{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dakopbouw en dakkapellen toegestaan mits aansluitend bij architectuur van gevel en bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Accenten op hoeken ter versterking stedenbouwkundige structuur toegestaan mits passend bij de architectuur van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorkeur toepassen van samengestelde kappen - Zakelijk expressionisme: platte daken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorkeur toepassen samengesteld zadeldak, tentdak of mansardekap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kaprichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegend samengestelde kaprichtingen toepassen mits aangepast aan bouwmassa en passend in de gevel(wand).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uiterlijk van de bouwvorm is bepalend voor de gevelopbouw en -geleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijke afsluiting van de gevelwand door toepassing van een daklijst mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijke opbouw gevel doorgaand bestaande uit (plint-)middenstuk–dakopbouw handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelgeleding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk bouwvorm van de afzonderlijke elementen is bepalend voor de gevelopbouw en –geleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vrijstaande en halfvrijstaande individuele gebouwen is het horizontalisme overheersend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij seriematige bouw (m.n. middelhoogbouw) is een verticale geleding overheersend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plasticiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">De over het algemeen hoge plasticiteit van de gevel handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van o.a. uitbouwtjes, torentjes en overige ornamenten toegestaan mits deze in lijn van het geheel zijn vormgegeven en passen in de gevelwand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele objecten Seriematige objecten Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Overwegend materiaalgebruik:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels: baksteen, natuursteen en/of zandsteen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegend materiaalgebruik:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels: bij voorkeur baksteen, natuursteen en/of zandsteen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kap: bij voorkeur gedekt pannen - platte daken bitumen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijnen: bij voorkeur hout (geschuurd en gebeitst) of goedgelijkende andere materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kap: bij voorkeur gedekt pannen, riet (bij vrijstaande landhuizen) of een combinatie hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijnen: bij voorkeur hout (geschuurd en gebeitst) of goedgelijkende andere materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleurtoon:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels: hoofdzakelijk lichte kleurtoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kap: overwegend donkere kleurtoon (rood- en zwarttinten) - m.u.v. rietdaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijnen: bij voorkeur wit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De panden zijn doorgaans rijk gedetailleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige details kunnen mits zorgvuldig ingepast en vormgegeven in de lijn met de overwegende architectuur en passend bij de schaal en de functie van het gebouw worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verschillende bouwvormen kunnen verschillende vormen van details worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij voorkeur toepassen van kenmerkende details: vensterstroken, dik kozijnhout, kleine smalle roeden, sierverbanden en verticale metselverbanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor H6.2 Polderlint; uitlopers/buurt­schappen De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Uitbreiding aan zijgevel alleen mogelijk als vorm en maat van het perceel daar ruimte voor laat; doorzichten niet dichtzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapvorm en –richting afstemmen op kapvorm van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. Afstemming met het hoofdgebouw is essentieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gebieden type A en B bijzonder niveau bij voorkeur uitvoeren in metselwerk of gepotdekseld hout. Hout bij voorkeur in donkere kleurstelling in Oudhollandse kleuren of zwart geteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw, in principe achter het hoofdgebouw niet zichtbaar vanaf de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapvorm en –richting afstemmen op kapvorm van de hoofdbebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. afstemming met hoofdgebouw is essentieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gebieden type A en B bijzonder niveau bij voorkeur uitvoeren in metselwerk of gepotdekseld hout. Hout bij voorkeur in donkere kleurstelling in Oudhollandse kleuren of zwart geteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijn- en gevelwijzigingen Bij kozijn- en gevelwijzigingen dient het oorspronkelijke ontwerp als uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwe winkelpuien afstemming zoeken in ritmiek van de pui- en/of gevelstructuur tussen begane grondgevel en bovengevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het samenvoegen van meerdere panden door het toepassen van luifels of andere geveltoevoegingen is niet toegestaan. Deze moeten altijd de oorspronkelijke gevelindeling van het individuele gebouw volgen en afgestemd zijn op de materiaalkeuze en kleurstelling van het bestaande hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering van de oorspronkelijke / historische bebouwing met rolbogen, sluitstenen, speklagen e.d. is richtinggevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met name (winkel)puien op hoeken verdienen een zeer zorgvuldige vormgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoud van en respect voor oorspronkelijke raamindeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoud van en respect voor oorspronkelijke ornamentiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakkapellen Dakkapellen aan de voorkant in maatvoering minimaliseren en passend in architectuur van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen dakopbouwen en doorgetrokken gevels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangekapte dakkapel is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc. afstemming met hoofdbebouwing essentieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planmatig ontworpen woongebieden (W-gebieden) Achter de historische structuren en aan de randen van de kernen zijn planmatig ontworpen woongebieden gebouwd. Door de jaren heen zijn er verschillende typen planmatig ontworpen buurten en wijken gebouwd, die telkens weer nieuwe randen van kernen vormen. Binnen de bouwblokken en soms binnen straten en buurten bestaat een zekere mate van uniformiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Vanaf de periode 1870 – 1900 is de uitbreiding van de gebouwde omgeving vooral planmatig aangestuurd. Bij deze planmatige ontwikkelingen van woon en gemengde gebieden hebben kenmerkende stijloverwegingen in meer of mindere mate hun stempel gedrukt op de kwaliteit van de omgeving. Met name in de vooroorlogse woongebieden zijn deze kenmerkende bouwstijlen nog nadrukkelijk aanwezig. Vanaf de in de jaren ‘30 ontwikkelde ‘open stedenbouw’ zijn op grote schaal bouwblokken toegepast. Doordat deze zijn opgebouwd uit herhaling van woongebouwen en rijenhuizen in stroken of stempels worden deze ensembles heel anders beleefd. In woongebieden die in kleine stappen zijn ontwikkeld en ook in de meer recente woonwijken is de ontwikkeling meer overgelaten aan de markt. Individuele woonwensen en aversie tegen seriematig bouwen en het zoeken naar verscheidenheid hebben geleid tot wijken met weinig samenhang tussen stedenbouw en architectuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de planmatig ontworpen woongebieden kan onderscheid worden gemaakt in de verschillende perioden waarin de woongebieden zijn gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooroorlogse woongebieden (W1.1). De traditionele bebouwing uit de periode 19001945 heeft een ingetogen materiaal- en kleurgebruik voorzien van eenvoudige details. Er is vooral gebruik gemaakt van baksteen als bouwmateriaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woongebieden in stroken- en blokverkaveling (W1.2). Door de hoge productiestroom is er in de periode 19451980 veelvuldig gebruik gemaakt van verschillende bouwmaterialen zoals glas, baksteen, beton en staal. De bouwblokken hebben een repeterend patroon en geheel eigen kenmerkende detaillering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonerven (W1.3). Deze woongebieden uit de jaren 19701985 kenmerken zich door het woonerfconcept. De bebouwing is zeer divers een gesitueerd in een groene woonomgeving. De menselijke schaal en maat is hierbij leidend. Kenmerkend zijn ook de vele aanbouwen aan de hoofdbouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woongebieden eind 20e eeuw (W1.4). In deze woongebieden is een grote diversiteit aanwezig in bouwvormen en kleur en materiaalgebruik. Binnen de bouwblokken en/of straatwanden is de samenhang doorgaans groot. De blokken onderling zijn doorgaans verschillend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente zijn verschillende gebieden te karakteriseren als gebieden die planmatig ontworpen zijn. In onderstaand schema wordt aangegeven welke typologie aan bepaalde wijken kan worden toegeschreven. De nummers verwijzen naar de gebieds/typologiebeschrijvingen met bijbehorende criteria. Daarnaast corresponderen zij met de legendaeenheden van de typologiekaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn gebieden met een overwegend individuele bouw gerealiseerd. Deze gebieden kernmerken zich door een individuele architectuur, die geen of weinig relatie vertoont met de omliggende planmatige bebouwing. Deze gebieden zijn met de codering W2 op de typologiekaart en in onderstaand schema aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedscode Naam gebied typologiebeschrijving Planmatig ontworpen woongebieden (W-gebieden) W1.1 Poortugaal: Gr. Kruisstraat e.o. en de Kerk Achterweg. Dr. Willem Vosstraat Rhoon: Rhodenstraat, Duivelandstraat, C.A. Dekkerstraat en Singel Vooroorlogse woongebieden W1.2 Poortugaal: Repelstraat, Schutskooistraat en omgeving, Koninginnelaan, Willem Alexanderlaan, Irenestraat, Prins Bernhardlaan, Molenweg en Burgemeester Breebaartlaan. Lange Zantelweg en aangrenzende straten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rhoon: gebied tussen Parallelstraat, Julianastraat, D. de Haanstraat en Werkersdijk / Waalstraat. Gebied tussen Zwaluwenlaan, Tijsjesdijk en Dorpsdijk. Jasmijn / Perelaer e.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woongebieden in stroken- en blokverkaveling W1.3 Poortugaal: de Heuvel, de Terp, de Meeting en de Warnaar. Het gebied tussen de van Leeuwenhoeklaan, Schroeder van der Kolklaan en de Albrandswaardsedijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rhoon: Het gebied tussen de Tijsjesdijk en de Essendijk. Gebied tussen de Rivierweg, Binnenbaan, Kleidijk en Rijsdijk. Gebied tussen Mozartlaan, Beethovenlaan, Bachlaan en Sweelincklaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonerven W1.4 Poortugaal: Gebied ten noorden van de metrolijn, met uitzondering van enkele W2-gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rhoon: Het gebied tussen de metrolijn, Dorpsdijk en de Oud Rhoonsedijk Portland Woongebieden eind 20e eeuw W2 Poortugaal: noordzijde van de Blaakse Wetering, Doen Beijenslaan, Limes, Rhoon: Oranje Nassaulaan, Graaf Bentincklaan, J. Kooymanlaan, G.E.C. Ribbiuslaan, Lijsterlaan, Sering Individuele bouw W1.1 Vooroorlogse woongebieden (19001945) Door de opkomst van de industrialisatie rond 1900 en daarmee de grote economische vooruitgang, nam de bevolking in de steden steeds meer toe. Mensen trokken van het platteland naar de stad voor werk. De slechte woningen van voor de Woningwet (1901) en de stijgende vraag naar woningen in deze jaren leidde tot een grote behoefte aan betere woningen. Deze werden gesitueerd in een schil rondom de oude kernen en in linten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden De revolutiebouw leverde in Nederland een plattegrond op die gekenmerkt wordt door minimale planmatigheid. Dit is ontstaan door het onvoldoende leiding geven aan de groei van woonkernen. De structuur van de vooroorlogse woongebieden vormt een aaneenrijging van kleine stratenplannen die slechts het beloop van de straten en rioleringen regelen. Bepalend zijn ook het beloop van vroegere poldersloten, eigendoms en perceelgrenzen en oude verkavelingspatronen. De maximalisatie van grondopbrengsten in deze periode heeft geleid tot smalle straten met vrij diepe, gesloten bouwblokken. Hier ontstonden hoge woningdichtheden door de opdeling van huizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rhoon Het vooroorlogse woongedeelte is qua omvang zeer beperkt gebleven in Rhoon. De grote uitbreidingen in deze kern zijn pas opgestart in de periode van de wederopbouw. Het vooroorlogse wijkje in Rhoon heeft desalniettemin een karakteristiek gezicht. De woningen zijn gericht op de weg en hebben over het algemeen een voortuin. De diepte van de voortuin varieert. De woningen zijn over het algemeen 1 tot 1,5 bouwlaag en voorzien van een langskap. De gevels zijn opgetrokken uit een donkergekleurde baksteen. De goot is over het algemeen in een lichte kleur, waardoor er een contrast ontstaat tussen de goot en de gevels. Vaak zijn de kozijnen in dezelfde lichte kleur geschilderd. De daken van de woningen zijn voorzien van rode dakpannen. Een groot aantal woningen heeft een dakkapel op de onderste helft van het dak. Het houtwerk van deze dakkapellen is over het algemeen in dezelfde tinten geschilderd als het houtwerk van de begane grondkozijnen. Hierdoor ontstaat er een eenheid in het bouwwerk en rust in de straat. Op de hoeken van het dak, waar de zijgevel het dak raakt, is een gemetselde schoorsteen aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Poortugaal De vooroorlogse woonwijken liggen in de kern Poortugaal relatief ver uit elkaar. De twee gebieden waar deze woningen voorkomen liggen ieder aan een andere rand van het dorp. Beide gebieden liggen echter wel in de nabijheid van de belangrijkste straten waarin Poortugaal haar oorsprong vindt, namelijk de Albrandswaardsedijk en de Kerkstraat. Het gebied aan de dr. Willem Vosstraat heeft een, voor de omgeving, herkenbare verkaveling. Op een haakse kruising van twee wegen is de verkaveling namelijk 45° verdraaid, waardoor de woningen aan een pleintje komen te staan. Het midden van het pleintje is voorzien van een verhoogde bestrating met in het midden een boom. Onder deze boom zijn bankjes aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbijzondering in de verkaveling is kenmerkend voor deze straat. De woningen zijn per twee aaneengebouwd, waardoor een staafvormige bebouwing ontstaat. De woningen zijn 1,5 bouwlaag hoog en voorzien van een schilddak. De indeling van de gevel is eenvoudig: de voordeur zit aan de rand van de gevel, daarnaast heeft iedere woning twee staande ramen. Tussen deze ramen zit een smalle gemetselde penant. De gevels zijn opgetrokken uit donker gekleurde baksteen. Over het algemeen zijn de kozijnen in een lichte, contrasterende kleur geschilderd. Het dak is voorzien van rode dakpannen. Veel woningen zijn voorzien van een dakkapel. Deze dakkapel is niet bij iedere woning hetzelfde, de situering wel: alle dakkapellen liggen in de gootlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen aan de Gr. Kruisstraat en omgeving zijn qua kleur en materiaalgebruik vergelijkbaar met de woningen aan de dr. Willem Vosstraat en de vooroorlogse bebouwing in Rhoon. In deze straten komt echter ook een ander daktype voor dan in eerder genoemde vooroorlogse wijken. Kenmerkend voor deze woningen is de knik in het dakvlak waardoor een deel van het dakvlak schijnbaar over de gevel heen valt. Dit deel van het dak is dan ook nagenoeg verticaal. Deze dakvormen komen we vooral tegen in de expressionistische bouw die globaal tussen 1910 en 1930 gerealiseerd is. De woningen komen echter niet in grote getale voor, zodat voor deze woningen niet een aparte typologie aangegeven is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn twee typen bebouwingselementen te onderscheiden: seriematige objecten bijzondere bebouwingselementen Op de typologiekaart zijn deze met de codering W1.1 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Deze eerste uitbreidingswijken van de gemeente Albrandswaard hebben bepaalde architectonische waarde en hebben richting gegeven aan de ontwikkeling van de dorpen binnen de gemeente. Om deze reden hebben zijn ze waardevol binnen het dorpse ruimtelijke patroon. Voor deze gebieden is een PLUS niveau van welstand van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de gebieden met seriematige bebouwing (W1.1) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor vooroorlogse woongebieden – W1.1 Situering van het bouwwerk Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Rooilijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij de aanwezige rooilijn in gebied: gebogen rooilijn langs de dijk en een rechte rooilijn elders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwblokken en woningen onderling: respecteren toegepaste zijdelingse afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans vrijstaand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezige oriëntatie op de straat handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Situatie afhankelijk: wisselend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij bouwmassa cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen of toepassen afgeleide bouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen bouwblok: aansluiten bij bouwmassa van het bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa aanpassen aan de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa is een afgeleide van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afleiden van bouwhoogte binnen bouwblok, cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van maat en schaal van de omliggende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapvorm en kaprichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Langskap of een afgeleid type (zoals langskap met schilden, mansardekap).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij de kapvorm en kaprichting bijbouwblok of cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouw en dakkapellen toegestaan mits aansluitend bij architectuur van de hoofdbouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Gevelopbouw en geleding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij gevelopbouw en gevelgeleding binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plasticiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij plasticiteit binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze en overwegend kleurgebruik:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij kleur- en materiaalgebruik binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor vooroorlogse woongebieden - W1.1 De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Kozijn- en gevelwijzigingen Terugkerende elementen als voordeuren en vensters blijven identiek of krijgen bij vernieuwing tenminste een aan elkaar verwante vormentaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanwezigheid van sterk bindende gevelelementen zoals houten gevelbekleding, lateibalken, kozijnbehandeling, worden deze per ensemble/compositie op dezelfde wijze behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verbouw krijgen bindende elementen een gelijke behandeling (daklijsten e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakkapellen Aan de voorzijde het aantal dakkapellen beperken tot 1. Bij situering in het dakvlak aansluiten op belendingen en karakteristiek (bijvoorbeeld situering in de goot) handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">W1.2 Woongebieden in stroken en blokverkaveling (19451980) Woonwijken in stroken en blokverkaveling zijn planmatig ontwikkelde woonwijken met een in vorm en uitstraling eenzijdige woonbebouwing. Veel uitleggebieden zijn vanaf de jaren ’50 gerealiseerd in een eenvoudig patroon van rechte straten met een symmetrisch straatprofiel. Langs deze straten zijn verschillende typen woningen gebouwd, veelal in rijen, afgewisseld met flats, appartementenblokken en dubbele woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden In de gemeente Albrandswaard zijn een aantal gebieden te karakteriseren als gebieden met traditionele bebouwing (voor de exacte begrenzingen van deze gebieden wordt verwezen naar de inleiding van dit hoofdstuk en de typologiekaart), Omdat voor deze woningtypologie nauwelijks onderscheid gemaakt kan worden in woningen gerealiseerd in Rhoon of Poortugaal wordt deze typologie voor beide kernen gelijktijdig besproken. Ook het criteriaschema geldt voor beide kernen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woongebieden in stroken en blokverkaveling worden gekenmerkt door een eenvoudige ruimtelijke structuur, stedenbouwkundig patroon en eenvoudige hoofdbouwvormen. De architectuur en de toegepaste materialen en bouwvormen stralen antistedelijkheid uit. De panden in deze buurt hebben veelal bakstenen gevels en zijn voorzien van een eenvoudige ‘dorpse‘ detaillering. Veelal hebben de woningen een langskap die met pannen is gedekt. Bij de oudere buurten zijn veel aan- en uitbouwen te zien omdat de woningen niet groot zijn van binnen. Deze aan- en uitbouwen zijn niet altijd fraai vormgegeven en tasten soms de architectuur van het blok aan. In Rhoon en Poortugaal zijn de W1.2wijken vooral herkenbaar aan de traditionele blokverkaveling met traditioneel vormgegeven rijen en dubbele woningen. De straten komen op de historische structuren in de kernen uit. Zo komen de twee W1.2gebieden in Rhoon beiden uit op de dorpsdijk. Deze gebieden zijn de eerste grote uitbreiding geweest in de periode van de wederopbouw. Ook in Poortugaal is deze structuur terug te vinden. Hier grenzen beide W1.2gebieden direct aan het historisch dorpscentrum en worden zij gescheiden door de F. v.d. Poest Clementenlaan. Vaak zie je dat de straten in deze buurten uit de wederopbouw de namen dragen van prinsen en prinsessen. Ook in Rhoon en Poortugaal is dat het geval. Er zijn twee typen bebouwingselementen te onderscheiden: seriematige objecten; bijzondere bebouwingselementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de typologiekaart zijn deze met de codering W1.2 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau De waarde van deze wijken schuilt vooral in de stedenbouwkundige opzet: de ruime groene aanleg en de (eenvoudige) compositie van de bouwmassa’s. De architectonische waarde van de verschillende gebouwencomplexen verschilt onderling sterk. Daarom is gekozen voor een BASIS niveau van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de gebieden met traditionele bebouwing (W1.2) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor woongebieden in stroken- en blokverkaveling – W1.2 Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Situering van het bouwwerk Rooilijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij toegepaste rooilijn in gebied: doorgaans is dit een rechte rooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Blokken en woningen onderling: respecteren toegepaste zijdelingse afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans vrijstaand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">De op de straat georiënteerde bebouwingskarakteristiek handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij blokverkaveling oriëntatie op de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strokenverkaveling oriëntatie op weg of openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Situatie afhankelijk: wisselend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij bouwmassa/cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen - staaf- of blokvormig of toepassen afgeleide bouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen bouwblok: aansluiten bij bouwmassa bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa aanpassen aan de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa is een afgeleide van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij in de omgeving voorkomende bouwhoogte, veelal 2 bouwlagen met kap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van maat en schaal van de omliggende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Hoofdvormen van het bouwwerk Kapvorm en kaprichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij kapvorm en -richting bijbouwblok of cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse kapvormen mogelijk: zadeldaken of een afgeleid type hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Accenten op hoeken ter versterking van de stedenbouwkundige structuur toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapvorm en kaprichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen passende kapvorm en -richting bij bouwvorm en omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse kapvormen mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouw toegestaan mits aansluitend bij architectuur van de hoofdbouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouw toegestaan mits aansluitend bij architectuur bouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw en geleding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij gevelopbouw en -geleding binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelopbouw en geleding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen passende gevelopbouw en geleding bij bouwvorm en omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plasticiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij plasticiteit binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plasticiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen passende plasticiteit bij bouwvorm en omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze en overwegend kleurgebruik:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij kleur- en materiaalgebruik binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor woongebieden in stroken- en blokverkaveling – W1.2 De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Alleen erkers als meerdere erkers in de gevelwand aanwezig zijn en de erker optimaal wordt geïntegreerd in architectuur van hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhang, ritmiek en herhaling per bouwblok handhaven of versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijn- en gevelwijzigingen Ritmerende elementen als voordeuren en vensters blijven identiek of krijgen bij vernieuwing tenminste een aan elkaar verwante vormgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar in de gevel beelden per bouwblok kwalitatief sterk bindende elementen aanwezig zijn (bijv. houten gevelbekleding, lateibalken, kozijnbehandeling) worden deze per ensemble/compositie op dezelfde wijze behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verbouw krijgen bindende elementen een gelijke behandeling (daklijsten e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfafscheidingen Streven naar verzorgde en samenhangende vormgeving van erfafscheidingen per bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden van lage erfafscheidingen (tot 1 meter) aan de voorkant.</p>\n<p class=\"lf-p\">W1.3 Woonerven (19701985) Als reactie op de blok en strokenverkaveling ontstaat in de jaren ’70 een architectuurbeweging die aandacht vraagt voor de menselijke schaal en maat van nieuwe woongebieden. Deze wijken worden gekenmerkt door het woonerfconcept. De wijken bestaan hoofdzakelijk uit eengezinswoningen in een groene woonomgeving waarbij de menselijke schaal en maat leidend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden De woongebieden uit de periode 19701980 hebben een grillig straten en verkavelingspatroon met hofjes. De bebouwing is deels georiënteerd op de openbare ruimte en deels op de weg. Bij de woningen die zijn geclusterd rondom de woonerven ontbreekt een duidelijk onderscheid tussen voor en achterkanten. Dergelijke wijken zijn door de clustering en de situering van de woningen op het woonerf sterk naar binnen gekeerd. De architectuur van woningen in dergelijke wijken is ingetogen en sluit aan bij de mode van de jaren ’70: donkere kleurtoon, het gebruik van semi-ambachtelijke materialen zoals hout, baksteen en gebakken pannen. Op enkele plekken dringen erfafscheidingen door tot aan de openbare weg waardoor het grillige beeld nog eens versterkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kernen Rhoon en Poortugaal komen relatief veel wijken in de W1.3 typologie voor. Deze wijken zijn gebouwd na de (grootschalige) uitbreidingen in de periode van de wederopbouw. Het is ook in de ruimtelijke structuur van de dorpen te zien dat deze wijken in die tijdsperiode gebouwd zijn. De W1.3wijken sluiten nauw aan op de wijken uit de wederopbouw periode. Iedere wijk heeft zijn eigen thema en, afhankelijk van de grootte van de wijk, ook één architectuurstempel meegekregen. In deze beschrijving wordt daarom een onderscheid gemaakt in de kernen Rhoon en Poortugaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rhoon In Rhoon komen drie wijken voor die qua uitstraling in de W1.3typologie vallen. Het betreft de wijk tussen de Tijsjesdijk en de Essendijk. Verder het gebied tussen de Kleidijk, Rijsdijk en Rivierweg en tot slot een gebied tussen de Rijsdijk, Groene Kruisweg, Viaductweg en Molendijk4 De foto’s naast deze tekst zijn in dezelfde volgorde geplaatst als de beschrijving van de wijken. . Het eerst genoemde gebied in Rhoon sluit redelijk goed aan bij de hierboven beschreven standaard typologie. Op enkele plekken is echter geëxperimenteerd met alternatieve woonvormen, zoals drive-in woningen die drie lagen met een kap tellen. Ook met hoekwoningen is op het gebied van de oriëntatie geëxperimenteerd. De woningen zijn over het algemeen georienteerd op een hofachtig ingericht binnengebied. De inrichting van deze gebieden is niet altijd even duidelijk, voornamelijk voor de parkeerplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede gebied is van recentere datum dan het eerst genoemde gebied. Hier bestaan de woningen voornamelijk uit twee lagen met een kap. Kenmerkende elementen uit de architectuur van de forumwijken (zoals bergingen in de voortuin, gebruik van donker gekleurde materialen) is in deze wijk niet of nauwelijks meer terug te vinden. De stedenbouwkundige opzet van de wijk doet echter nog wel denken aan de Forum wijken. De woningen zijn geclusterd en liggen aan een ontsluitingsring (de Ghijseland). Vanaf deze ontsluitingsstructuur zijn blokken woningen via doodlopende structureren ontsloten. Qua ligging ligt deze wijk ook het verst van de W1.2 en de historische linten af. Vanaf de ligging is ook de bouwperiode af te leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste wijk is meer richting het oude deel van Rhoon gelegen. Aan de architectuur en de bouwstijl is dit ook te herkennen. De woningen en het stedenbouwkundig plan zijn meer volgens de Forumgedachte opgebouwd. De woningen zijn in kleine groepjes geclusterd. De architectuur is kenmerkend, er wordt gebruik gemaakt van donkere houtaccenten in de gevels, waardoor een deel van het metselwerk waar de gevels uit bestaan, niet meer te zien is. De daken van de woningen zijn voorzien van een pannen dak. Veel woningen zijn voorzien van bergingen of entreepartijen in de voortuin, in combinatie met een carport. Op enkele plekken wordt het dakvlak van het hoofdgebouw doorgetrokken in het dakvlak van de bijgebouwtjes in de voortuin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Poortugaal In Poortugaal zijn de W1.3wijken kleiner van opzet dan in Rhoon. In dit dorp zijn twee gebieden als zodanig getypeerd, namelijk het gebied Albrandswaardseweg, Schroeder van der Kolklaan en Van Leeuwenhoekstraat en verder het gebied ten westen van de Achterweg. Beide gebieden vertonen typische karakteristieken uit de forumperiode. De woningen zijn geclusterd gelegen en worden via doodlopende paden en straatjes ontsloten op een doorlopende hoofdontsluiting. Veel woningen zijn voorzien van de kenmerkende bijgebouwen in de voortuin. In het eerst genoemde gebied is geëxperimenteerd met het laten doorlopen van de kap over het bijgebouw. De woningen zijn veelal opgetrokken uit natuurlijke materialen, baksteen en (gebakken) pannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn twee typen bebouwingselementen te onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Seriematige objecten Bijzondere bebouwingselementen Op de typologiekaart zijn deze met de codering W1.3 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Deze woongebieden zijn gesitueerd achter de historische linten en zijn vanaf de doorgaande structuren minder zichtbaar. Daarnaast is de bouwdynamiek groot, maar toegespitst op de kleinere bouwwerken waarvoor een lichte bouwvergunning nodig is. Met name zal getoetst worden aan de sneltoetscriteria. Voor wat betreft de reguliere bouwvergunningsaanvragen in deze gebieden geldt een BASIS niveau van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de gebieden gebouwd in het woonerfconcept (W.1.3) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor gebieden gebouwd in het woonerfconcept – W1.3 Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Situering van het bouwwerk Rooilijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij toegepaste rooilijn in gebied: doorgaans is dit een verspringende rooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aaneengesloten of clusters half-vrij­staande gebouwen en vrijstaande seriematige woningbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwblokken, vrijstaande en half-vrij­staande gebouwen onderling: respecteren toegepaste zijdelingse afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans los van elkaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezige oriëntatie handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans is dit een op de straat of openbare ruimte georiënteerde bebouwingskarakteristiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Situatie afhankelijk: wisselend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij bouwmassa cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen of toepassen afgeleide bouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van toegepaste vormen in blok of cluster: Staaf- (liggend) en blokvormig, overwegend met kap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa aanpassen aan de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa is een afgeleide van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Toepassen van afgekapte en uitstekende vormen in principe mogelijk mits toegepast in het bouwblok of cluster van vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van bouwhoogte binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van maat en schaal van de omliggende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Kapvorm en kaprichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij kapvorm en -richting van bouwblok of cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse kapvormen mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouwen zijn toegestaan mits aansluitend bij architectuur van de hoofdbouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelopbouw en geleding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij gevelopbouw en -geleding binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelopbouw en geleding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen passende gevelopbouw en geleding bij bouwvorm en omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plasticiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij plasticiteit binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze en overwegend kleurgebruik:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij kleur- en materiaalgebruik binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor woongebieden in het woonerfconcept ‑ W1.3 De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Kapvorm afstemmen met de kapvorm van het hoofdgebouw. Aan de voorzijde doorgetrokken kap toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Kapvorm afstemmen met de kapvorm van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kozijn- en gevelwijzigingen Waar in de gevelwand per bouwblok kwalitatief sterk bindende elementen aanwezig zijn (bijv. houten gevelbekleding, lateibalken, kozijnbehandeling) worden deze per ensemble/compositie op dezelfde wijze behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakkapellen Individueel vormgeven dakkapellen zijn mogelijk, mits ondergeschikt aan, en in samenhang met het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfafscheidingen Streven naar verzorgde en samenhangende vormgeving van erfafscheidingen per bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor erfafscheidingen aan achterkant gelegen aan achtergelegen parkeerpleintjes en/of hofjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouwen zijn mogelijk mits zij zijn vormgegeven in de lijn van de gevelwand en kapvorm van het bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">W1.4 Woongebieden eind 20e eeuw Eind 20e eeuwse en begin 21e eeuwse woongebieden worden gekenmerkt door een heldere stedenbouwkundige opzet. De architectuur varieert van wijk tot wijk, terwijl de eenheid en uniformiteit binnen de bebouwingsclusters groot is. Er ontstaan verschillende buurten met verschillen in architectuur, bijvoorbeeld van neotraditioneel (jaren 30stijl) tot neomodern (kubisme, staal, beton, glas).</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Als reactie op de naoorlogse architectuur en stedenbouw vindt eind jaren ’80 een omslag plaats in het ontwerp van nieuwe woongebieden. De woningnood is achter de rug en er wordt meer marktconform gebouwd. In de gemeente Albrandswaard zijn in de kernen Rhoon en Poortugaal verschillende gebieden te karakteriseren als gebied dat gebouwd is aan het einde van de 20e eeuw. In de stedenbouwkundige opzet van de wijk krijgen verschillende architectuurthema's een plek toegewezen, zodat ook het beeld van de wijken als geheel wordt ondersteund. Enkele grote lijnen, die soms teruggrijpen op een historische route, verbinden de eenheden binnen een wijk visueel. In de verkavelingsopzet wordt, in tegenstelling tot de wijken uit de voorgaande decennia, weer gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden weer echte woonstraten en bouwblokken gerealiseerd, waarbij de voorzijde is gericht naar de straat en in de binnengebieden aan de achterzijde de private achtertuinen zijn gelegen. Op dit aspect vertonen de wijken een duidelijke gelijkenis met de woonwijken in traditionele blokverkaveling, waardoor veelal dezelfde gebiedsgerichte criteria zullen gelden. De woongebieden uit deze periode hebben geen eenduidige structuur. Vaak zijn ze opgedeeld in kleinere buurten of clusters door verschillende woontypes, materialen en/of kleuren. De woningen kenmerken zich door hun enorme variatie aan vormen, kleuren en materialen waarmee de individualiteit van een wijk of buurt optimaal tot uitdrukking kan worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rhoon De nieuwste en grootste uitbreiding van de kern Rhoon ligt ten noorden van de Groene Kruisweg. Het gebied kent een grote diversiteit in verkaveling, architectuur, kleur en materiaalgebruik. De woningen zijn seriematig gebouwd en themagericht, dat wil zeggen dat de architectuur per blok kan verschillen indien dat in het thema past. In deze nota is er voor gekozen om niet ieder thema uit te gaan werken: de nota richt zich op het handhaven van de huidige situatie en zegt daarbij dat er aansluiting gezocht moet worden bij het thema waar de betreffende bouwopgave zich in bevindt. In het gebied komen enkele specifieke woningen voor. Deze aparte woningen komen voornamelijk voor in het gebied Jonkerhof, Nachtwaker, Kruisvaarder en Valkenier. Dit gebied, dat qua verkaveling experimenteel is, kent enkele bijzondere architectuuraspecten. Zo zijn enkele woningen voorzien van een ver doorlopend dakvlak dat op enkele plekken nagenoeg tot aan het maaiveld reikt. Verder zijn enkele hoekwoningen voorzien van een houten bekleding op de zijgevel. Deze karakteristiek, die veelal in het oosten van het land wordt toegepast, is in deze wijk toegepast om het gewenste ‘kasteel’ thema te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Poortugaal In de kern Poortugaal zijn twee grootschalige uitbreidingsgebieden gerealiseerd die als W1.4 gekenmerkt kunnen worden. Als eerste is dit het gebied tussen de Landweg en de Albrandswaardsedijk. Het tweede gebied ligt ten noorden van de Metrolijn en de Groene Kruisweg. Dit laatste gebied is de meest recente uitbreiding van Poortugaal. In deze wijk is er duidelijk gekozen voor een helder stedenbouwkundig plan dat bestaat uit een centrale, groene as met aan weerszijden de hoofdontsluiting. Deze hoofdontsluiting sluit aan op de Zwaardijk die overgaat in de Stationsstraat. Vanaf de Stationsstraat kan het verkeer alle kanten op. Vanaf de groene centrale as zijn de verschillende woonbuurten ontsloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij bestaat er een onderscheid tussen het gebied ten oosten en ten westen van deze as. Het gebied ten westen van de as is orthogonaal van opzet. Dat wil zeggen dat door middel van een eenvoudig, overwegend rechthoekig, stratenpatroon de woningen ontsloten worden. Per straat of per cluster straten heeft de bebouwing een apart thema. De thema’s zijn zeer divers en hebben zowel betrekking op de architectuur als het kleur en materiaalgebruik en zelfs de detaillering. In deze nota is er voor gekozen om niet ieder thema uit te gaan werken: de nota richt zich op het handhaven van de huidige situatie en zegt daarbij dat er aansluiting gezocht moet worden bij het thema waar de betreffende bouwopgave zich in bevindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied ten oosten van de groene as heeft een andere opzet. Een gedeelte van dit gebied valt in de vrije sectorbouw die in de volgende paragraaf aan de orde zal komen. De rest van het gebied bestaat uit meer gebogen straten. De buiging van de straten wordt nauwgezet gevolgd door de bebouwing. Dit is een van de beeldbepalende kwaliteiten van het gebied. Deze karakteristiek zal gehandhaafd dienen te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerst genoemde gebied heeft een soortgelijke opbouw. Dit gebied bestaat ook uit een centraal gelegen groene as, de Landheer. Parallel op deze as liggen de woonstraten. Afhankelijk van de aanwezige ruimte liggen daar weer parallel op enkele kleine doodlopende straatjes (dus uiteindelijk weer evenwijdig aan de Landheer). Per straat of cluster van straten is een thema in het leven geroepen. Dit thema wordt doorgevoerd in het kleur en materiaalgebruik, architectuur en details. Het mag voor zich spreken dat de architectuur, kleur en materiaalgebruik hierdoor zeer divers is. Ook hier geldt dat er voor gekozen is om niet ieder thema uit te gaan werken, aansluiten bij de bestaande thema’s is het uitgangspunten van de nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Portland 5 Visualisatie Witburch, bron: www.bouwfonds.nl Aan de oostgrens van de gemeente Albrandswaard ligt een nieuwbouw Vinexwijk die de gemeente Albrandswaard in samenwerking met de gemeente Barendrecht bouwt. Het deel op het grondgebied van Albrandswaard is Portland genaamd. Portland zal onder meer bestaan uit zes ‘wooneilanden’, die de namen van edelstenen krijgen: Amber, Kwarts, Paarlemoer, Diamant, Onyx en Parels. Deze eilanden vormen het zuidelijk deel van Portland. Terwijl het noordelijke deel wordt gevormd door het ‘vaste land’, waarin naast woningbouw ook ruimte is voor winkels en andere voorzieningen. Tevens wordt hier ruimte gecreëerd voor een wijkpark. Ieder eiland heeft een geheel eigen sfeer en staat met één weg in verbinding met de Portlandse Baan. De eilanden zijn daardoor autoluw en gericht op spelen, wandelen en fietsen. Al wandelend en fietsend kun je via bruggetjes wel rechtstreeks op de andere eilanden komen. De eerste 2 eilanden Amber en Kwarts zijn inmiddels gerealiseerd. De woningen en appartementen op eiland Diamant zijn momenteel in het eerste stadium van de bouw. Het grootste deel van de woningen op eiland Paarlemoer zijn momenteel in aanbouw. 6 tekst gebaseerd op www.adriaanvanerk.nl Alle woningen in Portland zullen in de projectmatige sfeer gebouwd worden. Bij het bouwen wordt daarom de nodige zorgvuldigheid voor wat betreft stedenbouw, architectuur en kleur en materiaalgebruik in acht genomen. Na realisatie is het voor wat betreft welstand belangrijk dat eventuele uitbreidingen, aan, uit of bijgebouwen voldoende aansluiten bij het thema waarin ieder project gerealiseerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn twee typen bebouwingselementen te onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Seriematige objecten Bijzondere bebouwingselementen Op de typologiekaart zijn deze met de codering W1.4 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau De waarde van deze wijken schuilt vooral in de stedenbouwkundige opzet: de ruime groene aanleg en de (eenvoudige) compositie van de bouwmassa’s. De architectonische waarde van de verschillende gebouwencomplexen verschilt onderling sterk. Deze woongebieden zijn gesitueerd achter de historische linten en zijn vanaf de doorgaande structuren minder zichtbaar. Daarnaast is de bouwdynamiek groot, maar toegespitst op de kleinere bouwwerken waarvoor een lichte bouwvergunning nodig is. Met name zal getoetst worden aan de sneltoetscriteria. Voor wat betreft de reguliere bouwvergunningsaanvragen in deze gebieden geldt een BASIS niveau van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de gebieden met modernistische bebouwing (W1.4) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor woongebieden gebouwd eind 20e eeuw – W1.4 Situering van het bouwwerk Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Rooilijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij de aanwezige rooilijn in gebied: doorgaans is dit een rechte of gebogen rooilijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aaneengesloten bebouwing of clusters vrijstaande seriematige of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwblokken, vrijstaande en half-vrijstaande gebouwen onderling: respecteren toegepaste zijdelingse afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezige oriëntatie handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans is dit een op de straat georiënteerde bebouwingskarakteristiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Situatie afhankelijk: wisselend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij bouwmassa cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen of toepassen afgeleide bouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen bouwblok: aansluiten bij bouwmassa bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa aanpassen aan de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwmassa is een afgeleide van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van bouwhoogte binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van maat en schaal van de omliggende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte afhankelijk van de functie van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kapvorm en kaprichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Diverse kapvormen mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij kapvorm en –richting bijbouwblok of cluster seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouwen zijn toegestaan mits aansluitend bij architectuur van de hoofdbouwvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw en geleding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten bij gevelopbouw en gevelgeleding binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plasticiteit Aansluiten bij plasticiteit binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Seriematige bouw Bijzondere bebouwing Materiaalkeuze en overwegend kleurgebruik Aansluiten bij kleur- en materiaalgebruik binnen bouwblok of cluster van seriematige vrijstaande of half-vrijstaande gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">W2Individuele bouw Gebieden met individueel ontworpen, vooral vrijstaande gebouwen, hebben een beperkte samenhangende karakteristiek tussen cultuurhistorie, stedenbouwkundig concept en architectuurstijl. Deze gebieden zijn met name ontstaan aan randen van wijken en kernen. De gebouwen zijn individueel ontworpen en de wijken en straten hebben daardoor een gevarieerd gezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden In de gemeente Albrandswaard zijn verschillende gebieden of straten te karakteriseren als gebieden met individuele woningbouw. Op de typologiekaart zijn deze met de codering W2 aangegeven. Individuele bouw bestaat uit veelal vrijstaande, gevarieerde gebouwen. De individueel ontworpen woningen in de woongebieden in Rhoon en Poortugaal kennen doorgaans een hoofdbouwmassa van één of twee bouwlagen met kap. In de loop der jaren zijn de invloeden van diverse stedenbouwkundige stromingen ook in deze vrije sectorwijken ingebracht. De gebieden met deze woningen komen veelal aan de rand van het dorp voor. Oudere W2gebieden kunnen van oudsher aan de rand van het dorp gelegen hebben, maar kan door verdere uitbreidingen op dit moment in de kern liggen. Een voorbeeld hiervan is de J. Kooymanlaan en de G.E.C. Ribbiuslaan in Rhoon. Deze woningen zijn qua architectuur ook anders dan de woningen aan de rand van nieuwe uitbreidingen. In de wat oudere gebieden passen de woningen vaak nog in de architectuurstroming die op het moment van bouwen gebruikt werd. Dit is terug te zien op de middelste foto. Bij de nieuwere woningen, zoals te zien op de bovenste en onderste foto, wordt er vaak gebouwd buiten bestaande architectuurstromingen. De zelfbouwers zijn in dit geval alleen maar beperkt door de bepalingen in het bestemmingsplan. Vaak zijn dit kwantitatieve bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau In de gebieden met individuele woningbouw hanteert de gemeente een BASIS niveau van welstand. Vanwege het diffuse beeld en het individuele karakter van de ontwerpen, kan een set met basiscriteria volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de gebieden met individuele woningbouw (W2) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor individuele bouw – W2 Kenmerkend voor individuele bouw is het eigen, unieke uiterlijk van de vrijstaande panden. Specifieke, gebiedsgerichte aandachtspunten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiting bestaande rooilijn; overwegend materiaalgebruik en kleurtoon in relatie tot omgeving en de kwaliteit van het (stads)landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Situering van het bouwwerk Rooilijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden met individuele panden kennen verschillende soorten rooilijnen. Het is belangrijk dat, afhankelijk van de stedenbouwkundige opbouw van de wijk, de specifieke rooilijnen worden gerespecteerd. Dit is belangrijk bij de situering van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijdelingse afstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">De zijdelingse afstanden tussen individueel gebouwde panden is wisselend. Afhankelijk van de structuur van de buurt of straat dient de zijdelingse afstand tussen de individuele panden gerespecteerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel gebouwde panden zijn verschillend / onderling afwijkend georiënteerd. De aanwezige oriëntatie dient gerespecteerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de oriëntatie van de panden dient aansluiting gezocht te worden bij de overwegende oriëntatie in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Hoofdbouwvorm:</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele panden hebben een eigen gezicht en een eigen hoofdbouwvorm. Aan de randen van gebieden met individuele bouw: dient de vorm van de bouwmassa ervoor te zorgen dat de gebouwen worden opgenomen in het (stads)landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Gevelopbouw, gevelgeleding en plasticiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelopbouw, gevelgeleding en plasticiteit dienen in grote lijnen aan te sluiten op de in de omgeving aanwezige karakteristieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Overwegend materiaalgebruik en kleurtoon:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer individuele panden liggen aan een dorpsrand dient aandacht geschonken te worden aan de kleurstelling en het materiaalgebruik. Kleurtoon en materiaalkeuze die een relatie vertonen met de in het landschap overheersende elementen kunnen daaraan bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken in dit gebiedstype gelden de sneltoetscriteria, zoals opgenomen in hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen (B-gebieden) Na de industriële revolutie halverwege de 19e eeuw is de ambachtelijke bedrijvigheid, die vaak aan huis werd uitgeoefend, veelal gemoderniseerd ondergebracht in grootschaligere bedrijven. Deze schaalvergroting en concentratie van bedrijvigheid en publieke voorzieningen heeft zich tot op heden onverminderd voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden De situering en ontwikkeling van werkgebieden is van oudsher sterk bepaald door de aanwezigheid van grondstoffen en de plaatselijke infrastructuur. Dit maakt dat specifieke industrieën vaak regiogebonden zijn. Deze bedrijvigheid heeft na de industriële revolutie een sterke schaalvergroting doorgemaakt en daardoor een toenemend aantal werknemers aan zich gebonden. De bedrijvigheid heeft daarmee een grote rol gespeeld in de ontwikkeling en identiteit van het stedelijk gebied en is zodoende vaak van grote cultuurhistorische waarde. Met de samengaande verhoging van de productie is echter ook de overlast op de woonomgeving sterk toegenomen. Dit heeft de werkgebieden tot op dit moment een aparte status gegeven in de ruimtelijke ordening. Om tegemoet te komen aan de hoge eisen ten aanzien van de bereikbaarheid en om de overlast voor het woongebied te minimaliseren, zijn de bedrijven veelal planmatig geconcentreerd langs de belangrijkste transportassen aan de randen van het stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de schaalvergroting en de concentratie van de publieke voorzieningen naar het einde van de 20e eeuw wordt ook aan de bereikbaarheid van deze gebouwen steeds hogere eisen gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de concentratie van bedrijvigheid en voorzieningen kan de behoefte ontstaan de eigen identiteit van één of meerdere bedrijven of voorzieningen door middel van een onderscheidende architectuur uit te dragen. Dit is met name het geval langs de intensief gebruikte ontsluitingsassen. In de gemeente Albrandswaard wordt één type bedrijvigheid onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planmatig ontworpen werkgebieden (B3). Werkgebieden waarin geen extra aandacht is geschonken aan de presentatie van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedscode Naam gebied typologiebeschrijving Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen (B-gebieden) B3 Rhoon: Spui, Debussysstraat, Stationsstraat/Viaductweg, Binnenbaan, Overhoeken Poortugaal: defensie oliecentrale, Hofhoek, Ambachtstraat Planmatig ontworpen werkgebieden B3 Planmatig ontworpen werkgebieden Werkgebieden zijn divers in schaal en vorm. Bedrijventerreinen worden gekenmerkt door een menging verschillende (bedrijfs)activiteiten (opslag, productie, overslag, kantoor etc.) en van wonen. De gebieden kennen vaak een weinig samenhangende architectuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Werkgebieden zijn er in veel vormen en maten. In de gemeente Albrandswaard komt bedrijvigheid voor langs de grote infrastructurele assen, zoals de Groene Kruisweg, maar ook op kleinere locaties aan de rand van de kernen zoals het Spui of buiten alle kernen, zoals de specifieke situatie van de Defensie Oliecentrale.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrijventerrein Overhoeken I+II in Rhoon is puur gericht op transport en distributie, dit in verband met de gunstige ligging nabij distripark Eemhaven en het industriegebied ten zuiden van Rotterdam. Via de Groene Kruisweg is ontsluiting eenvoudig mogelijk. Het gebied kenmerkt zich door grote hallen waar opslag plaatsvindt. De wegprofielen zijn breed, er dient voldoende ruimte te zijn voor de grootste vrachtwagens in hun soort. Vele bedrijven hebben opslag in de open lucht. Dit, in combinatie met grote stallingsruimten voor vrachtwagens levert vaak forse versteende vlaktes op. De hallen bestaan veelal uit geribbeld plaatmateriaal. De kantoren, ruimtelijk ondergeschikt aan de hallen, zijn veelal opgetrokken uit traditionele materialen zoals baksteen. Op sommige plaatsen zijn de kantoren geïntegreerd in de bedrijfshal en zijn ze van buiten af niet te ervaren. De kleinere terreinen in de kern zijn veelal gemengd, afhankelijk van de ligging. Bij deze terreinen is door inbreiding en (ver)nieuwbouw de minste samenhang tussen architectuur en stedenbouw aan te treffen. In Poortugaal is de bedrijvigheid beperkt tot een smalle strook tussen de metrolijn en de Groene Kruisweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de typologiekaart zijn deze gebieden met de codering B3 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Voor de werkgebieden geldt een BASIS niveau van welstand. De bedrijventerreinen kennen een relatief hoge dynamiek in de bouwopgave, maar kennen doorgaans een geringe mate van samenhang in vorm, kleur en detaillering, waardoor de criteria weinig toegespitst en uitgebreid zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de werkgebieden met weinig/geen samenhang tussen stedenbouw en architectuur (B3) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor planmatig ontworpen werkgebieden – B3 Specifieke aandachtspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitstraling van de randen van het terrein Eenheid en samenhang tussen stedenbouwkundige opbouw en bebouwingskarakteristiek voor bedrijventerreinen met een grote mate van uniformiteit Architectonische aansluiting van de winkelpui en reclame op het oorspronkelijke pand Situering van het bouwwerk Aan de randen van de werkgebieden moet de situering van de gebouwen afgestemd worden op de aangrenzende en/of het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de situering van gebouwen dient aansluiting te worden gezocht bij de karakteristieke uniforme opbouw van de werkgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Aan de randen van de werkgebieden moet bij bouwvormen rekening worden gehouden met de invloed van de bouwvormen op de aangrenzende gebieden en/of het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen en toevoegingen van nieuwe elementen dienen eenheid in en samenhang tussen de stedenbouwkundige opbouw van de werkgebieden te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Veranderingen en toevoegingen aan de gevelkarakteristiek dienen deze eenheid in en samenhang van de werkgebieden te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Aan de randen van de werkgebieden moet bij het kleurgebruik rekening worden gehouden op de invloed op de aangrenzende gebieden en/of het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruiken van kenmerkende materiaalkeuzen, vormen en details.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclame-uitingen kunnen een zwaar beslag leggen op het beeld van de gebouwen, de straatwand en dienen daarom bescheiden worden toegepast. Ondernemingsgericht kleurgebruik dient de lokale karakteristieken te respecteren. Om richting te geven aan de uitvoering van reclame heeft de gemeente Albrandswaard afzonderlijke richtlijnen geformuleerd. Deze richtlijnen zijn weergegeven in een themablad in hoofdstuk 6 van deze nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken in dit gebiedstype gelden de sneltoetscriteria, zoals opgenomen in hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de (bedrijfs)woningen in deze gebieden gelden de criteria zoals opgenomen bij het gebiedstype W2 als welstandstoetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groengebieden (G-gebieden) Naast stedelijk bebouwing komen in en buiten de kernen van Albrandswaard gebieden voor met een groen karakter. Deze groengebieden hebben elk een eigen functie en invulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden In de gemeente Albrandswaard kan onderscheid worden gemaakt in verschillende verschijningsvormen van de groengebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijke relatie met de cultuurhistorie (G1). De groene gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie zijn over het algemeen delen van landgoederen, kastelen of oude begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parken en begraafplaatsen (G2). Verspreid over de kern komen parken en begraafplaatsen voor. Deze gebieden zijn planmatig aangelegd en zorgen voor het ‘groene’ gezicht van een gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportterreinen (G3). Deze gebieden zijn planmatig aangelegd. De gebieden hebben vooral een recreatieve functie en zorgen voor het ‘groene’ gezicht van een gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige bebouwingscomplexen en instituten in een groene omgeving (G4). Deze gebieden zijn planmatig aangelegd en zijn doorgaans grootschalig van opzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatieve havengebieden en overige extensieve recreatiegebieden (G5). Recreatiehavens zijn planmatig aangelegde terreinen. De extensieve recreatiegebieden zijn veelal natuurlijk ontstaan en worden beheerd door de gemeente. De gebieden zijn bedoeld voor extensieve (verblijfs)recreatie met de daarbij behorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschappelijke ondergrond (G6).</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaand schema wordt aangegeven welke typologie aan de groengebieden kan worden toegeschreven. De nummers verwijzen naar de gebieds/typologiebeschrijvingen met bijbehorende criteria. Daarnaast corresponderen zij met de legendaeenheden van de typologiekaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedscode naam gebied Typologiebeschrijving Groengebieden G1 Kasteel Rhoon Duidelijke relatie met de cultuurhistorie G2 Rhoon: Park Jan Cornelispolder, R.K. Begraafplaats, algemene begraafplaats Poortugaal: Algemene begraafplaats Parken en begraafplaatsen G3 Rhoon: Sportcomplex ‘de Omloop’, tenniscomplex ‘de Overhoeken’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Poortugaal: Tenniscomplex ‘Poortugaal’, sportcomplex P.S.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportterreinen G4 Rhoon: omgeving Sportlaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Poortugaal: ’t Wiel, Delta psychiatrisch ziekenhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig: brandweerkazerne Grootschalige bebouwingscomplexen en instituten in een groene omgeving G5 Recreatiegebied de Johannapolder Recreatieve havengebieden en overige extensieve recreatiegebieden G6 Buitengebied Landschappelijke ondergrond G1Groene gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie In 1199 koopt heer Biggo van de Hollandse graaf Dirk VII een uitgestrekt domein ten noorden van de Oude Maas waar later het kasteel van Rhoon gebouwd zal worden. Van de vele bewoners zijn familiewapens afgebeeld in de gebrandschilderde ramen van de Catharina Theresiazaal, zoals van de roemruchte ruziezoeker Pieter VIII die het presteert om het gehele familiekapitaal op te souperen aan proceskosten. Het kasteel is daarna verkocht en komt in de handen van Hans Willem Bentick , Heer van Drimmelen,die hooguit enkele dagen per jaar naar Rhoon kwam om er te vissen en te jagen. 7 bron: www.kastelen.nl Welstandseenheden De bouw van het kasteel begint in 1433, na de Sint Elisabethsvloed van 1421. In eerste instantie wordt het kasteel gebouwd door Heer Pieter III van Rhoon. De dorpelingen zijn het niet eens met de levensstijl van de bewoners van het kasteel. In 1489 wordt daarom het kasteel geplunderd en Heer Pieter III wordt verjaagd. Hij zal niet meer terugkeren op het kasteel maar doet afstand ten behoeve van zijn zoon. In 1598 wordt het kasteel na een grote overstroming herbouwd door Heer Pieter VII van Duiveland. Hij laat het kasteel herbouwen grotendeels in de vorm zoals het er nu nog staat. Vele eeuwen gaan voorbij tot het kasteel in de Tweede Wereldoorlog door Duitse soldaten grondig wordt geplunderd. Na de bevrijding blijven enkele Duitse soldaten als gevangenen achter in de kelder van het kasteel. Uiteindelijk wordt het kasteel in de jaren ’70 compleet gerestaureerd door de nieuwe eigenaar van het kasteel: Stichting Kasteel van Rhoon. Het kasteel heeft nu een functie als restaurant met bijbehorende faciliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de typologiekaart is het kasteel van Rhoon met de codering G1 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Vanwege de zeer belangrijke cultuurhistorische waarde is voor dit gebied het BIJZONDER niveau van welstand van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de groene gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie (G1) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. Verder wordt verwezen naar het themablad ‘bouwen aan en nabij monumenten’ in hoofdstuk 6 van deze nota. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke criteria voor groene gebieden met een sterke samenhang tussen bebouwing en cultuurhistorie - G1 Specifieke aandachtspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenheid in en samenhang tussen de hoofdbouwvormen in hun onderlinge compositie uitstraling van randen van terreinen binnen een landschappelijk kader Situering van het bouwwerk Bebouwing op een (historische) buitenplaats of landgoed is veelal geordend volgens een bepaald principe. Nieuwe bouwwerken dienen bij hun situering deze ordening te respecteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bebouwing rondom de historische buitenplaatsen en landgoederen is behoudend. Veelal is er sprake van een aantal kenmerken in bouwhoogte, kaprichting en –vorm. Bouwplannen dienen daarop aansluiting te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Vanuit hun opzet kennen veel buitenplaatsen en landgoederen veelal kenmerkende gevelcomposities. Bij nieuwe ontwikkelingen dient daarop aansluiting te worden gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Vanuit hun opzet kennen veel buitenplaatsen en landgoederen veelal kenmerkende materiaal en kleurgebruik en karakteristieke detaillering. Bij nieuwe ontwikkelingen dient daarop aansluiting te worden gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de randen van een landgoed of buitenplaats dient kleurgebruik te zijn afgestemd op de betekenis van het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor groene gebieden met een sterke samenhang tussen bebouwing en cultuurhistorie - G1 De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totaalcompositie van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In materiaal en kleur afstemmen op het gekozen/gebruikte kleur- en materiaalgebruik in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">G2Parken en begraafplaatsen Verspreid over de kernen Rhoon en Poortugaal komen parken en begraafplaatsen voor. Deze gebieden zijn grotendeels planmatig aangelegd en zorgen voor groene enclaves in een gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Parken komen verspreid in en om de kernen Rhoon en Poortugaal voor. Met name vanaf de jaren ’60 werden groene lobben in de stedenbouwkundige structuur opgenomen. Zij dienen als scheiding tussen verschillende wijken of buurten. De bebouwing in deze groengebieden varieert sterk en is afhankelijk van de tijdsperiode waarin de groenvoorzieningen zijn aangelegd. Prieeltjes, kiosken en speelvoorzieningen zijn veelvoorkomend in dit type gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De parken van de gemeente Albrandswaard zijn verschillend van karakter. Er zijn parken die van belang zijn op gemeentelijk niveau met een grootschalige inrichting en verschillende functies (park, kinderboerderij, evenemententerrein of natuur) zoals bijvoorbeeld het park Jan Cornelispolder in Rhoon. In Poortugaal is geen vergelijkbaar grootschalig park aanwezig. Verder zijn er op wijkniveau enkele grotere groenelementen aan te wijzen, zoals bijvoorbeeld het Wiel in Poortugaal. De parken hebben naast hun eigen functies een belangrijke sociaalmaatschappelijke functie te vervullen. Ook bepalen zij het groene karakter van de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begraafplaatsen zijn traditioneel achter kerkgebouwen gesitueerd of aan de randen van de kernen aangelegd. De oudere begraafplaatsen kennen geen planmatige aanleg. Zij kennen geen duidelijke landschapsarchitectuur. Nieuwe begraafplaatsen zijn vaak aangelegd volgens een bepaald landschapsplan. Dit is terug te zien in de bebouwing op deze terreinen. Grote gebouwen komen niet voor op begraafplaatsen. Het gaat vooral om erfafscheidingen met poorten, aula's en dienstgebouwtjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Albrandswaard komen drie begraafplaatsen voor: de Algemene Begraafplaats Rhoon, de Algemene Begraafplaats Poortugaal en de RoomsKatholieke Begraafplaats Rhoon. De begraafplaatsen hebben ieder hun eigen karakter. Zo heeft de R.K. begraafplaats een besloten en stedelijk karakter. Dat in tegenstelling tot de Algemene Begraafplaats in Poortugaal, die een groen karakter heeft. Bij deze begraafplaats is een duidelijk verschil aanwezig tussen het oude en het nieuwe gedeelte. De Algemene Begraafplaats lijkt op zijn beurt weer niet op de voorgangers. Deze begraafplaats wordt gekarakteriseerd door een statig en historisch karakter. Dit wordt onder andere bepaald door statige en monumentale bomen en hagen. Ook de nabijheid van het kasteel Rhoon draagt hier aan bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Albrandswaard zijn de parken en begraafplaatsen zowel te karakteriseren als groene gebieden met weinig als met veel samenhang tussen de landschappelijke inrichting en architectuur. Op de typologiekaart zijn deze met de codering G2 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Voor deze gebieden is het BASIS niveau van welstand van toepassing. Voor de algemene begraafplaats aan de Dorpsdijk geldt een BIJZONDER niveau van welstand vanwege de onmiddellijke nabijheid van kasteel Rhoon. Voor de algemene begraafplaats aan de Kerkstraat geldt een PLUS niveau van welstand. Dit vanwege de cultuurhistorische waarde van dit gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de parken en begraafplaatsen (G2) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor parken en begraafplaatsen – G2 Situering van het bouwwerk Situering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven van de huidige situering en samenhang van losse gebouwen in het groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaven van het groene, rustige en deels besloten karkater van de gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzijde van de hoofdmassa is gericht naar de belangrijkste openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen opslag op open terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Per terrein één hoofdmassa.</p>\n<p class=\"lf-p\">De massa is geleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwen staan vrij op de kavel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze en overwegend kleurgebruik:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleuren zijn natuurlijk en gedekt, niet sterk contrasterend met de omliggende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De detaillering is gevarieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De entree krijgt nadruk in de compositie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering van kozijnen, daklijsten, regenpijpen e.d. is eenvoudig en zorgvuldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gebieden met een PLUS of BIJZONDER niveau dient de detaillering geheel in overeenstemming gebracht te worden met overige bebouwing in hetzelfde gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor parken en begraafplaatsen – G2 De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totaalcompositie van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In materiaal en kleur afstemmen op het gekozen/gebruikte kleur- en materiaalgebruik in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">G3Sportterreinen Verspreid over de kernen Rhoon en Poortugaal komen sportterreinen voor. De gebieden zijn planmatig aangelegd. De gebieden hebben vooral een recreatieve functie en zorgen voor het ‘groene’ gezicht van de kern.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Sportterreinen komen verspreid in en om Albrandswaard voor. De sportcomplexen hebben vaak een (vrijwel) planmatige en rationele opzet. De bebouwing in deze gebieden bestaat onder meer uit sporthallen, kantines en kleedruimten en heeft een recreatieve bestemming. Doorgaans bestaat de bebouwing uit één laag met plat dak of laag zadeldak en staat deze vrij op het maaiveld. De gebouwen zijn daardoor rondom zichtbaar. De gemeente Albrandswaard heeft vier sportparken. Deze worden hieronder kort besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportpark P.S.V Dit sportpark is centraal gelegen in de kern Poortugaal en heeft dus als voordeel dat het voor veel mensen makkelijk toegankelijk is. Daarbij is het als groengebied een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke structuur van Poortugaal. Het sportpark is redelijk krap ingepast in de bebouwde omgeving waardoor de sporters hinder kunnen ondervinden van inkijk en wind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportpark / Tenniscomplex Poortugaal Dit sportpark is decentraal gelegen, tussen het woongebied en het buitengebied met daarin de Groene Kruisweg en de metrolijn. Het sportpark vormt daarmee en goede buffer en overgang van het wonen naar het buitengebied. Het sportpark ligt echter redelijk verscholen, waardoor de herkenbaarheid vanaf de weg minimaal is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenniscomplex de Overhoeken (Rhoon) Dit complex ligt aan de rand van Rhoon, tegen het bedrijventerrein aan. Het park vormt een goede overgang tussen het bebouwde gebied van Rhoon en het buitengebied. De bereikbaarheid van het park is uitstekend geregeld via de Rivierweg. Het tenniscomplex is omgeven door een randbeplanting met sloten. Het gebied heeft de ruimte om uit te groeien tot een natuurlijk complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sportcomplex de Omloop (Rhoon) Dit sportcomplex is het enige sportcomplex in de gemeente Albrandswaard dat echt in het buitengebied gelegen is. De bereikbaarheid van het complex is gewaarborgd via de Omloopseweg en de Rivierweg. Het park ligt weliswaar solitair in het landschap, maar is door een groene randbeplanting ruimtelijk goed ingepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de typologiekaart zijn de sportterreinen met de codering G3 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Voor deze gebieden is het BASIS niveau van welstand van toepassing. De gebouwen in deze gebieden zijn landschappelijk goed ingepast. Bovendien is de functie van het gebouw zeer bepalend voor het uiterlijk en de vorm en zijn de gronden en de gebouwen voor het overgrote deel in bezit van de gemeente waardoor per initiatief een eigen ambitieniveau vastgelegd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de sportterreinen en recreatiegebieden(G3) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor sportterreinen en recreatieve gebieden – G3 Situering van het bouwwerk Situering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzijde van het hoofdgebouw is gericht naar de belangrijkste openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">Per terrein één hoofdmassa.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwmassa's zijn geleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwen staan vrij op de kavel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze en overwegend kleurgebruik De kleuren zijn natuurlijk en gedekt, niet sterk contrasterend met de omliggende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De detaillering is gevarieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De entree krijgt nadruk in de compositie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering van kozijnen, daklijsten, regenpijpen e.d. is eenvoudig en zorgvuldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor sportterreinen en recreatieve gebieden – G3 De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totaalcompositie van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In materiaal en kleur afstemmen op het gekozen/gebruikte kleur- en materiaalgebruik in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staan niet op de voorgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">G4Grootschalige bebouwingscomplexen en instituten in een groene omgeving Verspreid over de kernen Rhoon en Albrandswaard komen grootschalige bebouwingscomplexen en instituten voor die in het groen zijn gesitueerd. Deze gebieden zijn planmatig aangelegd en zijn doorgaans grootschalig van opzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Grootschalige bebouwingscomplexen en instituten komen in de gemeente Albrandswaard voor. Deze complexen hebben vaak een (vrijwel) planmatige en rationele opzet. In de gemeente Albrandswaard zijn drie van dergelijke complexen aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgeving Sportlaan In het gebied ten zuiden van het Park Jan Cornelispolder is een cluster van maatschappelijke voorzieningen gelegen. Dit cluster bestaat uit onder andere een bejaardencomplex met aanleunwoningen, een basisschool en enkele sportvoorzieningen. Het geheel ligt in de groene omgeving van het park. De bebouwing in het complex heeft een beperkte hoogte zodat de ligging midden in de woonomgeving niet storend is of stedelijkheid uitstraalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Wiel Het centrum van dit complex wordt gevormd door een cirkelvormige waterplas met daar omheen afgewisseld grasstroken en beplantingsvlakken. In dit gebied ligt het verzorgingshuis ‘de Hooge Werf’. Dit bebouwingscomplex ligt aan de rand van het gebied, tegen de straat ’t Wiel. Dit complex telt vijf lagen. Het gebouw straalt door zijn hoogte een zekere mate van stedelijkheid uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Psychiatrisch complex Delta Het Deltacomplex heeft een zeer grote omvang. Dit psychiatrisch ziekenhuis is door vele faciliteiten omgeven, waaronder een grote hoeveelheid woningen voor het semizelfstandig wonen van patiënten die behandeling krijgen in het ziekenhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de typologiekaart zijn deze gebieden met de codering G4 aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Voor deze gebieden is het BASIS niveau van welstand van toepassing. De complexen zijn met groen omgeven. De specifieke functie van het complex vraagt om een bepaalde architectonische uitwerking. Sommige complexen (zoals het Deltaziekenhuis) zijn afgezonderd waardoor de architectonische waarde nauwelijks waarneembaar is. Er kan daarom worden volstaan met een basisset criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de grootschalige bebouwingscomplexen en instituten (G4) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor grootschalige bebouwingscomplexen en instituten – G4 Situering van het bouwwerk Situering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzijde van het hoofdgebouw is gericht naar de belangrijkste openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwmassa's zijn geleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwen staan vrij op het kavel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoofdgebouw kent een duidelijke ingangspartij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaalkeuze en overwegend kleurgebruik De kleuren zijn natuurlijk en gedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De detaillering is gevarieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De entree krijgt nadruk in de compositie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering van kozijnen, daklijsten, regenpijpen e.d. is eenvoudig en zorgvuldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte sneltoetscriteria voor grootschalige bebouwingscomplexen en instituten – G4 De gebiedsgerichte sneltoetscriteria gelden aanvullend op de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij strijdigheid prevaleren deze gebiedsgerichte sneltoetscriteria boven de algemene sneltoetscriteria van hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type bouwwerk Criteria Aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totaalcompositie van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In materiaal en kleur afstemmen op het gekozen/gebruikte kleur- en materiaalgebruik in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorkant en aan de achterkant Zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staan niet op de voorgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passend in het ensemble van alle bebouwing op het erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor maatvoering, vormgeving, kleur- en materiaalgebruik van overstek, daklijst, kozijnen etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">G5Recreatieve havengebieden en overige extensieve recreatiegebieden Recreatieparken,en recreatieve havengebieden zijn planmatig aangelegde terreinen voor verblijfsrecreatie met de daarbij behorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Recreatieve havengebieden zijn vaak planmatig aangelegd. In de havens is aan aanlegsteigers plaats voor plezierjachten en andere vaartuigen van beperkte omvang. Hoewel de gebieden vaak aan dorps en stadsranden liggen is er op de haventerrein kleinschalige bebouwing aanwezig. Het gaat hier vaak om woningen van havenmeesters, (eet)cafés, sanitaire voorzieningen en winkels met maritieme benodigdheden. De kleine vrijstaande bebouwing beperkt zich dan ook vaak tot 1 bouwlaag, al dan niet met kap. In de grotere havengebieden kunnen vaak ook loodsen liggen voor winterstalling en reparatie/bouw van de vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Albrandswaard heeft twee havens, de Albrandswaardse haven en de Rhoonse Jachthaven. De havens, beide gelegen aan de Oude Maas, vormen de oostelijke en westelijke begrenzing van het recreatiegebied De Johannapolder. De recreatie in dit gebied richt zich voornamelijk op de watersport en de bijbehorende faciliteiten. Buiten de jachthavens komt er in de Johannapolder nauwelijks bebouwing voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten oosten van dit recreatiegebied ligt het recreatiegebied de Rhoonse Grienden. Dit gebied is geschikt voor extensieve recreatie (vanwege overstromingsrisico) en daarom op de typologiekaart niet aangegeven als G5 gebied, maar als buitengebied. In deze gebieden zal feitelijk geen nieuwbouw plaatsvinden, zodat een welstandstoets ook niet noodzakelijk is. De recreatieve functie is hier ondergeschikt aan de natuurwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Voor deze gebieden is het BASIS niveau van welstand van toepassing. De bouwopgaven in deze zones zijn zeer gering en verder specifiek gericht op een bepaalde functie. De gebieden liggen afgezonderd en vaak als ‘enclave’ in het buitengebied. De architectonische waarde is alleen van dichtbij te beoordelen omdat de gebieden vaak door beplanting aan het oog ontrokken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor de recreatieparken en recreatieve havengebieden (G5) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsgerichte criteria voor recreatieve havengebieden en overige extensieve recreatiegebieden - G5 Situering van het bouwwerk Situering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzijde van het gebouw is gericht naar de belangrijkste openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwmassa is kleinschalig blok- of staafvormig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwmassa’s zijn geleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwen staan vrij op de kavel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk Bouwmassa:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kleuren zijn natuurlijk en gedekt, niet sterk contrasterend met de omliggende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk Materiaal en kleurtoon Aangezien alle recreatieparken en recreatieve havengebieden in het buitengebied liggen vraagt dit aandacht voor de kleurstelling en het materiaalgebruik van het bouwwerk. Kleurtoon en materiaalkeuze die een relatie vertonen met de in het landschap overheersende elementen kunnen daaraan bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken in dit gebiedstype gelden de sneltoetscriteria, zoals opgenomen in hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">G6 Buitengebied In het buitengebied van de gemeente Albrandswaard komt slechts één landschapstypen voor: het kleipolderlandschap. Dit landschapstype heeft zijn eigen kenmerkende bodemsamenstelling en beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">G6.1 Kleipolderlandschap Het buitengebied van Albrandswaard bestaat nagenoeg geheel uit kleipolderlandschap. Het kleipolderlandschap is ontstaan uit een lappendeken van slikken, gorzen en veeneilanden. Rond de 12de en 13de eeuw begon men het land te cultiveren door ontginning en bedijking. Op deze wijze zijn de eerste polders ontstaan. In de loop van de eeuwen zijn verschillende van deze ‘eilandjes’ (polders) aan elkaar gegroeid tot een grote polder. Het land is door de eeuwen heen nog een aantal malen overstroomd, waardoor er sprake is van een veengrond met een kleilaag daar overheen. De dikte van de kleilaag wisselt en heeft te maken met de ouderdom van de dijk: hoe jonger de bedijking, hoe dikker de kleiafzetting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verschillen in de bodemopbouw komen niet zichtbaar tot uiting in de landschappelijke opbouw en de beplanting. Het landschap kenmerkt zich nu nog door slingerende dijken die door een regelmatig en blokvormig verkavelings en wegenpatroon lopen. Typerend voor het gebied is het open weidelandschap met ringdijken. Door middel van het graven van sloten werd het land ontgonnen. Bij de ontginning zijn de sloten loodrecht op de rivieren en wegen gegraven. Hierdoor zijn langgerekte linten gevormd met een verkavelingspatroon loodrecht op de weg. Daar waar de ontginning gebeurde vanaf de ringdijk kreeg de verkaveling een enigszins gerend patroon. Door deze structuur zijn de, voor Albrandswaard, kenmerkende polders ontstaan, onder andere de Zegenpolder, de Portlandpolder, Polder het Buitenland van Rhoon, Polder het Binnenland van Rhoon, Polder Land van Poortugaal, Zwaardijk en de Polder van Albrandswaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing bestaat voornamelijk uit (voormalige) agrarische bebouwing. Deze bebouwing bestaat uit één tot 2 lagen met een kap. Zie hiervoor verder het themablad ‘agrarische bebouwing’ en/of ‘historische boerderijen en erven’ in hoofdstuk 6 van deze nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsniveau Voor deze gebieden is het BASIS niveau van welstand van toepassing. De waarde van de bebouwing in het buitengebied is, buiten de linten, beperkt. De bouwopgaven beperken zich veelal tot kleine bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Voor het buitengebied (G6) gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. De criteria bestaan uit harde randvoorwaarden voor toekomstige bouwinitiatieven aangevuld met aanbevelingen. Deze zijn in het schema gescheiden en staan respectievelijk boven en onder de stippellijn. De gebiedsbeschrijving is bedoeld als inspiratie voor (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke welstandscriteria voor bouwen in het Buitengebied - G6 Deze tabel geldt voor her- en verbouw van verschillende type bebouwing in het landschap. Specifieke aandachtspunten hierbij zijn de plaatsing van de gebouwen op het perceel, de relatie met het landschap en de relatie met de oorspronkelijke agrarische functie van het buitengebied. Er zijn drie typen (hoofd)bouwmassa’s in het gebied te onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Type A: kleinere staaf- en blokvormige bouwmassa’s met een niet-agrarische functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type B: staafvormige boerderijachtige bouwmassa’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor recreatiewoningen in het buitengebied gelden afzonderlijke welstandscriteria. Onderstaand schema geeft de criteria per type aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type A Type B Situering van het bouwwerk Nieuwbouw dient binnen het bestaande bebouwingspatroon te passen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de situering van complexen en woongebouwen moet aansluiting worden gezocht bij de structuurlijnen in het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek voor het agrarisch bedrijf is de clustering van meerdere gebouwen (woonhuis, stal, loodsen) op een perceel. De positionering van deze gebouwen ten opzichte van elkaar heeft vaak een bedrijfsmatige achtergrond maar is ook in de beleving van het complex een belangrijk aandachtspunt. Woonhuizen en -boerderijen in het buitengebied dienen deze karakteristiek te respecteren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen achter het bestaande hoofdgebouw situeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de situering van complexen en woongebouwen moet aansluiting worden gezocht bij de structuurlijnen in het landschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvormen van het bouwwerk Type A Type B Enkelvoudige bebouwingsmassa's met duidelijke kappen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke bouwmassa kent zijn eigen karakteristiek, maar past bij de bouwmassa’s in de omgeving;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwhoogte is aangepast en past in het landschap: toepassen van 1 tot 1,5 bouwlaag met kap wordt aanbevolen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvorm: zadeldak. vorm van de bouwmassa: liggende staafvormige bouwmassa's, met lage goothoogte en forse, hoogoplopende kappen dienen ervoor te zorgen dat de gebouwen passen bij de cultuurhistorische karakteristiek van het landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwhoogte is aangepast en past in het landschap: toepassen van 1 tot 1,5 bouwlaag met kap wordt aanbevolen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvorm: zadeldak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelaanzichten van het bouwwerk in de bestaande gevels domineert de traditionele indeling waarbij de gevelopeningen verticaal gericht zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een agrarisch bedrijf heeft vanuit zijn bedrijfsvoering bouwwerken nodig. Deze gebouwen, opgebouwd vanuit hun functionele eisen, zijn in beeldkwalitatieve zin vaak niet bijzonder. Toch zijn silo's, mestopslag, verwarmingsgebouwen voor kassen en stallen een essentieel onderdeel van het moderne agrarische landschap. Om die reden moeten zij architectonisch niet verstopt of gecamoufleerd worden maar op een goede manier onderdeel uitmaken van het bestaande beeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing heeft een duidelijke relatie met de oorspronkelijke agrarische functie van het landelijk gebied: dit uit zich in eenvoudige bouwvormen met kap (zie bij 'hoofdbouwvorm') en een duidelijke gevelindeling waarbij de boerderijtypen een duidelijke verwijzing hebben naar de karakteristiek van de historische boerderijen. nieuwe invullingen kunnen modern, mits ze respect tonen voor de bestaande of omliggende kwaliteiten ingepast worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialisatie en detaillering van het bouwwerk De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap; daken: (gebakken) pannen of (natuurlijk) riet; gevels: baksteen of hout; accenten: natuursteen, pleisterwerk. bij detaillering streven naar handhaving van de fijne en ambachtelijke onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen wordt aanbevolen Het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen wordt aanbevolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals aanbouwen of bijgebouwen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken in dit gebiedstype gelden de sneltoetscriteria, zoals opgenomen in hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.THEMATISCHE UITWERKINGEN Inleiding Naast het benoemen en onderscheiden van verschillende deelgebieden kent elke gemeente ook haar specifieke gebouwen, gebouwtypen en bouwwerken op specifieke locaties. De gemeente Albrandswaard heeft gebouwtypen en bouwwerken benoemd die zo gebiedseigen zijn, een specifieke functie hebben of als object op zich beeldbepalend zijn, dat daarvoor afzonderlijke criteria zijn opgesteld. Daarnaast bestaan er bepaalde bijzondere plekken, zoals een dorpsrand en een entree die bijzondere aandacht vragen. De voor Albrandswaard relevante thema's zijn per thema in dit hoofdstuk uitgewerkt 1 Voor de thema’s historische boerderijen, nissenhutten en romneyloodsen, antenne-installaties, trafostations en reclame-uitingen' is gebruik gemaakt van de teksten uit de Raamwerknota 'Welstandsbeleid 2002-2003' van de Stichting Dorp, Stad en Land, Rotterdam, november 2002..</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor specifieke gebouwtypen en bouwwerken geldt dat de beoordelingskaders altijd in samenhang gezien moeten worden met de gebiedsgerichte beoordelingskaders waarin het bouwwerk wordt geplaatst. Bij strijdigheid van thematische criteria met de gebiedsgerichte criteria gaan de thematische criteria voor. Deze zijn immers objectgericht en daardoor specifieker. In Deel B, Hoofdstuk 5 zijn de onderliggende gebiedsgerichte criteria voor een bepaald gebiedstype uitgewerkt. (Agrarische) bedrijfsbebouwing buitengebied Antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie (GSM) 9 Gebaseerd op teksten uit de Raamwerknota welstandbeleid 2002/2003 Gelders Genootschap, stichting DSL en Schout ruimtelijke vormgeving en beleid, Rotterdam 2002 De invloed van antenne-installaties op het aanzien van gebouwen en van de omgeving is in de regel aanzienlijk. In de procedures voor een bouwvergunning voor dergelijke installaties speelt het welstandsadvies daarom een belangrijke rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Dit themablad is van toepassing voor het hele grondgebied van de gemeente Albrandswaard Omschrijving en uitgangspunten De ontwikkelingen binnen de mobiele telefonie gaan zeer snel. In Nederland staan al zo'n 4000 antennes en dat aantal zal nog aanzienlijk groeien. Om een landelijke dekking te bereiken zal het aantal locaties met antenne-installaties nog fors moeten worden uitgebreid. Gezien de enorme economische belangen die met de mobiele telefonie gemoeid zijn, zal het niet zo zeer de vraag zijn of ze er komen, maar waar en in welke vorm. Conform de kabinetsnota Nationaal Antenne Beleid mag de hoogte van de te plaatsen antennedrager (antennemast) inclusief de daaraan bevestigde antenne(s), in ieder geval niet meer dan 5 meter bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inhoud van deze notitie komt grotendeels overeen met de notitie van de Federatie Welstand over dit onderwerp. Het verdient aanbeveling te streven naar landelijke afstemming van beleid juist op dit onderdeel, dat zo nadrukkelijk gemeentegrensoverschrijdend is. Alle gemeentelijke beleidsnota's en toetsingscriteria die bij de Federatie nu bekend zijn hebben in ieder geval allemaal hetzelfde doel: kwaliteit toevoegen of de eventuele negatieve visuele invloed van antenne-installaties op gebouwen en op de omgeving tot een minimum te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het accent ligt daarbij op de plaats of locatie van de installatie. De vorm van de installatie zal in veel gevallen acceptabel zijn; techniek en landelijke uniformiteit bepalen immers in hoge mate het aanzien van de installatie. Soms vormt de bijzondere kwaliteit van de omgeving aanleiding om mast en gebouwtje een bijzondere eigen kwaliteit te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Hierbij maken we onderscheid naar de plaatsing van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Masten met hekwerken, gebouwtjes of kasten enerzijds en de installaties op of aan gebouwen anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Masten en annexen In principe kan een positief welstandsadvies worden gegeven in de volgende situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de bebouwde kom en in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs grote verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten, bedrijventerreinen en sportparken, recreatieterreinen en horecagelegenheden. Het betreft hier dus situaties waar reeds van een concentratie van activiteiten sprake is, of situaties waar de schaal van de bestaande artefacten vergelijkbaar is met die van antennemasten. Masten kunnen in sommige situaties ook als een baken gezien en ontworpen worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de bebouwde kom op bedrijven en fabrieksterreinen als mede sportparken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe wordt een negatief welstandsadvies gegeven in de volgende situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">In of nabij natuurgebieden, beekdallandschappen, uiterwaardenlandschappen, stuifzand en heidelandschappen (veelal in bezit van de Provinciale Landschappen, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer).</p>\n<p class=\"lf-p\">In karakteristieke kleinschalige of open cultuurlandschappen, op landgoederen en buitenplaatsen, in gebieden die in het bestemmingsplan als waardevol zijn aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In of nabij beschermde stads en dorpsgezichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In of nabij waardevolle kleinschalige dorpskernen en waardevolle dorps of stadsrandzones.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In of nabij historische stadsparken en begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer op zichtafstand van de gewenste locatie al een mast aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per locatie zal altijd een waardering van bovengenoemde aspecten moeten plaatsvinden. In veel gevallen kan alleen door een onderzoek ter plaatse de invloed van de mast op de omgeving in voldoende mate inzichtelijk worden. Er kunnen nadere eisen gesteld worden, bijvoorbeeld ten aanzien van de kleur van de installatie of de vormgeving van de masten en bijbehorende gebouwtjes, kasten en hekwerken. Deze eisen zullen verband moeten houden met de specifieke omgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installaties op of aan een gebouw Het aanbrengen van antenne-installaties aan of op bestaande gebouwen is soms te prefereren boven het plaatsen van een aparte mast. Een dergelijke mast in de nabijheid van een bestaand waardevol gebouw, zoals een kerktoren, kan immers minstens zo hinderlijk zijn als een installatie op het gebouw zelf. In de afweging zal echter ook moeten worden betrokken of het mogelijk is meerdere installaties aan te brengen. Als dat niet mogelijk is, is de kans groot dat er in de nabijheid van het gebouw in de nabije toekomst alsnog een aparte mast wordt geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle gebouwen geldt in principe dat plaatsing van antenne-installaties zo onopvallend mogelijk dient plaats te vinden, bij voorkeur geïntegreerd in bestaande of nieuwe elementen van het gebouw. In de regel betekent dit dat de antenne-installatie alleen op hoge gebouwen kan worden aangebracht, bij voorkeur op een plat dak en dan zo ver mogelijk van de dakrand moet worden geplaatst. De architectuur van het gebouw bepaalt of daar antennes, en zo ja, welke soort(en) antennes kunnen worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerdere antennes met verschillende maten en vormen op één dak geven al snel een rommelig aanzien. In dergelijke situaties kan een gemeenschappelijke mast als drager van de verschillende antennes tot verbetering leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere en waardevolle gebouwen dienen geheel te worden ontzien door hun vorm en architectuur. Voor monumentale gebouwen kan de notitie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg worden aangehouden (Plaatsing telecommunicatieapparatuur op, in of aan monumentale gebouwen, maart 1999, RDMZ, Zeist). Het aanbrengen van antenne-installaties tegen gevels van gebouwen is slechts dan acceptabel, wanneer de invloed van die installaties op de architectuur verwaarloosbaar is, of wanneer het aanbrengen van de installaties geen afbreuk doet aan aanwezige kwaliteiten. Belangrijk is de invloed van de installatie op de silhouetwerking van het bouwwerk. In sommige gevallen kan met camouflagetechnieken het nodige bereikt worden. In andere gevallen biedt de vorm van de toren zelf mogelijkheden voor een verdekte plaatsing, bijvoorbeeld wanneer diepe nissen of gaten aanwezig zijn. Sommige bestaande bouwwerken bieden deze mogelijkheden niet. (denk bijvoorbeeld aan oude markante fabrieksschoorstenen). In die gevallen is het aanbrengen van antenne-installaties zonder meer af te raden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbevelingen De techniek van de mobiele telefonie kent geen gemeentegrenzen. Het is daarom raadzaam bij het zoeken naar een geschikte locatie voor een antenne-installatie soms over de eigen gemeentegrenzen heen te kijken en in overleg te treden met buurgemeenten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de vele planologische toetsingen bij masten door de provincie in verband met artikel 19 WROprocedures is een inhoudelijke afstemming van het gemeentelijke welstandsbeleid en het provinciale ruimtelijke ordenings en landschapsbeleid aan te raden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De landschapsdiscipline is bij de welstandsbeoordeling van masten in het landelijke gebied onmisbaar. Wij adviseren u deze daarbij dan ook nadrukkelijk te betrekken in de persoon van een deskundige op het terrein van landschapsarchitectuur of een vergelijkbare deskundigheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is zeer aan te raden om in situaties waar (naar verwachting) meerdere aanbieders een antenne-installatie zullen plaatsen aan te sturen op bundeling van de verschillende antennes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologie 10 Met dank aan T. Korevaar, werkgemeenschap Archeologie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologie houdt zich bezig met sporen van verdwenen menselijke culturen die in de bodem zijn achtergebleven: het bodemarchief. In de gemeente Albrandswaard treffen we archeologische sporen aan op de hoger gelegen delen, woonheuvels onder oude boerderijen en onder oude dorps en stadskernen. Omdat ze voor het merendeel onzichtbaar onder de oppervlakte liggen, zouden we kunnen spreken van een verborgen verhaal. Maar juist door dit verborgen verhaal krijgt het landschap zeggingskracht en identiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden Dit themablad is van toepassing voor verschillende gebieden in de gemeente Albrandswaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelingen en effecten Archeologische sporen zijn bijzonder kwetsbaar en gaan gemakkelijk verloren bij: verlaging van het grondwaterpeil, waarbij door de blootstelling aan lucht als eerste organische sporen (hout, leer, bot, zaden) maar op den duur ook nietorganische cultuurresten (aardewerk, metaal, steen) door oxidatie geheel verdwijnen. actief grondverzet, waardoor niet alleen het vondstmateriaal maar ook de context verloren gaat en de sporen niet meer archeologisch geïnterpreteerd kunnen worden, bijvoorbeeld bij: graven van bouwputten of sleuven en de aanleg van kelders egalisatie van grasland of reconstructie van wegen. Naast mogelijke vernietiging van cultuursporen gaat hiermee bovendien het natuurlijk bodemreliëf en dus de afleesbaarheid van het landschap verloren. dempen van sloten. Het slotenpatroon in het weidegebied en rond de erf en akkerpercelen binnen de linten is van middeleeuwse oorsprong en vormt de essentie van het verkavelingslandschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slootdemping vindt plaats om bredere aaneengesloten percelen met agrarische machines effectiever te kunnen bewerken. Binnen de bewoningslinten worden akker en dijksloten gedempt voor parkeerruimte, opritten, een groter aaneengesloten erf of tuin en minder slootonderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Het welstandsaspect van archeologische waarden heeft vooral betrekking op de zichtbare relief en structuurelementen van donken, stroomruggen, oeverwallen en woonheuvels, waaruit het cultuurlandschap kan worden begrepen en afgelezen en waaraan de woonomgeving zijn identiteit ontleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de dynamiek van ontwikkelen en bouwen is het van belang deze elementen te conserveren en waar mogelijk te accentueren en geloofwaardig in te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelingen behoren immers een plaats te krijgen in, en niet in plaats te komen van het cultuurlandschap. Wanneer behoud ‘in situ’ niet mogelijk is, kunnen de archeologische sporen in de ondergrond eventueel door opgraving veilig worden gesteld, zodat zij ‘ex situ’ nog bijdragen aan het verborgen verhaal. Voor de bouwopgave betekent dit dat met name gestuurd moet worden op:</p>\n<p class=\"lf-p\">De situering van het bouwwerk in relatie tot de aanwezige archeologische waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oriëntatie van het bouwwerk, met name in relatie tot de effecten op de situering van op en inritten, parkeerruimten e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie met andere sturingsinstrumenten Malta-wetgeving (in voorbereiding), waarbij het principe geldt: de verstoorder(opdrachtgever) betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cultuurhistorische Effectrapportage (CHER), voor grootschaliger projecten, waarbij integrale randvoorwaarden worden opgesteld voor behoud en inpassing van o.a. archeologische waarden in de plannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monumentenwet (wijzigingsvoorstel), de Monumentenwet wordt naar verwachting in 2004 gewijzigd in verband met de implementatie van het Verdrag van Malta. Het wijzigingsvoorstel stelt voor de archeologische monumentenzorg vooral tot uitdrukking te laten komen in het bestemmingsplan en de daaraan te toetsen besluiten. Bij een nieuw bestemmingsplan zal dus een (globale) inventarisatie van de aanwezige archeologische waarden dienen plaats te vinden. Indien het vermoeden bestaat dat waarden worden aangetast, zal aanvullend onderzoek plaatsvinden en de consequenties van de waarden vertaald worden in het plan. Initiatiefnemers van op winst gerichte projecten die schade toebrengen aan het bodemarchief dienen ook de kosten voor het behoud van het bodemarchief voor hun rekening te nemen. Met de gewijzigde Monumentenwet krijgen Provinciale Staten de bevoegdheid archeologische attentiegebieden aan te wijzen, waarna gemeenten verplicht zijn hun bestemmingsplannen binnen die gebieden af te stemmen op de te beschermen archeologische waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestemmingsplan, vastleggen archeologische waarden. Bepalen van de activiteiten waarvoor een aanlegvergunning wordt vereist. Bepalen van voorwaarden waaronder aanlegvergunningen worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgrondingsvergunning, voor uitgraven van bodems.</p>\n<p class=\"lf-p\">Peilbesluiten, voor veranderingen van het grondwaterpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen aan en nabij monumenten en beeldbepalende panden In de Albrandswaard staan verschillende monumentale gebouwen en beeldbepalende panden. Zo staan langs de historische dijklinten boerderijen en landhuizen met een monumentenstatus en staan in diverse kernen ook ensembles van monumentale gebouwen, bijvoorbeeld in het historisch centrum. Het bouwen aan en nabij monumenten vereist zorgvuldigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandseenheden De in dit themablad opgenomen aanvullende criteria zijn van toepassing op rijks en gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden verspreid over de Albrandswaard. Daarnaast gelden er aanvullende criteria voor panden in de beeldruimte van monumenten, die eveneens in dit themablad zijn opgenomen. Bepaald is dat op basis van een zekere afstand van een bouwwerk ten opzichte van een monument aanvullende criteria, die een relatie hebben met dat monument, van toepassing zijn. De aanvullende criteria 'bouwen aan en nabij monumenten en beeldbepalende panden' gelden derhalve voor panden in de omgeving van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksmonumenten: panden in de gevelwand binnen 50 meter van een Rijksmonument;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden: belendende panden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor monumenten, beeldbepalende panden en voor de gebouwen binnen de gedefinieerde beeldruimte rondom deze monumenten en/of beeldbepalende panden (zie hierboven) geldt een BIJZONDER niveau van welstand. Voor ligging van de monumenten zie welstandsbeleidskaart. Voor adres en beschrijving monumenten en beeldbepalende panden: zie separate lijst in de bijlage van deze nota. De gemeente kan er voor kiezen de afstanden voor de aanvullende criteria te vergroten of verkleinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat zijn monumenten?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verschillende soorten monumenten. Een gemeenschappelijke eigenschap is dat de gebouwen of objecten uniek zijn, ze een bepaalde ouderdom kennen en dat er een bepaalde zeggingskracht van uit gaat. Wat verschilt is de reden waarom een gebouw of object monumentaal wordt genoemd. Sommige monumenten zijn gebouwen of objecten met een geschiedkundige of oudheidkundige waarde en nemen een belangrijke plaats in de geschiedenis van een plaats of gebied in. Andere monumenten hebben architectuur en/of kunstwaarde; zij zijn opmerkelijk vanwege hun kenmerkende architectuur uit een bepaalde stijlperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de reden waarom bepaalde gebouwen en objecten als monument zijn aangewezen, bestaat er een verschil in voorkomen en omvang van monumenten. Er zijn solitair gelegen monumenten, die als los element in een landelijke of stedelijke omgeving zijn gesitueerd. De omgeving van en de ruimte rondom het monument kan belangrijk zijn voor de zeggingskracht van zo'n solitair monument. Er bestaan ook monumenten die in een meer of minder gesloten straatwand gesitueerd zijn, waarbij het monument past binnen het overwegende straatbeeld en de waarde bepaald wordt door de gaafheid of uniciteit van dat ene pand of dat ene ensemble. Daarnaast bestaan er stads en dorpsgezichten, waarbij het geheel, de compositie, van gebouwen en objecten een bijzondere eigenschap bezit. Elk van deze soorten monumenten vereist bescherming en het bouwen aan het monument is aan regels gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noodzaak tot bescherming van Monumenten Oude gebouwen en objecten laten ons zien hoe voorgaande generaties leefden. Ze bepalen in niet onbelangrijke mate het 'eigen gezicht' van een straat, dorp, stad of landschap. Dit eigen gezicht wordt steeds meer gewaardeerd en gezien als ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Een monument kan behoudenswaardig zijn vanwege esthetische, een educatieve, economische en inspiratieve waarde(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Bouwen aan en nabij monumenten vereist zorgvuldigheid. Niet iedere ingreep aan of in de directe omgeving van een monument is evengoed inpasbaar. Het bouwen aan een monument en het bouwen in een beschermd stads of dorpsgezicht is wettelijk geregeld in de Monumentenwet. Het bouwen nabij een monument is niet wettelijk geregeld. Door het bouwen in de directe omgeving van monumenten een bijzondere status in het welstandbeleid te geven, kunnen aan bouwwerken nabij monumenten nadere, locatiespecifieke, eisen gesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk bij het vormgeven van de gebouwde omgeving nabij een monument is het besef dat de omgeving mede bepalend is voor de karakteristiek van het monument. De betekenis van het monument moet tot zijn recht komen. De reden waarom een object als monument aangewezen is, is bepalend voor het omgaan met de omgeving.</p></div>", "next": 239912}