{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De Algemene plaatselijke verordening gemeente Doetinchem 2009 wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekendgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als Algemene plaatselijke verordening gemeente Doetinchem 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 december 2015.De raad van de gemeente Doetinchem,griffier voorzitter Bijlage Toelichting Algemene plaatselijke verordening gemeente Doetinchem 2016</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-1-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een openbare plaats De definitie van 'weg' in de Apv is aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen in dit model waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term 'een openbare plaats'. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip wegvielen: al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet openbare Manifestaties (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:3 Betogingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen 'op of aan de weg'. In artikel 1:1 is de 'weg' omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden geregeld die zich niet alleenop of aan de weg afspelen, is gekozen voor een toevoeging als 'of op een andere voor het publiektoegankelijke plaats'.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip 'weg': de '(Openbare) weg' in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de 'weg' in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaarverkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen 'op of aan de weg'. De term 'aan de weg' duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook treinstations vallen buiten het bereik van de Apv. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar water Een 'openbaar water' in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water dat open staat voor het publiek. 'Openbaar' is hier dus synoniem aan 'feitelijk voor het publiek toegankelijk'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. Voor het begrip 'bebouwde kom' kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (model-)Bouwverordening: 'elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeldom ter plaatse te functioneren'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: 'elk bouwwerk, dat een voormensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukkene.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip 'reclame' dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot 'handelsreclame' heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzonderingslechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet wordt beschermd. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag In dit artikel is met de term 'bevoegd gezag' aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel2:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij het college van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10 en 2:11 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de Apv op verschillende plaatsen de term 'bevoegd bestuursorgaan' voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van burgemeester en wethouders ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-2-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De maximum beslistermijn is ingevolge artikel 4:13 van de Awb bepaald op acht weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Artikel; 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit Zie hierover ook bijv. TK 2004/05, 29 934, nr. 6 (memorie van toelichting Wet dwangsom en beroep),p. 10, waarin dit nog eens uitdrukkelijk wordt uitgelegd. Daar wordt zelfs gezegd dat een dergelijk briefje in feite juist 'een uitdrukkelijke erkenning door het bestuursorgaan [is] dat het in gebreke is'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.2, onder b van de Awb stelt het niet reageren van een bestuursorgaan op een aanvraag voorbezwaar en beroep gelijk met een uitdrukkelijk besluit. Los van de mogelijkheid om tegen het niet tijdig reageren van het bestuursorgaan bezwaar te maken of beroep in te stellen, blijft het bestuursorgaan in beginsel verplicht alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wabo De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (artikel 2:11) vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). De algemene indieningvereisten staan in artikel1.3 van de Mor, dat luidt als volgt:</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningvereisten bij iedere aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de aanvraag vermeldt de aanvrager: de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project; een omschrijving van de aard en omvang van het project; en omschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van het project voor de fysieke leefomgeving, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag; indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto's of andere geschikte middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager doet bij de aanvraag een gespecificeerde opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-3-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-4-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit een oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel verdient het aanbeveling om de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften uitdrukkelijk vast te leggen in de Apv.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-5-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningsaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur en jurisprudentie Voor de overdraagbaarheid van Apv-vergunningen, zie: C.L. Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder 3.4 Overgang uitgesloten: Apv-vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens art. 1:10 Apv is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:11, aanhef en onder e Apv kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:11 aanhef en onder e Apv niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de Apv neergelegde vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan een derde. ABRS 23-11-1999, LJN AA5058, GS 2000, 7112 , 6.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De intrekking- en weigeringsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, met het de belanghebbenden in de gelegenheid stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden als de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden moet de vergunning opnieuw worden bezien. Daarbij moet rekening worden gehouden met de zaak- en proportionaliteitseis: bij geringe wijziging van omstandigheden die geengevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-7-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel worden vergunningen of ontheffingen voor onbepaalde tijd verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt b: Uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over punt c: Als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, moet beargumenteerd worden waarom deze beperking nodig is en of de evenredigheidstoets kan worden doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een evenementenvergunning of standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rondde jaarwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de toelichting onder artikel1:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de terrassen dient de aansluiting te blijven met het geldende terrassenbeleid (koppeling publiekrechtelijke vergunning aan privaatrechtelijke titel - 5 jaar pacht gemeentegrond). Voor de speelautomatenvergunning geldt een termijn van 4 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de Apv zijn in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden benoemd. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd, zoals onder andere bij de horeca-exploitatievergunning en de vergunning voor seksinrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als algemene richtlijn wordt een termijn van zes weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel ('kan') laten uitkomen dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen zes weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van zes weken te verlengen tot maximaal twaalf weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor verschillende Apv-vergunningen of -ontheffingen verschillende termijnen zijn bepaald, wordt iedere afwijking van de algemene regel in het betreffende onderdeel van de Apv vastgelegd, bijvoorbeeld bij evenementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-9-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door het in werking treden van de Dienstenwet 2009 (28-12-2009) wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de in deze bepaling vermelde vergunningstelsels. De belangrijkste afweging hiervoor is dat voor het bij uitzondering verlenen of afwijzen van een ontheffing of vergunning geenlangdurige of complexe afweging nodig is en er niet of nauwelijks sprake hoeft te zijn van een verhoogd risico op aantasting van de openbare orde en veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-10-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient aanbeveling in de Apv vast te leggen voor welke vergunningenstelsel de lex silencio positivo nadrukkelijk niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling zijn hierop niet van toepassing, omdat het voor de openbare orde en andere overwegingen niet wenselijk is als de activiteit zonder een daarop afgestemde vergunning plaatsvindt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 OPENBARE ORDE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr: hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgeving op de artikelen 184 en 186 WvSr is meermalen door de Hoge Raad erkend. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een Apv-bepaling gegeven politiebevel gebeurt op grond van deze artikelen of artikel 154 van de Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van artikel 186 WvSr. ‘Uitjouwen’ Het ‘uitjouwen’ wordt in de praktijk ervaren als onbetamelijk gedrag met een verhoogd risico op verstoring van de openbare orde. Door hiertegen al in een vroegtijdig stadium op te kunnen treden kan een ernstige verstoring worden voorkomen, Schijnvechten Met het in het eerste lid beschreven ‘uitdagend gedrag’ wordt mede bedoeld het ‘schijnvechten’. Onder ‘schijnvechten’ wordt verstaan het doen alsof er sprake is van een vechtpartij of een ander ‘uitdagend gedrag dat aanleiding kan geven tot ongeregeldheden’. Deze gedraging blijkt zich vooral op zomeravonden voor te doen onder jongeren in het uitgaanscircuit. Het tumult dat daarmee wordt veroorzaakt vormt een bedreiging voor de openbare orde en veiligheid doordat dit kan leiden tot ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het beschrijving van ‘schijnvechten’ als een vorm van ‘uitdagend gedrag’ wordt dit op grond van dit artikel strafbaar en kan hiertegen rechtstreeks worden opgetreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM). In artikel 1van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid 'openbare plaats' gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voorgodsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). (Zie ook toelichting artikel 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Wet openbare manifestaties De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de wetgever acht dat niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7 Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of levensbeschouwelijk van aard zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8 WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een nadere toelichting over “openbare en andere dan openbare plaatsen”: zie de toelichting bij artikel 1:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betoging Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als: een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of maatschappelijk gebied (TK 1986-1987,19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een optocht is niet per se een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR 30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een betoging geen “menigte” nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is “betoging” omschreven als “het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976, 13872, nr. 4, p. 95-96).Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip “betoging” meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872,nr. 7, p. 33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klokgelui en oproepen tot gebed</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is om regels te stellen over de duur, het tijdstip en het geluidsniveau van klokgelui en oproepen tot gebed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De strekking van artikel 10 WOM is niet om een beperking bevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen tot gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend op te treden onverlet te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome bepalingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 model APV (overige geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke bevoegdheden Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om krachtens artikel 176Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel 176 Gemeentewet zich als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is “dus de wet (in formele zin),die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening van het grondrecht gedoogt”, HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoringdaadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester dus bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. De burgemeester heeft in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, de bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor weigering van de vergunning. Wnd. Vz.ARRS, 23-11-1979, NG 1980, p. S 59, OB 1980, III.2.2.7, nr. 41197 en Gst. 1980, 6602 m.nt. J.M.Kan (demonstratie Den Haag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, zware belasting van het politiekorps en ernstige hindering van het verkeer zijn onvoldoende zwaarwegende omstandigheden om het betogingsrecht te beperken. Vz.ARRS 27-05-1982, AB 1983, 62, m.nt. JHvV, (Idem demonstratieverbod Afcent,Wnd.Vz.ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85, P.J. Boon) De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt of tegen demonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de demonstratie op grond van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie te verbieden. Wnd.Vz.ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158 Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n beperking van het recht van demonstratie kan in beginsel niet gelegen zijn in de overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben. Pres. Rb Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin: Voorzieningenrechter Rb.Rotterdam 24-01-2002, JG 02.0040 ,en: de uitoefening van een grondrecht mag aanleiding zijn tot een grotere inspanning dan bij evenementen als een risicowedstrijd van een voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de uitoefening van een grondrecht. De WOMis niet van toepassing op een persconferentie in een woonhuis. ARRS 30-12-1993, JG 94.0160, Gst.1994, 6983, 4 m.nt. HH, AB1994, 242 m.nt. RMvM.</p>\n<p class=\"lf-p\">De actie ter blokkering van het vliegverkeer d.m.v. het oplaten van ballonen door de Vereniging Milieudefensie is een betoging wegens de gemeenschappelijke meningsuiting. Pres. Rb Haarlem 25-10-1996,Gst. 1996, 7044, 4 m.nt. EB, JB 1996, 266 m.nt. REdW..</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen omdat die niet is aangemeld? De Nationale Ombudsman heeft in zijn rapport van december 2007, “Demonstreren staat vrij”(http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/grote_onderzoeken/2007demonstreren/index.asp), de juridische grenzen nog eens helder op een rij gezet. De Hoge Raad onderschreef in zijn arrest van 17oktober 2006 (NJ 2007, 207, AB 2007, 23) het oordeel van het gerechtshof dat een demonstratie kan worden beëindigd, alleen omdat die niet is gemeld. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Gerechtshof, omdat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de politie op eigen gezag de demonstratie kon beëindigen. Die bevoegdheid ligt uitdrukkelijk bij de burgemeester, en die zal dan ook de feitelijke beslissing moeten nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in haar arrest van 17 juli 2007 (NJB2007, 1839) anders. In bijzondere omstandigheden, waarin een demonstratie een onmiddellijke reactie is op politieke gebeurtenissen, is het enkel en alleen ontbreken van een melding onvoldoende om de demonstratie te beëindigen. Als er verder niets illegaals aan de hand is en de demonstratie geen bedreiging vormt voor de openbare orde, zou het beëindigen van de demonstratie alleen omdat de melding ontbreekt, een disproportionele beperking van het grondrecht om te demonstreren zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk is. Dat is overigens, zo blijkt uit het rapport, ook het beleid van de burgemeester van Den Haag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de Hoge Raad in een nieuw arrest aansluiting zou zoeken bij het EHRM valt uiteraard niet te voorspellen, maar er is alle reden om de lijn van het EHRM en de Ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het beëindigen van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te wegen of het belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. Niet voor niets schept het artikel in de model APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een kort voor de demonstratie gedane melding te accepteren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd] Folderen en flyeren is toegestaan. Het artikel is met de herziening in 2016 geschrapt en gereserveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voorgaande bepaling was het folderen en flyeren ook toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. In de jaren voor de intrekking is een aanwijzing niet noodzakelijk gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldt ook voor de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Artikel 2:6 zou kunnen worden gebruikt om openbare plaatsen aan te wijzen waar deze verkoop niet is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wabo Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar een element van handelsreclame in zit.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 VERTONINGEN E.D OP DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van algemeen belang, hetgeen omvat openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mogen voorwerpen worden geplaatst zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid wordt voldaan. Het bevoegd bestuursorgaan krijgt de bevoegdheid nadere regels te stellen aan een aantal objecten, i.c. uitstallingen, reclame-uitingen, hinderlijke beplanting, containers en andere nader te bepalen objecten. Er kunnen dan regels worden gesteld over omvang, de vrije doorgang voor verkeer, voetgangers en hulpdiensten, en de sluitingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om overal en in alle situaties een vrije doorgang voor voetgangers en verkeer te garanderen is de minimaal vereiste doorgang als algemeen regel opgenomen en in nieuw tweede lid ingevoegd. Dit zou ook in de toelichting op het eerste kunnen worden vermeld. Het als algemene regel opnemen in een afzonderlijk lid biedt net even meer duidelijkheid voor de burger en degene die toezicht houden op de naleving ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor terrassen is een afzonderlijke bepaling opgenomen: artikel 2:28A. In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw of een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en het terras is gelegen op de weg of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden gesteld en is het college het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitelijk wordt met deze bepaling voor burgers en bedrijven een zogeheten 'zorgplicht' neergelegd. De burger moet zelf een afweging maken. Als de gemeente wenst op te treden omdat zij van mening is dat het verbod van het eerste lid wordt overtreden, zal daarover al snel discussie ontstaan. De gemeentemoet haar handhavingsbesluit zeer nauwkeurig motiveren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid. Aan dit artikel ligt een ander motief ten grondslag dan de WRO (aanlegvergunning), namelijk de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip 'weg' uit de Wegenverkeerswet 1994 wordt gebruikt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde 'eigen wegen' die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d. Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld worden aangelegd op grote bedrijfsterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingene.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerd (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wabo De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is acht weken, de verdagings-termijn zes weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieningvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningvereisten uit artikel1.3 van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 van de Apv. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningvereisten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van de Apv.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er- gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In januari 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) haarrechtspraak rond meldingsstelsels aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beknopt samengevat komt de wijziging erop neer dat alleen een melding in de vorm van een pure mededeling niet leidt tot een appellabel besluit. In andere gevallen is dat wel het geval. Ook als er opeen melding niet of slechts met een ontvangstbevestiging wordt gereageerd, wanneer sprake is vaneen beslissing, al is die stilzwijgend, is er sprake van een appellabel rechtsoordeel. Voor de uitspraken van de Afdeling van 14 januari 2015 zie: ECLI:NL:RVS:2015:14 (Leeuwarden-Lekkum) enECLI:NL:RVS:2015:36 (Stein-Elsloo).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling volgt hiermee de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven over meldingsstelsels: http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2014:4116 Oud-staatsraad prof. mr. Konijnenbelt schreef in de Gemeentestem een belangwekkend artikel naar aanleiding van de conclusie en de uitspraken (Gst. 2015/15 afl.7417).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn voorstel is om in het geval van uitwegen terug te keren naar een eenvoudig vergunningstelsel met beperkte weigeringsgronden. Hij wijst er op dat er in dat geval sprake is van een omgevingsvergunning, waarmee per definitie de lex silencio positivo regeling van afdeling van de 4.1.3.3. van de Awb van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerdere melding van een uitweg is met deze herziening vervangen door een vergunningstelsel. Daarmee valt het onder de Wabo.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorziening voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) biedt de mogelijkheid om eigenaren en rechthebbenden als ook hun rechtsopvolgers een plicht op te leggen tot het gedogen van bepaalde werken in, op of boven hun eigendom (de zogenaamde gedoogplicht). Meer precies gaat het er bij toepassing van de BP om dat de ondernemers van een openbaar werk de rechthebbende van een onroerende zaak en zijn rechtsopvolger(s), kunnen verplichten tot het gedogen van de aanleg/instandhouding (aanwezigheid) of verandering van een (bestaand) werk in, op of boven de onroerende zaak van de rechthebbende. Dit gaat dus minder ver dan bij onteigening, waarbij sprake is van de gedwongen ontneming van eigendom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, bij toepassing van de BP kan een eigenaar zijn grond in bezit houden, alleen moet hij een werking, op of boven zijn grond toestaan. De ondernemers met ‘ondernemers van een openbaar werk’ worden bedoeld zijn veelal gas-, water- en elektriciteitsbedrijven en overheidsinstanties. De BP geeft geen definitie van het begrip ‘openbaar werk’. Gelet op de praktijk worden daartoe in ieder geval gerekend allerlei soorten kabels en leidingen, bijvoorbeeld voor het transport van data, gas, olie, drinkwater, elektriciteiten afvalwater (riolering) en onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De BP is in haar toepassing echter bedoeld voor inbreuken die zodanig zijn dat deze dat eigendomsrecht wel aantasten, doordat het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als van een zodanige inbreuk sprake is kan dit Apv-artikel niet worden toegepast. De gedoogplicht als bedoeld in dit artikel is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk worden bedoelde voorzieningen zoveel mogelijk in samenspraak met de eigenaar of rechthebbende van een bouwwerk aangebracht. Vooral in de dichtbebouwde omgeving zoals de binnenstad blijkt de bereidheid om toestemming te verlenen niet altijd aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige situaties is een voorziening – al dan met een versnelde procedure - nodig omdat de openbare veiligheid in geding is. In die situaties is het van belang om gebruik te kunnen maken van een algemeen verbindende regel waarmee een voorziening als bedoeld in dit artikel (snel) kan worden gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">A (slaap)verblijf op een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Slapen in openbaar gebied is ongewenst en kan hinder/overlast veroorzaken. Denk bijvoorbeeld aan zwervers. Dit artikel biedt een handvat om dit tegen te gaan. Dit artikel ziet toe op het slapen op openbare plaatsen. Dat beïnvloedt het gevoel van (on)veiligheid. Artikel 4:18 heeft betrekking op het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf. Deze bepaling is primair gericht op de bescherming van de openbare orde en daarom in dit hoofdstuk ondergebracht.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7 EVENEMENTEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgegaan wordt van het algemeen geldend criterium: een evenement is een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Naast de algemene begripsbepaling opgenomen in het vierde en vijfde lid, is in lid 1 tot en met 3 de begripsomschrijving overgenomen uit het Uitvoeringsbeleid evenementen van de gemeente Doetinchem. Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz.ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5:22. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso's enzovoort, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besloten feesten vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling (bijvoorbeeld bedrijfsfeestwaar aan de hand van uitnodigingenlijsten publiek aanwezig is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het organiseren van bepaalde, kleine, eendaagse evenementen (zie artikel 2:25, lid 2) is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college vastgesteld heeft 'Het uitvoeringsbeleid evenementen gemeente Doetinchem' vastgesteld. Dit uitvoeringsbeleid bevat beleidsregels ter regulering van evenementen in de gemeente Doetinchem op grond van artikel 2:25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor grote en middelgrote evenementen geldt voor de vergunningsaanvraag een indieningstermijn van twaalf weken. Voor kleine evenementen geldt de algemene indieningstermijn van zes weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">A.1 - artikel 2:26A.4 Betaald-voetbalwedstrijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de politieregio NO-Gelderland hebben de deelnemende burgemeesters zich geconformeerd aan het voorstel van de politie om de voorschriften inzake de betaald- voetbalwedstrijden binnen de regio te uniformeren. In verband hiermee wordt een afzonderlijke afdeling in de Apv opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze artikelen is specifieke regelgeving opgenomen met betrekking tot betaald-voetbalwedstrijden. De aanmelding van betaald-voetbalwedstrijden loopt niet in de pas met het oog op de aanmelding voor de Evenementenkalender; reden waarom een afwijkende regeling is neergelegd in 2:26A. Het streven is wel op synchronisatie gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende handvaten voor handhaving: Artikel 2:26 Ordeverstoring; artikel 2:44B Dragen van gevaarlijke voorwerpen, artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden (i.c. bijvoorbeeld omgeving stadion) aanwijzen, waardoor preventief fouilleren mogelijk wordt en artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen voor personen of groepen (i.c. supportersgroepen).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In plaats van de term \"horecabedrijf\" wordt nu de term \"openbare inrichting\" gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Alcoholwet wordt namelijk met \"horecabedrijf\" alleen gedoeld op bedrijvenwaar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde \"natte horeca\". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde \"droge horeca\": tearooms, lunchroomsen dergelijke, maar ook coffeeshops.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regelingen van de Alcoholwet en de Apv hebben ieder hun eigen bestaansrecht vanwege de verschillende motieven die eraan ten grondslag liggen. Het motief van het horecaexploitatievergunningstelsel is het beschermen van de openbare orde. Aan de Alcoholwet liggen primair sociaal-hygiënische en sociaaleconomische motieven ten grondslag. Qua openbare ordeproblematiek is geenbehoefte gebleken aan een horeca-exploitatie-vergunningstelsel voor droge en natte horeca. Alleen de droge horeca, oftewel de alcoholvrije horecabedrijven - waaronder coffeeshops - vallen onder de exploitatievergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit teleggen dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik kan worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van de openbare inrichting zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat omschreven in het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">A Terrassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een afzonderlijke bepaling is ingevoerd voor terrassen van openbare inrichtingen die op grond van artikel 2:28 zesde lid niet exploitatievergunningsplichtig zijn, maar wel behoren tot een openbare inrichting waar op grond van artikel 3 van de Alcoholwet een drank- en horeca-vergunning is vereist. Voor de droge horeca worden terrasvoorschriften opgenomen in de exploitatievergunning. Voor de natte horeca is artikel 2:28A ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de natte horeca is voor het plaatsen/inrichten van een terras een vergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voorwerpen op de weg (artikel 2:10) is vergunningsvrij. Het gaat te ver om terrassen niet te binden aan enige regelgeving. Maatwerk blijft bij terrassen op z'n plaats. Omdat terrassen behoren bij voor het publiek openstaande lokaliteiten, is de burgemeester op grond van artikel 174 van de Gemeentewet het bevoegde gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een terrasvergunning wordt verleend voor een periode van 5 jaar en is gekoppeld aan de duur van de pachtovereenkomst voor de grond die veelal eigendom is van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Grondslag voor de in de Apv opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. Deze bevoegdheid houdt ook in dat een afwijkende sluitings-plicht kan worden vastgesteld voor de zondag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningsplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het Activiteitenbesluit. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitings-bepalingen van de Apv gelden derhalve niet voor zover de op de Wm gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter verduidelijking zijn de geldende sluitingstijden voor de bij de openbare inrichtingen behorende terrassen expliciet in de Apv opgenomen (lid 2 en lid 3).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2:29, tweede lid, die een individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot één maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige openbare inrichtingen. Wel beperkt de bevoegdheid zich -in tegenstelling tot artikel 2:29, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander kan betrekking hebben op een openbare inrichting, maar ook op het hiervan deel uitmakende terras.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Artikel 2:31 richt zich daarentegen tot de (potentiële)bezoeker van de inrichting/het terras. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting/het terras bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geentoestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een verbod van heling. Met de term 'gebruikte of ongeregelde goederen' worden dezelfde goederen bedoeld als in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht. Voor alle duidelijkheid is aangegeven dat genoemde activiteit ook niet toelaatbaar is op terrassen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde in openbare inrichtingen (en op terrassen) te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip 'openbare inrichting’ als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 8A BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE ALCOHOLWET.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Inleiding Deze verordening bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en25d van de Alcoholwet (DHW). Door wijziging van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Doetinchem 2009 (Apv) worden de bepalingen als afdeling 8A ingevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de Apv voor het overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat, is ervoor gekozen om deze medebewindbepalingen in de Apv op te nemen omdat dit vanuit praktisch oogpunt een logische stap is. De Apv regelt immers al aanverwante zaken zoals de horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke. Hoewel er vanuit de regio wordt voorgesteld om deze bepalingen in een afzonderlijke Drank- en Horecaverordening op te nemen, heeft het centraliseren van de regelgeving voor de gemeente Doetinchem de voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oneerlijke mededinging De op basis van artikel 4 van de DHW door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, blz. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zullen nemen. Zij gaat ervan uit dat er geen onnodige beperkingen zullen worden opgelegd als de mededinging niet in het geding is en als er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet wordt van de gemeente verwacht dat deze regels vaststelt die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichte en niet verplichte bepalingen Een regeling op grond van artikel 4 van de DHW, in deze verordening uitgewerkt in artikel 2:34b, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen 2:34c tot en met 2:34f, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a,25b, 25c en 25d van de DHW. Deze bepalingen hebben niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarstelling en bestuursdwang Uit de eerder aangehaalde memorie van toelichting (blz. 51) blijkt dat aan de bestaande arrangementen niets verandert als het gaat om de afbakening tussen bestuursrechtelijke handhaving via bestuurlijke boeten en strafrechtelijke handhaving op grond van de Wet op de economische delicten (WED). De grondslag voor het opleggen door de burgemeester van een bestuurlijke boete voor overtreding vanonder meer de op basis van deze verordening vastgestelde bepalingen is artikel 44a van de DHW. Op grond van datzelfde artikel 44a kan de burgemeester ook voor overtreding van een aantal andere bepalingen uit de DHW een bestuurlijke boete opleggen. (De bestuurlijke boete is in Doetinchem niet ingevoerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overtredingen van de op basis van deze verordening aan de Apv toegevoegde bepalingen zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde lid, juncto artikel 1, onder 4º, van de WED. De desbetreffende artikelen zijn daarom niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 van de Apv opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 44 van de DHW is voorts bepaald dat de minister en de burgemeester bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van de verplichting om een toezichthouder alle medewerking te verlenen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden (artikel 5:20, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezichthouders De toezichthouders worden benoemd door de burgemeester. Zij kunnen worden vermeld in artikel 6:2van de model-Apv. Op grond van artikel 42 van de DHW hebben zij de bevoegdheid om woningen binnen te treden zonder toestemming van de bewoners, als de toezichthouder vermoedt dat daar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank aan particulieren wordt verstrekt of als dat daadwerkelijk gebeurt. (Tot 1 januari 2014 kan de burgemeester ook ambtenaren van de NVWA inzetten, naast de eigen gemeentelijke toezichthouders, voor het toezicht op de naleving van de artikelen 20 en 45 van de DHW. Zie artikel V van de wijzigingswet (Stb. 2012, 237)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting De volgende uitgangspunten zijn bij de opgenomen bepalingen gewogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo eenvoudig/beperkt mogelijk (minder regels als het kan of anders gesteld: geen onnodige regels, zo min mogelijk beperkende voorwaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoveel mogelijk aansluiten op bestaande praktijk (zo weinig mogelijk veranderen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening moet handhaafbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming volksgezondheid is een prioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alcoholmatiging in het algemeen en alcoholmatiging jeugd in het bijzonder (drankverstrekking aan jongeren voorkomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoorde alcoholverstrekking bevorderen en alcoholmisbruik voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oneerlijke mededinging met reguliere horeca moet voorkomen worden c.q. tegengegaan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel commerciële (zoals cafés, slijters, supermarkten) als paracommerciële instellingen (sportkantines, dorpshuizen) moeten niet onnodig beperkt worden in hun bedrijfsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oog hebben voor het feit dat kantineopbrengsten ook een vorm van inkomsten zijn voor verenigingen en dorpshuizen et cetera maar met de kanttekening dat horeca wel ondergeschikt en ondersteunend aan de hoofdactiviteit moet zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begripsbepalingen uit de DHW werken door in de op de DHW gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen, waaruit blijkt dat deze begripsomschrijvingen in ieder geval voor afdeling 8A gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het in de hoofdstuk primair gaat over paracommercie, wordt hiervan begripsomschrijving uitgebreid toegelicht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paracommerciële organisaties zijn stichtingen en verenigingen die zich richten op recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige activiteiten. Voor paracommerciële organisaties is het verkopen van alcoholhoudende dranken niet de hoofdactiviteit maar een ondergeschikte nevenactiviteit ter ondersteuning van de hoofdactiviteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34b-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34b</span><span class=\"lf-art-t\">Regulering paracommerciële rechtspersonen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 van de DHW verplicht gemeenten ter voorkoming van oneerlijke mededinging regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben wanneer zij alcoholhoudende drank verstrekken. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder a, van de DHW moet geregeld worden gedurende welke tijden in de betrokken inrichting alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Met andere woorden, de schenktijden voor alcoholhoudende dranken moeten geregeld worden. Op grond van artikel 4, eerste lid en derde lid, onder b en c, van de DHW moeten regels gesteld worden met betrekking tot door paracommerciële rechtspersonen in de inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Uiteraard alleen voor zover er tijdens deze bijeenkomsten alcoholhoudende drank wordt verstrekt door de paracommerciële rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het jaarlijks toestaan van 5 niet-verenigingsactiviteiten is bedoeld om paracommerciële organisaties de mogelijkheid te bieden om activiteiten te houden waaruit extra inkomsten kunnen worden verkregen (zoals het houden van een rommelmarkt of fancy-fair of een bingoavond. Daarnaast heeft een organisatie de mogelijkheid om activiteiten van persoonlijke aard toe te laten tot hun accommodatie. Daarbij moet worden gedacht aan een afscheid van een verdienstelijk lid of huldiging van (hoofd)sponsoren. Het houden van regulier horeca-activiteiten als bruiloften, partijen en personeelsfeesten is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handhaving en het toezicht op deze bepaling wordt nader uitgewerkt in het door de burgemeester jaarlijks vast te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4, vierde lid van de DHW heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van de hier door de raad gestelde regels voor schenktijden en voor de verschillende soorten bijeenkomsten. Het gaat om bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard. Uit deze bewoordingen van de wet blijkt dat hier zeer terughoudend mee moet worden omgegaan. Te denken valt aan kampioenschappen en dergelijke grotendeels onvoorziene gebeurtenissen, maar het kan ook gaan om feestelijkheden die wel te voorzien zijn, zoals carnaval en Koninginnedag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de burgemeester deze bevoegdheid rechtstreeks aan de wet ontleent, kan de raad hier verder geen beperkingen aan stellen. De burgemeester kan hiervoor zelf uiteraard wel beleidsregels opstellen (artikel 4:81 van de Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">De DHW valt onder de Dienstenwet en ingevolge artikel 28, eerste lid van die wet is de lex silencio positivo (LSP) van toepassing op vergunningen (daar zijn ontheffingen ook onder begrepen), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Op het moment van schrijven (maart 2013) is de LSP wel van toepassing op ontheffingen op grond van artikel 4, vierde lid van de DHW. Op het moment van schrijven is echter ook een wetsvoorstel (Veegwet SZW 2012, Kamerstukken II, 2012-23, 33 507) bij de Tweede Kamer aanhangig dat hier verandering in zal brengen. Wanneer het wetsvoorstel in werking zal treden, is nog onduidelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34c-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34c</span><span class=\"lf-art-t\">Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is de vernummering van het oude artikel 2:34A . Dat artikel was gebaseerd op het oude artikel 23 van de DHW. Artikel 2:34A was in het belang van de bescherming van de gezondheid van jongeren in de verordening opgenomen, door het verstrekken van sterke drank in bepaalde horecabedrijven te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:34c van de verordening is een uitwerking van artikel 25a van de DHW. Het kan de verstrekking van sterke of alcoholhoudende drank verbieden in inrichtingen die gelegen zijn in bepaalde aangewezengebieden en/of die beschikken over nader aangegeven aard en/of gedurende nader bepaalde tijdsruimten. De nadere invulling van een verbod moet, als daarvoor gekozen wordt, in de verordening zelf worden vastgelegd en kan niet aan de burgemeester gedelegeerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt overeenkomstig artikel 25a, tweede lid, aanhef en onderdeel b van de DHW de burgemeester de bevoegdheid verleend om voorschriften aan de vergunning te verbinden of deze te beperken tot zwak-alcoholhoudende drank, als dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid en de volksgezondheid nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34d-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34d</span><span class=\"lf-art-t\">Koppeling toegang aan leeftijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Deze bepaling is niet opgenomen] Deze bepaling is gebaseerd op artikel 25b van de DHW. Op grond van dat artikel kan bij verordening de toegang van jongeren tot horecalokaliteiten en terrassen gereguleerd worden. Overeenkomstig artikel 25b, eerste lid, van de DHW is het aan gemeenten om te bepalen waar de leeftijdsgrens wordt gelegd, deze mag echter niet hoger zijn dan 21 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34e-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34e</span><span class=\"lf-art-t\">Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Deze bepaling is niet opgenomen] Deze bepaling is gebaseerd op artikel 25c van de DHW. Daarbij is uitdrukkelijk bepaald dat het verbod alleen betrekking kan hebben op een beperkte tijdsruimte. Een beperking van het verbod tot bepaalde delen van de gemeente is optioneel. Het gaat om het verbod van het verkopen van zwakalcoholhoudendedrank in bedrijven en winkels zoals warenhuizen, snackbars, supermarkten of andere levensmiddelenwinkels (artikel 18, tweede lid van de DHW) en/of vanuit bestelruimten (internetbestellingen) (artikel19, tweede lid, onder a van de DHW). Doel van deze bepaling is voorkomen dat er tijdens bepaalde feestelijkheden en evenementen in de detailhandel blikjes bier, flessen wijn, breezers en andere zwak-alcoholhoudende drank wordt verkocht die vervolgens op straat wordt opgedronken. Het verkopen van sterke drank is uiteraard in ieder geval verboden in snackbars en in andere soorten winkels dan slijterijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34f-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34f</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod ‘happy hours’</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De invoering van deze mogelijkheid vloeit rechtstreeks voort uit de wet. Het biedt gemeenten de mogelijkheid om verkoopacties te verbieden, die de verkoop van alcoholhoudende drank bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34g-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34g</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene vrijstelling proeverijen in slijterijen als bedoeld in artikel 25e van de Alcoholwet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Alcoholwet maakt het mogelijk om dit in deze verordening te regelen. Het is wel gebonden aan verschillende voorwaarden. Dit artikel geldt voor alle slijterijen in de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in dit artikel om speelgelegenheden waarop de Wet op de kansspelen geen betrekking heeften waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspelkunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over een vergunning te beschikken maar slechts indien demogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden beschouwd als kansspelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de model Apv zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Speelautomaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een aantal uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op de kansspelen d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging van de Alcoholwet. Het gaat hierbij vooral over de begrippen 'inrichting' en 'horecalokaliteit' en de gevolgen voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij één afgesloten ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er een vergunning volgens de Alcoholwet?</p>\n<p class=\"lf-p\">Staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan 18?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan alle vereisten voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan een van de eisen niet voldaan, dan is er sprake vaneen laagdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere ruimten in een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw dan wel van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit dan wel voor het geheel van de lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de stappen onder A?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1, lid 1 van de Alcoholwet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c, lid 4 Wet op de kansspelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ja: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los van de vele verslavende spelen die op het internet gespeeld kunnen worden, al dan niet gratis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Apv betekent dit dat in artikel 2:40 tweede en derde lid de term “speelautomaten”, die ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat, wordt vervangen door “kansspelautomaten”, waarmee gokkasten worden aangeduid waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaansgeen behendigheid bij te pas komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13bvan de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeften met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat 'plakken' slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7 van de Grondwet en artikel10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van één plakbord of -zuil op de 10.000 inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 'doen' aanplakken of aanbrengen wordt verstaan: het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes handhaven. Onder actieve bemoeienis wordt niet verstaan: door het enkel verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder dat eigengebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplak-verbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">A Dragen gevaarlijke voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Repressief toezicht gericht op het dragen van voorwerpen die als wapen kunnen dienen, wordt met deze bepaling vergemakkelijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">B Verbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Winkeldiefstal vindt veelal plaats met behulp van geprepareerde tassen, ofwel rooftassen. Een dergelijk verbod geeft een juridische basis en is tevens een handvat voor de politie om in de openbare ruimte te kunnen optreden tegen criminaliteit met behulp van een geprepareerd voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van winkels. Dus alle voorwerpen dit bedoeld zijn om te gebruiken bij het plegen van winkeldiefstal. Daaronder ook instrumenten die de detectieapparaten kunnen uitschakelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2 opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de betrokken burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan plegen .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op plantsoenen e.d. die bij de gemeente in onderhoud zijn (bijvoorbeeld in verband met inzaaien) en die gedurende een bepaalde tijd niet betreden mogen worden. Door dit bij de desbetreffende locatie bekend te maken, kan worden opgetreden bij overtreding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:47 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling in de Apv vormt hierop een aanvulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1.1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47a</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden lachgasgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door de burgemeester aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Alcoholwet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de wijziging van de Alcoholwet in 2013, waarbij het voor jongeren onder de achttienjaar sowieso verboden is om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben, waardoor een dubbeling ontstond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang gebied Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met enigf6:2 e regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter medebepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstoring openbare orde Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2 van de Politiewetbevelen tot verwijdering worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de verhoging van de leeftijdsgrens voor drinken in het openbaar naar achttien jaar is in 2014de tekst van het derde lid aangepast. Het aanwijzen van een gebied waar men geen open flesjes en blikjes met alcoholhoudende drank bij zich mag hebben kan immers geen gevolgen hebben voor jongeren onder de achttien. Zij mochten dat sowieso al niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">A Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een autonome bepaling. Op deze locaties is het ook verboden om flessen in gesloten verpakking bij zich te hebben. Dit vergemakkelijkt het toezicht door en de bewijslast voor de politie bij overlastsituaties. Zie voor vergelijkbare toelichting artikel 2:48.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:49 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord 'ruimte' gebruikt ter onderscheiding van het in de Apv voorkomende begrip 'weg'. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiektoegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het orde verstorende elementen slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik),slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedienings-ruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsenverboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Het verbod moet welaan de bezoekers van het terrein kenbaar worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">Bespieden van personen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is gericht op excessieve situaties. Anders dan bij het delict belaging (“stalking”) uit artikel285b WvS is geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen. Dit artikel is daar dus een aanvulling op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing vindt het artikel alleen in excessieve situaties. De politie zal in het algemeen pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Het heimelijk afluisteren is met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht voldoende geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">A Vermomming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Repressief toezicht op het zich herkenbaar maken wordt door dit artikel vergemakkelijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht, het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden, het voorkomen van hinder voor voetgangers, het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken e.d.), het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. Voor deze categorie is in het derde lid een voorziening getroffen. Voor de eigenaar of houder van een hond die vanwege zijn beperking niet in staat is zijn hond los te laten op de aangegeven losloopterreinen bestaat de mogelijkheid tot ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is een vrijstelling voor politiehonden en schaapherdershonden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft het college de mogelijkheid om gebieden in het buitengebied aan te wijzen waar de aanlijnplicht op van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hondenbezitters zijn verplicht om, bij het uitlaten, een hulpmiddel bij zich te hebben. Voor de eigenaar of houder van een hond die vanwege zijn beperking niet in staat is de uitwerpselen op te ruimen bestaat de mogelijkheid tot ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vrijstelling geldt voor politiehonden en schaapherdershonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft het college de mogelijkheid om naast de losloopterreinen, zoals bedoeld in het eerste lid onder a, nog andere gebieden aan te wijzen waar de opruimplicht binnen de bebouwde kom niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de leden 1 en 4 van artikel 2:58 lijkt een tegenstrijdigheid te zitten. Juridisch gezien is dat niet het geval. Het eerste lid is namelijk gericht op een verplichting waaraan een sanctie is verbonden. Dit is ook vastgelegd in de bestuurlijke strafbeschikkingen. Bij een (onbedoelde) overtreding van dit verbod wordt alleen dan van het opleggen van deze sanctie afgezien, als de eigenaar of houder van de hond een middel bij zich heeft om de uitwerpselen op te ruimen en dit ook doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neerkomt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is bij de aanpassing van 2015 besloten om deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen (was voorheen het college).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is sprake van delegatie van verordende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 van de Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen op de Flora- en faunawet, waarin regels worden gegeven ter bescherming van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-62-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend vee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen, is daarom op haar plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 van het Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) intuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-64-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">Bijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de 'aanvliegbanen' hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het kan voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn. Indien dergelijke situaties zich voordoen, kan deze bepaling worden toegevoegd en toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">A Overige hinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een kapstokartikel, een autonome bepaling die gehanteerd kan worden in die gevallen waarin de in hoofdstuk 2 strafbaar gestelde hinderlijke gedragingen niet voorziet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-65-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met name in de winkelcentra tijdens evenementen of andere druk bezochte dagen wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432)is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. In 2006 is daarom in de model-APV bovenstaand artikel opgenomen dat beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het collegegebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod, maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Inbraak, diefstal en beroving zijn misdrijven die veel voorkomen en die een grote impact hebben op de slachtoffers en de samenleving. De aanpak van deze misdrijven heeft daarom landelijk een hoge prioriteit. In de meeste gevallen is het doel van het misdrijf geldelijk gewin. De gestolen goederen worden verhandeld om er financieel beter van te worden. Dat betekent dat het tegengaan van heling een belangrijk middel is in het verhogen van de veiligheid van de burger in onze samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heling is een wijdverbreid fenomeen, waar consumenten onbewust mee te maken krijgen doordat gestolen goederen uiteindelijk de reguliere markt bereiken. Wanneer inbrekers en helers hun gang kunnen blijven gaan, worden consumenten onbewust medeplichtig aan heling. Zolang heling niet wordt aangepakt, blijft de markt voor gestolen goederen bestaan. Wanneer de markt effectief wordt aangepakt, zal dit grote impact hebben op de vraag: “Zonder heler – Geen steler”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verschillende distributiekanalen/afzetmarkten, die afzonderlijk verstoord kunnen worden: van inbreker naar opkoper/handelaar; van opkoper naar consument; van inbreker naar consument (scholen); van inbreker naar een netwerk van vrienden en bekenden; van inbreker naar verkoop vanuit huis; van inbreker naar verkoop via advertentie- en veilingsites op internet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie wil heling aanpakken door het verstoren van de afzetmarkt van opkopers met behulp van het digitaal opkopersregister (DOR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het DOR is de moderne variant van het papieren register door opkopers en handelaren verplicht testellen een door of namens de burgemeester aangewezen doorlopend register bij te houden. Opkopers, naast de gegevens van de verworven goederen, ook de naam en het adres van de personen van wie de goederen zijn gekocht vast te leggen. De opkopers hebben een registratieplicht zoals die omschreven staat in het Wetboek van Strafrecht 437. Om registratie en controle te vereenvoudigen (grote efficiëntieslag) is het DOR ontwikkeld in politiedistrict Noord- en Oost Gelderland. Het systeem checkt automatisch via de database gestolen goederen van stopheling.nl of een ingevoerd serienummer als gestolen goed geregistreerd staat. Wanneer dit het geval is gaat hiervan een melding naar de politie, die daarop actie kan ondernemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invoering van het DOR vraagt om commitment van zowel gemeenten, opkopers, politie als het openbaarministerie. Door hier gezamenlijk in op te trekken kan op efficiënte wijze een slag worden toegebracht aan helers en stelers. Invoering van het DOR zal leiden tot vereenvoudiging van de opsporing van gestolen goederen; er zullen meer delicten worden opgelost en er zullen meer inbrekers en helers worden vervolgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-66-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Wetboek van strafrecht (WvSr.) bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een strafbaar feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te oefenen vrijetoegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie kan voorwerpen in beslag nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel552 WvSv neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene opsporingsambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te wijzen ambtenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek , (brom)fiets en autohandel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen registratieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelaar Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antieken curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekeninghouden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen vaneen verkoopregister algemeen te omschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden geregistreerd expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige lid, óf te bepalen dat alleen die goederen moeten worden geregistreerd die de burgemeester heeft aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevatvoorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a Ten eerste Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopers-bedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede en derde Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren up to date houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vierde Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis,eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het ver-koopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding vandoor opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onder d, voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoetaan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie werkdagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 13 VUURWERK EN CARBID</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-71-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is voor particuliergebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - indien: het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier; het aangetroffen wordt bij een particulier; het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse handfakkels. Op grond van artikel 2.3.7van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels: een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een particulier (artikel 2.3.2lid 1); dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellenop een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4); een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5); een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop volgende jaar (artikel 2.3.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen 2:72 en 2:73 van de model-APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-72-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige voorschriften zijn verbonden, zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel milieutechnische eisen waaraan een opslag moet voldoen en laat de mogelijkheid open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en meer opslagen. Hierbij kan voorbij worden gegaan aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient de aanbeveling om voor de verkoop van consumentenvuurwerk beleidsregels vast testellen. De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op dwingende redenen van algemeen belang, waartoe behoren de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Afhankelijk van de lokale situatie kunnen bijvoorbeeld de volgende beleidsuitgangspunten worden opgenomen: het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente, bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over kernen, het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het centrum(gebied), de onderlinge afstand tussen verkooppunten, het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels, tankstations,(afsluitbare) winkelcentra enzovoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een vergunningaanvraagrekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende gemeente of milieudienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In 2014 is het Vuurwerkbesluit gewijzigd. In dit besluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisselingen de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk op geen enkel moment toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00 en 22.00 uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een bedrijventerrein. Afsteekverbod kan in rechte standhouden. Rb. Leeuwarden 27-12-2001, 01/1133 GEMWT, LJN AD7648 Voorlopige Voorziening. Met de in artikel 2:73 van de Apv neergelegde taak op het vlak van het voorkomen van gevaar, schade en overlast kan niet anders worden geduid dan een taak op het vlak van de openbare orde, zoals de naam van het hoofdstuk van de Apv waarin dit artikel is opgenomen ook al aanduidt. Bovendien valt in ieder geval \"gevaar\", maar ook \"schade\" en \"overlast\" onder het begrip openbare orde. Aan het college van burgemeester en wethouders komt op dat vlak geen taak toe. Artikel 2:73 van de Apv is dan ook onverbindend. Deze taak tot aanwijzing van een gebied waar geen vuurwerk mag worden afgestoken tijdens de periode als bedoeld in artikel 2.3.6 van het Vuurwerkbesluit had inde Apv niet mogen worden neergelegd bij het college van burgemeester en wethouders. Het college was daarom niet bevoegd het Aanwijzingsbesluit te nemen. Ook hier trekt de voorzieningenrechter een vergelijking met het veiligheidsrisicogebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">A Carbidschieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel is met de derde wijziging in 2012 opnieuw geformuleerd. In het tweede lid is een algemeen verbod neergelegd. In het derde lid zijn de uitzonderingssituaties algemeen verbindend weergegeven. Voorts is er in het vierde lid een ontheffingsmogelijkheid ingebouwd ten behoeve van bijvoorbeeld evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het carbidschieten alleen is toegestaan als gebruikt wordt gemaakt van bussen die niet worden afgesloten met harde voorwerpen zoals bijvoorbeeld metalen, houten en andere vergelijkbare materialen (lederen en plastic ballen zijn in ieder geval toegestaan). De omvang van de bussen blijft beperkt tot 40 liter.</p>\n<p class=\"lf-p\">In meerdere gemeenten in de Regio Achterhoek (w.o. Montferland en Oude IJsselstreek gelden al aanvullende vereisten voor degene die met carbid schiet en degene die toezicht houdt op het carbid-schieten. Zo mag degene die met carbid schiet niet onder invloed zijn van alcoholhoudende drank en/of drugs en geldt voor de toezichthouder een minimumleeftijd van 18 jaar. Dit is analoog aan de regelgeving voor het afsteken van vuurwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie heeft aangegeven dat vanuit het oogpunt van de handhaafbaarheid het wenselijk is om in alle gemeenten gelijkluidende vereisten op te nemen.</p></div>", "next": 239974}