{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Als uit een objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke afwezigheid in verband met werk Indien een huisgenoot vanwege werkzaamheden langdurig van huis is. Bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de offshore of mariniers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vuistregels hierbij zijn dat het een aaneengesloten periode betreft van zeven etmalen, de afwezigheid inherent is aan het werk en een verplichtend karakter. (Dreigende) overbelasting In het geval degene die gebruikelijke zorg dient te verlenen overbelast is of als overbelasting dreigt, kan afgeweken worden van de regels rond gebruikelijke hulp. Zie paragraaf 2.2.5 voor meer informatie rondom overbelasting. Inzet van (tijdelijke) maatwerkvoorziening HO kan een oplossing bieden. Belangrijk hierbij is om daarnaast afspraken met de inwoner en zijn huisgenoten te maken over welke stappen er worden genomen t.a.v. de overbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.2Normenkader Voor het bepalen van de benodigde omvang van de maatwerkvoorziening ‘huishoudelijke ondersteuning’ hanteert het college het normenkader van bureau HHM (zie bijlage 2). Het normenkader bevat richtlijnen voor de duur en frequentie van de uit te voeren taken. Er wordt uitgegaan van zes verschillende resultaatgebieden, namelijk: ‘een schoon en leefbaar huis’, ‘wasverzorging’, ‘boodschappen’, ‘maaltijden’, ‘regie/organisatie’ en ‘kindzorg’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoon en leefbaar huis Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Tot het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ behoren alleen de elementaire woonruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning én die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. In principe zijn dit de volgende ruimten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonkamer Keuken Slaapkamer(s) die in gebruik zijn door de inwoner en huisgenoten Badkamer Toilet Trap, alleen indien tenminste één van genoemde ruimten zich op de andere etage bevindt Verkeersruimten (hal, overloop) Het schoonmaken van de buitenruimten (ramen aan de buitenzijde, tuin, balkon, etc.) maken geen onderdeel uit van huishoudelijke ondersteuning. Verder is een inwoner zelf verantwoordelijk voor een bij zijn persoonlijke (gezondheids-)situatie passende inrichting van de woning. Te denken valt aan: gladde vloeren, karpetten en sanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de basissituatie schoon en leefbaar huis staat 125 minuten per week, bij volledige overname van de taken. Het college gaat hier uit van de gemiddelde inwoner situatie met de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen hulphond aanwezig die extra inzet van ondersteuning vraagt (voor reguliere huisdieren geldt geen extra normering).</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoner kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, personen uit het sociaal netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de inwoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indirecte tijd maakt standaard integraal onderdeel uit van de normtijden zoals genoemd bij de verschillende onderdelen huishoudelijke ondersteuning. Het gaat dan om de tijd die de huishoudelijke hulp per bezoek nodig heeft voor aankomst en vertrek, het pakken en opruimen van schoonmaakspullen, administratie bij de inwoner en sociale interactie met de inwoner. Hierbij gaat het om de tijd dat de hulp in de woning van de inwoner aanwezig is, en niet om de reistijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer inzet Alleen in specifieke situaties kan extra tijdsinzet geïndiceerd worden. Indien noodzakelijk wordt medisch advies ingewonnen om duidelijkheid te geven over de noodzaak tot extra inzet. Enkele voorbeelden om in bijzondere situaties af te wijken van het normenkader:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen en belemmeringen van de bewoner De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn ziektes als Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, extra bewassing in verband met incontinentie, verslaving/alcoholisme e.d. Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken of meerdere keren per week ter voorkoming van problemen bij de bewoner voortkomend uit bijvoorbeeld medisch objectiveerbare allergieën, astma, longemfyseem, COPD. Ook kan er sprake zijn van een hogere vervuilingsgraad door het gebruik van noodzakelijke hulpmiddelen (bijvoorbeeld een rolstoel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van het huishouden Door de samenstelling van het huishouden en de leeftijd van de huisgenoten kan het zijn dat er meer hulp nodig is. Bijvoorbeeld doordat er meer ruimtes in gebruik zijn, of extra ondersteuning is omdat er een kind/ partner met een beperking in huis is, of dat men gescheiden van de partner slaapt. Deze extra kamer zal een structureel functioneel doel moeten dienen, zoals een dialyse kamer. Dit geldt in principe niet voor logeer- en hobbykamers. Bij de normering wordt rekening gehouden met de te verwachten bijdrage huishouden per kind, zie kader voor gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerken van de woning In de meeste gevallen zullen de kenmerken van de woning, zoals de inrichting, de staat van het onderhoud en de grootte niet direct leiden tot extra inzet. Bijvoorbeeld herinrichten van de woning valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner, denk hierbij aan het herschikken van meubels of het verminderen van de hoeveelheid beeldjes en/of fotolijstjes. Een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld te stofzuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minder inzet Indien minder professionele inzet mogelijk is omdat de inwoner zelf of met behulp van mantelzorgers, hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk en vrijwilligers (lichte) huishoudelijke taken kan uitvoeren, dan kan tijd in mindering worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wasverzorging Ondersteuning ten behoeve van dit resultaat wordt geboden als een inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van het linnen en/of beddengoed en kleding. In geval van deels overnemen van de was, dus de inwoner kan deeltaken zelf, kan voor de overige taken wasverzorging afgegeven worden. Ook in situaties wanneer inwoner een allergie heeft of de zakken niet kan vullen/scheiden. Verwacht mag worden dat de inwoner beschikt over een wasmachine, dit behoort tot de verantwoordelijkheid van de inwoner. Uiteraard wordt ook hierbij eerst gekeken wat er op eigen kracht (denk aan eigen keuze voor strijkvrije kleding of zittend strijken indien staan een probleem vormt) of met hulp van personen uit het sociaal netwerk kan worden opgelost. Wanneer de was volledig overgenomen dient te worden, wordt aanvullend de was- en strijkservice als maatwerkvoorziening toegekend. In dit geval krijgt de inwoner een was-voucher waarmee er maximaal 2 zakken van 5kg door deze service bij de inwoner thuis worden opgehaald en weer teruggebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boodschappen Tegenwoordig wordt het laten bezorgen van de boodschappen door een boodschappenservice gezien als algemeen gebruikelijk. Er zijn diverse supermarkten die deze dienst aanbieden. In veel gevallen kan een inwoner (eventueel met een behulp van een vervoershulpmiddel als een rollator of een scootmobiel) zelf de kleine boodschappen doen, indien nodig meerdere keren per week. De zware boodschappen kunnen dan worden opgespaard en met een boodschappenservice besteld worden of eventueel is er een zoon/dochter/buurvrouw/vrijwilliger die deze boodschappen kan doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afgeven van een maatwerkvoorziening HO voor de boodschappen behoort om bovenstaande redenen tot de strikte uitzonderingssituaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaltijden Er wordt hierbij uitgegaan van het bereiden en klaarzetten van twee broodmaaltijden en een warme maaltijd per dag. Het eten geven en het toezicht houden op het eten valt onder de verantwoordelijkheid van de Zvw. Indien er sprake is van problemen met het bereiden van de broodmaaltijden dan is er over het algemeen sprake van een grote zorgafhankelijkheid. In deze situaties is er vaak al zorg van familie en persoonlijke verzorging vanuit de Zvw aanwezig. Daarnaast kunnen inwoners gebruik maken van kant- en klaar maaltijden of bijvoorbeeld tafeltje-dekje, een algemene voorziening. De inzet van de maatwerkvoorziening HO op dit resultaatgebied wordt daarom alleen in uitzonderlijke situaties toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regie/organisatie Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken kan worden ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden gestimuleerd of worden overgenomen, heeft hulp in het huishouden vanuit de maatwerkvoorziening HO aansturende en regietaken, om te helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan voorkomen in situaties waarbij de inwoner niet meer zelfstandig beslissingen kan nemen of als disfunctioneren dreigt. Dit kan zich uiten in vervuiling van woning of kleding, verwaarlozing of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. De hulp in het huishouden dient bij het uitoefenen van de ondersteuning zoveel mogelijk de inwoner te betrekken bij de uitvoering van het huishouden. Daarbij dient te worden aangesloten bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de inwoner. Bij sommige inwoners zal geen sprake zijn van ontwikkelvermogen, eerder afnemende zelfredzaamheid. Bijvoorbeeld bij inwoners met chronische psychische aandoeningen, niet-aangeboren hersenletsel, dementie of een visuele beperking. Bewaken of het nog verantwoord is dat de inwoner zelfstandig woont, is daarom onderdeel van dit resultaatgebied (signaleren en doorgeven aan de gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan binnen dit resultaatgebied Advies, Instructie &amp; Voorlichting (AIV) worden geboden voor het aanleren van huishoudelijke vaardigheden, zoals bijvoorbeeld het aanleren van activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, op wasverzorging, op boodschappen of maaltijden door het gezamenlijk uitvoeren van huishoudelijke taken. Deze inzet is tijdelijk (maximaal zes weken) en heeft als doel dat de inwoner het na enige tijd, al dan niet met hulp vanuit zijn sociaal netwerk, zelf weer kan overnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg voor inwonende kinderen Tot het voeren van een gestructureerd huishouden behoort ook het verzorgen van minderjarige kinderen. De zorg8Het gaat om de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijke welzijn en de veiligheid van het kind, maar ook om het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. voor kinderen die tot het huishouden behoren is primair een taak van de ouders. Werkende ouders moeten ervoor zorgen dat er opvang voor de kinderen is op tijden dat zij beiden werken. Bijvoorbeeld door grootouders hiervoor te vragen, een oppas aan huis in te huren of kinderopvang in te schakelen. Al deze vormen van invulling en oplossingen vallen onder de eigen kracht of betreffen een algemeen gebruikelijke dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer één van de ouders niet in de zorg voor inwonende kinderen kan voorzien, is het uitgangspunt dat de andere ouder dit overneemt. Wanneer de ouders samen één huishouden vormen, wordt dit bovendien gezien als gebruikelijke hulp. Aanvullend op de eigen mogelijkheden (het is nooit voor volledige vervanging) kan voor de zorg voor inwonende kinderen tot de leeftijd van 6 jaar extra huishoudelijke ondersteuning voor de duur van maximaal 3 maanden worden geïndiceerd. Dit kan enkel wanneer sprake is van een onvoorziene, acute situatie én de ondersteuningsvraag niet geheel op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen kan worden opgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning vanuit HO beperkt zich tot niet uitstelbare taken zoals het helpen met aankleden bij kinderen tot 6 jaar (zie onderstaand kader voor normtijden) en heeft als doel ouders in staat te stellen een duurzame oplossing te treffen. Van hen wordt daarom verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Als ouders ondersteuning bij de zorg voor hun kind nodig hebben vanwege beperkingen van het kind en/of daardoor vastlopen in het opvoeden, moet gekeken worden naar ondersteuningsmogelijkheden vanuit de Jeugdwet. Zie ook paragraaf 6.3.1 en paragraaf 6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normtijden Kindzorg Voor kinderen tot 6 jaar geldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar bed brengen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit bed halen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wassen en kleden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eten/en of drinken geven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Babyvoeding (fles geven):</p>\n<p class=\"lf-p\">Luier verschonen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar school/kinderdagverblijf of peuterspeelzaal brengen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande tijden gelden tot een maximum van 40 uur per week voor een maximum van drie maanden en zoveel korter indien mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bron: Normtijden CIZ 2006 10 minuten per keer per kind 10 minuten per keer per kind 30 minuten per kind 20 minuten per broodmaaltijd/ 25 minuten per warme maaltijd 20 minuten per keer per kind 10 minuten per keer per kind 15 minuten per keer per gezin 5.2Wonen in een geschikt huis Op grond van de Wmo moet een inwoner gebruik kunnen maken van zijn woning en moet de woonsituatie de inwoner in staat stellen mensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan. Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een geschikte woning. Een woningaanpassing, of ondersteuning bij het vinden van een geschikte woning, is in het kader van de Wmo daarom in beginsel alleen aan de orde indien de belemmeringen het gevolg zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van een woning.9Hierbij geldt dat een woonboot of woonwagen dan tenminste nog een technische levensduur van 5 jaar moet hebben en zijn stand- of ligplaats op het moment van aanvraag zich in Nieuwegein bevindt en nog minimaal voor 5 jaar beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.1Normaal gebruik van de woning De inwoner dient in staat te zijn tot ‘het normale gebruik van de woning’ ofwel het verrichten van elementaire woonfuncties. Bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ aan de orde is, verstaat het college onder het normale gebruik van de woning, dat: de woning voor de inwoner toegankelijk is; een deel van de buitenruimte (tuin of balkon) door de inwoner te bereiken is; de inwoner het toilet, de badkamer, keuken, woonkamer, slaapkamer en eventueel slaapkamer(s) van jonge kinderen kan bereiken en gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toegankelijkheid tot de woning en de buitenruimte(n) geldt dat één toegang in principe voldoende is. Meerdere toegangen hebben overwegend geen meerwaarde voor de participatie en/of zelfredzaamheid van de inwoner. Van de inwoner mag worden verwacht dat het gebruik van deze ene toegang volstaat. Ruimten als een hobbykamer en de zolder behoren niet tot de essentiële ruimten voor normaal gebruik van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals een dialyseruimte en therapeutisch baden. In de praktijk betekent bovenstaande dat het college met de inwoner in gesprek gaat en vragen stelt over hoe de inwoner de woning gebruikt of wil gebruik, of het normaal gebruik is en aan welk doel het precies bijdraagt. Op basis daarvan komt het college tot een oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.2Het afwegingskader Vanuit de gedachte van eigen kracht mag worden verwacht dat mensen tijdig maatregelen treffen om de woning te kunnen blijven gebruiken, de zogenaamde voorzienbaarheid. Bij het ouder worden en bij toenemende beperkingen, dient men bijvoorbeeld rekening te houden met adequate vervanging van het sanitair of kunnen drempels preventief verwijderd worden. Tegenwoordig zijn er veel voorzieningen die het mogelijk maken om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen woning. Een groot deel van deze voorzieningen kunnen worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk (zie ook paragraaf 3.3.), enkele voorbeelden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verhoogde toiletpot Eenvoudige wandbeugels (handgrepen) Hendelmengkranen en thermostatische kranen Een badkamervloer voorzien van anti-slip behandeling of anti-slip bad-/douchematten Een telecom met videoverbinding naar smartphone Kleine drempeloplopen tot 5 cm Een douchestoel/-krukje en/of losse toiletverhogers Een elektrische garagedeur Indien de inwoner van mening is dat een bepaalde voorziening voor hem niet algemeen gebruikelijk is, is het zoals beschreven in paragraaf 3.3 aan hem om aan te tonen dat de voorziening inderdaad niet tot zijn (financiële) mogelijkheden behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herstructureren of -inrichten van de woning mag van een inwoner verwacht worden omdat hiermee op eigen kracht voor een oplossing wordt gezorgd. Denk bijvoorbeeld aan het verplaatsen van de wasmachine van de zolder naar de benedenverdieping, of indien de inwoner niet meer bij de hoge keukenkastjes kan, het zelf plaatsen van een kast in de keuken die wel te bereiken is. Hiervoor zijn geen aanpassingen vanuit de Wmo nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere inwoner is verantwoordelijk voor de keuze die hij maakt omtrent de woning. Zo dient ook bij een eventuele verhuizing rekening te worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen en beperkingen die samenhangen met de leeftijd van de inwoner. Wanneer men in de wetenschap van de eigen aandoening en beperkingen verhuist naar een ongeschikte woning (inadequate verhuizing), is het oplossen van eventueel daaruit voortvloeiende belemmeringen iemands eigen verantwoordelijkheid. Het onderzoek, als bedoeld in paragraaf 2.2 zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk sprake is van een inadequate verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van een inadequate verhuizing:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner is rolstoelafhankelijk en woont samen met partner en twee kinderen in een flat. De inwoner verhuist voor de kinderen naar een eengezinswoning met een tuin en vraagt vervolgens een traplift aan. Deze mag geweigerd worden omdat de woning waar de inwoner in woonde haar in staat stelde om toegang te hebben tot de elementaire woonfuncties met haar beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een inwoner vanuit een Wlz-instelling naar een familielid verhuist en daar aanspraak doet op Wmo woonvoorzieningen, kan een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met informatie en advies kunnen inwoners bewust worden gemaakt van diverse mogelijkheden rondom wonen en van de voor- en nadelen van al dan niet verhuizen. In Nieuwegein is hiervoor gratis advies van een wooncoach beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan bekeken worden of het woonconcept ‘verzorgd wonen’ voor de inwoner mogelijk een optie is. Hierbij verhuist de inwoner naar een toegankelijk wooncomplex waar een aantal eenvoudige woningaanpassingen kunnen worden gerealiseerd. Deze wooncomplexen bevinden zich dichtbij allerlei voorzieningen (zoals winkels en zorgcentra) en daarnaast is het concept gericht op sociale interactie tussen de bewoners van het wooncomplex. Het college kan een positief advies uitbrengen voor ‘verzorgd wonen’ waarmee mogelijk voorrang bestaat op een woning volgens de huisvestingsverordening.10Beleidsregels huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019 gemeente Nieuwegein: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/actueel/Nieuwegein/CVDR624924.html Op het gebied van gebruikelijke hulp kan gedacht worden aan het herverdelen van taken binnen het gezin zodat een woningaanpassing niet nodig is. Zo is er mogelijk voor de inwoner met een beperking geen noodzaak tot het zelf bereiden van de maaltijden omdat dit door andere personen binnen het huishouden kan worden overgenomen en hoeft de keuken niet te worden aangepast. Verder onderzoekt het college of het sociaal netwerk kan helpen bij het oplossen van het probleem. Zo kan de buurman wellicht helpen met het monteren van een beugel bij het toilet, of kan de algemene klussendienst worden ingeschakeld. Voor een kortdurende ondersteuningsbehoefte (maximaal zes maanden) zijn losse woonvoorzieningen (zoals een douchestoel) te leen via de uitleendepots van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers, dit valt als andere voorziening onder de Zorgverzekeringswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.3Woningverbetering, afschrijvingsduur en achterstallig onderhoud Wanneer er sprake is van beperkingen en de inwoner zelf woningeigenaar is, dan zal in het gesprek aan de orde komen of de inwoner nagedacht heeft over het (deels) zelf financieren van de aanpassingen. Het college onderzoekt wat er minimaal aangepast moet worden om de belemmering van de inwoner weg te nemen, waarbij in het kader van het inzetten van eigen kracht ook de financiële mogelijkheden van de inwoner aan bod komt. Alleen door deze werkwijze toe te passen ontstaat er een complete indruk van wat in de individuele situatie van de inwoner mogelijk en gebruikelijk is en kan het college maatwerk toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een ruimte of voorwerpen hun afschrijvingsduur voorbij zijn, acht het college het redelijk dat de inwoner (of woningeigenaar) de kosten (deels) voor zijn rekening neemt die horen bij de vervanging. In de hedendaagse maatschappij is het gangbaar dat bijvoorbeeld een badkamer na verloop van tijd wordt gerenoveerd. De Wmo neemt alleen de kosten op zich die specifiek horen bij het wegnemen van de belemmering die is ontstaan als gevolg van een beperking. In de praktijk betekent dit dat het college geen technisch afgeschreven badkamers of keukens volledig gaat renoveren. Dit is woningverbetering en is voor rekening van de woningeigenaar. Het college sluit voor de technische afschrijvingstermijnen aan op de termijnen uit het ”Beleidsboek huurverhoging na woningverbetering” van de Vereniging overleg voorzitters huurcommissies. Voor sanitair en badkamer gaat het om een termijn van 25 jaar. Voor een keuken en toilet 15 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer er sprake is van achterstallig onderhoud en het is aantoonbaar dat de beperking voortkomt uit het achterstallig onderhoud, dan kan het college een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ weigeren. Immers, de inwoner met een beperking zou dan bevoordeeld worden ten opzichte van woningeigenaren zonder beperking die na verloop van tijd wel hun eigen woning renoveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner heeft astma en vraagt een maatwerkvoorziening Wmo Wonen aan om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen veroorzaakt worden door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de inwoner de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.4Grote woningaanpassing versus verhuizen (primaat van verhuizen) Is voor het normale gebruik van de woning een woningaanpassing als maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ noodzakelijk dan beoordeelt het college wat de goedkoopst passende oplossing is om het resultaat te bereiken. Dit geldt zowel voor bouwkundige als niet bouwkundige voorzieningen. Betreft het een noodzakelijke woningaanpassing die minder kost dan € 15.000,- inclusief btw dan kan deze verstrekt worden onder de voorwaarde dat de woning na de aanpassing nog langdurig geschikt is voor de inwoner om in te kunnen blijven wonen. Wordt verwacht dat de woning niet langdurig geschikt zal zijn om in te kunnen blijven wonen en/of is de woning onvoldoende aanpasbaar dan onderzoekt het college of verhuizen naar een meer geschikte woning aan de orde is (het primaat van verhuizen wordt overwogen). Dit geldt ook als de begrote kosten van de aanpassing het bedrag van € 15.000,- inclusief btw overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de afweging of het primaat van verhuizen wordt toegepast, neemt het college in ieder geval de volgende punten mee:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikbaarheid van een reeds aangepaste of eenvoudig aan te passen woning, in relatie tot de beperkingen van de inwoner;</p>\n<p class=\"lf-p\">De medische situatie van de inwoner en de medisch aanvaardbare termijn waarbinnen een alternatieve woning beschikbaar moet zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van familie en/of vrienden, de beschikbaarheid van mantelzorgers die door verhuizing mogelijk zouden wegvallen, de binding die de inwoner heeft met de buurt, de leeftijd van de inwoner en de wil om te verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bereikbaarheid van verschillende voorzieningen (winkels, et cetera);</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële consequenties voor de inwoner, waaronder de woonlasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is verhuizen na het beoordelen van bovenstaande aspecten een optie dan zal het primaat verhuizen als goedkoopst passende oplossing worden voorgesteld. Een verhuizing naar een reeds aangepaste woning of naar een goedkoper aan te passen woning is dan passend en goedkoper dan het aanpassen van de woning. Zelfstandig langer thuis blijven wonen betekent dus niet per definitie dat dit in dezelfde/huidige woning kan plaatsvinden. Een verhuizing kan niet verplicht worden, maar een aanvraag voor een woningaanpassing als maatwerkvoorziening Wmo kan wanneer het primaat van verhuizen is opgelegd wel worden afgewezen. Wanneer de inwoner inderdaad verhuist, kan de inwoner worden ondersteund met een maatwerkvoorziening ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.5Financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen en inrichten In de meeste situaties zijn de kosten van een verhuizing aan te merken als algemeen gebruikelijk. Het betreft verhuizingen die een ieder (ook iemand zonder een beperking) in zijn leven maakt. Bijvoorbeeld bij het vinden van een nieuwe werkkring, gezinsuitbreiding of omdat de kinderen de woning hebben verlaten en de woning hierdoor te groot is geworden. Een tegemoetkoming in de kosten van een dergelijke verhuizing is dan ook niet mogelijk. Tevens wordt deze maatwerkvoorziening niet verstrekt voor het verhuizen naar een zorginstelling. Evenmin voor verhuizingen naar woningen die gezien de beperkingen niet adequaat zijn en wanneer een inwoner voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Dit is anders als de verhuizing plotseling noodzakelijk is, bijvoorbeeld als gevolg van een plotseling optredende ziekte of een ongeluk. Er is dan sprake van een medische noodzaak om te verhuizen. In dat geval wordt mogelijk het primaat van verhuizen opgelegd en komt de inwoner in aanmerking voor de maatwerkvoorziening Wmo ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen’. De inwoner krijgt deze tegemoetkoming met een programma van eisen waar de nieuwe woning aan moet voldoen. De berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming is opgenomen in het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlaten van een aangepaste woning De maatwerkvoorziening ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen’ kan ook worden verstrekt aan een inwoner die een reeds aangepaste woning ten behoeve van een inwoner met een beperking verlaat. Denk daarbij aan een rolstoelvriendelijke woning die bij overlijden of verhuizen van de degene voor wie de woonvoorziening gerealiseerd is, niet meer nodig is voor de achtergebleven partner of overige bewoners. Zij kunnen dan besluiten om de woning beschikbaar te stellen voor een andere inwoner met beperkingen. Door de maatwerkvoorziening ‘financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen’ ook in deze situaties te verstrekken, stimuleert het college een duurzaam gebruik van aangepaste woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.6Diverse maatwerkvoorzieningen ‘Wonen’ In deze paragraaf volgt een toelichting op de verschillende type maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Wonen’ en een aantal zaken die bij de beoordeling van de noodzaak een rol spelen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten woonvoorzieningen, namelijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse woonvoorzieningen: Voorzieningen die niet nagelvast en dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een toiletstoel of een verrijdbare tillift). Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwkundige- en woontechnische woonvoorzieningen: Nagelvaste voorzieningen (bijvoorbeeld een traplift, een aangepaste keuken of badkamer, een plafondtillift of het verwijderen van drempels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse woonvoorzieningen Losse woonvoorzieningen gaan voor op bouwkundige woonvoorzieningen. Een verrijdbare tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift en een losse douchestoel boven een douchezitje aan de muur. Losse voorzieningen hebben als voordeel dat ze veelal snel kunnen worden ingezet, herbruikbaar zijn en voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet. Zo kan een douchestoel bijvoorbeeld ook gebruikt worden om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse woonvoorzieningen worden overwegend in bruikleen verstrekt en geleverd door de leverancier (mits verstrekking in pgb, zie paragraaf 4.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verstrekking dient de inwoner een bruikleenovereenkomst te tekenen. De toekenning is inclusief keuring, onderhoud en reparatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwkundige- en woontechnische woonvoorzieningen Indien het woonprobleem niet op een andere manier kan worden opgelost en ook verhuizing met behulp van de genoemde afweging primaat van verhuizen geen optie is, kan aan de inwoner een woningaanpassing als maatwerkvoorziening Wmo worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanpassen van de toegang tot de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opheffen of minimaliseren van niveauverschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbeteren van de doorgang in de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanpassen van de keuken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de afweging neemt het college de proportionaliteit altijd mee in de overweging; staan de kosten van de te realiseren woningaanpassing in verhouding tot het te behalen resultaat. En uiteraard wordt indien er meerdere opties zijn om de belemmeringen weg te nemen de goedkoopst passende oplossing gekozen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten niet alle ondervonden belemmeringen hoeven te verminderen/ weg te nemen. Het is voldoende als de inwoner in staat is om in aanvaardbare mate zelfredzaam te zijn en/of maatschappelijk te participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner heeft astma en vraagt een maatwerkvoorziening Wmo Wonen aan om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen veroorzaakt worden door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de inwoner de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanbrengen van bouwkundige of woontechnische voorzieningen aan de eigen woning stelt het college een programma van eisen op. Als het gaat om een uitbreiding van ruimten onderzoekt zij welke benodigde ruimteoppervlakte aangehouden moeten worden, rekening houdend met de hulpmiddelen die de inwoner nodig heeft. Hierbij hanteert het college het Handboek voor Toegankelijkheid. Bij aanpassingen vanaf een bedrag van € 5.000,00 wordt aan de hand van het programma van eisen twee of meer offertes opgevraagd en beoordeeld. De goedkoopst passende oplossing zal worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden in eigendom aan de woningeigenaar verstrekt ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorziening. Een uitzondering op deze regel is dat trapliften en plafondliften wel eigendom blijven van de gemeente en de gemeente ook verantwoordelijk is voor keuring, onderhoud en reparatie van deze voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigenaar woning In de Wmo is vastgelegd dat een woningeigenaar niet akkoord hoeft te gaan bij een noodzakelijke woningaanpassing voor een huurder. Voordat de woningaanpassing door het college of de inwoner zelf wordt aangebracht, moet de woningeigenaar in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Bij het verlaten van de woning is de inwoner niet gehouden de woning in de oorspronkelijke staat terug te brengen. Het college onderzoekt of de aangepaste woning behouden kan worden voor een andere inwoner met een beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dit niet het geval is, is het de verantwoordelijkheid van de woningeigenaar (verhuurder) om de woningaanpassing te (laten) verwijderen. De kosten van het verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.7Financiële tegemoetkoming in de kosten voor tijdelijke huisvesting Wanneer een woning wordt aangepast op grond van de Wmo, is in sommige situaties tijdelijke huisvesting elders nodig voor de inwoner. Bijvoorbeeld wanneer de badkamer en het toilet voor langere tijd niet bereikbaar zijn of wanneer er veel stof vrij komt bij de verbouwing en dit gezien de aandoening of beperking van de inwoner schadelijk kan zijn. Gedurende de verbouwingsperiode tot maximaal drie maanden (een gangbare verbouwingsperiode is binnen één maand), kan aan de inwoner een ‘Financiele tegemoetkoming in de kosten voor tijdelijke huisvesting’ worden verstrekt. Dit alleen indien er geen andere mogelijkheden zijn (bijvoorbeeld binnen het sociale netwerk) én er kosten verbonden zijn aan het tijdelijke verblijf elders. De berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van de ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten voor tijdelijke huisvesting’, is opgenomen in het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.8Bezoekbaar maken woning Voor een persoon met een Wlz indicatie die buiten de gemeente woont, hoeft de gemeente geen maatwerkvoorziening Wmo Wonen (voor het bezoekbaar maken van een woning door bijvoorbeeld ouders of echtgenoot) toe te kennen. Dit is vanuit de Wmo niet verplicht. De gemeente waar de Wlz-instelling staat, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van een woning. Het college is dus alleen gehouden de specifieke ondersteuningsvraag van inwoners die in een Wlz-instelling in Nieuwegein wonen te onderzoeken. Het kan dus voorkomen dat het college een woningaanpassing toekent voor een woning buiten de gemeente. Tijdens het onderzoek spelen noodzaak en proportionaliteit een grote rol. Is het bezoekbaar maken van de woning (van ouders of echtgenoot) absoluut noodzakelijk om te kunnen participeren en medemensen te ontmoeten of is de inwoner daar in de huidige situatie al voldoende toe in staat? Kunnen bijvoorbeeld de ouders of de partner de inwoner in Nieuwegein bezoeken of kunnen ze samen ergens naartoe? En ook, wat is de frequentie van het bezoek? Staan de kosten in verhouding hiertoe? Bezoekbaar houdt in, dat de inwoner toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.9Aanpassen gemeenschappelijke ruimte Als een inwoner in een wooncomplex voor ouderen of personen met een beperking woont, dan wordt van de eigenaar van dit wooncomplex verlangd dat het complex aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen (conform Handboek voor Toegankelijkheid) voldoet. Het toegankelijk maken en gebruiken van gemeenschappelijke ruimten valt dan in beginsel niet onder de Wmo, omdat dit tot het uitrustingsniveau van een dergelijk wooncomplex behoort. Denk hierbij aan het aanbrengen van elektrische toegangsdeuren of het minimaliseren van niveauverschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner in een ander wooncomplex woont, zoals reguliere flats, geldt op basis van eigen kracht ook dat éérst een beroep wordt gedaan op de woningeigenaar (bijvoorbeeld de woningcorporatie of VvE). Als voorzieningen zoals automatische deuropeners in gemeenschappelijke ruimten worden geplaatst, is er doorgaans sprake van collectief gebruik. Immers ook andere bewoners van het appartementencomplex profiteren van deze verbeteringen. De woningeigenaar heeft in principe de verantwoordelijkheid de gemeenschappelijke ruimten voor alle inwoners in het dagelijks gebruik geschikt te maken en te houden, volgens de algemeen aanvaarde (veiligheids-)normen. Uiteraard blijft de gemeente aanspreekbaar voor het eventueel verstrekken van een individuele maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ zijnde een woningaanpassing in gemeenschappelijke ruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een woningeigenaar in een wooncomplex voorzieningen wil treffen voor collectief gebruik ten behoeve van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de bewoners van het complex staat het college open voor een gesprek over een mogelijke bijdrage vanuit de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3Verplaatsen in en om de woning Met oog op het verplaatsen in en om de woning, hanteert het college als richtlijn dat de inwoner zich binnenshuis en buitenshuis in een straal van 100 meter om de woning zelfstandig moet kunnen voortbewegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.1Het afwegingskader Wanneer een inwoner een probleem ervaart bij het verplaatsen in en om de woning, bekijkt het college tijdens het onderzoek in eerste instantie welke eigen mogelijkheden de inwoner heeft om het ondervonden probleem op te lossen. Zo zijn er diverse hulpmiddelen die als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan te merken zijn. Te denken valt aan een wandelstok, een looprek of een rollator. Ook het gebruik van een reguliere buggy bij kinderen tot 4 jaar is algemeen gebruikelijk. Daarnaast is het denkbaar dat een inwoner besluit zelf een (tweedehands) rolstoel aan te schaffen. In geval de rolstoel slechts kortdurend nodig is (maximaal zes maanden), kan gebruik worden gemaakt van de tijdelijke uitleen via de Zvw. Woont de inwoner in een verpleeghuis op grond van de Wlz, dan is de instelling verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.2Een rolstoel Wanneer er geen andere mogelijkheden zijn om het verplaatsingsprobleem op te lossen en de ondersteuningsbehoefte langdurig is, kan een rolstoel als maatwerkvoorziening Wmo worden toegekend. Voor deze maatwerkvoorziening geldt geen eigen bijdrage. Er zijn diverse typen rolstoelen denkbaar. Bij de selectie van het type rolstoel wordt onder andere gekeken: hoe vaak en voor werk doel de rolstoel wordt gebruikt (de verplaatsingsbehoefte); wat de fysieke mogelijkheden van de inwoner zijn om een rolstoel zelf voort te bewegen; of de inwoner de rolstoel zelf moet kunnen voortbewegen of dat het volstaat als een ander de rolstoel voortbeweegt; of de inwoner in staat is om de rolstoel (veilig) zelf te besturen ingeval het een elektrische rolstoel betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geprobeerd wordt om een inwoner, binnen zijn fysieke mogelijkheden en indien dit past binnen de medische behandeling, zijn fysieke spierkracht te laten gebruiken (zodat het gebruik van een rolstoel geen anti-revaliderend effect heeft).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een minderjarige kan soms een aangepaste buggy of kinderduwwandelwagen als maatwerkvoorziening Wmo worden toegekend. Dit is alleen mogelijk wanneer uit het onderzoek blijkt dat een reguliere buggy of kinderduwwandelwagen niet voldoet, bijvoorbeeld vanwege de leeftijd of beperkingen van de minderjarige. Indien nodig worden er in opdracht van het college door de leverancier individuele aanpassingen aangebracht aan de rolstoel. Deze kunnen bestaan uit bijvoorbeeld zit-, rug en ondersteuningsdelen, bediening en/of besturing. Het college onderzoekt de situatie en stelt, eventueel samen met een ergo- of fysiotherapeut, een functioneel pakket van eisen op waarin de noodzakelijke functionaliteiten van de rolstoel/buggy worden vastgelegd. Aanvullende wenselijke aanpassingen en/of accessoires worden niet vergoed, maar kunnen eventueel op eigen kosten worden aangeschaft/toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een individuele rolstoel wordt in principe alleen verstrekt indien ‘dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning’ noodzakelijk is. Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om bij het winkelen of bij uitstapjes te gebruiken, vallen niet onder dit te bereiken doel. De inwoner kan in dergelijke situaties gebruik maken van de uitleen op grond van de Zvw of van rolstoelen die te tijdelijk te leen zijn op verschillende bestemmingen, zoals het ziekenhuis of in een dierentuin.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4Lokaal/regionaal verplaatsen per vervoermiddel Om deel te nemen aan de samenleving, oftewel maatschappelijk te participeren, moet iemand zich ook buiten de woning over langere afstanden kunnen verplaatsen. Er zijn drie soorten afstanden te onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Korte afstanden: Dit zijn loop- en fietsafstanden in de directe woon- en leefomgeving. Bijvoorbeeld om een brief te posten, de boodschappen te doen, een speeltuin te bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middellange afstanden: Dit zijn de reisafstanden die normaliter binnen de eigen regio per fiets/brommer, auto, openbaar vervoer, of taxi worden afgelegd. Bijvoorbeeld naar vrienden, sportfaciliteiten of de bioscoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lange afstanden: Dit zijn reisafstanden die naar bestemmingen buiten de regio worden afgelegd, veelal met de auto, openbaar vervoer of taxi. Bijvoorbeeld naar familie, pretparken of vakantiebestemmingen in het land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner als gevolg van een beperking belemmeringen ondervindt bij het verplaatsen om maatschappelijk te participeren, kan vanuit de Wmo een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ worden toegekend voor de korte en middellange afstanden, het zogeheten lokaal en regionaal verplaatsen. Voor het verminderen of wegnemen van belemmeringen bij het verplaatsen op lange afstanden (bovenregionaal verplaatsen), kan een inwoner een beroep doen op een landelijk georganiseerde vervoersvoorziening in de vorm van gecombineerd taxivervoer: Valys. Om in aanmerking te komen voor Valys, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan, zie https://www.valys.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De korte en middellange afstanden waarvoor een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ aan een inwoner kan worden toegekend, zijn op basis van jurisprudentie nader ingevuld. Hemelsbreed gemeten, moet een inwoner zich in een straal van 25 kilometer van zijn woning kunnen verplaatsen om maatschappelijk te kunnen participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook blijkt uit uitspraken van de CRvB dat het kunnen afleggen van 1500 tot 2000 kilometer per jaar voldoende moet zijn om maatschappelijk te kunnen participeren (LJN:BU4334). Deze kilometers kunnen op verschillende wijze worden ingevuld. Bijvoorbeeld door een combinatie van meerdere vervoersmogelijkheden, zoals het openbaar vervoer, het gebruik van een eigen auto, meerijden met een buurvrouw of een maatwerkvoorziening Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vanuit de Wmo geboden ondersteuning bij het lokaal/regionaal verplaatsen, beperkt zich bovendien tot het vervoer met een sociaal recreatief doel. Denk aan het doen van boodschappen, winkelen, het bezoeken van familie/vrienden, van bijeenkomsten en (sport)activiteiten, van sociaal-culturele instellingen (theater/bioscoop) en plekken om te recreëren of een hobby uit te oefenen. Dit betekent dat de maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ niet bedoeld is voor het verplaatsen van en naar werk, school of een ziekenhuisbezoek om zelf opgenomen of behandeld te worden. Wanneer een inwoner bij deze verplaatsingen belemmeringen ondervindt, kan een beroep worden gedaan op andere voorzieningen. Denk bijvoorbeeld aan ziekenvervoer vanuit de zorgverzekeringswet of de regeling leerlingenvervoer. Een bezoek brengen aan iemand die in het ziekenhuis ligt, kan wel met een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ vanuit de Wmo. Het vervoer naar het ziekenhuis heeft dan een sociaal doel. Oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorziening kan tot gevolg hebben dat de maatwerkvoorziening wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.1Het afwegingskader Wanneer een inwoner een vervoersprobleem heeft, onderzoekt het college of de belemmeringen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen, kunnen worden verminderd of weggenomen. Onder eigen kracht valt de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening als deze het ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen. Dit kan bijvoorbeeld een (tweedehands) fiets of een fiets met een lage instap zijn. Maar ook het aanleren van vaardigheden, zoals het leren fietsen of behalen van een scooterrijbewijs. Ook gaat het college na in welke mate er een beroep kan worden gedaan op gebruikelijke hulp of hulp vanuit het sociaal netwerk. Beschikt de partner of een meerjarige huisgenoot over een auto, kan de inwoner 1x per week met de buurvrouw meerijden naar de kaartclub of kan een vriend of vriendin ook eens naar de inwoner toekomen in plaats van andersom?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een probleem bij het lokaal verplaatsen kan in veel gevallen ook worden verminderd of worden weggenomen door gebruik te maken van andere of algemene voorzieningen. Voorbeelden van andere voorzieningen waarop een beroep kan worden gedaan, zijn zoals eerder genoemd leerlingenvervoer (vervoer van huis naar school en visa versa), ziekenhuisvervoer vanuit de Zvw of vervoer van- en naar werk vanuit het UWV. Wanneer een inwoner op basis van een Wlz-indicatie in een instelling verblijft, dan dient ook het vervoer vanuit de Wlz te worden gefinancierd. Als iemand vanwege zijn beperking niet meer zelf mag autorijden, kan het reizen met openbaar vervoer als algemene voorziening een alternatief zijn. Of een OV-begeleiderskaart waardoor een begeleider gratis mee mag reizen in het OV als alleen reizen geen optie is. Andere voorbeelden van algemene voorzieningen die beschikbaar zijn, zijn de buurtbus zoals de GeinExpress of een OV-coach project geboden door diverse welzijnsorganisaties of vrijwilligers Zie voor een niet limitatieve lijst met voorbeelden van algemene voorzieningen ook bijlage 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel wanneer bovenstaande opties het vervoersprobleem naar het oordeel van het college onvoldoende verminderen of wegnemen, kan vanuit de Wmo één of meerdere maatwerkvoorzieningen ‘Vervoer’ worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoersbehoefte Een belangrijk aspect van het vervoersprobleem is de vervoersbehoefte van de inwoner. Een aantal vragen dat onderdeel uitmaakt van het onderzoek naar de vervoersbehoefte, zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hebben de ondervonden belemmeringen betrekking op de korte, middellange of lange afstanden of een combinatie? En wat zijn de (eigen) mogelijkheden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke bestemmingen/locaties wil de inwoner bereiken en zijn deze gewenste vervoersbewegingen noodzakelijk voor zijn maatschappelijke participatie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn er vaste bestemmingen/locaties aan te merken en kan een inschatting worden gemaakt van de vervoersfrequentie?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan als zij dat nodig acht voor het onderzoek onafhankelijk medisch advies inwinnen. Wanneer de echtgenoot van de inwoner ook een beperking heeft en hiervan belemmeringen ondervindt bij het lokaal verplaatsen, kan de vervoersbehoefte van de inwoner en die van de echtgenoot samen worden beoordeeld. In het onderzoek weegt het college ook de leeftijd van de inwoner en de mate waarin zijn vervoersbehoefte afwijkt van die van een leeftijdgenoot zonder een beperking mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afweging openbaar vervoer als algemene voorziening Om te beoordelen of openbaar vervoer als algemene voorziening een door een inwoner ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen, kijkt het college naar de volgende aspecten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De fysieke en/of mentale beperkingen en (aan te leren) mogelijkheden/ vaardigheden van de inwoner om het openbaar vervoer te kunnen bereiken en gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin gebruikelijke hulp, hulp uit het sociaal netwerk, een andere voorziening, algemene voorziening of een maatwerkvoorziening Wmo kan bijdragen aan het gebruik van het openbaar vervoer door de inwoner. Denk bijvoorbeeld aan een partner of vriend die kan begeleiden, de GO-OV-app, OV-maatjesprojecten, een OV-begeleiderskaart of therapie om een angststoornis te behandelen of begeleiding om het reizen met OV aan te leren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bereikbaarheid, het gebruik en de fysieke toegankelijkheid van het openbaar vervoer, hanteert het college de volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de inwoner 400 meter of meer kan lopen al dan niet met hulpmiddel, is het openbaar vervoer voor de inwoner bereikbaar. De dekkingsgraad van het openbaar vervoer in Nieuwegein is immers redelijk hoog; op gemiddeld 300 meter van een woning is een OV-halte gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner ondanks zijn beperking al dan niet met ondersteuning in staat is een OV-overstap te maken (ongeacht hoeveel tijd dit in beslag neemt), is het openbaar vervoer door de inwoner te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner gezien zijn beperking op grond van de site van OV9292.nl (https://9292.nl/extra/toegankelijkheid) met trein/bus/tram kan reizen, is het openbaar vervoer voor de inwoner fysiek toegankelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ten behoeve van haar oordeel of openbaar vervoer het vervoersprobleem van de inwoner geheel of gedeeltelijk kan oplossen, onafhankelijk medisch advies inwinnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.2Een aangepaste fiets In Nederland gebruiken de meeste mensen een fiets om zich te verplaatsen over korte- en middellange afstanden. Het is een veelvoorkomende algemeen gebruikelijke voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook een fiets met lichte trapondersteuning (een elektrische fiets), een (elektrische) tandem, een snorfiets of bromfiets en bijvoorbeeld een fiets met een lage instap zijn voorzieningen die als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ze zijn niet speciaal ontwikkeld voor personen met een beperking, algemeen verkrijgbaar (al dan niet tweedehands) en kunnen voor een persoon zonder beperkingen in een financieel vergelijkbare positie gerekend worden tot het normale aanschaffingspatroon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders geldt dit voor fietsen zoals de driewielfiets voor volwassenen, een duofiets (ouder-kind) en een handbike, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking, alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht en daardoor vaak ook veel duurder zijn dan een standaard fiets. Deze zogeheten aangepaste fietsen of fietsvoorzieningen zijn geen algemeen gebruikelijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor een aangepaste fiets of fietsvoorziening op grond van de Wmo, moet in aanvulling op hetgeen gesteld is in paragraaf 5.4.1, uit het onderzoek blijken dat er een medische grondslag is die maakt dat een algemeen gebruikelijk alternatief in de situatie van de inwoner niet volstaat en dat de inwoner in staat is om de beoogde aangepaste fiets of fietsvoorziening veilig te gebruiken. Tot slot moet de inwoner zelf zorgen voor een adequate stallingsmogelijkheid (een afgesloten ruimte zoals een schuur, garage of hal van de woning waarmee de fiets/ -voorziening beschermd wordt tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal). Het (nog) niet beschikken over een fiets of nog niet kunnen fietsen zijn geen redenen om een aangepaste fiets of fietsvoorziening als maatwerkvoorziening Wmo Vervoer te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe wordt omgegaan met ondersteuningsvragen bij het lokaal en regionaal verplaatsen van kinderen, staat beschreven in paragraaf 5.4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3Een scootmobiel Voor verminderen of wegnemen van een vervoersprobleem bij het afleggen van korte- tot middellange afstanden, kan een scootmobiel als maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ worden toegekend. Als voorwaarden worden gesteld, dat: de inwoner in staat is om zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen; de inwoner in staat is om de scootmobiel op een adequate wijze (technisch) te bedienen en zelfstandig deel te nemen aan het verkeer op de openbare weg; beschikt of kan beschikken over een adequate stallingsruimte om de scootmobiel op te laden en te beschermen tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Adequate stallingsmogelijkheid Met een adequate stallingsruimte wordt een afgesloten ruimte (schuur, garage of hal van een wooncomplex, mits de scootmobiel de veiligheid in het complex niet in gevaar brengt) bedoeld of een (af)dak waar het voertuig onder gestald kan worden. De minimale eisen bij een niet afgesloten ruimte zijn drie wanden en een dak, en een haak aan de muur om de voorziening te beschermen tegen diefstal. Daarnaast is stroomvoorziening vereist. In uitzonderlijke situaties kan, wanneer de inwoner aantoonbaar niet in staat is om adequate stalling te realiseren, een maatwerkvoorziening worden getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer aanpassingen nodig zijn zodat een schuurtje ook voor het stallen van de scootmobiel gebruikt kan worden (bijv. het ophogen van de tuin, het leggen van tegels naar het schuurtje of het verbreden van de schuurdeur), komen de uitvoering en de kosten daarvan voor rekening van de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Type scootmobiel en noodzakelijke accessoires Scootmobielen zijn leverbaar in diverse typen en met verschillende snelheden. Het college betrekt bij de afweging het doel waarvoor de scootmobiel wordt toegekend, de lichaamskenmerken, de rijvaardigheid en het verkeersinzicht van de inwoner, evenals de mogelijkheden tot stalling van de scootmobiel. Uiteindelijk verstrekt zij de goedkoopst passende scootmobiel. Bij verstrekking in natura wordt de scootmobiel gehuurd door het college, dit is inclusief kosten voor onderhoud en reparatie. De inwoner tekent een bruikleenovereenkomst waarmee de inwoner zich onder andere committeert om zoals een goed huisvader betaamt voor de scootmobiel te zorgen. Voor verstrekking in Pgb zie paragraaf 4.8. Accessoires bij de scootmobiel (denk aan een windscherm bij bijvoorbeeld longproblematiek wat het rijden beinvloed etc.) worden enkel verstrekt als zij naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn gezien de beperkingen van de inwoner en/of het doel waarvoor de scootmobiel als maatwerkvoorziening wordt toegekend. Wenselijke accessoires vanuit de inwoner kunnen bij de leverancier op eigen kosten aangeschaft worden. Ditzelfde geldt voor andere accu’s die een grotere actieradius bewerkstelligen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gesloten buitenwagen Een gesloten buitenwagen is een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. De gesloten buitenwagen is niet hetzelfde als een brommobiel, die ook niet harder dan 45 kilometer rijdt, maar waarvoor geen aparte verkeersregels gelden. De brommobiel is niet specifiek voor mensen met een beperking bedoeld en wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Op de verstrekking van een gesloten buitenwagen zijn dezelfde voorwaarden van toepassing als bij de toekenning van een scootmobiel als maatwerkvoorziening. Op grond van jurisprudentie wordt een gesloten buitenwagen alleen toegekend indien dit gezien de beperkingen van de inwoner medisch noodzakelijk is (en als enige passende maatwerkvoorziening kan worden aangemerkt). Dit behoort tot de zeer uitzonderlijke gevallen, omdat een gesloten buitenwagen bijna nooit de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.4Wmo vervoerspas regiotaxi (collectief vervoer) Voor het verminderen of wegnemen van een vervoersprobleem bij het afleggen van middellange afstanden, kan een Wmo-vervoerspas voor de regiotaxi als maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ worden toegekend. De regiotaxi is een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) dat met (rolstoel)busjes en taxi’s vervoer van deur tot deur/halte (en visa versa) biedt voor iedere inwoner van Nieuwegein. Het commerciële tarief (voor iedere inwoner) ligt boven dat van het openbaar vervoer, maar onder dat van een reguliere taxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel meenemen in de regiotaxi, de inwoner krijgt hier dan een speciale aantekening van in het reizigersbestand. Ook kan één medereiziger tegen hetzelfde tarief meereizen. De Wmo-vervoerspas voor de regiotaxi mag niet worden gebruikt voor vervoer van en naar de dagbesteding of de recreatieve activering. Vervoer van en naar de recreatieve activering en dagbesteding is door de gemeente op een andere manier georganiseerd/ingekocht in het geval de inwoner daar niet zelf in kan voorzien. Zie paragraaf 5.7.3 en paragraaf 5.7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het tarief van Wmo-vervoerspashouders wordt jaarlijks bij collegebesluit vastgesteld en gecommuniceerd. De periode waarvoor de Wmo-vervoerspas wordt toegekend wordt, samen met eventuele andere voorwaarden, vastgelegd in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel meenemen in de regiotaxi, de inwoner krijgt hier dan een speciale aantekening van in het reizigersbestand. Ook kan één medereiziger tegen hetzelfde tarief meereizen. De Wmo-vervoerspas voor de regiotaxi mag niet worden gebruikt voor vervoer van en naar de dagbesteding. Indien vervoer van en naar een dagbesteding noodzakelijk is, kan hiervoor bij de maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus een aparte indicatie worden afgegeven, zie paragraaf 5.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kilometerbudget Het kilometerbudget betreft het aantal kilometers dat een inwoner in één jaar maximaal tegen gereduceerd tarief op vertoon van de Wmo-vervoerspas met de regiotaxi kan reizen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een klein, midden en groot kilometerbudget. Het oordeel van het college om een klein, midden of groot kilometerbudget toe te kennen, hangt af van:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoersbehoefte in relatie tot het vervoersprobleem van de inwoner en het doel waarvoor de maatwerkvoorziening wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere en/of algemene voorzieningen kan worden opgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele andere maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Vervoer’ die zijn of worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van de hoogte van het kilometerbudget, hanteert het college onderstaande tabel als richtlijn. Kilometers die in een jaar niet worden benut, kunnen niet worden toegevoegd aan het budget van het jaar daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soorten kilometerbudget Omschrijving Klein (0-300 kilometer per jaar) Inwoner is slechts sporadisch afhankelijk van de regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoner is in staat middellange afstanden grotendeels op eigen kracht af te leggen en/of daarvoor gebruik te maken van voorzieningen zoals beschreven in paragraaf 5.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Midden (300- 750 kilometer per jaar) Inwoner is deels afhankelijk van de regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoner kan (delen van de) afstanden afleggen op eigen kracht en/of gebruik te maken van voorzieningen zoals beschreven in paragraaf 5.4.1, maar is voor (delen van de) afstanden ook afhankelijk van de regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoner beschikt over een maatwerkvoorziening Vervoer waarmee (delen van de) afstanden kunnen worden afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Denk aan een aangepaste fiets/ scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groot (750-1500 kilometer per jaar) Inwoner is volledig afhankelijk van de regiotaxi. Bijvoorbeeld als gevolg van zijn beperkingen of omdat hij geen of slechts in beperkte mate gebruik kan maken van voorzieningen zoals staat in paragraaf 5.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner gedurende de looptijd van beschikking van mening is dat het budget niet toereikend is, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij een groter kilometerbudget nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel vervoer per regiotaxi De regiotaxi is vraagafhankelijk collectief vervoer. Dit betekent dat op afroep (vraagafhankelijk) meerdere mensen tegelijk (collectief) met een zelfde voertuig vervoerd worden naar hun bestemmingen. Het maximaal aantal personen dat in één voertuig tegelijk wordt vervoerd, bedraagt acht personen (taxibus). Naast dit vervoer per taxibus, kunnen mensen met de regiotaxi ook met een personenauto (taxi) of een rolstoeltaxibus worden vervoerd. In de uitzonderlijke situatie dat iemand vanwege zijn beperking niet met anderen kan/mag reizen, kan een indicatie voor individueel vervoer per regiotaxi worden afgeven. Tijdens de ritten vindt dan geen combinatie plaats met andere reizigers, tenzij het een meereizende van de persoon betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wagenziekte wordt niet gezien als medische noodzaak tot individueel vervoer. Met een indicatie ‘voorin zitten’ kan een persoon met wagenziekte vaak passend per personenauto (taxi) alsnog met twee andere passagiers gecombineerd worden vervoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reizen met medisch begeleider Indien er medische noodzaak is voor het meereizen van een begeleider, kan het college hiervoor een indicatie afgegeven. Dit geldt alleen in situaties waarin medische handelingen nodig zijn tijdens de rit. De begeleider reist gratis mee. Als men een dergelijke indicatie heeft, mag de inwoner niet meer zonder begeleider reizen. Het college kan ten behoeve van een indicatie ‘reizen met medisch begeleider’ onafhankelijk medisch advies inwinnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.5Financiële tegemoetkoming in de kosten van individueel vervoer Wanneer een maatwerkvoorziening wordt toegekend, verstrekt het college de goedkoopst passende maatwerkvoorziening. Bij een vervoersprobleem op de middellange afstanden, is het collectief vervoer (regiotaxi) in veruit de meeste gevallen de goedkoopst passende maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’. In sommige situaties is het echter denkbaar dat dit niet de best passende vorm van vervoer is of het goedkoopst (op de lange termijn). Bijvoorbeeld bij een kind van elf jaar met een fysieke beperking die voor zijn maatschappelijke participatie (bijv. familiebezoek) meer baat heeft bij een autoaanpassing dan een Wmo-vervoerspas voor de regiotaxi. Collectief vervoer biedt in dergelijk geval vaak geen passende oplossing voor structureel vervoer van het gehele gezin. In dit soort situaties kan de ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten van individueel vervoer’ als goedkoopst passende maatwerkvoorziening worden toegekend om de eigen (gezins-)auto aan te passen. De aan te passen auto moet de investering waard zijn en mag daarom in de regel niet meer dan vijf jaar oud zijn. In sommige gevallen is ook bij een oudere auto een aanpassing mogelijk. Dit hangt af van de soort aanpassing, de overplaatsbaarheid daarvan en de kilometerstand. Voor de gebruikstermijn van de aanpassing wordt uitgegaan van minimaal zeven jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het besluit staat beschreven hoe de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van individueel vervoer voor het aanpassen van de eigen auto, wordt bepaald. Wanneer een auto is aangepast, wordt niet ook een vergoeding voor bijvoorbeeld de reiskosten toegekend. De kosten van het gebruik van de eigen (aangepaste) auto zijn dan algemeen gebruikelijk. Het betreft kosten die een ieder, ook een persoon zonder beperking heeft aan vervoer. Denk aan benzinekosten, kosten voor onderhoud/reparatie, verzekering etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is het denkbaar dat een inwoner met een vervoersprobleem op de korte afstanden een eigen auto voor de deur heeft staan en deze ook voor de korte afstanden kan/wil gebruiken. Het college onderzoekt of de inwoner daadwerkelijk meerkosten heeft ten opzichte van personen zonder beperkingen omdat de inwoner ook voor korte afstanden aangewezen is op het gebruik van eigen auto en of dit kan worden aangemerkt als de goedkoopst passende oplossing. Zoals gezegd beperkt de tegemoetkoming zich tot de kosten van het bovengebruikelijk gebruik van de eigen auto voor de korte afstanden. In het besluit staat beschreven hoe de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto voor korte afstanden als individueel vervoer, wordt bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.6Vervoersbehoefte kinderen Een jong kind met een beperking kan bij het lokaal/ regionaal verplaatsen vaak op dezelfde manier vervoerd worden als een leeftijdgenoot zonder beperking. Vaak met een voorziening die als algemeen gebruikelijk wordt gezien. Denk aan een buikdrager, Maxi-Cosi, kinderwagen, buggy of een fietszitje/autostoeltje. Bovendien zijn jonge kinderen in hun verplaatsings- en vervoersbehoefte nog grotendeels afhankelijk van hun ouders. Toch kan ook een jong kind (onder de zes jaar) als gevolg van een beperking belemmeringen ondervinden in het meedoen (participeren) en dus een vervoersbehoefte hebben waarvoor een maatwerkvoorziening Wmo Vervoer kan worden toegekend. Denk aan het meedoen in het spel buiten met andere kinderen of het fietsen (al dan niet onder begeleiding van een volwassene) naar opa of oma in de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier geldt dat een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ pas wordt toegekend, na het toepassen van het afwegingskader zoals gesteld in paragraaf 5.4.1, en dus wanneer andere opties onvoldoende uitkomst bieden. Zo zijn er ook algemene voorzieningen die kunnen voorzien in de vervoersbehoefte van een jong kind. Denk bijvoorbeeld aan een speel-o-theek voor kinderen met een functiebeperking of ontwikkelingsachterstand waar aangepaste kinderfietsen geleend kunnen worden, zoals driewielers of (loop)fietsen in verschillende varianten of hoogtes die kinderen met een beperking in staat stellen met leeftijdgenoten buiten te spelen of per fiets een bezoek te brengen aan opa of oma in de wijk. Wanneer een vervoersvoorziening tot doel heeft de functie over te nemen (bijvoorbeeld het lopen) in plaats van maatschappelijk te kunnen participeren, kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning vanuit de Zvw in plaats van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5Beschikken over mantelzorg die het vol kan houden Voor het in stand houden of vergroten van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van inwoners met een beperking, zijn mantelzorgers van grote waarde. Mantelzorg kan geboden worden door personen van zowel binnen als buiten de leefeenheid. Daar waar de zorg vanuit de leefeenheid wordt geboden spreek je over mantelzorg als de geboden zorg de gebruikelijke hulp van huisgenoten aan de inwoner overstijgt (zie paragraaf 3.2). Mantelzorgers lopen het risico overbelast te raken. Vanuit de Wmo kan daarom ondersteuning worden geboden aan mantelzorgers. De ondersteuning is gericht op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontlasten van de mantelzorger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van een balans tussen draagkracht en draaglast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit met als doel dat de mantelzorger de ondersteuning die hij biedt, (langer) vol kan houden. Ondersteuning vanuit de Wmo kan op verschillende manieren worden geboden, bijvoorbeeld door te zorgen dat de inwoner één of meerdere dagdelen per week elders verblijft in de vorm van dagbesteding, zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen (zie paragraaf 5.7.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kunnen mantelzorgtaken tijdelijk worden overgenomen, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. Deze ondersteuning wordt respijtzorg genoemd. De mantelzorgondersteuning als maatwerkvoorziening Wmo kan worden aangevraagd door inwoners van de gemeente Nieuwegein. De woonplaats van de inwoner is bepalend, niet die van de mantelzorger.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.1Het afwegingskader Wanneer mantelzorg een bijdrage levert of kan leveren bij het verminderen of wegnemen van de ondersteuningsvraag van een inwoner, onderzoekt het college ook of de mantelzorger niet overbelast is of op korte termijn dreigt te raken. Het is daarbij tevens van belang of het een kortdurende of langdurige ondersteuningsbehoefte betreft (zie paragraaf 2.2.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van eigen kracht wordt gekeken naar wat beide partijen zelf kunnen doen om ervoor te zorgen dat de mantelzorger zijn taken vol kan blijven houden. Is het beroep dat de inwoner op zijn mantelzorger doet reëel? Is de mantelzorger in staat om zijn grenzen aan te geven? Binnen het sociaal netwerk kan geïnventariseerd worden in hoeverre de taken die de mantelzorger verricht zijn te verdelen over andere beschikbare personen. Onderzocht zal moeten worden hoe groot het sociaal netwerk van de inwoner is, hoe de taakverdeling binnen dit netwerk is en of hierin verandering mogelijk is. Zijn er meer mensen binnen het sociaal netwerk te activeren zodat de (dreigend) overbelaste mantelzorger in staat is de taken langer vol te houden. Er zijn diverse instanties die kunnen ondersteunen bij het in kaart brengen en helpen activeren van het eigen netwerk. Ook kan gedacht worden aan het inzetten van algemene voorzieningen, om de inwoner en mantelzorger te ondersteunen, zoals:</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie en advies aan de mantelzorger. Bijvoorbeeld informatie en advies over het ziektebeeld, over de omgang met de inwoner en mogelijkheden om werk en zorg te combineren. Organisaties/ disciplines die hiervoor ingeschakeld kunnen worden zijn onder andere; Steunpunt Mantelzorg Nieuwegein, de Mantelzorgmakelaar, onafhankelijke cliëntondersteuning, ergotherapie, de welzijnscoach, dementieconsulent, of de wijkverpleegkundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Emotionele ondersteuning. Denk hierbij aan lotgenotencontact of mensen die een luisterend oor kunnen bieden. Bijvoorbeeld door het bezoeken van het Parkinson of Alzheimer Café.</p>\n<p class=\"lf-p\">Praktische ondersteuning. Hierbij gaat het om overname van taken door een vrijwilliger/ maatje, zodat de mantelzorger de mogelijkheid heeft om iets voor zichzelf te ondernemen. Ook kan de vrijwilliger worden ingezet om bijvoorbeeld een boodschap te doen, de inwoner te begeleiden bij een ritje naar het ziekenhuis, of kortdurend overnemen van het toezicht (‘oppassen’). Een ander voorbeeld van praktische ondersteuning is de Huishoudelijke Hulp Toelage regeling (HHT) voor mantelzorgers. Inwoners van Nieuwegein die mantelzorg leveren kunnen hier aanspraak op maken. Wanneer zij staan ingeschreven bij het Steunpunt Mantelzorg Nieuwegein, kunnen zij gebruik maken van 18 uur huishoudelijke ondersteuning per jaar. Het idee hierachter is dat zij vaak zo druk zijn met het mantelzorgen dat hun eigen huishouden erbij inschiet. Dit is een kleine tegemoetkoming ter ondersteuning en waardering van hun inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt bij het afwegingskader beoordeeld of er mogelijkheden zijn binnen een ander wettelijk kader (andere voorziening) waarmee de zorgzwaarte voor de mantelzorger kan worden verminderd, denk bijvoorbeeld aan wijkverpleging vanuit de Zvw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van mantelzorg in de Wmo is beperkt tot hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Daarmee vallen mantelzorgers die hulp verlenen aan personen die zorg op grond van de Wlz ontvangen, niet onder de reikwijdte van de taak van de gemeente met betrekking tot mantelzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er na toepassing van het afwegingskader nog geen afdoende oplossing is voor de ondersteuningsvraag kan er mogelijk ondersteuning nodig zijn in de vorm van maatwerk. Bijvoorbeeld het kortdurend inzetten van de maatwerkvoorziening individuele begeleiding (begeleiding), zie paragraaf 5.6.3) met als doel netwerkversterking/verbreding. Daarnaast zijn er de mogelijkheden van het inzetten van dagbesteding (de maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus, zie paragraaf 5.7.3) en respijtzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.2Respijtzorg Bij respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf logeert een inwoner bij een professionele aanbieder van logeeropvang, bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger die overbelast is of dreigt te raken. Het gaat in de praktijk bijna altijd om intensieve mantelzorg, waarbij de inwoner intensieve verzorging, begeleiding en/of toezicht nodig heeft, gedurende de hele dag op regelmatige en onregelmatige momenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als er sprake is van de combinatie van langdurende ondersteuning en toezicht, (dreigende) overbelasting van de mantelzorger en gebruik is gemaakt van algemene voorzieningen (zoals de inzet van vrijwilligers), kan kortdurend verblijf in de vorm van respijtzorg als maatwerkvoorziening Wmo worden toegekend. In sommige gevallen wordt respijtzorg vergoed door de Zorgverzekeraar binnen een aanvullend pakket. In geval de mantelzorger een beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn/haar aanvullende verzekering, gaat dit voor op een maatwerkvoorziening Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de instelling waar de inwoner kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse ondersteuning overgenomen. Wanneer verpleging of behandeling nodig is, is hiervoor aparte aanvraag nodig bij de Zorgverzekeraar (Zvw). Alhoewel behandeling en verpleging geen onderdeel uit maken van de Wmo, is het belangrijk dat hiermee wel afstemming plaats vindt. Als er een medische noodzaak is voor verblijf, bijvoorbeeld behandeling of herstel van de inwoner, dan valt deze zorg onder (eerstelijns)verblijf op grond van de Zvw. Heeft de inwoner een Wlz-indicatie dan komt logeeropvang ten laste van de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld van een algemene voorziening Respijtzorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter ondersteuning van de mantelzorger zijn er, over respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf, aanvullende afspraken gemaakt met Zorgspectrum. Het is mogelijk om 14 dagen te logeren op Locatie Vreeswijk of de Geinse Hof en in overleg ook in het Haltnahuis in Houten. Deze algemene voorziening kan ingezet worden bij bijvoorbeeld een ziekenhuisopname of vakantie van de mantelzorger, of wanneer er een woning verbouwd wordt op grond van de Wmo waardoor iemand tijdelijk niet thuis kan verblijven. Inwoners kunnen hier zonder indicatie van de gemeente gebruik van maken. Voor deze voorziening geldt een eigen bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang Omdat kortdurend verblijf gericht is op het bieden van respijt aan de mantelzorger wordt deze toegekend voor in beginsel maximaal 36 etmalen per jaar. Dit kan in de vorm van maandelijks verblijf van drie etmalen in een instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoner en de mantelzorger mogen dit echter ook op een andere manier indelen, bijvoorbeeld in verband met vakantie van de mantelzorger twee weken aaneengesloten. De periode van toekenning is variabel, mede afhankelijk van de ontwikkeling van de ondersteuningsvraag van de inwoner en diens mantelzorger. Het gaat hier om het bieden van maatwerk. De leidende vraag is: wat is nodig zodat de mantelzorger de ondersteuning vol kan houden?</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Waarbij in eerst plaats gebruik dient te worden gemaakt van eigen vervoer of van hulp uit het sociaal netwerk. Pas als deze vormen van vervoer niet tot voldoende oplossing leiden kan ook (aanvullend) vervoer worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.3Mantelzorgwoning Er is sprake van een mantelzorgwoning indien een hulpbehoevende inwoner bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en hiervoor een aan- of bijgebouw bij de woning van de mantelzorger wordt aangepast, een tijdelijke mantelzorgunit aan de woning wordt gekoppeld, dan wel een aparte woning of woonunit op het erf van de mantelzorger wordt gerealiseerd. De mantelzorgwoning is bedoeld voor de huisvesting van een huishouden van maximaal twee personen van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent (zoals omschreven in paragraaf 3.4.1) aan of ontvangt van de inwoner in het hoofdverblijf. Het uitgangspunt is dat de mantelzorger zelf de kosten draagt die deze ook droeg vóór het betrekken van de mantelzorgwoning; eigen verantwoordelijkheid voor het hebben en onderhouden van een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat woonlasten die de mantelzorger had toen hij/zij een zelfstandige woning bewoonde moeten worden ingezet om de kosten van de mantelzorgwoning te dekken. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen, enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. Om te beoordelen of een maatwerkvoorziening Wmo wonen aan de orde is onderzoekt het college, na het toepassen van het afwegingskader, of dit de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is voor het oplossen van de ondersteuningsvraag. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is onder voorwaarden mogelijk om vergunningsvrij een mantelzorgwoning te bouwen bij een bestaande woning.11Voor meer informatie zie Vragen en antwoorden over mantelzorgwoningen. Er wordt in dergelijke situaties wel altijd bekeken of er daadwerkelijk sprake is van een mantelzorgsituatie. In veel gevallen is de situatie al bekent bij het college, dan wel bij Steunpunt Mantelzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6Regie en structuur in het dagelijks leven Een inwoner kan op één of meerdere leefgebieden problemen ervaren door het ontbreken van regie en structuur in het dagelijks leven. Dit kan hem belemmeren in zijn zelfredzaamheid, het kunnen participeren in de maatschappij en het zelfstandig kunnen (blijven) wonen. Gedacht kan worden aan activiteiten als het kunnen doen van de administratie, het plannen van de week, regel- en geldzaken, het hebben van een zinvolle daginvulling, het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het kunnen oplossen van problemen. Het gaat om inwoners met een: verstandelijke of cognitieve beperking; psychiatrische aandoening; lichamelijke aandoening of beperking; zintuigelijke beperking; psychogeriatrische aandoening; psychosociaal probleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet de diagnose is leidend (van welke ziektebeeld/ welke grondslag sprake is) maar de mogelijkheden en de beperkingen van de inwoner. Door het college wordt in kaart gebracht wat het effect is van de aandoening of beperking op de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner en hoe vervolgens kan worden gewerkt naar een oplossing. Er wordt hierbij, zoals eerder aangegeven, gewerkt volgens de Krachtwerk methodiek waarbij jezelf zijn, meedoen, ertoe doen en erbij horen centraal staan. Dit vanuit de gedachte dat ieder mens moet kunnen meedoen aan de samenleving op een manier die bij hem of haar past en daardoor een zingevend bestaan kan leiden. De eigen kracht en organiserend vermogen van de inwoner vormen het uitgangspunt op weg naar herstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1Het afwegingskader Het college bekijkt in eerste instantie in hoeverre de inwoner op eigen kracht een oplossing kan vinden voor de problemen die hij ervaart op het gebied van regie en structuur in zijn dagelijks leven. Kan hij bepaalde zaken anders organiseren of inrichten of vaardigheden aanleren? Hierbij valt te denken aan het hanteren van een duidelijke vaste structuur in dagelijks terugkomende taken of het gebruik maken van een kalender voor de dag/weekplanning. Of kan de inwoner gebruik maken van handige digitale hulpmiddelen waardoor de inwoner (een deel van de) activiteiten weer zelf kan doen, bijvoorbeeld de kook-app die ondersteunt bij het doen van de boodschappen en koken voor mensen met een verstandelijke beperking of de GoOV-app die ondersteunt bij het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. Om deze zaken uit te gaan voeren of aan te leren kan (tijdelijk) ondersteuning van buitenaf nodig zijn. Ook kan er mogelijk een beroep worden gedaan op gebruikelijke hulp, zie bijlage 4 voor een overzicht met voorbeelden van gebruikelijke hulp in relatie tot individuele begeleiding. Binnen het bredere sociaal netwerk is het denkbaar dat er bijvoorbeeld buren of familieleden zijn die kunnen helpen bij het (samen) doen van de administratie of boodschappen, regelmatig een oogje in het zeil houden, structuur in de week aanbrengen, samen activiteiten ondernemen en zorgen voor een zinvolle invulling van (een deel van) de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beoordeelt verder in gesprek met de inwoner of er gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen. Bieden welzijnsactiviteiten een oplossing? Bijvoorbeeld de buurtpleinen (waar ontmoeting en activiteiten plaatsvinden), een cursus waardoor de inwoner zijn sociaal netwerk uitbreidt, een administratie-maatjes project, ondersteuning bij financiën of bureaucratische vragen door het sociaal juridisch servicepunt, gezelschap of ondersteuning van vrijwilligers, etc. Zie voor een niet limitatief overzicht van algemene voorzieningen bijlage 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de afweging komt tevens aan bod of voor de ondersteuningsvraag aanspraak bestaat op ondersteuning op grond van andere wet- en regelgeving. Een belangrijk aspect daarbij is of bij de bestaande problematiek verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) te verwachten is door middel van behandeling. De stelregel hierbij is dat dan eerst behandeling wordt ingezet. In dat geval mag van de inwoner worden verwacht dat hij/zij een beroep doet op de behandelmogelijkheden vanuit de Zvw en dat de inwoner zich inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. Bijvoorbeeld behandeling bij een angst/paniekstoornis/straatvrees ter bevordering van de participatie of een revalidatietraject om de zelfredzaamheid te verbeteren. Een diagnose is niet leidend maar doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contraproductief is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat bij behandeling om gerichte professionele interventies door een (para)medisch behandelaar, met specifieke deskundigheid, bijvoorbeeld een psycholoog, psychiater, ergotherapeut, specialist ouderengeneeskunde, of revalidatiearts. Het college houdt bij haar oordeel tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening rekening met de mogelijkheid tot het inzetten van een succesvolle behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat in bepaalde situaties behandeling en begeleiding naast elkaar worden ingezet (dan neemt bijvoorbeeld de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd), of dat tijdelijk Wmo begeleiding wordt ingezet om de inwoner toe te leiden naar behandeling. Ook kan begeleiding worden ingezet om tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Beide vormen van ondersteuning dienen op elkaar te worden afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander voorbeeld is de beoordeling of persoonlijke verzorging onder de Wmo of de Zvw valt. Dit hangt samen met de aard van de ondersteuning, en de vraag of er sprake is van geneeskundige zorg of een hoog risico daar op. Bij begeleiding vanuit de Wmo gaat het om ondersteuning bij de ADL en niet om het overnemen van deze handelingen. Bijvoorbeeld om het stimuleren en aansporen van iemand met beginnende dementie om na het douchen schone kleding aan te trekken (‘met de handen op de rug’), en vanuit de Zvw betreft de zorg het daadwerkelijk wassen van deze persoon. Bij het innemen van de medicatie valt het enkel aanreiken en/of toezicht op het innemen van de medicatie waarbij er geen sprake is van (een hoog risico op) geneeskundige zorg onder de Wmo. Het is aan de wijkverpleegkundige om te beoordelen of er sprake is van (een hoog risico op) geneeskundige zorg en niet aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan bij andere voorzieningen gedacht worden aan bijvoorbeeld arbeidsvoorzieningen op grond van de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong of Participatiewet (PW), of opvoedondersteuning voor ouders vanuit de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.2Algemeen maatschappelijk werk De algemene voorziening ‘Algemeen maatschappelijk werk (AMW)’ is hulpverlening aan volwassen inwoners met psychosociale, relationele of materiele problemen. De ondersteuning bestaat uit ongeveer acht tot tien gesprekken en is doelgericht. Gesprekken vinden plaats bij de inwoner thuis of op locatie en kunnen bestaan uit individuele gesprekken, partner/gezinsgesprekken of groepswerk. Deze ondersteuning maakt het mogelijk dat inwoners (weer) in staat zijn verantwoordelijkheid te dragen voor de situatie, zelf hun problemen op te lossen en volwaardig deel te kunnen uitmaken van de samenleving. De ondersteuning vanuit het AMW kan bestaan uit (een combinatie van) de volgende onderdelen: preventie (oftewel voorkomen dat het probleem groter wordt), informatie en advies, concrete dienstverlening, begeleiding, bemoeizorg, bemiddeling, casemanagement, crisisinterventie, groepswerk, consultatie en signalering. Het AMW kan worden ingezet om bijvoorbeeld overzicht te creëren in de situatie en/of hulpverlening op elkaar af te stemmen. Ook kan het AMW eventueel een rol spelen bij het bieden van ondersteuning ter overbrugging naar een structurele oplossing, als motivatietraject of toeleiding tot andere hulpverlening. Het Algemeen maatschappelijk werk richt zich op vragen en problemen op het gebied van bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Relaties met partner, ouders, kinderen Seksuele geaardheid Gevoel van eenzaamheid, stress, nervositeit Zelfvertrouwen Verwerking van rouw, echtscheiding, ziekte, ouder worden, invaliditeit Slachtoffergeweld of verwerking van geweld Werk, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid Leren uitkomen met het inkomen of inkomensverwerving Zingeving 5.6.3Voorliggend veld Zoals in paragraaf 5.6.1 omschreven wordt, is het van belang dat, het voorliggend veld en het eigen netwerk zoveel mogelijk onderdeel uitmaken van de aanpak en dus in het behalen van doelen en resultaten. Wanneer dit niet vanaf het melden van de ondersteuningsvraag haalbaar is en er een noodzaak is voor individuele begeleiding (paragraaf 5.6.4) dan is het van belang dat de zorgaanbieder bij de totstandkoming van het begeleidingsplan het voorliggend veld zoveel mogelijk integreert in de begeleiding. Hetzelfde geldt wanneer het netwerk kan ondersteunen bij het behalen van de doelen en resultaten. De begeleiding is gericht op blijvende participatie en stimulering van de zelfredzaamheid, passend bij de levens- en ontwikkelfase van de inwoner. Het bevorderen van de eigen kracht, de inzet van het sociaal netwerk en ondersteuning vanuit het voorliggend veld en vrij toegankelijke voorzieningen en de wijze waarop dit in samenhang met de geboden individuele begeleiding wordt vormgegeven, is een samenwerking tussen het college en de zorgaanbieder.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.4 Individuele Begeleiding (IB) Als blijkt dat een inwoner als gevolg van een bepaalde aandoening of beperking ondersteuning in de vorm van begeleiding nodig heeft en dit na het doorlopen van het afwegingskader niet op een andere manier kan worden opgelost, kan een maatwerkvoorziening Wmo individuele begeleiding (IB) worden ingezet. Het gaat dan om het versterken van de lichamelijke, cognitieve, sociale en psychische mogelijkheden die de inwoner in staat stelt om zich staande te houden in de samenleving en te functioneren binnen de persoonlijke levenssfeer. Het functioneren en de behoefte aan ondersteuning is afhankelijk van veel factoren (persoonskenmerken, sociaal netwerk, leerbaarheid, motivatie, gedrag etc.) en kan voor iedere inwoner anders zijn en dus in tijd fluctueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorziening IB, richt zich op het actief herstellen of (gedeeltelijk) behouden van het beperkte of aanwezige vaardigheden van de inwoner, zodat hij wordt begeleid naar een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid. Er wordt niet uitgegaan van de beperking maar vooral van de eigen kracht, het leervermogen en de te behalen resultaten in samenspraak, met de inwoner. Er wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk voeren van regie over het eigen, met een minimale inzet van professionals. Indien mogelijk wordt ook het sociaal netwerk of het voorlichtend veld betrokken. Ook dient de begeleiding goed aan te sluiten bij de leefwereld van de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaat gebieden van de maatwerkvoorziening IB liggen op de volgende verschillende leefgebieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfzorg en (geestelijke en lichamelijke) gezondheid Regelvermogen en dagstructuur Administratie en financiën (alleen i.c.m. andere doelen, anders voorliggend of informeel) Sociaal en persoonlijk functioneren Zingeving en meedoen Woonvaardigheden/Zelfstandig voeren van huishouden Afwegingskader productenmodel Op basis van het onderzoek dat het college heeft met de inwoner moet duidelijk worden hoe de ondersteuning van de inwoner eruit moet komen te zien. Aan de hand van vier aspecten wordt bepaald welke vorm van ondersteuning het beste aansluit bij de ondersteuningsvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vier aspecten die onderscheiden worden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Type ondersteuning: behouden of ontwikkelen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang van de ondersteuningsvraag: het aantal resultaatgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benodigde intensiteit van de ondersteuning: zijn er verzwarende omstandigheden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur van de ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vier aspecten helpen om op een logische wijze de ondersteuningsvraag van de inwoner af te pellen en tot een passend ondersteuningsaanbod te komen die het beste aansluit bij de vraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productmodel 1 tot 2 resultaatgebieden 3 tot 4 resultaatgebieden 5-6 resultaatgebieden Behouden Ontwikkelen Behouden Ontwikkelen Behouden Ontwikkelen Gemiddelde intensiteit Intensiteit + Intensiteit ++ 1. Type ondersteuning: behouden of ontwikkelen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden 2 typen ondersteuning onderscheiden, namelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden van zelfredzaamheid en participatie Ontwikkelen van zelfredzaamheid en participatie Bij ‘behouden’ kunnen ook wel degelijk kleine stappen gezet worden, maar de situatie zelf blijft over de Jaren heen min of meer vergelijkbaar. Bij ouderen is vrijwel altijd sprake van een behouden zorgproduct. Dit geldt ook bij bijv. dementie, waar het vooral gaat over zoveel mogelijk stabiel houden van de situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de situatie (inmiddels weer) stabiel? Na ‘ontwikkelen’ kan in de meeste situaties overgestapt worden naar ‘behouden’, tenzij onderbouwd aangegeven kan worden dat de inwoner de komende periode nog grote stappen kan maken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Omvang van de ondersteuningsvraag: het aantal resultaatgebieden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit criterium ‘aantal resultaatsgebieden’ kijken we naar het aantal resultaatgebieden dat tegelijkertijd in het begeleidingstraject wordt opgepakt. Hierbij onderscheiden we drie categorieën:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld aantal resultaatgebieden: de maatwerkvoorziening bestaat uit ondersteuning op 1 tot 2 resultaatgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bovengemiddeld aantal resultaatgebieden: de maatwerkvoorziening bestaat uit ondersteuning op 3 tot 4 resultaatgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groot aantal resultaatgebieden: de maatwerkvoorziening bestaat uit ondersteuning op 5 tot 6 resultaatgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen elk resultaatgebied dient oog voor het gehele huishouden te zijn, voor kinderen en voor mantelzorger(s).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Benodigde intensiteit van de ondersteuning: zijn er verzwarende omstandigheden?</div>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van de intensiteit is de ‘gemiddelde intensiteit’. Verzwarende omstandigheden zijn afhankelijk van de context. De afweging die gemaakt moet worden is welke extra ondersteuning dient de aanbieder te geven in ten opzichte van andere inwoners binnen dezelfde doelgroep en in relatie tot normaal. Hierbij kan gedacht worden aan extra contactmomenten om het resultaat te behalen. Ook is het belangrijk om de impact op de overige huisgenoten mee te nemen in de afweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verzwarende omstandigheden gaat het om in de persoon of het gezin gelegen factoren. Dit staat los van welke (of hoeveel) resultaatgebieden zijn benoemd. De verzwarende omstandigheid leidt ertoe dat de begeleiding intensiever zal zijn en meer contactmomenten kent. Een bepaalde diagnose of een ziektebeeld zoals NAH, LVB of autisme leidt niet per definitie tot een verzwarende omstandigheid. Niet elk ziektebeeld levert voor elke persoon precies dezelfde beperking op. De zwaarte van het ziektebeeld, of het gegeven dat overige familie- of gezinsleden slecht kunnen omgaan met dit ziektebeeld kunnen wel tot een verzwarende omstandigheid leiden omdat de begeleider in dat geval een andere of bredere scope krijgt. Ook wanneer de inwoner vanwege zijn stoornis bovengemiddeld moeilijk gedrag vertoont, die vraagt om meer inzet, is sprake van een verzwarende omstandigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van verzwarende omstandigheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedragsmatige kant van de inwoner (verminderd regelvermogen, waardoor iemand onverwacht de draad kwijtraakt gedurende de dag/week);</p>\n<p class=\"lf-p\">Zware psychiatrische problematiek met acute situaties (psychoses, zwaar alcoholisme, paniekaanvallen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Life-events die voor de inwoner zodanig ontregelend zijn dat de zelfredzaamheid afneemt; zoals de geboorte van een kind, een verhuizing, overlijden van een naaste;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kans op agressief gedrag of zorgmijding, gevaar voor zichzelf of omgeving waardoor een specifieke benadering of meer contactmomenten nodig zijn; (Tijdelijk) extra aandacht die nodig is voor andere leden van het huishouden, waaronder kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddelde intensiteit Uitgangspunt voor alle inwoners Intensiteit + Eén verzwarende omstandigheid Intensiteit ++ Combinatie van verzwarende omstandigheden NB: De context verandert gedurende de tijd, daarom wordt bij iedere nieuwe (her)indicatie opnieuw naar de intensiteit gekeken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Duur van de ondersteuning De toekenningsduur van het zorgproduct is maatwerk en per situatie verschillend. De duur kan liggen tussen een aantal maanden en maximaal een aantal jaar. Aanpassing is tussentijds mogelijk wanneer hier aanleiding voor is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zoals beschreven in paragraaf 4.4.4 kunnen de maatwerkvoorzieningen “ontwikkelen” en/of de intensiteit + en ++ in principe niet worden ingezet in de vorm van een pgb voor ondersteuning vanuit het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalen van het niveau en de tijdsinzet Er wordt gekeken naar het gemiddelde; de intensiteit van de begeleiding kan binnen een niveau per week fluctueren. Daarnaast speelt mee de noodzaak om alle ondersteuningsvragen (bijna) tegelijk aan te pakken of de mogelijkheid om een prioritering aan te brengen, waardoor ze achter elkaar aan de orde kunnen komen. Het college wint indien nodig advies in van de aanbieder. Op basis van de indicatie van het college, stelt de zorgaanbieder in samenspraak met de inwoner een begeleidingsplan op (inclusief doelen, activiteiten, frequentie, etc).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een eventuele aanvraag voor een verlenging van een indicatie wordt het begeleidingsplan geëvalueerd en beoordeeld in hoeverre de doelen behaald zijn (waarom wel/niet) en of deze aanpassing behoeven. Indien bij de evaluatie blijkt dat de inwoner en zorgaanbieder, verwijtbaar, niet werken aan de gestelde doelen, dan heeft het college de mogelijkheid om de inwoner te verwijzen naar een andere zorgaanbieder, dan wel de begeleiding stop te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij hoge indicaties, van meer dan 6 uur per week, in combinatie met de behoefte van de inwoner aan 24-uurs bereikbaarheid van de begeleiding, kan het college in overweging nemen of een lichte vorm van Beschermd Wonen meer passend is (zie paragraaf 5.8.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulphond De kosten van training van een hulphond worden in principe vanuit de Wmo als maatwerkvoorziening individuele begeleiding niet vergoed; een hulphond is een therapeutisch instrument en valt daarom niet onder de Wmo. Hiervoor kan een beroep worden gedaan op de Zorgverzekeringswet en/of fondsen (andere voorziening). Wanneer de kosten vanuit de Zvw niet worden vergoed en de ondersteuningsvraag niet met behandeling (vanuit de Zvw) kan worden opgelost, kan in bijzondere situaties een uitzondering worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek moet blijken dat de inzet van de hulphond minimaal: een overwegend niet therapeutisch doel heeft; een essentiële bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie van de inwoner (bijv. doordat de inwoner met de hulphond weer de straat op durft); een duurzame oplossing biedt voor een Wmo ondersteuningsvraag; de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is (bijv. in vergelijking met het inzetten van individuele begeleiding).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.5 Waakvlam Het is van belang dat er al tijdens het ondersteuningstraject wordt nagedacht over eventuele nazorg en waakvlamfunctie bij het afsluiten van de individuele begeleiding; is er iemand die vinger aan de pols kan houden en kan opschalen indien nodig? Deze waakvlamfunctie wordt eerst gezocht in eigen kracht, eigen netwerk of voorliggend veld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7Zingeving, sport, persoonlijke ontwikkeling en activering Meedoen in de samenleving en op de arbeidsmarkt, jezelf blijven ontwikkelen, kunnen sporten en het hebben van zinvolle dagactiviteiten valt allen onder zelfredzaamheid en participatie dat wordt beoogd met de Wmo. Inwoners dienen zoveel als mogelijk te kunnen meedoen naar vermogen in betaald of onbetaald werk, in een inclusieve samenleving. Dit helpt eenzaamheid voorkomen en draagt bij aan het algemene welzijn van inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.1Het afwegingskader Ten aanzien van de eigen kracht bekijkt het college wat de mogelijkheden zijn tot het aanleren van vaardigheden en (zelf)organisatie. Is de inwoner bijvoorbeeld in staat om zelf structuur aan te brengen en te behouden in vorm van een dag/weekplanning? Hoe is het organiserend vermogen van de inwoner om zelf activiteiten te ondernemen op het gebied van vrije tijd en/of (on)betaald werk? Mogelijk kan het sociaal netwerk hierbij ondersteunen. Qua ondersteuning vanuit andere voorzieningen wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn op grond van de Ziektewet, de WIA, Wajong of de Participatiewet. Het college onderzoekt wat de inwoner kan of kan leren in betaald werk, onbetaald werk, een leerwerktraject of participatieplek. Zo wordt integraal vanuit verschillende wettelijke kaders beoordeeld op welke wijze het beste maatwerk geboden kan worden aan de inwoner. Ook kan in sommige gevallen de Wlz aan de orde zijn. Wanneer het een inwoner betreft ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd, is de mate van arbeidsvermogen uiteraard niet meer relevant. Echter heeft een inwoner van boven deze leeftijd meestal nog wel behoefte aan zinvolle dagactiviteiten, zoals het doen van vrijwilligerswerk, het ontmoeten van anderen of creatieve activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van algemene voorzieningen is er een breed aanbod voor vrijwilligerswerk, of-ondersteuning, deelname aan sport, activiteiten op de buurtpleinen of in woonzorgcentra waar de inwoner mogelijk aan kan deelnemen (zie bijlage 1 voor voorbeelden van algemene voorzieningen). De voorkeur gaat uit naar dagactiviteiten zo dicht mogelijk bij huis, met als voordeel dat men door activiteiten in de buurt het eigen sociaal netwerk kan vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.2Arbeidsmatige activering Het college is van mening dat elke inwoner moet kunnen profiteren van de voordelen van (on)betaald werk en activering. Dat geldt ook voor inwoners met een beperking en/of een afstand tot de arbeidsmarkt. Soms zijn inwoners (tijdelijk) niet in staat om te werken of hebben een activering nodig als opstapje naar (on)betaald werk. Activering begint dan vaak met het opdoen van sociale contacten, een dagritme hebben en positief werken aan een gevoel van (eigen)waarde, welke de mogelijkheden voor een volgende stap vergemakkelijken. Bij de maatwerkvoorziening arbeidsmatige activering werken inwoners onder begeleiding, in een werksetting, afgestemd op de mogelijkheden en interesses van de inwoner. Hierbij gaat het om een maatschappelijke of economische waarde, maar ook om werkervaring opdoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsmatige activering heeft de volgende doelstellingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners hebben door werkstructuur en -ritme een gevoel van veiligheid en kunnen zich ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners kunnen beter structuur geven aan hun dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners ontwikkelen een ambitie om te werken binnen de eigen mogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners hebben meer sociale contacten en doen meer mee in de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners ontwikkelen vakgerichte competenties en werknemersvaardigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsmatige activering is toegankelijk voor inwoners waarvoor een betaalde baan (vooralsnog) een brug te ver is. Echter hebben zij wel de mogelijkheden en talenten om een maatschappelijke of economische bijdrage te kunnen leveren. Ook hebben zij het leervermogen om nog (kleine) stappen te kunnen zetten in hun ontwikkeling. Als er mogelijkheden zijn om mensen in beweging te krijgen en te houden, wordt dit vermogen zoveel als mogelijk aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormen van Arbeidsmatige activering Er wordt onderscheid gemaakt in 1) Arbeidsmatige activering gericht op ontwikkeling en 2) Arbeidsmatige activering gericht op stabiliteit. In onderstaande tabellen staan deze maatwerkvoorzieningen nader beschreven. Beiden kunnen worden ingezet op niveau 1 of niveau 2. Bij niveau 1 kan de inwoner redelijk zelfstandig aan de slag en bij niveau 2 is er meer begeleiding nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsmatige Activering ontwikkelingsgericht Doelstelling: ‘op weg naar werk’: het zetten van stappen op de participatieladder Kernbegrip: aanleren De inwoner heeft een lichte ondersteuningsvraag op het gebied van werk. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken. Wanneer er vragen zijn, vraagt de inwoner zelf om hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inwoner komt afspraken na en is tijdig aanwezig op de werkplek. Er is geen intensieve afstemming met het steunsysteem van de inwoner nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning is er op gericht op het motiveren van de inwoner en het aanleren van vaardigheden en competenties, die ervoor zorgen dat de inwoner in staat is om zijn/haar werkzaamheden zelfstandig uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning vindt voornamelijk plaats in een groep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke ontwikkeling Ontwikkelen sociale vaardigheden Ontwikkelen werknemers vaardigheden Arbeidsethos opbouwen Ontdekken wat bij je past (beroepenrichting) Ruimte om uit te proberen Aanboren eigen ambitie Versterken van competenties Prikkelen intrinsieke motivatie Arbeidsmatige Activering gericht op stabiliteit Doelstelling: ‘op hun plek’: inwoners zitten voor het moment op het maximum van hun vermogen Kernbegrip: helpen bij De inwoners heeft ondersteuning nodig op het gebied van werk. De ondersteuning kan gericht zijn op het verkrijgen van stabiliteit van het uitvoeren van werkzaamheden/ aanwezigheid, of ondersteuning is nodig om nieuwe vaardigheden aan te leren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit: de ondersteuning wordt geboden bij het uitvoeren van werkzaamheden, tijdigheid en continuïteiten van aanwezigheid en het ontwikkelen van werknemersvaardigheden. Afstemming met het steunsysteem van de inwoner is hierbij noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelingsgericht: de ondersteuning is nodig voor de ontwikkeling van de inwoner. Nieuwe taken en competenties worden aangeleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning vindt plaats in een groep, waarbij er tijd en ruimte is voor individuele begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resultaten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rust, regelmaat &amp; reinheid op meerdere levensgebieden Behouden wat er is Hard werken om niet achteruit te gaan Voorkomen van crisis Geloof in en zicht op eigen (on)mogelijkheden Acceptatie en tevredenheid creëren Horizontale verbreding Ontwikkelen dagritme Bouwen aan zelfvertrouwen Het college beoordeelt of Arbeidsmatige activering passend is aan de hand van de volgende aspecten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Interesses van de inwoner Kwaliteiten van de inwoner Mogelijkheden van de inwoner (uitgangspunt wat kan iemand wel in plaats van niet);</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhouding draagkracht en draaglast;</p>\n<p class=\"lf-p\">De mobiliteit van de inwoner Het beoogde einddoel Op basis van de bovenstaande informatie wordt gekeken of het om Arbeidsmatige activering ontwikkelingsgericht of stabiliteit gaat en AA1 of AA2 (zie eerdere tabellen). Ook wordt een inschatting gemaakt van het aantal dagdelen. Dit zal per inwoner verschillen en kan ook gedurende het traject worden op- en afgeschaald. Tevens wordt op basis van de interesses, kwaliteiten en mobiliteit een selectie gemaakt voor een passende werkplek. Gedurende het traject vinden evaluatiemomenten plaats om te beoordelen of de beoogde doelen bereikt worden en of de inwoner nog op de goede plek zit. Mogelijk kan een overstap gemaakt worden naar een algemene voorziening of is een andere maatwerkvoorziening beter passend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen bijdrage Inwoner is bij de toekenning van Arbeidsmatige activering geen eigen bijdrage in de kosten verschuldigd. Wel kan er sprake zijn van algemeen gebruikelijke kosten voor bijvoorbeeld materiaal, het kopje koffie of andere kosten die een ieder zou maken in eenzelfde situatie waarbij er geen sprake is van een beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.3 Recreatieve activering De algemene voorziening recreatieve activering is een lokale, laagdrempelige en inclusieve voorziening voor inwoners van Nieuwegein. Het aanbod van de recreatieve activering wordt in de buurt/wijk aangeboden, inwoners kunnen zonder indicatie deelnemen en er wordt uitgegaan van de talenten in plaats van beperkingen van inwoners. De recreatieve activering is gericht op het versterken van de zelfredzaamheid (eigen kracht) van inwoners. De algemene voorziening is een veilige plek die zorgt voor ontmoeting, zodat kwetsbare inwoners niet geïsoleerd raken en zoveel mogelijk actief onderdeel uit blijven maken van de samenleving. Inwoners kunnen zonder indicatie deelnemen en er is ondersteuning van een zorgprofessional aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroep De doelgroep van de recreatieve activering wordt gevormd door inwoners met een beperking en/of chronische en/of psychosociale problemen. Inwoners die in aanmerking komen voor de recreatieve activering hebben meer professionele ondersteuning nodig dan geboden kan worden binnen reguliere welzijnsactiviteiten. De inwoner is wel in staat om te functioneren in een groep binnen de algemene voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunten De recreatieve activering is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Welzijn en (lichte) zorg gaan samen. De recreatieve activering is een balans tussen de laagdrempelige toegang van een algemene voorziening en het bieden van een veilige en daarmee meer gesloten activiteit voor kwetsbare inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroepen worden gemixt zodat kwetsbare inwoners, waarvoor de recreatieve activering bedoeld is, op basis van hun interesses en talenten deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieders en welzijnsorganisaties maken onderlinge samenwerkingsafspraken om goede ondersteuning aan inwoners te bieden en het aanbod in de wijken af op elkaar af te stemmen Het aanbod sluit aan bij de behoeften, kansen en mogelijkheden van de inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners ervaren geen schotten tussen aanbieders en worden eenduidig geïnformeerd en geholpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties in de wijken van Nieuwegein (zoals de Buurtpleinen) zijn beschikbaar voor het aanbieden van de recreatieve activering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt niet gewerkt met indicaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten Activiteiten binnen de recreatieve activering vinden plaats in groepsverband en kennen de volgende kenmerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die structureel plaatsvinden op basis van een op de inwoner gerichte aanpak en zoveel mogelijk met zijn of haar actieve betrokkenheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die mantelzorgers ontlasten en/of ondersteunen bij het (langer) thuis blijven wonen van personen in een kwetsbare situatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten die passen bij de interesses, de (cognitieve en fysieke) mogelijkheden/vaardigheden en beperkingen van de inwoner. Het aanbod is gevarieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer van en naar groepsactiviteiten Inwoners worden geacht zoveel als mogelijk zelf of met behulp van hun netwerk vorm te geven aan vervoer naar de locatie. Indien dit voor deelnemende inwoners geen passende optie is, wordt vervoer geregeld door de aanbieders van de recreatieve activering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.4Dagbesteding Plus’ Voor een grote groep inwoners kan deelname aan welzijnsactiviteiten en/of recreatieve activering voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Inwoners die in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus (voorheen: Ondersteuning Maatschappelijke Dienstverlening) hebben behoefte aan een meer structurele, programmatische en/of methodische vorm van dagactiviteiten met meer professionele begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus richt zich op het realiseren van dagactiviteiten; inwoners worden geactiveerd en ondersteund in hun maatschappelijke participatie. De dagactiviteiten zijn gericht op het bevorderen en behouden van de zelfredzaamheid of vertragen van de achteruitgang van de zelfredzaamheid. Maar ook het voorkomen van een sociaal isolement en het bevorderen van een gevoel van eigenwaarde, gezondheid, welbevinden en kwaliteit van leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De recreatieve activering is voorliggend aan de maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus. Het uitgangspunt is: ‘de inwoner maakt gebruik van de algemene voorziening (recreatieve activering), tenzij’. In alle gevallen wordt daarom eerst bekeken of de algemene voorziening passend is. Voor zeer kwetsbare inwoners, waarbij de problemen en/of beperkingen te ernstig zijn voor de algemene voorziening, wordt de maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus toegekend. Het betreft inwoners met een psychiatrische, somatische, verstandelijke of zintuigelijke beperking of psychische klachten, die zware beperkingen hebben op het terrein(en) van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale zelfredzaamheid Psychisch functioneren Het bewegen en verplaatsen Het vertonen van zwaar probleemgedrag De inwoner kan niet/nauwelijks in een groep functioneren (ernstige gedragsproblematiek, veiligheidsrisico en/of grensoverschrijdend gedrag) en heeft moeite met het reguleren van emoties of gedrag. Het betreft bijvoorbeeld ouderen met een vorm van ernstige dementie of personen met niet aangeboren hersenletsel die ernstig beperkt zijn in het zelfredzaamheid en (nagenoeg) niet meer in staat zijn om hun eigen dagstructuur vorm te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagactiviteiten vinden plaats in groepsverband, te denken valt aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Creatieve en hobbymatige activiteiten Huis- en tuinactiviteiten en dierverzorging (zorgboerderijen) Lichte vormen van arbeid, sportieve en bewegingsactiviteiten Ontmoetingsgroepen, zoals bewegen voor ouderen, sociale activiteiten zoals koffiedrinken en samen gezelschapsspelen doen Educatieve activiteiten, zoals krant lezen en geheugentraining De maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus kan ook worden ingezet om de mantelzorger te ontlasten in de thuissituatie zodat hij niet overbelast raakt. Ook hiervoor geldt dat eerst wordt bekeken of de algemene voorziening passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveaus Dagbesteding Plus De maatwerkvoorziening Dagbesteding Plus kent geen verschillende niveaus. We zorgen met één maatwerkvoorziening (en niveau), naast de algemene voorziening, voor meer duidelijkheid en transparantie richting de inwoners, zorgaanbieders en het sociaal team.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer van en naar groepsactiviteiten In principe is de inwoner zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar dagactiviteiten. Indien naar oordeel van het college de inwoner geen eigen mogelijkheden heeft, of dit vervoer niet met hulp van personen uit het sociaal netwerk kan plaatsvinden, kan georganiseerd vervoer noodzakelijk zijn en met de indicatie Dagbesteding Plus worden toegekend. De aanbieder is dan verantwoordelijk voor het regelen van dit vervoer van- en naar de dagactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.5Financiële tegemoetkoming in de kosten van sportbeoefening Wanneer een inwoner een ondersteuningsvraag voor sportbeoefening heeft, kan een ‘Financiële tegemoetkoming in de extra kosten van sportbeoefening’ worden verstrekt als maatwerkvoorziening. Met het verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van sportbeoefening kan de inwoner in staat wordt gesteld om: te participeren, medemens te ontmoeten en daarbij sociale contacten aan te gaan en te ontspannen. Als de inwoner, naar het oordeel van het college, al in aanvaardbare mate participeert door bijvoorbeeld school, vrienden, werk of een andere vorm van dagbesteding, mag het college maatwerkvoorziening ten behoeve van sportbeoefening weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college neemt de volgende factoren mee in haar beoordeling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige participatiemogelijkheden van de inwoner;</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke meerwaarde de sportactiviteit heeft voor zijn participatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De frequentie en duur van de sportactiviteit;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de sportactiviteit (betreft het een sport in verenigingsverband, een trainingsgroep onder leiding van een professional of individueel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten van sportbeoefening’ kan enkel worden toegekend wanneer de sport structureel beoefend wordt in verenigings- of groepsverbonden en voor de extra kosten die gemaakt worden vanwege de beperking van de inwoner tot een bepaald maximum. Wanneer een ‘Financiële tegemoetkoming in de kosten van sportbeoefening’ als maatwerkvoorziening wordt toegekend, is dat voor een gebruiksduur van minimaal 3 jaar. Verder is de inwoner zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij het uitoefenen van een sport en zijn algemeen gebruikelijke kosten voor eigen rekening. Denk aan kosten voor lidmaatschap, noodzakelijke kleding, vervoer van en naar de sportlocatie etc. De berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van sportbeoefening is opgenomen in het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het faciliteren van topsport valt niet onder de reikwijdte van de Wmo omdat de wet zich beperkt tot de zelfredzaamheid en participatie. Voor deelnemen aan het leven van alle dag (dus de participatie) is een professionele sportcarrière niet noodzakelijk. Indien en inwoner ‘topsport’ wil beoefenen, dan is hij net als alle valide topsporters aangewezen op financiële steun van sponsoren of de sportbond.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8(Kortdurend) wonen met zorg Sommige inwoners zijn kortdurend of meer permanent niet in staat om in noodzakelijke bestaansvoorwaarden te voorzien, zoals een veilige woonplek, sociale contacten, een inkomen en een gezonde leefsituatie. De aanleiding hiervoor, maar ook de problemen, zijn uiteenlopend. De oorzaak kan gelegen zijn in een (psychiatrische) beperking en/of forse (psychosociale) problemen op diverse levensgebieden. Denk aan schuldenproblematiek en/of verslaving, maar ook bijvoorbeeld aan het hebben van een licht verstandelijke beperking. Andere aanleidingen kunnen ingrijpende veranderingen zijn in de levensloop zoals het plots verliezen van een baan, een scheiding, vertrek uit een afhankelijkheidsrelatie met geweld en terugkeer naar de samenleving na bijvoorbeeld een behandeltraject met verblijf of verblijf in detentie. Wat deze inwoners met elkaar gemeen hebben, is een kortdurende of meer permanente behoefte aan een (afgeschermde) woon- en/of leefomgeving vaak in combinatie met (intensieve) begeleiding die structuur en veiligheid biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt beschreven hoe het college handelt bij de melding van een ondersteuningsvraag op het gebied van (kortdurend) wonen met zorg. Vervolgens wordt ingezoomd op de maatwerkvoorzieningen Wmo die ten behoeve van bovenstaande inwoners kunnen worden ingezet. Het gaat om de maatwerkvoorziening individuele begeleiding (individuele begeleiding) in combinatie met verschillende vormen van wonen (zonder 24-uurs begeleiding) en de maatwerkvoorzieningen Adempauzeplekken en Tijdelijk beschermd wonen voor inwoners met een licht verstandelijke beperking (met 24-uurs begeleiding). De toegang tot deze maatwerkvoorzieningen, is lokaal belegd. Dit betekent dat het college beoordeelt of de maatwerkvoorziening wordt ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van sommige van bovenstaande inwoners is ondersteuning in de vorm van Beschermd Wonen (BW) of Maatschappelijke Opvang (MO) noodzakelijk. De toegang tot BW en MO is regionaal in U16-verband13Samenwerkingsverband tussen 16 verschillende gemeenten in de regio Utrecht. georganiseerd en belegd bij centrumgemeente Utrecht. Ook voor inwoners van de gemeente Nieuwegein.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.1Afwegingskader Bij de melding van een ondersteuningsvraag voor (kortdurend) wonen met zorg, hanteert het college het afwegingskader zoals beschreven in hoofdstuk 3. Bekeken wordt of er gebruik kan worden gemaakt van eigen kracht of dat de inwoner gestimuleerd kan worden om hier gebruik van te maken. Ook wordt onderzocht in hoeverre het sociaal netwerk een oplossing kan bieden. Mogelijk zijn er familieleden of andere bekenden waar de inwoner tijdelijk onderdak en/of ondersteuning kan krijgen, of kan de inwoner zich laten helpen door zijn sociaal netwerk met het vinden van een woning via bijv. woningnet. Voorbeelden van algemene voorzieningen, die ondersteunend kunnen zijn aan het zo zelfstandig mogelijk wonen, zijn onder andere een zelfhulphuis (het Enik Recovery college). Hier kunnen inwoners met uitdagingen op het psychische en/of verslavingsvlak door middel van cursussen, trainingen, herstelgroepen en peer- to-peer contact werken aan hun competenties en vaardigheden. Ook zijn er activiteiten op de buurtpleinen voor inwoners met een ggz problematiek of kan er gedacht worden aan ggz-maatjes via een vrijwilligersorganisatie. Verder kan mogelijk aanspraak gemaakt worden op ondersteuning vanuit andere voorzieningen, zoals de Zvw of kan in crisissituaties de GGZ-crisisopvang worden benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het vaak urgente en ernstige karakter van dit type ondersteuningsvragen, wordt het afwegingskader zoals hierboven beschreven niet heel uitgebreid toegepast. Bovendien oordeelt het college bij deze ondersteuningsvragen al snel of een doorverwijzing naar centrumgemeente Utrecht nodig is voor ondersteuning in de vorm van BW en MO.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.2individuele begeleiding met wonen Inzet van de maatwerkvoorziening individuele begeleiding in combinatie met verschillende vormen van wonen heeft onder andere als doel de instroom bij BW en MO te beperken en de uitstroom van inwoners uit BW en MO te bevorderen. Het biedt inwoners die zich bevinden in een kwetsbare situatie, het steuntje in de rug om (weer) grip op het leven te krijgen en naar vermogen zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De toekenning en uitvoering van de maatwerkvoorziening individuele begeleiding met wonen is nog in de pilotfase. Dit betekent dat gemonitord wordt of de doelen waarvoor de maatwerkvoorziening wordt ingezet naar tevredenheid van het college worden behaald en wat nog eventuele verbeterpunten zijn in de uitvoering. De varianten binnen deze maatwerkvoorziening hebben met elkaar overeen dat aan inwoners een eigen woonruimte wordt geboden met passende (ambulante) begeleiding, niet zijnde 24-uurs zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Pitstop De Pitstop biedt een kleinschalige, tijdelijke woonplek met intensieve ondersteuning nabij de eigen woonomgeving aan inwoners die kortdurend een woonplek, rust, ondersteuning en aandacht nodig hebben om hun leven weer op de rit te krijgen. Denk aan inwoners waar dakloosheid dreigt als gevolg van een scheiding, schulden of sociale problemen. Door de korte opvang en intensieve ondersteuning dicht bij huis (maximaal 6 maanden), blijft de eigen sociale structuur intact, wat bijdraagt aan het herstelproces. De aanbieder van de Pitstop voert met een inwoner die een verwijzing heeft gekregen van het college een intakegesprek en checkt of de inwoner bij de Pitstop op de juiste plek is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer dat het geval is, wordt samen met de inwoner een Werk-leer-plan opgesteld. Dit Werk-leer-plan wordt onderdeel van het ondersteuningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamers met Kansen Kamers met Kansen biedt jongeren in de leeftijd van 16 tot 26 jaar die niet langer thuis in een pleeggezin of instelling kunnen verblijven maar ook nog niet volledig zelfstandig kunnen wonen, een woonplek met begeleiding (in de vorm van coaching) voor de duur van maximaal 1,5 jaar. Doel is deze jongeren leren zelfstandig te gaan wonen en zodoende een steuntje in de rug te geven richting zelfredzaamheid. Kamers met Kansen is een gemengd-wonen project. Dit houdt in, dat jongeren met een ondersteuningsvraag (delen van) de woonplek delen met anderen, waaronder jongeren zonder ondersteuningsvraag. De coaching op alle leefgebieden vindt ambulant plaats. Het verblijf is tijdelijk en gericht op uitstroom naar een zelfstandige woning. Na verwijzing van het college checkt de aanbieder van Kamers met Kansen/ InnBetween of de inwoner bij hen op de juiste plek is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenvormen van tijdelijk wonen Er zijn diverse woonvarianten voor inwoners met complexe multiproblematiek waar intensieve begeleiding geboden wordt. Het gaat om inwoners van 18 jaar en ouder, stellen of gezinnen die door sociaal-maatschappelijke of psychische omstandigheden in een kwetsbare (woon)situatie verkeren en waarbij vaak sprake is van complexe multiproblematiek. Denk aan schulden, verslavings- of psychische problemen, en (dreigende) dakloosheid door overlast, huurachterstanden etc. De woonvarianten met begeleiding hebben tot doel mensen zo zelfstandig mogelijk te laten wonen zodat zij zich (weer) kunnen handhaven in de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg met de aanbieder van deze woonvarianten met begeleiding besluit het college of de inwoner bij hen op de juiste plek is en welke woonvariant op basis van zijn behoefte en mogelijkheden het beste passend is. Deze tussenvormen van tijdelijk wonen zijn niet geschikt voor inwoners gediagnosticeerd met LVB (zie paragraaf 5.8.4), met ernstige psychiatrische problematieken (agressie) en/of met een ernstige verslaving. Hieronder volgt een korte beschrijving van de woonvarianten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstapwoningen Dit zijn woningen waar eerste opvang wordt geboden aan inwoners die plotseling dakloos zijn geraakt door schulden of scheiding en zo spoedig mogelijk praktische hulp en begeleiding nodig hebben om intensievere vormen van opvang te voorkomen. Er is sprake van multiproblematiek, maar er is geen 24-uurs zorg nodig. Ook is een realiseerbaar inkomen aanwezig. Het doel is de noodsituatie te stabiliseren en zo snel als mogelijk door te stromen naar een vervolgplek of zelfstandig wonen. De woningen worden door de aanbieder gehuurd bij een woningcorporatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Housing first/ omklapwoningen</p></div>", "next": 239835}