{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het kan ook zijn, dat cliënt in de afgelopen periode aantoonbare kosten heeft gemaakt die (achteraf bezien) wél tot de indicatie behoren. Bijvoorbeeld doordat de cliënt particuliere hulp heeft ingeschakeld. Voor dergelijke aangetoonde kosten kan de cliënt dan een eenmalige financiële tegemoetkoming ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bezwaarzaak in relatie tot een pgb gegrond wordt verklaard, is verhoging of toekenning van het pgb met terugwerkende kracht wel mogelijk vanaf de datum dat er recht had bestaan op een pgb (dus inclusief voldaan aan alle eisen zoals goedgekeurd pgb-plan en pgb-vaardigheid, al dan niet via een vertegenwoordiger) als direct een juist besluit was genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in een beroepszaak de rechter niet zelf in de zaak voorziet, zal de rechter het college opdragen een nieuw besluit te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3.5 Wijzigingen in de persoonlijke of gezinssituatieBij wijzigingen in de persoonlijke of gezinssituatie zal de medewerker beoordelen of dit gevolgen heeft voor de indicatie, bijvoorbeeld omdat er meer of minder gebruikelijke hulp kan worden geleverd. Is dit het geval, dan wordt de indicatie aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verhuizing naar buiten de gemeente Rotterdam eindigt de indicatie op de dag van de verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verhuizing binnen de gemeente blijft de indicatie gehandhaafd, tenzij in verband met wijzigingen in verband met bijvoorbeeld de beschikbaarheid van mantelzorg of algemene voorzieningen in de nieuwe wijk een nieuwe indicatie noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij Jeugdhulp is het adres van de gezaghouder bepalend (bij co-ouderschap is het adres waar de jeugdige ingeschreven is leidend).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien alleen de jeugdige verhuist, blijft alles hetzelfde in verband met woonplaatsbeginsel. Volgens de Jeugdwet heeft de gemeente Rotterdam de plicht om een voorziening door te laten lopen tot einde indicatie, maar de VNG adviseert om dit in overleg met de overnemende gemeente te beperken tot maximaal een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3.6 Wijzigingen bij resultaatgebied huisvestingDe indicatie vervalt niet door tijdelijke afwezigheid uit de opvang of beschermd wonen, bijvoorbeeld in verband met ziekenhuisopname, kortdurende detentie of vakantie. Maar als de cliënt definitief vertrekt uit de opvang, vervalt de indicatie op de dag van vertrek. Dit geldt ook bij overlijden van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.4 Intrekking, herziening en beëindigingVan intrekking is sprake als achteraf gezien in het verleden geen recht op een voorziening bestond. Het gaat dus meestal om terugwerkende kracht (zo niet dan heet het “beëindiging”). Van intrekking is sprake als er in het geheel geen recht op de voorziening bestond. Als er nog wel enig, maar minder, recht op de voorziening bestaat dan is er sprake van herziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Wmo 2015 volgt dat het college een besluit om een maatwerkvoorziening of een pgb toe te kennen kan intrekken of herzien. Maar dit mag alleen als wordt vastgesteld dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. De cliënt moet wel redelijkerwijs kunnen begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening of een pgb ontving. Ook geldt hier dat de cliënt wel de mogelijkheid moet worden geboden om alsnog de juiste gegevens aan te leveren; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of pgb is aangewezen. Hieronder valt ook de situatie dat beleid wijzigt en dat cliënt op grond van dat gewijzigde beleid niet langer in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening of het pgb. In dat geval dient wel een redelijke termijn in acht genomen te worden bij de wijziging. Wat een redelijke termijn is hangt af van de aard van de voorziening en de tijd die iemand naar verwachting nodig heeft om zich in te stellen op de nieuwe situatie; de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden. Dit speelt bijvoorbeeld als de cliënt of diens vertegenwoordiger niet langer in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Ook als degene die namens cliënt het pgb budget beheert niet handelt conform de belangen (of pgb-plan) van de cliënt, kan het pgb ingetrokken worden de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. In dat geval moet het college wel nagaan om welke reden dit gebeurt. De omstandigheden van het geval spelen hier dus een rol. Als een cliënt bijvoorbeeld een pgb niet gebruikt, dan kan het college het recht hierop intrekken. Ook kan het noodzakelijk blijken een rechtmatigheidsonderzoek in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In al deze gevallen wordt de aanspraak of het recht op een pgb dus (gedeeltelijk) ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het recht op een pgb eindigt, kan wel een maatwerkvoorziening of individuele voorziening aan de orde blijven. De facto wordt de benodigde ondersteuning dan omgezet naar zorg in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderingssituaties kan ook beëindiging op verzoek van de zorgaanbieder plaatsvinden. Hierbij is dus geen sprake van intrekking van de indicatie, maar van beëindiging van de levering van ondersteuning door de zorgaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij beëindiging op initiatief van de zorgaanbieder geldt dat hij in beginsel gehouden is om bij beëindiging de opdrachtgever (het college ) en cliënt alternatieven voor passende ondersteuning voor te stellen, tenzij dat vanwege de omstandigheden van het geval in redelijkheid niet van de zorgaanbieder kan worden verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot beëindiging van de ondersteuning kan alleen worden overgegaan indien de zorgaanbieder gemotiveerd kan aantonen dat hij zich maximaal heeft ingespannen om ondersteuning te leveren en hij conform de contractueel afgesproken zorgbeëindigingsprocedure schriftelijk toestemming van het college heeft verkregen om de ondersteuning te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een individuele voorziening jeugdhulp, met dien verstande dat intrekking of herziening van een dergelijke voorziening ook plaatsvindt indien het handelen van een budgethouder of vertegenwoordiger niet het belang dient van de jeugdige voor wie de jeugdhulp bedoeld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.5 TerugvorderingHet college heeft de bevoegdheid om terug te vorderen. Dit mag op grond van de Wmo 2015 alleen als: een verstrekte voorziening of een pgb is ingetrokken omdat de cliënt onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt (en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit had geleid), én dit door de cliënt opzettelijk is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet zijn geen terugvorderingsbepalingen opgenomen. Terugvordering van een individuele voorziening of pgb in het kader van de Jeugdwet geschiedt op basis van artikel 3.5.3, derde lid van de Verordening. Deze bepaling is gelijk aan wat hierboven is opgenomen over de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de Wmo 2015 geldt dat het college mag terugvorderen bij de cliënt zelf, maar ook bij degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de terugvordering is de gehele of de gedeeltelijke geldswaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de terugvordering moet aan de gemeente betaald worden. Als uitgangspunt geldt dat het college een betalingstermijn biedt van zes weken. Het college is bevoegd een afbetalingsregeling te treffen met de cliënt en/of om uitstel van betaling te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar mogelijk kan het college overgaan tot verrekening van de vordering met (financiële) aanspraken die de cliënt op het college heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot terugvordering heeft geen executoriale titel. Als de cliënt in gebreke blijft om de vordering binnen de gestelde termijn te betalen, dan moet het college –nadat het cliënt schriftelijk heeft aangemaand- een dwangbevel uitvaardigen. Dit gebeurt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hiervoor is een deurwaarder nodig. Als de cliënt het niet eens is met een dwangbevel dan kan hij daartegen geen bezwaar of beroep instellen. Wel kan hij in verzet komen, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank, sector civiel. Het verzet wordt aanhangig gemaakt in een dagvaardingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 2.5 Eigen bijdrage en bijdrage algemeen gebruikelijke kosten Wmo 20152.5.1 Eigen bijdrage algemeenIn de verordening is opgenomen dat onder eigen bijdrage wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is de eigen bijdrage die de wetgever heeft uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en waarvoor bij verordening is geregeld wanneer deze is verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.2 Eigen bijdrage algemene voorzieningIn de verordening is opgenomen dat voorr het gebruik van algemene voorzieningen geen eigen bijdrage is verschuldigd, aangezien dit niet past bij het laagdrempelige en voor iedereen toegankelijke karakter van de algemene voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.3 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb2.5.3.1 AlgemeenEen cliënt is voor een maatwerkvoorziening of pgb een eigen bijdrage verschuldigd, conform hetgeen hierover is bepaald in de wet en in de verordening. Het CAK stelt de hoogte van de eigen bijdrage vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is wettelijk geen eigen bijdrage verschuldigd door meerpersoonshuishoudens waarvan minimaal 1 persoon nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor extramurale arrangementen en overige maatwerkvoorzieningen geldt het abonnementstarief van € 17,50 per 4 weken, tenzij de totale kosten van Wmo-ondersteuning minder bedragen. In dat geval is de eigen bijdrage gelijk aan de kosten van de maatwerkvoorziening of pgb. Deze eigen bijdrage geldt voor alle maatwerkvoorzieningen samen en is niet afhankelijk van het inkomen of vermogen van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor intramurale arrangementen, waarbij het ondersteuningselement “huisvesting” wordt geleverd, wordt de eigen bijdrage inkomens- en vermogensafhankelijk vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.3.2 Algemene uitsluiting eigen bijdrageEr is op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Verordening geen eigen bijdrage verschuldigd bij de verstrekking van: een rolstoel; een maatwerkvoorziening ten behoeve van een minderjarig kind (inclusief woningaanpassing); eenvoudige opvoedondersteuning in het kader van een gezinsarrangement, aangezien hier feitelijk sprake is van jeugdhulp in de zin van Jeugdwet die binnen het Wmo-arrangement wordt gebracht; het ambtshalve verstrekken van de maatwerkvoorziening (bij zorgmijding (zie 2.5.3.3) of indien ondersteuning na overlijden/opname van de cliënt tijdelijk wordt voortgezet voor de partner totdat een indicatie is afgegeven); een tijdelijke maatwerkvoorziening in geval van spoedeisende ondersteuning; het gebruik van het CAV voor sociaal-recreatief vervoer; de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; crisisopvang; nachtopvang; een financiële maatwerkvoorziening als bedoeld in de verordening Per 1 januari 2019 is het convenant tussen VNG en zorgverzekeraars over het verhalen van letselschade vervallen. Dit betekent dat cliënt voor maatwerkvoorzieningen die vanaf 1 januari 2019 worden verstrekt ook een eigen bijdrage verschuldigd is als de ondersteuning het gevolg is van letselschade. De cliënt kan proberen de kosten van de eigen bijdrage (en overige kosten) die hij heeft gemaakt) te verhalen op de tegenpartij. Dit kan niet afgedwongen worden. Als een cliënt van plan is de kosten te verhalen op de tegenpartij, is het van belang dat het college hiervan op de hoogte is, zodat geprobeerd kan worden de eventueel gemaakte kosten van de maatwerkvoorziening te verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.3.3 Individuele uitsluitingsgronden eigen bijdrageOok op individuele gronden kan op grond van de wet worden besloten om geen eigen bijdrage te vragen. Het gaat hierbij om de volgende situaties: indien, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond, wordt vastgesteld dat het moeten betalen van een eigen bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van en minderjarig kind door de ouder; in situaties dat het moeten betalen van de eigen bijdrage nadelig is voor de integrale persoonsgerichte aanpak om bepaalde specifieke doelgroepen mee te laten doen in de samenleving. Dit kan voorkomen bij een integrale persoonsgerichte aanpak bij mensen die met politie of justitie in aanraking zijn gekomen of zorg mijden ten gevolge van een psychische beperking; indien de cliënt tijdelijk acute betaalproblemen heeft, doordat iemand wel inkomen en vermogen heeft, maar geen vrije beschikking heeft over zijn middelen. Dit kan bijvoorbeeld spelen in een echtscheidingssituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle situaties moet aan het CAK worden doorgegeven voor welke periode(s) geen eigen bijdrage verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.4 Bijdrage voor algemeen gebruikelijke kostenEen aanbieder kan voor algemeen gebruikelijke kosten een vergoeding vragen, als dit zo door het college met de aanbieder is afgesproken en is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat gaat bijvoorbeeld om een kopje koffie of een maaltijd op de dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook vraagt de aanbieder een bijdrage voor het gebruik van het CAV. De ritprijs is gebaseerd op de tarieven voor het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor crisisopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt na 8 weken verblijf in het geval van een verlenging van maximaal 4 weken een bijdrage gevraagd als tegemoetkoming in de algemeen gebruikelijke kosten. De hoogte van deze bijdrage is opgenomen in de Nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen nadere afspraken zijn tussen een aanbieder en het college, wordt de cliënt niet belast met ‘algemeen gebruikelijke kosten’. Ook voor wat betreft de crisisopvang worden als uitgangspunt geen financiële drempels opgeworpen door de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen dienstverlening Wmo 2015Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen3.1.1 CliëntgroepenVoor de maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening is van belang te kunnen bepalen onder welke cliëntgroep deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden de volgende cliëntgroepen onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouderen en Somatiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH));</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstandelijk beperkten extramuraal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstandelijk beperkten intramuraal (O)GGZ extramuraal; (O)GGZ intramuraal;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zintuiglijk beperkten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a Cliëntgroep Ouderen en SomatiekHoewel de cliëntgroep Ouderen en Somatiek anders suggereert, gaat het hier niet alleen om ouderen, maar om cliënten met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een somatische aandoening of beperking vindt veelal zijn oorzaak in een actuele somatische (lichamelijke) ziekte of aandoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lichamelijke aandoening die gekenmerkt wordt door stabiele fases en bij verergering door medische en/of paramedische behandeling (nog) kan genezen of verbeteren, valt onder de cliëntgroep somatische aandoening, dus niet de cliëntgroep Lichamelijk beperkten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de lichamelijke aandoening blijvend is, niet veroorzaakt door stoornissen van het zenuwstelsel of het bewegingsapparaat (bot/spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), dan is de cliëntgroep Ouderen en Somatiek eveneens van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is ook het geval bij een ongeneeslijke ziekte, waarbij geen zicht meer is op herstel of verbetering en die zeker tot het levenseinde zal leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een psychogeriatrische aandoening wordt gevormd door een ziekte, aandoening of stoornis in of van de hersenen. Veelal is er een aantasting te zien van onder andere denkvermogen, gevoelsleven, intellect, geheugen of al of niet in combinatie met afname van motorische functies en vermindering van sociale zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dementie is een verzamelnaam voor een aantal symptomen die allemaal veroorzaakt worden door een niet-aangeboren ziekte of stoornis in de hersenen. Dementie valt ook onder de psychogeriatrische aandoeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b Cliëntgroep Lichamelijk beperktenBij deze cliëntgroep staat een lichamelijke beperking voorop: er is sprake van een fysieke aandoening als gevolg van stoornissen van het zenuwstelsel en het bewegingsapparaat (bot/-spierstelsel, gewrichten en bindweefsel), waarbij geen functionele verbetering meer te verwachten is (er kan nog wel sprake zijn van een verslechtering) en er geen sprake is van een terminale situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook mensen met een niet-aangeboren hersenletsel (NAH) vallen onder deze cliëntgroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om cliënten die als gevolg van een niet aangeboren hersenaandoening, zoals een hersentumor of een –bloeding, te kampen hebben met beperkingen. Veelal heeft de cliënt al een revalidatiefase achter de rug en moet hij vervolgens thuis verder werken aan herstel en/of het behouden van vaardigheden om terugval te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad c Cliëntgroep Verstandelijk beperkten extramuraalHet gaat hier om cliënten die al als kind opvallend minder scoren op cognitief of intellectueel gebied en als gevolg hiervan kampen met problemen op het gebied van sociale (zelf)redzaamheid. De verstandelijke beperking kan ook gepaard gaan met gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van de problematiek is dusdanig dat zij ambulant ondersteund kunnen worden en er geen sprake is van de noodzaak van een beschermde woonomgeving met 24-uurs toezicht in de directe nabijheid. Wel kan de noodzaak van een ambulante wacht of slaapwacht aan de orde zijn. Zie ook paragraaf 3.7 met betrekking tot het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad d Cliëntgroep Verstandelijk beperkten intramuraalOok bij deze cliëntgroep betreft het personen die als kind opvallend minder scoren op cognitief of intellectueel gebied en als gevolg daarvan kampen met problemen op het gebied van sociale (zelf)redzaamheid. Daarnaast is er veelal sprake van andersoortige (gedrags)problematiek. Door deze combinatie van ernstige problematiek is er behoefte aan een beschermende woonomgeving om verslechtering van de situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. Ambulante ondersteuning en dagbesteding zijn hiervoor onvoldoende. Deze beschermende woonomgeving is tijdelijk nodig, of er kan op dit moment nog niet worden vastgesteld dat de behoefte aan toezicht blijvend is. Een afwijzing voor een Wlz-indicatie kan dit onderstrepen, maar hoeft niet persé aanwezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad e Cliëntgroep (O)GGZ extramuraalOnder deze cliëntgroep vallen allereerst personen met een vermoeden van beperkte zelfredzaamheid als gevolg van een verslavings-, psychisch of psychosociaal probleem dan wel een combinatie van deze problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal cliënten dat behoort tot de cliëntgroep (O)GGZ extramuraal kan worden ingedeeld in een bijzondere doelgroep. Het gaat om vier bijzondere doelgroepen: dak- en thuisloze volwassenen (vanaf 23 jaar); dak- en thuisloze jongeren (18 – 23 jaar); personen die in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld hun woning hebben verlaten; gezinnen met jeugdigen in de opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan, zeker bij personen met psychiatrische of psychosociale aandoeningen en bij dak- en thuislozen, gaan om mensen met problemen op meerdere leefgebieden (wonen, werk, financiën etc.), (dreigende) dak- en thuisloosheid, verslaving, verwaarlozing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van de problematiek is dusdanig dat zij ambulant ondersteund kunnen worden en er geen sprake is van de noodzaak van een beschermde woonomgeving met 24-uurs toezicht in de directe nabijheid. Wel kan de noodzaak van een ambulante wacht aan de orde zijn. Zie ook paragraaf 3.7 met betrekking tot het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad f Cliëntgroep (O)GGZ intramuraalVan intramuraal is sprake indien cliënten, zoals die staan beschreven bij de cliëntgroep (O)GGZ extramuraal, zelfs met ondersteuning niet in staat zijn zelfstandig een woning te bewonen vanwege de combinatie van problematiek. Er moet sprake zijn van problematiek op meerdere leefgebieden, waaronder de geestelijke gezondheid. Het gaat hier om cliënten met ernstige problematiek, veelal voortkomend uit een vermoeden van psychiatrische of psychosociale aandoeningen: problemen op meerdere leefgebieden (wonen, werk, financiën etc.), (dreigende) dak- en thuisloosheid, verslaving, verwaarlozing, gevaar voor zichzelf en/of de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van de problematiek is dusdanig dat zij niet meer zelfstandig kunnen wonen en functioneren, maar behoefte hebben aan een beschermende woonomgeving en permanent toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbinnen/-naast zijn dezelfde vier bijzondere doelgroepen te benoemen die beschreven staan bij cliëntgroep (O)GGZ extramuraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad g Cliëntgroep Zintuiglijk BeperktenHet gaat hier om cliënten met een zintuiglijke beperking die als gevolg hiervan kampen met problematiek op meerdere leefgebieden en daardoor gespecialiseerde ondersteuning nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zintuiglijke beperking gaat derhalve gecombineerd met bijkomende beperkingen, psychosociale en/of psychiatrische problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gespecialiseerde ondersteuning is landelijk ingekocht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden drie groepen cliënten onderscheiden: cliënten met een visuele beperking die voldoet aan de NOG-richtlijn ‘Visusstoornissen, Revalidatie en Verwijzing’; vroegdove cliënten. Het gehoor is afwezig of dermate slecht, dat eventuele gehoorresten geen betekenis voor de communicatie hebben. Bij vroegdove cliënten dateert de doofheid van vóór het begin van de gesproken normale taalontwikkeling; doofblinde cliënten. Bij deze combinatie is er sprake van een ernstig verlies van de hoorfunctie, gecombineerd met verlies van visuele functies, met veelal een progressief karakter van beide of één van beide zintuigbeperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2 Indicatie binnen resultaatgebiedenDe ondersteunende dienstverlening is gericht op het compenseren van belemmeringen die een cliënt ondervindt binnen één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: sociaal en persoonlijk functioneren; ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden; financiën; dagbesteding; ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid; nachtelijk toezicht (en huisvesting); mantelzorgondersteuning met verblijf; gespecialiseerde ondersteuning zintuiglijk beperkten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaatgebieden worden vanaf paragraaf 3.2 verder uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaand schema is aangeven welke resultaatgebieden er per cliëntgroep aan de orde kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliëntgroep Resultaatgebieden Ouderen en Somatiek Alle resultaatgebieden, behalve f en h Lichamelijk beperkten Alle resultaatgebieden, behalve f en h Verstandelijk beperkten extramuraal Alle resultaatgebieden, behalve h Verstandelijk beperkten intramuraal Alle resultaatgebieden, behalve b, g en h (O)GGZ extramuraal Alle resultaatgebieden, behalve h (O)GGZ intramuraal Alle resultaatgebieden, behalve b, g en h Zintuiglijk beperkten Alle resultaatgebieden, behalve f Iedere aanbieder die gecontracteerd is voor een cliëntgroep wordt geacht voor alle relevante resultaatgebieden de ondersteuning te kunnen bieden. Hierbij geldt als uitzondering de cliëntgroep zintuiglijk beperkten, de cliënten die onder deze cliëntgroep vallen kunnen wél te maken krijgen met twee aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3 Startarrangement3.1.3.1 Aard en doel startarrangementHet startarrangement is een tijdelijk (maximaal drie maanden) arrangement dat versneld wordt afgegeven op basis van een standaard indicatie en waarmee de aanbieder direct kan starten. Binnen drie maanden wordt deze omgezet naar een reguliere maatwerkindicatie. Het doel van het startarrangement is om dakloze volwassenen, jongeren en slachtoffers van huiselijk geweld, direct te helpen in situaties dat zij niet kunnen wachten op een standaard afhandelingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gezorgd voor huisvesting en de aanbieder start direct met het bieden van de noodzakelijke ondersteuning, waarmee de voorwaarden worden geschapen voor een vervolg binnen een regulier ondersteuningsarrangement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een startarrangement kan alleen worden afgegeven als de cliënt meewerkt aan de ondersteuning, waardoor de basis weer op orde komt en hij zo spoedig mogelijk door kan stromen naar ondersteuning binnen een regulier arrangement of uit kan stromen. Hieronder valt ook dat hij meewerkt aan budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van ernstige psychiatrische problematiek die de uitvoering van het startarrangement belemmeringen, kan een startarrangement niet worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3.2 Gebruikelijke hulpHet verstrekken van een startarrangement impliceert dat er geen sprake is van gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3.3 Omvang resultaatgebiedDe ondersteuning vindt plaats binnen de volgende resultaatgebieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder zo nodig eenvoudige opvoedondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiën;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt (tijdelijke) huisvesting aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uiteindelijk te behalen resultaten binnen het arrangement zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabilisatie van de cliënt of het cliëntsysteem in de eerste 24 uur. Hierbij is er speciale aandacht voor het nuttigen van maaltijden, het welzijn van eventuele kinderen en de veiligheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Consistente en doorlopende begeleiding gedurende het verblijf in de aangeboden huisvesting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet van noodzakelijke medische begeleiding is gerealiseerd (somatisch, verslaving of GGZ-zorg);</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn noodzakelijke verbindingen gelegd met één van de stedelijke loketten of wijkteam;</p>\n<p class=\"lf-p\">De basis is op orde. Dat wil in ieder geval zeggen: cliënt beschikt over een identiteitsbewijs en zorgverzekering; het inkomen van cliënt is geregeld; cliënt staat geregistreerd als (urgent) woningzoekende en er wordt actief ondersteund bij het vinden van woonruimte; cliënt is aangemeld voor budgetbeheer; cliënt is aangemeld voor schulddienstverlening; er is een inkomensverklaring van de belastingdienst geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.3.4 Treden startarrangementHet arrangement wordt opgebouwd, afhankelijk van de vraag of de aanbieder wel of geen huisvesting organiseert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opbouw van het startarrangement als de aanbieder geen huisvesting organiseert:</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaatgebied Trede Sociaal en persoonlijk functioneren Midden/intensief Opvoedingsondersteuning1Opvoedondersteuning indien van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Midden Financiën Midden Zelfzorg en gezondheid Beperkt De opbouw van het startarrangement als de aanbieder wel huisvesting organiseert:</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaatgebied Trede Sociaal en persoonlijk functioneren Midden/intensief Opvoedingsondersteuning2Opvoedondersteuning indien van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Midden Financiën Tijdelijk intensief Zelfzorg en gezondheid Beperkt 3.1.3.5 PgbEen startarrangement wordt alleen een natura verleend. Een pgb is niet mogelijk gelet op de noodzaak tot versnelde indicatiestelling en de tijdelijkheid van het arrangement.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4 Omvang indicatieDe omvang van de indicatie per resultaatgebied wordt bepaald in intensiteitstreden. Het aantal treden verschilt per resultaatgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resultaatgebied of de resultaatgebieden die worden geïndiceerd vormt/vormen samen het ondersteuningsarrangement. Het ondersteuningsarrangement bepaalt het bedrag dat de gecontracteerde aanbieder ontvangt voor de verdere invulling van de ondersteuning aan de cliënt op basis van het ondersteuningsplan, dan wel het bedrag waarover de aanvrager maximaal kan beschikken om zijn ondersteuning zelf in te kopen met een persoonsgebonden budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk model zal er een klein deel van de cliënten zijn wiens situatie niet past binnen de kaders van het model. Voor dit soort uitzonderingsituaties zal de medewerker de mogelijkheid krijgen om na bepaling van de zwaarte per resultaatgebied te komen tot een budget waarvan de hoogte nog meer op het individu is toegesneden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de indicatie kan ook worden bepaald door de vraag of er in één huishouden bij meerdere personen een indicatie voor het betreffende resultaatgebied aan de orde is en in hoeverre de ondersteuning voor deze personen gecombineerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling van de trede waarop de cliënt een maatwerkvoorziening krijgt, is afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte, de mate van zelfredzaamheid, de beschikbaarheid en mogelijkheid van algemeen gebruikelijke en algemene voorzieningen etc. Daarnaast is de trede-indeling afhankelijk van het totaalbeeld van resultaatgebieden waarop ondersteuning nodig wordt geacht. Bij sommige resultaatgebieden is sprake van communicerende vaten, waardoor een indeling op de meest intensieve trede op beide resultaatgebieden niet reëel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.5 Keuze tussen aanbiedersDe cliënt kan bij zijn aanvraag voor een maatwerkvoorziening de aanbieder kiezen waarvan hij de ondersteuning wenst te ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de cliënt, ook na rappel, geen voorkeur aangeeft of wil geven, zal de medewerker die de aanvraag in behandeling neemt, een aanbieder selecteren die op basis van het onderzoek het best aansluit bij de cliënt en zijn ondersteuningsbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze keuzevrijheid geldt volledig voor de cliënten die vallen onder de reguliere cliëntgroepen Ouderen en Somatiek, Lichamelijk beperkten, Verstandelijk beperkten extramuraal, Zintuiglijk beperkten en (O)GGZ extramuraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor cliënten die vallen onder de openbare geestelijke gezondheidszorg (de bijzondere doelgroepen (O)GGZ) of aan wie beschermd wonen (huisvesting) moet worden geboden, geldt dat zij wel hun voorkeur mogen aangeven, maar dat de gemeente uiteindelijk bepaalt aan welke aanbieder de opdracht tot levering van de ondersteuning wordt gegeven. Hierbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wens van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.6 Crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld3.1.6.1 InleidingHet doel van de crisisopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld, is het bieden van bescherming en veiligheid aan slachtoffers van huiselijk geweld. De doelgroep van de crisisopvang wordt gevormd door slachtoffers die in acuut gevaar verkeren, dan wel waar sprake is van onveilige of levensbedreigende situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De crisisopvang kan zowel de volwassene als zijn’/haar meekomende kinderen betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.6.2 IndicatiestellingVeilig Thuis Rotterdam Rijnmond (VTRR) verzorgt namens het college de toegang tot de crisisopvang slachtoffers huiselijk geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">VTRR bekijkt de situatie van de cliënt, de mogelijkheid om, al dan niet met behulp van het eigen netwerk of door interventie van derden in een oplossing te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze alternatieven niet aanwezig zijn en er genoeg gronden zijn voor crisisopvang, geeft VTRR een beschikking af waarmee de cliënt toegang krijgt tot de crisisopvang. Is er geen sprake van een situatie waarbij crisisopvang moet worden geboden, dan wordt bekeken in hoeverre er op andere wijze ondersteuning of interventie noodzakelijk is, bijvoorbeeld via een reguliere meldingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de volwassene kunnen hier ook eventuele meekomende kinderen worden opgevangen. De crisisopvang is een maatwerkvoorziening. Gelet op het karakter van de crisisopvang is een pgb niet mogelijk. Crisisopvang wordt immers alleen geboden als blijkt dat cliënt zelf niet in een oplossing kan voorzien voor de crisissituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de indicatiestelling komt ook aan de orde of de gemeente Rotterdam de meest aangewezen gemeente is om crisisopvang te bieden. Uitgangspunt daarbij is, dat alleen cliënten van buiten de regio die uit veiligheidsoverwegingen aangemerkt worden als ‘code rood’ gebruik kunnen maken van de crisisopvang die Rotterdam biedt. Cliënten uit de regio bij wie het uit veiligheidsoverwegingen niet wenselijk is dat zij geplaatst worden in een opvang van Rotterdam, zullen in overleg met cliënt worden aangemeld voor opvang elders in het land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover hebben de centrumgemeenten landelijke afspraken gemaakt, zodat een landelijke dekking is voor deze opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.6.3 Ondersteuning tijdens de crisisopvangTijdens de crisisopvang staat het bieden van veiligheid voorop. Deze veiligheid wordt gewaarborgd door middel van een verblijf op een geheim adres, afgesloten voordeur, beveiliging door middel van cameratoezicht en/of personeel dat toeziet op de beveiliging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat er rust wordt gecreëerd voor slachtoffers, een adempauze na ingrijpende gebeurtenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is sprake van begeleidding aan cliënt en de eventueel meekomende kinderen op de volgende terreinen, voor zover dat nodig is: organiseren van medische/GGZ-zorg; het op orde brengen van de basis:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het op orde brengen van de basis kan het bijvoorbeeld gaan om: het aanvragen / verstrekken van een briefadres; het aanvragen, op naam stellen of opvragen van de polis van een zorgverzekering; het aanvragen van een geldig legitimatiebewijs en DigiD; het aanvragen van een woonpas; het aanmaken van een E-mailadres; het aanvragen/opstarten van een uitkering; het aanvragen inkomensverklaring; hulp bij invullen/aanvragen formulieren; eerste inventarisatie van schulden; of diagnostiek en ondersteuning bij kinderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt de vraagverheldering gestart, zodat kan worden onderzocht of er noodzaak is tot het inzetten van een vervolgtraject, in de vorm van een intra- of extramuraal Wmo-arrangement of jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.6.4 Duur van de crisisopvangDe crisisopvang is tijdelijk: in principe maximaal 8 weken, eventueel te verlengen met maximaal 4 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.6.5. Redenen voor beëindiging van verblijf in de CrisisopvangVerblijf in de crisisopvang duurt, zoals hierboven aangegeven, maximaal acht weken. De crisisopvang eindigt (zo nodig eerder) in de volgende situaties: indien er een indicatie is gesteld voor een vervolgtraject in de vorm van een Wmo-ondersteuningsarrangement. Dit kan een intramuraal arrangement zijn of een extramuraal arrangement. Voorwaarde is in dat geval dat er sprake is van een woonplek; indien er geen sprake (meer) is van een ondersteuningsbehoefte, bijvoorbeeld als er een goed verblijfsalternatief is; indien is vastgesteld dat plaatsing en/of behandeling binnen een GGZ-instelling noodzakelijk is; indien blijkt dat de crisisopvang voor de cliënt of meekomende kinderen geen ‘goede plek’ is om te verblijven; als er geen sprake is van een geldige verblijfsvergunning, na een negatief besluit van de IND; bij een ernstige mate van bedreiging of intimidatie die de situatie onwerkbaar maakt omdat de persoonlijke veiligheid of vrijheid van de medewerkers en/of andere cliënten of bewoners in gevaar is. Deze situatie kan ontstaan vanuit de cliënt maar ook vanuit de handelwijze van een vertegenwoordiger of familielid van de cliënt; er is sprake van een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie; bij hygiënische omstandigheden van het slachtoffer die ernstige gezondheidsrisico’s opleveren voor de medewerker die crisisopvang verleent; het niet nakomen van essentiële verplichtingen of regels, ook niet na herhaaldelijk (schriftelijk) aandringen of waarschuwen door de zorgaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien blijkt dat er sprake is van een opzettelijke onjuiste weergave van de feiten die toegang gaven tot de crisisopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.6.6 Eigen bijdrageCliënt is gedurende de basis van 8 weken geen eigen bijdrage verschuldigd. Als de crisisopvang langer dan 8 weken duurt is een bijdrage in de algemeen gebruikelijke kosten verschuldigd, die wordt geïnd door de aanbieder van de crisisopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van deze bijdrage staat vermeld in de nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.7 Maatschappelijke opvang3.1.7.1 Toegang tot de crisis-/nachtopvangOnderzoekVoor de toegang tot de maatschappelijke opvang geldt dat iedere dak- en thuisloze persoon, ook een niet-ingezetene, zich in Rotterdam kan aanmelden voor crisis-/nachtopvang. Met de cliënt wordt vastgesteld wat zijn woonplaats was voor het ontstaan van dakloosheid. Indien wordt vastgesteld dat de cliënt, voor het ontstaan van dakloosheid, woonachtig was in een gemeente in een andere regio, kan de uitvoering van het onderzoek, na overeenstemming, worden overgelaten aan deze gemeente of regio, waarbij eventuele informatie wordt overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de woonplaats van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid niet vastgesteld kan worden, voert Rotterdam het onderzoek uit. Dit geldt ook indien er geen overeenstemming is met de andere gemeente of regio. Indien Rotterdam het onderzoek zelf uitvoert, kan zij de andere gemeente of regio verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzocht wordt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft en het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, en daarmee het duurzaam herstel, van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het onderzoek wordt in elk geval de wens van de cliënt betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens worden de volgende factoren betrokken in het onderzoek: de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden); en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt; en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten; de eventuele aanwezigheid van een sociaal netwerk met een negatieve invloed en bekendheid bij de politie in de betreffende regio, vanwege bijvoorbeeld actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die zijn opgelegd en/of eerdere agressie tegen medewerkers en hulpverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien, gedurende het onderzoek, blijkt dat een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan wordt deze gemeente bij het onderzoek betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek wordt binnen 2 weken uitgevoerd en vastgelegd in een onderzoeksverslag, tenzij er redenen zijn die dit onmogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de uitvoering van het onderzoek is overgedragen aan een andere gemeente of regio, dan wordt er voor gezorgd dat de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overdracht van cliënt en cliëntgegevensWanneer de kans van slagen van een traject groter is in een andere gemeente of regio, dan wordt - in overleg met de cliënt - contact opgenomen met die andere gemeente of regio. Bij overeenstemming met deze gemeente of regio vindt de overdracht van de cliëntgegevens én de cliënt onverwijld plaats, tenzij wordt overeengekomen dat een latere overdracht bijdraagt aan de kans van slagen van een traject. Tot aan het moment van daadwerkelijke overdracht van de cliënt blijft het college maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft het college andere maatregelen treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de overdracht wordt alle noodzakelijke informatie over de cliënt, waaronder het onderzoeksverslag, overgedragen aan de andere gemeente of regio, in overleg met de cliënt. Met de andere gemeente of regio en de cliënt worden concrete afspraken gemaakt over de datum van overdracht en welke aanbieder de cliënt maatschappelijke opvang of andere ondersteuning zal bieden, alsmede hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de overdracht, kan het college overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschil van mening tussen gemeentenBij verschil van mening tussen Rotterdam en een andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt wordt een maximale inspanning gepleegd om tot een oplossing te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze niet kan worden bereikt, kan het geschil worden voorgelegd aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid. In afwachting van het oordeel van deze commissie blijft het college een voorziening maatschappelijke opvang bieden, dan wel op andere wijze voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang. Het oordeel van de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid wordt opgevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rotterdam conformeert zich aan de handreiking landelijke toegang maatschappelijke opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.7.2 Aard ondersteuningGedurende de periode dat de cliënt in afwachting is van overdracht naar een andere regio, zal Rotterdam alleen onderdak en de noodzakelijke ondersteuning bieden, zoals stabilisatie van de situatie, zonder dat daarbij gewerkt wordt aan resultaten. Voorkomen moet worden dat binding met de stad en de hier werkzame hulpverlening ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als cliënt wordt toegeleid naar een bestaan (al dan niet in de vorm van beschermd wonen) binnen de regio, dan is de ondersteuning gericht op het op orde brengen van de basis. Zie ook hetgeen hierover is beschreven bij 3.1.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De locatie van de nachtopvang waar cliënt opvang wordt geboden is afhankelijk van de aard van de problematiek, of er sprake is van opvang met of zonder kinderen en waar opvangruimte is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.7.3 Duur van de crisis-/nachtopvangEen indicatie voor de nachtopvang wordt in principe afgegeven voor maximaal 3 maanden. Zo nodig kan deze indicatie worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.7.4 Eigen bijdrageClient is gedurende het verblijf in de crisis/nachtopvang geen eigen bijdrage verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.8 PgbVoor de crisisopvang (nachtopvang en slachtoffers huiselijk geweld) is geen pgb mogelijk. Crisisopvang wordt immers alleen geboden als blijkt dat cliënt niet in een oplossing kan voorzien voor zijn crisissituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.2 Resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren3.2.1 Inhoud resultaatgebiedHet resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren bestaat uit 2 varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Volwassene(n)/ouder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvoedondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1a Ondersteuning volwassene(n)/ouderBij dit onderdeel gaat het om ondersteuning wat betreft leven, wonen en relaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat over begeleiding die gericht is op het geven van feedback op gedrag in sociale situaties, praktische ondersteuning, toezicht overdag (waaronder wordt verstaan het voorkomen van ongewenste situaties) en om het trainen van en coachen in vaardigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te komen tot een goede trede-indeling en ondersteuning wordt onder meer gekeken naar de volgende elementen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorspelbaarheid: is de problematiek van de cliënt goed bekend, is de hulp planbaar, is bekend wat goed werkt, wat het netwerk kan betekenen en hoe er bijvoorbeeld opgeschaald kan worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Complexiteit: is er sprake van meerdere (forse) problemen, zijn de problemen moeilijk te hanteren. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor agressie, psychotische problematiek en andere ernstige psychiatrische problematiek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfredzaamheid: kan de cliënt zelf hulp inschakelen, bellen, mailen, lezen, een beroep doen op zijn netwerk etc. Zijn er afspraken te maken over wat te doen als het niet goed gaat?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1b OpvoedondersteuningIn het kader van een integrale aanpak binnen het gezin en om ontwikkelingsproblemen bij kinderen te voorkomen kan gezins-/opvoedingsondersteuning deel uitmaken van het Wmo-arrangement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezins-/opvoedondersteuning kan aan de orde zijn in twee situaties: de cliënt ontvangt een Wmo-arrangement en heeft op basis van zijn problematiek professionele ondersteuning nodig bij de opvoeding van de kinderen, of het gezin (partner en kinderen) en/of mantelzorger heeft integrale ondersteuning nodig bij het omgaan met de gevolgen van de beperkingen van de Wmo-cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er ten behoeve van het kind ook jeugdhulp nodig is in het kader van de Jeugdwet, wordt de opvoedondersteuning meegenomen in het arrangement dat in het kader van die wet wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gespecialiseerde opvoedingsondersteuning wordt geleverd op grond van de Jeugdwet, maar ambulante opvoedhulp kan worden geïndiceerd op grond van dit resultaatgebied. Hierdoor blijft het aantal hulpverleners in het gezin beperkt. De aanbieder van de ondersteuning verplicht zich om goed oog te houden op de ontwikkeling van het kind en schakelt expertise van een jeugd- en gezinscoach van het wijkteam in als blijkt dat er specifieke jeugdhulp voor het kind noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambulante opvoedhulp richt zich op het versterken en stimuleren van de opvoedingsvaardigheden van de ouder(s) zodat: de veiligheid van het kind te allen tijde is gewaarborgd; de sociaal en affectieve ontwikkeling van het kind wordt gestimuleerd (het voorkomen van emotionele verwaarlozing); het kind gedrag vertoont dat past bij zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau; er aandacht is voor de gezondheid van het kind en waar nodig medische zorg zal worden ingezet; het kind onderwijs volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien beide ouders (bijvoorbeeld in de (daklozen)opvang) zijn aangewezen op een Wmo-arrangement, dan krijgt eén van de ouders het Wmo-arrangement inclusief de opvoedingsondersteuning. De opvoedingsondersteuning die geboden wordt, richt zich op beide ouders van het gezin, ook al is het slechts bij één van de ouders in de indicatie opgenomen. Indien er meerdere kinderen in een gezin zijn, volstaat één indicatie. De opvoedingsondersteuning richt zich op alle kinderen in een gezin. De looptijd van het arrangement is gekoppeld aan het arrangement van de ouder(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.2 Gebruikelijke hulpZie ook de algemene kaders in hoofdstuk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3a Ondersteuning volwassene(n)/ouderIn het kader van dit resultaatgebied moet onderscheid worden gemaakt tussen ondersteuning die kortdurend of langdurig moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortdurend ondersteuningsbehoefteBinnen dit resultaatgebied wordt van de partner in zo’n geval verwacht dat deze de ondersteuning aan de cliënt bieden. De ondersteuning wordt in zo’n situatie aangemerkt als gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Langdurige ondersteuningsbehoefteBij een langdurige ondersteuningsbehoefte is er in principe sprake van gebruikelijke hulp als de ondersteuning naar algemeen aanvaarde maatstaven door de partner en/of andere volwassen huisgenoten in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij in ieder geval om het begeleiden van de cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, ziekenhuis enzovoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp door een minderjarige kind speelt binnen dit resultaatgebied geen rol van betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3b OpvoedondersteuningDe opvoeding van kinderen behoort tot de (gezamenlijke) algemeen gebruikelijke taak van de ouder(s). Opvoedondersteuning kan dan ook slechts aan de orde zijn als de ouder(s) in het belang van het kind hierbij ondersteuning behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.3 Algemene voorzieningenBij kortdurende ondersteuning kan ondersteuning door het wijkteam worden geleverd, afhankelijk van de aard van de ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.4 SubdoelstellingenHieronder staat een overzicht van veel voorkomende subdoelstellingen die aan de orde kunnen zijn binnen dit resultaatgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.4.1 Subdoelstellingen sociaal en persoonlijk functioneren ouder/volwasseneDe subdoelstellingen die aan de orde kunnen zijn, zijn te clusteren in een aantal hoofdthema’s. Per hoofdthema worden veel voorkomende voorbeelden genoemd van doelstellingen die hieronder vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociaal functionerenFamilie, relaties, netwerk Cliënt maakt verantwoorde keuzes in het aangaan en behouden van relaties met bijvoorbeeld familie, zijn omgeving. Hij kan de contacten onderhouden, is in staat een beroep te doen op personen in zijn netwerk, weert contacten die een negatieve invloed op hem hebben, kan grenzen stellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale vaardigheden Hij vergroot en behoudt zijn sociale vaardigheden, houdt zich aan gemaakte afspraken, kan contact leggen en onderhouden met instanties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Participatie Is lid van een club of vereniging en kan omgaan met de rechten en plichten binnen de vereniging of doet vrijwilligerswerk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedrag Gaat op een respectvolle manier om met anderen, houdt zich aan de gemaakte afspraken met justitie, pleegt geen overtredingen meer en heeft geen negatief contact met de politie en gezagsdragers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijk functionerenOrganisatie van zijn leven Cliënt weet wanneer hij huishoudelijke taken of zelfzorgtaken uit moet voeren, hij voert regie over het doen van het huishouden, bezit vaardigheden om het geheugen te ondersteunen (bijv. agenda beheren, maken to-do-list, neemt besluiten, maakt af waaraan hij begint, kan structuur brengen in zijn dag, heeft of bouwt aan een dag- en nachtritme;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedrag en gevoel Cliënt kan omgaan met zijn beperkingen, kan zijn gevoelens bespreken, heeft een realistisch en positief zelfbeeld en een realistisch toekomstbeeld. Hij heeft zelfvertrouwen, is in staat anderen te begrijpen, gaat op adequate wijze om met zijn agressie/boosheid, vraagt adequaat hulp wanneer het psychisch niet goed gaat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgang met omgeving Kan omgaan met veranderingen, kan voor zichzelf opkomen, kan kritiek accepteren, is in staat grenzen te stellen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelengebruik Gebruikt géén middelen, heeft zijn (soft)drugs/alcohol gebruik onder controle, houdt zich aan individueel gemaakte afspraken rondom middelengebruik, is eerlijk over zijn middelengebruik;</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisvoorwaarden Is in staat om zelfstandig te reizen, houdt zich aan afspraken met de woningbouw, zorgt voor een geldige legitimatie, laat zich inschrijven op een adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.4.2 Subdoelstellingen opvoedondersteuningDirecte veiligheid van de jeugdige De ouders bieden passende huisvesting, waar de jeugdige een (fysieke) veilige plek heeft om te leven, zijn zich bewust van de psychische/lichamelijke conditie van de jeugdige en doen wat nodig is om deze te verbeteren. Ze corrigeren de jeugdige leeftijdsadequaat zonder gebruik van fysiek of verbaal geweld; Ze hebben oog voor de risico’s en de veiligheid van de jeugdige (zowel in huis, op straat, in het verkeer, in de omgang met andere kinderen/volwassenen en op sociale media enz.);</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichamelijke verzorging en gezondheid De lichamelijke basiszorg is op orde. De belangrijkste componenten van lichamelijke basiszorg zijn kleding, (gezonde) voeding, hygiëne en medische zorg. Daarnaast is voldoende beweging van belang (lidmaatschap sportclub); Ook zorgt de ouder ervoor dat de jeugdige op tijd naar bed gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medische zorg bestaat uit ervoor te zorgen dat de jeugdige zijn medicijnen (op tijd) neemt en dat (indien nodig) afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) worden gemaakt en nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociaal-emotionele ondersteuning De ouder zorgt voor een omgeving waarin de jeugdige zich sociaal-emotioneel gezond kan ontwikkelen tot zelfstandig functionerende volwassenen. De ouder stelt (consequent) grenzen aan de jeugdige, passend bij de leeftijd van de jeugdige. De aanbieder is alert op de signalering van geestelijke mishandeling en (affectieve) verwaarlozing van de jeugdige. De ouders stimuleren sociale contacten met leeftijdgenoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">School, opleiding, werk en opvang De ouders zorgen ervoor dat de jeugdige ingeschreven staat voor passend onderwijs en ook daadwerkelijk naar school gaat, zijn huiswerk en andere taken maakt en dat ongeoorloofd verzuim is afgenomen, huiswerk wordt gemaakt. Bij kleine kinderen zorgen de ouders ervoor dat zij naar de kinderopvang/peuterspeelzaal gaan. Ouders onderhouden regelmatig contact met de school van hun kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfbeeld en eigen positie ouders Bij de ouder(s) is hun onmacht afgenomen (ouders voelen zich competent in het opvoeden van de jeugdige) en hebben balans in het zorgen voor de jeugdige en het zorgen voor zichzelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.5 Treden binnen dit resultaatgebiedHet resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren bestaat uit 2 varianten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Volwassene(n)/ouder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvoeding ten behoeve van kind(eren).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.5.1 Ondersteuning volwassene(n)/ouderBinnen deze variant worden 5 treden onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 1: BeperktCliënt woont zelfstandig, alleen of met anderen, De hulp is goed planbaar, de cliënt kan de hulpvraag uitstellen, heeft in de regel voldoende aan adviezen. De cliënt kan zelf hulp in schakelen, of heeft een sociaal netwerk dat tijdig aan de bel trekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze trede kan ook worden geïndiceerd om een “vinger aan de pols te laten houden” bij de cliënt (laag frequente ondersteuning). Dit wordt een waakvlamarrangement genoemd. Waakvlamarrangementen zijn niet aan de orde bij intramurale arrangementen. Daar is immers altijd sprake van een intensievere ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 2: Beperkt/middenCliënt woont in de regel zelfstandig, alleen of met anderen. De hulp is in de meeste gevallen goed planbaar maar periodiek kan de intensiteit verschillen. Cliënt heeft behoefte aan adviezen, coaching en soms moet er praktische ondersteunende hulp geboden worden. De problematiek is complex. In de meeste gevallen zal de cliënt zelf in staat zijn om hulp in te roepen, of heeft een netwerk dat dat kan doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 3: MiddenCliënt woont in de regel zelfstandig maar begeleiding is nodig om dit te kunnen handhaven. De problematiek is complex en onvoorspelbaar. Cliënt heeft vooral behoefte aan coaching en praktische ondersteunende hulp. In de regel is er wekelijks contact. Cliënt trekt vanwege zijn problematiek niet zelf aan de bel en ook het netwerk is daartoe niet goed in staat, of is overbelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 4: Midden/intensiefCliënt is niet goed in staat om zelfstandig te wonen en woont daarom in veel gevallen in een beschermende omgeving. Cliënt heeft veel baat bij praktische ondersteuning en coaching. Soms moeten taken overgenomen worden. De problematiek is complex en cliënt trekt in de regel niet zelf aan de bel. Ook is er geen netwerk dat dit kan doen. Daarom is enig toezicht in de nabijheid gewenst. In de regel is er meerdere keren per week contact.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 5: IntensiefCliënt is niet in staat om zelfstandig te wonen en woont daarom in een beschermende omgeving. Sommige taken van cliënt worden overgenomen en daarnaast is er veel praktische ondersteuning en coaching nodig. De problematiek is complex en onvoorspelbaar. Er is in de regel dagelijks begeleiding nodig die ook voorziet in dagstructuur. Toezicht in de directe nabijheid is in de regel gewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.5.2 OpvoedondersteuningVoor opvoedondersteuning worden drie treden onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 1: BeperktCliënten hebben behoefte aan lichte ondersteuning op het gebied van de Opvoeding. Er is vaak sprake van situaties waar mensen onvoldoende terug kunnen vallen op een steunend netwerk en/of dat er risicofactoren zijn zoals huiselijk geweld, (dreigende) dakloosheid, verslaving, psychiatrische problematiek, problemen met justitie. Ook het hebben van een verstandelijke beperking of niet aangeboren hersenletsel kan een risicofactor zijn voor het gezond opgroeien van kinderen. De ouder beschikt in principe over vaardigheden in het opvoeden. De ondersteuning bestaat voornamelijk uit adviseren, ondersteuning en het houden van een oogje in het zeil. De ondersteuning kan één keer per week zijn, maar het is ook goed mogelijk om de ondersteuning één keer per twee weken te laten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 2: MiddenAls bij trede 1, maar er zijn daarbij aanwijzingen dat de ontwikkeling van de kinderen op meerdere gebieden vast dreigt te lopen: de affectieve ontwikkeling (mogelijk verwaarlozing), de gezondheid, de veiligheid van het kind en gedrag. Ouder(s) hebben behoefte aan meer intensieve ambulante opvoedhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 3: Tijdelijk intensiefAls bij trede 2, maar daarbij zijn er aanwijzingen dat er meerdere kinderen in het gezin zijn en/of dat de ontwikkeling van de kinderen op meerdere gebieden ernstig aan het stagneren is. Er is tijdelijk behoefte aan een intensievere vorm van ambulante opvoedhulp om de opvoedingssituatie te stabiliseren en waar nodig extra zorg in te doen zetten (via de experts bij de gemeentelijke loketten).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.6 Afbakening regiefunctie ten aanzien van het voeren van het huishoudenDe regiefunctie ten aanzien van het voeren van het huishouden kan zowel in het kader van het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als in het kader van resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden worden geïndiceerd, maar kan bij een cliënt slechts vanuit één van beide resultaatgebieden aan de orde zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen zich drie situaties voordoen, die in onderstaand schema zijn weergegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen regie bij huishoudelijke taken Alleen regie bij overige taken Regie bij huishoudelijke en overige taken Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden Sociaal persoonlijk functioneren Sociaal persoonlijk functioneren Uit deze tabel blijkt, dat de regiefunctie vanuit het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden (zie volgende paragraaf), feitelijk alleen voorkomt in de situatie dat er alleen regie bij huishoudelijke taken noodzakelijk is én de cliënt geen ondersteuning bij regievoering nodig heeft op andere dagelijkse, praktische vaardigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.3 Resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden3.3.1 Inhoud resultaatgebiedHet resultaatgebied “ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden” (hierna: hulp bij het huishouden) is aan de orde als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden. Dat kan zich uiten door (dreigende) vervuiling van de woning of van kleding doordat de cliënt het huishouden niet meer (voldoende) zelf kan doen, maar ook doordat de cliënt niet in staat is voor zichzelf maaltijden te bereiden of boodschappen te doen. In noodsituaties (bijvoorbeeld plotselinge uitval van een ouder door ziekenhuisopname waarbij geen alternatieve opvangmogelijkheid beschikbaar is) kan binnen dit resultaatgebied ook tijdelijk ondersteuning worden geboden voor de verzorging van minderjarige kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij het huishouden wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen die cliënt hierbij ondervindt kunnen voorkomen of oplossen. In de dagelijkse praktijk betekent dit dat, waar dat mogelijk is, cliënt, de leefeenheid of het netwerk de huishoudelijke werkzaamheden (blijven) uitvoeren of gebruik maken van beschikbare (gemaks)diensten (zoals een particuliere schoonmaakhulp). Zie hiervoor ook de paragrafen 3.3.2 en 3.3.3. Aanvullend hierop wordt ondersteuning bij het huishouden geboden in de vorm van een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een cliënt wordt medewerking gevraagd om deze ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning, de aanwezigheid van huisdieren en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Uiteraard mag de cliënt de woning gezellig maken door het plaatsen van snuisterijen of beeldjes. Als de woning hier vol mee staat, belemmert dit echter de voortgang van de werkzaamheden. Dit kan betekenen dat de cliënt door de Wmo-adviseur en de aanbieder gevraagd wordt voor de komst van de hulp de spulletjes alvast van het dressoir of de tafel te halen en later weer terug te plaatsen. Of dat er wat spullen worden opgeruimd. Cliënt kan ervoor kiezen dit niet te doen, maar dat kan effect hebben op de wijze waarop bijvoorbeeld wordt gestoft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit resultaatgebied wordt niet geïndiceerd in combinatie met het resultaatgebied “nachtelijk toezicht en huisvesting” inclusief het ondersteuningselement “huisvesting”(beschermd wonen).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2 Gebruikelijke hulpZie ook de algemene kaders in hoofdstuk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle ondersteuning in het kader van dit resultaatgebied door partners onderling, door volwassen kinderen en/of andere huisgenoten is gebruikelijke hulp. Onderdelen van dit resultaatgebied kan ook vallen onder gebruikelijke hulp voor minderjarige kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt bij volwassen inwonende kinderen (vanaf 18 jaar) geldt dat verwacht mag worden dat zij een volwaardige bijdrage leveren aan het huishouden. Dit geldt echter niet voor het verzorgen en begeleiden van jongere gezinsleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het inwonende kind aangeeft de taak van verzorging van een jonger gezinslid te willen verrichten en duidelijk is dat dit ook verantwoord is en de ouders daarmee instemmen, dan is deze hulp boven gebruikelijk (mantelzorg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven aangegeven, kan er voor onderdelen van dit resultaatgebied ook sprake zijn van gebruikelijke hulp door minderjarige kinderen, afhankelijk van leeftijd en vaardigheden. Van kinderen onder de 18 jaar kan geen volwaardige bijdrage aan het huishouden worden verwacht. Afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind wordt bekeken of er eventueel een bijdrage kan worden geleverd, of dat er juist extra ondersteuning nodig is. De bijdrage kan variëren van het opruimen van het eigen speelgoed bij jongere kinderen tot het helpen met afwassen, het opruimen van de eigen kamer of een boodschap doen bij oudere kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen moet worden dat kinderen (of jong-volwassen die bijvoorbeeld studeren of een bijbaan hebben) overbelast worden, doordat zij te veel verantwoordelijkheid op zich nemen. In die zin zal een kind in een gezin met een ouder met belemmeringen in het voeren van het huishouden niet meer belast mogen worden dan een kind met gezonde ouders. Het primaire belang is dat een kind in staat is zijn startkwalificatie te behalen. Hierop wordt aan de voorkant door de Wmo-adviseur gelet bij het onderzoek naar mogelijkheden van gebruikelijke hulp in het kader van dit resultaatgebied. Anderzijds ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de zorgaanbieder om signalen over overbelasting door te geven aan de Wmo-adviseur als er wel een arrangement is afgegeven, rekening houdend met gebruikelijke hulp die gezinsleden wél kunnen leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningenDe cliënt wordt geacht te beschikken over de schoonmaakartikelen die nodig zijn voor het schoonmaken van het huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt bepaalde apparatuur als algemeen gebruikelijk opgevat die het voeren van het huishouden voor de cliënt kan verlichten. Voorbeelden hiervan zijn een wasmachine, een droger, een afwasmachine. Voorwaarde is wel dat een dergelijk apparaat te plaatsen is in de woning van de cliënt. Daarnaast zijn er (technische) hulpmiddelen die als algemeen gebruikelijk beschouwd worden, zoals het plaatsen van een verhoging voor de hiervoor genoemde apparatuur, aangepast bestek of andere (hulp)middelen die het mogelijk maken dat cliënt zelf het huishouden (deels) blijft doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als algemeen gebruikelijk worden ook beschikbare services aangemerkt die voor cliënt een adequate oplossing bieden, en derhalve voor eigen kosten komen, zoals (niet limitatief): een maaltijdservice; kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school); voor- en naschoolse opvang; oppascentrale; hondenuitlaatservice; boodschappendienst; wasserette.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op individueel niveau moet worden gekeken of de voorliggende (algemeen gebruikelijke) voorziening daadwerkelijk beschikbaar en (financieel) passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een cliënt in de periode voorafgaande aan de melding en aanvraag gebruik maakte van een particuliere huishoudelijke hulp voor de activiteiten waarmee cliënt bij het voeren van een huishouden problemen ondervindt, dan wordt voor deze werkzaamheden de particuliere hulp als algemeen gebruikelijk beschouwd. In individuele gevallen kan hiervan afgeweken worden, bijvoorbeeld als de aanvraag is gedaan omdat de situatie van de cliënt zodanig is gewijzigd dat het voor cliënt niet langer mogelijk is zelf de organisatie of aansturing van de hulp te regelen of omdat een particuliere hulp financieel niet meer haalbaar is. Cliënt zal dan moeten aangeven wat er in zijn situatie gewijzigd is, waardoor een particuliere hulp niet langer mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ondersteuning die de particuliere hulp biedt niet meer toereikend is, kan aanvullend een maatwerkvoorziening worden verstrekt, als cliënt dit aanvullende deel niet ook zelf kan regelen, Bij cliënten die voorafgaand aan de melding nog geen particuliere hulp gebruikten, wordt onderzocht of iemand particuliere hulp zou kunnen inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt bekeken of iemand zowel financieel als qua organisatievermogen in staat is om zelf hulp te regelen en aan te sturen. Zo nodig kan cliënt ondersteund worden bij het zelf regelen van een hulp. Als cliënt niet openstaat voor verkenning van de financiële mogelijkheden om zelf een hulp te regelen, kan cliënt hiertoe niet worden gedwongen, Wat betreft het vermogen van cliënt om een hulp zelf te organiseren en aan te sturen wordt het onderzoek op vergelijkbare wijze verricht als bij het onderzoek naar de pgb-vaardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.4 Algemene voorzieningenBinnen dit resultaatgebied is geen sprake van algemene voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.5 Frequentie uitvoering ondersteuningHet aangeven van een vaste, objectieve frequentie voor de uit te voeren werkzaamheden is niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enerzijds is er geen vaste objectieve norm voor de frequentie waarmee bijvoorbeeld een huis schoongemaakt moet worden, hooguit van een indicatieve norm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds is de frequentie ook sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden van de cliënt. Met andere woorden: ten aanzien van de frequentie van de ondersteuning is maatwerk noodzakelijk. De frequentie is bijvoorbeeld afhankelijk van: wat een cliënt of zijn netwerk zelf nog kan of geleerd kan worden; wat de aard van de beperkingen van de cliënt is; of er verzwarende omstandigheden zijn bij de persoon (bijvoorbeeld dementie, psychische problemen, bedlegerigheid); in hoeverre er sprake is van algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen waar de cliënt gebruik van kan maken; wat de grootte van het huishouden is;</p>\n<p class=\"lf-p\">De frequenties die bij elk resultaat staan beschreven, zijn daarom richtlijnen, maar per cliënt zal bekeken moeten worden of hiervan afgeweken moet of kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij kan de zorgaanbieder ook de efficiëntie van de inrichting van de ondersteuning betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.6 SubdoelstellingenDe volgende subdoelstellingen vallen onder dit resultaatgebied: heeft een schoon en leefbaar huis; beschikt over schone en draagbare kleding; beschikt over goederen voor primaire levensbehoeften en maaltijden; de zorg voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren; het voeren van regie over het doen van het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a: Schoon en leefbaar huis1. Kern van het te bereiken resultaatEen schoon en leefbaar huis wil zeggen dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Daarnaast moet de woning schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Zo moet de leefeenheid beschikken over een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat de genoemde ruimtes met enige regelmaat schoongemaakt te worden, bijvoorbeeld gedweild of gestofzuigd, de ramen gezeemd etc. Ook het beschikken over een schoon bed behoort tot dit resultaatgebied. Dat betekent dat de bedden regelmatig worden verschoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat deze vertrekken niet vervuilen en met het oog daarop periodiek schoongemaakt worden om zo een naar algemeen aanvaarde maatstaven verantwoord basisniveau van ‘schoon en hygiënisch’ te realiseren. Hiermee wordt het te behalen eindresultaat in afdoende mate kwalitatief genormeerd geacht. Voor een bij de frequentie van de werkzaamheden in acht te nemen kwantitatieve normering wordt verwezen naar het hierop volgende onderdeel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat bij dit resultaatgebied overigens alleen om de binnenruimte van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied valt: het schoonhouden/onderhouden van de buitenruimte, waaronder ook het zemen van de ramen aan de buitenzijde of het tuinonderhoud; werkzaamheden in huis die niet noodzakelijk zijn om de ruimtes waarin geleefd wordt schoon en hygiënisch te houden, zoals het in de was zetten van vloeren en meubilair, het schoonmaken van vliering of berging of het poetsen van zilver; werkzaamheden die zeer incidenteel hoeven te gebeuren, zoals het wassen van overgordijnen; de verzorging van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren); het schoonhouden van ruimtes die hierboven niet zijn genoemd, zoals een vliering of garage.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Frequentie van de werkzaamhedenDe werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in activiteiten die 1x per week/per 2 weken of met een lagere frequentie (bijvoorbeeld maandelijks, 1x per kwartaal of jaar) hoeven te worden gedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die wekelijks of 1x per 2 weken moeten worden gedaan: het schoonmaken van de keuken (aanrecht, gootsteen, kookplaat, vloer), badkamer en toilet(ten); afval opruimen; het stoffen, opruimen, stofzuigen en eventueel dweilen van de gang, eventuele trap en overloop naar de slaapetage, woonkamer en als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes; het verschonen van de bedden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die met een lagere frequentie worden gedaan: het schoonmaken van de keukenkastjes (incl. bovenkant en binnenzijde), oven/magnetron, afzuigkap en de koelkast/vriezer; het reinigen van lamellen/luxaflex, wassen van vitrage; deuren/deurposten nat afdoen; zitmeubels afnemen; radiatoren reinigen; het afnemen van tegelwanden in badkamer en toilet; het zemen van de ramen aan de binnenzijde.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aspecten die bij deze subdoelstelling en de frequentie van werkzaamheden een rol spelenSamen met de cliënt wordt bekeken of deze nog in staat is om onderdelen van het schoonmaken zelf uit te voeren, zoals het uitvoeren van lichte werkzaamheden (bijvoorbeeld stoffen, afwassen, met vochtige reinigingsdoekjes schoonmaken van het toilet of met statische stofdoeken reinigen van harde vloerbedekking). Daarbij kan ook een rol spelen of cliënt dat bijvoorbeeld alleen op lichaamshoogte kan doen, of ook laag of hoog.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt gekeken of door een aanpassing van de inrichting/stoffering winst te behalen is, zodat de woning minder vervuilt. Hierbij worden de (financiële) mogelijkheden en individuele situatie van de cliënt meegewogen. Van de cliënt wordt binnen zijn mogelijkheden gevraagd om werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op te ruimen, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als cliënt regie kan voeren over het huishouden, mag van hem/haar tevens worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en er keuzes worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de frequentie van werkzaamheden kunnen, naast bovengenoemde zaken, ook bijvoorbeeld een rol spelen: of cliënt COPD of allergieën heeft waardoor een hoger/ander niveau van hygiëne nodig is; de gezinssamenstelling, waaronder de aanwezigheid van jonge kinderen; of cliënt bedlegerig is waardoor het bed eventueel vaker verschoond moet worden, maar andere werkzaamheden eventueel minder frequent kunnen gebeuren; kenmerken van de woning, waaronder de bewerkelijkheid, inrichting en omvang van de woning; de aanwezigheid van huisdieren die extra inzet van ondersteuning vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder die de (aanvullende) ondersteuning op dit resultaatgebied levert, kan de uitvoering van de werkzaamheden laten plaatsvinden door een professionele hulp en/of deze op andere wijze organiseren. Voorbeelden van dit laatste zijn onder andere inzet van een glazenwasservice voor het zemen van de ramen binnen of (tussentijds) gebruik van een robotstofzuiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b: Schone en draagbare kleding1. Kern van het te bereiken resultaatHet gaat hierbij om twee subdoelstellingen: cliënt beschikt over gewassen kleding en beddengoed; cliënt beschikt over gestreken bovenkleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 1° wordt verstaan: het sorteren en wassen van de kleding; het drogen of ophangen en afhalen van de was; het opvouwen van de was; het in de kast opbergen van de was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het machinaal wassen, opvouwen en opbergen van beddengoed en linnengoed valt onder de reikwijdte van deze subdoelstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2° omvat het strijken van de bovenkleding. Voor het strijken van onderkleding of het bedden- en linnengoed is geen ondersteuning mogelijk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Frequentie van de werkzaamhedenUitgangspunt is twee wasbeurten per week en de bijbehorende strijkbeurt vanuit professionele ondersteuning. De feitelijke frequentie van de werkzaamheden is afhankelijk van diverse factoren: de grootte van het huishouden; is er sprake van bedlegerigheid; is er sprake van extra vervuiling als gevolg van de beperkingen van de cliënt, zoals bijvoorbeeld incontinentie; wat de cliënt en zijn of haar netwerk zelf nog kunnen doen en welke voorliggende voorzieningen worden ingezet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Leidend is de hoeveelheid was die de cliënt normaal gesproken heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling van de frequentie van de werkzaamheden kan uitgegaan worden dat bepaalde onderdelen van het proces zoals sorteren, opvouwen en opbergen van de was gecombineerd worden uitgevoerd (ook al worden meerdere wassen gedaan).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelenEen professionele ondersteuner kan ervoor kiezen de was bij de cliënt thuis te doen of deze te laten doen bij een wasservice. De kosten van de wasmiddelen en de aanschaf en het gebruik van de apparatuur voor was en strijk komen voor rekening van de cliënt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Niet altijd hoeft voor alle onderdelen (volledige) ondersteuning geboden te worden. Zo kan het zijn dat cliënt wel in staat is om de was in de machine te doen, maar niet om de was op te hangen of te strijken. Ook is het soms mogelijk dat cliënt door de werkzaamheden anders te organiseren deze (gedeeltelijk) zelf kan blijven doen. Bijvoorbeeld door de wasmachine of droger op een verhoging te plaatsen of de was zittend op te vouwen of te strijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de cliënt wordt verwacht dat deze bij aanschaf van kleding zoveel mogelijk erop let dat het strijken hiervan niet noodzakelijk is. Ook wordt verwacht dat cliënt vermijdt dat kleding via speciale wasprogramma’s of handwas moet worden gewassen. Ook wordt verwacht dat hij voldoende kleding en ondergoed heeft, zodat er bijvoorbeeld één keer per twee weken in plaats van één keer per week een volle trommel gewassen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad c: Beschikt over goederen voor primaire levensbehoeften en maaltijden1. Kern van het te bereiken resultaatHet gaat hierbij om twee subdoelstellingen: het beschikken over de noodzakelijke boodschappen voor levensonderhoud, het schoonhouden van de woning en persoonlijke verzorging; het verzorgen van maaltijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 1° wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt moet in staat zijn te beschikken over de noodzakelijke boodschappen. Dit betekent dat de boodschappen gedaan worden (al dan niet via internet en een bezorgservice) en dat bijvoorbeeld een boodschappenlijst opgesteld wordt. Ook het opbergen van de boodschappen in de (koel)kast behoort tot dit resultaatgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2° omvat het volgende: het verzorgen van een warme maaltijd; het opwarmen van een maaltijd; het verzorgen van een broodmaaltijd; het klaarzetten van de maaltijden zodat de cliënt erbij kan om het op te eten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aansporen van een cliënt en eraan herinneren dat hij moet eten alsmede het toezien dat de cliënt eet valt binnen dit resultaatgebied, voor zover deze activiteiten plaatsvinden in het verlengde van de bovenstaande activiteiten en voor zover er verder geen ondersteuning nodig is bij zelfzorg en gezondheid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Frequentie van de werkzaamhedenUitgangspunt is het wekelijks in huis halen van de boodschappen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verzorgen van de maaltijd wordt uitgegaan van 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd per dag, waarbij 1 of 2 keer per week ook in plaats van een warme maaltijd een broodmaaltijd aan de orde kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt alleen ondersteuning geboden voor het aantal dagen waarop (aanvullend) ondersteuning nodig is bij het verzorgen of opwarmen van de maaltijd. Het maximum is zeven dagen per week.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelenAan dit resultaat zijn diverse voorzieningen voorliggend, zoals een boodschappenservice of een maaltijdservice. Als een cliënt, al dan niet met ondersteuning vanuit de eigen leefeenheid of het netwerk, in staat wordt geacht om gebruik te maken van een boodschappenservice die de boodschappen thuis bezorgt, is een indicatie voor dit resultaat niet aan de orde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hooguit kan aan de orde zijn dat cliënt wordt geholpen met het opstellen van een boodschappenlijst en het realiseren van de bestelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de maaltijden is van belang of cliënt in staat is gebruik te maken van een maaltijdservice of “open tafels” in de wijk. Als dit het geval is, dan wordt hiermee rekening gehouden bij de indicatie. Een dergelijke maaltijdservice geldt niet als voorliggende voorziening als er sprake is van minderjarige kinderen in het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een cliënt ondersteuning krijgt bij de verzorging van de warme maaltijd dan hoeft er niet iedere dag gekookt te worden. Koken voor 2 dagen is mogelijk. Ook kan een broodmaaltijd alvast klaargemaakt en klaargezet worden gelijktijdig met het bereiden van een andere maaltijd of het uitvoeren van andere ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad d: Zorg voor minderjarige kinderen1. Kern van het te bereiken resultaatHet gaat bij deze subdoelstelling om het bij onverwachte noodsituaties in het gezin tijdelijk ondersteunen bij de zorg van kinderen tot 9 jaar. Het gaat om praktische ondersteuning bij of overname van de verzorging van de kinderen omdat de vaste verzorger(s) dit tijdelijk niet (volledig) kunnen geven. Hierbij gaat het om onder andere het naar bed brengen/uit bed halen, wassen, douchen, aankleden en eten. Ook het brengen/halen van het kind naar/van school of opvang kan onder dit resultaat vallen. Bij baby’s omvat het ook het verschonen van luiers en het voeden. Het bieden van opvang aan of oppas voor de kinderen valt niet onder dit resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het bieden van opvoedondersteuning of begeleiding van ouder/kind in verband met problematiek bij het kind vallen niet onder dit resultaatgebied. In die gevallen is ondersteuning vanuit een de Jeugdwet aan de orde.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Frequentie van de werkzaamhedenDe zorg voor kinderen dient dagelijks plaats te vinden. De feitelijke frequentie is afhankelijk van de beschikbaarheid van netwerk, voorliggende voorzieningen etc.</div>\n<p class=\"lf-p\">De indicatie wordt in principe afgegeven voor een maximale duur van drie maanden zodat ouder(s) de mogelijkheid krijgen een (structurele) oplossing te vinden. Ondersteuning via de Wmo 2015 na deze drie maanden is slechts in hoge uitzondering mogelijk. Ondersteuning via de Jeugdwet is in ieder geval niet mogelijk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie van werkzaamheden een rol spelenOuders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Deze strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding, inclusief zorg bij ziekte. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg overneemt. Zo nodig kan de cliënt gebruik maken van zorgverlof, kinderopvang, buitenschoolse opvang, hulp van familieleden of netwerk en dergelijke. (Aanvullende) ondersteuning vanuit dit resultaatgebied is alleen bij hoge uitzondering en tijdelijk mogelijk als ouders door een acuut ontstaan probleem een oplossing nodig hebben en er (tijdelijk) geen andere oplossingen of voorliggende voorzieningen mogelijk zijn. Door tijdelijk ondersteuning te bieden krijgen ouders de mogelijkheid in een (structurele) oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ad e: Het voeren van regie over het doen van het huishouden1. Kern van het resultaatOndersteuning voor het voeren van regie over het doen van het huishouden kan gericht zijn op twee doelstellingen: de cliënt pakt de huishoudelijke werkzaamheden zoveel mogelijk weer zelf op. Hij is in staat deze (zoveel mogelijk) zelf uit te voeren en te regisseren; een ander lid/andere leden van de leefeenheid is/zijn in staat om het huishouden over te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1°In de situatie dat de cliënt leerbaar is om huishoudelijke taken (weer) zelf op te pakken, kan de cliënt worden ondersteund bij de organisatie van het huishoudelijk werk. Cliënt wordt geleerd: hoe en wanneer je huishoudelijke activiteiten uitvoert; om de huishoudelijke activiteiten te plannen; de middelen te beheren in relatie tot de huishoudelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet er op toezien/stimuleren dat de werkzaamheden ook daadwerkelijk gebeuren alsmede de observatie en controle van de uitvoering van huishoudelijke taken door de cliënt zelf, dan kan ook hiervoor ondersteuning worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet, of alleen onder toezicht zelf kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2°Hierbij is sprake van het tijdelijk instrueren van de leefeenheid in het kader van gebruikelijke hulp: geven van advies, instructie, voorlichting gericht op het huishouden waarbij de onder a genoemde aspecten aan de orde kunnen komen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Frequentie van de werkzaamhedenDe frequentie is afhankelijk van de vorm van ondersteuning die geboden moet worden. Als er bijvoorbeeld toezicht moet worden gehouden op het feitelijk uitvoeren van de huishoudelijke werkzaamheden, dan is de ondersteuning gekoppeld aan de noodzakelijke frequentie van de huishoudelijke werkzaamheden zelf. Zoveel mogelijk zal een combinatie plaatsvinden met ondersteuning op andere resultaten binnen het resultaatgebied.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie van werkzaamheden een rol spelenDe periode van ondersteuning voor het voeren van regie wordt zo kort mogelijk gehouden. Er zijn evenwel ook situaties denkbaar waarin ondersteuning voor het voeren van regie structureel noodzakelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Afbakening met resultaatgebied sociaal en persoonlijk functionerenDe regiefunctie ten aanzien van het voeren van het huishouden kan zowel in het kader van het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als in het kader van huishoudelijke verzorging worden geïndiceerd, maar kan bij een cliënt slechts vanuit één van beide resultaatgebieden aan de orde zijn. In paragraaf 3.2.6 is schematisch uitgewerkt wanneer welk resultaatgebied aan de orde is.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7 Treden binnen dit resultaatgebied3.3.7.1 Indeling in tredenBij de ondersteuning en regie bij het voeren van het huishouden zijn er vijf (reguliere) treden met een vrije trede aan de onder- en bovenkant. Inschaling vindt plaats op basis van: de samenstelling van het huishouden; resultaten waar ondersteuning voor nodig is; het type hulp dat ingezet moet worden (basis – complex); mogelijkheden cliënt dan wel diens omgeving voor vermindering van inzet (versterking zelfredzaamheid); de aanwezigheid van vervuilende huisdieren; en de kenmerken van de woning, waaronder de bewerkelijkheid, inrichting en omvang van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand worden deze criteria nader toegelicht. Inschaling naar een trede gebeurt op basis van de persoonlijke situatie van cliënt. Er wordt gekeken hoe cliënt scoort op genoemde criteria waarna op basis van het totaalbeeld een passende trede wordt bepaald. Uitgangspunt is dat voor hoe meer resultaten ondersteuning nodig is, hoe hoger de trede waarop cliënt in beginsel wordt ingeschaald. Daarnaast bepalen de invloedfactoren (bijv. de kenmerken van de woning) of er minder of meer inzet nodig is. In bijzondere situaties, waarin sprake is van een noodzaak tot ondersteuning die de reguliere treden onder- of overschrijdt, kan een vrije trede worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.2 Samenstelling van het huishoudenVoor een alleenstaande is in het algemeen een lager niveau aan ondersteuning nodig dan bijvoorbeeld een meerpersoonshuishouden, al dan niet met kinderen. Ook de leeftijd van de kinderen is, in combinatie met de werkzaamheden waar ondersteuning voor nodig is, relevant (boven/onder 12 jaar, bij het resultaat zorg voor minderjarige kinderen gelden afwijkende leeftijdsgrenzen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk dat meerdere personen in hetzelfde huishouden een indicatie voor dit resultaatgebied krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.3 Resultaten waar ondersteuning voor nodig isDeze resultaten zijn benoemd in paragraaf 3.3.6. Naarmate er op meer resultaten ondersteuning nodig is, zal een hogere trede aan de orde zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.4 Basis of complexe ondersteuningVoor basis en complexe ondersteuning zijn verschillende budgetten per trede beschikbaar. Uitgangspunt is de inzet van basisondersteuning. Bij een deel van de cliënten is vanwege hun situatie dan wel in de aard van hun persoonlijkheid gelegen factoren complexe ondersteuning nodig, waarbij een hoger gekwalificeerde hulp (de hulp heeft specifieke deskundigheid en competenties) ingezet moet worden. Dit kan nodig zijn omdat de aard van de werkzaamheden of de interactie met de cliënt hierom vraagt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij: een situatie waarbij de cliënt dementie heeft en de hulp continu afleidt of bij ernstige GGZ problematiek; zorg voor kinderen onder de 9 jaar. Bij het resultaat “zorg voor kinderen” wordt altijd gekozen voor complexe ondersteuning; instrueren en adviseren van de cliënt bij het resultaat “regievoeren op het huishouden” wordt ook altijd gekozen voor complexe ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor cliënten die complexe ondersteuning nodig hebben wordt een hoger budget toegekend dan cliënten in een vergelijkbare situatie die basisondersteuning nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.5 Mogelijkheden tot versterking zelfredzaamheidAls er sprake is van een situatie waarin de cliënt zelfredzamer te maken is, waardoor professionele inzet beperkter ingezet kan worden, dan wordt hier bij de indicering rekening mee gehouden. Dit wordt gedaan door te kijken naar: fysieke en mentale mogelijkheden van cliënt; bijdrage vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten die zelfstandig – al dan niet met ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers – (een deel van) de huishoudelijke werkzaamheden kunnen uitvoeren krijgen in het algemeen een lager niveau aan professionele ondersteuning. Vermindering van professionele ondersteuning als gevolg van de mogelijkheden van de cliënt en/of diens omgeving geldt alleen indien de cliënt en/of diens omgeving een deel van de geïndiceerde resultaten kan/kunnen overnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.6 Aanwezigheid vervuilende huisdierenDeze factor heeft betrekking op eventueel extra benodigde inzet van ondersteuning vanwege de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, die zorgen voor extra vervuiling van de woning. Sec de aanwezigheid van huisdieren in een huishouden leidt niet tot meer ondersteuning. Er zal op basis van de individuele situatie beoordeeld worden of extra ondersteuning nodig is als gevolg van de aanwezigheid van het huisdier/de huisdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.7 Kenmerken van de woningDe inrichting van de woning is zo nodig onderwerp van gesprek met de cliënt, waarbij de cliënt wordt geacht bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De factor kenmerken van de woning heeft betrekking op de mogelijke gevolgen van de inrichting, de bewerkelijkheid en de omvang van de woning van de cliënt op de ondersteuning die nodig is om de beoogde resultaten ten aanzien schoon en leefbaar huis te behalen. Het gaat hierbij om zaken waar de cliënt geen invloed op kan uitoefenen, zoals de oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes, eventuele gangetjes en hoekjes en dergelijke. De kenmerken van de woning kunnen er toe leiden dat meer dan wel minder inzet van de ondersteuning nodig is in vergelijking met een doorsnee woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.8 Treden maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebiedOp basis van voorgaande criteria wordt de cliënt ingedeeld in een bepaalde trede met een bijbehorend budget. Met dit budget, de kostprijs van de voorziening, wordt de zorgaanbieder geacht de te bereiken resultaten te behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen dit resultaatgebied worden 5 vaste en 2 vrije treden onderscheiden. De cliëntsituaties die bij de treden zijn opgenomen zijn slechts veelvoorkomende voorbeelden. Door het maatwerk dat wordt toegepast spelen immers meerdere factoren een rol bij de indeling van de trede en kan een ondersteuningsbehoefte worden opgeplust of verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrije intensiteitstrede laagDeze vrije trede is passend voor de basis-cliëntsituatie, waarbij sprake is van een eenpersoonshuishouden en waarbij in ieder geval het resultaat “schoon en leefbaar huis” aan de orde is. De cliënt zal slechts op een beperkt deel van de activiteiten ondersteuning nodig hebben, waardoor een lagere inzet aan ondersteuning passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 1Trede 1 is het uitgangspunt voor de basis-cliëntsituatie, waarbij: het gaat om een 1-persoonshuishouden; er geen huisdieren zijn; alleen het resultaatgebied “schoon en leefbaar huis” aan de orde is; de beperkingen en belemmeringen van de cliënt weinig of geen noodzaak tot extra inzet van ondersteuning vergen; het gaat om een woning die gemiddeld is qua bewerkelijkheid, inrichting en omvang; er geen sprake is van een significante bijdrage van mantelzorgers, netwerk, vrijwilligers of cliënt zelf mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 2Trede 2 is passend voor cliënt-situaties waarbij het resultaat “schoon en leefbaar huis” aan de orde is en sprake is van een meerspersoonshuishouden zonder kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 3Trede 3 is passend voor cliëntsituaties, waarbij sprake is van een eenpersoonshuishouden en waarbij meerdere resultaten aan de orde zijn. Hierbij kan het gaat om de (deel)resultaten wassen of boodschappen naast het resultaat “schoon en leefbaar huis”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 4Trede 4 is passend voor meerpersoonshuishoudens zonder kinderen en waarbij naast het resultaat “schoon en leefbaar huis” ook sprake is van (deel)resultaten wassen of boodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 5Trede 5 is passend voor cliëntsituaties, waarbij er ofwel meer resultaten beschikt zijn bij een eenpersoonshuishouden (zoals “schoon en leefbaar huis”, wassen en boodschappen), of een meerpersoonshuishouden met het resultaat “schoon en leefbaar huis”, wassen en strijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrije intensiteitstrede hoogDe inzet van de vrije intensiteitstrede hoog zal doorgaans zijn in cliëntsituaties waarbij meerdere resultaten aan de orde zijn, zoals maaltijdverzorging voor meerdere dagen en/of zorg aan kinderen. Deze cliëntsituaties zijn uitzonderlijk en vragen om specifiek maatwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.7.9 Voorbeelden van combinaties en bijbehorende tredenOnderstaand zijn een aantal voorkomende voorbeelden van ondersteuningssituaties opgenomen. Als vertrekpunt wordt de basis-cliënt situatie genomen, waarbij in ieder geval het resultaat “schoon en leefbaar huis” aan de orde is. Vervolgens wordt in de opvolgende voorbeelden ingegaan op de invloed van factoren (zoals samenstelling huishouden) op de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1: basis-cliëntsituatieResultaat “Schoon en leefbaar huis”;</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenpersoonshuishouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Basis ondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen huisdieren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Normale woning (geen afwijkende bewerkelijkheid, inrichting en omvang);</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen significante bijdrage van mantelzorgers, netwerk, vrijwilligers en van cliënt zelf;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze cliëntsituatie wordt ingedeeld in de vrije intensiteitstrede laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaten “Schoon en leefbaar huis”, en “wassen” en “strijken”;</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenpersoonshuishouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Basis ondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen huisdieren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Normale woning (geen afwijkende bewerkelijkheid, inrichting en omvang);</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen significante bijdrage van mantelzorgers, netwerk, vrijwilligers en van cliënt zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze cliëntsituatie wordt ingedeeld in trede 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat “Schoon en leefbaar huis”;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerpersoonshuishouden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Basis ondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen huisdieren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Normale woning (geen afwijkende bewerkelijkheid, inrichting en omvang);</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bijdrage van de cliënt zelf, wel een bijdrage van mantelzorgers, netwerk of vrijwilligers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze cliëntsituatie wordt ingedeeld in trede 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.4 Resultaatgebied financiën3.4.1 Inhoud resultaatgebiedOndersteuning op dit terrein is een belangrijk deel van de individuele begeleiding. Hierbij gaat het niet alleen om ondersteuning op het gebied van kennis en vaardigheden maar ook om het bewerkstelligen van een gedragsverandering waardoor het risico op problematische schulden wordt ingeperkt. De ondersteuning is gericht op structuur en regievoering en op de ontwikkeling van praktische vaardigheden op financieel-administratief vlak. Problematische schulden zijn te definiëren als de situatie waarin in redelijkheid is te voorzien dat een natuurlijk persoon niet kan voortgaan met de betaling van zijn schulden of waarin hij opgehouden heeft te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Technische schulddienstverlening, het vervullen van een intermediaire rol tussen cliënt en schuldeisers gericht op stabiliseren en schuldregelen, behoort niet tot de ondersteuning die vanuit een Wmo-arrangement moet worden geboden. De verantwoordelijkheid voor de technische schulddienstverlening is belegd bij de Kredietbank Rotterdam (KBR). Het gaat dan om een minnelijke schuldregeling, of om een verwijzing (alsmede het opmaken van een verzoekschrift) naar de wettelijke schuldregeling WSNP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen wat de meest passende vorm van ondersteuning is binnen het resultaatgebied financiën, kan gebruik worden gemaakt van het instrument Slimmer Kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het resultaatgebied Financiën wordt alleen geïndiceerd in combinatie met het resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.2 Gebruikelijke hulpEr is sprake van gebruikelijke hulp als de ondersteuning door een partner of inwonend volwassen kind kan worden geboden. Van minderjarige kinderen of andere huisgenoten wordt in beginsel geen gebruikelijke hulp binnen dit resultaatgebied verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.3 Algemene voorzieningenEenvoudige vormen van ondersteuning binnen dit resultaatgebied wordt geleverd door de welzijnspartijen in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan ook het wijkteam kortdurende ondersteuning bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.3.1 SubdoelstellingenDe subdoelstellingen zijn onder te brengen in 6 kerndoelen: het op orde brengen en houden van de inkomsten en de uitgaven; het op orde brengen en houden van de administratie; het vergroten van de financiële zelfredzaamheid (dus: het verkrijgen van structuur en/of vaardigheden tot regievoering op het gebied van administratie en financiën, alsmede het werken aan competenties zodat gedragsverandering ontstaat); het toeleiden naar inkomensbeheer; het toeleiden naar de technische schulddienstverlening, waakvlamfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subdoelstellingen binnen dit resultaatgebied zijn onder te verdelen in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Thuisadministratie;</p>\n<p class=\"lf-p\">2e lijns ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a ThuisadministratieCliëntheeft overzicht in zijn financiën en heeft ook zijn administratie op orde betaalt zijn rekeningen tijdig heeft zijn inkomsten en uitgaven in balans heeft en behoudt die balans heeft een inkomen dat past bij zijn woon- en leefsituatie (eventuele inkomens verruimende maatregelen zijn aangevraagd en worden ontvangen) komt rond van zijn leefgeld/zakgeld/inkomen is zich bewust van uitgaven die hij zich wel/niet kan veroorloven bespreekt zijn belangrijke post met de ondersteuner kan zelfstandig of met hulp van de ondersteuner formulieren invullen belangrijke papieren kan bewaren en weer vinden weet naar welke instantie hij met welke vraag moet weet waar hij ondersteuning bij het invullen van formulieren en dergelijke kan vinden heeft een geordende (financiële) administratie kan eigen klachten verwoorden kan zelfstandig of met hulp van de ondersteuner zijn vraag stellen aan een (gemeentelijke) instantie heeft de nodige basisverzekeringen afgesloten beheert zijn financiën zelfstandig heeft toegang tot een computer en kan internet gebruiken om online bankzaken te kunnen regelen is in staat om met een pinpas te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b 2e lijns ondersteuningcliënt is aangemeld bij een instantie voor inkomensbeheer (het instrument Slimmer Kiezen) helpt te bepalen welke vorm van inkomensbeheer passend is bij de situatie) cliënt is aangemeld bij een instantie voor schulddienstverlening er is sprake van een vermindering van zijn schuldenlast er zijn afspraken met schuldeisers over aflossing van de schulden en deze worden nagekomen er is een overzicht is van de totale schulden schuldeisers op de hoogte zijn van de situatie van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.5 Treden binnen dit resultaatgebiedBinnen dit resultaatgebied worden 3 treden onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede1: BeperktBij deze cliënten is sprake van een slecht evenwicht tussen inkomsten en uitgaven in combinatie met andere beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als cliënten niet in staat zijn om hun administratie zelf te organiseren en plannen is deze trede aan de orde. Het gaat hierbij om het coachen van de cliënt en zo nodig het overnemen van de planning van de cliënt. Wekelijks wordt de administratie bijgewerkt, worden betalingen gedaan en worden inkomsten gebudgetteerd. De ondersteuning kan ook gericht zijn op het inzichtelijk maken en houden van de administratie en de inkomsten en uitgaven. Als cliënt zelf niet meer bekwaam is om dit te regelen worden stappen gezet om dit met een vertegenwoordiger te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer alles loopt, alle (vaste) rekeningen via automatische incasso worden betaald en er geen sprake is van (grote) schulden, kan ondersteuning in deze trede aan de orde zijn. De ondersteuning bestaat in dat geval uit een oogje in het zeil houden bij het inzichtelijk houden van de administratie en de inkomsten en uitgaven (waakvlamfunctie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 2: MiddenWanneer er op financieel gebied sprake is van een complexe situatie in combinatie met problematische schulden, is ondersteuning uit deze trede van toepassing. Behalve de wekelijkse administratie draait het hier ook om het weer op orde krijgen van de financiën. In deze trede wordt gewerkt aan alle zes punten die bij de subdoelstellingen in 3.4.3.1 zijn genoemd. Wanneer de subdoelstellingen 4 en/of 5 aan de orde zijn, vindt complementair hieraan ondersteuning in het kader van subdoelstelling 3 plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding bestaat uit het samen doen van de administratie, het inzichtelijk krijgen van de financiële situatie (inclusief de schuldensituatie), het op orde krijgen van (betalingen aan) vaste lasten en het maken van reserveringen voor terugkerende uitgaven, het aanvragen van inkomens verruimende maatregelen en het begeleiden bij financieel-juridische vragen zoals het doen van de jaarlijkse aangifte inkomstenbelasting. De begeleiding bestaat tevens uit het toeleiden naar een vorm van inkomensbeheer. Dit kan inkomensbeheer door een professionele partij zijn, maar ook inkomensbeheer door een vrijwilliger (al dan niet uit het eigen netwerk van de cliënt). Hierbij geldt dat altijd gekozen moet worden voor de voor cliënt meest passende vorm van inkomensbeheer. Het instrument Slimmer Kiezen helpt om te bepalen welke vorm van inkomensbeheer het meest passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze maatregelen niet voldoende blijken en er (tijdelijk of permanent) andere ondersteuning nodig is dan kan worden toegeleid naar andere financiële ondersteuningsmaatregelen zoals budgetbeheer, beschermingsbewind of de technische schulddienstverlening van de Kredietbank Rotterdam (KBR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn de punten vier en vijf voldoende geregeld en is de cliënt voldoende leerbaar dan kan worden teruggeschakeld naar een lagere trede van waaruit cliënt op de overige punten ondersteund wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze trede midden moet binnen een jaar helder zijn of de cliënt het zelf kan (met eventueel beperkte ondersteuning) of dat er effectief toegeleid is naar een reguliere vorm van schulddienstverlening. Met andere woorden de trede midden kan in principe voor maximaal één jaar worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de (O)GGZ doelgroep, die bij binnenkomst van KBR geen beschermingsbewind heeft en van wie gaandeweg de dienstverlening van KBR blijkt dat dit wel geadviseerd wordt, geldt dat beschermingsbewind via de KBR ingezet moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 3: Tijdelijk intensiefDeze trede wordt ingezet bij cliënten die vanwege irrationele keuzes de grip op hun financiële situatie volledig kwijtgeraakt zijn. In de regel is er sprake van verslaving of ernstige vormen van psychiatrische problematiek die gepaard gaat met het verlies van regie. Vaak is er ook sprake van financieel misbruik door derden. Door deze problemen heeft de cliënt vaak geen of onvoldoende inkomen, is er vaak sprake van beslagleggingen en justitiële problemen. In de meeste gevallen hebben cliënten vanwege hun problematiek ook hun woning verloren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de kluwen aan problemen is een intensieve aanpak nodig waarbij op alle punten ingezet wordt. Vanwege de problematiek is een vorm van (tijdelijk) inkomensbeheer het hoogst haalbare. Het instrument Slimmer Kiezen helpt om te bepalen welke vorm van inkomensbeheer het meest passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de trede tijdelijk intensief moet binnen drie maanden voldoende ordening zijn aangebracht zodat er overzicht is en dat reguliere vormen van schulddienstverlening gestart zijn. Met andere woorden de trede tijdelijk intensief kan voor maximaal drie maanden worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.5 Resultaatgebied dagbesteding3.5.1 Inhoud resultaatgebiedBinnen dit resultaatgebied gaat het om ondersteuning waarbij cliënten deelnemen aan activiteiten voor invulling van de dag of als opstap naar doorontwikkeling van arbeidsmatige vaardigheden. Het kan noodzakelijk zijn om ook het vervoer naar de dagbesteding te indiceren. Daarnaast kan dagbesteding ook aan de orde zijn om de mantelzorger te ontlasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn twee soorten dagbesteding te onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale dagbesteding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsmatige dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke vorm van dagbesteding voor de cliënt is aangewezen, is afhankelijk van de cliënt situatie en de beoogde doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het resultaatgebied dagbesteding is ook een individuele aanpak (in tegenstelling tot een groepsgerichte aanpak) mogelijk: Cliënt verricht bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, of wordt voor een groot deel van de week gedetacheerd bij een werkgever, waarbij wel een beperkt aantal uren per week begeleiding van of afstemming met een professionele zorgaanbieder nodig is. Voor individuele begeleiding op dagbesteding zijn er ook binnen het resultaatgebied “sociaal en persoonlijk functioneren” mogelijkheden om een cliënt te activeren (sport, cursus, begeleiding bij mantelzorgtaken). Wanneer de doelen gericht zijn op het opdoen van werkervaring en/of groepsgerichte aanpak dan heeft het resultaatgebied dagbesteding de voorkeur. De zorgaanbieder kan in dat geval individuele begeleiding op locatie leveren, maar dat zal in de regel minder uren zijn dan dat de cliënt aan het (vrijwilligers)werk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een individuele aanpak kan ook gebruikt worden om cliënten voor te bereiden op en te stimuleren tot groepsgewijze (sociale) dagbesteding, daar waar het gaat om het ontlasten van de mantelzorger.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2 Gebruikelijke hulpGebruikelijke hulp is niet aan de orde binnen dit resultaatgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.3 Voorliggende en algemene voorzieningenVoor dagbesteding zijn er verschillende mogelijkheden in de 0e en 1e lijn. Ook kan, met name wanneer dagbesteding gericht is op het voorkomen van sociaal isolement, vrijwilligerswerk of preventieve dagbesteding in een Huis van de Wijk een goede oplossing vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens een cliënt voor dagbesteding vanuit de Wmo 2015 in aanmerking komt, moet dus goed worden nagegaan of er andere mogelijkheden zijn waar cliënt gebruik van kan maken. Immers, niet alleen met een maatwerkvoorziening voor dagbesteding is vergroting van de zelfredzaamheid, participatie en ontlasting van de mantelzorger mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van voorliggende mogelijkheden zijn: vrijwilligerswerk of andere activiteiten bij welzijnsorganisaties, al dan niet binnen een Huis van de Wijk; sporten; (preventieve) dagbesteding, aangeboden door welzijnsaanbieders; tegenprestatie in het kader van de Participatiewet; activeringstrajecten in het kader de Participatiewet, IOAW, IOAZ of via het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.4 SubdoelstellingenVoorbeelden van subdoelstellingen binnen dit resultaatgebied zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale dagbestedingDe cliëntheeft een zinvolle dagbesteding, gericht op behoud of ontwikkeling van praktische en creatieve vaardigheden; bouwt een dag- en nachtritme op; heeft een evenwichtig dag- en nachtritme; beschikt over mantelzorg die is ontlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsmatige dagbestedingDe cliëntheeft een zinvolle dagbesteding gericht op behoud of ontwikkeling van praktische en creatieve vaardigheden heeft een zinvolle dagbesteding gericht op behoud of ontwikkeling van werknemersvaardigheden verricht onbetaald arbeidsmatige activiteiten (met ondersteuning), waarbij tenminste eisen gesteld worden aan kwaliteit (nog niet op kwantiteit) heeft zijn (arbeidsmatige) capaciteiten geoptimaliseerd leert taken uitvoeren en krijgt daarmee verantwoordelijkheidsgevoel heeft of bouwt een dag- en nachtritme op kan het dagritme volhouden heeft regie over de invulling van zijn dag onderhoudt of bouwt aan een sociaal netwerk is buitenshuis zodat mantelzorgers ontlast worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.5 Treden binnen dit resultaatgebiedEr is binnen dit resultaatgebied sprake van 5 treden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 1: Beperkt:Frequentie: één tot twee dagdelen per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning heeft vooral als doel om het steunsysteem van de cliënt te ontlasten en/of het netwerk van de cliënt te vergroten en/of de cliënt in staat te stellen om eerst in een lage frequentie te laten starten met de opbouw van deelname aan een dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelgroep die gebruik maakt van deze ondersteuning heeft vaak wel een bepaalde vorm van netwerk (bestaande uit familie/vrienden/buren of door deelname aan algemene voorzieningen), maar dit netwerk biedt onvoldoende mogelijkheden om de cliënt optimaal te ondersteunen bij zijn beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor maximaal twee dagdelen in de week wordt gericht gewerkt aan behoud of ontwikkeling van sociale en/of (werknemers)vaardigheden van de cliënt. Hierdoor blijft de situatie van de cliënt stabiel en wordt het netwerk van de cliënt ontlast, waardoor mantelzorgers in staat worden gesteld om de ondersteuning langer vol te houden. Voor cliënten zonder netwerk, die niet zelfredzaam genoeg zijn om gebruik te maken van welzijnsactiviteiten, kan dagbesteding ook een manier zijn eenzaamheid te doorbreken en om te activeren tot zingevende activiteiten. Een cliënt met mogelijkheden voor ontwikkeling van vaardigheden kan doorstromen naar een hogere intensiteit dagbesteding, via getrapt indiceren of na aanpassing van de Wmo-indicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 2: Beperkt/middenFrequentie: drie tot vier dagdelen per week Hierbij geldt hetzelfde als voor ‘Beperkt’. De behoefte en competenties van de cliënt en zijn steunsysteem leiden tot een hogere frequentie van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 3: MiddenFrequentie: vijf tot zes dagdelen per week De ondersteuning is gericht op kwetsbare cliënten die matige tot ernstige belemmeringen ervaren bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag (werk, school of vrije tijdsbesteding). De dagbesteding biedt een omgeving waar met vaste afspraken wordt gewerkt aan behoud of ontwikkeling van sociale en/of (werknemers)vaardigheden van de cliënt. Hierdoor blijft de situatie van de cliënt stabiel en wordt het netwerk van de cliënt ontlast. De cliënt is vanwege zijn beperkingen (lichamelijk en/of geestelijk) niet in staat om een hele week deel te nemen aan dagbesteding. Overvraging of overbelasting van de cliënt moet worden voorkomen. De middelste trede van dagbesteding kan voor een deel van de cliënten een opstap zijn naar de hoogste trede (ontwikkelingsgericht), terwijl voor andere cliënten de middelste trede een fase van afbouw kan zijn (achteruitgang). Ook wordt deze trede toegepast bij de volgende doelen: ontlasting van (overbelaste) mantelzorgers en het opbouwen van een sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 4: Midden/IntensiefFrequentie: zeven tot acht dagdelen per week Hierbij geldt hetzelfde als voor ‘Midden’. De behoefte en competenties van de cliënt en zijn steunsysteem leiden tot een hogere frequentie van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 5: IntensiefFrequentie: negen tot tien dagdelen per week De ondersteuning is gericht op kwetsbare cliënten die vanwege hun problematiek matige tot ernstige belemmeringen ervaren bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag (werk, school of vrije tijdsbesteding). De dagbesteding biedt een omgeving waar met vaste afspraken wordt gewerkt aan behoud of ontwikkeling van sociale en/of werknemersvaardigheden van de cliënt. De cliënt is lichamelijk en geestelijk in staat om dagelijks deel te nemen aan dagbesteding, hij/zij heeft ook geen andere zinvolle invulling van de dag (werk, school of deelname aan welzijns- of andere algemeen toegankelijke activiteiten). Het dagelijks deelnemen aan dagbesteding is belangrijk vanwege de structuur en veiligheid die het biedt aan de cliënt, waardoor verlies aan regie wordt voorkomen. Deze intensiteit dagbesteding kan de opstap zijn naar andere vormen van arbeidsmatige inzet, zoals beschut werk of een garantiebaan. Als de doelstelling primair is om overbelaste mantelzorgers te ontlasten, dient bij een dermate intensieve ondersteuningsvraag voor dagbesteding te worden overwogen of cliënt in aanmerking komt voor een Wlz-indicatie (zie paragraaf 2.4.2.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">PlustariefCliënten krijgen gedurende de (groepsgerichte) dagbesteding ondersteuning en begeleiding bij het uitvoeren van activiteiten en staan onder toezicht. Als cliënten dermate beperkingen hebben dat er tijdens de dagbesteding intensief toezicht en individuele ondersteuning nodig is bij het uitvoeren van ADL-taken, zoals bij maaltijden en en/of toiletgang, kan de gemeente een plustarief toekennen. Het gaat hier bijvoorbeeld om mensen met zwaardere vormen van dementie, ernstige vormen van niet aangeboren hersenletsel en/of een gedragsstoornis. Er worden ADL-taken overgenomen bij maaltijden en en/of toiletgang die de cliënt zelf niet meer kan en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd en die, als de cliënt thuis is, worden overgenomen door een professional of een mantelzorger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten waarop de doelstellingen van de arbeidsmatige dagbesteding van toepassing zijn komen in principe niet in aanmerking voor het plustarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.6 Vervoer naar de dagbestedingWanneer een cliënt vanwege sociaal-medische beperkingen belemmeringen ondervindt in het gebruik maken van het openbaar vervoer of van een algemene vervoersvoorziening en ook geen andere vervoersmogelijkheid heeft, kan voor hem vervoer naar de dagbesteding worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervoer naar de dagbestedingslocatie (en weer naar huis) wordt uitgevoerd door de vervoerder die de gemeente hiervoor heeft gecontracteerd (Trevvel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieders ontvangen van de gemeente een bericht wanneer cliënten in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. De zorgaanbieder koppelt aan de gemeente terug als het vervoer via Trevvel gebruikt gaat worden. De gemeente geeft Trevvel vervolgens opdracht om het vervoer uit te voeren. Het aantal ritten is gekoppeld aan de intensiteitstrede van de dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.7 Dagbesteding via het sociale netwerkDagbesteding die geleverd wordt via het sociale netwerk, heeft een ander karakter dan dagbesteding door een professionele zorgaanbieder. De ondersteuning wordt immers op individuele basis gegeven. Bij professionele aanbieders is dat in een groep, (tijdelijk) als voorbereiding op dagbesteding in een groep dan wel in de vorm van arbeidsmatige dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden wordt voor dit resultaatgebied bij een informeel persoonsgebonden budget ook een andere keuze gemaakt. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3.5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In plaats van het resultaatgebied dagbesteding te indiceren, wordt ook gekeken of andere vormen van (individuele) ondersteuning meer zijn aangewezen. Bijvoorbeeld binnen het resultaatgebied zelfzorg en gezondheid of het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hulpverlener binnen het sociale netwerk kan door een cliënt niet èn een tegemoetkoming voor dagbesteding ontvangen èn betaald worden voor een ander resultaatgebied op basis van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst tot opdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.6 Resultaatgebied ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid3.6.1 Inhoud resultaatgebiedBij het resultaatgebied zelfzorg en gezondheid gaat het om ondersteuning en begeleiding die gericht is op persoonlijke verzorging en gezondheid, voor zover dit niet onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat bij dit resultaatgebied om de ondersteuning en begeleiding bij het (zelf laten) uitvoeren van de zogenaamde algemene dagelijkse levensverrichtingen door cliënten die beperkingen hebben in de eigen regie hierop: persoonlijke hygiëne en verzorging, toezien op medicijngebruik, nakomen van afspraken met zorgprofessionals, toezien op maaltijdgebruik en medicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning wordt gegeven in het verlengde van overige benodigde begeleiding bij sociaal en persoonlijk functioneren. Dat neemt niet weg dat het ook kan voorkomen dat de hulpverlener actief ondersteunt en de ondersteuning feitelijk overneemt (bijvoorbeeld bij verwaarlozing door gebrek aan ziekte-inzicht). Het zwaartepunt ligt dan veelal bij de (O)GGZ- of Verstandelijk beperkten problematiek of bij ouderen met lichte cognitieve problematiek/psychogeriatrisch beeld waar de Zvw (nog) niet aan de orde is, maar wel al aandacht moet zijn voor zelfzorg en gezondheid in verband met regieverlies in het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat er sprake is van een ‘medische noodzaak of een hoog risico daarop’, valt de ondersteuning bij zelfzorg onder de Zvw. Dit vraagt in de onderzoeksfase een goede afstemming van de Wmo-indicatie met de Zvw-indicatie die gesteld is /wordt door de wijkverpleegkundige. De cliënt geeft inzicht in zijn Zvw-indicatie. Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid kan ook worden ingezet voor toezicht overdag (07.00 uur tot 23.00 uur) op cliënten die onvoldoende zelfstandig gestructureerd en/of veilig kunnen wonen. Voor nachtelijk toezicht (23.00 uur tot 07.00 uur) is een apart resultaatgebied aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.2 Gebruikelijke hulpZie ook de algemene kaders in hoofdstuk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van dit resultaatgebied moet onderscheid worden gemaakt tussen ondersteuning die kortdurend of langdurig moet worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kortdurende ondersteuning wordt van de partner of overige (volwassen) huisgenoten verwacht dat deze de ondersteuning aan de cliënt biedt. De ondersteuning wordt in zo’n situatie aangemerkt als gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte (langer dan drie maanden) is er niet vanzelfsprekend meer sprake van gebruikelijke hulp door aanwezige partner of (volwassen) huisgenoten. De mate waarin een partner of overige (volwassen) huisgenoten begeleiding kunnen bieden bij zelfzorg en gezondheid is afhankelijk van de belastbaarheid en de mate van (fysieke) nabijheid en intensiteit van de ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.3 Algemene voorzieningenAfhankelijk van de aard en duur van de ondersteuningsbehoefte kan ondersteuning via de wijkteams of welzijnsaanbieders geboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.4 SubdoelstellingenDe cliënt: is in staat zichzelf te verzorgen. verzorgt zijn lichaam goed. wast en verschoont zichzelf regelmatig. draagt schone kleding. ziet er verzorgd uit. is alert op veranderingen in zijn lichaam. beweegt bewust twee maal per week een half uur. beweegt meer om zijn lichamelijke conditie te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is zich bewust van zijn psychische conditie en doet wat nodig is om deze te verbeteren. komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na. bezoekt zelfstandig zorgverleners (zoals de huisarts, andere artsen, paramedici). beheert zelf de medicatie. neemt de medicatie op tijd in. neemt de medicatie volgens voorschrift in. gebruikt voorbehoedsmiddelen. heeft veilige seksuele contacten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.5 Treden maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebiedEr is binnen dit resultaatgebied sprake van 4 treden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 1: BeperktOndersteuning uit de lichte trede in dit resultaatgebied gaat met name om de controle op/aansturen van de persoonlijke verzorging van cliënten en het nakomen van afspraken met zorgprofessionals, ofwel het motiveren van cliënten tot behandeling. Vaak gebeurt dit tijdens de dagelijkse ondersteuning op resultaatgebied ‘sociaal en persoonlijk functioneren’. Al pratend wordt de ondersteuning gegeven: “Heb je je haren al gekamd?”, “Heb je je tanden al gepoetst?”, “Is het gister nog gelukt met de afspraak bij de huisarts?”, “Heb je je medicatie afgelopen dagen ingenomen?”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze trede kan ook ingezet worden wanneer het voldoende is in wekelijkse gesprekken de zelfzorg te bespreken of het alleen gaat om toeleiding naar of ondersteuning bij afspraken met zorgprofessionals.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 2: MiddenDeze trede wordt toegepast wanneer de cliënt enkele keren per week (meer dan incidenteel/wekelijks) of intensiever (langer) per keer ondersteuning nodig heeft bij zijn dagelijkse lichamelijke verzorging en/of en waarbij toezicht of ondersteuning nodig is om zijn gezondheid (zowel fysiek als psychisch) in stand te houden en te bevorderen. Het gaat hier dan om het toezien op of aansporen tot zelfzorg of maaltijdgebruik, het overnemen van verantwoordelijkheden van het opvolgen van afspraken met zorgprofessionals, ondersteuning bij het gebruik van voorgeschreven medicatie en het voeren van motiverende en inzicht gevende gesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 3: Midden/intensiefDeze trede wordt toegepast wanneer de cliënt meerdere keren per week intensievere ondersteuning nodig heeft bij zijn dagelijkse lichamelijke verzorging en/of en waarbij toezicht of ondersteuning nodig is om zijn gezondheid (zowel fysiek als psychisch) in stand te houden en te bevorderen. Het gaat hier dan om het toezien op of aansporen tot zelfzorg (of incidenteel overname ervan) of maaltijdgebruik, het overnemen van verantwoordelijkheden van het opvolgen van afspraken met zorgprofessionals, ondersteuning bij het gebruiken van voorgeschreven medicatie en het voeren van motiverende en inzicht gevende gesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil met de vorige trede moet vooral gezien worden in het kader van de benodigde frequentie en intensiteit: het gaat erom dat de cliënt niet dagelijks ondersteuning nodig heeft, maar ondersteuning via trede 2 niet toereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trede 4: IntensiefDeze meest intensieve trede is nodig bij cliënten bij wie dagelijks zelfzorgactiviteiten overgenomen moeten worden vanwege beperkingen en/of chronische psychische of psychosociale problemen. Soms betreft het psychiatrisch patiënten die zichzelf ernstig verwaarlozen. Zonder deze ondersteuning bestaat het risico op ernstige verwaarlozing of verdere toename van de psychische/psychosociale problematiek. In die gevallen is de intensieve ondersteuning er mede op gericht de cliënt te prikkelen in actie te komen. De ondersteuning houdt ook in dat er feitelijk op wordt toegezien dat de cliënt de juiste acties niet alleen voorneemt, maar ook uitvoert. Bijvoorbeeld ondersteuning bij een douchebeurt of de toiletgang, verschoning of medicijnen- of maaltijdgebruik. Dit vraagt om veel nabijheid en een volhardende actiegerichte houding van de ondersteuning met het oog op het nakomen van relevante afspraken rond gezondheid (zowel fysiek als psychisch). De ondersteuning vindt dagelijks, gedurende een langere tijd plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.7 Resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting3.7.1 Inhoud resultaatgebiedHet resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting bestaat uit 2 ondersteuningselementen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nachtelijk toezicht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit resultaatgebied is gericht op veilige huisvestingsituatie van cliënten die hier zelf niet in kunnen voorzien. Het gaat om cliënten die op onvoorspelbare momenten niet-instelbare zorgvragen hebben. Zij zijn kwetsbaar voor negatieve invloeden van hun omgeving. Zij kunnen bij onvoldoende toezicht een gevaar vormen voor zichzelf of hun omgeving of kunnen in dit geval overlast veroorzaken voor hun omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.2 Ondersteuningselement nachtelijk toezichtNachtelijk toezicht is aan de orde wanneer cliënten in de nacht professioneel toezicht nodig hebben. Er is altijd een combinatie van resultaatgebieden aan de orde. Het toezicht overdag (van 07.00 tot 23.00 uur) wordt meegenomen in de ondersteuning die cliënten krijgen vanuit de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren of zelfzorg en gezondheid. Het toezicht dat in de nachtelijke uren nodig is (van 23.00 – 07.00 uur) valt onder het ondersteuningselement nachtelijk toezicht binnen het resultaatgebied “nachtelijk toezicht en huisvesting”. Nachtelijk toezicht moet gedurende deze periode permanent beschikbaar zijn en proactief worden ingezet. Nachtelijk toezicht kan verschillende doelen hebben en verschillen in intensiteit. Veiligheid voor cliënt, en zijn omgeving vormen hierbij de kern.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de ernst van de problematiek kan de toezichtfunctie op verschillende manieren vorm krijgen. Het toezicht kan gericht zijn op: het verlenen van ondersteuning op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de cliënt zelf niet(meer) in staat is om hulp in te roepen; het (preventief) ingrijpen bij gedragsproblemen, ter voorkoming van escalatie en gevaar voor cliënt of zijn omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nachtelijk toezicht kan zowel in een extramurale setting worden geboden (waarbij de cliënt zelfstandig woont of huur betaalt voor een eigen wooneenheid in een complex van een zorgaanbieder) of in een intramurale setting, waarbij dit ondersteuningselement in combinatie met huisvesting wordt ingezet.</p></div>", "next": 239457}