaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs– minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m²/ll met een minimum van 300 m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m²;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>minimum oppervlakte onderwijsruimte: 8 m² netto.</div>\n<p class=\"lf-p\">3 School voor voortgezet onderwijsMinimum afmetingen, uitgedrukt in netto m²: theorielokaal: 42 m² theorievaklokaal: 50 m² vaklokaal natuurkunde: 50 m² vaklokaal biologie: 50 m² vaklokaal scheikunde: 60 m² vaklokaal handvaardigheid: 60 m² vaklokaal overig: 80 m² specifiek vaklokaal lassen: 50 m² specifiek vaklokaal meten: 50 m² werkplaats: 115 m² restaurant: 80 m² 4 Gymnastiekruimten– De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een was- /douchegelegenheid.</div>\n<p class=\"lf-p\">III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’De vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruto vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle vloerniveaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruto vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op vloerhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto vloeroppervlakte te worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een schalmgat of een vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de netto oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte bepaald door de nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte &gt; 2,60 m te vermenigvuldigen met de factor 1,1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de bruto vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">III-2 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het ministerie van OCenW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’ binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 m².</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage IV Financiële normering 2010De financiële normering valt uiteen in drie delen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>deel C: bepaling medegebruikstarief.</div>\n<p class=\"lf-p\">DEEL A Vergoeding op basis van normbedragenIn onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding (paragrafen 1.1, 1.2, 2.1, 2.2 en 3.1) is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2010 zijn aangepast conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in hoofdstuk 4, Indexering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>School voor basisonderwijsIn dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>uitbreiding (paragraaf 1.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3); eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4); aanpassing (paragraaf 1.5) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gymnastiek (paragraaf 1.6).</div>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten voor terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bouwkosten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en verhuiskosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp) om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m² € 789.640,53 Elke volgende m² bvo € 1.351,29 De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo, speellokaal niet inbegrepen. € 1.279.455,28 Elke volgende m² bvo € 1.414,99 Toeslag voor speellokaal (90 m²) € 121.397,26 Toeslag voor sloopkosten, verhuiskosten en bronbemaling.Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de mogelijkheid dat het oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna worden hersteld en, indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bekostiging van de sloopkosten als ook de kosten van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair zal plaatsvinden op basis van te overleggen offertes, waarbij het gemeentelijk aanbestedingsbeleid van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de vervangende nieuwbouw op een andere locatie wordt gerealiseerd, kan eveneens bekostiging van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar deze nieuwe locatie plaatsvinden. Met vervangende nieuwbouw wordt gelijkgesteld gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan het voorkomen dat een school – in afwachting van het beschikbaar komen van een nieuw gebouw – tijdelijk elders is gehuisvest. Bij verhuizing van de tijdelijke naar de definitieve locatie kan dan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding bedraagt € 13,25 per m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij nieuwbouw van een school in verdiepingbouw bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m² bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolgebouw. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m² bvo of groter € 115.634,98 Startbedrag bij uitbreidingen van 60 tot 115 m² bvo € 77.089,99 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.540,38 De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m² bvo of groter € 118.914,88 Startbedrag bij uitbreiding van 50 tot 105 m² bvo € 79.276,59 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.571,08 Toeslag eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo) in combinatie met uitbreiding van de school € 121.397,26 Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school. € 254.887,70 Toeslag voor sloopkosten en verhuiskosten.Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij uitbreiding van een school bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Tijdelijke voorzieningBij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in de vorm van noodlokalen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatieDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede de eenmalige aansluitkosten op de nutsvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter € 44.968,74 Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo € 29.979,16 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.105,09 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningenDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn inbegrepen de bouwkosten, toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter € 25.277,30 Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo € 16.851,52 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.157,94 Toeslag verhuiskostenIndien een school – in afwachting van het gereedkomen van een tijdelijke voorziening – elders is gehuisvest, kan de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar de nieuwe accommodatie worden bekostigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden indien op verzoek van het college een verhuizing plaatsvindt naar een andere tijdelijke voorziening, voor zover die niet in de nabijheid van de te verlaten voorziening is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairBasisschoolHet bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal leerlingen. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbedrag € 35.221,62 Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 123,21 Speciale school voor basisonderwijs De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbedrag € 74.727,64 Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 127,47 De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 6.819,22.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 AanpassingAlle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten), met uitzondering van aanpassingen ten behoeve van verbetering van het binnenklimaat. Het college kan besluiten een (genormeerde) vergoeding te geven voor het verbeteren van het binnenklimaat in bestaande schoolgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6 GymnastiekBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingNieuwbouwDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een bruto-vloeroppervlakte van 455m2 bedraagt € 830.112,06 (op het schoolterrein) respectievelijk € 846.901,23 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15 meter € 16.696,77 Paallengte 15&lt;20 meter € 23.017,39 Paallengte &gt;20 meter € 32.326,90 UitbreidingBij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding met 112 t/m 120 m² € 192.865,98 Uitbreiding met 120 t/m 150 m² € 234.455,09 Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">112-120m² 121-150m² Paallengte 1&lt;15m € 7.474,86 € 9.346,61 Paallengte 15&lt;20m € 12.946,87 € 16.179,43 Paallengte &gt;=20m € 21.166,74 € 26.458,41 OLP/meubilairDe vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 47.186,03.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>School voor (voortgezet) speciaal onderwijsIn deze bijlage zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>uitbreiding (paragraaf 2.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gymnastiek (paragraaf 2.5).</div>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)De financiële normering valt uiteen in een zestal kostencomponenten, te weten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten voor terrein;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bouwkosten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie; –toeslag voor sloopkosten, herstel van terreinen/bouwrijp maken en verhuiskosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag , waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag voor de realisatie van de eerste 677 m² bvo, speellokaal niet inbegrepen. € 1.231.268,82 Elke volgende m² bvo € 1.406,60 Toeslag voor speellokaal (90 m²) € 121.397,26 Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij nieuwbouw van een school bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor sloopkosten, verhuiskosten en bronbemalingIndien vervangende nieuwbouw plaatsvindt, bestaat de mogelijkheid dat het oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het desbetreffende terrein moet daarna worden hersteld en indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De bekostiging van de sloopkosten als ook van de kosten van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair zal plaatsvinden op basis van te overleggen offertes, waarbij het gemeentelijk aanbestedingsbeleid van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de vervangende nieuwbouw op een andere locatie wordt gerealiseerd, kan eveneens bekostiging van verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar deze nieuwe locatie plaatsvinden. Met vervangende nieuwbouw wordt gelijkgesteld gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan het voorkomen dat een school – in afwachting van het beschikbaar komen van een nieuw gebouw – tijdelijk elders is gehuisvest. Bij verhuizing van de tijdelijke naar de definitieve locatie kan dan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding bedraagt € 13,25 per m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1000 m² bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw van een nevenvestiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m² bvo of groter € 107.701,60 Startbedrag bij uitbreiding van 50 tot 96 m² bvo € 71.801,07 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.574,19 Toeslag eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo) in combinatie met uitbreiding van de school € 121.397,26 Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school. € 254.887,70 Toeslag voor liftinstallatieHet college kan besluiten dat bij uitbreiding van een school bekostiging van een liftinstallatie zal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag voor sloopkosten etc.Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Tijdelijke voorzieningBij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt in nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatieDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn inbegrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting terrein alsmede eenmalige aansluitkosten op de nutsvoorzieningen. De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter € 47.132,03 Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo € 31.849,93 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.082,74 Toeslag sloopkosten e.d.Zie paragraaf 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding tijdelijke voorzieningDe vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter € 25.630,15 Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo € 17.086,76 Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.144,75 Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag worden gegeven. Zie hiervoor de toeslag bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag verhuiskostenIndien een school – in afwachting van het gereedkomen van een tijdelijke voorziening – elders is gehuisvest, kan de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair naar de nieuwe accommodatie worden bekostigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan bekostiging van de verhuizing van onderwijsleerpakket en meubilair plaatsvinden indien op verzoek van het college een verhuizing plaatsvindt naar een andere tijdelijke voorziening, voor zover die niet in de nabijheid van de te verlaten voorziening is gelegen 2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairHet bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het basisbedrag voor elke m² bvo SO/ VSO-doven € 125.908,93 € 219,78 SO/VSO-sh € 114.378,24 € 284,84 SO-/VSO-esm € 106.580,93 € 141,64 SO/VSO-visg € 151.259,56 € 270,33 SO/VSO-lz € 96.456,45 € 133,20 SO/VSO-lg € 113.556,39 € 259,67 SO/VSO-zmlk € 94.958,35 € 112,99 SO/VSO-zmok € 92.688,47 € 129,90 SO/VSO-pi € 93.507,82 € 141,06 SO/VSO-mg € 114.975,90 € 115,23 De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal bedraagt € 6.819,22.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 GymnastiekBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingNieuwbouwDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 830.112,06 schoolterrein) en € 846.901,23 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag gemoeid van € 83.274,21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15m € 16.696,78 € 20.611,75 Paallengte 15&lt;20m € 23.017,38 € 28.545,65 Paallengte &gt;=20m € 32.326,90 € 41.082,00 UitbreidingBij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding met 112 t/m 120 m² € 192.865,98 Uitbreiding met 120 t/m 150 m² € 234.455,09 Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">112-120m² 121-150m² Paallengte 1&lt;15m € 7.474,86 € 9.151,04 Paallengte 15&lt;20m € 12.946,87 € 15.840,88 Paallengte &gt;=20m € 21.166,74 € 25.904,78 OLP/meubilairDe vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoolsoort SO-doven € 37.628,00 SO-sh/esm € 37.407,27 SO-visg € 45.287,12 SO-lg/mg € 49.607,70 SO-lz/pi € 35.581,59 SO-zmlk € 35.581,59 SO-zmok € 35.508,37 VSO-doven € 44.114,52 VSO-sh/esm € 45.265,60 VSO-visg € 53.851,28 VSO-lg/mg € 55.246,25 VSO-lz/pi € 43.477,07 VSO-zmlk € 43.477,07 VSO-zmok € 38.811,39 SOVSO-doven € 45.683,92 SOVSO-sh/esm € 48.972,41 SOVSO-visg € 55.883,71 SOVSO-lg/mg € 56.749,97 SOVSO-lz/pi € 47.182,79 SOVSO-zmlk € 47.182,79 SOVSO-zmok € 39.251,79 VervoerIndien leerlingen gebruik moet maken van een gymnastiekruimte, die gelegen is op een loopafstand van meer dan 600 meter van het lesgebouw, waarin de betreffende leerlingen is gehuisvest zijn, verzorgt de gemeente het vervoer van deze leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6 AanpassingAlle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten), met uitzondering van de aanpassing ter verbetering van het binnenklimaat. Het college kan besluiten een (genormeerde) vergoeding te geven voor het verbeteren van het binnenklimaat in bestaande schoolgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3School voor voortgezet onderwijs De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gymnastiek (paragraaf 3.4).</div>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Nieuwbouw en uitbreidingEr bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component ‘aanpassing’ deel B).</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal kostencomponenten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten van terreinen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bouwkosten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein (bouwrijp)om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenBouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2 bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2 bruto-vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen zijn opgenomen in onderstaande tabel met vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 &lt;460 m² 460&lt;2500 m² &gt;=2500 m² Algemene en specifieke ruimte € 2.114,12 € 1.254,65 € 1.224,61 Werkplaatsen € 2.064,87 € 1.670,32 € 1.670,32 Werkplaatsen consumptief € 2.507,39 € 2.112,83 € 2.112,83 Definities algemene en specifieke ruimte a.Specifieke ruimte:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren. b.Werkplaatsen:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>landbouw: groenpraktijk. c.De overige ruimte is algemene ruimte.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening: &gt; 460 &lt; 2500 m² &gt;= 2500 m² Vaste voet algemeen € 133.395,79 € 133.395,79 Vaste voet algemene sectie € 261.845,85 € 365.596,71 Vaste voet werkplaatssectie € 48.416,17 € 48.416,17 Tot de werkplaatsen behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek, grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende normkostenBij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules: vaste voet per m² Paallengte 1 tot 15 meter € 3.888,66 € 20,41 Paallengte 15 tot 20 meter € 4.139,98 € 34,51 Paallengte 20 meter of langer € 4.622,14 € 61,76 Uitbreiding &gt;= 1000 m² Paallengte 1 tot 15 meter € 4.748,76 € 7,14 Paallengte 15 tot 20 meter € 6.193,98 € 18,55 Paallengte 20 meter of langer € 9.406,09 € 37,50 Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding bedraagt € 13,25 per m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslag verhuiskostenHet kan voorkomen dat een school voor voortgezet onderwijs geheel of gedeeltelijk moet verhuizen. In de navolgende situaties zal een vergoeding in de kosten van verhuizing worden verstrekt: vervangende nieuwbouw op hetzelfde terrein: indien het college tijdelijke vervangende huisvesting noodzakelijk acht worden de kosten van verhuizing van de inventaris naar een tijdelijke verhuizing en weer terug vergoed; gehele of gedeeltelijke ingebruikname van een ander gebouw: indien aan een school toestemming is verleend voor gehele of gedeeltelijke ingebruikname van een ander gebouw, kunnen de kosten van verhuizing van de inventaris naar dat gebouw worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Tijdelijke voorzieningBij een tijdelijke voorziening kan een onderscheid worden gemaakt tussen noodlokalen en semi-permanente lokalen (bijvoorbeeld IFD-bouw). Voor semi-permanente lokalen is Deel B. van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening noodlokalen in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>huur van tijdelijke lokalen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalenHet bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met noodlokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: € 672,73* A + € 46.251,54 A = het toegekende aantal m2 bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Eerste inrichting leer en hulpmiddelen en meubilairDe toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en de te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene ruimte € 145,38 Specifieke ruimte (Uiterlijke) verzorging/ mode en commercie € 339,72 Handel/verkoop/administratie € 207,82 Praktijkonderwijs € 279,02 Werkplaatsen Techniek algemeen € 356,41 Consumptief € 690,22 Grafische techniek € 1.319,60 Landbouw € 0,00 Specifieke ruimte:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren; praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Werkplaatsen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>landbouw: groenpraktijk;</div>\n<p class=\"lf-p\">De overige ruimte is algemene ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijsBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 830.112,06 (schoolterrein) en € 846.901,23 (op afzonderlijk terrein).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15 meter € 16.696,77 Paallengte 15&lt;20 meter € 23.017,39 Paallengte &gt;20 meter € 32.326,90 Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaalNaast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: a Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden. b Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. c Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs onderdeel 'Vergoeding per klokuur' gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur sportveldenDe gemeente vergoedt aan een school de door de eigenaar van het sportterrein in rekening gebrachte huur, onder aftrek van een eigen bijdrage van € 8,16 per lesuur. Uitbetaling van de vergoeding vindt plaats op basis van een declaratie door de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilairIn geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubilair L.h.m Totaal Eerste lokaal € 996,56 € 59.426,84 € 60.423,40 Tweede lokaal € 996,56 € 46.357,45 € 47.354,01 Derde lokaal € 996,56 € 20.154,05 € 21.150,62 Oefenplaats 1 € 13.124,31 € 13.124,31 Oefenplaats 2 € 1.515,03 € 1.515,03 4. IndexeringDe in deze bijlage genoemde normbedragen zijn geïndexeerd naar het prijspeil van 2010. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkelijke prijsontwikkelingJaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer ‘Nieuwbouwprijzen van woningen’, outputindex 2000=100 (inclusief btw),gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek bouwnijverheid’ van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek worden als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek van het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 over het tweede kwartaal van het lopende jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende èn het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programmaNaast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) ‘bruto investeringen door bedrijven in woningen’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer ‘prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kostenIn artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke kosten. Als uitgangspunt geldt dat, afgezien van de eisen die in het kader van het gemeentelijk aanbestedingsbeleid worden gesteld, ten minste twee offertes gevraagd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schades De afhandeling van schades aan gebouwen en inrichting dient plaats te vinden conform de door het college op 3 november 1998, en nadien gewijzigd, vastgestelde schadeprotocollen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen voor aanbesteding van deze opdrachten zijn nader uitgewerkt in de “nota aanbestedingsbeleid in hoofdlijnen gemeente Tilburg”, vastgesteld door het college op 15 juli 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen1 Volgorde van hoofdprioriteitenHuisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: voorzieningen die wenselijk zijn in door de raad of het college aangewezen gebieden waar een stedenbouwkundige herstructurering dient plaats te vinden; voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen; voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding inhouden; voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1Het kan voorkomen dat een gebouw in het kader van een stedenbouwkundige herstructurering gesloopt dient te worden en op een andere locatie,al dan niet in samenhang met een Multifunctionele Accommodatie, moet worden herbouwd. Gezien het maatschappelijke belang dient een dergelijke voorziening voorrang te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen aangevraagd), medegebruik en het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing ‘vervanging van een oliegestookte verwarmingsinstallatie’ in het primair onderwijs vormen de derde hoofdprioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 4Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 5Invulling van hoofdprioriteit 5 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen ter verbetering van het binnenklimaat op scholen, aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteitenVervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:a als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; b vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen en c vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:a als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder b, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; b vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder b, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; c vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder b, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; d vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder b, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:a als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving, waarbij de voorziening in of aan de verdieping(en) moeten worden getroffen. b vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving is; c vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving; d vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder b, de minste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:a als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal leerlingen het hoogst is; b vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is; c vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is; d vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; e vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en f vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2010In juli 1996 is de wetswijziging die de decentralisatie van de onderwijshuisvesting naar gemeenten regelt door het parlement aangenomen. Dit betekent dat gemeenten vanaf 1 januari 1997 de opdracht hebben om te voorzien in adequate huisvesting voor het primair en het voortgezet onderwijs, op basis van een verordening. De VNG heeft daarvoor een model gemaakt. In deze algemene toelichting wordt ingegaan op de totstandkoming van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Er wordt een kort overzicht gegeven van de overwegingen die tot de decentralisatie van de onderwijshuisvesting hebben geleid, van het belang ervan en van de wet. Daarna wordt ingegaan op het belangrijkste instrument dat gemeenten gekregen hebben om de nieuwe taak uit te voeren: de verordening. Een ander belangrijk instrument voor het gemeentelijk beleid is het overleg met het onderwijsveld. Op dat overleg, en op de functie van de verordening daarin, wordt tot slot ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Aanloop naar de decentralisatie van de onderwijshuisvestingIn 1991 werd in de Tussenbalans van het kabinet-Lubbers III aangekondigd dat de decentralisatie van rijkstaken naar gemeenten en provincies krachtig zou worden gestimuleerd. Een van de taken die volgens het rijk in principe in aanmerking kwamen om te decentraliseren, was de verantwoordelijkheid voor de huisvesting van het primair-, het speciaal en het voortgezet onderwijs. Met het IPO en de VNG is hierover overleg gevoerd, hetgeen resulteerde in een afspraak met de VNG om de mogelijkheden van decentralisatie van de onderwijshuisvesting naar gemeenten nader te bezien. Al snel stond vast dat het op zichzelf mogelijk was de verantwoordelijkheid voor de voorzieningen die toen nog bij de minister van OCenW aangevraagd moesten worden, over te dragen aan gemeenten. Veel belangrijker was echter of het mogelijk was gemeenten in een zodanige positie te brengen dat er sprake zou zijn van voldoende beleidsvrijheid, vergroting van efficiency en financiële beheersbaarheid. Ook de autonomievergroting van schoolbesturen was een belangrijke voorwaarde, evenals vermindering van rijksregelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inachtneming van deze voorwaarden is beschreven op welke wijze de overdracht van taken zou kunnen plaatsvinden. Daarbij is uitgegaan van de overdracht van de bijbehorende middelen naar het Gemeentefonds. In 1993 hebben kabinet en VNG een akkoord gesloten over de decentralisatie van de onderwijshuisvesting. In dat akkoord zijn ook afspraken gemaakt over een efficiencykorting. Aanvankelijk wilde het kabinet een korting van 10% van het over te hevelen rijksbudget doorvoeren, net zoals dat bij de andere projecten die vielen onder de Decentralisatie-impuls het geval was. Uiteindelijk is een korting van ƒ 125 miljoen, oplopend van ƒ 25 miljoen in 1996 tot ƒ 125 miljoen in 2000, overeengekomen. In dit bedrag is ƒ 27 miljoen opgenomen als betaling voor de overdracht van het economische eigendom van gebouwen voor voortgezet onderwijs aan gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het belang van de decentralisatie van de onderwijshuisvestingDe samenleving heeft belang bij goed onderwijs. Goed onderwijs is mede afhankelijk van een goede infrastructuur, waaronder begrepen de huisvesting van de scholen. Bij de realisering van die huisvesting is het van belang een situatie te creëren die zo goed mogelijk op de omstandigheden van de school is toegesneden, tegen een zo laag mogelijke prijs. Het gaat immers om de aanwending van gemeenschapsgelden. In die twee uitgangspunten, maatwerk en efficiency, is de belangrijkste reden voor de decentralisatie van de onderwijshuisvesting te vinden. De centrale overheid is, om allerlei redenen, niet langer in staat voldoende aan die uitgangspunten tegemoet te komen. Gemeenten worden daartoe wel in staat geacht. Veel meer dan de rijksoverheid is het voor gemeenten mogelijk bij het huisvestingsbeleid rekening te houden met de omstandigheden van de school en de overige lokale omstandigheden. Dat kan bijvoorbeeld door minder rigide normen te hanteren dan de rijksoverheid en meer ruimte te creëren voor overleg met het scholenveld, zonder overigens de gelijke behandeling van scholen uit het oog te verliezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De decentralisatie van de onderwijshuisvesting is dus op de eerste plaats van belang voor de scholen. Ook voor gemeenten, in hun rol van overheid, is de nieuwe taak echter van belang. Op tal van gemeentelijke beleidsterreinen is immers sprake van huisvestingsbehoefte. Dat geldt niet alleen voor zaken waar gemeenten zich nu mee bezighouden – kinderopvang, volwasseneneducatie, sociaal en cultureel werk etc. – maar ook voor nieuwe gemeentelijke beleidsterreinen als onderwijsachterstandsbeleid. De aan gemeenten toebedachte rol van beleidsbepalend coördinator en financier biedt nieuwe mogelijkheden om een optimale afstemming tussen huisvestingsbehoefte, beschikbare huisvestingscapaciteit en beschikbare middelen te bewerkstelligen. Dat betekent enerzijds dat meer efficiency bereikt kan worden. Anderzijds betekent dit ook dat de inhoud van het lokale onderwijsbeleid via de huisvesting kan worden ondersteund. Zou de gemeente bijvoorbeeld in het kader van het achterstandsbeleid besluiten dat extra aandacht (en geld) wordt besteed aan een bepaalde categorie leerlingen, dan kan daaraan gekoppeld worden dat daar ook in de sfeer van de huisvesting een mogelijkheid voor wordt gecreëerd. Het spreekt voor zich dat dit gebeurt in goed overleg met de betrokken schoolbesturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook buiten de sfeer van het onderwijs kan de nieuwe taak van gemeenten zijn vruchten afwerpen. Nieuwe vormen van bouwen, bijvoorbeeld schoolwoningen, kunnen worden gestimuleerd. Op zichzelf zijn daarvoor nu ook al mogelijkheden, maar het is nog te vaak een kwestie van zeer lange adem om iets dergelijks gerealiseerd te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvattend kan gesteld worden dat niet alleen het onderwijs, maar ook andere gemeentelijke beleidsterreinen kunnen profiteren van de huisvestingsverantwoordelijkheid van gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De wetAanvankelijk kwam het akkoord met de VNG onder zware druk te staan. Het kabinet wenste de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting door te decentraliseren aan schoolbesturen in de wet op te nemen. Het kabinet-Kok heeft echter de uitgangspunten van het oorspronkelijke akkoord met de VNG in het regeerakkoord opgenomen. Onder meer hierdoor heeft het tot oktober 1995 geduurd voordat er een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer werd ingediend (Kamerstuk 24 455). Uiteindelijk is de decentralisatie onderwijshuisvesting ingevoerd op 1 januari 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wetsvoorstel is zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer met een grote meerderheid aangenomen. Tijdens de parlementaire behandeling is uitvoerig stilgestaan bij de financiële implicaties van het wetsvoorstel. Dat heeft geresulteerd in een verruiming van de overgangsregeling voor gemeenten die een fors financieel nadeel ondervinden als gevolg van de verdeling van de onderwijshuisvestingsmiddelen naar het Gemeentefonds. Ook zal door middel van een evaluatie na vijf jaar worden bezien of de gekozen verdeelsystematiek bijstelling behoeft en of gemeenten in staat zijn hun wettelijke verplichtingen na te komen. De staatssecretaris heeft een jaarlijkse monitoring aan het parlement toegezegd waarbij, naast de financiële aspecten, ook de lokale ontwikkelingen op het punt van de doordecentralisatie worden bezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vanuit het rijk voldoende waarborgen te bieden aan de scholen is op verzoek van de Tweede Kamer een aantal wijzigingen in het wetsvoorstel aangebracht. Zo zullen bij algemene maatregel van bestuur minimale oppervlaktenormen worden vastgesteld en is geregeld dat het openbaar en het bijzonder onderwijs ook in procedurele zin gelijk worden behandeld. Een belangrijke wijziging betreft de rol die de Onderwijsraad gaat vervullen. Indien een bevoegd gezag meent dat bij de vaststelling van de verordening of bij de vaststelling van het gemeentelijke programma voor de huisvestingsvoorzieningen wordt gehandeld in strijd met de vrijheid van richting of van inrichting, dan kan daarover een advies van de Onderwijsraad worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat advies kan ook door de gemeente worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet op de Expertisecentra (WEC), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de daarop gebaseerde overgangswetten gewijzigd. De wijzigingen leiden ertoe dat grotendeels een zelfde huisvestingsregime voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs gaat gelden. De belangrijkste elementen uit de wet zijn: de gemeenteraad zorgt voor alle huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van de gemeente. Het betreft hier de overdracht van de zorgplicht van het rijk, die tegelijkertijd een territoriale beperking krijgt; de voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is worden benoemd. Dit zijn grotendeels de voorzieningen die eerst bij de minister konden worden aangevraagd; de gemeenteraad krijgt de opdracht een verordening vast te stellen. In die verordening moet onder andere geregeld worden welke criteria de gemeente hanteert bij de beoordeling van verzoeken, hoe de bedragen voor de huisvestingsvoorzieningen worden vastgesteld, aan welke eisen schoolgebouwen moeten voldoen en welke procedures gelden voor aanvragen van schoolbesturen. Voordat de verordening wordt vastgesteld, wordt daarover overleg gevoerd met de schoolbesturen; aan de gemeenteraad wordt ook opgedragen jaarlijks een bedrag vast te stellen. Dit bedrag is bestemd voor de bekostiging van huisvestingsvoorzieningen in het daaropvolgende jaar en moet zodanig worden vastgesteld dat daarmee redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvestingsbehoefte; als de huisvestingsverzoeken zijn beoordeeld dient een zogenoemd programma te worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit programma bevat alle aangevraagde voorzieningen die het jaar daarop voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komen. Verzoeken die worden afgewezen komen op het zogenoemde overzicht te staan. De afwijzingsgrond wordt daarbij vermeld; de wet regelt ook de weigeringsgronden. Een voorziening wordt geweigerd indien: niet aan de formele eisen voor indiening is voldaan; de voorziening niet noodzakelijk is; op een andere wijze in de behoefte kan worden voorzien, bijvoorbeeld door medegebruik. Om dat medegebruik te kunnen realiseren krijgt de gemeente het recht leegstaande lokalen te vorderen van een schoolbestuur; de voorziening noodzakelijk is als gevolg van verwijtbare nalatigheid van het schoolbestuur; het door de gemeenteraad vastgestelde budget niet toereikend is; in afwijking van hetgeen in de wet geregeld wordt, kan een gemeente met een schoolbestuur overeenkomen dat het schoolbestuur zelf verantwoordelijk wordt voor de huisvestingsvoorzieningen en daarvoor van de gemeente jaarlijks een bedrag ontvangt; De zogenaamde doordecentralisatie. Dit kan gaan om alle huisvestingsvoorzieningen, maar ook om een gedeelte daarvan. De gemeenteraad kan voorwaarden stellen aan de doordecentralisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De financiënDe overdacht van taken aan gemeenten gaat uiteraard gepaard met de overdracht van middelen. Gezien de aard van de huisvestingstaak lag de keuze voor het Gemeentefonds het meest voor de hand. Vanaf 1 januari 1997 is de geldstroom voor huisvestingsvoorzieningen van het ministerie van OCenW aan gemeenten stopgezet en is deze vervangen door een Gemeentefondsuitkering. In de Financiële verhoudingswet is vastgelegd op welke wijze de verdeling van de middelen plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het overleg met het lokale onderwijsveld; consensusmodelAlvorens in paragraaf 6 in te gaan op het formele instrument dat gemeenten ter beschikking staat om de huisvestingstaak uit te voeren (de verordening), wordt eerst ingegaan op het minstens zo belangrijke instrument van het overleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wet is een aantal malen overleg met bijzondere scholen of hun vertegenwoordigers voorgeschreven. Méér echter dan een wettelijke verplichting is het overleg een instrument om lokaal onderwijs(huisvestings)beleid te voeren. Het is niet alleen van belang om draagvlak te verkrijgen voor de intenties van de gemeente, maar ook nuttig om inzicht te krijgen in de wensen en mogelijkheden van schoolbesturen. Met name indien een gemeente de onderwijshuisvesting wil inbedden in het bredere lokaal onderwijsbeleid, is goed overleg onontbeerlijk. De procedures voor het overleg zijn nader geregeld in de Overlegverordening lokaal onderwijsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 6 wordt onder andere beschreven wat het programma, het overzicht en de urgentiecriteria inhouden. De toepassing van deze wettelijke instrumenten kàn ertoe leiden dat het huisvestingsbeleid niet meer wordt dan het van jaar tot jaar toe- en afwijzen van ingediende verzoeken. Op die wijze is het niet alleen onmogelijk om integraal beleid te voeren; ook de ontwikkeling van een meerjarenperspectief is dan niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien echter, in overleg met het onderwijsveld, gekomen kan worden tot een meerjarenplanning kunnen de formele instrumenten in belangrijke mate achterwege blijven. Van de scholen wordt dan gevraagd inzicht te geven in hun meerjarenplanning en de daaruit voortvloeiende huisvestingswensen. De gemeente geeft aan wat, naar verwachting, de financiële mogelijkheden zijn en of er ontwikkelingen op andere gemeentelijke beleidsterreinen verwacht worden die mogelijk van invloed zijn op de onderwijshuisvesting. Vervolgens wordt, in gezamenlijk overleg, een planning voor de komende jaren vastgesteld. Dat kan met inachtneming van de urgentiecriteria die in de verordening vastliggen, maar hier kan ook van worden afgeweken als daarover consensus bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meerjarenplanning leidt vervolgens ieder jaar tot het plaatsen van een aantal voorzieningen op het programma dat door de raad wordt vastgesteld. Dat vereist overigens van de gemeente dat zij een reëel inzicht, ontleend aan de meerjarenbegroting, geeft in de financiële mogelijkheden op langere termijn. Dit systeem kan namelijk alleen werken als, weliswaar niet formeel maar wel materieel, rechten ontleend kunnen worden aan de meerjarenplanning. Dat betekent dat alleen in geval van calamiteiten van de meerjarenplanning wordt afgeweken. Als die zich niet voordoen, rust op de gemeente ten minste de morele plicht om de meerjarenplanning op de overeengekomen wijze uit te voeren. Uiteraard geldt dan voor de schoolbesturen dat zij, calamiteiten daargelaten, geen aanvragen indienen buiten de meerjarenplanning om.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande betekent dat de urgentiecriteria in feite niet formeel toegepast worden, omdat uitgegaan wordt van consensus met de schoolbesturen. Slechts als er geen overeenstemming over de meerjarenplanning bereikt wordt, wordt teruggevallen op de formele bepalingen uit de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zogenaamde consensusmodel stelt eisen aan het overleg. Daarbij gaat het zowel om de agenda als de deelnemers. Dit type overleg kan alleen zinvol zijn als het niet wordt beperkt tot de ‘techniek’ van de huisvesting, maar wordt verbreed tot de voornemens en wensen van alle partijen op het brede onderwijsterrein. Dat stelt uiteraard ook eisen aan de deelnemers. Overleg is alleen zinvol als men voldoende deskundigheid, maar ook voldoende mandaat heeft. Bovendien geldt voor de gemeente dat het noodzakelijk is een helder onderscheid aan te brengen tussen de lokale overheidstaak en het bestuur van het openbaar onderwijs. Aangezien in de gemeente Tilburg het bevoegd gezag van het openbaar basis en voortgezet onderwijs is overgedragen aan een tweetal bestuurscommissies is een belangenverstrengeling op dit punt niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bijzonder onderwijs betekent dit deelname door het schoolbestuur zelf, een representant daarvan met bestuurlijk mandaat of een vertegenwoordiger van een aantal schoolbesturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van het hiervoor beschreven consensusmodel betekent niet dat er geen verordening behoeft te worden vastgesteld. Volgens de wet dient iedere gemeente waar zich primair, speciaal, of voortgezet onderwijs bevindt een verordening te hebben. Ook al wordt die verordening niet strikt toegepast, hij is wel van belang als ‘vangnet’ voor het geval er onverhoopt niet met alle schoolbesturen consensus zou kunnen worden bereikt. Bovendien zullen ook de uitkomsten van het consensusmodel tot de vaststelling van een programma (de beschikkingen) door de gemeente moeten leiden. In het overleg kan afgesproken worden dat bepaalde procedurele aspecten van de verordening, zoals ten aanzien van de uitvoering van beschikkingen, wel van toepassing zijn op het consensusmodel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De verordeningDe wet geeft gemeenten een belangrijk instrument om de huisvestingstaak gestalte te geven: de verordening. De verordening dient de uitwerking te vormen van een aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat de verordening zodanig moet worden opgezet dat kan worden ‘voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening is gebaseerd op een VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs, die tot stand is gekomen met medewerking van een klankbordgroep, bestaande uit gemeentelijke vertegenwoordigers, en na uitgebreid en constructief overleg met de besturenorganisaties voor het bijzonder onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening bestaat voor het belangrijkste deel uit bepalingen die volgens de wet moeten worden opgenomen. Daarnaast is een aantal facultatieve bepalingen opgenomen. Op het eerste gezicht lijkt de verordening, en met name de bijlagen, vrij omvangrijk. De redenen daarvoor zijn de volgende: alhoewel het sterk de voorkeur heeft om in overleg met de schoolbesturen het huisvestingsbeleid gestalte te geven, dient de verordening zodanig van inhoud te zijn dat die in juridische zin voldoende waarborgen biedt om, ook in beroep, de gemeentelijke beslissingen te kunnen dragen. Dat gegeven leidt tot meer bepalingen dan op het eerste gezicht wenselijk lijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien vervangt de verordening het grootste deel van het omvangrijke scala aan rijksregelgeving en andere voorschriften. Gemeenten hebben nu eenmaal niet dezelfde variëteit aan regelgevingsmogelijkheden die het rijk heeft, dus alle regels moeten in de vorm van een verordening worden gegoten. Om een indruk te geven: de modelverordening vervangt (delen van):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Bouwbesluit WBO/ISOVSO;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Bekostigingsbesluit WBO/ISOVSO;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Huisvestingsbesluit WBO/ISOVSO;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Bekostigingsstelsel basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs; programma’s van eisen huisvesting;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Regeling subsidieplafond en verdelingsregels basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Regeling inzending bouwopdracht basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Regelingen m.b.t. de huisvestingsmeldingsformulieren basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Regelingen m.b.t. de modelprognoses;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Regeling invoering architectenverklaring basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Huisvestingsbesluit WVO;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Regeling huisvesting voortgezet onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Programma’s van eisen blijvende voorzieningen voortgezet onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Programma’s van eisen tijdelijke voorzieningen voortgezet onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Programma’s van eisen inventaris voortgezet onderwijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Ruimtelijk normeringssysteem (RNS) voortgezet onderwijs.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.1 UitgangspuntenIn de verordening is uitgegaan van integraal gemeentelijk huisvestingsbeleid. Dat betekent dat niet op voorhand een scheiding wordt aangebracht tussen primair, speciaal en voortgezet onderwijs. Hieruit vloeit niet alleen voort dat ervan uit wordt gegaan dat de gemeenteraad één budget vaststelt voor alle mogelijke huisvestingsvoorzieningen, maar ook dat bij het opstellen van de beoordelingscriteria waar mogelijk wordt uitgegaan van één systematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander uitgangspunt van de verordening betreft de efficiency. Niet alleen vanwege de vooraf opgelegde efficiencykorting, maar ook vanwege het algemene belang om zo zorgvuldig mogelijk om te springen met gemeenschapsgelden, heeft dit item een groot accent gekregen in de verordening. De inzet is het zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande huisvestingscapaciteit. Dat komt tot uitdrukking in de beoordelingscriteria die worden toegepast bij verzoeken om nieuwe huisvestingsvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook bij het toekennen van ruimte voor gymnastiekonderwijs. Bij dat laatste wordt het uitgangspunt verlaten dat bij een bepaalde omvang van het gebruik recht bestaat op een ‘eigen’ gymlokaal, en wordt uitgegaan van gemeentelijke accommodaties die beschikbaar worden gesteld voor het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maatwerk, een van de andere belangrijke redenen voor decentralisatie van de onderwijshuisvesting, komt onder andere tot uitdrukking in de vergroting van autonomie die aan schoolbesturen wordt gegeven. Niet langer worden gedetailleerde eisen gesteld aan de vorm waarin een huisvestingsvoorziening wordt uitgevoerd; er worden slechts minimale normen vastgelegd. Zo geldt bijvoorbeeld een minimumoppervlakte voor een lesruimte, om te bewerkstelligen dat een gebouw ook functioneel is voor eventuele andere gebruikers, maar geen minimumnorm voor het totale gebouw. De verordening gaat ook niet uit van een genormeerd systeem van periodieke toekenning van bedragen voor groot onderhoud en renovatie. Als dergelijke voorzieningen gewenst worden, dan wordt de noodzaak ervan getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maatwerk komt ook tot uitdrukking in de wijze waarop de vergoeding van de kosten van bepaalde voorzieningen tot stand komt. De wet schrijft voor dat de gemeenteraad daarvoor normen vastlegt. In de memorie van toelichting is aangegeven dat dat ook kan inhouden dat met een zogenoemde offertesystematiek wordt gewerkt. In de modelverordening is ervoor gekozen de vergoeding voor alle voorzieningen waarvoor dat mogelijk is te normeren in de vorm van een soort van programma’s van eisen. Voor de voorzieningen waarvoor dat niet mogelijk is wordt uitgegaan van de offertelijn. Die houdt in dat een schoolbestuur bij de aanvraag een begroting overlegt. Na eventuele bijstelling daarvan wordt een voorlopig vergoedingsbedrag vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de voorziening door de raad is goedgekeurd, vraagt het schoolbestuur een aantal offertes. Op basis daarvan wordt vervolgens het definitieve vergoedingsbedrag bepaald. Op die wijze ontstaat ook in de vergoeding van de voorzieningen het benodigde maatwerk. In de artikelsgewijze toelichting is aangegeven dat ook de vergoedingsbedragen die genormeerd zijn, kunnen worden vervangen door de offertelijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk was er in de verordening geen sprake van een principiële breuk met het rijksbeleid zoals dat bestaan heeft tot 1 januari 1977. Zo waren de normbedragen afgeleid van de voormalige programma’s van eisen en waren bijvoorbeeld bij verwijsafstanden grotendeels de rijkscriteria overgenomen. Waar mogelijk waren wel vereenvoudigingen aangebracht. De reden voor de vertaling van grote delen van het rijksbeleid was tweeledig. Enerzijds was het bedrag dat werd overgeheveld naar gemeenten gebaseerd op dit beleid. Grote afwijkingen hiervan konden soms tot meerkosten leiden. Anderzijds liet deze keuze alle mogelijkheden open om in het overleg met de schoolbesturen tot een werkelijk lokale invulling te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan, waardoor er afwijkingen hebben plaatsgevonden van de oorspronkelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van rijksbeleid is vanaf 1999 het aantal leerlingen in de onderbouw van een basisschool geleidelijk aan verminderd. Dit heeft uiteindelijk geleid tot nieuwe formules voor de bepaling van de huisvestingsbehoefte. Daarnaast zijn scholen voor vso-lom en vso-mlk onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs gaan vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk voor de Tilburgse situatie zijn de in 2002 respectievelijk 2003 door het college vastgestelde nota’s Ambitie en Beleid Onderwijshuisvesting en Ambitie en Beleid Gymnastiekaccommodaties. Deze twee nota’s, in nauw overleg met het onderwijsveld tot stand gekomen, zijn de basis voor een beleidsrijke invulling van het beleid ten aanzien van onderwijshuisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 De structuurDe verordening bevat een aanzienlijk aantal vrij technische bepalingen. Dit geldt met name voor de bouwkundige en financiële normering en de urgentie- en prognosecriteria. Omwille van de inzichtelijkheid bestaat de verordening daarom uit een zgn. rompverordening met bijlagen. In de romp staan bepalingen die in hun algemeenheid voor iedere gemeente gelden, zoals de begripsomschrijvingen, de aanvraagprocedure en de competentieverdeling tussen raad en college van burgemeester en wethouders. Verder is een aantal ‘kapstokbepalingen’ opgenomen. Deze maken het mogelijk dat een nadere uitwerking plaatsvindt in de bijlagen. Romp en bijlagen vormen overigens in juridische zin één geheel. De totstandkoming en wijziging van de bijlagen (zie onder 2.4) zullen op dezelfde wijze dienen plaats te vinden als die van de romp. Dat betekent overigens niet dat iedere wijziging tot een nieuwe vaststelling door de gemeenteraad moet leiden. Wanneer het gaat om zaken die jaarlijks bijgesteld moeten worden, zoals normbedragen, is die bijstelling opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 De procedures van aanvragen en afhandelingWat de procedures betreft wordt aangesloten bij de gemeentelijke begrotingscyclus. De totale cyclus, die start met vaststelling of (indien noodzakelijk) wijziging van de verordening en eindigt met de uitvoering van de huisvestingsvoorziening, vindt plaats in drie kalenderjaren. In het onderstaande schema wordt geschetst welke activiteiten in welk jaar moeten plaatsvinden, waarbij met jaar ‘t’ het jaar van uitvoering van de huisvestingsvoorziening door het schoolbestuur is bedoeld. De aangegeven maanden zijn uiteraard indicatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hiervoor beschreven proces kan zich in principe ieder jaar herhalen. Dit betekent bijvoorbeeld dat op het moment van overleg met de schoolbesturen over het collegevoorstel voor het programma, ook het wettelijk voorgeschreven overleg over een eventuele wijziging van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs kan plaatsvinden. Dit met inachtneming van het gestelde in de Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is bij de aanvraagprocedures geen onderscheid gemaakt tussen voor blijvend en voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Beide worden op hetzelfde moment en voor hetzelfde programma aangevraagd. Dat kan ook omdat ten opzichte van het systeem van vóór 1 januari 1997 de procedure voor de voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen met één jaar bekort is. Die voorzieningen worden nu het jaar voorafgaand aan de realisering aangevraagd. Indien zich calamiteiten voordoen, waarbij de voortgang van het onderwijs belemmerd wordt, kan een spoedprocedure gevolgd worden. Door de verkorting van de reguliere procedures zal hiervan naar verwachting weinig gebruik hoeven te worden gemaakt. t-2 aug | * overleg over verordening sep | okt | * vaststelling/wijziging verordening nov | dec t-1 jan | * indiening aanvragen jaar t feb | * formele toets aanvragen | * begrotingsvoorbereiding mrt | * ambtelijke voorbereiding + | * bepalen kosten aangevraagde voorzieningen apr | overleg aanvragers mei | * voorontwerp programma/overzicht | * overleg budget portefeuillehouders jun | * collegevoorstel conceptprogramma/overzicht jul | * overleg schoolbesturen sep okt | * vaststelling gemeentebegroting incl. huisvestingsbudget nov | * vaststelling definitief programma/overzicht dec | * overleg wijze van uitvoering | * offertes aanvragen t jan | * uitvoering programma feb | * toets bouwplannen mrt | * toets gewijzigde omstandigheden apr | mei | jun | jul 6.4 De normeringDe wet draagt gemeenten op om in de verordening bouwkundige en financiële normen vast te leggen. Ten aanzien van de financiële normering bestaan geen centrale voorschriften meer. Het vastleggen hiervan is dus volledig overgelaten aan gemeenten. Wel moet de vaststelling zodanig plaatsvinden, dat een schoolbestuur vooraf weet waar het op kan rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bouwkundige normering is er wel sprake van centrale regelgeving. Met name in het Bouwbesluit van VROM zijn eisen aan gebouwen, waaronder schoolgebouwen, gesteld. Ook zijn in een algemene maatregel van bestuur van OCenW minimale oppervlaktenormen gegeven (Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO, Stb. 1997, 125). Aanvullend daarop zijn in de verordening enkele minimale eisen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwkundige normering dient twee doelen. Enerzijds wordt daarmee bepaald aan welke eisen nieuwe voorzieningen moeten voldoen. Anderzijds kan uit de bouwkundige normering informatie worden ontleend over de capaciteit en de functionaliteit van een bestaand gebouw. Deze informatie is belangrijk om te beoordelen of er een nieuwe voorziening aan een gebouw getroffen moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de financiële normering zijn er twee opties: een strikt genormeerde lijn en een offertelijn. Ook kan een combinatie van beide worden gekozen. De genormeerde lijn houdt in dat met programma’s van eisen gewerkt wordt, die precies aangeven welk bedrag voor welke voorziening staat. In de verordening wordt aangegeven hoe die bedragen bijgesteld worden; uitvoering daarvan is opgedragen aan het college. De offertelijn houdt in dat het schoolbestuur voor een gewenste voorziening een aantal offertes vraagt, op basis van vooraf vastgestelde uitgangspunten. Op basis van de overgelegde offertes stelt de gemeente het vergoedingsbedrag vast. Met name voor voorzieningen als aanpassingen en onderhoud kan de offertelijn uitkomst bieden, vooral als gestreefd wordt naar maatwerk. Deze voorzieningen zijn immers zo afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het gebouw, dat ze moeilijk vooraf te normeren zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Beoordelings- en urgentiecriteriaBeoordelingscriteria zijn onontbeerlijk voor de vaststelling of een verzoek in principe voor bekostiging in aanmerking komt. Voorbeelden van beoordelingscriteria zijn een bepaling over met hoeveel leerlingen een school moet groeien om in aanmerking te komen voor extra ruimte, of een bepaling dat een prognose moet aantonen dat een bepaald aantal leerlingen gedurende een bepaald aantal jaren de school zal bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voldaan is aan de beoordelingscriteria, wordt aan de hand van de urgentiecriteria en het beschikbare budget vastgesteld of een voorziening daadwerkelijk bekostigd wordt. Omdat als uitgangspunt is gekozen voor één budget voor alle schoolsoorten, gelden de urgentiecriteria ook voor alle schoolsoorten. Dat betekent dat is gezocht naar een methode om verzoeken van verschillende schoolsoorten onderling vergelijkbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De urgentiecriteria worden onderscheiden in vier hoofdgroepen:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 voorzieningen die nodig zijn om een kwantitatief tekort op te heffen (te weinig ruimte);</p>\n<p class=\"lf-p\">2 voorzieningen die nodig zijn om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 noodzakelijke aanpassingen aan gebouwen die voortkomen uit bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen (Arbo-besluit, Bouwbesluit, brandveiligheidsvoorschriften);</p>\n<p class=\"lf-p\">4 voorzieningen die wenselijk zijn om kwalitatieve tekorten op te heffen die het gevolg zijn van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen (bijvoorbeeld andere indeling gebouw), doch die als zodanig niet verplicht zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vier hoofdgroepen moeten vervolgens weer onderscheiden worden in een aantal subgroepen. Voorbeeld: er zijn in een bepaald jaar drie verzoeken om uitbreiding. Deze verzoeken vallen in hoofdgroep 1. Binnen die hoofdgroep moet worden vastgesteld welke uitbreiding het meest urgent is. Dit kan bijvoorbeeld door te bepalen dat de school waar relatief de grootste groei plaatsvindt, de hoogste prioriteit heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle binnengekomen verzoeken worden dus eerst beoordeeld aan de hand van wettelijke voorschriften en de gemeentelijke beoordelingscriteria. De voorzieningen die deze toets niet doorstaan, komen op het overzicht. De voorzieningen die overblijven worden met behulp van de urgentiecriteria in volgorde van prioriteit geplaatst. Vervolgens wordt aan de hand hiervan bepaald welke voorzieningen het volgende jaar vergoed worden. Deze komen op het programma te staan. Op grond van de bijbehorende normbedragen of de bedragen die op basis van de offertelijn zijn vastgesteld, wordt vervolgens het bedrag bepaald dat de gemeenteraad voor deze voorzieningen op de begroting voor het volgende jaar opneemt. De voorzieningen die ‘onder de streep’ belanden, worden wegens ontoereikendheid van het budget op het overzicht geplaatst. Als er voldoende budget is, komen alle aanvragen op het programma. Zodoende worden op één moment het bedrag, het programma en het overzicht vastgesteld. De voorzieningen die het volgende jaar door de gemeente vergoed worden komen op het programma; alle afgewezen verzoeken komen op het overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6. PrognosecriteriaIn de modelverordening is vastgelegd dat voor de beoordeling van aanvragen in de meeste gevallen een prognose van leerlingaantallen moet worden overlegd. Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een aangevraagde voorziening. Tot 1997 werden aantal prognosemodellen voorgeschreven (Probo II voor basisscholen, Lasso voor speciale scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en het prognosemodel huisvesting voor het voortgezet onderwijs). Nu geeft de verordening het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid nadere regels vast te stellen. Als model hiertoe is in samenwerking met de besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt ‘programma van eisen voor leerlingprognoses’ opgesteld. In dit programma van eisen is tot op het niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerk bij toepassing van de prognosemethodiek ligt voor de hand wanneer de specifieke positie van enkele kleinere richtingen aan de orde is. Het betreft hier met name gereformeerd-vrijgemaakte, reformatorische en vrije scholen, waarbij de kerkelijke gebondenheid of het uitermate grote voedingsgebied een wezenlijke rol spelen. Het maatwerk kan hier getroffen worden door op onderdelen van de standaardsystematiek af te wijken of door deze systematiek op een bepaalde manier toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk blijkt echter dat met name in nieuwbouwwijken de uitkomst van de prognose voor de korte termijn te wensen over laat. In overleg met de schoolbesturen is besloten om in die gevallen ook rekening te houden met de feitelijke ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Vaststelling van de verordeningOp de vaststelling van de verordening zijn in algemene zin de betreffende bepalingen uit de Gemeentewet van toepassing. Daarnaast zijn ook in de WPO, de WEC en de WVO enkele bepalingen hieromtrent opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grondslag voor de regelgevende bevoegdheid van gemeenten ligt vast in de Grondwet. De gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente, en beschikt dientengevolge over de bevoegdheid alles te regelen in het belang van de openbare orde, de zedelijkheid, de gezondheid en andere zaken betreffende de huishouding van de gemeente (artikel 147 Gemeentewet). Daarnaast is de raad op grond van artikel 108, tweede lid Gemeentewet, verplicht die regelingen te treffen die door hogere regelingen worden gevorderd. Om verbindende werking te verkrijgen moet vervolgens krachtens artikel 139 Gemeentewet de bekendmaking van het besluit plaatsvinden. Dit gebeurt door plaatsing in het gemeenteblad, dan wel, bij gebreke daarvan, door opneming in een andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderwijswetten kennen ook een aantal bepalingen omtrent de vaststelling van de huisvestingsverordening. Zo bepalen de artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m en 217 WVO dat de verordening niet vastgesteld of gewijzigd wordt dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met vertegenwoordigers van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Voor dat overleg moet de gemeenteraad een procedure vaststellen. Deze procedure is opgenomen in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 RechtsbeschermingDe WPO, de WEC en de WVO verklaren wat de rechtsbescherming betreft de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Tegen de vaststelling van de verordening is geen bezwaar of beroep mogelijk; de Awb sluit dat op dit moment uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Awb-bepalingen die gelden voor de procedure voor de totstandkoming van besluiten van de gemeente, hebben aanvankelijk grotendeels een vertaling in verordening gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 2005 toetst de accountant de rechtmatigheid van de uitgaven voor onderwijshuisvesting ook aan de verordening, waarbij met name het zwaartepunt ligt op de handhaving van de procedures en termijnen. Ter voorkoming van ongewenste effecten zijn de procedures en termijnen, gebaseerd op de Algemene wet bestuursrecht uit de verordening verwijderd. Voor de schoolbesturen heeft dit verder geen consequenties omdat de AWB op alle aanvragen en besluiten volledig van toepassing blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuwe vorm van rechtsbescherming betreft de introductie van een advies van de Onderwijsraad. Zowel de gemeente als een schoolbestuur kan een dergelijk advies vragen. Het advies van de Onderwijsraad kan gevraagd worden in het kader van de vaststelling of wijziging van de verordening, en in het kader van de vaststelling van het jaarlijkse huisvestingsprogramma. Indien een schoolbestuur van mening is dat het voorgenomen besluit van de gemeente ten aanzien van de verordening of het huisvestingsprogramma in strijd is met de vrijheid van richting of inrichting, kan daarover advies worden gevraagd. Het advies wordt binnen vier weken gegeven. Bij het definitieve besluit houdt de gemeente rekening met het advies; een eventuele afwijking daarvan moet gemotiveerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Ten slotteHiervoor is weergegeven hoe gemeenten kunnen handelen bij de uitvoering van de wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting. Met name de verordening is daarbij een belangrijk instrument. In paragraaf 5 is verwoord dat er mogelijkheden zijn om, in afwijking van de verordening, in overleg met de schoolbesturen het lokale huisvestingsbeleid gestalte te geven. Daarbij kunnen dan aspecten van het lokale onderwijsbeleid en andere gemeentelijke beleidsterreinen betrokken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2002 heeft het college de nota “Ambitie en Beleid Onderwijshuisvesting” vastgesteld; in 2003 is daar aan toegevoegd de nota Ambitie en Beleid Gymnastiekonderwijs. De nota is opgesteld in nauw overleg met de schoolbesturen in de gemeente Tilburg. In de nota zijn de ambities en de uitgangspunten inzake de onderwijshuisvesting geformuleerd, die ten grondslag liggen aan het Integraal Huisvestingsplan dat vanaf 2002 verder is uitgewerkt. Een aantal onderwerpen in de nota is vertaald in aanvullende of vervangende regelgeving in de huisvestingsverordening. Verder is deze nota een belangrijk document bij de interpretatie van de verordening en de invulling van het gemeentelijk beleid ten aanzien van onderwijshuisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van de invoering van de Wet dualisering medebewindswetgeving zijn in de onderwijswetgeving de taken van de raad en het college aangepast. Vanaf 8 maart 2006 worden het huisvestingsprogramma- en overzicht voortaan door het college vastgesteld. Dit dient evenwel te geschieden binnen de door de raad in de begroting voor het betreffende jaar opgenomen middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichtingConsideransArtikel 1 BegripsbepalingenEen belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting te komen in de verordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen, criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt gelijke behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de indieningsdatum voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen voor alle schoolbesturen dezelfde zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen om onder de begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ alle schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Tilburgse situatie betekent dit dat de stichtingen voor openbaar basisonderwijs en openbaar voortgezet onderwijs gehouden zijn aan dezelfde procedures en termijnen als een bestuur van een bijzondere school.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving voorzieningen in de huisvestingDe omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden aangevraagd, maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden toegewezen. Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de omschrijving van dit artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het bereik van deze verordening. Louter op deze grond kan de gemeente een dergelijke voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op de in de wet opgenomen weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd indien het geen voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld artikel 100, eerste lid, onder a WPO) Voorbeeld: het buitenschilderwerk van een basisschool wordt volgens de opsomming van de onderhoudsactiviteiten niet gerekend tot de huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2, onder c. Reden hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als voorziening in de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het buitenschilderwerk vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor de materiële instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk ontvangt.) De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee een limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot verruiming van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot inperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1o Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">2o Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het primair onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van minimaal een bepaald aantal vierkante meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">3o Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in de wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met ‘bestaand gebouw of een gedeelte daarvan’. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in schoolgebouw waarvan een andere school gebruikt maakt is er sprake van medegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">4o Verplaatsing is beperkt tot noodlokalen vanwege de aard van een gebouw (men kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">5o Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van een onderwijsgebouw is geen automatisme zoals voor de decentralisatie in het primair onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen nog maar plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van de huisvestingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6o/7o Vanaf 2010 worden er geen afzonderlijke bedragen meer toegekend voor onderwijsleerpakket en meubilair. Er is voortaan sprake van een vast bedrag en een bedrag per m² bruto vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwijkende terminologie voor het voortgezet onderwijs (leer- en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8o Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in gebruik zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het gebruik van een gymnastiekaccommodatie die eigendom is van een andere school of de gemeente. Voor de baden geldt het volgende: Voor een bad voor bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b en c Aanvankelijk viel onder de term 'aanpassing' ook een gedeelte van het onderhoud aan scholen voor voortgezet onderwijs. Met ingang van 1 januari 2005 is de term 'aanpassing' uit de Wet op het voortgezet onderwijs geschrapt. De gemeente is ten aanzien van het voortgezet onderwijs alleen nog verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijlage I wordt verder inhoud gegeven aan de voor de invoering van de decentralisatie in het primair onderwijs gehanteerde begrippen ‘partiële en algehele aanpassing’. Verder is een - in overleg met de schoolbesturen opgesteld - overzicht opgenomen, waarin is vermeld welke onderhoudsactiviteiten voor schoolgebouwen voor het primair en speciaal onderwijs voor bekostiging in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad d Voor het begrip constructiefouten is een ‘definitie’ geformuleerd, gebaseerd op de in het verleden hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de financiële weigeringsgrond van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad e De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening niet nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Tilburg vindt daarom de afhandeling van schades plaats op basis van het door het college vastgesteld schadeprotocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad f Evenals voor de invoering van de decentralisatie het geval was, kan aan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs onder bepaalde voorwaarden een vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwvoorbereiding voorzieningenDe wet biedt het college de mogelijkheid om, naast de toewijzing en vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten in het kader van de bouwplanontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 4 van de verordening wordt de aanvraag- en besluitvormingsprocedure voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een – ook in tijd bezien – gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een gescheiden traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin der wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het huisvestingsprogramma kan zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling vergoeding voorzieningenDit artikel vormt de ‘kapstok’ op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programmavaststelling, de spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van de in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van de vergoeding gelegd In dit artikel wordt dus bepaald voor welke voorzieningen in de verordening een normvergoeding wordt opgenomen en voor welke voorzieningen een vergoeding op basis van een offerte wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente toetst deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming op basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de aanvrager.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">InformatieverstrekkingDit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 112 WPO) Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke zorg voor de huisvesting. Verstrekking van informatie waarbij een dergelijke functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te blijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indiening aanvraag(Indienings)termijnenIn de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 6.3 de procedure (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende tijdpad) uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen, dat de besturen voldoende tijd hebben om op basis van een nieuwe prognose een aanvraag te formuleren en er voor de gemeente voldoende voorbereidingstijd is om te komen tot een zorgvuldige vaststelling van het programma De verordening geeft het college de mogelijkheid om een aanvraag in behandeling te nemen na ontvangst van de genoemde datum. Wanneer de aanvraag zo laat wordt ingediend, dat hij niet meer behandeld kan worden meegenomen bij de interne begrotingsvoorbereiding zal het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat de aanvraag niet door het college verder wordt betrokken bij van de voorbereiding van het programma en het overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke besluit over het huisvestingsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen indiening aanvragen overzicht in het kader van meerjarig huisvestingsbeleid (het zgn. ‘consensusmodel’)In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: ‘Het overzicht [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is. De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als huisvestingsplan.’ (TK 1995-1996, 24 455, nr.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan ‘dwingen’ om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen, waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. Zo’n meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:</p></div>", "next": 239647}