{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bovengrens uren per maand Waakvlamcontact - tot en met 4 uur Licht meer dan 4 uur tot en met 9 uur Middel meer dan 9 uur tot en met 18 uur Zwaar meer dan 18 uur tot en met 26 uur Intensief meer dan 26 uur - Geen optelsom Het kan zijn dat op meerdere gebieden te behalen resultaten te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. De aanbieder kan in een bepaalde volgtijdelijkheid werken aan de te bereiken resultaten. Het kan van belang zijn (tussentijds) te evalueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat en intensiteit Voor het bepalen van een te bepalen resultaat en bijbehorende intensiteit kan het college onderstaand schema gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deskundigheid begeleider:</p>\n<p class=\"lf-p\">Stimuleren en controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Praktisch en planbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen specifieke eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stimuleren en controleren + aansturen en instrueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specialistisch, niet uitstelbaar tot volgend contactmoment, binnen reguliere werktijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennis van ziektebeelden en behandelmethoden is noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stimuleren en controleren, aansturen en instrueren + zaken overnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specialistisch, bij een incidenteel karakter per direct bereikbaarheid, zonodig buiten reguliere werktijden Kennis van behandelmethoden én overleg met ketenpartners is noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5.4Intensiteit waakvlamcontact De intensiteit waakvlamcontact is bedoeld als: manier om af te schalen, nazorg en monitoring, preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen, de “zorgmijdende” cliënt de toegekende begeleiding niet gebruikt (no show).</p>\n<p class=\"lf-p\">Manier om af te schalen Voordat de begeleiding daadwerkelijk wordt afgeschaald wordt eerst gekeken of in het netwerk van de cliënt een persoon beschikbaar en geschikt is die de functie van het waakvlamcontact op zich kan nemen. Dat wil zeggen: bij een indicatie zoekt de aanbieder samenwerking met die persoon. Het waakvlamcontact wordt dan belegd bij die persoon en heeft als doel om een vinger aan de pols te houden in de overgang naar het afbouwen van de begeleiding en/of na beëindiging van de begeleiding. Zijn er geen mogelijkheden binnen het eigen netwerk, dan biedt de aanbieder het waakvlamcontact.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorg en monitoring Cliënten zijn goed in beeld bij aanbieders. Daarom hoeft de cliënt niet steeds opnieuw een vraag te stellen of een intake te doorlopen. De aanbieder bewaakt dat de zelfredzaamheid van de cliënt niet afneemt. Daarnaast kan “uitstroom” naar voorliggende oplossingen ingezet of behouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Preventie om zwaardere begeleiding te voorkomen Bij waakvlamcontact is de begeleiding tijdig aanwezig om op te schalen bij dreigende terugval. Op die manier hoeven de problemen van een cliënt niet verder op te stapelen. De cliënt kan terugvallen op de aanbieder als het even wat minder goed gaat. Als dat nodig is kan de aanbieder ook begeleiding bieden bij het formuleren van een ondersteuningsvraag en toeleiding tot (meer) ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgmijders Het gaat bij zogeheten “zorgmijders” om cliënten aan wie weliswaar begeleiding is toegekend maar die daar geen gebruik van maken (no show). In die situaties wordt het eerdere toekenningsbesluit vervangen door een toekenning begeleiding waakvlamcontact. Het kan ook een manier zijn om de ondersteuning voor (nieuwe) cliënten, aan wie nog geen begeleiding is verstrekt, op een laagdrempelige manier op te starten. Dat kan ook bemoeizorg zijn vanuit de GGD.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7Dagactiviteiten Artikel 1.1 lid 1 Verordening (begripsbepaling)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">7.1Inleiding De maatwerkvoorziening dagactiviteiten is een vorm van begeleiding in groepsverband bestemd voor cliënten die niet mee kunnen doen in het ‘gewone’ dagelijkse (werk)leven. De dagactiviteiten dragen bij aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dagactiviteiten omvatten structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving biedt. Begeleiding is hiervan een onderdeel zodat de cliënt kan deelnemen aan de dagactiviteiten. Dagactiviteiten kunnen gericht zijn op: een invulling van de dag, dagstructuur hebben en mensen ontmoeten. Ze kunnen naast structurerend ook ontwikkelingsgericht zijn. Als dat nodig is valt hieronder ook het vervoer naar en van de dagactiviteiten. Dagactiviteiten kan er ook voor zorgen dat de mantelzorger wordt ontlast. Er zijn drie vormen van dagactiviteiten die zijn afgestemd op een specifieke doelgroep (zie hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Algemene uitgangspunten Tijdens het onderzoek stelt het college vast of er voorliggende oplossingen zijn die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van dagactiviteiten in de weg staat. Daaronder kan gebruikelijke hulp vallen die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden. Ook de begeleiding die geboden kan worden door een welzijnsorganisatie kan een voorliggende oplossing zijn. Verder bepaalt de Verordening dat het college de te verstrekken maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers. Als uitgangspunt geldt ook dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening (art. 6.2 van de Verordening). De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.3 lid 1 onder b Verordening). Verder kan het natuurlijk zijn dat dagactiviteiten (collectieve maatwerkvoorziening in groepsverband) een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt dan individuele begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1Voorliggende oplossing De Bouwerskamp is een laagdrempelige inloopvoorziening voor inwoners waaronder cliënten met een psychische kwetsbaarheid. De Bouwerskamp is een algemene voorziening en kan voor gaan op het verstrekken van een maatwerkvoorziening dagactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikbaarheid De openingstijden van de Bouwerskamp zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maandag tot en met vrijdag van 9.00-17.00 uur Plus twee avonden doordeweeks tot 19.00 uur En op zondag van 15.00-19.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaten De inloopvoorziening Bouwerskamp richt zich op het bereiken van de volgende resultaten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zich thuis laten voelen en contacten leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het faciliteren van cliënten met een psychische kwetsbaarheid om zich te ontwikkelen om een volgende stap te zetten in het meedoen in de maatschappij, ook arbeidsmatig. Hierbij wordt geïnvesteerd op herstel en inzet van ervaringsdeskundigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het signaleren van verergering van de problematiek en somatische achteruitgang en hiernaar handelen. Het hierbij ontlasten van de mantelzorger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het werken aan een gezonde leefstijl bij cliënten door het bieden van gezonde voeding, het verstrekken van informatie over voeding en bewegen en het samenwerken met de Voedselbank om verspilling van voedsel tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder de aandacht brengen van stigma’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het faciliteren van ruimte aan vrijwilligersorganisaties op het gebied van zelfhulp waarmee zwaardere zorg voorkomen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er ontstaat begrip en acceptatie tussen verschillende doelgroepen waardoor de drempel verlaagd wordt om samen activiteiten te ondernemen. Hierdoor is er een breder aanbod van activiteiten voor wie er behoefte aan heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het samenwerken tussen organisaties waardoor expertise en inzet voor een brede doelgroep wordt benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vergroten van het bereik van mensen, zodat er meer mensen bereikt worden en naar de Bouwerskamp komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het normaliseren en afschalen van hulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het versterken van het netwerk van cliënten buiten de Bouwerskamp.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3Vormen van dagactiviteiten Er zijn drie maatwerkvoorzieningen in de vorm van dagactiviteiten die elk bestemd zijn voor een verschillend deel van de populatie. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillende producten, de bijbehorende deelpopulatie en activiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.1Doelgroep en scheidslijn dagactiviteiten Naam product Deelpopulatie Activiteiten Exclusief deelpopulatie Dagactiviteiten belevingsgericht Ouderen en (jong) dementerenden Recreatief Arbeidsmatige leeftijd m.u.v. jong dementerenden Dagactiviteiten NAH Niet aangeboren hersenletsel (NAH) Recreatief en ontwikkelings-gericht Cliënten die geen NAH hebben Dagactiviteiten arbeidsmatig Arbeidsmatige leeftijd Ontwikkelings-gericht Deelpopulatie NAH, Pensioengerechtigde leeftijd en dementerenden Pensioengerechtigd en toch dagactiviteiten arbeidsmatig?</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt staat centraal. Neem bijvoorbeeld een cliënt die deelneemt aan de dagactiviteiten arbeidsmatig en de pensioengerechtigde leeftijd bereikt maar graag wil blijven deelnemen aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Deze cliënt kan daar in afstemming met de aanbieder en het college blijven. De cliënt ontvangt wel een andere indicatie, namelijk voor dagactiviteiten belevingsgericht. De aanbieder van dagactiviteiten belevingsgericht en de aanbieder dagactiviteiten arbeidsmatig werken samen om deze cliënt te bedienen. Dat kan een combinatie van dagactiviteiten zijn of volledige deelname aan de dagactiviteiten arbeidsmatig. Aanbieders kunnen bijvoorbeeld hun samenwerking vormgeven in een hoofd- en onderaannemerschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4Dagactiviteiten niet aangeboren hersenletsel (NAH) Cliënten met niet-aangeboren hersenletsel (NAH) hebben schade aan de hersenen die is ontstaan in de loop van hun leven. Dit zorgt voor een onomkeerbare breuk in hun levenslijn; een cliënt met NAH ervaart dat wat voorheen vanzelfsprekend was, dat nu niet meer is. Dit vraagt om speciale aanpak en aandacht, bijvoorbeeld voor rouwverwerking en leerbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5Dagactiviteiten belevingsgericht De doelgroep voor deze maatwerkvoorziening zijn cliënten vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en (jong) dementerenden. De doelgroep kenmerkt zich door een onomkeerbaar verlies van regie en een grote mate van zorgafhankelijkheid. Het gaat bij dagactiviteiten belevingsgericht om cliënten die ernstig beperkt zijn in hun zelfredzaamheid en die (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dagstructuur vorm te geven. Denk aan cognitieve beperkingen door dementie en/of fysieke beperkingen door een ziekte of ouderdom. Omdat zij sterk beperkt zijn in de zelfredzaamheid kan dat leiden tot: sociaal isolement, afnemende vaardigheden en het langzaam verliezen van de regie over het leven. De dagactiviteiten belevingsgericht geven structuur en een zinvolle invulling van de dag aan deze groep ouderen en (jong) dementerenden. Deze maatwerkvoorziening voorkomt ook dat iemand geen sociale contacten meer heeft en geïsoleerd raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatief met als doel beleven De dagactiviteiten belevingsgericht zijn veelal recreatief van aard en hebben als doel ‘beleven’. Als de cliënt beginnende en lichte beperkingen heeft, zijn de activiteiten vooral recreatief van aard en gericht op het hebben van contacten, versterken sociaal netwerk en ontmoeting. Activiteiten zijn bijvoorbeeld: wandelen, knutselen, klussen, gymnastieken, zingen of samen koken en andere mensen ontmoeten. Voor deze cliënten kan een algemene voorziening, een vrij toegankelijke voorziening en/of inzet van een vrijwilliger voldoende zijn, al dan niet in combinatie met deze maatwerkvoorziening een passende oplossing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvang en stabiliseren Afhankelijk van de mate van maar ook de prognose van de beperkingen van de cliënt zijn de dagactiviteiten vaak recreatief van aard en gericht op stabilisering, het voorkomen of vertragen van verdere achteruitgang, het zo lang mogelijk behouden van vaardigheden, het zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Het richt zich op opvang van cliënten die naar verhouding veel structuur, begeleiding en toezicht nodig hebben, bijvoorbeeld cliënten met dementie. De begeleiding is intensiever en meer specialistisch dan recreatief met als doel beleven vanwege de beperkingen (fysiek, verstandelijk, geestelijk). Het is daarnaast vaak gericht op het ontlasten van mantelzorgers. Een groot deel van deze cliënten komt via de maatwerkvoorziening dagactiviteiten belevingsgericht uiteindelijk terecht in de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6Dagactiviteiten arbeidsmatig De (onbetaalde) dagactiviteiten arbeidsmatig is bestemd voor cliënten: van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd (arbeidsmatige leeftijd), die (nog) geen aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsparticipatie, en een mate van ontwikkelingspotentieel hebben richting maatschappelijk participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerk doelgroep Veelal gaat het om cliënten met een verstandelijke beperking, psychosociale problematiek of psychiatrische stoornis. De beperking is dermate belemmerend dat cliënten (al dan niet tijdelijk) nog geen ondersteuning kan krijgen bij de inschakeling bij de arbeidsparticipatie van de gemeente of het UWV. De reden daarvan is dat de cliënt (nog) niet over arbeidsvermogen (of verdiencapaciteit) beschikt. De doelgroep heeft dikwijls moeite om een stabiele structuur en invulling aan hun dagen te geven. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig biedt als het ware een alternatief voor werk of school voor cliënten die (nog) geen betaald werk kunnen doen. Daaronder wordt ook ondersteuning in de arbeidsparticipatie verstaan, zoals (begeleid) vrijwilligerswerk. De dagactiviteiten arbeidsmatig biedt cliënten zingeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.1Doelgroep en beoordelen problematiek Het college stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er eventueel zijn. Hiervoor maakt het college ook gebruik van de uitvraag op verschillende gebieden. Is de cliënt aangewezen op een maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig dan wordt vastgesteld wat als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dat wordt aangeduid met een intensiteit. Om de intensiteit te bepalen kan het college bij het onderzoek gebruik maken van Bijlage 3 Aandachtspunten resultaatgebieden begeleiding bij deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college hanteert de volgende intensiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Intensiteit Ondergrens dagdelen per maand Bovengrens dagdelen per maand Licht meer dan 4 dagdelen tot en met 18 dagdelen Middel meer dan 19 dagdelen tot en met 26 dagdelen Zwaar meer dan 27 dagdelen tot en met 35 dagdelen Intensief meer dan 35 dagdelen - Werksetting, begeleiding en coaching De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig omvat activiteiten in een werkachtige setting. Cliënten ontplooien hun capaciteiten, leren kennis en vaardigheden, leef- en werkritme en omgangsvormen die ze ook nodig hebben op de werkvloer, zodat waar mogelijk hun kansen op de arbeidsmarkt worden vergroot. De begeleiding bestaat uit ondersteuning en coaching en richt zich op het stimuleren van de zelfredzaamheid en eigen regie en het krijgen van veiligheid en structuur. De begeleiding gaat uit van de mogelijkheden en wensen van de cliënt en staat in het teken van het ontwikkelen van eigen initiatief, talenten. Begeleiding spreekt de competenties aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Realiseren van ontwikkeling De beperkingen van deze cliënten zijn dusdanig, dat er ontwikkeling verwacht en gerealiseerd kan worden. Het doel is afhankelijk van het ontwikkelperspectief van de individuele cliënt. De mate en snelheid van ontwikkeling verschilt per persoon. Het gaat erom dat cliënten zich ontwikkelen op maximaal eigen vermogen. Waar mogelijk stromen de deelnemers uit deze maatwerkvoorziening omdat ze er niet meer op zijn aangewezen of kan worden afgeschaald naar voorliggende oplossingen. Ook kan een cliënt doorstromen naar een vorm van werk of ondersteuning gericht op arbeidsparticipatie. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig dient dan als opstapje naar werk voor cliënt waarvoor de stap naar werk of een vorm van arbeidsparticipatie (tijdelijk) nog te groot is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen doorstroom naar werk/arbeidsparticipatie In bepaalde gevallen zal gezien de beperkingen van de cliënt doorstroom naar een vorm van werk niet haalbaar zijn. De maatwerkvoorziening dagactiviteiten arbeidsmatig staat dan in het teken van participatie met als doel cliënten een zinvolle invulling van de dag te geven die past bij hun interesse en vaardigheden en hun naar vermogen te laten ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie Tijdens het onderzoek door het college komt ook de mogelijke samenwerking aan bod met andere partijen (art. 2.3.2 lid 4 onder f Wmo 2015). Bijvoorbeeld de medewerker van de gemeente Noordoostpolder zelf in het kader van de uitvoering van de Participatiewet of een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Valt de cliënt onder de doelgroep van de Participatiewet of het UWV, dan kan samenwerking maar ook afstemming van de bijvoorbeeld te verstrekken begeleiding of dagactiviteiten arbeidsmatig op grond van de wet zijn aangewezen (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Reikwijdte De cliënt die een beroep doet op de Wmo 2015 kan in aanmerking komen voor voorzieningen gericht op zijn arbeidsparticipatie op grond van de Participatiewet of van het UWV. Daaronder kan ook het verrichten van vrijwilligerswerk vallen. In dat geval zal de cliënt een verzoek moeten indienen bij de betreffende organisatie. Ondersteuning in de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling valt niet binnen de reikwijdte van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt verstrekt inlichtingen of gegevens Bij het onderzoek na de melding zal de cliënt desgevraagd inlichtingen of gegevens moeten verstrekken om de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 vast te kunnen stellen. Zie verder 2.10 Inlichtingen- en medewerkingsplicht in deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkwijze Bij de melding van een ondersteuningsvraag gericht op dagactiviteiten arbeidsmatig wordt in de volgende situaties samen door de klantmanager Wmo en de klantmanager Participatie of accountmanager werk onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of dat dagactiviteiten arbeidsmatig is aangewezen. De cliënt: heeft een uitkering van de gemeente Noordoostpolder of het UWV en beschikt nog niet over een voorziening (traject) richting arbeidsinschakeling. Het gaat om cliënten met arbeidsvermogen; zij hebben dus geen UWV-uitkering vanwege volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid (ook 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid) of zijn door de gemeente niet ontheven van de arbeidsverplichtingen. heeft geen uitkering van de gemeente Noordoostpolder of het UWV en beschikt nog niet over een voorziening (traject) richting arbeidsinschakeling. Niet-uitkeringsgerechtigden kunnen onder de doelgroep van de Participatiewet vallen als zij beschikken over arbeidsvermogen. staat ingeschreven in het doelgroepregister van het UWV maar is nog niet werkzaam in een baan die valt onder de banenafspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroepregister UWV De volgende personen vallen in ieder geval in het doelgroepregister: doelgroep van de Participatiewet (art. 7 lid 1 onder a PW) en waarvan is vastgesteld dat die persoon niet zelfstandig het minimumloon kan verdienen. Bijvoorbeeld de doelgroep loonkostensubsidie. die een WSW-indicatie (Wet Sociale Werkvoorziening) heeft of had. die een oude Wajong of Wajong 2010 uitkering ontving en die kan werken. schoolverlaters van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het praktijkonderwijs (pro) die zich schriftelijk hebben aangemeld bij UWV. die alleen met een voorziening (hulp, hulpmiddelen en regelingen) het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonderheden Het UWV kan ook aan personen met een UWV-uitkering zonder verplichting tot arbeidsinschakeling een voorziening aanbieden als de client dat wenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs moeten in ieder geval een ontwikkelingsperspectiefplan (opp) voor leerlingen vaststellen. In dit plan staat de verwachte uitstroombestemming van de leerling: type vo of uitstroomprofiel vso en in het vso de verwachte uitstroombestemming (dagbesteding, arbeidsmarktgericht of vervolgonderwijs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UWV beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor een indicatie beschut werk. Een beschutte werkplek valt niet onder de banenafspraak en degene met een indicatie wordt niet opgenomen in het doelgroepregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8Huishoudelijke ondersteuning 8.1Inleiding Artikel 1.1 lid 1 Verordening Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit: schoonmaakondersteuning en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden. Het college kan de te verstrekken maatwerkvoorziening combineren met het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan. Verder is het zo dat degene die de begeleiding (als bedoeld in Hoofdstuk 6 Begeleiding) biedt contact moet hebben met degene die de huishoudelijke werkzaamheden overneemt van de cliënt om tot goede afstemming van de te bieden huishoudelijke ondersteuning te komen. Dat kan ook met de huisgenoot zijn die gebruikelijk hulp biedt. Deze maatwerkvoorziening wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van: eigen kracht, gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder ook geen andere personen in het netwerk zijn die taken kunnen overnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning Schoonmaakondersteuning heeft betrekking op het bereiken van een aantal resultaten. Het gaat om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat een schoon en leefbaar huis;</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat schone en draagbare kleding en ander linnengoed; en Resultaat boodschappen doen voor het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De twee laatstgenoemde resultaten komen incidenteel voor. Incidenteel omdat deze resultaten doorgaans met voorliggende oplossingen worden opgelost. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt hiervoor door het college een indicatie afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.1Resultaat een schoon en leefbaar huis Dit resultaat gaat over het schoonhouden van de woning. Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en leefbare elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, een slaapkamer, een slaapkamer die anders wordt gebruikt, een keuken, sanitaire ruimtes (maximaal één badkamer en twee toiletten) en aangrenzende hal, trap en/of overloop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elementaire woonruimten Het gaat bij deze woonruimten over de primaire leefruimten in de woning die de cliënt daadwerkelijk (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Deze ruimten worden schoongemaakt volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de sanitaire ruimten, keuken en het dweilen van vloeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen de binnenkant van de woning De huishoudelijke taken beperken zich tot de binnenkant van de woning. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder een schoon en leefbaar huis (CRVB:2017:1302, CRVB:2017:885, RBZWB:2023:49). Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld het vegen van een balkon nooit gedaan zou mogen worden, maar er wordt geen aparte indicatie voor gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee incidenteel voorkomende situaties Er zijn nog twee resultaten waar in incidentele situaties een indicatie maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning voor kan worden afgegeven. Het gaat om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat schone en draagbare kleding en ander linnengoed; en Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel omdat deze resultaten doorgaans met voorliggende oplossingen worden bereikt en er daarom slechts in uitzonderlijke gevallen tot een indicatie van een maatwerkvoorziening zullen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.2Resultaat schone en draagbare kleding en ander linnengoed Dit resultaat gaat over de overname van de wasverzorging. In Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie) zijn de activiteiten opgenomen die onder de wasverzorging vallen. Een indicatie voor de maatwerkvoorziening wasverzorging zal zich zelden voordoen omdat het resultaat doorgaans bereikt kan worden door gebruik te maken van de algemene voorziening wasservice (zie 8.13 Algemene voorziening van deze beleidsregels) of met hulp van het sociaal netwerk. Er wordt dan geen indicatie maatwerkvoorziening voor wasverzorging afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deeltaken zelf uitvoeren Mocht de algemene voorziening wasservice (nog) geen passende oplossing zijn, dan is het wel vaak zo dat cliënten een deel van de wasverzorging nog zelf kunnen uitvoeren. Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt strijken van was Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. CRVB:2024:1487).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.3Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Dit resultaat gaat over de overname van het doen van boodschappen voor het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Andere inkopen vallen niet onder dit resultaat. Een indicatie voor de overname van het doen van boodschappen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door gebruik te maken van de online boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Ook kinderen die niet meer thuis wonen of buren van de cliënt kunnen mogelijk hulp bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3Maatwerkvoorziening ondersteuning: regie/ zorg over het huishouden De inzet van een maatwerkvoorziening ondersteuning regie/zorg over het huishouden kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. In dat geval kan ondersteuning om een gestructureerd huishouden te kunnen voeren nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden bestaat uit de volgende resultaten: een gestructureerde organisatie van het huishouden; bevorderen zelfredzaamheid door advies, instructie, voorlichting (AIV); maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd; thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De twee laatstgenoemde resultaten komen incidenteel voor. Incidenteel omdat deze resultaten doorgaans met voorliggende oplossingen worden opgelost. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt hiervoor door het college een indicatie afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.1Resultaat een gestructureerde organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen met de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden). Het gaat bij de taak regie voeren over het huishouden niet om overname van huishoudelijke taken maar om activeren van de cliënt en samen optrekken bij de uitvoering van huishoudelijke taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regievermogen De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. Daaronder kan worden verstaan of de cliënt het vermogen heeft om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met ambulante begeleiding Ambulante begeleiding en de huishoudelijke ondersteuning kunnen met dit resultaat kunnen samenlopen. Dat wil zeggen naast elkaar kunnen bestaan. In de praktijk gaat het vaak om cliënten met beperkingen die voortkomen uit chronisch psychische of psychosociale klachten. In die gevallen wordt er geen indicatie voor ambulante begeleiding gegeven maar wordt huishoudelijke ondersteuning op dit resultaat gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.2Resultaat bevorderen zelfredzaamheid door advies, instructie, voorlichting (AIV) Bij dit resultaat gaat het niet over de overname van huishoudelijke taken maar over het aanleren daarvan. Het is daarom belangrijk dat de aanbieder weet wat de cliënt moet aanleren. Dat is onderdeel van de kortdurende indicatie; het te bereiken resultaat. Het resultaat gaat over het beschikken van de vaardigheid om zelfstandig te zorgen voor een schoon en leefbaar huis, voor schone en draagbare kleding en andere linnengoed, koken/maaltijdverzorging en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wie is AIV Aan cliënten die leerbaar zijn kan tijdelijk AIV worden verstrekt over het zelf kunnen uitvoeren van huishoudelijke taken en/ of het plannen daarvan. Het gaat bijvoorbeeld om voorlichting en instructie over het gebruik van (ergonomische) hulpmiddelen zoals een plumeau of een telescoopsteel bij het uitvoeren van huishoudelijke taken of over de indeling van de ruimte, waardoor een taak met minder fysieke belasting zelf kan worden uitgevoerd. Bij het plannen van huishoudelijke taken gaat het over het verdelen van de huishoudelijke taken over de week. Zie hierna onder het kopje twee doelgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer leerbaar Het college kan op verschillende momenten vaststellen dat de cliënt leerbaar is en tijdelijk is aangewezen op AIV:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het onderzoek na de melding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de indicatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Na beëindiging van de maatwerkvoorziening en er sprake is van een ‘leerbare’ partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Langer zelfredzaam Het uiteindelijke resultaat is het bevorderen van de zelfredzaamheid van de cliënt door inzet van AIV. Cliënten zijn langer zelfredzaam doordat ze zelf actiever blijven en hierdoor geen of minder snel gebruik hoeven te maken van een langdurige indicatie schoonmaakondersteuning of kunnen starten met een indicatie schoonmaakondersteuning met een lager volume of frequentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee doelgroepen Er kunnen twee doelgroepen zijn die voor AIV in aanmerking komen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt die nauwelijks beperkingen heeft maar is aangewezen op AIV gericht op het aanleren van huishoudelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt die beperkingen heeft en tijdelijk is aangewezen op AIV gericht op het stimuleren van de zelfredzaamheid door samen met de cliënt te kijken naar in ieder geval het gebruik van de juiste (lichte) werkmaterialen, indeling van de woning en verdeling van huishoudelijke taken over een week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie reablement AIV sluit aan op de landelijke ontwikkeling reablement (herstelgerichte zorg). Dat heeft betrekking op het behouden en vergroten van de zelfredzaamheid van de cliënt door tijdelijke inzet van herstelgerichte zorg. De herstelgerichte zorg kan voor huishoudelijke ondersteuning bestaan uit AIV over hoe en wanneer bepaalde huishoudelijke taken uitgevoerd (moeten) worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periode Wordt een maatwerkvoorziening voor dit resultaat ingezet, dan is dat meestal gedurende een periode van zes weken. Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie). Het resultaat is dat de cliënt over de vaardigheid beschikt zelfstandig een huishouding te voeren. Het is daarom belangrijk dat de aanbieder weet wat de cliënt moet aanleren. Dat is onderdeel van de indicatie; het te bereiken resultaat. Een verlenging van de indicatie voor AIV is niet uitgesloten. Het college beoordeelt de noodzaak mede op basis van een evaluatieverslag van de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerpersoonshuishouden Een indicatie voor dit resultaat zal zich bij een meerpersoonshuishouden zelden voordoen omdat sprake zal zijn van gebruikelijke hulp (overname).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rol aanbieders Aanbieders hebben hierin ook een rol als het cliënten betreft waarvan tijdens de indicatie blijkt dat zij leerbaar zijn. Het kan ook gaan om belastende factoren zoals niet het juiste schoonmateriaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra aandacht voor zorgmijders In situaties waarbij het niet wenselijk of haalbaar is dat een cliënt meerdere ondersteuners heeft, bijvoorbeeld bij (potentiële) zorgmijders, dan zorgt aanbieder dat één ondersteuner zowel de schoonmaakondersteuning als de ondersteuning bij regie/ zorg uitvoert. Het college zorgt dat aanbieder hiervan op de hoogte is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel voorkomende resultaten regie/zorg Er zijn twee resultaten regie/zorg die slechts in incidentele gevallen worden geïndiceerd. Het gaat om: het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden; en de verzorging van minderjarige kinderen van het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd In incidentele gevallen valt het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden onder de maatwerkvoorziening regie/zorg over het huishouden. Dit resultaat valt onder de huishoudelijke ondersteuning als sprake is van overname van het: klaarzetten of aanreiken van de broodmaaltijd; klaarzetten of opwarmen van een maaltijd; bereiden van de warme maaltijd (alleen als voorliggende oplossingen zoals kant- en klaar maaltijden niet passend zijn); tafel dekken en afruimen; eten en drinken klaarzetten; in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">In/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat Deze activiteiten zijn onderdeel van het resultaat maaltijden. Is het resultaat maaltijden niet nodig, dan wordt beoordeeld of in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat nodig is. Er wordt rekening gehouden met wat de cliënt zelf kan (eigen kracht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-uitstelbaar Bij dit resultaat gaat het om niet-uitstelbare taken. Dat wil zeggen: taken die doorgaans dagelijks moeten worden gedaan of in ieder geval niet kunnen worden uitgesteld tot de hulp weer langskomt bij de cliënt. Bij maaltijden spreekt dat voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggende oplossingen Een indicatie voor het overnemen van het doen van maaltijdverzorging zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans: op eigen kracht, met algemeen gebruikelijke voorzieningen (kant en klaar maaltijden), met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen bereikt kan worden. Ook het mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis valt hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt broodmaaltijden Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden gemaakt en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp sociaal netwerk Kan de cliënt met ondersteuning van de mensen om hem heen het resultaat bereiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Tijdens het onderzoek wordt gekeken of bijvoorbeeld één van de buren bereid is een maaltijd klaar te zetten of op te warmen als de cliënt dat niet zelf kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansporen bereiden en eten maaltijd Kan een cliënt wel zelf een maaltijd nuttigen, maar niet weet of vergeet om tijdig een maaltijd te bereiden, dan kan de aansporing daartoe onder ambulante begeleiding vallen. Het gaat meestal om cliënten die ook voor het bereiken van andere resultaten al een indicatie voor begeleiding hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijkverpleging en maaltijdvoorziening Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client: hulp nodig heeft om het eten en drinken in zijn mond te brengen (eten en drinken geven), is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder 6.4 Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 in deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.4Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren Een indicatie voor het overnemen van de zorg voor minderjarige kinderen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door eigen kracht, gebruikelijke hulp (de andere ouder) of hulp van anderen. Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4Wet langdurige zorg en huishoudelijke ondersteuning Bestaat de leefeenheid uit meer dan één persoon, dan kan het voorkomen dat een van hen een indicatie heeft op grond van de Wlz. De Wlz-indicatie is alleen gericht en bestemd voor de Wlz-gerechtigde. Het college zal moeten onderzoeken welke ondersteuning naar aard en omvang (nog) nodig is voor de cliënt (CRVB:2023:2165). Het kan zijn dat er op grond van de Wmo 2015 een lagere indicatie kan worden verstrekt omdat de Wlz-indicatie voorziet in bijvoorbeeld schoonmaakactiviteiten voor de Wlz-gerechtigde die niet dubbel uitgevoerd te hoeven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5Uitstelbare en niet-uitstelbare taken Of gebruikelijke hulp kan worden geboden is ook afhankelijk van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoonmaakwerkzaamheden In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten ook in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar (afwezig), dan kan daarvoor een maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wasverzorging Ook in geval van wasverzorging zal het meestal gaan om een uitstelbare taak. Dit betekent dat deze huishoudelijke activiteit wasverzorging in de avond of het weekend uitgevoerd kan worden. Dat betekent ook dat de algemene voorziening wasservice een passende oplossing zal zijn (zie 8.13 Algemene voorziening van deze beleidsregels). En zo niet, dan kan de maatwerkvoorziening wasverzorging worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaltijden Maaltijden vallen niet onder een uitstelbare taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de beoordeling hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid Huisdieren en de gesaneerde woning Algemeen gebruikelijke voorzieningen Gebruikelijke hulp Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg Gebruik van algemene voorzieningen Normtijden HHM 2019 8.7Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitelijk eigen kracht Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan (CRVB:2022:308). In het algemeen zal een cliënt die een melding doet nog over enige eigen kracht beschikken. Dat wil zeggen dat een deel van de te bereiken resultaten nog deels zelf kunnen worden uitgevoerd. Daaronder valt ook het gebruik maken van ergonomische hulpmiddelen die als algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichte en zware huishoudelijke taken Er wordt in het normenkader HHM 2019 geen onderscheidt gemaakt tussen lichte en zware huishoudelijke activiteiten. In het kader van de feitelijke eigen kracht zullen cliënten vaak (een aantal) huishoudelijke activiteiten zelf kunnen uitvoeren. In dat kader wordt onder: de lichte huishoudelijke taken de volgende activiteiten verstaan: afwassen/vaatwasser inruimen, opruimen, stof afnemen op ooghoogte. Het gaat om huishoudelijke activiteiten waarvoor de client niet hoeft te bukken of reiken. de zware huishoudelijke taken de volgende activiteiten verstaan: hoog/laag afstoffen, stofzuigen/swifferen, schoonmaken van sanitair (toilet en badkamer) en keuken, bedden verschonen, ramen lappen binnenzijde, opruimen huishoudelijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college houdt rekening met de feitelijke eigen kracht door de ‘minder inzet’ af te trekken van de basisnorm (zie 8.14 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 van deze beleidsregels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels de huishoudelijke taken verspreid over de week in een rustig tempo zelf kan uitvoeren (CRVB:2022:308), zie ook Hoofdstuk 3 Beoordeling van de aanspraak van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: wasverzorging In de meeste situaties is de algemene voorziening wasservice een passende oplossing en komt de cliënt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening (zie 8.13 Algemene voorziening van deze beleidsregels). Is de algemene voorziening wasservice geen passende oplossing en is er geen sprake van gebruikelijke hulp of hulp uit het sociaal netwerk, dan beoordeelt het college of de cliënt zelf een deel van de wasverzorging doen. In dat geval hoeft niet de gehele wasverzorging overgenomen te worden; dit onder aftrek van ‘minder inzet’ op de basisnorm. Denk bijvoorbeeld aan: de was sorteren of de was in de wasmachine stoppen en deze aanzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: boodschappen voor het dagelijks leven Kan de cliënt zelf een deel van de boodschappen doen, dan hoeft niet het gehele resultaat boodschappen voor het dagelijks leven overgenomen te worden. Denk aan een deeltaak zoals het opstellen van de boodschappenlijst. Zie ook 8.10 Algemeen gebruikelijke voorzieningen van deze beleidsregels voor de boodschappendienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen kracht (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een specifiek kenmerk om ‘meer inzet’ te indiceren boven de basisnorm schoonmaakondersteuning (zie 8.14 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 van deze beleidsregels).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9Huisdieren en de gesaneerde woning Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Heeft de cliënt een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, dan zal het college daar wel rekening mee moeten houden (RBGEL:2018:1741). De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesaneerde woning Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie of COPD. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning kan worden uitgevoerd maar ook zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een (robot)stofzuiger, een wasmachine, een wasdroger, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkomen van een aanspraak Het kan ook zijn dat met algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan: strijkvrije kleding (CRVB:2024:1487), de boodschappendienst (CRVB:2019:3690), kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice, de aanschaf van een wasdroger (CRVB:2005:AT8015) of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning verstrekt. Zie verder 3.2.7 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels voor hoe het college dat beoordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie Hoofdstuk 17 Advisering van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociaal netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.12.1Onderzoek Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt -kort gezegd- hulp van anderen kan krijgen. Zijn andere personen uit het netwerk van de cliënt aanwezig bij het gesprek, dan kunnen praktische zaken tot oplossingen leiden waardoor geen of minder maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt hoeft te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.12.2Rol aanbieder De aanbieder heeft gedurende de indicatie (frequent) contact met de cliënt en mogelijk ook met personen uit het sociaal netwerk. De aanbieder kan met betrokkenen bespreken of bijvoorbeeld personen uit het sociaal netwerk bepaalde huishoudelijke werkzaamheden zouden kunnen overnemen. En zo ja, welke werkzaamheden. De aanbieder meldt dat bij het college, zie ook 2.6 Signaleringsfunctie aanbieder van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13Algemene voorziening Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen die door de cliënt worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Dat wil zeggen dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13.1Wasservice De algemene voorziening wasservice bestaat uit: het eens per week ophalen van de was door de aanbieder bij de cliënt thuis bij de voordeur of de schuur, de aanbieder zorgt voor de waszakken, labelen van wasgoed is niet nodig, het wasgoed van de cliënt wordt niet vermengd met wasgoed van anderen, het wassen en drogen van de was wordt gedaan op locatie bij de aanbieder, het eens per week weer terugbrengen van de opgevouwen was, wassen en drogen gebeurt milieubewust en duurzaam, er wordt een neutraal wasmiddel gebruikt en geen wasverzachter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De was wordt aangeboden in een waszak; die ontvangt de cliënt van de aanbieder. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleding strijken Zoals gezegd is het uitgangspunt bij de maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning dat de was niet wordt gestreken (CRVB:2024:1478). In overleg met de aanbieder kan de cliënt wel, tegen betaling, gebruik maken van het laten strijken of stomen van kledingstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatie Wet langdurige zorg De algemene voorziening wasservice is op grond van de Wmo niet toegankelijk voor verzekerden die in een instelling wonen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De Wlz-instelling is namelijk verplicht om de wasverzorging voor de persoonlijke was (kleding) voor de bewoners te organiseren. Dat kan door de Wlz-instelling zelf worden gedaan maar ook door bijvoorbeeld een commerciële partij. Daar mag de Wlz-instelling een bijdrage voor vragen; in de praktijk gebeurt dat ook. Gaat het om een te hoge bijdrage, dan kan de verzekerde daarvoor een aanvraag om bijzondere bijstand indienen (CRVB:2012:BW7543). Verzekerden met een Wlz-indicatie die thuis wonen ontvangen de wasverzorging op grond van de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13.2Wasservice als passende oplossing De algemene voorziening wasservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt. De wasservice biedt in ieder geval de mogelijkheid om 6 waszakken per week aan te bieden. De eerste, derde en vijfde waszak mogen maximaal twee was- en droogbeurten bevatten en de tweede, vierde en zesde waszak maximaal één was- en droogbeurt. Dat komt neer op 9 wasbeurten per week. Een dergelijke omvang zal in de praktijk niet vaak voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er een mogelijkheid is voor het: aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt; aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen passende oplossing De algemene voorziening wasservice is niet geschikt als: sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is, de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982); het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een niet-uitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp De omstandigheid dat de algemene voorziening wasservice geen passende oplossing is, wil niet zeggen dat er geen sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (bijv. RBLIM:2022:7897).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning waaronder ook de wasverzorging valt (voorheen HH1) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden (voorheen HH2). Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels. Met uitzondering van het resultaat kindzorg (regie/zorg) zijn de normtijden gebaseerd op de HHM 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normenkader als richtlijn Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige overname van huishoudelijke activiteiten. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon en leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. Hierbij geeft het college gemotiveerd aan waarom de basisnorm wordt verhoogd of verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14.1Basisnorm Met de basisnorm wordt 125 minuten per week bedoeld volgens het normenkader HHM 2019. Zoals gezegd kan de basisnorm worden verlaagd of verhoogd. Dat is afhankelijk van de situatie van de cliënt. Zie Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie) voor het normenkader voor de omvang van de verlaging of verhoging van de basisnorm. Het HHM Normenkader 2019 levert geen strijd op met het CIZ-protocol (CRVB:2024:1605).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14.2Gemiddelde cliëntsituatie Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14.3Individuele situaties op basis van kenmerken Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken cliënt Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken huishouden Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Zie 8.7 Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van deze beleidsregels voor het te hanteren uitgangspunt over huisdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken woning Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14.4Nadere instructies HHM 2019 In september 2022 zijn door HHM in bijlage 1 van het normenkader 2019 nadere instructies toegevoegd over de toepassing. Het college zoekt op een aantal punten aansluiting in de motivering van de beslissing op de aanvraag van huishoudelijke ondersteuning bij deze instructies voor minder of meer inzet. In februari 2024 is door HHM een toelichting geschreven voor de activiteiten en de normtijden voor de wasverzorging. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB (CRVB:2023:2470). Zie schema in Bijlage 4 Huishoudelijke ondersteuning (normtijden activiteiten en frequentie) van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten Opgemerkt wordt dat het uitgangspunt voor meer inzet als gevolg van huisdieren ook al is opgenomen in dit hoofdstuk. Verder kan een robotstofzuiger (algemeen gebruikelijke voorziening) leiden tot minder inzet van schoonmaakondersteuning. Zie 3.2.7 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14.5Een keer per twee weken schoonmaakondersteuning Bij nieuwe cliënten én bij nieuwe meldingen (verzoek om verlenging van de indicatie) bekijkt het college de mogelijkheid of de schoonmaakondersteuning (volledige overname) eens per twee weken kan worden ingezet in plaats van wekelijks. Het moet wel duidelijk zijn dat: dat de cliënt dit wenst of daar in ieder geval mee instemt; sprake is van (enige) eigen kracht op grond waarvan de basisnorm van 125 minuten per week sowieso wordt verlaagd; de cliënt zelf in staat is om het aanrecht schoon te houden en in algemene zin kan opruimen; geen sprake is van niet-uitstelbare taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht blijken dat de tweewekelijkse inzet niet volstaat, dan kan de cliënt dit doorgeven aan het college. De schoonmaakondersteuning wordt zo spoedig als mogelijk wekelijks ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.15Werkwijze selectie van een aanbieder De cliënt wordt door het college de mogelijkheid geboden om te kiezen uit de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. De cliënt krijgt daarvoor een overzicht van de aanbieders. De selectie van een aanbieder vindt plaats op basis van de volgende criteria: keuze van de cliënt; indien de cliënt geen voorkeur heeft: de aanbieder die het meest geschikt is voor het bieden van hulp /ondersteuning voor de specifieke casus volgens het college; indien de cliënt geen voorkeur heeft en bij gelijke geschiktheid van aanbieders voor de specifieke casus: de prijs van de dienstverlening; in geval van gelijke geschiktheid en gelijke tarieven zal de opdracht per toerbeurt aan een aanbieder worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de ondersteuning bij de aanbieder. De keuze van de cliënt gaat echter niet zo ver dat diens voorkeur voor een bepaalde ondersteuner bepalend is voor de keuze van de aanbieder met wie het college een overeenkomst sluit. Bepalend is of de verstrekte maatwerkvoorziening passend is (CRVB:2021:2784).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Beschermd wonen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 van de Verordening</h3>\n<p class=\"lf-p\">9.1Inleiding De Wmo 2015 definieert beschermd wonen als volgt: “het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving” (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Doelgroep Beschermd Wonen Het gaat bij de indicatie voor beschermd wonen om een specifieke doelgroep die vanwege psychische en/of psychosociale problemen en/of verstandelijke beperking niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving. Daarnaast is er sprake van regieproblemen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. De cliënt is om die redenen tijdelijk aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving met bijbehorend toezicht en begeleiding. De noodzaak voor een beschermende woonomgeving wordt, zo blijkt uit de begripsbepaling, (mede) bepaald aan de hand van de aanwezigheid van risico’s: het voorkomen van verwaarlozing; en/of maatschappelijke overlast; en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toezicht is noodzakelijk ter voorkoming van één of meer van de hiervoor genoemde risico’s en bestaat uit een (noodzakelijke) behoefte aan meerdere en onplanbare ondersteuningsmomenten per etmaal op essentiële terreinen van het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3Doelstelling Beschermd Wonen De doelstelling is om voor mensen in een beschermde woonvorm het leven daar waar mogelijk te stabiliseren, normaliseren en het perspectief op ontwikkeling en integratie in de samenleving te bevorderen. Ten einde duurzaam uit te stromen naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4Indicatiebesluit Beschermd Wonen Het college van gemeente Almere kan een indicatie voor beschermd wonen verstrekken als de aanvraag middels een handtekening van de cliënt is bekrachtigd. Hierbij wordt rekening gehouden met de ondersteuningsvraag van de cliënt. Het college van gemeente Almere zal ook een beslissing nemen wanneer cliënt het onderzoeksverslag, ondanks herinneringen vanuit de GGD, niet ondertekend retour heeft gestuurd. Het college neemt het besluit op basis van het advies van de GGD, omdat de cliënt akkoord is gegaan met de melding voor beschermd wonen en mee heeft gewerkt aan het onderzoek. Deze werkwijze is in het kader van het belang van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.3Beschermd Wonen Profiel Beschut Wonen Beschermd wonen profiel Beschut Wonen Kenmerken pakket Beschut Wonen is een lichtere vorm van ondersteuning binnen de financiering van beschermd wonen. De cliënt woont in een accommodatie van de aanbieder en krijgt hier gemiddeld vier uur individuele begeleiding per week. Begeleiding is 24/7 beschikbaar en kan binnen 30 minuten aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uiteindelijke doel van Beschut Wonen is uitstroom naar zelfstandig wonen. Daarnaast moet Beschut Wonen uitstroom vanuit intensievere vormen van beschermd wonen of andere (intramurale) setting bevorderen of instroom naar intensievere vormen van beschermd wonen of andere (intramurale) setting voorkomen. Beschut Wonen kan bijvoorbeeld ook ingezet worden voor cliënten die uitstromen vanuit de Forensische Zorg, een GGZ-instelling of de Jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten kunnen een aanvraag doen voor Beschut Wonen met óf zonder dagbesteding. De aanvraag wordt beoordeeld door de GGD (dus regionaal). Indien een aanvraag Beschut Wonen met dagbesteding wordt beschikt, dan ontvangt de aanbieder hiervoor één tarief, waarbij het onderdeel dagbesteding gebaseerd is op gemiddeld 4 dagdelen dagbesteding per week. Dit wordt bekostigd vanuit de regionale Wmo-middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Beschut Wonen. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen. Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een psychiatrische/ psychische aandoening heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks contact is met de cliënt om dit te monitoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf de ondersteuningsvraag kan formuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpvraag 30 minuten kan uitstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding, opleiding en/of werk volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basale ADL-vaardigheden beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties uit te voeren door aanbieder De begeleiding bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt ondersteunen bij het stabiel blijven en begeleiden naar zelfstandigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder werkt samen met de cliënt aan doelen om de uitstroom naar een zelfstandige woning mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder begeleidt de cliënt naar dagbesteding of passende activering die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel uit van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder meldt de cliënt zes maanden voordat iemand naar verwachting klaar is voor uitstroom aan voor de uitstroomtafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder biedt gemiddeld vier uur individuele begeleiding per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is in principe geen sprake van groepsbegeleiding. Het staat de aanbieder vrij om groepsbegeleiding in te zetten vanuit de beschikbare uren individuele begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder biedt planbare zorg buiten kantoortijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg kan worden geleverd tussen 07:00 uur en 22:00 op alle weekdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder is 24/7 beschikbaar en indien nodig binnen 30 minuten aanwezig (oproepbaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder biedt een woning waarbij de cliënt in staat is om zelfstandig naar een locatie van de hulpverlenende instantie te gaan. Dit kan zowel een woning op het terrein van de hulpverlenende instantie zijn of daarbuiten, afhankelijk van de behoeften van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschut wonen vindt zo veel als mogelijk plaats in de herkomstgemeente van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat De cliënt heeft voldoende vaardigheden ontwikkeld om zelfstandig te kunnen wonen en functioneren met de benodigde ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking De beschikkingsduur is tijdelijk van aard. Maximaal 1,5 jaar, met een evaluatiemoment door middel van de uitstroomtafel na 1 jaar (of indien het een korter traject betreft 6 maanden voor uitstroom). Verlenging van de beschikking is mogelijk in uitzonderlijke gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.2 Beschermd Wonen Midden Beschermd Wonen Midden Kenmerken pakket Dit pakket biedt 24-uurs begeleiding, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een Beschermd wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problematiek, herstel van de zelfredzaamheid en zelfstandig wonen met eventueel ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen ervaart door: Psychische en/of psychosociale problemen, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende in staat is zijn ondersteuningsvraag zelf te formuleren en uit te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkte vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL)1Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL2Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrinsiek gemotiveerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt gevoelig kan zijn voor begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding Acties uit te voeren door aanbieder Ondersteuning is 24 uur op een dag, 7 dagen in de week beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms ondersteuning nodig heeft is er een slapende wacht aanwezig of wordt gebruik gemaakt van digi-contact waarbij begeleiding oproepbaar is en binnen 30 minuten aanwezig. De begeleiding is gericht op stabilisatie en het vergroten van zelfredzaamheid en zelfregie. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Het uiteindelijke doel is zelfstandig wonen eventueel met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst. De intensiteit van de begeleiding fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de cliënt een ondersteuningsplan opstellen gericht op herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zo nodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van instrumentele ADL vaardigheden, indien nodig taken tijdelijk overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist Begeleiding bij het vergroten van de sociale redzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerder/curator worden ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de hulpvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij contact met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het behouden en vergroten van het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding richting een passende vervolgplek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/Wmo-voorzieningen (scootmobiel etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermd wonen locatie biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">24/7 beschikbaar is voor cliënt, met in de nacht een slapende wacht of digi-contact waarbij begeleiding binnen 30 minuten aanwezig is Minimaal 4 uur individuele ondersteuning per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een passende vervolgplek of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.1 Beschermd Wonen Hoog Beschermd Wonen Hoog Kenmerken pakket Dit pakket biedt intensieve 24-uurs begeleiding, aan volwassenen met psychische of psychosociale problemen, in een veilige en weinig eisende accommodatie van een beschermd wonen instelling. Het doel is toe te werken naar stabilisatie van de psychische en/of psychosociale problemen en herstel van de zelfredzaamheid en de cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen of wetgeving omdat deze onvoldoende ondersteuning bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen netwerk heeft dat (voldoende) steun biedt of steun kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Last heeft van multiproblematiek; Psychische en/of psychosociale problemen heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk in aanraking is (geweest) met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grensoverschrijdend gedrag kan laten zien; (verbaal) agressief, manipulatief, dwangmatig, destructief en/of reactief gedrag in onder andere de interactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan sprake zijn van maatschappelijke teloorgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeer beperkt gevoelig is voor begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrinsiek gemotiveerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkt of geen vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL)3Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL4Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen. nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acties uit te voeren door aanbieder Begeleiding is 24 uur op een dag 7 dagen in de week aanwezig en beschikbaar voor de cliënt. Omdat de cliënt in de nacht soms begeleiding nodig heeft is er een wakende wacht aanwezig die in de gaten houdt of het goed gaat met de cliënt. De begeleiding is gericht op het vergroten en behouden van zelfredzaamheid en zelfregie. Begeleiding is gericht op het ondersteunen en aanleren van vaardigheden op alle levensterreinen, het waar mogelijk leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. De begeleiding is gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Het uiteindelijke doel is doorstromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de cliënt een ondersteuningsplan opstellen gericht op herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zo nodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op instrumentele ADL, indien nodig taken overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het vergroten van de sociale redzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties. Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerder/curator worden ondergebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij eventueel contact met politie/justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het behouden en vergroten van het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding richting een passende vervolgplek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/Wmo-voorzieningen (scootmobiel etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Beschermd Wonen locatie biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 7 uur individuele begeleiding per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">24/7 begeleiding, aanwezigheid en beschikbaarheid voor de cliënt waarbij er in de nachten een wakende wacht aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. Overname van taken om zich zelfstandig te handhaven in de samenleving is niet langer noodzakelijk. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een lichtere beschermde woonvorm of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt met een looptijd van maximaal 3 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.4 Gewoon Thuis Gewoon Thuis Kenmerken pakket Gewoon Thuis biedt ambulante begeleiding met 24x7 beschikbaarheid en oproepbaarheid. Hulp is indien nodig binnen 45 minuten aanwezig. De begeleiding sterkt de volwassene in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met ondersteuning vanuit Gewoon Thuis wonen volwassen in hun eigen huis, en betalen ze zelf het levensonderhoud. Wonen en zorg zijn dus gescheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van Gewoon Thuis is instroom in Beschermd Wonen voorkomen of uitstroom vanuit intramurale setting bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten kunnen indien nodig logeren. Logeren is een apart product, wat door de aanbieder kan worden aangevraagd. Cliënten doen - als daar behoefte aan is - een aanvraag voor dagbesteding bij de lokale gemeente. De gemeente beoordeelt deze aanvraag en beschikt (indien de aanvraag positief wordt beoordeeld) een lokaal dagbestedingsproduct, zoals gebruikelijk bij zelfstandig wonende inwoners die behoefte hebben aan dagbesteding. De dagbesteding wordt bekostigd vanuit de lokale Wmo-middelen van desbetreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Gewoon Thuis. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen geldt dat de cliënt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerichte intensieve ambulante begeleiding nodig heeft ter voorkoming van Beschermd Wonen en/of gericht op ambulantisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulpvraag minimaal 45 minuten kan uitstellen en in staat is om zelf een beroep te doen op begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de nodige begeleiding een netwerk kan opbouwen, aanwezigheid van enig netwerk is wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfstandig kan reizen en zich fysiek zelfstandig verplaatsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basale ADL vaardigheden beheerst en met hulp meer inzicht kan krijgen in financiën, eetpatroon, leefpatroon en zelfzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Matig tot ernstige gedragsproblemen heeft. Hanteerbaar is met begeleiding waarbij gewerkt kan worden aan herstel richting zelfredzaamheid, opleiding/werk/dagritme/invulling en participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een stabiele thuissituatie en bereidheid om ondersteuning te ontvangen Acties uit te voeren door aanbieder De begeleiding bestaat uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding is gericht op het aanleren van woonvaardigheden om zelfstandig te functioneren en op het stabiliseren van de situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding sterkt de volwassene in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder werkt samen met de cliënt aan persoonlijke veiligheid en weerbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder biedt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld zes uur begeleiding per week. Begeleiding kan op- en afgeschaald worden naar behoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">24X7 beschikbaarheid en oproepbaarheid, hulp kan binnen 45 minuten aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg kan worden geleverd tussen 07:00 uur en 22:00 op alle weekdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen 22:00 en 07:00 uur wordt ongeplande zorg opgevangen middels bereikbaarheidsdienst Vraagt, indien nodig, logeren aan bij de plaatsingscoördinatoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieder organiseert vervolg van de begeleiding als logeren niet volstaat en begeleiding vanuit intramurale setting nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaat De situatie van cliënt is gestabiliseerd, er is geen opname in kliniek of in beschermde woonvorm noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Looptijd beschikking Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5PGB Beschermd Wonen Beschermd wonen kent twee verzilveringsvormen: zorg in natura en via een pgb. Bij zorg in natura krijgt de cliënt de ondersteuning via een aanbieder die een contract heeft met centrumgemeente Almere. Bij een pgb krijgt de cliënt via de Sociale Verzekeringsbank een geldbedrag om zelf de benodigde ondersteuning in te kopen. Zo is er meer keuzevrijheid en behoudt de cliënt de regie over de ondersteuning. Voor het beheren van een pgb is kennis en vaardigheid nodig, zie REF _Ref122477361 \\h \\* MERGEFORMAT Hoofdstuk 13 Persoonsgebonden budget van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Verordening (ondersteuning gericht op het wonen)</h3>\n<p class=\"lf-p\">10.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de Verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2Elementaire woonfuncties Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.1Beperkende voorwaarden Verder is het zo dat bij de beoordeling van de aanvraag beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. In dat kader kunnen verschillende begrippen in de Verordening aan de orde zijn. Zo bepaalt de Verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de Wmo 2015) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De Verordening bepaalt bijvoorbeeld dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen als de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een traplift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door het weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 Wmo 2015 dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de woningeigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de woningeigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. Een traplift wordt wel verwijderd; het is namelijk geen woningaanpassing. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde-belanghebbende De woningeigenaar kan (derde)belanghebbende zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4Hoofdverblijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.1Uitzondering hoofdverblijf Er is een uitzondering. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is omdat het hulpmiddelen meegenomen kan worden naar de woning van de betreffende co-ouder. Alleen in geval van co-ouderschap kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling tussen ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5Primaat van verhuizen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het college de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast. Dat is het geval bij een aanvraag om een woningaanpassing en/of een traplift.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.1Kosten Het college neemt de volgende kosten in ieder geval mee in de overwegingen: het kostenverschil tussen de woningaanpassing en/of een traplift en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten. de huidige en voorzienbare aanpassingskosten en/of traplift van de reeds bewoonde woning; de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 7.3 lid 2 Verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kostenverschil tussen bijvoorbeeld de woningaanpassing en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten is van belang om te het primaat van de verhuizen toe te kunnen passen. Dat wil zeggen als deze tegemoetkoming goedkoper en ook adequaat is. Daarvoor zijn de afwegingsfactoren in 10.5.2 Afwegingsfactoren primaat van verhuizen van deze beleidsregels ook van belang. Dat de cliënt graag in zijn huidige woning wil blijven wonen maakt, hoe begrijpelijk die wens ook kan zijn, niet dat het college, een gevraagde woningaanpassing moet verstrekken (bijv. CRVB:2022:477). Dit mede gelet op het kostenverschil. Een aanzienlijk kostenverschil is in ieder geval een bedrag € 8.000,00 (CRVB:2018:2602). Het spreekt voor zich dat er binnen een medisch aanvaardbare termijn wel een geschikte woning beschikbaar moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat de cliënt op het moment van de beslissing op de aanvraag een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de toe te kennen woningaanpassing en/of traplift, in samenhang met de volgende voorzienbare maatwerkvoorziening, wel langdurig als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Wat onder langdurig wordt verstaan laat zich niet makkelijk vertalen in tijd. Ingeval van woonvoorzieningen die niet zijn terug te draaien zonder hoge kosten, meestal een woningaanpassing, moet sprake zijn van langdurige beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. c Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat in de nieuwe beschikbare en op dat moment meest geschikte woning ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.2Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen de cliënt over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten), Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, Opstalverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Restschuld Toepassing van het primaat van verhuizen is niet toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Het college beoordeelt of daar sprake van is.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 7.4 lid 1 Verordening Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1 lid 1 Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken en/of de aan hem verstrekte vervoersvoorziening moet kunnen stallen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte (art. 7.4 lid 3 aanhef en onder f Verordening). Een traplift in een gemeenschappelijke ruimte zal mogelijk niet geplaatst mogen worden in verband met de brandveiligheid (CRVB:2022:2441). Sinds 1 januari 2024 bepaalt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. En sinds 1 juli 2024 is het expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7Specifieke criteria Artikel 7.4 lid 2 en 3 Verordening Dit artikel van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria voor het verstrekken van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid besloten dan wel omstandigheden die in de risicosfeer liggen van de cliënt. Het gaat om situaties waarin:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geen dringende reden is om te verhuizen (bijv. CRVB:2023:731).</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning (bijv. CRVB:2019:290).</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning (CRVB:2003:AM5445).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag gericht is op renovatie (mogelijk algemeen gebruikelijke voorziening) of het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden. Dit is afhankelijk van welk Bouwbesluit van toepassing is of de overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met bijvoorbeeld een verstandelijk beperking (hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels), kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning een uitraaskamer te realiseren. Een uitraaskamer heeft niet tot doel het kunnen realiseren van zorg op grond van de Wet langdurige zorg. De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het verstrekken van een uitraaskamer zijn: de cliënt beschadigt of zal zichzelf beschadigen (zelfverwonding), de cliënt beschadigt of zal de omgeving beschadigen (vernielzucht), er is sprake van ernstig ontremd gedrag (gedragsstoornis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel gericht De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Immers een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht (art. 4.3 lid 1 aanhef en onder c Verordening). Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. De uitraaskamer dient alleen het belang van de cliënt. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor hen, dan is er geen noodzaak voor een uitraasruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel uitraasruimte Het doel van de uitraaskamer is het tot rust kunnen komen van de cliënt. Daarom moet de ruimte prikkelarm en veilig zijn. Ook kan de uitraasruimte uitgerust worden met voorzieningen die toezicht door de ouders mogelijk maken. Uit het medisch advies (door een arts) moet blijken of de cliënt is aangewezen op een uitraasruimte én aan welke eisen die ruimte moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9.1Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12 lid 2 Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9.2Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het college heeft daarvoor dan ook geen ondersteuningsplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 PW (Participatiewet) zijn de eenvoudige mobiliteitmiddelen uit de AWBZ geschrapt, omdat deze voorzieningen, gezien de lage kosten en de duurzaamheid, voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van het college om op grond van de Wmo die voorzieningen te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9.3Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers, de mogelijkheden van de cliënt/het kind, de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen, de beschikbare ruimte, de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.4Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de \"natte cel\" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Een driewieler kan, mede gelet op de hoogte van de kosten, wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het in ieder geval normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt, mits het natuurlijk een passende oplossing is voor de problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt ook hier of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Het gaat vaak om hulpmiddelen die op grond van de Zvw verstrekt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11Woningaanpassing Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk, tenzij deze kosten zonder meerkosten kunnen worden meegenomen in de bouw. Wel kan van de cliënt en zijn partner en/of huisgenoten worden gevergd dat de taakverdeling wordt aangepast. Uit jurisprudentie blijkt dat, wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen ondersteuningsplicht voor het college is (CRVB:2006:AV3943).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toestemming Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden van de woningaanpassing. Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid controleert het college dat aan de hand van bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gereedmeldingsformulier Na de voltooiing van de werkzaamheden zal de woningeigenaar of huurder binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen van de werkzaamheden in moeten leveren. Dan kan de definitieve hoogte van het pgb worden opgemaakt. Bij de gereedmelding moet door de cliënt ook een verklaring worden bijgevoegd waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verstrekt. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12Zich verplaatsen in en om de woning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het zich verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als de cliënt zich elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik Het gebruiksgebied De aandrijving door middel van het eigen lichaam door het bedienen van een aandrijfmechanisme voortduwen door anderen De zithouding en de eisen aan de ondersteuning De meeneembaarheid Antropometrische gegevens 10.13Rolstoelen Er zijn verschillende soorten rolstoelen te onderscheiden: handbewogen rolstoelen; elektrische rolstoelen; kinderrolstoelen; stoelen op wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.1Handbewogen rolstoelen Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwrolstoelen. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de cliënt noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Voor degene die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwrolstoelen hebben over het algemeen vier kleine wielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.2Elektrische rolstoelen Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen of plateaurolstoelen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen: elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen; elektrische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Onder omstandigheden kan deze rolstoel in aanmerking komen als vervoersvoorziening en kan een korting gelden op de financiële tegemoetkoming voor vervoer; rolstoel voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de cliënt en het gebruiksgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.3Kinderrolstoelen Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoel moet makkelijk mee te nemen zijn voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoel zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen. Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie. Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijke voorziening beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kinderrolstoelen is een aantal aspecten van bijzonder belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal voorzieningen kunnen standaard worden aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege alleen het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Zvw. In voorkomende gevallen neemt het college contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken. Vergroot een sta-op rolstoel voor een kind ook de deelname aan het leven van alle dag, dan is verstrekking op grond van de Wmo wel mogelijk (CRVB:2010:BL8894).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.4Stoelen op wielen Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De cliënt verplaatst zich namelijk zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). Een trippelstoel valt onder de Zvw. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen kan hieronder vallen. Er wordt enkel tot verstrekking overgegaan als een dergelijke stoel als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.5Aanpassingen aan rolstoelen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden. Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw- en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderscheid in aanpassingen is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zit-, rug- en ondersteuningsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in het bijzonder van belang voor cliënten die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen (op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijgedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bediening en/of besturing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.6Rolstoelaccessoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn. Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy’s en wandelwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden Rolstoelaccessoires vallen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een been- en voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aard van de verstrekking Bij een maatwerkvoorziening in natura worden noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de aanbieder (leverancier). De kosten komen direct voor rekening van de gemeente. Net als voor de rolstoel, zijn cliënten geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Indien de cliënt zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen maatwerkvoorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de maatwerkvoorziening te beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13.7Kosten rolstoeltraining Net als bij een scootmobiel kunnen, als het onduidelijk is of de cliënt wel gebruik kan maken van een rolstoel, rijvaardigheidslessen (gewenning) noodzakelijk zijn. Een ergotherapeut kan beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de rolstoel (of scootmobiel). Worden de kosten van de ergotherapeut hiervoor niet meer op grond van de Zvw vergoed, dan draagt het college daar zorg voor. In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer Artikel 5.2 en hoofdstuk 8 Verordening 11.1Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. Onder lokaal wordt volgens de Verordening 15 tot 35 kilometer rondom de woning verstaan. Afwijken hiervan kan alleen als de cliënt bepaalde basisvoorzieningen niet kan bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld winkels voor het doen van boodschappen, een zwembad en het ziekenhuis. Ook moet het lokale vervoer aansluiten op Valys. In de praktijk kunnen cliënten basisvoorzieningen en Valys bereiken. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het zich lokaal verplaatsen over de korte en de langere afstand. Voor de langere afstand (middellange afstand) hanteert het college in principe het primaat van de Regiotaxi (zie verder hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2Beoordelingskader vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. Een te verstrekken vervoersvoorziening is afhankelijk van de vervoersbehoefte en andere geschikte en beschikbare oplossingen. Denk in dat kader bijvoorbeeld aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp, Mantelzorg of hulp van de andere personen uit het sociale netwerk, Gebruikmaking van de scootmobielpool (algemene voorziening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling Bij de beoordeling van de aanvraag om een (collectieve) vervoersvoorziening worden de volgende zaken meegenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik algemeen gebruikelijk loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.); gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijv. elektrische rolstoel); in staat gebruik te maken van de scootmobielpool. Denk met name aan de beschikbaarheid van een scootmobiel en geschiktheid gelet op de vervoersbehoefte (omvang en frequentie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie en hulp (meegaan) van de reis: kan zonder hulp met het OV; kan met hulp (meegaan) in het OV, zonder hulp met de taxi; kan met hulp (meegaan) in het OV en met hulp met de taxi; kan alleen met hulp (meegaan) met de taxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt zorgt zelf voor iemand die met hem meegaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming De vervoersbehoefte van de cliënt wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag; het verplaatsingsmotief (waarom); en de verplaatsingsbestemming (waarheen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals gezegd is de ondersteuningsplicht van het college voor deelname aan het maatschappelijk verkeer gericht op het zich lokaal verplaatsen zodat de cliënt: winkels kan bereiken, sociale contacten kan onderhouden, en deel kan nemen aan maatschappelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder maatschappelijke activiteiten vallen bijvoorbeeld: het bezoeken van clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie</p></div>", "next": 239712}